<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR104754_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels langdurigheidstoeslag 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuid-Limburger 21-11-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels langdurigheidstoeslag 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-11-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2006-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>07n00712</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Op grond van de overgangsregeling zoals omvat in artikel 36 lid 6 zijn deze beleidsregels slechts in bepaalde gevallen van toepassing. Voor de andere gevallen wordt verwezen naar de door het college daterende 1 juli 2009 vastgestelde verordening en beleidsregels langdurigheidstoeslag 2009.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>BELEIDSREGELS LANGDURIGHEIDSTOESLAG 2007 GEMEENTE KERKRADE</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>VOORWOORD</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label/></kop><al>De langdurigheidstoeslag is opgenomen in de op 1 januari 2004 inwerking
                            getreden Wet werk en bijstand (WWB). Wie 5 jaar aaneengesloten een
                            inkomen op bijstandsniveau heeft gehad, heeft als aan de voorwaarden is
                            voldaan, recht op deze toeslag. </al><al/><al>Naar aanleiding van de wijziging van artikel 36, eerste lid onder b van
                            de WWB per 1 september 2006 en een aantal uitspraken van de Centrale
                            Raad van Beroep moet de wijze waarop het recht op langdurigheidstoeslag
                            door de Gemeente Kerkrade wordt beoordeeld, worden aangepast. </al><al/><al>Vóór 1 september 2006 moest op grond van artikel 36, lid 1 onderdeel b
                            WWB. zelfs een zeer gering inkomen, wat volledig gekort werd op de WWB,
                            verplicht worden uitgelegd als een indicatie voor een duurzaam
                            perspectief op de arbeidsmarkt. Dit leidde tot een schrijnende
                            uitvoeringspraktijk. </al><al/><al>De regering heeft het daarom wenselijk gevonden deze bepaling per 1
                            september 2006 te wijzigen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006.
                            Met de wijziging wordt beoogd gemeente de bevoegdheid te geven om af te
                            wijken van de bepalingen in artikel 36, eerste lid onderdeel b, indien
                            de inkomsten uit arbeid gedurende een zo korte periode en/of tot een
                            zodanig laag bedrag zijn ontvangen, dat daarvan in redelijkheid niet
                            gezegd kan worden dat de betrokkene ‘arbeidsperspectief’ heeft. In de
                            memorie van Toelichting op de wetswijziging geeft de staatssecretaris
                            aan dat de gemeenten er verstandig aandoen om beleidsregels op te
                            stellen. </al><al/><al>Deze nota is bewust op de uitvoeringspraktijk geschreven. Dit met name
                            in het hoofdstuk 2 (doelgroep) bij leeftijd 2.2, duur 2.3 bijstandsnorm
                            2.4.1 en in het hoofdstuk 3 (uitvoering) bij aanvraag 3.1 </al><al/><al>Er is beleid geformuleerd (2.4.2) dat invulling geeft aan de gegeven
                            bevoegdheid inzake geringe inkomsten en/of geringe duur. Hierbij is
                            aangesloten bij perioden en/of bedragen die ook al in de WWB worden
                            gebruikt. Door aan te sluiten bij de vrijlatingsbepalingen van de WWB
                            kan het beste beargumenteerd worden dat klanten die per periode van 12
                            maanden niet in staat zijn meer te verdienen dan het bedrag genoemd in
                            artikel 31 lid 2 onder k WWB jo. artikel 7 onder h Regeling WWB (de vrij
                            te laten onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk zonder dat er sprake
                            is van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling) op de peildatum
                            geen arbeidsmarktperspectief hebben. </al><al/><al>Behalve de wetswijziging zijn er nog een aantal belangrijke uitspraken
                            geweest van de Centrale Raad van Beroep. Deze uitspraken gaan over de
                            situatie dat aanvragers geheel en gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en
                            in afwijking van de wettekst van artikel 36 lid 4 WWB toch recht behoren
                            te hebben op de langdurigheidstoeslag. De staatssecretaris heeft
