<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR105254_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dalfsen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">KernPUNTEN, 20-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dalfsen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dalfsen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>3e wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>01-12-2011, nummer 1080</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dalfsen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dalfsen;</al><al/><al>gelezen het voorstel d.d. 1 december 2011, nummer 1080;</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>vast te stellen <vet>“ Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Dalfsen”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit Besluit wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Verordening: verordening voorzieningen maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Dalfsen;</al></li><li nr="c."><al>Besluit: het besluit voorzieningen maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Dalfsen dat jaarlijks wordt vastgesteld
                                    en waarin bedragen zijn opgenomen;</al></li><li nr="d."><al>Beleidsregels: het verstrekkingenbeleid voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Dalfsen, waarin de
                                    nadere beleidsregels zijn opgenomen;</al></li><li nr="e."><al>Eigen bijdrage Wmo: een door het college van burgemeester en
                                    wethouders vast te stellen bijdrage, die wordt vastgesteld en
                                    geïnd via het Centraal Administratie Kantoor (CAK);</al></li><li nr="f."><al>Persoongebonden budget (PGB): een geldbedrag waarmee de
                                    aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan
                                    verwerven en waarop de regels van de verordening en het besluit
                                    van toepassing zijn;</al></li><li nr="g."><al>Persoonsgebonden Budget plus (PGB-plus): een geldbedrag als
                                    vergoeding voor hulp bij het huishouden, wanneer de aanvrager
                                    een overeenkomst heeft gesloten met een servicebureau PGB;</al></li><li nr="h."><al>Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge de verordening een
                                    persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                                    verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                                    verschuldigd is;</al></li><li nr="i."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                    voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven
                                    voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten
                                    van een dergelijke voorziening;Instandhoudingskosten: alle
                                    kosten die betrekking hebben op het in stand houden van de
                                    voorziening(en);</al></li><li nr="j."><al>Hilp bij het huishouden, categorie 1 (HH1): huishoudelijke
                                    werkzaamheden, bijvoorbeeld stof afnemen, afwassen, opruimen,
                                    ramen zemen, sanitair schoonmaken, verzorgen van de was, bed
                                    opmaken, verzorgen van planten en huisdieren en het bereiden van
                                    de maaltijd;</al></li><li nr="k."><al>Hulp bij het huishouden categorie 2 (HH2): de werkzaamheden van
                                    HH1 plus de organisatie van de huishouding in verband met
                                    chronische ziekte of beperkingen en/of het verzorgen en opvangen
                                    van jonge kinderen in verband met uitval van de primaire
                                    verzorger(s) en afwezigheid van informele zorg;</al></li><li nr="l."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="m."><al>Forfaitaire vergoeding:vast bedrag, ongeacht de werkelijke
                                    kosten van een voorziening;</al></li><li nr="n."><al>Gemaximeerde vergoeding: vergoeding in de kosten van een
                                    voorziening die tot een vastgesteld maximum wordt verstrekt, al
                                    dan niet met inachtneming van de inkomensgrens;</al></li><li nr="o."><al>Normbedrag: forfaitaire of gemaximeerde vergoeding;</al></li><li nr="p."><al>Inkomen: het verzamelinkomen op grond van artikel 2.18 van de
                                    Wet inkomstenbelasting dan wel het belastbare loon op grond van
                                    artikel 9 van de Wet inkomstenbelasting 1964:</al></li><li nr="q."><al>Peiljaar: het jaar waarin het inkomen wordt vastgesteld;</al></li><li nr="r."><al>Inkomensgrens: de financiële grens waarboven de aanschaf van
                                    voorzieningen als normale kosten dienen te worden
                                    beschouwd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>BIJZONDERE REGELS OVER HET PERSOONSGEBONDEN BUDGET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Regels rond verstrekking en verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>2.1.</lidnr><al>Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm
                                van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.2</lidnr><al>Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek
                                        duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat
                                        de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="b."><al>de afgegeven indicatie voor hulp bij het huishouden korter
                                        of gelijk aan drie maanden is;</al></li><li nr="c."><al>als uit onderzoek is gebleken dat de aanvrager een eerder
                                        persoonsgebonden budget niet in overeenstemming met doel
                                        en/of bestemming heeft ingezet;</al></li><li nr="d."><al>op grond van de progressiviteit van het ziektebeeld de
                                        aangevraagde voorziening zo snel weer door een aangepaste
                                        voorziening vervangen moet worden dat deze verstrekking zich
                                        daardoor niet leent voor een persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.3</lidnr><al>Er wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt voor het collectief
                                vraagafhankelijk vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.4</lidnr><al>De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de
                                budgethouder aan het college vindt plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningaanpassingen, woonvoorzieningen, rolstoelen en
                                        vervoersvoorzieningen in alle gevallen na afloop van de
                                        realisatie dan wel na aanschaf.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>voor de hulp bij het huishouden elke zes maanden en wel na
                                        afloop van de eerste zes maanden en na afloop van elk
                                        kalenderjaar.</al><al>2.5.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.5.</lidnr><al>Bij verstrekking van het persoonsgebonden budget is de budgethouder
                                verplicht in ieder geval de volgende stukken op verzoek te
