<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR105959_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2011 gemeente Heumen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding, 05-07-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2011 gemeente Heumen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 12, 15 en 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1 en 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>05.09.B9</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening 2011 gemeente Heumen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>GEMEENTE HEUMEN RAADSBESLUIT</vet></al><al>Onderwerp: Vaststelling Erfgoedverordening</al><al>Datum: 26 mei 2011</al><al>Besluitnr.: 05.09 B9</al><al/><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 26 april
                        2011</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de Erfgoedverordening 2011 gemeente Heumen</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, waaronder tevens groen erfgoed wordt verstaan, die
                                            van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis
                                            voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988
                                    ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="f."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="g."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="h."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="i."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="j."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="k."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="l."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    gemeentelijke archeologische waardenkaart.</al></li><li nr="m."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="n."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente heumen</al></li><li nr="o."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></li><li nr="p."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="q."><al>groen erfgoed: monumenten in de vorm van houtsingels, oude
                                    dijken, monumentale bomen, scheiwallen, hagen en
                                    dergelijke.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 4 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 12 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een
                                monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld
                                in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en
                                voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen
                                van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in tweevoud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMDE monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder f, de bodem dieper dan 30 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                        gemeentelijke archeologische waardenkaart en waarbij die
                                        verstoring plaatsvindt:</al><lijst><li nr="·"><al>in een gebied met lage archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 2500 m2, of;</al></li><li nr="·"><al>in een gebied met een middelhoge archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 500 m2, of;</al></li><li nr="·"><al>in een gebied met hoge archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 200 m2.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke
                                        archeologische waardenkaart;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat:</al><lijst><li nr="·"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="·"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="·"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Heumen onderzoek wordt
                                uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van
                                artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige
                                bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder k waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1 onder j van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen,.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                Archeologische monumentenzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en
                            artikel 17, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1: de ambtenaar die belast is met de
                                        monumentenzorg in de gemeente Heumen;</al></li><li nr="b."><al>Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2: de ambtenaar die belast is met de
                                        archeologie in de gemeente Heumen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening 1988 en het Interim-beleid archeologie 2006
                            worden ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken
                                Monumentenverordening aangewezen en geregistreerde gemeentelijke
                                monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn
                                overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking de dag na de bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening 2011 Gemeente
                            Heumen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>RK</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, 26 mei 2011</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                            uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de
                            omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De
                            cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan
                            een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat
                            is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                            van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime
                            omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                            een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim
                            te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar
                            archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan
                            het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of
                            meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig
                            monument voorkomt om over een gemeentelijk monument te kunnen spreken.
                            Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                            monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                            monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst
                            omdat ze ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te
                            plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                            onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de
                            bescherming vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal
                            eenvoudig kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de
                            gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden
                            gebracht. </al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                            aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst
                            heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve
                            handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing
                            tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker
                            om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie
                            ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel
                            7<cursief>.</cursief></al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten
                            bij de begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar
                            de Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als
                            een onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge de
                            Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor
                            rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing. </al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering gemeentebestuur in 2002
                            kan elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester)
                            zelf zijn commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie
                            die adviseert aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door
                            de raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan
                            het bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In
                            artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                            inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het
                            bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een
                            activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo.
                            De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen
                            keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                            instellen van de monumentencommissie door het college moet door middel
                            van een apart collegebesluit. De taken van de monumentencommissie
                            strekken zich uit over de Erfgoedverordening, de Monumentenwet 1988, de
                            Wabo en het monumentenbeleid.</al><al><cursief>Sub l</cursief></al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart biedt een praktische oplossing
                            bieden in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is
                            vastgesteld. </al><al><cursief>Sub m</cursief></al><al>De hoofdregel is dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar het
                            project zich in hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is. </al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven,
                            zodat deze geen nadere toelichting behoeven. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen
                            op toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft
                            het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de
                            aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van een monument</titel></kop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de
                            eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze
                            gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het
                            object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                            monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De
                            aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                            gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve
                            handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing
                            worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                            opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk
                            gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De
                            aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert
                            immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het
                            monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat
                            betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de
                            monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie
                            art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art.
