<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR104786_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer gemeente Loon op Zand 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer gemeente Loon op Zand 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 4 van WPO, WVO en WEC</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>leerlingenvervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer gemeente Loon op Zand 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>besluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Loon op Zand;</al><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de
            expertisecentra, en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs,</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende: Verordening leerlingenvervoer gemeente Loon op Zand.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>1:</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><al><vet>a. </vet>school:</al><al><vet>- </vet>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de
            Wet op het primair onderwijs (Stb. 1998, 495);</al><al><vet>- </vet>een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal
            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra
            (Stb. 1998, 496);</al><al><vet>- </vet>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het
            voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512);</al><al><vet>b. </vet>ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al><al><vet>c. </vet>leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a;</al><al><vet>d. </vet>gehandicapte leerling: een leerling bedoeld onder c, die door een
            lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet, of niet zelfstandig van het
            openbaar vervoer gebruik kan maken;</al><al><vet>e. </vet>woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk
            verblijft;</al><al><vet>f. </vet>afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de
            kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al><al><vet>g. </vet>vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de
            woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin
            en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een
            leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt;</al><al><vet>h. </vet>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een
            dienstregeling per trein, metro, tram, bus, veerdienst of auto;</al><al><vet>i. </vet>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi,
            treintaxi of bustaxi;</al><al><vet>j. </vet>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of fiets;</al><al><vet>k. </vet>reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning
            en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten indien
            en voorzover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder
            bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het
            einde van de schooldag volgens de schoolgids, een eventuele wachttijd, en de aankomst
            bij de woning;</al><al><vet>l. </vet>toegankelijke school: </al><lijst><li nr="-"><al>voor wat betreft basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs: de
                basisschool van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                de openbare school of de speciale school voor basisonderwijs waarop de leerling is
                aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                de openbare school;</al></li><li nr="-"><al>voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor
                voortgezet onderwijs: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen van de
                verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school
                van de soort waarop de leerling is aangewezen;</al></li></lijst><al><vet>m. </vet>inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Stb. 2000,
            215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in het tweede kalenderjaar
            voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt
            gevraagd.</al><al><vet>o. </vet>commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld door het
            bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra,
            niet zijnde een instelling, of de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als
            bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde instellingen, die
            hetzelfde expertisecentrum instandhouden;</al><al><vet>n.</vet>vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door
            het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens
            begeleider, of bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor
            de leerling en zo nodig diens begeleider, of aanbieding van aangepast vervoer dat de
            gemeente verzorgt of doet verzorgen.</al><al><vet>p. </vet>permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in artikel
            23 van de Wet op het primair onderwijs;</al><al><vet>q. </vet>samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18
            van de Wet op het primair onderwijs;</al><al><vet>r. </vet>regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel 10 g
            van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al><vet>s. </vet>opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 10h
            , derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al><vet>t. </vet>ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van een
            school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra van
            leerlingen die zijn geplaatst op een basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een
            school voor voortgezet onderwijs en die naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder
            die begeleiding zouden zijn aangewezen op het speciaal onderwijs of het voortgezet
            speciaal onderwijs;</al><al><vet>u. </vet>commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in artikel
            28 c van de Wet op de expertisecentra.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten</titel></kop><al><vet>1. </vet>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in
            de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met
            inachtneming van het bepaalde in deze verordening.</al><al><vet>2. </vet>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van
            de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt,
            betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde
            in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of
            nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de
            aanspraak op bekostiging vervallen.</al><al><vet>3. </vet>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid
            van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.</al><al><vet>4. </vet>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de</al><al>bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><al><vet>1. </vet>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand tussen
            de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke
            school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten
            met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
            instemmen.</al><al><vet>2. </vet>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het
            bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan in artikel
            11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij
            de woning zijn gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar eerstgenoemde
            school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren
            hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle
            bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de
            woning zijn gelegen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de vervoerskosten de wijze
            en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de verstrekte bekostiging,
            met dien verstande dat de tijdsduur, indien dit mogelijk is, voor meerdere jaren of de
            hele schoolperiode wordt vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al><vet>1. </vet>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan door
            indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders ondertekend
            formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.</al><al><vet>2. </vet>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende
            schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar ingediend.</al><al><vet>3. </vet>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is,
            kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.</al><al><vet>4. </vet>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van
            alle benodigde gegevens.</al><al><vet>5. </vet>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste
            vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.</al><al><vet>6. </vet>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
            getroffen:</al><al><vet>a. </vet>met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor 1 juni is
            ingediend;</al><al><vet>b. </vet>met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een aanvraag
            gedurende het schooljaar betreft, met dien verstande dat de datum waarop bekostiging
            wordt verstrekt niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag door het
            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><al><vet>1. </vet>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de
            verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding van de datum van
            wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college.</al><al><vet>2. </vet>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de verstrekte
            bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en verstrekt het college al dan niet
            opnieuw bekostiging van de vervoerskosten.</al><al><vet>3. </vet>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het
            college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten
            onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt de aanspraak op bekostiging van de
            vervoerskosten terstond en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
            vervoerskosten. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders.</al><al><vet>4. </vet>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
            teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe verstrekking van
            bekostiging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend de leeftijd
            van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de bekostiging betrekking
            heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een toelage,
            voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>2:</nr><titel> BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE (NIETGEHANDICAPTE) LEERLINGEN VAN
              SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor
              basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging verstrekt van de
            kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning en:</al><al><vet>a. </vet>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor
            basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling
            afkomstig is, of</al><al><vet>b. </vet>een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a. bedoelde
            samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten
            met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs,
            bedoeld onder a..</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><al><vet>1. </vet>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling
            op een school voor primair onderwijs niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij
            de beschikking de beslissing te betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg
            over de toelating van de leerling op een speciale school voor basisonderwijs.</al><al><vet>2. </vet>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
            leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie leerlingenzorg die voor
            de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets</titel></kop><al><vet>1. </vet>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
            voor</al><al>basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt bekostiging op basis
            van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de
            dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes km bedraagt.</al><al><vet>2. </vet>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
            bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar
            het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het
            vervoer per fiets.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een begeleider</titel></kop><al><vet>1. </vet>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11,
            bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van 1
            begeleider,indien de leerling jonger dan negen jaar is, en door de ouders ten behoeve
            van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig
            van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al><al><vet>2. </vet>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, komen
            slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in
            aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de
            ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
            basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel 11,
            en</al><al><vet>a. </vet>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug,
            meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of
            minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:</al><al><vet>b. </vet>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het
            college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al><vet>1. </vet>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
            het</al><al>college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te</al><al>vervoeren of te laten vervoeren.</al><al><vet>2. </vet>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
            verleend,</al><al>bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten
            vervoeren:</al><al><vet>a. </vet>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien
            aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
            behoudens het bepaalde in het vijfde lid;</al><al><vet>b. </vet>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid
            van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de
            kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al><al><vet>3. </vet>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
            verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis 
            van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens
            het bepaalde in het vierde lid.</al><al><vet>4. </vet>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
            ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging
            ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen
            bekostiging verstrekt.</al><al><vet>5. </vet>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
            college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken
            van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van
            een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>3:</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR
              (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets</titel></kop><al><vet>1. </vet>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
            voor</al><al>(voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het
            openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
            school meer dan zes kilometer bedraagt.</al><al><vet>2. </vet>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
            bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, indien
            de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan
            maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer
            per bromfiets.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a:</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school cluster 4</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling die een school
            voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4 bezoekt als dichtstbijzijnde
            toegankelijke school, de school die door de commissie voor de indicatiestelling is
            geadviseerd. Dit is van toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het
            gebied van het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is
            verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling op een school
            voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij
            de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
            deskundigen te betrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een
              begeleider</titel></kop><al><vet>1. </vet>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15,
            bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve van een begeleider,
            indien door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de
            leerling, gelet op zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of
            leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te
            maken.</al><al><vet>2. </vet>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
            slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de
            begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al><al><vet>3. </vet>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, komen
            slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor
            bekostiging in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al><vet>1. </vet>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
            aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het afstandscriterium van artikel
            15, en</al><al><vet>a. </vet>de gehandicapte leerling, naar het oordeel van het college niet in staat
            is - ook niet onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te maken, of:</al><al><vet>b. </vet>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug,
            meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of
            minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:</al><al><vet>c. </vet>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het
            college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan
            wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per bromfiets.</al><al><vet>2. </vet>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
            slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de
            begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al><vet>1. </vet>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het
            college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te
            laten vervoeren.</al><al><vet>2. </vet>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend,
            bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten
            vervoeren:</al><al><vet>a. </vet>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien
            aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
            behoudens het bepaalde in het vijfde lid;</al><al><vet>b. </vet>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid
            van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de
            kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al><al><vet>3. </vet>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend,
            verstrekt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren,
            dan wel laten vervoeren, bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding
            voor de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het bepaalde in het
            vierde lid.</al><al><vet>4. </vet>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
            ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging
            ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen
            bekostiging verstrekt.</al><al><vet>5. </vet>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
            college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken
            van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging
            van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets,
            afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor scholen voor
              (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><al><vet>1. </vet>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten van
            aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor (voortgezet)
            speciaal onderwijs bezoekt, in het geval de afstand van de woning naar de
            dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald in
            artikel 15, indien het college van oordeel is dat de leerling gehandicapt is.</al><al><vet>2. </vet>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
            slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie
            voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al><al><vet>3. </vet>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten zoals
            bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>4:</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde en vakantievervoer aan de in de
              gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan
            de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor
            hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft,
            volgens het bepaalde in deze Titel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde en vakantievervoer</titel></kop><al><vet>1. </vet>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van het
            weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het
            internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en
            terug, voorzover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
            schoolvakanties.</al><al><vet>2. </vet>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de leerling
            voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het
            internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en
            terug, voorzover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling
            bezoekt.</al><al><vet>3. </vet>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met
            uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18, eerste lid onder b,
            artikel 18, tweede lid, en artikel 20.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>5:</nr><titel>EIGEN BIJDRAGE EN BEKOSTIGING NAAR FINANCIËLE DRAAGKRACHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23:</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><al><vet>1. </vet>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een
            speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt
            dan euro 22.050,-, wordt slechts bekostiging verstrekt voorzover de kosten van het
            vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11
            bepaalde afstand te boven gaan.</al><al><vet>2. </vet>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het
            vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een
            school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per
            leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar
            vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer
            bedraagt dan euro 22.050,-.</al><al><vet>3. </vet>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid,
            betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de zone-indeling in de
            regeling die is gebaseerd op artikel 30 , eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000,
            voor de afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van
            openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan.</al><al><vet>4. </vet>Het bedrag van euro 22.050,-, genoemd in het eerste en tweede lid, wordt
            met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer
            van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het
            voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 450,-. Het aangepaste
            bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van euro
            22.050,-.</al><al><vet>5. </vet>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie ingevolge
            Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24:</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><al><vet>1. </vet>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
            school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging
            verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al><al><vet>2. </vet>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het
            vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de
            dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt,
            betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten
            hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.</al><al><vet>3. </vet>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage
            als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de
            hoogte van het gecorrigeerde verzamelinkomen van de ouders in de zin van de Wet op de
            inkomstenbelasting 2001.</al><al>Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="38*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="62*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Inkomen in euro’s</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Eigen bijdragen in euro’s</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 0 – 31.500</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Nihil</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>31.500 – 38.000</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>125</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>38.000 – 44.000</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>520</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>44.000 – 49.500</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>960</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>49.500 – 56.500</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1.405</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>56.500 – 62.500</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1.855</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>62.500 en verder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Voor elke extra € 4.500: € 455 erbij</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>4. </vet>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1
            januari 2012 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de
            regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van
            het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 500,-.</al><al><vet>5. </vet>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met
            ingang van 1 januari 2012 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
            consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel
            vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar,
            en rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 5,-.</al><al><vet>6. </vet>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie ingevolge
            Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>6:</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN GEHANDICAPTE LEERLINGEN VAN SCHOLEN
              VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25:</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding</titel></kop><al><vet>1. </vet>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het college
            bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders
            van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school
            voor voortgezet onderwijs bezoekt en die gehandicapt is. Ten aanzien van een leerling
            van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht.</al><al><vet>2. </vet>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
            slechts gedeeltelijk toekent, dienen zij bij de beschikking het advies van de permanente
            commissie leerlingenzorg, de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen
            te betrekken.</al><al><vet>3. </vet>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, komen
            slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor
            bekostiging in aanmerking.</al><al><vet>4. </vet>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
            bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel bromfiets, indien
            de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan
            maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer
            per bromfiets.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26:</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al><vet>1. </vet>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
            vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor
            basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt, indien</al><al><vet>a. </vet>de leerling, naar het oordeel van het college gehandicapt is. Ten
            aanzien van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het college
            artikel 9 in acht. Of:</al><al><vet>b. </vet>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en de
            leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf
            uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd
            per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:</al><al><vet>c. </vet>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en openbaar
            vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder
            begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan
            maken van het vervoer per bromfiets.</al><al><vet>2. </vet>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
            slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de permanente
            commissie leerlingenzorg, de ambulante begeleider of het advies van andere deskundigen
            te betrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27:</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al><vet>1. </vet>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan het
            college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te
            laten vervoeren.</al><al><vet>2. </vet>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend,
            bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten
            vervoeren:</al><al><vet>a. </vet>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer met</al><al>begeleiding, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van
            het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;</al><al><vet>b. </vet>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid
            van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de
            kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid.</al><al><vet>3. </vet>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend,
            verstrekt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren,
            dan wel laten vervoeren, bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding
            voor de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het bepaalde in het
            vierde lid.</al><al><vet>4. </vet>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
            ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging
            ontvangen afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen
            bekostiging verstrekt.</al><al><vet>5. </vet>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
            college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken
            van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt het college aan de ouders bekostiging
            van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets,
            afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>7:</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28:</nr><titel>Gedragsregels</titel></kop><al><vet>1.</vet> Indien het college gebruik maakt van de bevoegdheid om het vervoer zelf
            te verzorgen dan wel te doen verzorgen, stelt het gedragsregels op ter bevordering van
            een ordelijk en veilig verloop van het vervoer en informeert daarover de ouders
            vooraf.</al><al><vet>2.</vet> Het niet-naleving van de gedragsregels doet de aanspraak vervallen op
            elke vergoeding van het aangepast vervoer, tenzij dit vanwege de verstandelijke
            beperking niet is toe te rekenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29:</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het college kan aan het verstrekken van vervoerskosten voorwaarden
            verbinden, die verband houden met de aard en het doel van deze verordening.</al><al><vet>2.</vet> Het college kan een besluit dat is genomen op grond van deze verordening
            intrekken indien niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30:</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze
            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31:</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten
            gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies
            te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie van
            begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32:</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening leerlingenvervoer gemeente gemeente Loon op Zand 2003 wordt
            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33:</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de datum van uitgifte van de
            Duinkoerier waarin zij is geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34:</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente
            Loon op Zand.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Loon op Zand van
            d.d. 23 juni 2011.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>voorzitter,</ondertekening><ondertekening>griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting bij verordening leerlingenvervoer </tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen kunnen kinderen niet
          zelfstandig naar school, of kunnen ze niet door hun ouders worden gehaald en gebracht. Als
          aan bepaalde criteria is voldaan, kunnen ouders een beroep doen op de verordening
          leerlingenvervoer. De verordening leerlingenvervoer gaat over de bekostiging van een
          vervoersvoorziening. Het expliciete doel van de regeling is het verstrekken van een
          voorziening. Het is aan de gemeente om te beslissen in welke vorm de voorziening wordt
          verstrekt. Het impliciete doel is het effectueren van het recht op onderwijs en de
          vrijheid van onderwijs.</al><al>Voor de toekenning van de vergoeding wordt uitgegaan van de kosten van het vervoer naar
          de dichtstbijzijnde voor de (gehandicapte) leerling toegankelijke school. De ouders kunnen
          de gemeente ook vragen het vervoer van hun kind(eren) naar de dichtstbijzijnde school van
          de gewenste levensbeschouwelijke richting te verzorgen. Hiervoor is in de meeste gevallen
          een eigen bijdrage verschuldigd.</al><al>Artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (WPO), artikel 4, eerste lid,
          van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en artikel 4, eerste lid van de Wet op de
          expertisecentra (WEC), verplichten de gemeenteraad een regeling vast te stellen voor het
          leerlingenvervoer. De modelverordening geeft uitvoering aan de taakstelling van de
          gemeentebesturen inzake de bekostiging van het vervoer van leerlingen van en naar scholen
          voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs, of (voortgezet) speciaal
          onderwijs. Tevens worden nadere regels gegeven voor de bekostiging van het weekeinde- en
          vakantievervoer.</al><al>Er is geen zorgplicht in het kader van leerlingenvervoer voor leerlingen die het
          reguliere voortgezet onderwijs bezoeken, dus ook niet voor praktijkonderwijs en
          leerwegondersteunend onderwijs. Een uitzondering geldt voor leerlingen die vanwege een
          handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, zij
          hebben recht op leerlingenvervoer op basis van titel 6 van de verordening. Dit moet per
          leerling bekeken worden.</al><al>Naast procedurevoorschriften over de wijze waarop de aanvragen voor bekostiging door de
          ouders kunnen worden ingediend, bevat deze modelverordening criteria aan de hand waarvan
          ouders aanspraak kunnen maken op bekostiging van de vervoerkosten. Centraal uitgangspunt
          is daarbij dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders
          blijft liggen (artikel 14 van de verordening).</al><al>Met het begrip ‘bekostiging’ wordt bedoeld dat de betaling aan de ouders niet het
          karakter heeft van een ‘kostendekkende betaling’. Dit neemt echter niet weg dat de
          bekostiging in een aantal gevallen kostendekkend kan zijn.</al><al>Wellicht ten overvloede dient er nogmaals de nadruk op gelegd te worden, dat er sprake
          is van een modelverordening. Nadere invulling van de verordening dient te geschieden op
          lokaal niveau, rekening houdend met de specifiek plaatselijke of regionale omstandigheden
          en de gevormde jurisprudentie.</al><al>1.1 Wijze van vervoer</al><al>Het college bepaalt welke wijze van vervoer wordt bekostigd aan de ouders. Uitgangspunt
          van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer, maar het college kan bepalen dat
          de bekostiging plaatsvindt voor een andere wijze van vervoer.</al><al>Indien ouders afwijken van de wijze van vervoer dienen ze hiervoor in principe
          toestemming te krijgen van het college. Ondanks de toestemming blijft de bekostiging
          gebaseerd op de door het college toegekende wijze van vervoer.</al><al>De modelverordening onderscheidt een drietal wijzen van vervoer:</al><lijst><li nr="·"><al>1. openbaar vervoer;</al></li><li nr="·"><al>2. aangepast vervoer;</al></li><li nr="·"><al>3. eigen vervoer.</al><lijst><li nr="1."><al>2 Drempelbedrag en financiële draagkracht</al></li></lijst></li></lijst><al>Voor ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school
          voor basisonderwijs bezoekt, kan een drempelbedrag in rekening worden gebracht (zie
          artikel 23 van de verordening). Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld
          aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de
          woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de
          modelverordening is deze grens vastgesteld op 6 kilometer. De ouderlijke bijdrage is in
          dat geval gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer voor deze 6 kilometer. Het
          drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht.</al><al>Daarnaast kan voor ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken,
          die tenminste 20 kilometer van de woning is gelegen, een inkomensafhankelijke bijdrage
          gelden (zie artikel 24 van de verordening). De vastgestelde bekostiging wordt in dat geval
          verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. Deze
          inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting modelverordening leerlingenvervoer</tussenkop><tussenkop>Artikel 1: Begripsomschrijving</tussenkop><al>In artikel 1 van de modelverordening is een aantal begrippen nader gedefinieerd, die
          regelmatig gebruikt worden in de verordening.</al><al>Ad a School</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>De Wet op het primair onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking is getreden,
          voorziet in de samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs voor kinderen met
          leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen (mlk) en in hun
          ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in een wet. De scholen voor lom, mlk en iobk heten
          onder de WPO ‘speciale scholen voor basisonderwijs’.</al><al>School voor voortgezet onderwijs</al><al>Onder een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de WVO, vallen het
          voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs
          (havo)en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar praktijkonderwijs en
          leerwegondersteunend onderwijs deel van uit maken.</al><al>Speciaal onderwijs (WEC)</al><al>De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al het overig speciaal en voortgezet speciaal
          onderwijs. Het gaat om onderwijs voor doven, slechthorenden, kinderen met ernstige
          spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, kinderen opgenomen
          in het ziekenhuis, langdurig zieken, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk
          opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapten en onderwijs op pedologische
          instituten.</al><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><lijst><li nr="·"><al>- Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig
              gehandicapte kinderen met deze handicap;</al></li><li nr="·"><al>- Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met
              ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudige gehandicapte kinderen met een van
              deze handicaps;</al></li><li nr="·"><al>- Cluster 3: onderwijs aan langdurige zieke kinderen met een lichamelijke handicap,
              lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig
              gehandicapte kinderen met een van deze handicaps;</al></li><li nr="·"><al>- Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke
              handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan
              pedologische instituten.</al></li></lijst><al>Particuliere scholen</al><al>Aanspraak op leerlingenvervoer kan zowel naar rijksbekostigde als particuliere scholen
          bestaan, mits de particuliere school een onderwijsrichting vertegenwoordigt en mits de
          particuliere school een ‘school’ in de zin van de onderwijswetten is. Momenteel zijn het
          individuele leerplichtambtenaren die beslissen of een particuliere school voldoende lijkt
          op bekostigde scholen. Op rijksniveau bestaat het voornemen dit centraal te gaan bepalen.
