<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR105116_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Archeologieverordening Gemeente Geldrop-Mierlo 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Middenstandsbelangen, 15-06-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Archeologieverordening Gemeente Geldrop-Mierlo 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, art. 12, 14, 15 en 38</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GM2011.0213</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Archeologieverordening Gemeente Geldrop-Mierlo 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al><cursief>1. Monument </cursief></al><al>onroerende zaak, die van algemeen belang is op basis van de volgende </al><al> criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>architectuurhistorische waarde; en/of</al></li><li nr="b."><al>landschappelijke en/of historisch ruimtelijke waarde; en/of</al></li><li nr="c."><al>cultuurhistorische waarde; en/of</al></li><li nr="d."><al>zeldzaamheidswaarde</al></li><li nr="e."><al>gebied of terrein met behoudenswaardige informatie van
                                    cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke
                                    aard.</al></li></lijst><al><cursief>2. Archeologisch verwachtingsgebied</cursief></al><al>Terrein dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is
                            aangewezen vanwege zijn betekenis voor de gemeentelijke archeologische
                            monumentenzorg en geregistreerd is op de gemeentelijke archeologische
                            beleidskaart.</al><al><cursief>3. Bodemarchief</cursief></al><al>Alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is
                            gekomen door activiteiten van mensen en door natuurlijke processen.</al><al><cursief>4. Gemeentelijke archeologische beleidskaart</cursief></al><al>Kaart met een ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke
                            archeologische verwachtingsgebieden en het te voeren beleid, vastgesteld
                            door de bevoegde overheid.</al><al><cursief>5. Gemeentelijk archeologisch monument</cursief></al><al>Terrein dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is
                            aangewezen en geregistreerd als gemeentelijk monument.</al><al><cursief>6. Gebied of terrein van archeologische waarde</cursief></al><al>Gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                            beleidskaart van de gemeente Geldrop-Mierlo als zodanig is aangeduid
                            (aldaar: categorie 2) en waar archeologische waarden, door onderzoek
                            en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, die als
                            behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd.</al><al><cursief>7. Gebied of terrein met hoge archeologische
                                verwachting</cursief></al><al>Gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                            beleidskaart van de gemeente Geldrop-Mierlo als zodanig is aangeduid
                            (aldaar: categorie 3a/3b, met of zonder esdek) en waarvan op basis van
                            geologische en bodemkundige opbouw een hoge dichtheid aan archeologische
                            sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al><al><cursief>8. Gebied met middelhoge archeologische
                            verwachting</cursief></al><al>Gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                            beleidskaart van de gemeente Geldrop-Mierlo als zodanig is aangeduid
                            (aldaar: categorie 4a/4b, met of zonder esdek) en waarvan op basis van
                            geologische en bodemkundige opbouw een middelhoge dichtheid aan
                            archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al><al><cursief>9. Gebied met lage archeologische verwachting</cursief></al><al>Gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                            beleidskaart van de gemeente Geldrop-Mierlo als zodanig is aangeduid
                            (aldaar: categorie 5) en waarvan op basis van geologische en
                            bodemkundige opbouw een lage dichtheid aan archeologische
                            sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al><al><cursief>10. Gemeentelijke monumentenlijst</cursief></al><al>De lijst waarop zijn geregistreerd de in overeenstemming met deze
                            verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen onroerende
                            zaken en terreinen.</al><al><cursief>11. Welstand- en erfgoedcommissie</cursief></al><al>De door het college van Burgemeester en Wethouders ingestelde commissie
                            of aangewezen instantie, die als taak heeft het college van Burgemeester
                            en Wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de
                            toepassing van de Monumentenwet 1988, over de gemeentelijke
                            archeologieverordening en over het gemeentelijke erfgoedbeleid.</al><al><cursief>12. Archeologisch vooronderzoek</cursief></al><al>In schriftelijke rapportage vastgelegd inventariserend onderzoek naar de
                            geschiedenis en de archeologische waarden van een locatie in
                            overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, in de
                            vorm van archeologisch bureauonderzoek of inventariserend
                            veldonderzoek.</al><al><cursief>13. Archeologisch bureauonderzoek</cursief></al><al>Vorm van archeologisch onderzoek waarbij de aan- of afwezigheid, het
                            karakter en de omvang, de gaafheid, de conservering en de relatieve
                            kwaliteit van archeologische waarden worden bepaald aan de hand van
                            bestaande bronnen over archeologische waarden die voor een bepaald
                            gebied al bekend zijn of worden verwacht.</al><al><cursief>14. Inventariserend veldonderzoek (IVO)</cursief></al><al>Vorm van onderzoek waarbij extra informatie wordt verworven om het
                            gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologische
                            bureauonderzoek is gebaseerd aan te vullen en te toetsen door middel van
                            waarnemingen in het veld.</al><al><cursief>15. Archeologische begeleiding</cursief></al><al>Vorm van onderzoek waarbij de uitvoering van niet-archeologische
                            werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid. Het proces kan 3
                            doelen dienen:</al><lijst><li nr="1."><al>Om bij afwezigheid van adequaat vooronderzoek door fysieke
                                    belemmeringen alsnog een vorm van inventariserend veldonderzoek
                                    te kunnen verrichten (cf. IVO-proefsleuven);</al></li><li nr="2."><al>Om eventeel aanwezige archeologische informatie te behouden (cf.