                                verstrekken:</al><lijst><li nr="-"><al>bij hulp bij het huishouden</al><lijst><li nr="a."><al>een gesloten zorgovereenkomst tussen budgethouder en
                                                zorgverlener;</al></li><li nr="b."><al>betalingsbewijzen van de verrichte betalingen;</al></li><li nr="c."><al>of indien wettelijk noodzakelijk) een overzicht van
                                                de salarisadministratie met bewijsstukken.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>bij overige individuele voorzieningen</al><lijst><li nr="d."><al>de nota/factuur van de aangeschafte
                                                voorziening;</al></li><li nr="e."><al>een betalingsbewijs van de aanschaf van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>EIGEN BIJDRAGEN, EIGEN AANDEEL EN BESPARINGSBIJDRAGE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Omvang van eigen bijdragen en eigen aandeel hulp bij het
                                huishouden</titel></kop><lid><lidnr>3.1.</lidnr><al>Voor de volgende voorzieningen (in natura of persoonsgebonden
                                budget) is een eigen bijdrage verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>hulp bij het huishouden;</al></li><li nr="b."><al>woonvoorzieningen voor zover het een traplift betreft;</al></li><li nr="c."><al>vervoersvoorzieningen voor zover het een scootmobiel
                                        betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.2.</lidnr><al>Vaststelling en inning van de eigen bijdrage vindt plaats door het
                                Centraal Administratie Kantoor (CAK);</al></lid><lid><lidnr>3.3</lidnr><al>Omvang van de eigen bijdrage hulp bij het huishouden:</al><lijst><li nr="a."><al>de eigen bijdrage bedraagt voor ongehuwde personen jonger
                                        dan 65 jaar € 18,00 per vier weken, met dien verstande dat
                                        indien het inkomen meer bedraagt dan € 22.905,-- het bedrag
                                        van € 18,00 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15%
                                        van het verschil tussen zijn inkomen en € 22.905,--;</al></li><li nr="b."><al>de eigen bijdrage bedraagt voor ongehuwde personen van 65
                                        jaar of ouder € 18,00 per vier weken, met dien verstande dat
                                        indien het inkomen meer bedraagt dan € 16.007,-- het bedrag
                                        van € 18,00 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15%
                                        van het verschil tussen zijn inkomen en € 16.007,--;</al></li><li nr="c."><al>de eigen bijdrage bedraagt voor gehuwde personen indien één
                                        van beiden jonger is dan 65 jaar of beide jonger zijn dan 65
                                        jaar € 25,80 per vier weken, met dien verstande dat indien
                                        hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 28.306,-- het
                                        bedrag van € 25,80 wordt verhoogd met een dertiende deel van
                                        15% van het verschil tussen hun gezamenlijke inkomen en €
                                        28.306,--;</al></li><li nr="d."><al>de eigen bijdrage bedraagt voor gehuwde personen die beiden
                                        65 jaar of ouder zijn € 25,80 per vier weken, met dien
                                        verstande dat indien hun gezamenlijke inkomen meer bedraagt
                                        dan € 22.319,-- het bedrag van € 25,80 wordt verhoogd met
                                        een dertiende deel van 15% van het verschil tussen hun
                                        gezamenlijke inkomen en € 22.319,--.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.4.</lidnr><al>De eigen bijdrage bedraagt maximaal de kostprijs van de voorziening,
                                inhoudende: </al><lijst><li nr="a."><al>bij hulp via aanbieders voor HH1 € 19,95 en voor HH2 € 22,94
                                        per uur, jaarlijks te indexeren op basis van de
                                        overheidsbijdrage in de arbeidsontwikkeling (OVA);</al></li><li nr="b."><al>bij een persoonsgebonden budget: het vastgestelde bedrag per
                                        uur, zoals bepaald in artikel 4.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.5.</lidnr><al>Omvang van de eigen bijdrage woonvoorziening: </al><al>De eigen bijdrage voor een traplift bedraagt € 1.500,-.</al></lid><lid><lidnr>3.6.</lidnr><al>Omvang van de eigen bijdrage vervoersvoorziening: </al><al>De eigen bijdrage voor een scootmobiel bedraagt € 1.500,-.</al></lid><lid><lidnr>3.7</lidnr><al>Bij verstrekking van de in artikel 3 eerste lid genoemde
                                woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen wordt gedurende een
                                periode van negenendertig maal vier weken een eigen bijdrage in
                                rekening gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.8</lidnr><al>De gemeente Dalfsen verstrekt een bruto PGB. Dit houdt in dat de
                                cliënt zelf de eigen bijdrage aan het CAK dient te betalen. De eigen
                                bijdrage mag niet in mindering worden gebracht op de in te kopen
                                voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>HULP BIJ HET HUISHOUDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling bedragen persoonsgebonden budget hulp bij het
                                huishouden.</titel></kop><lid><lidnr>4.1.</lidnr><al>Vaststelling van een persoonsgebonden budget vindt ten aanzien van
                                hulp in de huishouding als volgt plaats. Er wordt een bedrag per uur
                                beschikbaar gesteld van € 15,72 voor HH1 en € 19,95 voor HH2;</al></lid><lid><lidnr>4.2.</lidnr><al>De vergoeding voor hulp bij het huishouden volgens HH1 bedraagt
                                maximaal € 17,75 per geleverd uur, wanneer er sprake is van een
                                arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet
                                op de loonbelasting 1964, mits de aanvrager een overeenkomst heeft
                                gesloten met een servicebureau PGB die de volgende zaken voor
                                aanvrager regelt:</al><lijst><li nr="-"><al>bemiddeling;</al></li><li nr="-"><al>loonbetaling;</al></li><li nr="-"><al>loonadministratie;</al></li><li nr="-"><al>verzekering voor de loonbetaling bij vervanging bij
                                        ziekte;</al></li><li nr="-"><al>werkgeversaansprakelijkheidsverzekering;</al></li><li nr="-"><al>controle en financiële verantwoording naar de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>actieve bemiddeling en vervanging bij ziekte en
                                        vakanties;</al></li><li nr="-"><al>verzorgen van de declaraties naar de gemeente van het PGB op
                                        basis van de werkelijk gewerkte uren, conform het
                                        gemeentelijk format;</al></li><li nr="-"><al>aanleveren van de werkelijk gewerkte uren aan het CAK voor
                                        berekening van de eigen bijdrage voor de cliënt;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.3.</lidnr><al>Indexering vindt jaarlijks op basis van de overheidsbijdrage in de