          In 2007 is daarom een wetswijziging van de Leerplichtwet in behandeling gegeven bij de
          Eerste en Tweede Kamer. De wetswijziging beoogt onder andere aanscherping van de criteria
          waaraan particuliere scholen moeten voldoen. De Raad van State heeft echter negatief
          geoordeeld over dit wetsvoorstel en de minister en de staatssecretaris zijn om opheldering
          gevraagd. Het is niet duidelijk of (en wanneer) het wetsvoorstel doorgang zal vinden.</al><al>Andere onderwijsvormen</al><al>Het vervoer naar het middelbaar beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het
          universitair onderwijs valt onder geen enkele omstandigheid onder het leerlingenvervoer.
          Gehandicapte leerlingen die een dergelijke opleiding volgen, kunnen zich tot het UWV
          wenden voor een eventuele vergoeding.</al><al>Hoogbegaafde leerling</al><al>Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere onderwijsaanbod niet adequaat is en
          de leerling dientengevolge een school voor gewoon voortgezet onderwijs bezoekt, dan
          behoeft de gemeente volgens de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen
          bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is
          dat een school voor gewoon voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC
          (uitspraak van 9 november 1995, nr. H 01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een uitspraak van 23
          april 1998, nr. H01.98.0221 bevestigd).</al><al>Besluit trekkende bevolking</al><al>Het Besluit trekkende bevolking van de WBO (Stb. 465, 1985) bevat voorschriften voor
          scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden (zoals scholen voor
          kinderen van kermisexploitanten, schippers of circusmedewerkers). De voorzieningen ten
          behoeve van deze groepen zijn opgenomen in de WPO en de betreffende scholen worden
          aangemerkt als basisscholen. Belangrijkste overweging hiervoor is, dat de desbetreffende
          kinderen in principe aangewezen zijn op het reguliere basisonderwijs. Van overwegende
          orthopedagogische of didactische benadering is geen sprake.</al><al>Dit betekent dat de ouders van de betreffende leerlingen aanspraak kunnen maken op
          bekostiging van vervoer. Hiervoor gelden de bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen
          naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs (Titel 2 van de
          modelverordening).</al><al>Een belangrijke uitzondering vormen:</al><lijst><li nr="·"><al>- leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of
              van circusmedewerkers (Titel B Besluit trekkende bevolking);</al></li><li nr="·"><al>- leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken voor varende kinderen (Titel C Besluit
              trekkende bevolking).</al></li></lijst><al>Ouders van leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen niet voor bekostiging van
          vervoer in aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve
          van het schoolbezoek, vormen onderdeel van de materiele instandhouding van die
          scholen.</al><al>Medische behandeling en zorg</al><al>Gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met aanvragen van ouders voor bekostiging
          van vervoer naar instellingen waar kinderen dagbehandelingen (zorg) krijgen, al dan niet
          in combinatie met onderwijs. Gemeenten zijn hier in principe niet toe verplicht. Het
          leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer naar en van een school op de schooltijden
          die zijn aangegeven in de schoolgids. Dan gaat het dus om een onderwijsinstelling in de
          zin van de onderwijswetgeving; zorginstellingen, medisch kinderdagverblijven en dergelijke
          worden hier niet toe gerekend.</al><al>Volgt een kind ook onderwijs op of nabij die locatie, dan kan het zijn dat ouders een
          (gedeeltelijke) tegemoetkoming bij de gemeente kunnen krijgen. Ook dan moet het gaan om
          onderwijs in de zin van onderwijswetgeving, dus moet de instelling die het onderwijs
          verzorgt een “school” zijn. Hierbij geldt dat gemeenten vervoeren in aansluiting op het
          begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids (artikel 1, onderdeel f, van de
          verordening). Krijgen kinderen voor, tijdens of na schooltijd zorg of behandelingen, dan
          zijn toch de schooltijden leidend voor het leerlingenvervoer.</al><al>Ad b Ouders</al><al>In de omschrijving van het begrip ‘ouders’ is het onderscheid dat in de WPO en de WEC
          ten aanzien van ouders is aangebracht niet overgenomen. De WPO verstaat onder ouders:
          ouders en voogden van kinderen. De WEC verstaat ook de verzorgers daaronder. Op dit moment
          ligt er een wetswijziging van de WPO bij de Raad van State dat dit onderscheid opheft:
          door deze wijziging zullen ook verzorgers onder het begrip ‘ouders’ in de zin van de WPO
          vallen.</al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip
          ‘ouders’, zoals bedoeld in de verordening.</al><al>Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, dient een inkomen in de zin van de
          Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Als de aanvrager een rechtspersoon is
          (bijvoorbeeld een zorginstelling), dan valt deze formeel niet onder de werking van de Wet
          op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van instellingen is vaak rekening gehouden met
          bekostiging van de kosten van het dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en
          vakantievervoer. In voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden
          opgenomen.</al><al>Ad c Leerling</al><al>In artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien
          maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze
          kinderen worden echter pas als zij de leeftijd van vier jaar hebben bereikt leerling in de
          zin van de WPO (artikel 39, eerste lid, WPO). De ouders kunnen dan ook pas vanaf het
          moment dat hun kind vier jaar is geworden eventueel aanspraak maken op bekostiging van de
          vervoerkosten naar de basisschool of speciale school voor basisonderwijs. De
          toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in artikel 39 van
          de WEC.</al><al>Voor leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op een school
          voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige leeftijd hebben
          bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen aan de voorwaarden van de
          gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak maken op bekostiging van de
          vervoerskosten.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs geldt dat zolang een leerling toegelaten is op een school
          voor voortgezet onderwijs, en dus ‘leerling’ is van zo’n school, er aanspraak kan bestaan
          op bekostiging op grond van titel 6 van de verordening.</al><al>Illegale leerlingen</al><al>Het recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons land verblijvende leerlingen, is
          gebaseerd op het principe dat jongeren waar ook ter wereld moeten worden toegerust om aan
          het maatschappelijke leven deel te nemen, Nederland is hiertoe ook internationale
          verdragsrechtelijke verplichtingen aangegaan. In de Koppelingswet is zelfs vastgelegd dat
          illegale kinderen die voor hun 18e jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht hebben
          om dit af te maken. Hier vloeit uit voort dat illegale leerlingen in principe ook recht
          hebben op leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven leerplichtige leerlingen niet te
          vragen naar de verblijfsstatus. Een schoolleider kan dus niet als een opsporingsambtenaar
          worden ingezet.</al><al>Asielzoekerskinderen</al><al>Voor kinderen die in een Asielzoekerscentrum (AZC) verblijven en naar school toe gaan,
          bestaat de Richtlijn schoolvervoer asielzoekers. Deze richtlijn houdt in dat het AZC het
          vervoer betaalt van het AZC naar de school. Dit betaalt het AZC uit de middelen die het
          via het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) ontvangt.</al><al>Leerlingen die niet in een asielzoekerscentrum verblijven, vallen onder de gemeentelijke
          regeling leerlingenvervoer. Gemeenten moeten leerlingen die in aanmerking komen voor het
          leerlingenvervoer in principe vervoeren naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school van
          de soort en de richting.</al><al>Besluit trekkende bevolking</al><al>Voor de begripsomschrijving ‘leerling’ geldt, evenals voor de begripsomschrijving van
          ‘school’, dat die leerlingen zijn uitgesloten die een rijdende school voor kinderen van
          kermisexploitanten of van circusmedewerkers dan wel een ligplaatsschool voor varende
          kinderen bezoeken.</al><al>Ad d Gehandicapte leerling</al><al>Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet
          zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een
          gehandicapte leerling in de zin van de verordening.</al><al>Ad e Woning</al><al>Onder ‘woning’ wordt in de modelverordening verstaan: de plaats waar de leerling
          structureel en feitelijk verblijft. Met andere woorden, de plaats van waaruit het kind de
          school bezoekt. In dezen is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind
          staan ingeschreven.</al><al>Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun officiële
          verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek I van het Burgerlijk
          wetboek. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft
          in deze andere gemeente (in het algemeen) bekostiging van de vervoerkosten van deze
          leerling aangevraagd moet worden (dit geldt overigens niet indien het bijvoorbeeld een
          leerling betreft die vanwege een vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft).</al><al>Tijdelijk verblijf</al><al>Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling in een andere gemeente kan de
          vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de vervoerskosten moet dragen. Door het
          incidentele karakter van dit vervoer laat het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen
          de bestaande gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee
          kan brengen. Ook voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname aan het
          vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken later dienen zij
          het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het begrip woning een structureel
          element.</al><al>In een voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat dat een
          leerling gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken) in een andere
          gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan wordt dit verblijf
          aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente (A).</al><al>Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven verzorgen.
          Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen school blijft gaan. Is de
          afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar school kleiner dan de
          kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op
          bekostiging van vervoerkosten bestaan.</al><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft
          verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in de gemeente waarin
          de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt aangevraagd. Deze gemeente
          beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen verordening leerlingenvervoer. Deze
          verordening kan uiteraard andere criteria bevatten dan de verordening leerlingenvervoer
          van de oorspronkelijke gemeente.</al><al>Dagcentrum: twee woningen</al><al>Het uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer is, dat slechts het vervoer van de
          woning naar de onderwijsinstelling en vice versa wordt bekostigd. In het geval een
          leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en vanuit die school, omwille van
          een medische of sociale indicatie, naar een dagcentrum (bijvoorbeeld een Boddaertcentrum)
          reist, is de gemeente derhalve niet verplicht het vervoer van school naar het dagcentrum
          te bekostigen.</al><al>Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf aangemerkt kan
          worden, kan een gemeente ervan uitgaan dat het kind twee woningen in de zin van de
          verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het dagcentrum en daarom toch
          besluiten tot bekostiging. Dit is een keuze van de gemeente. Als de gemeente wel
          bekostigt, dan kan er vervoer van huis naar school en van school naar het dagcentrum
          worden aangeboden. Het dagcentrum wordt dan aangemerkt als tweede woning. Het vervoer van
          het dagcentrum naar huis valt dan niet onder het leerlingenvervoer.</al><al>Gescheiden ouders: twee woningen</al><al>Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de verordening.
          Waneer er bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap, waarbij het kind evenveel bij de ene
          als de andere ouder verblijft, kan gezegd worden dat er sprake is van twee
          hoofdverblijven. Om aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide
          ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een
          aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Waar de leerling staat
          ingeschreven doet niet terzake; doorslaggevend is de feitelijke verblijfplaats van de
          leerling.</al><al>De betreffende gemeenten toetsen de aanvraag elk aan de eigen verordening
          leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of er sprake is van een woning in de
          zin van de verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde toegankelijke is en of
          voldaan is aan de afstandsgrens. Het komt voor dat slechts in één van beide gemeenten
          aanspraak op leerlingenvervoer bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde
          toegankelijke school is.</al><al>Ad f Afstand</al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Het verdient aanbeveling om altijd
          dezelfde en de meest actuele routeplanner te hanteren en de ouders bij de aanvraag te
          informeren over de wijze waarop de afstand wordt gemeten.</al><al>Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
          Raad van State bepaald dat de veiligheid van de weg op zich zelf beoordeeld voldoende
          dient te zijn (uitspraak van 31 maart 1989, R03.87.2599; zie Jur. 1.5). Het college mag
          niet volstaan met verwijzing naar een minder veilige alternatieve route.</al><al>Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het afstandscriterium, dan
          dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor begeleiding zorg te dragen indien de af te
          leggen route onveilig is, aldus de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
          (uitspraak van 12 juni 1995, nr. R03.93.5575; zie jur.1.6 ).</al><al>De afdeling bestuursrechtspraak is voorts van mening dat de route niet in alle gevallen
          volledig toegankelijk moet zijn voor gemotoriseerd verkeer (uitspraak van 12 juni 1995,
          nr. R03.93.5639; zie jur. 1.7).</al><al>Ad g Vervoer</al><al>Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, dient dit in de verordening te worden
          opgenomen (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1, onderdeel l). Voorts is
          ter verduidelijking opgenomen dat het vervoer alleen plaatsvindt in aansluiting op het
          begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Hiermee wordt
          voorkomen dat ouders op basis van bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen
          aanvragen indienen voor het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling
          te jong is om het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de structurele
          handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van
          het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel tijdens de schooltijd vervoerd te
          worden.</al><al>Ad h Openbaar vervoer</al><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de
          begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer (wet
          van 12 maart 1987, Stb. 175). In deze Wet wordt onder ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor
          een ieder openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus, of auto volgens een
          dienstregeling. De Wet personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een ieder
          kenbaar schema van reismogelijkheden. In de verordening is de begripsomschrijving
          ‘openbaar vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’.</al><al>Ad i Reistijd</al><al>Onder ‘reistijd’ wordt in de modelverordening verstaan, de tijdspanne die ligt tussen
          het verlaten van het huis en de aanvang van de schooldag, dan wel de tijdspanne die ligt
          tussen het einde van de schooldag en de aankomst bij het huis. De praktijk leert dat
          leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken van het leerlingenvervoer, zich vaak zo’n tien
          minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein bevinden. Het ligt voor de hand
          deze tijd uit te sluiten van de reistijd. Dit betreft enkel de wachttijd aan het begin van
          de schooldag. De eventuele wachttijd aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend
          bij de totale reistijd.</al><al>Schooltijden</al><al>Vanaf 1 augustus 2006 hebben scholen in het primair en het speciaal onderwijs meer
          vrijheid om, in samenspraak met ouders, de schooltijden zelf in te vullen. Voor scholen
          die vallen onder de WPO of de WEC geldt dat de leerlingen in de eerste twee schooljaren
          ten minste 3520 uren onderwijs en in de laatste zes schooljaren tenminste 3760 uren
          onderwijs ontvangen. Als voorwaarde is wel gesteld dat de onderwijsactiviteiten
          evenwichtig over de dag verdeeld moeten worden. Voor scholen vallend onder de WEC geldt
          daarnaast nog dat het onderwijs aan leerlingen jonger dan 4 jaar ten minste 880 uren per
          schooljaar omvat en aan leerlingen ouder dan 12 jaar ten minste 1000 uren per schooljaar.