                                    Opgraven);</al></li><li nr="3."><al>Om bij (beperkte) ingrepen in gewaardeerde terreinen aanwezige
                                    archeologische informatie te behouden (cf. Opgraven).</al></li></lijst><al><cursief>16. Opgraving</cursief></al><al>Het vlakdekkend onderzoeken van archeologische vindplaatsen, met als
                            doel de gegevens van de vindplaats te documenteren en daarmee de
                            informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het
                            verleden. Opgravingen worden verricht door een vergunninghoudende
                            partij, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de
                            Monumentenwet 1988 en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie
                            in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).</al><al><cursief>17. Plan van aanpak</cursief></al><al>Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren
                            werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het
                            Programma van Eisen te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan
                            voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen geformuleerde
                            resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. </al><al><cursief>18. Programma van eisen</cursief></al><al>Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd
                            document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten
                            werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen
                            formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk.</al><al><cursief>19. Vergunninghoudende partij</cursief></al><al>Een dienst, bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van
                            Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse
                            Archeologie.</al><al><cursief>20. Deskundige op het terrein van de archeologische
                                monumentenzorg</cursief></al><al>Een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen
                            deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische
                            monumentenzorg.</al><al><cursief>21. Bodemingreep</cursief></al><al>Alle grondwerkzaamheden/ activiteiten die een effect hebben op het
                            voortbestaan van archeologische waarden <cursief>in situ</cursief>, ook
                            wel bodemverstoring genoemd.</al><al><cursief>22. Bouwhistorisch onderzoek</cursief></al><al>Onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, naar de
                            bouwgeschiedenis, de bouwhistorische kwaliteit en de monumentale waarde
                            van een monument.</al><al>23.vergunning</al><al>Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder f of
                            artikel 2.2 eerste lid </al><al>onder b Wabo.</al><al>24.bevoegd gezag</al><al>Bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al>25.Wabo</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSGEBIEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning het
                                archeologische bodemarchief in een archeologisch verwachtingsgebied
                                te verstoren, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld (en 50 cm
                                        bij die gronden die al jarenlang in gebruik zijn als
                                        agrarische gronden) met een omvang van minder dan 100 m2 in
                                        gebieden of terreinen van archeologische waarde (categorie
                                        2);</al></li><li nr="b."><al>bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld (en 50 cm
                                        bij esdekken en bij die gronden die al jarenlang in gebruik
                                        zijn als agrarische gronden) met een omvang van minder dan
                                        500 m2 in gebieden of terreinen met een hoge archeologische
                                        verwachting (categorie 3a en b);</al></li><li nr="c."><al>bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld (en 50 cm
                                        bij esdekken en bij die gronden die al jarenlang in gebruik
                                        zijn als agrarische gronden) met een omvang van minder dan
                                        2500 m2 in gebieden of terreinen met een middelhoge
                                        archeologische verwachting (categorie 4a en b);</al></li><li nr="d."><al>bij bodemingrepen met een omvang van minder dan 10.000 m2 in
                                        gebieden of terreinen met een lage archeologische
                                        verwachting (categorie 5).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg die in overeenstemming
                                        zijn met het vastgestelde beleid;</al></li><li nr="b."><al>In een omgevingsvergunning voor afwijkend planologisch
                                        gebruik als bedoeld in de artikelen 2.1 lid 1 onder c juncto
                                        artikel 2.12 Wabo voorschriften zijn opgenomen omtrent
                                        archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanwijzing archeologische verwachtingsgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt op voordracht van het college een
                                gemeentelijke archeologische beleidskaart vast, die dient als basis
                                voor:</al><lijst><li nr="a."><al>deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>aanwijzing van archeologische verwachtingsgebieden als
                                        bedoeld in dit artikel;</al></li><li nr="c."><al>de opstelling van bestemmingsplannen conform artikel 38a van
                                        de Monumentenwet 1988.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart worden de
                                volgende archeologische verwachtingsgebieden aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>Beschermd archeologisch monument: terrein dat overeenkomstig
                                        artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of overeenkomstig de
                                        bepalingen van de Archeologieverordening Gemeente
                                        Geldrop-Mierlo is aangewezen als archeologisch monument en
                                        op de archeologische beleidskaart als zodanig is opgenomen
                                        onder categorie 1.</al></li><li nr="b."><al>Gebied of terrein van archeologische waarde: gebied of