                                arbeidsontwikkeling (OVA) plaats</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>WOONVOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vaststellen vergoeding per woonvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>5.1.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor een
                                bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, een niet-bouwkundige
                                of niet-woontechnische woonvoorziening en het verwijderen van
                                vorenstaande woonvoorzieningen wordt vastgesteld als tegenwaarde van
                                het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde
                                offerte. </al></lid><lid><lidnr>5.2</lidnr><al>Als de kosten hoger zijn dan € 2.650 is de particuliere aanvrager
                                verplicht twee offertes in te dienen;</al></lid><lid><lidnr>5.3</lidnr><al>Hiernaast kan het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen
                                worden vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de adequate en
                                goedkoopste voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor
                                onderhoud en reparatie.</al></lid><lid><lidnr>5.4</lidnr><al>Woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen
                                dan € 47.500 worden niet verleend 'tenzij weigering van de
                                voorzieningen gelet op het belang dat deze regeling beoogt te
                                beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard;</al></lid><lid><lidnr>5.5</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                tijdelijke huisvesting bedraagt de werkelijk gemaakte kosten met een
                                maximum van:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 520 per maand als tegemoetkoming in de kosten van het
                                        tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte en het
                                        langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>€ 260 per maand als tegemoetkoming in de kosten van het
                                        tijdelijk betrekken van niet-zelfstandige woonruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.6</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                huurderving bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>75% van de kale huur van de woonruimte met een maximum van €
                                        312 per maand;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>onder de voorwaarde dat de kosten van de gerealiseerde
                                        woningaanpassing meer bedraagt dan € 2.650;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.7</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen is het maximum
                                van de gehanteerde tarieven en ervaringscijfers van de
                                huisleverancier;</al></lid><lid><lidnr>5.8</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                aanpassing van een woonwagen is maximaal € 943.</al></lid><lid><lidnr>5.9</lidnr><al>Het in artikel 21 van de van de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning genoemde afschrijvingsschema ziet er
                                als volgt. De meerwaarde dient als volgt te worden terugbetaald: </al><lijst><li nr="a."><al>100% van de meerwaarde bij verkoop binnen 1 jaar;</al></li><li nr="b."><al>80% van de meerwaarde bij verkoop binnen 2 jaar;</al></li><li nr="c."><al>60% van de meerwaarde bij verkoop binnen 3 jaar;</al></li><li nr="d."><al>40% van de meerwaarde bij verkoop binnen 4 jaar;</al></li><li nr="e."><al>20% van de meerwaarde bij verkoop binnen 5 jaar.</al></li></lijst><al>De meerwaarde wordt vastgesteld op basis van de vastgestelde waarde
                                van het onroerend goed in de WOZ-beschikking per 1 januari voor de
                                start van de (ver)bouw en de vastgestelde waarde in de
                                WOZ-beschikking per 1 januari na datum gereedmelding.</al></lid><lid><lidnr>5.10..</lidnr><al>De vergoeding voor de verhuiskosten- en herinrichtingskosten als
                                genoemd in artikel 15 onder a van de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning bedraagt maximaal 2.596 en wordt
                                vastgetseld op grond van de werkelijke kosten van de verhuizing en
                                herinrichting waarbij onder herinrichting wordt verstaan de kosten
                                van vloerbedekking, gordijnen, vitrages, behang en verf.</al></lid><lid><lidnr>5.11.</lidnr><al>De vergoeding die als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar
                                maken als genoemd in artikel 19 lid 2 tot en met 5 van de
                                Verordening bedraagt € 2.596.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Het primaat van de verhuizing</titel></kop><al>Het primaat van de verhuizing blijft in ieder geval buiten toepassing
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er niet binnen zes maanden een geschikte woning beschikbaar
                                    komt;</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de woningaanpassing van de door de persoon met
                                    beperkingen bewoonde woning minder bedragen dan € 9.700;</al></li><li nr="c."><al>de kosten van de woningaanpassing van de door de persoon met
                                    beperkingen bewoonde woning minder bedragen dan 125% van de
                                    kosten van de verhuizing, herinrichting en eventuele aanvullende
                                    woningaanpassingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Hoogte persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld
                            op basis van de tegenwaarde van de adequate en goedkoopst compenserende
                            voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud en
                            reparatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inkomensgrenzen</titel></kop><al>De grens waarboven (gebruikmaking van het collectief vervoer of een
                            auto) met een auto vergelijkbare voorzieningen en de daarmee
                            samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet voor verstrekking of
                            vergoeding in aanmerking komen, zoals genoemd in artikel 25 van de
                            Verordening bedraagt 1,6 maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm en
                            wordt als volgt berekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de door het Rijk vastgestelde bijstandsnormen, vermenigvuldigd
                                    met de factor 1,6, van de maand waarin de aanvraag wordt
                                    ingediend;</al></li><li nr="-"><al>vermeerderd met een bedrag van € 454 netto voor extra kosten die
                                    een persoon met een beperking in verband met diens stoornis
                                    mogelijk heeft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoogte vergoedingen vervoerskosten</titel></kop><lid><lidnr>9.1</lidnr><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan
                                van de volgende normbedragen per jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gebruik van een (eigen) auto of vervoer door derden is