          Het is mogelijk om voor alle groepen naast de woensdagmiddag een tweede vrije middag in te
          voeren, of de verplichte lesuren in vier dagen per week te verzorgen. Een school kan ook
          kiezen voor een zesdaagse lesweek.</al><al>Voor de bepaling van het recht op leerlingenvervoer wordt aangesloten op de schoolgids
          die een school heeft uitgegeven. Indien een school dus van de nieuwe regelgeving
          gebruikmaakt en dat vastlegt in de schoolgids dan moet de gemeente dit honoreren.</al><al>Ad j Toegankelijke school</al><al>De WPO kent het orgaan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl, artikel 23 WPO).
          Deze commissie beslist op aanvraag van de ouders of een leerling op het onderwijs van een
          speciale school voor basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan
          een leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden opgenomen. Het college moet
          bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Dit
          besluit is overigens een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het
          kader van de operatie Weer samen naar school is afgesproken dat, indien vaststaat dat een
          leerling is aangewezen op een hulpklas bij een basisschool, deze basisschool moet worden
          aangemerkt als de toegankelijke school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde
          basisschool is, en dat derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient te worden
          bekostigd.</al><al>De Regionale Verwijzingscommissie bepaalt de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs.
          (artikel 10g van de WVO).</al><al>Ad k Inkomen</al><al>Om te bepalen of op grond van artikel 23 een drempelbedrag kan worden geheven, is het
          inkomen van ouders in het peiljaar nodig. Ouders kunnen een IB 60-formulier opvragen bij
          de Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld.</al><al>Ad l Opstapplaats</al><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te
          organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de
          taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis
          voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders,
          te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats.</al><al>Reistijd naar opstapplaats</al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419/83-107) acht de Afdeling
          Bestuursrechtspraak van de Raad van State het kennelijk redelijk dat de gemeente
          opstapplaatsen opstelt vanaf waar de leerling van het vervoer gebruik kan maken. De
          afdeling vindt de reistijd, die in dit geval niet meer dan dertig minuten bedraagt,
          alleszins redelijk. Hiermee is echter nog niet aangegeven wanneer de afdeling de reistijd
          niet meer redelijk acht.</al><al>Veiligheid en begeleiding</al><al>Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van belang dat
          de gemeente daarbij let op de af te leggen afstand van huis naar de opstapplaats. Hierbij
          kan in ieder geval gedacht worden aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand van
          dertig minuten, waar een beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband met de
          weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus
          niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het
          aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen verwacht worden dat
          zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het moment dat hun kinderen in het voertuig
          zijn gestapt. (Zie ABRS 24 augustus 1992, nr. R03.90.1504/83-105).</al><al>Afstand</al><al>Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerkosten wordt ingediend, blijft
          de afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van opstapplaatsen
          verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op bijvoorbeeld negen kilometer van
          de school wonen terwijl de gemeente op zes kilometer afstand een opstapplaats heeft
          ingesteld, recht hebben op bekostiging van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de
          resterende drie kilometer. Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt
          onverkort intact; met andere woorden de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de
          opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 13, onder a, en artikel 18,
          eerste lid onder b, van de modelverordening.</al><al>Ad m Commissie voor de begeleiding</al><al>De commissie voor de begeleiding is in de plaats gekomen voor de commissie van
          onderzoek. De indicerende taken van de CvO zijn overgegaan naar de regionale commissies
          van indicatiestelling (Cvi). De taken omtrent toewijzing van (ambulante) begeleiding
          liggen bij de commissie voor de begeleiding, verbonden aan een school.</al><al>Ad n Vervoersvoorziening</al><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen
          verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Er dient
          een keuze te worden gemaakt tussen één van de drie weergegeven mogelijkheden: 1. een
          gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte
          vervoerskosten van de leerling en zonodig diens begeleider, 2. de verstrekking van een
          abonnement of strippenkaart voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of 3.
          aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.</al><al>Ad o Permanente commissie leerlingenzorg</al><al>De WPO kent de permanente commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de pcl over de
          toelating van een leerling tot een speciale school voor basisonderwijs dienen door het
          college bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer betrokken te worden,
          ingeval het college een negatieve beschikking geeft op de gevraagde voorziening. Zie
          tevens de toelichting bij onderdeel j.</al><al>Ad p Samenwerkingsverband</al><al>Op basis van de WPO moeten basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs die
          samenwerken, een zodanige zorgstructuur inrichten, dat voor elke leerling de benodigde
          zorg kan worden geboden. Artikel 18 van de WPO geeft een regeling voor de
          samenwerkingsverbanden.</al><al>Ad q Regionale verwijzigingscommissie</al><al>De regionale verwijzingscommissie heeft op grond van artikel 10g van de WVO tot taak te
          beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is.</al><al>Ad r Opdc</al><al>Opdc: orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening bedoeld om
          leerlingen extra zorg te geven. Op een opdc kan ook onderwijs gegeven worden, maar de
          leerlingen blijven ingeschreven op een school voor voortgezet onderwijs.</al><al>Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc en aanspraak maken op vervoer op
          basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar het opdc.
          Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen aan een opdc en gedeeltelijk aan een school
          voor voortgezet onderwijs, kunnen alleen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar
          de school voor voortgezet onderwijs.</al><al>Ad s Ambulante begeleiding</al><al>Een ambulante begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs en geeft
          ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet
          onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante begeleider van gehandicapte leerlingen in het
          reguliere onderwijs, voor wie een aanvraag leerlingenvervoer wordt ingediend, advies
          vragen over de vervoersbehoefte van die leerlingen.</al><al>Ad t Commissie voor de indicatiestelling</al><al>Elk kind dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden geïndiceerd. De
          commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand van onafhankelijke landelijke
          criteria of een leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden financiering en in welk
          cluster de leerling wordt geplaatst.</al><tussenkop>Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
          vervoerskosten</tussenkop><al>In de modelverordening worden de aanspraken van de ouders op gehele of gedeeltelijke
          bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs,
          speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs vastgelegd. Indien
          het college het vervoer zelf laat verzorgen, kan het van ouders, die voor bekostiging van
          de vervoerskosten in aanmerking komen, verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik
          maken Tevens kan zij van ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
          vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen aan het vervoer van hun
          leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de modelverordening).</al><al>De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van
          leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs
          bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en
          de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of nalatig zijn met betrekking tot de
          ingevolge de verordening te betalen bijdrage, leidt dit tot het vervallen van de aanspraak
          op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje),
          tot stopzetting van het vervoer. Het behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast
          vervoer afspraken kunnen worden gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop
          mogelijke wijze van aangepast vervoer te organiseren. Tevens komt in artikel 2, tweede
          lid, tot uitdrukking dat het eventuele drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het
          inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer.</al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle
          gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde lid, van de modelverordening is deze
          verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de
          ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de
          gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al>In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf
          een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in plaats van de ouders/verzorgers.</al><tussenkop>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</tussenkop><al>Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is dat de
          gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college bij de uitvoering
          daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze voor een school
          dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen
          onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. In de verordening is dit
          verankerd in artikel 3. Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de afstand
          tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school. Als
          dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt: de school die naar afstand het dichtstbij
          gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare,
          veilige weg.</al><al>Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs: de school
          van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare
          school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs wordt hier nog een tweede criterium
          aan toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn
          lichamelijke of geestelijke toestand. De hier bedoelde soorten zijn schooltypen zoals
          vermeld in artikel 2 van de WEC en artikel 5 van de WVO. Op grond van de WPO dient voor de
          speciale scholen voor basisonderwijs het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
          school in het samenwerkingsverband te worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de
          modelverordening.</al><al>Scholen met wachtlijsten</al><al>Het spreekt voor zich dat op een toegankelijke school wel ruimte voor de leerling moet
          zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Indien de dichtstbijzijnde school
          niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een wachtlijst bestaat, dient bekostiging
          plaats te vinden naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De
          aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een
          wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school.</al><al>Indien de wachtlijst is opgelost - de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te
          informeren - kan de bekostiging beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school,
          aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit is ongeacht of de leerling vanaf dat
          moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken: ouders zijn vrij om hun
          kind naar elke school van hun keus te laten gaan, echter in het kader van het
          leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoerskostenvergoeding voor de dichtstbijzijnde,
          toegankelijke school te worden verstrekt.</al><al>Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging afwijst in
          verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen school van (de aangewezen soort en
          van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat de leerling daadwerkelijk kan worden
          toegelaten tot die school. Hierbij kan nog worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe
          school met slechts een leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit
          groep 3 en verder niet toegankelijk is.</al><al>De leerling zal, indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende dichtstbijzijnde
          school, moeten uitzien naar een andere school. Deze school is dan aan te merken als de
          dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een dergelijk geval dient bekostiging van
          vervoer te worden verstrekt, naar deze andere (dichtstbijzijnde) school.</al><al>Stagevervoer</al><al>Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en krijgt de leerling dagelijks
          leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in beginsel aanspraak op leerlingenvervoer
          naar het stageadres. Dit is dan immers aan te merken als de ‘dichtstbijzijnde
          toegankelijke school’. De gemeente kan scholen er op attenderen dat stageplaatsing
          financiële gevolgen kan hebben voor gemeenten. Scholen kunnen dit aspect mee laten wegen
          in de plaatsing van leerlingen door bijvoorbeeld een stageplek te zoeken op de route van
          het leerlingenvervoer.</al><al>Hoogbegaafde kinderen en ‘toegankelijke school’</al><al>Ten aanzien van hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig geconfronteerd met
          aanvragen tot bekostiging van het vervoer naar scholen die zich richten op dit type
          kinderen.</al><al>In 2001 heeft de rechter een uitspraak hieromtrent gedaan over een zaak die speelde in
          Emmen. De gemeente Emmen wees een soortelijk verzoek af, omdat er voldoende
          onderwijsvoorzieningen zijn die dichterbij gelegen zijn. Men vond geen reden de
          hardheidsclausule toe te passen. Met de gemeente was de rechtbank van mening dat de
          aanvrager niet heeft aangetoond dat dichter bijgelegen scholen niet geschikt zouden zijn.
          De rechter merkte op dat zelfs als bewezen zou zijn dat deze school ongeschikt is, dit nog
          niet meebrengt dat er aanspraak op een vervoersvoorziening zou kunnen zijn naar de verder
          weg gelegen school. Het staat immers niet objectief vast dat deze school voor de leerling
          wèl geschikt is en of dit dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. De rechter
          vindt het dan wel mede op de weg van de gemeente liggen om aan te geven welke dichterbij
          gelegen school geschikt is.</al><al>Onderwijsrichting</al><al>In de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer is
          uitgebreid aandacht besteed aan de richting van het onderwijs. Om alle twijfels weg te
          nemen dat de afstand die voor bekostiging in aanmerking komt maximaal betrekking heeft op
          de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde
          toegankelijke school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting is,
          door middel van een Vierde nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr. 21) in de relevante
          artikelen expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde voor de
          leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer met betrekking tot een verder weg
          gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen, en de ouders met
          het vervoer naar die school instemmen.</al><al>Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school bezoekt die, met
          voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de
          leerling is verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft tot de kosten verbonden
          aan het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de woning gelegen school. Dit is
          echter geen verplichting. Het college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te
          verstrekken indien vervoer aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven ongeacht het
          aantal leerlingen dat van dat vervoer gebruik maakt.</al><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de
          leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet
          meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen
          dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt
          hetzelfde.</al><al>Het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ heeft geleid tot veel jurisprudentie. Aanvankelijk
          beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over het al dan niet doen toekennen van een
          vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde ‘klassieke richtingenbestand’. Kenmerkend
          hierbij is dat het gaat om stromingen van levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook
          bijzonder onderwijs op algemene grondslag is hierbij als richting aan te merken.</al><al>In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs, tot het
          klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend worden: scholen voor
          (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor protestants-christelijk onderwijs, scholen voor
          gereformeerd (vrijgemaakt) onderwijs (KB 28 december 1960, nr. 95; zie Jur 5.1), scholen
          voor reformatorisch onderwijs, scholen voor algemeen bijzonder onderwijs (KB 15 december
          1948, nr. 37; zie Jur. 5.2). Daarnaast kunnen in het christelijk onderwijs, wat betreft
          het leerlingenvervoer, de volgende richtingen worden onderscheiden: gereformeerde
          schoolvereniging, scholen met den bijbel, christelijk-nationaal, hervormd. In
          jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen als een afzonderlijke
          richting aangemerkt (RvS 11-2-97, AB 1998, 28).</al><al>Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te merken. Gezien de
          statuten van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan dat ook zij een eigen richting
          vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor Hindoeïstische scholen.</al><al>Interconfessioneel onderwijs</al><al>Hieronder wordt verstaan onderwijs dat is gebaseerd op verschillende
          geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn meestal ontstaan uit de fusie van
          een protestante en een katholieke school. Gezien de statuten van deze scholen wordt dit
          type onderwijs niet als aparte richting ten opzichte van andere confessionele scholen
          aangemerkt.</al><al>‘Vrije scholen’</al><al>Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische wijsbegeerte en met name
          de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden een bepaalde richting in het
          onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen
          mens- en wereldbeschouwing (KB 18 juni 1980, nr. 32; zie Jur. 5.3). De vrije school is in
          Nederland bekend onder namen als Rudolf Steinerschool, Parcivalschool en de
          Zonneschool.</al><al>Overige scholen</al><al>Niet tot het begrip ‘richting’ wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige methode van
          een school. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen,
          Daltonscholen en Freinetscholen. Deze scholen baseren hun identiteit op de
          onderwijskundige inrichting van de school en niet op de godsdienstige of
          levensbeschouwelijke richting.</al><al>Montessorischolen c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante signatuur zijn. Dit
          betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen een ‘reguliere’ katholieke
          basisschool en een katholieke Montessorischool, etc. Relatief nieuw zijn de zogenaamde
          ‘Iederwijsscholen’. Dit zijn particuliere scholen die sinds 2000 op verschillende plaatsen
          in Nederland gestart zijn. In het algemeen worden deze scholen erkend als ’scholen’ in de
          zin van de onderwijswetten. De identiteit van de school lijkt meer geënt op de
          onderwijskundige inrichting, dan een godsdienst of levensovertuiging. Er is geen
          jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat er sprake is van een afzonderlijke richting.</al><al>Verklaring van bezwaar</al><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de modelverordening dienen ouders, indien een
          leerling een school voor basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan bepaald in de
          modelverordening, terwijl zich dichterbij andere (openbare en bijzondere) basisscholen
          bevinden, schriftelijk te verklaren, dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het
          openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen bijzondere
          basisscholen.</al><al>Een verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het bijzonder
          onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de onderwijskundige methode
          die op de school gehanteerd wordt. Sinds de totstandkoming van onderwijswetgeving met
          betrekking tot de vrijheid van onderwijs, is het oordeel over de bezwaren, die aan de
          richting van het onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden:
          het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting
          inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze gedragslijn in de
          jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk geval neemt de Afdeling
          Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dat niet de richting van het onderwijs, maar
          de kwaliteit daarvan, de keuze van de ouders heeft bepaald, in tegenstelling tot de door
          de ouders afgelegde verklaring inzake hun bezwaar tegen de overige richtingen en het
          openbaar onderwijs (ABRS, 10 april 1989, R03.87.2455/98-86; zie Jur. 21.1. ABRS, 2 januari
          1992, R03.89.0685/72-107; zie Jur. 5.7).</al><al>Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast. Aangetoond dient te worden
          dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de letter van hun verklaring kennelijk niet
          de richting van het onderwijs betreffen. Zelfs indien ouders hun kinderen aanvankelijk
          naar een openbare basisschool sturen, vervolgens naar een katholieke basisschool en
          uiteindelijk wederom naar een openbare basisschool, geeft de Voorzitter van de Afdeling
          Bestuursrechtspraak de ouders het voordeel van de twijfel (ABRS, 24 maart 1988,
          R03.88.0917/S526098.00). Ook indien ouders hun kind pas op twaalfjarige leeftijd naar de
          school met de door hen gewenste richting sturen, dient het college de verklaring van de
          ouders, dat zij tegen de overige richtingen en tegen het openbaar onderwijs bezwaar hebben
          te respecteren, zeker nu de ouders aangaven dat zij hun kind aanvankelijk te jong achtten
          om de afstand naar de gewenste school te overbruggen (ABRS, 17 februari 1989,
          R03.89.0286/S5137-58; zie Jur. 5.6). Ook het feit dat kinderen uit hetzelfde gezin scholen
          van diverse richtingen bezoeken levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat de ouders
          hun keuze kennelijk niet met het oog op de richting van het onderwijs hebben bepaald
          (ABRS, 9 december 1989, R03.87.2975/72-86; zie Jur. 5.5).</al><al>Speciaal onderwijs</al><al>Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het bovenstaande slechts
          van toepassing is op dichterbij gesitueerde scholen van de soort waarop de leerling is
          aangewezen.</al><al>In dit kader is van belang dat de Afdeling Bestuursrechtspraakheeft bevestigd dat voor
          het antwoord op de vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling is aangewezen
          slechts een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de WEC) onderscheiden soorten
          (ABRS, 2 januari 1992, R03.88.4075 en R03.89.160/62-129; zie Jur. 21.2). ‘Binnen die
          soorten is geen nadere onderverdeling aangebracht op basis waarvan onderscheid tussen
          (...) scholen (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door de ouders wordt aangetoond -
          met name via deskundigenrapporten - dat niet de dichtstbij gelegen school van de gewenste
          richting en de aangewezen soort geschikt is maar een verder gelegen school, neemt de
          Afdeling aan dat de leerling op deze verder gelegen school feitelijk is aangewezen, en is
          er voor het college aanleiding te bezien of met toepassing van de hardheidsclausule het
          vervoer naar de verder gelegen school dient te worden bekostigd.</al><al>Op grond van de Wet leerlinggebonden financiering kunnen leerlingen die geïndiceerd zijn
          voor (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor het regulier onderwijs. Leerlingen
          die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs gaan, titel 3 van de modelverordening, maken
          onverminderd aanspraak op leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen (zeer
          moeilijk opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische
          instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek)) geldt dat zij recht
          hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor de indicatiestelling
          (cvi) een advies heeft afgegeven. Artikel 4, vijfde lid WEC bepaalt namelijk dat de
          cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft afgegeven, wordt aangemerkt als de
          dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit geldt zolang de leerling woont in het gebied
          van het regionaal expertisecentrum waar voornoemde commissie aan is verbonden.</al><al>Voorbeeld 1</al><al>School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer afstand van de
          woning van de leerling.School B is een protestants-christelijke basisschool en ligt op
          drie kilometer afstand van de woning van de leerling. Indien de ouders nu schriftelijk
          verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van de school die dichterbij
          gelegen is (i.c. school B), verstrekt het college bekostiging voor het vervoer van de
          leerling naar school A.</al><al>Voorbeeld 2</al><al>Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder basisonderwijs op drie kilometer
          afstand van de woning. De ouders besluiten dat de leerling naar een andere basisschool van
          dezelfde richting gaat, gelegen op zes kilometer afstand van de woning. In dit geval
          verstrekt het college geen bekostiging voor het vervoer naar deze basisschool op zes
          kilometer afstand (immers, het is niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school). Of
          bekostiging plaatsvindt naar de basisschool op drie kilometer afstand, is afhankelijk van
          de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al>Voorbeeld 3</al><al>Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school op zeven kilometer afstand
          van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een nieuwe gereformeerde (vrijgemaakt)
          basisschool gesticht. In principe vervalt de bekostiging van de vervoerskosten naar de
          school op zeven kilometer afstand. Het is immers niet meer de dichtstbijzijnde
          toegankelijke school.</al><al>Hierbij is echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de gangbare
          opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren reëel indien daarmee
          het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke overgangsperiode vervalt dan
          de bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand van de
          woning.</al><al>Indien de ouders beslissen om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen school te
          sturen, vervalt de bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe school bezoekt. Of
          er dan bekostiging plaatsvindt naar de nieuwe basisschool, is afhankelijk van de door de
          gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al>Voorbeeld 4</al><al>Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand van de woning.
          Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in dezelfde gemeente, waardoor
          de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde school voor openbaar onderwijs is. De
          bezochte school ligt nu op een afstand van acht kilometer. In principe bestaat geen
          aanspraak meer op bekostiging naar deze school. Echter, indien de ouders voornemens zijn
          de leerling toch op de verder weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke
          overgangsperiode voor de hand te liggen. Het college kan dan overwegen - indien daarmee
          het belang van de leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor het resterende
          schooljaar. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij gelegen school is
          afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al>Voorbeeld 5</al><al>Een leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale school voor basisonderwijs op
          zes kilometer afstand van de woning terwijl een rooms-katholieke speciale school voor
          basisonderwijs en een protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd
          (respectievelijk op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging
          van de vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende bezwaren
          te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke school (i.c. de
          rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs).</al><al>De protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de leerling
          is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen toegankelijke
          school.</al><al>Voorbeeld 6</al><al>Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer afstand van de woning.
          Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool gehuisvest, terwijl er dichterbij
          gelegen scholen voor bijzonder basisonderwijs aanwezig zijn. Het college verstrekt
          bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zes kilometer afstand van de woning,
          indien de ouders schriftelijk hebben verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de
          richting van deze dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes kilometer
          afstand is immers aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al>Voorbeeld 7</al><al>Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is een reformatorische
          basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een reformatorische basisschool op acht
          kilometer afstand van de woning omdat op deze school godsdienstonderwijs wordt gegeven
          volgens een bepaalde modaliteit, die niet tot uitdrukking komt in de dichterbij gelegen
          reformatorische school. In dit geval bekostigt het college niet de kosten van het vervoer
          naar de school, gelegen op een afstand van acht kilometer.</al><al>Of bekostiging plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie kilometer afstand
          is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al>Voorbeeld 8</al><al>Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs
          op twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling, omdat de onderwijskundige
          methode van die school geschikter blijkt voor de leerling dan de onderwijskundige methode
          die gehanteerd wordt op de vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs,
          gelegen op een afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college
          verstrekt een eventuele bekostiging voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf
          kilometer afstand.</al><al>Voorbeeld 9</al><al>Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor basisonderwijs binnen het
          samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, terwijl er
          buiten het samenwerkingsverband een dichterbij de woning van de leerling gelegen
          toegankelijke openbare speciale school voor basisonderwijs is. Het college verstrekt
          bekostiging naar de school binnen het samenwerkingsverband (zie artikel 9 van de
          modelverordening).</al><al>Voor alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met
          toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan verstrekken
          indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is.</al><tussenkop>Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging</tussenkop><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting voor de burger is het wenselijk dat het aantal
          aanvragen zo veel mogelijk wordt beperkt. In dat kader verdient het de aanbeveling om als
          gemeente te bezien of het passend en mogelijk is om voor de gehele schoolperiode de
          bekostiging toe te wijzen. Wanneer te verwachten valt dat er geen verandering optreedt in
          de situatie van de leerling en deze dus aan de geldende criteria blijft voldoen, is het
          wenselijk te kiezen voor een verstrekking voor de gehele schoolperiode.</al><al>Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de bekostiging direct door te
          geven aan het college. Het is raadzaam aanvragers nadrukkelijk te wijzen op het feit dat
          ten onrechte genoten bekostiging kan worden teruggevorderd, dan wel kan worden verrekend
          (zie ook artikel 6).</al><al>Indien er in de situatie van de leerling echter verbetering of verandering valt te
          verwachten, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een termijn van één
          schooljaar (of een beperkt aantal schooljaren). Hierbij kan worden gedacht aan de noodzaak
          van het passend vervoer: deze kan per jaar sterk veranderen en dient dus jaarlijks opnieuw
          te worden bekeken.</al><al>Nota bene: De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient de
          aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de bekostiging voor
          een langere periode verstrekt. Dit zou kunnen vervallen als de gemeente op termijn bij de
          belastingdienst de inkomensgegevens kan opvragen.</al><al>Vanwege het creëren van beleidsruimte is in artikel 4 van de modelverordening bepaald,
          dat het college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de termijn van de
          bekostiging bepaalt. In de beschikking dient deze termijn wel aangegeven te worden. De
          gekozen formulering van artikel 4 van de modelverordening laat zoals gezegd de ruimte om
          per geval de termijn van de bekostiging te bepalen. Stelt de gemeenteraad zich echter op
          het standpunt dat de bekostiging te allen tijde tot het einde van het aangevraagde
          schooljaar dient te lopen, verdient het aanbeveling om de verordening in die zin aan te
          passen.</al><al>Tevens dient het college bij verstrekking van bekostiging de wijze en het tijdstip van
          uitbetaling te bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te worden of:</al><lijst><li nr="·"><al>- de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al></li><li nr="·"><al>- de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis, dan wel
              via een vast termijnbedrag achteraf geschiedt;</al></li><li nr="·"><al>- de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast vervoer, rechtstreeks aan
              de vervoersonderneming geschiedt.</al></li></lijst><al>Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van betalen
          veel verschillende varianten laat zien, is in de modelverordening geen expliciete keuze
          gemaakt. Afhankelijk van de lokale gewoonte of de lokale wensen kan hieraan invulling
          worden gegeven. Wel kan in dit verband opgemerkt worden dat bekostiging op
          declaratiebasis, bijvoorbeeld door het overleggen van strippenkaarten of
          maandabonnementen, de betrouwbaarste indicator is.</al><tussenkop>Artikel 5 Aanvraagprocedure</tussenkop><al>Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen, dienen zij hiertoe een
          aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt hiervoor een (digitaal)
          aanvraagformulier beschikbaar gesteld. Het is wenselijk om de aanvraag zo eenvoudig
          mogelijk te maken. In dit kader kan worden gedacht aan een voorgedrukt, dan wel deels
          ingevuld aanvraagformulier. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van gegevens van voorgaande
          jaren, die reeds bekend zijn bij de gemeente. De aanvrager kan dan volstaan met het
          controleren van vermelde gegevens, het doorgeven van de noodzakelijke wijzigingen en het
          zetten van zijn handtekening. Hierdoor blijven de administratieve lasten voor de burger
          beperkt.</al><al>In artikel 5 van de modelverordening zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de
          aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:</al><lijst><li nr="·"><al>1. indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de aanvraag
              voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te worden;</al></li><li nr="·"><al>2. indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de aanvraag
              gedurende het schooljaar worden ingediend.</al></li></lijst><al>Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe schooljaar</al><al>Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn dat een
          leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook continuering van
          het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bij de
          ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt artikel 5, tweede lid, van de
          modelverordening dat de ouders, die in aanmerking wensen te komen voor bekostiging van de
          vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de
          gemeente moeten indienen.</al><al>Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
          aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar
          gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de - in
          voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van onderzoek.</al><al>Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het college op grond
          van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het nieuwe schooljaar de tijd een
          besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven. De aanvraag dient dan wel juist en
          volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn van de noodzakelijke bijlagen.</al><al>Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te verwachten
          stormloop van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken. In dit kader zij erop
          gewezen dat gemeenten met ingang van de jaarrekening 2004 geconfronteerd zijn met een
          rechtmatigheidoordeel van de accountant. Deze beoordeelt of baten, lasten en
          balansmutaties in de jaarrekening in overeenstemming met relevante wet- en regelgeving tot
          stand zijn gekomen. Aanvragen die na 1 juni binnenkomen kunnen door de accountant als
          onrechtmatig worden beoordeeld.</al><al>Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de modelverordening kan het voorkomen dat
          de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de gemeente. Hiervan kan
          bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een vakantiepiek, indien het gevraagde oordeel
          van de commissie van onderzoek of andere deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van
          een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten
          hoogste vier weken verdagen (artikel 5, vijfde lid, van de modelverordening). Uiterlijk
          een dag voor het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende
          aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn
          onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van
          de commissie van onderzoek, is het van belang dat er toch een beschikking wordt afgegeven.
          In een dergelijk geval ligt het voor de hand een beschikking te geven, zonder bijvoorbeeld
          het advies van de commissie van onderzoek af te wachten. Dit is dan ook geregeld in
          artikel 16, derde lid.</al><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van
          de Awb). De termijnen die in artikel 5 van de modelverordening zijn opgenomen zijn
          inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers
          bekend te maken. Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een
          beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen
          acht weken geen beschikking heeft gegeven.</al><al>Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier weken)
          overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb
          daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In het onderhavige geval is het bezwaar en
          beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar-
          of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend
          (artikel 6:12, derde lid).</al><al>Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht weken</al><al>In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe schooljaar om welke
          reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de meeste gevallen niet haalbaar
          de beschikking voor het begin van het nieuwe schooljaar af te geven. Hetzelfde geldt in
          het geval de aanvraag - weliswaar ingediend voor 1 juni - onvolledig is of onjuist is
          ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag ook voor 1 juni bij de gemeente binnen
          is).</al><al>Wanneer de aanvraag onjuist of onvolledig is ingevuld, zullen de ouders de aanvraag
          moeten aanvullen of corrigeren. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald dat de beslistermijn
          wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of
          de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Is er sprake van een bovengenoemde
          situatie dan is artikel 5, vierde lid, van de modelverordening van toepassing. Hierin
          wordt bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van het formulier een
          beslissing neemt, nadat ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn gesteld de
          aanvraag met ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een aanvraag
          plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop van het schooljaar een
          leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld van basisonderwijs naar speciaal
          onderwijs), of wel dat het kind in de loop van het jaar verhuist en daardoor een andere
          gelijksoortige school gaat bezoeken.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart
          1992 (R03.88.7294/83-129; zie Jur. 21.3) staan de gevolgen van een verhuizing centraal.
          Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders wijst op de noodzaak een aanvraag
          bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag van de ouders worden verwacht dat zij
          onverwijld - maar uiterlijk binnen een week na de berichtgeving van de voormalige
          woongemeente - een aanvraag bij de nieuwe woongemeente indienen. Bij latere indiening is
          de nieuwe woongemeente niet gehouden om de kosten van vervoer in de periode vanaf een week
          na de mededeling van de oude woongemeente tot aan de uiteindelijke indiening van de
          aanvraag bij de nieuwe woongemeente te bekostigen.</al><al>Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de afwikkelingstermijnen niet
          haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt dan ook de verdaging van de termijn
          met vier weken. Dezelfde criteria en sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld.</al><al>Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep een positieve
          beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van welke datum de bekostiging wordt
          verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het college de ingangsdatum van de
          bekostiging bepaalt. In het geval een aanvraag voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan,
          zal de ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de eerste schooldag van
          het nieuwe schooljaar (artikel 5, zesde lid, onder a). Hieronder dient dan de werkelijke
          start van het schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De
          bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk
          plaatsvindt.</al><al>Geen bekostiging met terugwerkende kracht</al><al>Indien de aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht zal de
          ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier
          verzochte datum van ingang, echter niet voor de datum waarop de aanvraag wordt gedaan
          (artikel 5, zesde lid, onder b) (de datum van ontvangst). Het spreekt voor zich dat de
          gemeente haar burgers in algemene zin dient te informeren omtrent eventuele rechten op
          bekostiging van leerlingenvervoer.</al><al>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag</al><al>Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in het algemeen
          de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te schrijven. Artikel 4:15 van
          de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de
          ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
          verstreken.</al><al>Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen
          (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een medische verklaring,
          werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der belasting, verklaring van
          overwegende bezwaren en eventuele andere bewijsstukken.</al><al>Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te overleggen,
          indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling van de aanvraag. Of
          gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste beoordeling wordt door het college
          bepaald. Uiteraard dient het begrip ‘juist’ redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium
          is: gegevens die van invloed zijn op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te
          zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.</al><al>Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt
          het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de
          verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier
          weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het
          college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5,
          eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid van de Awb, dient in een
          voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in
          behandeling wordt genomen.</al><al>Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad
          van State (9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535; zie Jur. 8.1) wordt duidelijk dat
          gemeenten bij een afwijzende beschikking zich niet louter kunnen beroepen op een onjuist
          dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede
          moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is. De voorzitter overweegt
          het volgende: ‘Wij stellen voorop dat, hoewel is gebleken dat het aanvraagformulier voor
          de in geding zijnde reiskostenbekostiging onjuist dan wel onvolledig is ingevuld, de
          kennelijk bedoeling van verzoeker, gezien de aanvragen van de voorafgaande jaren,
          duidelijk is. Derhalve beschouwen wij de aanvraag als zijnde correct gedaan.’ Bij het in
          behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op de kennelijke
          bedoeling van de aanvrager zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken
          is.</al><al>Verdagen</al><al>Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college de mogelijkheid om de beslissing op de
          aanvraag met vier weken te verdagen. Een beslissing van een bestuursorgaan om een
          beslissing te verdagen is een beschikking in de zin van de Awb. Dit betekent onder andere
          dat het bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te motiveren (artikel 4:16 van de
          Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende bekend gemaakt dient te worden (artikel
          3:41 van de Awb).</al><tussenkop>Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Artikel 6, eerste lid, van de modelverordening regelt dat ouders verplicht zijn
          wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op de verstrekte
          bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen dergelijke wijzigingen onverwijld mede te
          delen aan het college.</al><al>Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere:</al><lijst><li nr="·"><al>- wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld het openbaar
              vervoer;</al></li><li nr="·"><al>- wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld verhuizing;</al></li><li nr="·"><al>- wijziging van de gezinssamenstelling;</al></li><li nr="·"><al>- wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet begeleiden
              van leerlingen;</al></li><li nr="·"><al>- wijziging van het adres van de school;</al></li><li nr="·"><al>- wijziging van de schooltijden van de school;</al></li><li nr="·"><al>- wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal
              onderwijs);</al></li><li nr="·"><al>- toekenning van bekostiging op grond van de Wet WIA , of op grond van andere wet en
              regelgeving.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de verstrekte bekostiging
          in en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten (artikel
          6, tweede lid, van de modelverordening). Indien de wijziging geen invloed op de
          bekostiging heeft gebeurt dit uiteraard niet. Wijziging in het inkomen van ouders van
          leerlingen die een school voor basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs
          volgen heeft in principe geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het
          desbetreffende jaar. Indien echter sprake is van een structurele wijziging in het inkomen
          van de ouders die voor hen ernstig nadelig is, kan het college vooruitlopend op het
          volgende schooljaar de bekostiging aanpassen. Indien het college, zonder hiervan door de
          ouders onverwijld op de hoogte te zijn gesteld, zelf wijzigingen vaststelt die van invloed
          kunnen zijn op de bekostiging, kan het zijn dat ouders ten onrechte bekostiging (hebben)
          ontvangen.</al><al>Lid 4</al><al>Artikel 6, vierde lid, van de modelverordening biedt in dergelijke situaties een kapstok
          om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in mindering te brengen bij
          eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. Ook in onderhavige gevallen geldt immers dat
          nadat de wijziging is vastgesteld de bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt
          verstrekt. De beslissing dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt (artikel 3:41
          Awb).</al><tussenkop>Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling</tussenkop><al>Aangezien in de modelverordening het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een
          van de volumebeperkende middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in aanmerking te
          komen voor vervoer onder begeleiding, verdient het aanbeveling een peildatum van de
          leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de leerling in aanmerking komt voor openbaar
          vervoer onder begeleiding en in de verordening is geen peildatum gekozen, zal in dat
          schooljaar waarin de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, tweemaal een beschikking
          dienen te worden afgegeven, namelijk voor de periode dat de leerling nog acht jaar is en
          voor de periode dat de leerling de leeftijd van negen jaar heeft bereikt. Een dergelijke
          handelwijze houdt nogal wat extra administratieve werkzaamheden in.</al><al>In de modelverordening (artikel 7) is dan ook gekozen voor een peildatum die geldt voor
          het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1 augustus van het betreffende
          schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de wettelijke start van het schooljaar. Deze
          bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht
          jaar is, hij in het kader van de modelverordening het gehele schooljaar als acht jaar
          wordt aangemerkt (ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar). Er hoeft
          dan ook maar 1 beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.</al><al>Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke leeftijdsgrens
          niet opgenomen. Het recht op leerlingenvervoer staat verder in geen relatie tot een
          bepaalde leeftijdgrens. Inschrijving bij een WPO, WEC of WVO school volstaat.</al><tussenkop>Artikel 8 Andere vergoedingen</tussenkop><al>Indien kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg
          (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar
          school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou
          hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor
          vergoedingen die worden verstrekt door de IB-groep op basis van de Wet tegemoetkoming
          onderwijsbijdrage en schoolkosten, die ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet
          onderwijs kunnen aanvragen. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten,
          zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en is niet puur bestemd voor reiskosten. Deze
          vergoeding mag daarom niet worden afgetrokken van de bekostiging leerlingenvervoer.</al><tussenkop>Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor
          basisonderwijs in het samenwerkingsverband</tussenkop><al>Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de modelverordening. Voor alle
          onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4 van de WPO
          bepaalt voor speciale scholen voor basisonderwijs echter dat het vervoer naar de
          dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband dient te worden bekostigd. Dat zal
          veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te
          zijn omdat buiten het samenwerkingsverband een dichterbij gelegen speciale school kan
          zijn. Deze regeling is door de wetgever getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen het
          eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij de regeling voor basisscholen wordt
          bij het toekennen van een voorziening voor leerlingenvervoer rekening gehouden met de
          toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst of levensbeschouwing berustende
          keuze van de ouders. In artikel 9 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling
          afkomstig is. Dit is op grond van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde
          toegankelijke basisschool. Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast
          geldt als gevolg van de verwijzing naar artikel 3 van de modelverordening bij toepassing
          van onderdeel b ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.</al><tussenkop>Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg</tussenkop><al>In de WPO wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak opgedragen om
          een besluit te nemen over de toelating van een leerling tot een speciale school voor
          basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor
          leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door het samenwerkingsverband
          aan de pcl adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat is gebeurd dient het college het
          advies van de commissie bij de beoordeling te betrekken. Omdat het een advies betreft, is
          het college daaraan echter niet gebonden. Om de bestuurslast beperkt te houden is bepaald,
          dat het advies van de pcl alleen moet worden betrokken, als het college een negatieve
          beschikking op de gevraagde voorziening geeft.</al><tussenkop>Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
          fiets</tussenkop><al>Artikel 11 van de modelverordening bepaalt dat de ouders van leerlingen die een school
          voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken, in aanmerking
          kunnen komen voor bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer dan wel
          vervoer per fiets, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de
          leerling toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt.</al><al>Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt verstrekt.
          Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding,
          gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij dienen in overweging te worden
          genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele handicap van de leerling, de veiligheid
          van de af te wijken route en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor
          bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken en voor de overige maanden
          bekostiging voor ander passend vervoer.</al><al>In artikel 11 van de modelverordening zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om ouders
          aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als
          uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het
          vervoer per fiets’.</al><al>Afstandscriterium</al><al>De artikelen 4 van de WPO en de WEC bepalen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen
          dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. In de modelverordening
          is deze afstand nader ingevuld door het stellen van een kilometergrens. Als
          afstandscriterium wordt in de modelverordening zes kilometer gehanteerd. In artikel 4,
          zevende lid, van de WPO is deze afstand als bovengrens vastgelegd.</al><al>In de uitspraak van 27 december 1989 (R03.88.7309; zie Jur. 1.4) heeft de Afdeling
          Bestuursrechtspraak van de Raad van State duidelijkheid verschaft over de wijze waarop de
          afstand tussen school en woning bepaald moet worden. Als er een klein verschil (minder dan
          enkele honderden meters) bestaat tussen de meting van de afstand door de ouders en de
          gemeente, dan kan niet volstaan worden met het meten van de afstand door een
          auto-dagteller. In dit geval dient een methode gebruikt te worden waardoor de exacte
          afstand kan worden bepaald, bijvoorbeeld door middel van het gebruik van een geijkte
          teller, of een recente versie van een routeplanner of navigatiesysteem.</al><al>Van belang is tevens dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in
          dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de afstand niet mag worden
          uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg (’s morgens) en de terugweg (’s
          middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder de in de verordening gestelde grens
          ligt doch de reisafstand op de terugweg daarboven - of omgekeerd - dan ligt het naar het
          oordeel van de afdeling veeleer in de rede dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen
          de heen- dan wel de terugreis - wordt verstrekt.</al><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de wet niet
          mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste
          lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor de hand liggend onderscheid in afstand voor
          jongere en oudere kinderen is niet mogelijk.</al><al>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel</al><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de gemeente naast
          de vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee andere volumebeperkende
          maatregelen ter beschikking ter regulering van de vervoerskosten, namelijk een
          drempelbedrag en het toepassen van het draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer
          van leerlingen naar speciale scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag
          geheven worden, maar is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk. Zie
          verder de toelichting bij artikel 23 en 24.</al><al>Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen</al><al>Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de modelverordening bepalen dat het college
          bekostiging verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de afstand van de woning
          van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor
          basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
          voortgezet onderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes
          kilometer.</al><al>Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of
          slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de
          modelverordening leerlingenvervoer dienen te worden beschouwd. Deze vraag zal zich in de
          praktijk vaker voordoen door met name de schaalvergrotingsoperatie (T en B) in het
          basisonderwijs. Door deze operatie is het aantal dislocaties toegenomen en zijn
          zelfstandige scholen omgevormd tot nevenvestigingen.</al><al>Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht bij de
          regelgeving inzake de huisvesting en materiele instandhouding in het primair onderwijs,
          alsmede bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel 15, eerste lid van de
          modelverordening leerlingenvervoer. Als uitgangspunt geldt dan dat de feitelijke locatie
          die door de leerling wordt bezocht als school kan worden beschouwd in de zin van de
          verordening.</al><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:</al><al>1.Nevenvestiging in het basisonderwijs.</al><al>Een nevenvestiging wordt in termen van de WPO (artikel 1) beschouwd als een deel van de
          school op de plaats waar voor de vorming van de nevenvestiging een zelfstandige school
          functioneerde. De eigen wettelijke positie van een nevenvestiging komt onder andere tot
          uiting in een afzonderlijke normstelling voor de instandhouding, in een afzonderlijke
          regeling voor de rijksbekostiging van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van
          de hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de nevenvestiging een afzonderlijke
          leerlingadministratie bij te houden.</al><al>Gelet op het voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het voor de
          hand een nevenvestiging als een school in de zin van de verordening te beschouwen.</al><al>2.Dislocaties in het primair onderwijs.</al><al>Een dislocatie kan, gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt, eveneens als een school
          in de zin van de verordening worden beschouwd.</al><al>3.Bekostiging.</al><al>Het college verstrekt bekostiging indien de leerling de dichtstbijzijnde toegankelijke
          onderwijslocatie bezoekt, indien uiteraard aan de criteria van de verordening op het
          gebied van richting en kilometergrens wordt voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel
          de hoofdvestiging als een nevenvestiging of dislocatie bedoeld.</al><al>Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie bezoekt die
          minder ver van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk
          artikel 15 van de modelverordening, het college niet gehouden is bekostiging te
          verstrekken voor de kosten van het leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op indien de
          hoofdvestiging van de school zich wel verder weg van de woning bevindt dan de
          kilometergrens.</al><al>Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de kosten van leerlingenvervoer te
          verstrekken indien de dichtstbijgelegen onderwijslocatie van de gewenste soort en richting
          een nevenvestiging is die verder weg van de woning is gelegen dan de kilometergrens van
          artikel 11 respectievelijk artikel 15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze
          kilometergrens is gelegen.</al><al>4.Toegankelijkheid.</al><al>De bekostigingsplicht van het college tot de dichtstbijzijnde voor de leerling
          toegankelijke school kan van specifiek belang zijn indien de leerling een school bezoekt
          met een nevenvestiging of een dislocatie.</al><al>Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan het bevoegd gezag bij de
          inrichting van het onderwijs bepalen dat de hoofdvestiging en de nevenvestiging/dislocatie
          niet elk een volledig onderwijscurriculum verzorgen. Indien bijvoorbeeld de dichtstbij
          gelegen locatie een dislocatie is waar slechts onderwijs voor de d, is deze locatie voor
          een leerling uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verder gelegen dislocatie of
          hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als dichtstbijzijnde onderwijslocatie
          aangemerkt. Indien aan de overige voorwaarden wordt voldaan bekostigt het college het
          vervoer daarheen.</al><al>Verbouwing van de school</al><al>Indien een school verbouwd wordt en leerlingen op een andere locatie opgevangen worden,
          dan is het niet automatisch zo dat de gemeente alle leerlingen naar die locatie vervoert.
          Per leerling moet de verordening leerlingenvervoer van de gemeente waar het kind woont
          worden toegepast. Voor leerlingen die al in het leerlingenvervoer zitten, geldt artikel 6
          van de verordening (doorgeven van wijzigingen). Het college gaat dan opnieuw kijken of er
          aanspraak bestaat op leerlingenvervoer.</al><al>Voor leerlingen die niet in het leerlingenvervoer zitten, moet een aanvraag worden
          ingediend. De gemeente gaat deze aanvraag toetsen. Hierbij wordt (onder meer) gekeken of
          wordt voldaan aan de afstandsgrens en of het om de dichtstbijzijnde toegankelijke school
          van de soort en de richting gaat. Maken ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer, dan
          moeten zij samen met de school bekijken hoe de eventuele extra vervoerskosten worden
          opgevangen. Vaak regelen scholen vervoer tussen de oude en nieuwe locatie.</al><tussenkop>Artikel 12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
          begeleider</tussenkop><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is zelfstandig
          met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere ‘oudere’ leerlingen zijn die
          de leerling kunnen begeleiden, is deze begeleiding een verantwoordelijkheid van de ouders.
          In artikel 12 van de modelverordening is daaromtrent een regeling getroffen.</al><al>Uit artikel 12 blijkt:</al><lijst><li nr="·"><al>- dat de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer moet zijn om
              voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een begeleider in aanmerking te
              komen;</al></li><li nr="·"><al>- dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de leerling jonger
              dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling gaat ervan uit dat een leerling van
              negen jaar en ouder in principe zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan
              maken. Is dat in een incidenteel geval niet zo, dan kan op grond van artikel 29 van de
              modelverordening een uitzondering hierop gemaakt worden.</al></li><li nr="·"><al>- In dit verband is artikel 7 van de modelverordening van belang. Indien de leerling
              op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de
              leerling als acht jaar wordt aangemerkt ook al wordt de leerling in de loop van het
              schooljaar negen jaar;</al></li><li nr="·"><al>- dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet in staat
              is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.</al></li><li nr="·"><al>- Hiervan kan onder andere sprake zijn indien: </al><lijst><li nr="o"><al>- de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te
                  maken;</al></li><li nr="o"><al>- de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen
                  moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn leeftijd, te
                  jong hiervoor is;</al></li><li nr="o"><al>- de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke punten kent
                  (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers niet mogelijk is).</al></li></lijst></li></lijst><al>Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden door eventuele
          bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer, psychologische
          verklaringen en medische verklaringen. In een aantal gevallen kan het voorkomen dat het
          bewijs moeilijk te geven is. In die gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te
          worden door het college. Het college bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of
          zelfstandig vervoer van de leerling niet mogelijk is.</al><al>Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang. Ongeacht
          wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten plaats aan de ouders van de
          leerling. Indien een begeleider (al dan niet een ouder) meer dan een leerling tegelijk
          begeleidt, geldt slechts bekostiging als ware er sprake van de begeleiding van een
          leerling. Met andere woorden, indien bijvoorbeeld een ouder drie leerlingen begeleidt met
          het openbaar vervoer, kan het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar
          vervoer ten behoeve van de begeleider drie maal plaatsvindt. Artikel 12, tweede lid, van
          de modelverordening bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een
          begeleider voor bekostiging in aanmerking komen.</al><al>In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.6924/106) van de Afdeling
          Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag in hoeverre leerlingen zelf
          kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere) leerlingen. In aanscherping op de
          algemene lijn die de afdeling hierin volgt, geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen
          van elf jaar en ouder enige begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een
          elfjarig kind niet kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere kinderen
          door moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.</al><tussenkop>Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</tussenkop><al>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de leerling die
          een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, dient
          in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden verleend. Deze uitzonderingen zijn
          in artikel 13 van de modelverordening vastgelegd.</al><al>In veel gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer zelf
          organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de draagkracht zullen dan door
          de ouders aan het college betaald moeten worden, in feite in ruil voor het aangeboden
          vervoer. Overigens geldt met name voor aangepast vervoer dat regionale samenwerking met
          andere gemeenten tot belangrijke besparingen kan leiden.</al><al>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur</al><al>Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur
          onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per
          openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt bekostiging op basis van de kosten van
          aangepast vervoer verstrekt.</al><al>Overigens is het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het criterium reistijd
          aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college kunnen eisen dat de
          totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht (in het geval dat
          het college het vervoer zelf organiseert).</al><al>Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium overschreden
          worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de conclusie wordt getrokken, dat
          de totale reisduur van die leerling met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur
          bedraagt en deze met het aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
          vervoer kan worden teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op
          bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 17
          februari 1990 (nr. R03.89.5769/SP274; zie Jur. 4.2) uitgesproken dat bij de reistijd vijf
          minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet worden. Op grond van de uitspraken
          van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 1990
          (R03.90.6236/86538) alsmede van 10 december 1992 (S03.92.3655.67; zie Jur. 4.4) kan voor
          de berekening van de reistijd per taxi tweemaal vijf minuten worden bijgeteld. Discussie
          over de exacte reistijd per openbaar vervoer kan volgens de uitspraak van de Afdeling
          Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992 (S03.92.3174; zie Jur. 4.1)
          worden vermeden door uit te gaan van de desbetreffende dienstregelingen.</al><al>In de modelverordening is een reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur. Over een
          maximale reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de Afdeling
          Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken R03.88.5039, R03.88.6089 en
          R03.88.6566) geen grond te zien voor het oordeel dat dit op zichzelf in strijd is met
          artikel 4 van de WBO (nu WPO). Niet aannemelijk is, dat bij het ontbreken van de
          mogelijkheid om bekostiging te krijgen op basis van de kosten van aangepast vervoer, bij
          een reisduur tot anderhalf uur de vrijheid van ouders om voor hun kinderen een openbare
          dan wel een bijzondere school van de door hen gewenste richting te kiezen, in
          onaanvaardbare mate onder druk kan komen te staan van financiële hindernissen.</al><al>Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders mag worden verwacht dat indien de
          omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij onderzoeken of onverkort aan de in artikel
          13, onder a, van de modelverordening weergegeven reistijd dient te worden vastgehouden. De
          hardheidsclausule in de gemeentelijke verordening biedt daartoe uitdrukkelijk de
          mogelijkheid.</al><al>In een aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de heenreis
          (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van de reistijd, terwijl dit voor de
          terugreis niet het geval is. Dit kan het geval zijn indien bijvoorbeeld op de heenreis een
          stopbus en op de terugreis een snelbus is ingezet, of indien de heenreis qua tijd niet
          aansluit bij de aanvang van de school, maar dat dit bij de terugreis wel het geval is. In
          dergelijke gevallen dient het college te besluiten, dat er bekostiging wordt verstrekt wat
          betreft de heenreis, op basis van aangepast vervoer, en voor wat betreft de terugreis op
          basis van openbaar vervoer.</al><al>Ook kan het met name bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van vervoer te
          overwegen. De leerling zou in zo’n geval gebruik kunnen maken van aangepast vervoer (dat
          ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een centraal eindpunt, en vervolgens gebruik
          kunnen maken van het openbaar vervoer om op de plaats van bestemming te komen. Een vorm
          van combinatievervoer kan zijn dat de leerling eerst met de bus naar het station gaat en
          vervolgens de trein neemt.</al><al>Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus enkele centrale opstapplaatsen (zie
          artikel 1, onder l) kent.</al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107; zie Jur. 3.5) geeft de
          Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State enige richtlijnen met betrekking tot
          centrale opstapplaatsen (buurtbussen). Hierbij dienen de leerlingen van huis naar een
          opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht. Indien hiermee een reistijd is gemoeid van
          ten hoogste dertig minuten, en indien de vertrektijden van de bus zodanig zijn afgestemd
          op de aanvangs- en eindtijden van de lessen dat er niet of nauwelijks sprake is van
          wachttijden, is deze constructie in beginsel alleszins redelijk te noemen, volgens de
          afdeling. Wanneer de leerling gelet op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer
          van huis naar de opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf voor de
          begeleiding zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in de onderhavige casus
          de leerlingen die dichterbij de school woonden dan de kilometergrens van vier kilometer
          gewend waren om in zijn algemeenheid vergelijkbare afstanden af te leggen naar reguliere
          bushalten, aldus de afdeling.</al><al>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt</al><al>In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig
          frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van
          woning naar school of vice versa. In principe kunnen de ouders dan aanspraak maken op
          bekostiging op basis van aangepast vervoer. Hierbij kan het college de volgende
          mogelijkheden overwegen:</al><lijst><li nr="·"><al>- is een combinatie van vervoer haalbaar;</al></li><li nr="·"><al>- de vervoersonderneming kan verzocht worden om wijzigingen aan te brengen in de
              dienstregeling of de mate van het openbaar vervoer, waardoor deze vervoervorm
              dienstbaar wordt voor het reizen van en naar de school;</al></li><li nr="·"><al>- het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden af te stemmen
              op de vervoertijden;</al></li><li nr="·"><al>- contact kan worden opgenomen met de rijksverkeersinspectie in het betreffende
              gebied; deze kan eventueel een adviserende en bemiddelende rol spelen;</al></li><li nr="·"><al>- tevens kan nog bezien worden of het mogelijk is andersoortig vervoer te
              organiseren tegen de kosten van openbaar vervoer.</al></li></lijst><al>Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet uitvoerbaar
          zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van de kosten van aangepast
          vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het door de gemeente verzorgde
          vervoer).</al><al>Overigens biedt artikel 13, onder b, van de modelverordening het college de mogelijkheid
          om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de fiets naar school te
          gaan. Hierbij spelen de volgende overwegingen een belangrijke rol:</al><lijst><li nr="·"><al>- is de leerling zelfstandig genoeg om met de fiets naar school te gaan;</al></li><li nr="·"><al>- is de route die de leerling af moet leggen, veilig met de fiets af te leggen. Is
              dat het geval, dan vindt een fietsbekostiging plaats (zie ook de toelichting op
              artikel 12).</al></li></lijst><al>In de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
          State van 4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een bepaling in de gemeentelijke
          verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt verleend op basis van de kosten
          van aangepast vervoer indien openbaar vervoer ontbreekt, in strijd is met de wet. Ook op
          andere gronden dan het ontbreken van openbaar vervoer kan voor ouders aanspraak bestaan op
          bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich
          voordoen indien de reistijd die met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid
          excessief lang is en het alternatief van aangepast vervoer niet.</al><al>Begeleiding door ouders</al><al>Begeleiding is primair een taak van de ouders. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf
          voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren,
          familie of anderen in te schakelen. In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de
          hardheidsclausule (artikel 29 van de modelverordening). Daarbij dient rekening te worden
          gehouden met de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over
          dit onderwerp.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 februari
          1992 (R03.90.1688/62-120) staat centraal dat de aanvragende ouders aangepast vervoer
          eisen, aangezien zij zichzelf niet in staat achten in de begeleiding van hun kinderen in
          het openbaar vervoer te voorzien. Zij motiveren deze onmogelijkheid naar het oordeel van
          de Afdeling Bestuursrechtspraak niet voldoende. De afdeling spreekt hierover uit dat het
          aan de ouders is voldoende aannemelijk te maken dat het hun onmogelijk is hun kind te
          begeleiden. In dit concrete geval eist de afdeling, gezien de cursus die de moeder volgt,
          lesroosters of andersoortige verklaringen waaruit de onmogelijkheid tot begeleiden blijkt.