                            aangekondigd op termijn een wetswijziging voor te bereiden rekening
                            houdend met deze uitspraken. In de Verzamelbrief van november 2006 is
                            wel aangegeven dat het kabinet de uitspraak van de CRvB volgt en de
                            kring van rechthebbenden wordt uitgebreid met deze groep. (2.4.2 en
                            onder 2.8) </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Positionering langdurigheidstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Vanaf 1 januari 2004 draagt de gemeente zorg voor de uitvoering van de
                            langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en
                            bijstand (WWB). In dit hoofdstuk komen de volgende aspecten aan de orde:
                            - de achtergrond en de doelstelling van de langdurigheidstoeslag; - de
                            positie van de gemeente in de verstrekking van deze toeslag; - de
                            langdurigheidstoeslag en de bijzondere bijstand. </al></artikel><artikel><kop><label>1.1</label><titel>Achtergrond en doelstelling</titel></kop><al>De WWB gaat ervan uit dat de bijstandsnorm met of zonder verhoging of
                            verlaging toereikend is voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan. Elke toeslag op dit sociaal minimum kan een
                            belemmering vormen voor reïntegratie en is vanaf de invoering van de WWB
                            niet meer mogelijk. Een uitzondering op deze regel vormt de
                            langdurigheidstoeslag. Deze toeslag is in het leven geroepen om
                            personen, die geen perspectief hebben op arbeid en dus ook geen uitzicht
                            op verhoging van hun inkomen door werk, een vergelijkbare
                            inkomenspositie te bieden met personen van 65 jaar en ouder.
                            Uitkeringsgerechtigden van 65 jaar en ouder ontvangen maandelijks immers
                            een hogere uitkeringsnorm dan personen jonger dan 65 jaar. </al><al/><al>Evenals de hogere norm voor personen van 65 jaar en ouder is de
                            langdurigheidstoeslag niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Wel wordt
                            hij in afwijking tot de 65- plussers niet maandelijks maar jaarlijks
                            uitbetaald. Met de verstrekking van de langdurigheidstoeslag wordt
                            bereikt dat er op het moment van uitbetaling ruimte ontstaat binnen het
                            budget waardoor hogere kosten kunnen worden voldaan, bijvoorbeeld
                            vervangingsuitgaven. </al><al/><al>Voor alle duidelijkheid; de langdurigheidstoeslag valt noch onder het
                            begrip algemene bijstand en noch onder het begrip bijzondere bijstand.
                            De toeslag bestaat afzonderlijk naast de algemene bijstand en bijzonder
                            bijstand en komt ten laste van het I-deel. Niet alle artikelen van de
                            WWB zijn dan ook van toepassing op de langdurigheidstoeslag. In artikel
                            36 lid 6 WWB worden de van toepassing zijnde artikelen genoemd. </al></artikel><artikel><kop><label>1.2</label><titel>Positie gemeente</titel></kop><al>De positie van de gemeente bij het verstrekken van de
                            langdurigheidstoeslag is vergelijkbaar met die bij het verstrekken van
                            algemene bijstand. In artikel 36 lid 1 Wwb staat het volgende: “ het
                            bestuur verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag.” Dit is dwingend
                            door de wetgever bepaald en er is in principe geen beleidsruimte bij de
                            uitvoering. Inkomenspolitiek is immers voorbehouden aan het Rijk. De
                            voorwaarden arbeidsperspectief en de verplichting om algemeen
                            geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden dienen wel door de
                            gemeente nader te worden ingevuld. </al></artikel><artikel><kop><label>1.3</label><titel>De langdurigheidstoeslag en bijzondere bijstand</titel></kop><al>Een persoon die noodzakelijke bestaanskosten heeft, die voortkomen uit
                            bijzondere individuele omstandigheden en waarin de algemene bijstand
                            niet voorziet, kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De
                            omstandigheden van het individu bepalen welke kosten in aanmerking komen
                            voor bijzondere bijstand. Voor kosten van duurzame gebruiksgoederen