                                        het normbedrag € 510;</al></li><li nr="b."><al>voor het gebruik van een bruikleenauto is het normbedrag €
                                        285;</al></li><li nr="c."><al>voor het gebruik van een taxi bedraagt het normbedrag €
                                        1.020.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.2.</lidnr><al>Indien de werkelijke kosten van het taxivervoer voor het regionale
                                vervoer aantoonbaar hoger zijn dan de bedragen genoemd onder c in
                                het vorige lid, dan kan de persoon met een beperking in aanmerking
                                komen voor een gemaximeerde vergoeding (inclusief het normbedrag)
                                van € 3.147 voor het gebruik van een taxi.</al></lid><lid><lidnr>9.3.</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend, zijnde: gebruik van
                                een eigen auto of vervoer door derden, gebruik van een
                                bruikleenauto, en gebruik van een (rolstoel)taxi , aan beide
                                gehuwden of samenwonende partners bedraagt de financiële
                                tegemoetkoming per persoon maximaal 75% van het in lid 1 en 2
                                genoemde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>9.4</lidnr><al>Indien de persoon met beperkingen als gevolg van een beperkte
                                deelname aan het maatschappelijk verkeer een lagere vervoerbehoefte
                                heeft, wordt de financiële tegemoetkoming evenredig verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>9.5</lidnr><al>Waar nodig kan de gemeente degene aan wie een vervoersvoorziening is
                                toegekend, verplichten een overzicht bij te houden en in te leveren
                                van de verreden kilometers in het kader van de voorziening.</al></lid><lid><lidnr>9.6.</lidnr><al>De persoon met beperkingen aan wie een scootmobiel is verstrekt, kan
                                aanspraak maken op een financiële tegemoetkoming van € 520 voor de
                                kosten van het aanschaffen van een adequate voorziening die het
                                mogelijk maakt de scootmobiel in de eigen auto mee te nemen. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoogte persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld op basis
                            van de tegenwaarde van de adequate en goedkoopste voorziening, indien
                            nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Financiële tegemoetkomingen</titel></kop><al>Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als financiële
                            tegemoetkoming. Het bedrag van de financiële tegemoetkoming bedraagt €
                                2.358<cursief>.</cursief> Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming
                            in de kosten voor aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een
                            periode van drie jaar.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SAMENHANGENDE AFSTEMMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager wordt bij het onderzoek inzake
                            het advies ex artikel 32 van de Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning indien van toepassing aandacht besteed
                            aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren ondervindt
                                    als gevolg van ziekte of gebrek;</al></li><li nr="c."><al>de woning en de woonomgeving van de aanvrager;</al></li><li nr="d."><al>de psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager;</al></li><li nr="e."><al>de sociale omstandigheden van de aanvrager.</al></li></lijst><al>Bij de besluitvorming en de motivering van het besluit wordt door het
                            college bij deze bevindingen aangesloten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>SLOTBEPALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>13.1.</lidnr><al>Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Dalfsen;</al></lid><lid><lidnr>13.2.</lidnr><al>Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2011 met
                                gelijktijdige intrekking van het Besluit voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Dalfsen zoals deze gold
                                vanaf 1 januari 2010.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en
                        wethouders van 12 december 2011.</ondertekening><ondertekening>de burgemeester, de secretaris-directeur, </ondertekening><ondertekening>drs. H.C.P. Noten drs. H. Zwart</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Dalfsen </tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Deze bepalingenbehoeven geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Bijzondere regels over het persoonsgebonden
                    budget</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Regels rond verstrekking en verantwoording</tussenkop><al>Artikel 2, lid 1</al><al>Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de
                    aanvrager. Dit kan bij voorkeur tegelijk met de aanvraag, indien op dat moment
                    al duidelijk is dat de aanvrager dit wenst. </al><al>Artikel 2, lid 2</al><al>Ad lid 2a.</al><al>In situaties dat tijdens onderzoek duidelijk wordt dat een aanvrager problemen
                    zal krijgen met het omgaan met een persoonsgebonden budget, zal dit als
                    contra-indicatie worden opgevat. Hierbij valt te denken aan aanwijzingen dat de
                    persoon niet met geld kan omgaan (schuldsituaties). </al><al>Ad lid 2b.</al><al>In verband met de benodigde administratieve handelingen wordt als ondergrens
                    voor het verstrekken van persoonsgebonden budgetten een termijn van drie maanden
                    gehanteerd. Aangezien voor de overige voorzieningen een minimale termijn van 6
                    maanden geldt, is duidelijk dat dit alleen de hulp bij het huishouden
                    betreft.</al><al>Ad lid 2c.</al><al>Dit lid spreekt voor zich. </al><al>Ad lid 2d.</al><al>Een vereiste bij het verstrekken van een persoonsgebonden budget is een stabiele
                    situatie. Is deze er niet dan wordt deze niet verstrekt. </al><al>Artikel 2, lid 3</al><al>Het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer is van toepassing. Bij
                    verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien
                    wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen
                    worden. </al><al>Artikel 2, lid 4</al><al>Ad lid 4a.</al><al>Voor deze categorieën kan het persoonsgebonden budget betaalbaar gesteld worden
                    nadat de factuur is overhandigd. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de
                    systematiek zoals deze bij de Wet voorzieningen gehandicapten ook gehanteerd
                    werd.</al><al>Ad lid 4b.</al><al>Bij de hulp bij het huishouden wordt maandelijks een persoonsgebonden gebonden
                    budget beschikbaar gesteld. Verantwoording over de besteding van deze middelen
                    vindt na elke zes maanden plaats via terugzending van een ingevuld
                    verantwoordingsformulier PGB.</al><al>Ad lid 5.</al><al>In dit artikel wordt invulling gegeven aan het gestelde in artikel 6, lid 5 van
                    de Verordening. Hierin is namelijk bepaald dat in het Besluit de noodzakelijke
                    stukken worden opgenomen die een budgethouder verplicht is te verstrekken.