          Voorts dienen de ouders volgens de afdeling aan te tonen dat hun kind niet (gedeeltelijk)
          door anderen kan worden begeleid.</al><al>De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 december
          1988 (R03.88.5983/S649265-29; zie Jur. 3.4) inzake het beroep van ouders tegen de
          afwijzende beschikking van een gemeente om aangepast vervoer toe te staan gaat verder op
          deze zaak in. De ouders stellen dat het begeleiden van hun zoon tot gevolg heeft dat zijn
          negenjarig zusje tweeëneenhalf tot vier uur per dag, mede door haar afwijkende
          schooltijden, zonder opvang moet doorbrengen. Opvang elders is volgens de ouders niet
          mogelijk. De afdeling concludeert dat verzoeker voorshands niet overtuigend heeft
          aangetoond dat de begeleiding van zijn zoon - bijvoorbeeld door in onderling overleg met
          de ouders van medeleerlingen beurtelings de kinderen naar en van school brengen - niet op
          een andere minder bezwaarlijke wijze zou kunnen plaatsvinden.</al><al>Een soortgelijke uitspraak heeft de afdeling gedaan in een geschil waarin ouders stellen
          dat begeleiding door de ouders de gezinnen voor grote problemen stelt, onder meer omdat
          een aantal van hen thuis nog niet-schoolgaande kinderen heeft, die eveneens aandacht en
          verzorging behoeven. De afdeling stelt in haar uitspraak d.d. 25 april 1989 (R0.3.87.3373)
          dat niet aannemelijk is gemaakt dat het voor appellanten onmogelijk is een zodanige
          regeling te treffen dat gedurende de afwezigheid van degenen die zorg dragen voor de
          begeleiding van de schoolkinderen door anderen op de jongere kinderen wordt gepast.</al><al>Uit de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
          State van 14 mei 1992 (R03.89.7315/P01) inzake de begeleiding door ouders blijkt het
          volgende. Appellant is van mening, dat aanspraak bestaat op aangepast vervoer in plaats
          van openbaar vervoer, omdat onder meer de begeleiding van haar kind in het openbaar
          vervoer tot een onaanvaardbare belasting van het gezin leidt, aangezien enerzijds haar
          tweede kind telkens mee moet reizen bij gebrek aan een oppas en anderzijds de reistijd
          voor de begeleider onaanvaardbaar lang is. De Voorzitter bepaalt dat, hoewel niet kan
          worden ontkend dat bij gebruik van het openbaar vervoer de begeleiding van het kind veel
          tijd vergt, niet aangetoond is dat begeleiding van haar kind tot ernstige benadeling van
          het gezin zou leiden. Daarbij is in aanmerking genomen dat de ouder van de gemeente
          bekostiging ten behoeve van begeleiding is verstrekt, zodat zij haar kind niet zelf hoeft
          te begeleiden, maar hem kan laten begeleiden. Bovendien zou de ouder gedurende de tijd dat
          zij haar zoon naar en van school begeleidt haar tweede kind onder de hoede van een oppas
          kunnen stellen.</al><al>Uit deze uitspraken blijkt onder meer dat de verklaring van de ouders, dat er thuis
          kinderen zijn die verzorging behoeven, en er daarom geen sprake kan zijn van begeleiding
          door de ouders op zich niet voldoende is. Van ouders wordt in dit soort gevallen verwacht,
          dat zij zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen en in
          voorkomend geval aantonen dat die mogelijkheid niet aanwezig is. In feite zal de gemeente
          moeten afwegen wat van ouders, die in aanmerking komen voor bekostiging van het
          leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt ten aanzien van de begeleiding van hun kinderen dan
          van ouders die niet voor die bekostiging in aanmerking komen.</al><al>Een voorbeeld: ouder A woont op vijf kilometer van de school en ouder B op zeven
          kilometer, de gemeente hanteert een afstandscriterium van zes kilometer. Beide ouders
          hebben thuis een kind dat verzorging behoeft. Wanneer ouder B, die in aanmerking komt voor
          leerlingenvervoer, zou mededelen zijn kind niet te kunnen begeleiden in verband met de
          gezinssituatie dan doet zich de vraag voor of, op grond van het feit dat er sprake is van
          een verschil in afstand van twee kilometer, van ouder A wel en van ouder B niet verwacht
          kan worden dat hij zijn kind zelf begeleidt, dan wel een andere oplossing zoekt.</al><tussenkop>Artikel 14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</tussenkop><al>Artikel 14 van de modelverordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging van het
          eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen zelf naar school
          vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets etc.), of een
          leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer.</al><al>Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het college.
          Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de gemeente een goedkopere
          wijze van vervoer is. Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake indien voor de desbetreffende
          leerling nog plaats is in een aangepast vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling
          anders zou kunnen reizen. Ook kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling
          meespelen bij de beoordeling van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het
          vervoer per fiets.</al><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de ouders in
          principe op basis van de bepalingen in de modelverordening voor in aanmerking komen:</al><lijst><li nr="·"><al>a. voor openbaar vervoer;</al></li><li nr="·"><al>b. voor aangepast vervoer.</al></li></lijst><al>Ad a Openbaar vervoer</al><al>Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer
          en zij vervoeren de leerling met toestemming van het college zelf, dan keert het college
          bekostiging uit op basis van het openbaar vervoer.</al><al>Voorbeeld:</al><al>Afstand woning-school is acht kilometer. Ouders komen in aanmerking voor bekostiging op
          basis van de kosten van openbaar vervoer maar vervoeren de leerling zelf, met toestemming
          van het college. Het college dient nu na te gaan wat voor deze afstand betaald zou moeten
          worden, indien de leerling gebruik zou maken van het openbaar vervoer. Ook hiervoor geldt
          dat het college het meest goedkope tarief als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens past het
          college het eigen bijdrage principe toe. De vraag, wat het openbaar vervoer per kilometer
          kost, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden en is mede afhankelijk van het
          Vervoersplan en de bepalingen omtrent de zone-indeling die gelden voor die specifieke
          gemeente. Nadere informatie hierover bij de plaatselijke of regionale
          vervoersondernemingen is daarom noodzakelijk.</al><al>Ad b Aangepast vervoer</al><al>Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van aangepast
          vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf vervoeren, geldt een
          vergoeding per kilometer. De kilometervergoeding is gebaseerd op Reisbesluit binnenland
          (Stb. 1993, 144) en de Reisregeling binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). In artikel 14,
          tweede tot en met vijfde lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de
          modelverordening leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden bekostiging aan
          ouders wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van een kilometervergoeding
          afgeleid van de Reisregeling binnenland. De kilometervergoeding betreft enkelvoudige
          reizen. Dit betekent dat indien het kind per auto vervoerd wordt, in principe aanspraak
          bestaat op vier maal de afstand woning-school. Indien de gemeente echter de volledige
          kilometervergoeding op basis van de Reisregeling binnenland hanteert, maken ouders
          aanspraak op twee maal de afstand woning-school (de reis van de leerling).</al><al>Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de leerling ook
          tussen de middag wordt vervoerd.</al><al>Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven, mag
          uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning van de te vervoeren leerling
          die het verst van de school verwijderd woont.</al><al>In artikel 14, derde lid, van de modelverordening is bepaald, dat ouders aanspraak maken
          op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien zij meer dan 1 leerling
          tegelijk vervoeren en daarvoor van het college toestemming hebben gekregen. Dit is ook het
          geval indien ouders in principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de
          kosten van openbaar vervoer. Indien ouders bijvoorbeeld zes kinderen met een eigen busje
          vervoeren, kunnen het college bij wijze van uitzondering op grond van de hardheidsclausule
          een andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer
          per leerling.</al><al>Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college noodzakelijk. Hierbij zal
          uiteraard rekening gehouden moeten worden met de kosten die daarmee gepaard gaan.</al><al>Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van de modelverordening dat het college
          bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers fietsvervoer, indien de leerling
          gebruik maakt van het vervoer per fiets. Hiervan kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>a. indien het college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat mag worden
              geacht als openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="·"><al>b. indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader van de
              bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor toestemming geeft.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
          fiets</tussenkop><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt
          evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs of speciale
          scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt: bekostiging van de kosten van openbaar
          vervoer. Indien het college van oordeel is, eventueel na de commissie voor de begeleiding
          en andere deskundigen gehoord te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is,
          kan een andere wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden,
          namelijk:</al><lijst><li nr="·"><al>- openbaar vervoer onder begeleiding;</al></li><li nr="·"><al>- aangepast vervoer al dan niet verzorgd door het college;</al></li><li nr="·"><al>- eigen vervoer;</al></li><li nr="·"><al>- een combinatie van bovenstaande vervoersmogelijkheden.</al></li></lijst><al>In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één afstandsgrens opgenomen, namelijk
          zes kilometer. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het bepaalde in
          artikel 20 van de modelverordening. Dit artikel bepaalt dat als de afstand naar de school
          minder bedraagt dan zes kilometer, toch aangepast vervoer moet worden verstrekt indien de
          handicap van de leerling dat vereist.</al><al>Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het vervoer naar scholen voor
          basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook ten aanzien van de
          bekostiging van het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs dat het
          college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke wijze van vervoer bekostigt (dit kan
          bijvoorbeeld zijn een strippenkaart, een jaarabonnement of een maandabonnement of een
          kilometervergoeding voor de (brom)fiets).</al><al>Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat bekostiging voor de fiets wordt
          verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al dan niet onder
          begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij dient in overweging
          worden genomen: de leeftijd van de leerling, de eventuele handicap van de leerling, de
          veiligheid van de af te leggen route en de afstand. Ook is het mogelijk een
          fietsvergoeding voor bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken en voor de
          overige maanden bekostiging voor ander passend vervoer.</al><tussenkop>Artikel 15a Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school cluster
          4</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 16 Commissie voor de begeleiding</tussenkop><al>Het college kan advies inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of de ambulante
          begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de gesteldheid van de
          leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies worden ingewonnen bij de
          schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies geven.</al><al>Als nadeel van een keuze voor de directeur/commissie voor de begeleiding als adviserend
          orgaan geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens subjectief van aard
          kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende school en er kunnen dan bepaalde
          belangen zijn bij het aannemen van het kind op de desbetreffende school. Het is in dat
          kader van belang dat het college een gemotiveerd advies vraagt van de directeur/commissie
          voor de begeleiding. Voorts is in de modelverordening gekozen voor de mogelijkheid om ook
          andere deskundigen te raadplegen.</al><al>Van de mogelijkheid dat het college het advies van andere deskundigen in kan winnen, kan
          gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het college afwijkt van het
          advies van genoemde commissies, of in geval de bijzondere handicap van de leerling dit
          vraagt. Andere deskundigen zijn bijvoorbeeld medische specialisten, een orthopedagoog, de
          huisarts van de leerling, een kinderpsycholoog, en dergelijke.</al><al>In een dergelijk geval kan de gemeenteraad als alternatief een onafhankelijke commissie
          van advies instellen, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten. Op deze wijze kan
          een onafhankelijk advies verkregen worden; de commissie van advies is immers niet
          gekoppeld aan een bepaalde school. De eventuele kosten verbonden aan een onafhankelijke
          commissie van advies zullen dan wel door de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten
          worden.</al><al>Er kan ook worden gekozen voor advisering door een schoolartsendienst of geneeskundige
          dienst. De kosten verbonden aan de adviezen van een schoolartsendienst of geneeskundige
          dienst, zullen veelal lager zijn dan de kosten verbonden aan een apart ingestelde
          onafhankelijke commissie. Deze kosten zullen echter ook voor rekening van de gemeente
          komen.</al><al>Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld ‘veilige route’
          -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het desbetreffende
          deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de (verkeers)politie. Ook voor deze deskundigen
          geldt dat zij een onafhankelijke positie innemen.</al><al>Advisering bij negatieve beschikking</al><al>Om de bestuurslast beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het geval het college een
          negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft, het advies van genoemde
          commissies daarbij moet worden betrokken. Indien het voor een gemeente duidelijk is dat
          het aangevraagde vervoer voor de leerling passend is (bijvoorbeeld omdat het een
          herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat vervoer noodzakelijk maakt), behoeft
          het advies niet te worden gevraagd. Uiteraard laat deze bepaling onverlet dat het advies
          van genoemde commissies ook gevraagd kan worden indien de gemeente dit wenselijk
          vindt.</al><al>Volgens de modelverordening vindt advisering plaats indien het college een negatieve
          beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om:</al><lijst><li nr="·"><al>- advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor
              (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan
              maken van het vervoer per fiets (artikel 15, tweede lid);</al></li><li nr="·"><al>- advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor
              speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar
              vervoer in verband met zijn verstandelijke of lichamelijke handicap of leeftijd,
              waardoor vervoer onder begeleiding noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid, van de
              modelverordening);</al></li><li nr="·"><al>- advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor
              (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn verstandelijke of lichamelijke
              handicap al dan niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar
              vervoer gebruik te maken, waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is (artikel 18,
              eerste lid, onder a, van de modelverordening);</al></li><li nr="·"><al>- advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor
              (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de woning van de
              leerling naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de in de verordening
              aangegeven minimum km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn lichamelijke handicap,
              die school zonder aangepast vervoer te bereiken (artikel 20 van de
              modelverordening);</al></li><li nr="·"><al>- advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor
              (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de (brom)fiets, indien
              openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, eerste lid, onder c, van de
              modelverordening);</al></li><li nr="·"><al>- advisering aan het college indien het college wil afwijken van de bepalingen zoals
              die omschreven zijn in titel 3 van de modelverordening.</al></li></lijst><al>In de modelverordening hebben de commissies slechts adviserende taken als het gestel van
          de leerling betreft (verstandelijk of lichamelijk). De commissies hebben geen adviserende
          taak indien het betreft:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer door
              middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of minder (artikel 18,
              onder b, van de modelverordening);</al></li><li nr="·"><al>b. de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, onder c, van de
              modelverordening).</al></li></lijst><al>Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het gemotiveerde advies aan het college
          uitbrengen binnen een door het college te stellen termijn. Deze commissies zijn een
          externe adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb. Dit houdt in dat de algemene regels
          die in afdeling 3:3 van de Awb zijn gegeven van toepassing zijn. Dit betekent onder andere
          dat het bestuursorgaan de adviseur een termijn kan stellen waarbinnen het advies wordt
          verwacht, en dat in of bij het besluit vermeld dient te worden wie de adviseur is die het
          advies heeft uitgebracht.</al><tussenkop>Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een
          begeleider</tussenkop><al>Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15 van de modelverordening in
          aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer, en het
          college van oordeel is dat de leerling niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de
          fiets gebruik kan maken, komen de ouders tevens in aanmerking voor bekostiging van de
          kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider (artikel 17 van de
          modelverordening). Uit artikel 17 blijkt dat:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de leerling een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs moet bezoeken die is
              aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school, en de afstand van de
              woning naar de school voor speciaal onderwijs moet meer dan zes kilometer
              bedragen;</al></li><li nr="·"><al>b. de begeleiding slechts wordt bekostigd indien door de ouders genoegzaam wordt
              aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
              handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar
              vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></li></lijst><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>- indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling begeleiding noodzakelijk
              maakt;</al></li><li nr="·"><al>- indien de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen
              over moet stappen op te gevaarlijke overstappunten en dit gezien de leeftijd van de
              leerling onverantwoord is;</al></li><li nr="·"><al>- indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school te gevaarlijke
              punten kent, en een adequate oplossing van deze gevaarlijke punten niet mogelijk is
              (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.).</al></li></lijst><al>Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende bepaling voor het
          openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor basisonderwijs of speciale scholen
          voor basisonderwijs - dat de bewijslast bij de ouders ligt. Ouders dienen hiertoe
          verklaring(en) van deskundige(n) te overleggen. Indien het college de aanvraag voor
          begeleiding afwijst, dient daarbij het advies van de commissie voor de begeleiding of
          andere deskundigen (bijvoorbeeld specialist, pedagoog en psycholoog) te worden betrokken.