                                        terrein dat op de archeologische beleidskaart als zodanig is
                                        aangeduid (aldaar: categorie 2) en waar archeologische
                                        waarden door onderzoek en/of in combinatie met andere
                                        bronnen zijn aangetoond die als behoudenswaardig kunnen
                                        worden gekarakteriseerd.</al></li><li nr="c."><al>Gebied of terrein met hoge archeologische verwachting:
                                        gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de
                                        archeologische beleidskaart als zodanig is aangeduid
                                        (aldaar: categorie 3a/b) en waarvan op basis van geologische
                                        en bodemkundige opbouw een hoge trefkans is op het
                                        aantreffen van archeologische waarden.</al></li><li nr="d."><al>Gebied met middelhoge archeologische verwachting: gebied of
                                        terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                                        beleidskaart als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie
                                        4a/b) en waarvan op basis van geologische en bodemkundige
                                        opbouw een middelhoge trefkans is op het aantreffen van
                                        archeologische waarden.</al></li><li nr="e."><al>Gebied met lage archeologische verwachting: gebied of
                                        terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                                        beleidskaart als zodanig is aangeduid (aldaar: categorie 5)
                                        en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw
                                        een lage trefkans is op het aantreffen van archeologische
                                        waarden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Wijzigen kwalificatie van een locatie</titel></kop><al>Op grond van een melding ingevolge artikel 53 van de Monumentenwet 1988
                            en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het
                            college een terrein of locatie alsnog aanwijzen als gemeentelijk
                            archeologisch monument, gebied van archeologische waarde, of gebied met
                            hoge of middelhoge verwachting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vergunning archeologische verwachtingsgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan vergunning verlenen voor graafwerk en
                                bodemingrepen in archeologische verwachtingsgebieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder b dan
                                wel artikel 2.2 lid 1 onder d Wabo kan slechts worden verleend
                                indien vooraf door de aanvrager daarvan door middel van een
                                rapportage van archeologisch vooronderzoek conform de Kwaliteitsnorm
                                voor de Nederlandse Archeologie en het Programma van eisen naar het
                                oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld dat
                                bij realisatie van de bodemingrepen: a. de archeologische waarden in
                                voldoende mate zijn zeker gesteld; of b. er geen archeologische
                                waarden aanwezig zijn; of c. de archeologische waarden niet of niet
                                onevenredig worden geschaad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de verlening van de vergunning op basis
                                van artikel 2.22 Wabo en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht
                                voorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het
                                treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem
                                kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van
                                inventariserend veldonderzoek of een opgraving; c. de verplichting
                                de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden
                                door een vergunninghoudende partij op het terrein van de
                                archeologische monumentenzorg.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de
                                archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van
                                het bevoegd gezag <cursief>in situ </cursief>behouden dienen te
                                blijven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in
                                overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet 1988 zijn
                                aangewezen als beschermd archeologisch (rijks)monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Vergunningaanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 6, lid 1, moet
                                    worden ingediend bij het bevoegd gezag en moet de volgende
                                    gegevens bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>locatie en omschrijving van de voorgenomen
                                            werkzaamheden;</al></li><li nr="c."><al>tijdsplanning.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan ter beoordeling van de aanvraag nadere
                                    gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder een archeologische waardering, zoals
                            opgenomen in een archeologisch vooronderzoek.</al></li><li nr="3."><al>Uit de vergunningsaanvraag moet duidelijk blijken wat de bestaande en
                            de door de aanvrager gewenste situaties zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag binnen 12 weken na ontvangst
                            van de aanvraag.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid genoemde termijn van 12
                            weken met ten hoogste zes weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan
                            kennis geeft binnen de in het eerste lid genoemde termijn van 12
                            weken.</al></li><li nr="6."><al>Bij het niet in behandeling nemen van de aanvraag vanwege
                            onvolledigheid is artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het
                            bevoegd gezag hiertoe nadere regels geven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ruimtelijke ontwikkeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in