                    Hiernaast kunnen nog andere stukken worden gevraagd. Dit zal, indien van
                    toepassing, in de beschikking worden opgenomen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Eigen bijdragen en eigen aandeel</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Omvang van eigen bijdragen en eigen aandeel</tussenkop><al>Artikel 3, lid 1 en 2</al><al>Deze behoeven geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 3, lid 3</al><al>Hoofdstuk IV van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) handelt over eigen
                    bijdragen en het eigen aandeel bij financiële tegemoetkomingen. In artikel 4.1
                    van de AMvB wordt onder a, b, c en d aangegeven welke bedragen de minister als
                    maximum laat gelden voor welke groepen. </al><al>Artikel 3, lid 4</al><al>Ad 4a.</al><al>De maximaal in rekening te brengen eigen bijdrage kent een bovengrens, zijnde de
                    kostprijs. Dit is het geldende uurtarief van geselecteerde aanbieders die hulp
                    bij het huishouden leveren. Er is verschil in uurtarieven tussen geselecteerde
                    aanbieders. In verband met eenvoud en duidelijkheid is besloten dat het laagste
                    uurtarief de maximaal in rekening te brengen eigen bijdrage is.</al><al>Ad 4b. </al><al>Voor het persoonsgebonden budget is er niet sprake van geselecteerde aanbieders.
                    De maximaal in rekening te brengen eigen bijdrage, zijnde de kostprijs, is het
                    vastgestelde bedrag per uur.</al><al>Artikel 3, lid 5</al><al>Artikel 4.1., lid 5 van de AMvB bepaalt dat bij roerende zaken die in eigendom
                    worden verschaft of bij bouwkundige of woontechnische aspecten van een woning
                    die in eigendom zijn van de aanvrager de eigen bijdrage of het eigen aandeel
                    over maximaal negenendertig perioden van vier weken gevraagd mag worden. In
                    aansluiting hierop is bepaald dat de begrenzing van negenendertig perioden van
                    vier weken geldt voor zowel de omschreven woonvoorzieningen als
                    vervoersvoorzieningen. Hiernaast zijn de per periode in rekening te brengen
                    eigen bijdragen gemaximeerd. Dit in verband met duidelijkheid richting cliënten,
                    eenvoud in de uitvoering en om te voorkomen dat tussen (gevoelsmatig)
                    vergelijkbare voorzieningen extreme verschillen ontstaan.</al><al>Artikel 3, lid 6</al><al>Dit lid behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Hulp bij het huishouden</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 Vaststelling bedragen persoonsgebonden budget hulp bij het
                    huishouden.</tussenkop><al>Artikel 4, lid 1</al><al>Dit betreffen de tarieven voor de twee categorieën hulp bij het huishouden.</al><al>Artikel 4, lid 2</al><al>Dit betreft een aangepast uurtarief voor HH1 als een serviceorganisatie (de
                    thuiszorg of een andere organisatie) de omschreven aanvullende diensten levert. </al><al>Artikel 4, lid 3</al><al>Voor de indexering wordt aangesloten bij de indexering van gecontracteerde
                    aanbieders hulp bij het huishouden. Dit betekent dat de indexering vanaf 2011
                    wordt gebaseerd op zoals de Nederlandse Zorgautoriteit deze vaststelt in mei van
                    het voorafgaande jaar (dus de indexering voor 2011 is vastgesteld in mei 2010,
                    die voor 2012 in mei 2011, etc.).</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5 Vaststellen vergoeding per woonvoorziening </tussenkop><al>Artikel 5, lid 1.</al><al>Geregeld is hoe de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor
                    een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, een niet-bouwkundige of
                    niet-woontechnische woonvoorziening en het verwijderen van vorenstaande
                    woonvoorzieningen wordt vastgesteld.</al><al>Het gaat daarbij om de kosten van de door het college goedgekeurde offerte.