          Het advies betreft dan de vraag of de leerling, gezien zijn handicap dan wel leeftijd,
          niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.</al><al>In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt. In de regel
          zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat een ander familielid, een oppas,
          buren, ouders van andere leerlingen, een kennis of een klassenassistent de leerling
          begeleidt.</al><al>Bij begeleiding door een klassenassistent dienen wel afspraken gemaakt te worden met het
          bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in groepsverband georganiseerd
          worden of via een rooster van verschillende begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel
          17, derde lid, van de modelverordening van toepassing; indien een begeleider meerdere
          leerlingen tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve
          van een begeleider voor bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting op artikel
          12).</al><al>Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een regeling
          getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een gehandicapte. Indien een
          gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt de NS hem een legitimatiebewijs. Het
          legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen die vanwege een lichamelijke, geestelijke of
          zintuiglijke handicap niet of niet onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen.
          Het legitimatiebewijs is wat het binnenland betreft geldig op onder meer:</al><lijst><li nr="·"><al>a. alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen;</al></li><li nr="·"><al>b. alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het streekvervoer;</al></li><li nr="·"><al>c. alle metro- en tramlijnen.</al></li></lijst><al>Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken met de NS
          worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling onder begeleiding van de
          conducteur.</al><tussenkop>Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</tussenkop><al>Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat
          bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe uitzondering is. Wel
          moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal onderwijs gewaarborgd blijven. Daar
          waar vervoer, openbaar of aangepast, noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen
          plaatsvinden. In artikel 18 van de modelverordening zijn deze waarborgen verankerd.</al><al>Onderdeel a De handicap van de leerling vereist aangepast vervoer</al><al>Indien de gehandicapte leerling niet in staat is, ook niet onder begeleiding, van het
          openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het college de kosten van het aangepast
          vervoer. Welke wijze van aangepast vervoer bekostigd wordt, bepaalt het college. Een
          belangrijk criterium hierbij is: op welke wijze kan het aangepast vervoer zo goedkoop en
          efficiënt mogelijk georganiseerd worden zonder de bereikbaarheid van de school in gevaar
          te brengen? In veel gevallen zal het door het college georganiseerde vervoer het meest
          efficiënt zijn.</al><al>Het college kan ook, uit financiële en doelmatigheidsoverwegingen, in samenwerking met
          buurgemeenten een vervoerregeling treffen, zodat leerlingen uit verschillende gemeenten
          gebruik kunnen maken van het door het college georganiseerde vervoer.</al><al>Ook kan het betekenen dat de taxi, schoolbus en dergelijke in de route verschillende
          opstappunten kent, waar de leerlingen kunnen opstappen. Bij een ernstige lichamelijke,
          zintuiglijke of verstandelijke handicap van de leerling kan het college besluiten dat de
          leerling thuis opgehaald wordt.</al><al>Onderdeel b Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur</al><al>Het college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer,
          indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan
          ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of
          minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Ook hierbij geldt
          dat het advies van de commissie voor de begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie
          verder de toelichting op artikel 13 onder ad 1.</al><al>Onderdeel c Openbaar vervoer ontbreekt</al><al>Artikel 18, eerste lid, onder c, van de modelverordening geeft een derde mogelijkheid om
          aanspraak te maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer. Dit lid
          bepaalt dat het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien openbaar
          vervoer ontbreekt. Tevens kan het voorkomen dat het openbaar vervoer zo weinig frequent
          rijdt dat de leerling daarvan geen gebruik kan maken. Echter, voordat het college beslist
          dat bekostiging van het aangepast vervoer verleend wordt, kan het de mogelijkheden
          onderzoeken zoals in de toelichting op artikel 13 is uitgewerkt. Ook kan het college
          bepalen dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan
          het advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere
          deskundigen daarover vragen.</al><al>Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of driewieler of met
          behulp van een tandem naar school gaat (als er een zogenaamde voorrijder aanwezig is),
          kunnen de ouders op grond van de Wet WIA bij het UWV een tegemoetkoming in de
          aanschafkosten vragen.</al><al>De hoogte van de bekostiging van aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk van een
          eventueel drempelbedrag en een bijdrage afhankelijk van het inkomen van de ouders (wat
          betreft het vervoer naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs).</al><al>Medische begeleiding</al><al>Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor de medische begeleiding in het
          leerlingenvervoer. Dit blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Zwolle (Rechtbank Zwolle,
          21 november 2007 Awb 06/1788, LJN: BB8810). De gemeente stelde in het verweer dat vervoer
          iets anders is dan (medische) zorgverlening. De rechter vindt dit geen beperkte uitleg van
          de wettelijke bepalingen. De medische begeleiding hoort volgens de rechtbank thuis in het
          zogenaamde 2e compartiment (tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en sinds die datum de
          Zorgverzekeringswet -de AWBZ).</al><al>In het verleden is de gemeente wel verantwoordelijk gesteld voor medische begeleiding
          (Uitspraak Raad van State van 8 oktober 1990; R03.90.3061/Sp. 179). In deze uitspraak was
          het college gehouden de (salaris)kosten van een begeleider in aangepast vervoer te
          bekostigen, met betrekking tot een leerling die constant op de ondersteuning van een
          deskundige op het gebied van speciale medische apparatuur was aangewezen. Dit betrof
          echter een zeer uitzonderlijk geval.</al><al>Advisering</al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, van de modelverordening dient het college indien
          het de gevraagde voorziening niet of slechts gedeeltelijk toekent het advies te vragen aan
          de commissie voor de begeleiding. Deze zal dan moeten beoordelen of de leerling, gezien
          zijn lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap, niet in staat is - ook niet
          onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan het college het
          advies van andere deskundigen inwinnen.</al><tussenkop>Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</tussenkop><al>Met name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan het
          voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren per
          auto. In artikel 19 van de modelverordening zijn hiervoor nadere voorschriften
          gegeven.</al><al>a Openbaar vervoer</al><al>Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren tegen een
          (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college noodzakelijk. Deze toestemming is
          opgenomen in de modelverordening, omdat het college dient te bekijken of deze wijze van
          vervoer daadwerkelijk de goedkoopste is. Is dat het geval, dan kan het college desgewenst
          toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging die
          hier dan tegenover staat is afhankelijk van de bekostiging waarop de ouders in principe
          recht hebben.</al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en wensen zij
          de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan bekostigt het college de kosten
          van het openbaar vervoer.</al><al>Voorbeeld:</al><al>Ouders maken aanspraak op bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer naar een
          school voor dove leerlingen. De kosten van een jaarabonnement zijn euro 500,-. Zij
          vervoeren de leerling echter, na toestemming van het college, zelf. De bekostiging is dan
          euro 500,- als ware er sprake van bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer.</al><al>b Aangepast vervoer</al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer en
          vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf of laten zij de leerling
          zelf vervoeren, dan bekostigt het college een bedrag per kilometer.</al><al>Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de
          modelverordening, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de Reisregeling
          binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de toelichting op
          artikel 14.</al><al>In artikel 19, derde lid, van de modelverordening is tevens bepaald dat, indien het
          college de ouders desgewenst heeft toegestaan meer dan een leerling zelf te vervoeren of
          te laten vervoeren, bekostiging op basis van een kilometervergoeding bestaat. Dit geldt
          ook indien de ouders aanspraak maken op bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer.</al><al>Indien de ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling met de fiets of de
          bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt op basis van een
          fietsvergoeding dan wel op basis van een bromfietsvergoeding.</al><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het
          (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie voor de begeleiding of andere
          deskundigen worden ingewonnen.</al><al>Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoeken, kan
          deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de bevordering van de zelfredzaamheid.
          Het college verleent dan een vergoeding per km fietsvervoer (zie de toelichting op artikel
          14) of een vergoeding per kilometer bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd
          in de Reisregeling binnenland.</al><tussenkop>Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten</tussenkop><al>Uitgangspunt van de modelverordening is dat in principe voldaan dient te worden aan het
          gestelde criterium in artikel 15 van de modelverordening (afstandsgrens), dat is gebaseerd
          op artikel 4, zevende lid, van de WEC. Hierin is bepaald dat de gemeenteraad kan bepalen
          dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de woning en de
          school. Echter, artikel 4, zevende lid, van de WEC bepaalt tevens dat gehandicapte
          leerlingen, die op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende
          wijze dienen te worden vervoerd. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een
          leerling, gezien zijn handicap, ook over een afstand van minder dan zes kilometer
          aangepast vervoer behoeft. Artikel 20 van de modelverordening voorziet in een dergelijke
          voorziening.</al><al>Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school die
          dichterbij is gelegen dan zes kilometer, dan kunnen ouders toch in aanmerking komen voor
          bekostiging van de vervoerkosten. (Deze leerlingen vallen dus niet onder titel 6 van de
          verordening.) Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien door de aard van de handicap
          aangepast vervoer technisch de enige mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).</al><al>Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de beschikking
          het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te
          betrekken.</al><al>In het geval een WEC leerling gehandicapt is en recht heeft op aangepast vervoer, kunnen
          de ouders ook kiezen voor de bekostiging van eigen vervoer. Deze mogelijkheid is opgenomen
          in het derde lid. Artikel 19 is in dat geval van overeenkomstige toepassing. Dit houdt
          ondermeer in dat het college toestemming moet geven voor het eigen vervoer.</al><tussenkop>Artikel 21 Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de
          in de gemeente wonende ouders</tussenkop><al>Artikel 21 van de modelverordening bepaalt dat het college desgewenst de kosten van het
          weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende ouders van de
          leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal
          onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit artikel valt in twee belangrijke
          onderdelen uiteen:</al><lijst><li nr="·"><al>1. Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de kosten van het
              weekeinde- en vakantievervoer.</al></li><li nr="·"><al>2. Het college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer, indien het
              verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het
              oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.</al></li></lijst><al>Ad 1</al><al>Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van het
          weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door het college van
          de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door het college van de gemeente
          waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft. Wellicht ten overvloede
          wordt hier nog opgemerkt dat het college van de gemeente waar de leerling in het internaat
          of het pleeggezin verblijft, het dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de
          school en terug dient te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.</al><al>Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt gescheiden
          zijn en dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het andere weekeinde naar
          zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in een andere gemeente woont dan de
          moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een aanvraag in te dienen bij de gemeente waar
          men woonachtig is. Het komt nogal eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en
          toe ook door de week naar huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen.
          Het gaat hier immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan
          in voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel 29 van
          de modelverordening.</al><al>Ad 2</al><al>Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde- en vakantievervoer
          wordt verleend als het verblijf in het internaat of pleeggezin noodzakelijk is voor het
          volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Woont de leerling niet meer bij zijn
          ouders om sociale of medische redenen (denk aan uithuisplaatsing, crisisopvang), dan wordt
          dit vervoer niet door de gemeente vergoed in het kader van het leerlingenvervoer.</al><al>Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin
          en het volgen van passend onderwijs. Dit betekent dat het college geen bekostiging voor
          het weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de leerling passend onderwijs kan volgen
          dat met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent
          dit dat het vervoer niet wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische
          of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft.</al><al>Voorbeeld: Een leerling is aangewezen op onderwijs voor dove kinderen. Vanuit de
          ouderlijke woning is dit onderwijs niet bereikbaar met dagelijks vervoer. Verblijf in een
          internaat of een pleeggezin in de buurt van een geschikte school is daarom noodzakelijk.
          De ouders kunnen in de gemeente waar zij wonen een aanvraag voor weekendvervoer
          indienen.</al><al>Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft
          plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De gemeente dient
          na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat is geplaatst (afdeling
          Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995, nr. R03.92.5415; zie Jur.
          8.5).</al><al>Slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>Weekeinde- en vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs.
          Met andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt geen weekeinde- of
          vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of pleeggezin. Een belangrijke
          consequentie hiervan is dat leerlingen die in een internaat of een pleeggezin verblijven -
          omdat hun ouders een trekkend bestaan leiden - niet voor bekostiging van het weekeinde en
          vakantievervoer in aanmerking komen. Het betreft hier een vijftal categorieën:</al><lijst><li nr="·"><al>1. rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
              circusmedewerkers;</al></li><li nr="·"><al>2. ligplaatsscholen voor varende kinderen;</al></li><li nr="·"><al>3. scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="·"><al>4. afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="·"><al>5. scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
              circusmedewerkers.</al></li></lijst><al>Deze scholen worden aangemerkt als basisscholen. Ouders van leerlingen die in internaten
          of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van bovengenoemde basisscholen,
          vallen dan ook niet onder het regime van het weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel
          4 van de modelverordening nader is geregeld.</al><tussenkop>Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</tussenkop><al>Welke wijze van vervoer conform artikel 21 wordt bekostigd wordt weergegeven in artikel
          22. Dit artikel van de modelverordening bepaalt welke bekostiging maximaal wordt verleend,
          namelijk ten behoeve van:</al><lijst><li nr="·"><al>1. de reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in
              elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de schoolvakanties;</al></li><li nr="·"><al>2. de reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders en terug
              in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze vakantie is opgenomen
              in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.</al></li></lijst><al>Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente waar de
          ouders wonen. Artikel 22, derde lid, van de modelverordening geeft aan dat de bepalingen
          van Titel 3 van de modelverordening van overeenkomstige toepassing zijn op de toekenning
          van bekostiging voor weekeinde- en vakantievervoer, met uitzondering van artikel 16,
          artikel 17 tweede lid, artikel 18, eerste lid, onder b, artikel 18, tweede lid en artikel
          20 van de modelverordening. Zie verder de toelichting bij deze artikelen.</al><al>Analoge toepassing van Titel 3 van de modelverordening betekent dat:</al><lijst><li nr="·"><al>1. bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria van
              artikel 15 wordt voldaan.</al></li><li nr="·"><al>2. het college tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
              begeleider kan bekostigen, in het geval door de ouders ten behoeve van het college
              genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn verstandelijke,
              zintuiglijke of lichamelijke handicap of leeftijd, niet in staat is zelfstandig van
              het openbaar vervoer gebruik te maken (artikel 17, eerste lid).</al></li><li nr="·"><al>3. het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de leerling gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke
                  handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer
                  gebruik te maken (artikel 18, eerste lid, onder a);</al></li><li nr="o"><al>b. openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het
                  college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan maken.</al></li><li nr="o"><al>(Van het (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die overbrugd moeten
                  worden, in principe geen gebruikgemaakt worden) (artikel 18, eerste lid, onder
                  c).</al></li><li nr="o"><al>Overigens geldt met name voor het weekeinde- en vakantievervoer dat een
                  combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld een combinatie
                  trein-taxi, etc.</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>4. het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren. De bekostiging
              is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer waarop de ouders aanspraak
              zouden maken (artikel 19).</al></li></lijst><al>De algemene bepalingen van Titel 1 van de modelverordening zijn uiteraard ook van
          toepassing, alsmede het bepaalde in Titel 7.</al><tussenkop>Artikel 23 Drempelbedrag</tussenkop><al>De WPO, WEC en WVO bieden gemeenten de keuze een drempelbedrag bij ouders in rekening te
          brengen. Het is dus niet verplicht. In de modelverordening is wel gebruik gemaakt van deze
          optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald
          deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer; de zogenaamde drempel. Het bedrag
          wordt per leerling in rekening gebracht. Indien een leerling slechts een deel van het
          schooljaar gebruik maakt van het leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar
          evenredigheid in rekening gebracht.</al><al>Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente
          vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school
          waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering van het drempelbedrag
          houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening
          van de ouders komen. In de modelverordening is de kilometergrens voor alle
          onderwijssoorten op zes kilometer gesteld (artikel 11, eerste lid, en artikel 15, eerste
          lid). Gemeenten zijn vrij een andere kilometergrens vast te stellen, mits deze niet boven
          de 6 kilometer uitkomt. In de wet is deze afstand als bovengrens vastgelegd.</al><al>Indien een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van de
          hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag; de
          kosten van het openbaar vervoer dienen te worden bepaald op basis van de zone-indeling.