                            10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale
                            onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning
                            voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de
                            burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                            omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het
                            object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en
                            voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke
                            afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                            bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld
                            voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                            omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als
                            bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan
                            bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                            werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen
                            plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college
                            over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere
                            belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de
                            artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al><cursief> Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat
                            belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers
                            meer dan het naar voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al
                            op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als
                            gemeentelijk monument in aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                            monumenten, zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat
                            in de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een
                            monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het
                            daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                            artikelen 10 tot en met 14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat
                            betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure
                            tot gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd,
                            verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning voor monumenten of
                            anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik van de
                            voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien
                            hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn
                            verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten
                            te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                            publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van
                            artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet
                            kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is
                            ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de
                            aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een
                            gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                            voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6 van deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de
                            monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing
                            moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden,
                            weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. In het kader van de
                            vermindering van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden
                            over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van de
                            termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                            minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                            monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze
                            kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te
                            laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun
                            overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op
                            grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel
                            6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                            administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                            staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit,
                            omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een
                            afschrift van de inschrijving) van het college is voor alle aan het
                            monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel
                            belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook
                            te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b,
                            sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
                            zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op
                            een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                            verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                            bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al
                            bepaalt (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van
                            geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op
                            grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te
                            ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en
                            geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om
                            een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument
                            zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste
                            aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                            (aanwijzing).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                            gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                            voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                            wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                            aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                            4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is
                            het advies van de monumentencommissie nodig. Monumenten op de
                            gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken
                            (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden
                            door het college van de monumentenlijst gehaald. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                            intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te
                            eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag
                            dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de
                            lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis
                            met artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                            beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                            alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                            omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang
                            dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in
                            de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de
                            Wabo dient de gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te
                            maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een
                            door de Minister van VROM vastgesteld formulier. </al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de
                            indieningsvereisten voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In
                            paragraaf 5.2 van de Mor zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen
                            voor activiteiten met betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en
                            de locatie van de werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten
                            gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van deze
                            indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                            administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de
                            indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk
                            gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden
                            beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college
                            om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van
                            het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid.
                            De Wabo ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over
                            het stellen van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college
                            blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen
                            gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                            ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in
                            vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief
                            eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of
                            het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met een
                            vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die
                            situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te
                            vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote
                            (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit
                            toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog
                            minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen)
                            kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het
                            kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de
                            bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te
                            staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit
                            artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een
                            medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met
                            de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de
                            hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object
                            niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten
                            teruggeplaatst. Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is
                            overeenstemming tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig.
                            Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                            godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor
                            bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook
                            niet geldt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                            digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze
                            tussen het digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de
                            omgevingsvergunning. Voor ondernemingen en personen met een zelfstandig
                            beroep geldt in beginsel geen keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een
                            aanvraag langs digitale weg indienen. Aangezien een aantal, met name
                            kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde voorzieningen beschikken
                            om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met diverse
                            brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                            jaren in werking te laten treden. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de
                            administratieve lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij
                            een schriftelijke aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en
                            de daarbij behorende bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan
                            op grond van het derde lid van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken.
                            Er moet dan sprake zijn van twee of meer adviezen of verklaringen van
                            geen bedenkingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                            omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                            voorbereidingsprocedure van toepassing. Echter indien er meerdere
                            activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van
                            de andere activiteiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure
                            op grond van de Wabo gevolg moet worden dan wordt voor het hele project
                            de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt
                            van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is
                            van een samenloop van procedure geldt de zwaarste procedure (de
                            uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). </al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor
                            gekozen om deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen
                            van de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan
                            bij titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                            ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd
                            gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een
                            bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure
                            zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen
                            en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd
                            gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven, indien niet
                            tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                            bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt
                            het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de
                            door hem gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de
                            aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag,
                            nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het
                            bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een
                            beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan
                            eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te
                            brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde
                            lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden
                            gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan
                            de (gemeentelijke) monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is
                            dat de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te
                            brengen. Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze
                            gelegenheid gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het
                            nemen van een besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de
                            gestelde termijn gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure
                            vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht
                            te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden
                            verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling
                            te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6
                            weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                            uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn
                            te stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij
                            wettelijk voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort
                            zijn, dat de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet
                            op de beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de
                            monumentencommissie parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag
                            door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het advies en de
                            beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                            evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage
                            gelegd waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het
                            besluit treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en
                            wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een
                            bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale
                            beslistermijn opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in
                            dat de overschrijding van de beslistermijn leidt tot een
                            omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform
                            de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve
                            vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn
                            van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid
                            en 4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met
                            ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de
                            termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien
                            bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van
                            de toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                            toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het
                            kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van
                            monumenten in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het
                            belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen
                            (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het artikel geeft
                            namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de
                            vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg
                            centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit artikel worden
                            verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de
                            monumentenzorg. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te
                            trekken. De bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de
                            omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument
                            wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                            belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                            behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag mogelijkheden
                            hebben om de vergunning in te trekken.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning
                            voor beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en
                            afdeling 3.4 van de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure
                            is van toepassing. Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor
                            beschermde monumenten van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke
                            monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient namelijk
                            de reguliere procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van
                            de Wabo vindt er geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de
                            omgevingsvergunning voor beschermde monumenten plaats. Door dit
                            onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                            omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de
                            adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de
                            komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende
                            de termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen.
                            Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                            Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                            verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                            binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het
                            definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden
                            ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende
                            wijzen invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de
                            rijksdienst vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom
                            wordt de verplichte advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de
                            Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de
                            ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                            monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie,
                            sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de adviesplicht
                            van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het advies
                            van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                            monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en
                            deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin
                            de rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in diens
                            advisering trad, is ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de
                            bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een afschrift
                            van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid
                            vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering
                            overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS
                            al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet adviseren, zodat
                            de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                            aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                            ingeschakeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006
                            verplicht de raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als
                            bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te
                            houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
                            Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta)
                            en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het
                            bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische
                            waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de
                            bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                            overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.