                    Daarin kan een aantal kosten teruggevonden worden.</al><al>Te denken valt hierbij aan de kosten van bouw, maar ook aan eventuele kosten
                    architect, kosten van vergunningen en kosten van toezicht. Door uit te gaan van
                    de kosten van de goedgekeurde offerte is het mogelijk per offerte andere kosten
                    mee te nemen. Zo zullen toezichtkosten bij een kleine verbouwing geen rol
                    spelen. Om welke kosten het zal kunnen gaan zal verder worden uitgewerkt in de
                    beleidsregels, het Verstrekkingenbeleid.</al><al>Artikel 5, lid 2.</al><al>Dit betreft een ondergrens. Zijn de kosten hoger dan moeten twee offertes worden
                    ingediend.</al><al>Artikel 5, lid 3.</al><al>Dit betreft de kleinere, losse en daarom vaak herbruikbare voorzieningen, zoals
                    tilliften, toiletstoelen en dergelijke voorzieningen die verstrekt wordt via de
                    huisleverancier. Hier wordt uitgegaan van de adequate en goedkoopste voorziening
                    (zoals in de verordening bepaald), welk bedrag verhoogd wordt met eventuele
                    kosten van onderhoud en reparatie en gebaseerd op ervaringscijfers of
                    gehanteerde tarieven van de huisleverancier. De betreffende middelen vallen
                    onder de inboedelverzekering en hier moet de aanvrager zelf voor zorgen.</al><al>Artikel 5, lid 4.</al><al>Hier gaat het om een bovengrens. Zijn de kosten hoger dan is met name van belang
                    of daarmee kan worden voorkomen dat de persoon met een beperking in een nog
                    duurdere AWBZ-instelling zoals een woonvorm of een verpleeghuis moet worden
                    opgenomen.</al><al>Artikel 5, lid 5. t/m 8.</al><al>Deze leden leggen vast welke bedragen verstrekt worden als het gaat om
                    tijdelijke huisvesting, huurderving, kosten onderhoud, keuring en reparatie en
                    aanpassing van een woonwagen.</al><al>Artikel 5, lid 9.</al><al>Dit lid geeft het afschrijvingsschema aan volgens welk schema bij verkoop binnen
                    5 jaar een eventueel bedrag, dat het gevolg is van de meerwaarde van de woning
                    door de aanpassing, aan het college moet worden terugbetaald.</al><al>Artikel 5, lid 10 t/m 11</al><al>Artikel 5 lid 10 en 11 tenslotte leggen vast welke maximale bedragen verstrekt
                    worden als het gaat om een verhuiskostenvergoeding of bij het bezoekbaar
                    maken.</al><tussenkop>Artikel 6 Het primaat van de verhuizing</tussenkop><al>Hier worden de financiële grenzen aangegeven waarbij het verhuisprimaat actueel
                    wordt.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 Hoogte persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Dit artikel regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor een
                    vervoersvoorziening wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan, conform de
                    verordening, van de adequate en goedkoopste voorziening. Als daar sprake van is
                    kan verhoging plaatsvinden met een bedrag noodzakelijk voor onderhoud,
                    verzekering en reparatie. Het totale bedrag dat hiervoor beschikbaar wordt
                    gesteld, is gebaseerd op ervaringscijfers, maar kan ook worden gebaseerd op
                    offertes of gehanteerde tarieven van de huisleverancier. </al><tussenkop>Artikel 8 Inkomensgrenzen</tussenkop><al>Dit artikel legt vast vanaf welke grens het collectief vervoer en de auto en met
                    de auto </al><al>vergelijkbare voorzieningen algemeen gebruikelijk worden geacht. Zijn de extra
                    kosten </al><al>aantoonbaar hoger dan wordt met hogere bedrag rekening gehouden. </al><tussenkop>Artikel 9 Hoogte vergoedingen vervoerskosten</tussenkop><al>Artikel 9, lid 1.</al><al>De hoogte van de vergoeding voor vervoerkosten is mede bepaald aan de hand van
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Bij uitspraak van 12-03-2002
                    heeft de CRvB een nieuwe lijn vastgesteld ten aanzien van de bedragen die voor
                    WVG-vervoersvoorzieningen (gebruik eigen/andermans auto, taxi, rolstoeltaxi) ten
                    minste moeten worden vergoed. De CRvB heeft aansluiting gezocht bij de
                    collectief vervoersystemen, die bij het merendeel van de gemeenten het primaat
                    hebben. In dat soort systemen wordt tussen 1.500 en 2.000 kilometer gemiddeld
                    per jaar afgelegd. De CRvB heeft dat kilometeraantal (gesproken wordt van een
                    “bandbreedte” van 1.500 – 2.000 km) als uitgangspunt genomen voor alle
                    voorzieningen. Gesteld is wel dat daarbij rekening gehouden mag worden met op
                    andere wijzen af te leggen kilometers, zoals met de scootmobiel of elektrische
                    (buiten)rolstoel.</al><al>Door de gemeenteraad van de gemeente Dalfsen is bepaald dat voor het lokaal
                    vervoer 1.500 km toereikend is.. Bij het bepalen van de bedragen is ervan
                    uitgegaan dat met het betreffende vervoersmiddel 1.500 km kan worden afgelegd. </al><al>De vervoerkostenvergoeding wordt in principe verleend in de vorm van een
                    forfaitair bedrag. De persoon met beperkingen hoeft dan ook geen administratie
                    bij te houden met betrekking tot de besteding van deze bedragen.</al><al>Ad lid 1a.</al><al>Bij het gebruik van een eigen auto is daarbij uitgegaan van een vergoeding van €
                    0,34 per kilometer. In deze kilometervergoeding is, naast de brandstofkosten,
                    ook rekening gehouden met de overige autokosten. Voor het bepalen van de
                    vergoeding per kilometer is aangesloten bij de normbedragen die vorig jaar door
                    het UWV zijn gehanteerd bij de uitvoering van de Wet werk en inkomen naar
                    arbeidsvermogen (WIA) en wel € 0,40, gecorrigeerd met, overeenkomstig de
                    systematiek van het collectief vervoer, kosten die voor eigen rekening van de
                    persoon met beperkingen komen van € 0,06.</al><al>Ad lid 1b.</al><al>Bij het gebruik van een bruikleenauto is de vergoeding (m.n. voor
                    brandstofkosten) vastgesteld op € 0,19 per kilometer. Het bedrag per kilometer
                    is lager, omdat de overige autokosten niet worden gedragen door de gebruiker.