                                artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo, voorschriften worden verbonden als
                                bedoeld in artikel 2.22 Wabo juncto artikel 5.2 van het Besluit
                                omgevingsrecht</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een
                                omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk in een
                                beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.1 lid 1
                                onder h Wabo voorschriften worden verbonden als bedoeld in artikel
                                2.22 Wabo juncto artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht en
                                voorwaarden worden verbonden als bedoeld in artikel 41 van de
                                Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een
                                omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld
                                in artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo voorschriften worden verbonden als
                                bedoeld in artikel 2.22 Wabo juncto artikel 5.2 van het Besluit
                                omgevingsrecht en voorwaarden worden verbonden als bedoeld in
                                artikel 41 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Geldrop-Mierlo
                                        onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                        opgravingen in de zin van artikel 1 sub h van de
                                        Monumentenwet 1988, dienen onverminderd de overige
                                        bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het bevoegd gezag een programma van eisen vast te stellen
                                        als bedoeld in artikel 1, waarbij nadere eisen worden
                                        gesteld aan het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoel in artikel 1 van deze verordening ter
                                        goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de nadere eisen kan het bevoegd gezag bepalingen opnemen
                                        met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering
                                        van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen
                                        aanwijzingen van het bevoegd gezag in acht te worden
                                        genomen.</al></li><li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het
                                        programma van eisen en eventuele nadere eisen voldoet, kan
                                        het college advies vragen aan een deskundige op het terrein
                                        van de archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk archeologisch
                                    monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van Burgemeester en Wethouders kan, al dan niet
                                        op aanvraag van een belanghebbende, een monument zoals
                                        gedefinieerd in artikel 1 aanwijzen als gemeentelijk
                                        archeologisch monument.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende
                                        monumentbeschrijving aan de hand van selectiecriteria die
                                        door het college worden vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en /
                                        of beperkt gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire
                                        schuldeisers en - als om de aanwijzing is verzocht - de
                                        verzoeker worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.</al></li><li nr="4."><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument
                                        de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als
                                        gemeentelijk archeologisch monument ontvangt, tot het moment
                                        dat de registratie als bedoeld in artikel 13 plaats heeft of
                                        vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen, zijn de
                                        artikelen 16 en 17 bij wijze van voorbescherming van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Het college van Burgemeester en Wethouders kan bepalen, dat
                                        ten behoeve van de aanwijzing van een monument als
                                        gemeentelijk archeologisch monument een bouwhistorisch en/of
                                        non-destructief archeologisch onderzoek wordt verricht.</al></li><li nr="6."><al>De aanwijzing als beschermd gemeentelijk archeologisch
                                        monument kan geen object betreffen dat onherroepelijk is
                                        aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet
                                        1988.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Termijn van advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college van Burgemeester en Wethouders over de
                                        aanwijzing een besluit neemt, vraagt het advies aan de
                                        welstand- en erfgoedcommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstand- en erfgoedcommissie adviseert schriftelijk
                                        binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college
                                        van Burgemeester en Wethouders.</al></li><li nr="3."><al>Het college van Burgemeester en Wethouders beslist binnen 12
                                        weken na ontvangst van het advies van de welstand- en
                                        erfgoedcommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de
                                        adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Mededeling van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 10 wordt medegedeeld
                                        aan degenen, die in de kadastrale registratie als eigenaar
                                        en / of beperkt gerechtigde staan vermeld, aan de
                                        ingeschreven hypothecaire schuldeisers en, indien om
                                        aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.</al></li><li nr="2."><al>Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de
                                        aanwijzing van een gemeentelijk archeologisch monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van Burgemeester en Wethouders registreert het