                            In dit verband wordt opgemerkt dat het vastgestelde bestemmingsplan
                            “Buitengebied 2009” en enkele particuliere bestemmingsplannen inmiddels
                            ‘Malta-proof’ zijn, maar de overige bestemmingsplannen nog niet.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden
                            vastgesteld, biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige
                            bescherming aan archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van
                            artikel 16 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 30
                            cm de bodem te verstoren. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 16 worden een vijftal
                            uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. Onderdeel a is
                            niet van toepassing, indien de verstoring plaats vindt in een
                            archeologisch monument of verwachtingsgebied als aangegeven op de
                            gemeentelijke archeologische waardenkaart. Deze waardenkaart (RAAP 2006)
                            hanteert een driedeling wat betreft de mate waarin archeologische
                            waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische
                            verwachtingswaarden zijn vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te
                            verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte archeologische
                            waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een verstoring mag
                            plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal het aantal m2
                            waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner
                            zijn. </al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date
                            is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat
                            geval biedt het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende
                            archeologische waardenkaart, voldoende bescherming aan de in de bodem
                            aanwezige of te verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in
                            de Wet ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo.
                            Het gaat hier om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse
                            ontheffing, de oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse
                            ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro) Deze
                            bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te vervallen. Wel geldt
                            nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij
                            de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                            archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de
                            aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt
                            overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein
                            in voldoende mate is vastgesteld. </al><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in
                            onderdeel c. Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt
                            vergunningstelsel ten behoeve van het realiseren van een fysiek project.
                            Er is voor gekozen om deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten
                            vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van
                            overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van het rapport
                            door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt
                            overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet
                            1988 in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van
                            Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van
                            dit artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen
                            aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                            archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een
                            ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk
                            aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een
                            archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden
                            worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin vereisten
                            betreffende de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen,
                            een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder met
                            Valletta’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                            functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische
                            onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in
                            haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide
                            regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk
                            grondgebied. </al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                            programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor
                            het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder
                            a). Daartoe raadpleegt het college de regioarcheoloog. Vervolgens wordt
                            van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe
                            hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het programma van
                            eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake van
                            een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een
                            fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel
                            16 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te
                            laten vallen. Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere
                            regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en
                            het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid, onder
                            e en artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt
                            vergunningstelsel en de uitvoering van een fysiek project. Om deze reden
                            is de Wabo van toepassing verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11,
                            12, 13 en 14, welke zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten, kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing
                            worden verklaard. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
                            artikelgewijze toelichting bij deze artikelen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                            Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is
                            (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient
                            echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                            schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                            rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer
                            van toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de
                            memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg
                            is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding
                            voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal
                            zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’
                            is. In deze modelverordening is gekozen voor een
                            schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen
                            op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een
                            belanghebbende dient toe te kennen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing
                            op de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van
                            artikel 10, derde lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede
                            lid, onder e. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten
                            (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met
                            de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154,
                            lid 1, van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op
                            overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of
                            zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de
                            geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare
                            feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in de
                            tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente
                            niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                            categorieën. </al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp de wens om
                            enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                            tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden
                            van de nadere regels voor de hand liggend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                            modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                            Het is de bedoeling dat bij het eerste lid, onder a en b, functies van
                            de ambtenaren die belast zijn met de opsporing worden ingevuld. Het
                            aanwijzen van toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het
                            college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los van de
                            vergunningverlening en valt derhalve buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5
                            van de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de
                            bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en
                            individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in artikel
                            5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van
                            het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de
                            aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Erfgoedverordening kan
                            plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                            inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen
                            voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
                            noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde
                            gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                            toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten
                            worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
                            noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de
                            naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats
                            te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                            bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen
                            erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen).
                            Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van dit artikel
                            niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141
                            Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien
                            artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                            verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid
                            toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een
                            opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordening, zodat
                            niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen.
                            Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege
                            worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling
                            ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                            bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd
                            duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling
                            gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging
                            van bestaande rechten is daarom in deze verordening een
                            overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval
                            de aanwijzing tot monument (artikel 3) en de vergunning verlening
                            (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                            gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                            aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In
                            het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden
                            van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude
                            verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee
                            procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de Wabo is
                            aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de
                            bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op
                            lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege
                            onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de
                            bepalingen uit de Wabo. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                            verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                            Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                            Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor
                            inwerkingtreding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>RK</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Malden, 26 mei 2011</al><al>DE RAAD VOORNOEMD;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>De raadsgriffier,</al></entry><entry colname="col3"><al>De loco-burgemeester,</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>L.Bosland.</al></entry><entry colname="col3"><al>H.van den Berg.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>