                    Bij het bepalen van deze vergoeding per kilometer is aangesloten bij het
                    normbedrag (belastingvrije vergoeding) van de Belastingdienst. </al><al>Ad lid 1c.</al><al>Voor de berekening van de maximumtegemoetkoming bij het gebruik van een taxi
                    wordt verwezen naar het gestelde onder lid 2.</al><al>Artikel 9, lid 2</al><al>Op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is de gemeente
                    gehouden aan personen met beperkingen die bij het vervoer gebruik maken van een
                    taxi een voorziening aan te bieden waarbij het mogelijk is een afstand van 1.500
                    tot 2.000 kilometer per jaar af te leggen. Voor de gemeente Dalfsen geldt als
                    uitgangspunt het kunnen reizen van 1.500 kilometer. Rekening houdend met de
                    huidige taxitarieven is dat met het bedrag genoemd in lid 1 niet mogelijk.
                    Indien de persoon met beperkingen van mening is dat hij/zij met het bedrag
                    genoemd in lid 1 niet in zijn/haar vervoersbehoefte kan voorzien, dan kan
                    hij/zij verzoeken in aanmerking te komen voor een gemaximeerde vergoeding. </al><al>Uit de term “aantoonbaar” kan worden afgeleid dat de persoon met beperkingen in
                    dat geval een rittenadministratie zal moeten bijhouden. Tevens zal de besteding
                    van het bedrag aan de hand van betaalbewijzen moeten worden aangetoond. Deze
                    aantoonplicht geldt voor het gehele bedrag dat wordt gedeclareerd, dus niet
                    alleen voor zover de kosten meer bedragen dan het normbedrag van lid 1.</al><al>Verder dient de gemaximeerde vergoeding te worden besteed in het
                    compensatieplichtgebied van de gemeente. In principe is dit gebied gelijk aan
                    het vervoersgebied van het Collectief Vervoerssysteem. Een uitzondering hierop
                    kan worden gemaakt als sprake is van een bovenregionale vervoersbehoefte, en
                    indien het niet vervullen van de bovenregionale contacten kan leiden tot een
                    sociaal isolement. Verder zal vastgesteld moeten worden dat voor de
                    noodzakelijke bovenregionale contacten geen gebruik gemaakt kan worden van het
                    bovenregionale vervoerssysteem Valys.</al><al>De hoogte van de gemaximeerde vergoeding is als volgt bepaald. Bij het bepalen
                    van de bedragen is er in de eerste plaats vanuit gegaan dat met het betreffende
                    vervoersmiddel 3.000 km kan worden afgelegd. In het collectief vervoer worden
                    gemiddeld 2,9 zones per rit afgelegd (op basis van ervaringscijfers). De afstand
                    per zone is door de herzonering per 1 januari 2005 gemiddeld 4,25 kilometer. Op
                    basis hiervan wordt geconcludeerd dat de gemiddelde afstand per rit 12,3
                    kilometer bedraagt. Voor regulier taxivervoer gelden minimum- en
                    maximumtarieven. Op basis hiervan is een instaptarief van € 7,50 (inclusief de
                    eerste 2 kilometer) en een tarief van € 1,97 per kilometer (na de eerste 2
                    kilometer) reëel. Het tarief voor een taxirit van 12,3 kilometer bedraagt
                    derhalve € 27,80 (€ 7,50 + 10,3 x € 1,97). Op dit bedrag worden de kosten van
                    dezelfde rit met het collectief vervoer ad € 2,-- (3 zones + 1 opstapzone ad €
                    0,50 per zone) in mindering gebracht, omdat er vanuit mag worden gegaan dat deze
                    kosten voor eigen rekening van de persoon met een beperking zijn. Op basis
                    hiervan is geconcludeerd dat met een vergoeding van € 3.147 in totaal een
                    afstand van ongeveer 1.500 kilometer per taxi kan worden afgelegd. </al><al>Artikel 9, lid 3.</al><al>Bij toekenning van een vervoersvoorziening aan beide partners, die gehuwd zijn
                    of samenwonen, bedraagt de financiële tegemoetkoming per partner 75% van het
                    bedrag genoemd in lid 1 of 2. Achterliggende gedachte daarbij is dat de
                    vervoersbehoefte van gehuwden of samenwonenden voor een deel samen zal vallen.