                                        gemeentelijke archeologische monument op de gemeentelijke
                                        monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De registratie van een gemeentelijke archeologisch monument
                                        op de gemeentelijke monumentenlijst omvat:</al><lijst><li nr="·"><al>de plaatselijke aanduiding;</al></li><li nr="·"><al>de datum van de aanwijzing;</al></li><li nr="·"><al>de kadastrale aanduiding;</al></li><li nr="·"><al>de tenaamstelling en</al></li><li nr="·"><al>een beschrijving van het gemeentelijke archeologische
                                        monument.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig
                                        is, beperkt de bescherming en registratie zich tot dat
                                        specifieke deel. In de beschrijving dient dit tot
                                        uitdrukking te komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van Burgemeester en Wethouders kan de aanwijzing
                                        ambtshalve of op aanvraag van een belanghebbende
                                        wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 10, lid 2, 3, 4, 5 en 6 evenals artikel 11 en 12
                                        zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                        Burgemeester en Wethouders van ondergeschikte betekenis is,
                                        kan het in lid 2 gestelde achterwege blijven.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van wijziging worden aangetekend op de
                                        gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="5."><al>De wijziging van de aanwijzing wordt medegedeeld aan degenen
                                        die in de kadastrale registratie als eigenaar en / of
                                        beperkt gerechtigde staan vermeld en aan de ingeschreven
                                        hypothecaire schuldeisers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 10,
                                        lid 2, lid 3 en lid 5 evenals artikel 11 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                        toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet
                                        1988.</al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                        geregistreerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verbodsbepalingen gemeentelijke archeologische
                                    monumenten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel
                                1, te beschadigen of te vernielen, evenals er te zoeken naar archeologische voorwerpen en
                                resten, zowel handmatig als met een metaaldetector of andere
                                opsporingsapparatuur.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd
                                        gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, af te
                                        breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                                        wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, te
                                        herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een
                                        dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
                                        lid, gelden niet indien het bevoegd gezag nadere regels
                                        stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden
                                        dienen te worden uitgevoerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Vergunning gemeentelijke archeologische
                                    monumenten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag kan vergunning verlenen voor graafwerk en
                                        bodemingrepen in gemeentelijke archeologische
                                        monumenten.</al></li><li nr="2."><al>Alvorens een vergunning te verlenen als bedoeld in lid 1,
                                        wint het bevoegd gezag overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.26 lid 3 Wabo advies in van
                                een deskundige op het terrein van de archeologische
                                monumentenzorg.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan alleen vergunning verlenen indien het
                                        toezicht en de bescherming van het gemeentelijke
                                        archeologische monument is geregeld door:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijkheid van toegang van door het bevoegd gezag aan
                                        te wijzen personen op het terrein;</al></li><li nr="b."><al>de mogelijkheid van de onder a) genoemde personen om - in
                                        overleg en in samenspraak met het college van Burgemeester
                                        en Wethouders - graafwerk en/of documentatiewerkzaamheden te
                                        (laten) verrichten,</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1
                                        onder b dan wel artikel 2.2 lid 1 onder d Wabo kan slechts
                                        worden verleend indien vooraf door de aanvrager daarvan
                                        indien vooraf door aanvrager van de een omgevingsvergunning
                                        als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder b dan wel artikel 2.2
                                        lid 1 onder d Wabo door middel van archeologisch
                                        vooronderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse
                                        Archeologie naar het oordeel van het bevoegd gezag in
                                        voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de
                                        bodemingrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker
                                        gesteld; of</al></li><li nr="b."><al>er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of</al></li><li nr="c."><al>de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden
                                        geschaad.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag vraagt advies aan de welstand- en
                                        erfgoedcommissie voordat het beslist op de aanvraag van een
                                        vergunning op grond van artikel 16, lid 2.</al></li><li nr="6."><al>Binnen zes weken na de adviesaanvraag brengt de welstand- en