          Dit betekent dat bij een aanvraag voor leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel
          zones gereisd moet worden om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde
          kilometergrens te overbruggen. Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een
          jeugdjaarkaart voor dit aantal te reizen zones. Voor het kalenderjaar 2009 gaat het bij
          één zone om een bedrag van €250,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met één ster) en bij
          twee of drie zones om een bedrag van €417,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met 2
          sterren). Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang
          of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de
          leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig
          is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de
          gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan
          van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route.</al><al>De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat uit leerlingen die een school voor
          basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal
          voortgezet onderwijs bezoeken en waarvan de ouders een gezamenlijk inkomen van meer dan €
          22.050,- (geïndexeerd) hebben.</al><al>Voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het reguliere
          primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen drempelbedrag gevraagd mag
          worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag doet mag geen drempelbedrag gevraagd
          worden.</al><al>Het blijft mogelijk om voor elk van de genoemde onderwijssoorten een verschillende
          kilometergrens te hanteren. Bovendien staat het de gemeente vrij het drempelbedrag wel
          voor de ene maar niet voor de andere schoolsoorten in te voeren.</al><al>Toepassen hardheidsclausule of drempelbedrag maximaliseren</al><al>Met name wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer en het inkomen van
          de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig grote financiële belasting
          ontstaan. In de modelverordening is er voor gekozen om dergelijke uitzonderingssituaties
          op te lossen door het verschuldigde drempelbedrag op grond van de hardheidsclausule van
          artikel 29 niet geheel in rekening te brengen. De gemeente kan er echter ook voor kiezen
          om in de verordening te bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer,
          bijvoorbeeld maximaal twee keer, per gezin geheven wordt. Bovendien is het mogelijk om de
          inkomensgrens in de verordening hoger te leggen dan de in de wet genoemde ondergrens van €
          22.050,-.</al><al>De mogelijkheid om de hardheidsclausule hier te hanteren, vloeit voort uit
          jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de
          verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2 april 1990 (nr. R03.87.7147; zie Jur.
          9.4) een uitspraak gedaan over de bevoegdheid van gemeenten om de ‘hardheidsclausule’ toe
          te passen op de verplichte eigen bijdrage van destijds f 200,-. De belangrijkste
          overweging in de uitspraak van de afdeling luidt als volgt: ‘Naar het oordeel van de
          afdeling biedt noch artikel 24 van de verordening noch artikel 4, dertiende lid, van de
          Interimwet enig aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel 24 en artikel
          4, dertiende lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet is beperkt tot
          nader aangegeven gevallen, zodat van alle bepalingen van de regeling (verordening) kan
          worden afgeweken. Verweerders hebben derhalve ten onrechte gemeend dat hun niet de
          bevoegdheid toekwam om ook van het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de verordening
          af te wijken.’ Deze uitspraak betekent dat de hardheidsclausule van (nu) artikel 29 van de
          modelverordening ook toegepast kan worden om in bijzondere omstandigheden de ouders geen
          of slechts een deel van het drempelbedrag te laten betalen.</al><al>Fietsvergoeding</al><al>Ten aanzien van het heffen van een drempelbedrag voor leerlingen die in aanmerking komen
          voor een fietsvergoeding het volgende. De fietsvergoeding is in een aantal gevallen lager
          dan het door de ouders verschuldigde drempelbedrag. Om te voorkomen dat leerlingen die
          zouden kunnen fietsen daarvan om deze reden afzien, is het raadzaam in dergelijke gevallen
          op grond van de hardheidsclausule geen of slechts een deel van het drempelbedrag in
          rekening te brengen. Ook kan worden overwogen de fietsvergoeding te verhogen. In dat geval
          geldt de hogere fietsvergoeding uiteraard niet alleen voor leerlingen waarvoor een
          drempelbedrag verschuldigd is, maar voor alle leerlingen die aanspraak maken op een
          fietsvergoeding.</al><al>Het begrip ‘inkomen’</al><al>Onder inkomen moet worden verstaan: het gecorrigeerd verzamelinkomen in de zin van de
          Wet op de inkomstenbelasting 2001 in het peiljaar. Als peiljaar moet op grond van de wet
          worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor
          bekostiging van de vervoerkosten wordt gevraagd. Ouders kunnen op verschillende manieren
          hun gecorrigeerd verzamelinkomen aantonen. Vanuit het oogpunt van lastenvermindering voor
          de burger is het wenselijk de wijze te kiezen die de minste lasten voor de aanvrager
          oplevert. Wanneer de benodigde gegevens reeds bekend zijn bij de sociale dienst omdat er
          tevens een uitkering wordt ontvangen, dient gebruik te worden gemaakt van deze informatie.
          Daarnaast kan een gemeente gegevens verkrijgen van het Inlichtingenburo. Indien de
          gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kan de aanvrager een kopie
          van zijn belastingaanslag sturen om zijn inkomen aan te tonen. Tenslotte kunnen ouders een
          IB 60-formulier opvragen bij de belastingdienst, waarop het gecorrigeerde verzamelinkomen
          staat vermeld.</al><al>In de meeste gevallen zal ten behoeve van het peiljaar het gecorrigeerd verzamelinkomen
          voorhanden zijn. Indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van het tweede kalenderjaar
          voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging wordt gevraagd nog niet bekend is,
          kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig
          uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen
          in het peiljaar bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.</al><al>Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt
          op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de
          aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn
          ongebruikt is verstreken. Vervolgens kan het college besluiten de aanvraag niet in
          behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al><al>De hoogte van het gecorrigeerd verzamelinkomen is voor het peiljaar 2006 (dus ten
          behoeve van het schooljaar 2008-2009) vastgesteld op € 22.050,-, wat betreft het innen van
          het drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
          indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte
          van 1 januari van het voorafgaande jaar en afgerond op een veelvoud van € 450,-.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar
          waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, op een
          structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later
          peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van
          de modelverordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders
          in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven
          te betalen.</al><al>Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de regeling,
          zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF), als
          leidraad gehanteerd worden. Dit artikel is niet in de modelverordening opgenomen. Het gaat
          bij de toepassing van artikel 29 van de modelverordening om een beleidsbevoegdheid van het
          college. Voorgaand artikel vormt slechts een gedeeltelijke invulling van die
          beleidsruimte. Het betreffende artikel van de WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden.
          Het college houdt dan zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere
          oplossing te kiezen.</al><al>Pleegouders</al><al>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt (zie de
          toelichting bij artikel 1, onderdeel b). Zij kunnen dus (als zij voldoen aan de
          voorwaarden) een tegemoetkoming in de vervoerskosten krijgen. De Afdeling
          Bestuursrechtspraak van de Raad van State (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en
          R03.93.1773; zie Jur. 2.3) acht het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, zij
          ook de financiële verplichtingen op zich nemen die uit de eventuele honorering van een
          aanvraag tot bekostiging van vervoerkosten naar school voortvloeien. De gemeente kan
          pleegouders dus een eigen bijdrage in rekening brengen. (Uiteraard hebben gemeenten de
          vrijheid om op dit punt gebruik te maken van de hardheidsclausule in artikel 29.)</al><al>In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een
          justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de natuurlijke
          ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.</al><al>In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het algemeen
          geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de gemeente in mindering
          gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor het leerlingenvervoer.
          Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg,
          dienen bij een honorering van hun aanvraag tot bekostiging van de kosten van het
          leerlingenvervoer door de gemeente ook het drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te
          betalen, als hun inkomen boven de inkomensgrens ligt. Tevens zullen de pleegouders de
          eventuele bijdrage naar financiële draagkracht aan de gemeente moeten voldoen. Eventueel
          kunnen zij deze kosten wel verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de
          leerling.</al><al>Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder worden aangemerkt. Zij kunnen tevens een
          aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden vastgesteld, omdat zij
          geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. (Deze wet ziet op
          natuurlijke personen.)</al><al>Invordering drempelbedrag</al><al>Ten aanzien van de invordering van het drempelbedrag is het navolgende van belang:</al><lijst><li nr="·"><al>- In artikel 2, tweede lid, van de modelverordening is onder meer bepaald:
              ‘Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
              bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.’Indien het college zelf het
              vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die daarvoor in aanmerking komen
              het drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Doen zij dit niet of niet geheel dan
              vervalt de aanspraak.</al></li><li nr="·"><al>- Indien het college dit wenst kan het weigerachtige ouders in gebreke stellen en de
              (kanton)rechter verzoeken uit te spreken dat de ouders het drempelbedrag dienen te
              betalen. Vervolgens kan met inschakeling van een deurwaarder de bijdrage worden geïnd.
              Aangezien deze procedure nogal omslachtig en duur is kan het, als er sprake is van
              aangepast vervoer, raadzaam zijn het vervoer te stoppen. De ouders blijven echter op
              grond van de Leerplichtwet verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kind. De
              praktijk leert dat een dergelijke maatregel zeer effectief is.</al></li></lijst><al>Overgangsrecht</al><al>Inmiddels zijn er geen scholen voor speciaal voortgezet onderwijs meer. Wel komt het
          voor dat leerlingen van voortgezet onderwijs die eerst naar dit type onderwijs gingen op
          grond van de overgangsregeling genoemd in artikel 31, tweede lid, aanspraak maken op
          leerlingenvervoer. Op hen is artikel 23 onverkort van toepassing.</al><al>Het drempelbedrag kan niet in rekening worden gebracht aan ouders van sbo-leerlingen
          voor wie de gemeente in het schooljaar 2001-2002 bekostiging van het Gak (tegenwoordig:
          UWV) op basis van de Wet Rea ontving. Dit blijft gelden gedurende de periode dat de
          leerling dezelfde school bezoekt.</al><tussenkop>Artikel 24 Financiële draagkracht</tussenkop><al>De artikel 4 van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier kinderen een
          school voor basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten minste twintig kilometer van
          de woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke bijdrage te vragen in de
          kosten van het vervoer. Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven (in
          tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht) en kan
          dus alleen bij het reguliere basisonderwijs worden gevraagd.</al><al>In artikel 24 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt
          gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is
          gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage
          worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar
          waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, op een
          structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later
          peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van
          de modelverordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders
          in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven
          te betalen.</al><tussenkop>Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
          begeleiding</tussenkop><al>In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het regulier primair en
          voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen
          maken, in aanmerking kunnen komen voor leerlingenvervoer. Voor deze gehandicapte
          leerlingen geldt geen afstandscriterium. Gemeenten kunnen aan de ambulante begeleider die
          verbonden is aan de reguliere school voor primair of voortgezet onderwijs, advies vragen
          over passend vervoer voor deze leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een leerling
          geen ambulante begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van de schooldirecteur
          of andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD arts).</al><al>Voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder titel 6 vallen geldt,
          dat ze -overeenkomstig artikel 9- recht hebben op vervoer naar de dichtstbijzijnde
          toegankelijke school in het samenwerkingsverband. Dit is geregeld in lid 1 van artikel
          25.</al><al>Structurele handicap</al><al>Indien in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een structurele
          handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen tijdelijke handicap. Dit
          betekent dat de gemeente geen vervoer hoeft te verzorgen om tijdelijke medische redenen,
          bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft. Ouders hebben hier zelf een
          verantwoordelijkheid in. In sommige gevallen vergoedt de ziektekostenverzekeraar een
          gedeelte.</al><al>Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of een
          meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een groot
          gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken vanwege herstel of
          revalidatie. In dat geval kan een leerling eventueel wel een beroep doen op het
          leerlingenvervoer op basis van titel 6. De gemeente geeft dan een beschikking af voor de
          duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt,
          heeft de leerling geen recht meer op vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn van
          drie maanden aan, voordat er eventueel sprake was van een vervoersvergoeding op basis van
          de destijds geldende Wet Rea. Dit zou een richtlijn kunnen zijn voor de gemeente:</al><lijst><li nr="·"><al>- tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
              leerlingenvervoer</al></li><li nr="·"><al>- tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de gemeente bekijkt of de
              leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis van titel 6.</al></li></lijst><al>Overgangsrecht</al><al>Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 een vervoersvoorziening kregen naar een
          school voor speciaal voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs, leerwegondersteunend
          onderwijs of een opdc, kunnen op basis van de overgangsregeling (zie artikel 31) aanspraak
          blijven maken op die voorziening gedurende de periode dat zij diezelfde school
          bezoeken.</al><tussenkop>Artikel 26 Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</tussenkop><al>Ten aanzien van gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen
          reizen, maar die daartoe niet in staat zijn omdat het openbaar vervoer in de regio
          ontbreekt, verwijzen wij naar de toelichting op artikel 13 ad 2. Leerlingen die een
          handicap hebben waardoor ze niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, maken
          aanspraak op aangepast vervoer indien het openbaar vervoer in de regio ontbreekt. Zij zijn
          dan immers niet in staat om onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen, omdat
          het niet aanwezig is. De gemeente heeft echter wel de plicht om passend vervoer te
          verzorgen in zo’n geval, dus aangepast vervoer. Daarom is in artikel 26 opgenomen dat
          indien de leerling op grond van artikel 25 recht heeft op openbaar vervoer met
          begeleiding, terwijl openbaar vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling aanspraak op
          aangepast vervoer kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 25.</al><tussenkop>Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</tussenkop><al>Zie de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een uitgebreide toelichting te
          vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt de bekostiging gerelateerd aan de
          bekostiging waar ouders in principe op basis van de modelverordening voor in aanmerking
          komen. Voor de leerlingen in titel 6 betekent dit ofwel bekostiging op basis van openbaar
          vervoer met begeleiding (artikel 25) ofwel aangepast vervoer (artikel 26).</al><tussenkop>Artikel 28 gedragsregels</tussenkop><al>Wanneer er aangepast vervoer wordt toegekend, reikt het vervoersbedrijf een brochure uit
          met spelregels waar iedereen zich aan dient te houden, om het vervoer voor iedereen
          ordelijk en aangenaam te laten verlopen. </al><al>Wanneer herhaaldelijk leerlingen bij het ophalen niet klaar staan, of bij het afzetten
          thuis ouderlijk toezicht ontbreekt, kan het verzorgde aangepast vervoer niet verantwoord
          verlopen. Het verzorgd aangepast vervoer kan dan worden beëindigd. Ook wangedrag van
          leerlingen kan leiden tot voortijdige beëindiging van het verzorgde aangepaste vervoer.
          Een uitzondering wordt gemaakt voor leerlingen aan wie het gedrag op grond van hun
          verstandelijke beperking niet valt aan te rekenen.</al><al>Tenslotte is het mogelijk leerlingen te weren uit het verzorgde aangepast vervoer die
          door besmetting van een ziekte of aandoening, gezondheidsrisico’s voor medereizigers en
          chauffeur opleveren. </al><tussenkop>Artikel 29 Voorwaarden</tussenkop><al>De tekst van dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 30 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
          voorziet</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van het
          leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.</al><al>In de modelverordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het leerlingenvervoer
          vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen voordoen, waarin de
          modelverordening niet voorziet. Te denken valt onder andere aan:</al><lijst><li nr="·"><al>- varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus openbaar
              vervoer);</al></li><li nr="·"><al>- begeleiding tijdens groepsvervoer;</al></li><li nr="·"><al>- gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten;</al></li><li nr="·"><al>- varianten in het gebruik van eigen vervoer.</al></li></lijst><al>Voor dergelijke en andere situaties waarin de modelverordening niet voorziet, is in
          artikel 28 van de modelverordening bepaald dat het college beslist. Hierbij dient in
          redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te zijn dat
          in de geest van de wet en de modelverordening gehandeld wordt.</al><al>Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in eigen beheer
          gebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang daarbij is dat de
          aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente blijft. Aansprakelijkheid is
          immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het vervoer gelden dezelfde eisen als voor
          vervoersbedrijven.</al><tussenkop>Artikel 31 Afwijken van bepalingen</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
          aangaande, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Dit
          houdt in dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de
          verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO,
          artikel 4, zevende lid, van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC.</al><al>Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn
          indien:</al><lijst><li nr="·"><al>- een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in aanmerking komt,
              toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap - begeleid
              moet worden;</al></li><li nr="·"><al>- leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik moeten maken van aangepast
              vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor niet in aanmerking komen;</al></li><li nr="·"><al>- sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het college een
              daarop geënte bekostiging wil betalen;</al></li><li nr="·"><al>- sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijsinhoudelijke dan wel
              onhoudbare praktische situatie op de dichtstbij gelegen toegankelijke school. Indien
              daarvan sprake is - de bewijslast daarvan ligt bij de ouders - kan bekostiging volgen
              van de kosten van vervoer naar een verder gelegen toegankelijke school (Afdeling
              Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 1992, R03.89.3402/83-107;
              zie Jur. 9.13; zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6
              oktober 1992, R03.92.3306/P90 en S03.92.2460; zie Jur. 9.1).</al></li></lijst><al>In haar jurisprudentie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de
          casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van de hardheidsclausule te
          weten:</al><lijst><li nr="·"><al>a. Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich
              ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de
              verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige
              beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden,
              zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (Afdeling
              Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 mei 1989, nr.
              R03.88.7057/Sp347/26-41; zie Jur. 9.3).</al></li><li nr="·"><al>b. Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de
              verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag van artikel
              23 (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 1990
              R03.87.7147/58-43; zie Jur. 9.4).</al></li></lijst><al>Voorts dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste -
          precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met op de
          specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling betrekking hebbende
          argumenten.</al><al>Tevens wordt in artikel 29 van de modelverordening bepaald dat het college zo nodig het
          advies van de commissie van onderzoek, het advies van de regionale verwijzingscommissie
          (RVC) of andere deskundigen vraagt.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2006 een verzoek
          afgewezen voor bekostiging van vervoer van een leerling die naar een verderaf gelegen
          school wilde gaan. Reden van dit verzoek was dat de leerling daar de noodzakelijk medische
          begeleiding kon krijgen, waarop hij anders twee jaar moet wachten. Het betreffende college
          vond dat bekostiging van vervoer bedoeld is voor schoolbezoek en niet voor medische
          behandeling (LJN AZ9034). Artikel 1 van de verordening leerlingenvervoer definieert het
          begrip ‘vervoer’ als ‘vervoer van en naar school’. Uit de hardheidsclausule blijkt echter
          onvoldoende of een vergoeding alléén voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs is
          bedoeld. De clausule kan beperkt worden door beleidsregels voor de uitwerking ervan vast
          te stellen. Hierin kan opgenomen worden dat de bevoegdheid tot toekenning van
          vervoerskosten beperkt blijft tot schoolbezoek voor het volgen van onderwijs. Deze
          beperking kan eventueel ook in de hardheidsclausule zelf worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 32 Intrekking oude regeling</tussenkop><al>In artikel 30 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken.
          Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de
          nieuwe verordening in werking treedt.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>