                    In die gevallen zullen zij samen reizen en daardoor zullen zij per persoon
                    minder vervoerskosten hebben.</al><al>Artikel 9, lid 4. t/m lid 5.</al><al>De vervoersvoorziening kan lager worden vastgesteld voor zover een persoon met
                    een beperking een duidelijk lagere vervoerbehoefte heeft. Indien er een
                    vermoeden bestaat van een lagere vervoersbehoefte, dan kan deze worden verzocht
                    om een overzicht bij te houden van de verreden kilometers. Op deze manier wordt
                    bewaakt dat de vervoerskostenvergoedingen worden besteed aan het daarvoor
                    bestemde doel.</al><al>Artikel 9, lid 6.</al><al>Een scootmobiel is een vervoersvoorziening die is bedoeld voor het vervoer in de
                    directe woon- en leefomgeving. Het gaat daarbij om afstand die een persoon
                    zonder beperkingen te voet of per fiets zal afleggen. Het behoort daarom niet
                    tot de gemeentelijke compensatieplicht om het mogelijk te maken dat de
                    scootmobiel meegenomen kan worden in de auto, zodat deze in een andere omgeving
                    ook gebruikt kan worden.</al><al>Het meenemen van de scootmobiel leidt er wel toe dat de voorziening intensiever
                    wordt gebruikt. In lid 6 is opgenomen dat een financiële tegemoetkoming kan
                    worden verleend aan personen met een beperking, die op grond van de WVG c.q. Wmo
                    in het bezit zijn van een scootmobiel, voor de kosten van het
                    aanbrengen/aanschaffen van een voorziening die het mogelijk maakt de voorziening
                    mee te nemen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:</al><lijst><li nr="-"><al>liftinstallatie voor het optillen van de scootmobiel;</al></li><li nr="-"><al>rijgoten of een rijplaat om de auto in en uit te kunnen rijden;</al></li><li nr="-"><al>aanhangwagen.</al></li></lijst><al>Vastgesteld dient te worden dat een deugdelijke voorziening is aangeschaft. Een
                    aanhangwagen zal bijvoorbeeld voorzien moeten zijn van een veilig
                    vastzetsysteem.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Verplaatsen in en rond de woning. </tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Hoogte persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Dit artikel regelt de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor een rolstoel
                    wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan, conform de verordening, van de
                    adequate en goedkoopste voorziening. Als daar sprake van is kan verhoging
                    plaatsvinden met een bedrag noodzakelijk voor onderhoud, verzekering en
                    reparatie. Het totale bedrag dat hiervoor beschikbaar wordt gesteld, is
                    gebaseerd op ervaringscijfers, maar kan ook worden gebaseerd op offertes of
                    gehanteerde tarieven van de huisleverancier. </al><tussenkop>Artikel 11 Financiële tegemoetkomingen</tussenkop><al>De sportrolstoel is een voorziening die meegenomen wordt vanuit de WVG zonder
                    dat deze sportrolstoel in de WVG of in de Wmo wordt genoemd. De sportrolstoel is
                    een bovenwettelijke voorziening, in de Wvg opgenomen naar aanleiding van een
                    verzoek van de Tweede Kamer. Daarom wordt de verstrekkingswijze, zoals bij de
                    WVG gewoon voortgezet, hetgeen betekent dat een sportrolstoel alleen verstrekt
                    wordt als een financiële tegemoetkoming. Deze financiële tegemoetkoming is niet
                    kostendekkend en dient beschouwd te worden als tegemoetkoming in de kosten van
                    aanschaf en onderhoud voor een periode van drie jaar. Na drie jaar kan opnieuw
                    een financiële tegemoetkoming worden aangevraagd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Samenhangende afstemming.</tussenkop><tussenkop>Artikel 12. Samenhangende afstemming</tussenkop><al>De Verordening bepaalt in artikel 33 dat in dit Besluit bepaald moet worden op
                    welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt
                    afgestemd op de situatie van de aanvrager. Bij deze eisen is aangesloten bij de
                    eisen die het Zorgindicatiebesluit stelt ten aanzien van het onderzoek inzake de
                    AWBZ. Hierdoor is enerzijds de samenhang met de AWBZ gewaarborgd, maar wordt
                    anderzijds ook een ruime hoeveelheid informatie vergaard waarmee het college een
                    zorgvuldig, op de individuele situatie af te stemmen besluit kan nemen.
                    Duidelijk is dat dit een groeimodel betreft.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN </al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen </al><al>HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE REGELS OVER HET PERSOONSGEBONDEN BUDGET
                        </al><al>Artikel 2 Regels rond verstrekking en verantwoording </al><al>HOOFDSTUK 3 EIGEN BIJDRAGEN, EIGEN AANDEEL EN BESPARINGSBIJDRAGE
                        </al><al>Artikel 3 Omvang van eigen bijdragen en eigen aandeel hulp bij
                                het huishouden </al><al>HOOFDSTUK 4 HULP BIJ HET HUISHOUDEN </al><al>Artikel 4 Vaststelling bedragen persoonsgebonden budget hulp bij
                                het huishouden. </al><al>HOOFDSTUK 5 WOONVOORZIENINGEN </al><al>Artikel 5 Vaststellen vergoeding per woonvoorziening </al><al>Artikel 6 Het primaat van de verhuizing </al><al>HOOFDSTUK 6 HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL </al><al>Artikel 7 Hoogte persoonsgebonden budget </al><al>Artikel 8 Inkomensgrenzen </al><al>Artikel 9 Hoogte vergoedingen vervoerskosten </al><al>HOOFDSTUK 7 VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING </al><al>Artikel 10 Hoogte persoonsgebonden budget </al><al>Artikel 11 Financiële tegemoetkomingen </al><al>HOOFDSTUK 8 SAMENHANGENDE AFSTEMMING </al><al>Artikel 12. Samenhangende afstemming </al><al>HOOFDSTUK 9 SLOTBEPALING </al><al>Artikel 13 Citeertitel </al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>