                                        erfgoedcommissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag.</al></li><li nr="7."><al>Het bevoegd gezag kan aan de verlening van de vergunning op
                                        basis van artikel 2.22 Wabo en artikel 5.2 van het Besluit
                                        omgevingsrecht voorschriften verbinden, waaronder:</al><lijst><li nr="a."><al>de verplichting tot het treffen van technische maatregelen
                                        waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;</al></li><li nr="b."><al>de verplichting tot het doen van opgravingen;</al></li><li nr="c."><al>de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt,
                                        te laten begeleiden door een vergunninghoudende partij op
                                        het terrein van de archeologische monumentenzorg,</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de
                                        archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het bevoegd gezag in situ
                                behouden dienen te blijven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Ter inzage legging, zienswijzen, termijnen advies en
                                    vergunningverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning
                                als bedoeld in artikel 17 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing,
                                met dien verstande dat het bevoegd gezag het ontwerp van het besluit
                                ter inzage legt. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door
                                een ieder.</al></li><li nr="2."><al>Na de ter inzage legging wordt de vergunningaanvraag aan de
                                        welstand- en erfgoedcommissie gezonden, vergezeld van de
                                        ingekomen zienswijzen. De welstand- en erfgoedcommissie
                                        brengt binnen 8 weken na de adviesaanvraag schriftelijk
                                        advies uit aan het bevoegd gezag en betrekt de beschrijving
                                        van het monument als bedoeld in artikel 10, lid 2 bij haar
                                        advies. Eveneens zal waar nodig worden geraadpleegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het vigerende bestemmingsplan;</al></li><li nr="b."><al>de archeologische beleidskaart;</al></li><li nr="c"><al>het (eventueel) van toepassing zijnde beeldkwaliteitplan;</al></li><li nr="d."><al>de (eventueel) van toepassing zijnde welstandscriteria;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie
                                        Noord-Brabant;</al></li><li nr="f."><al>ander noodzakelijk materiaal dat van belang is voor een
                                        adequate advisering.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien een bouwhistorisch en/of archeologisch vooronderzoek
                                        noodzakelijk wordt geacht, kan de termijn van advisering
                                        door de welstand- en erfgoedcommissie met ten hoogste zes
                                        weken worden verlengd.</al></li><li nr="4."><al>Bij overschrijding van de in lid 2 en lid 3 genoemde
                                        termijnen wordt de welstand- en erfgoedcommissie geacht te
                                        hebben geadviseerd.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag neemt het definitieve besluit binnen vier
                                        weken na het einde van de inzagetermijn (Awb art.
                                        3:18.4).</al></li><li nr="6."><al>De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden
                                        verleend.</al></li><li nr="7."><al>Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de
                                        monumentenvergunning aan de welstand- en
                                        erfgoedcommissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan, met inachtneming van het bepaalde in de
                                        artikelen 2.32 en 5.19 Wabo, door het bevoegd gezag worden
                                        ingetrokken als blijkt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige
                                        opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de vergunninghouder de voorwaarden als bedoeld in artikel 17
                                        lid 7 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het beschermde
                                        gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik wordt
                                        gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van de beschikking tot intrekking wordt een kopie aan de
                                        welstand- en erfgoedcommissie gezonden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 3 en / of artikel 16 van
                                deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                                categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de door het bevoegd gezag aangewezen
                                personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op
                                        gemeentelijke archeologische monumenten en archeologische
                                        verwachtingsgebieden treedt zij in werking op de eerste dag
                                        na het verstrijken van een termijn van zes weken na
                                        bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                        rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het
                                        bepaalde in artikel 15 lid 2 van de Monumentenwet 1988 twee
                                        maanden nadat zij ter kennis is gebracht van de minister van
                                        Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, tenzij deze minister vóór
                                        die datum de verordening tot schorsing heeft
                                        voorgedragen.</al></li><li nr="3."><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de
                                        inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met
                                        inachtneming van de in het tweede lid ingetrokken
                                        verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Archeologieverordening
                                Gemeente Geldrop-Mierlo 2009”</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>V.W.F.M. van der Zee M.J.D. Donders - de Leest</ondertekening><ondertekening>plv. griffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>