                            geldt dat het sociaal minimum toereikend wordt geacht om
                            vervangingsuitgaven te doen. Men dient voor deze kosten geld te
                            reserveren. </al><al/><al>De verstrekking van de langdurigheidstoeslag kan gevolgen hebben voor de
                            verstrekking van de bijzondere bijstand. Het besteedbaar inkomen is door
                            toekenning van de langdurigheidstoeslag immers hoger dan dat van
                            personen die niet in aanmerking komen voor de toeslag. De gemeenten zijn
                            vrij in de bepaling of en in hoeverre de verstrekte toeslag de
                            draagkracht voor de bijzondere bijstand beïnvloedt. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De doelgroep van de langdurigheidstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>2.1</label><titel>Inleiding</titel></kop><al>In artikel 36 WWB wordt de doelgroep genoemd die in aanmerking komt voor
                            de langdurigheidstoeslag. De volgende aspecten zijn belangrijk in de
                            beoordeling of iemand tot die doelgroep behoort en dus een toeslag moet
                            worden verleend: </al><al>· leeftijd (2.2); </al><al> · duur (2.3); </al><al> · inkomen (2.4); </al><al> · vermogen (2.5);</al><al> · arbeidsperspectief (2.6); </al><al> · verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                            aanvaarden (2.7); </al><al>· afwijkende criteria voor personen met een
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering (2.8). </al><al/><al>In dit hoofdstuk wordt bij inkomen (2.4) de wetswijziging (ingaande 1
                            september 2006) uitgewerkt in beleidsregels. Verder komen bovengenoemde
                            aspecten uitgebreid aan de orde. Eerst wordt het relevante wetsartikel
                            aangehaald. Daarna wordt de inhoud van het artikel verklaard en naar de
                            praktijk vertaald. Omdat de langdurigheidstoeslag ook open staat voor
                            andere minima dan die bij de gemeente bekend zijn, komt als laatste de
                            tracering van de doelgroep aan de orde. </al></artikel><artikel><kop><label>2.2</label><titel>Leeftijd</titel></kop><al>Relevant wetsartikel: Artikel 36 lid 1 WWB “Het bestuur verleent op
                            aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder
                            doch jonger dan 65 jaar ….” </al><al/><al>Hieruit is op te maken dat uitsluitend personen tussen de 23 en 65 jaar
                            aanspraak kunnen maken op de toeslag. Het feit dat beneden de leeftijd
                            van 23 jaar er geen recht bestaat op een langdurigheidstoeslag houdt
                            verband met de zogenaamde referteperiode van zestig maanden. Deze
                            periode kan pas vanaf de 18-jarige leeftijd worden opgebouwd. De
                            verklaring voor het uitsluiten van de groep 65-plusssers zit in het feit
                            dat voor hen reeds een hogere uitkeringsnorm geldt. De
                            langdurigheidstoeslag is namelijk gebaseerd op het verschil tussen de
                            uitkeringsnormen van personen van jonger dan 65 en ouder dan 65 jaar. </al><al/><al>Als er sprake is van partners en een van de partners voldoet niet aan de
                            gestelde (leeftijds)vereisten voor toekenning van een
                            langdurigheidstoeslag betekent dit dat er in het geheel geen aanspraak
                            bestaat op een langdurigheidstoeslag (uitspraak CRvB 8/8/2006, nrs.
                            06/3157 WWB). Dit betekent dat aanvragen van (echt)paren waar één
                            partner 65+ is of één partner -23 is moeten worden afgewezen. Indien één
                            partner uitgesloten is van recht op bijstand (artikel 24 WWB) kan aan de
                            wel rechthebbende partner een langdurigheidstoeslag worden toegekend
                            naar de norm van alleenstaande (ouder). </al></artikel><artikel><kop><label>2.3</label><titel>Duur</titel></kop><al>Relevant wetsartikel: Artikel 36 lid 1 onder a WWB “…..gedurende een
                            ononderbroken periode van zestig maanden….” </al><al/><al>Door het kabinet wordt het normbedrag ter voorziening in de algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan niet meer toereikend geacht bij
                            personen die langer dan zestig maanden aangewezen zijn geweest op een
                            inkomen op bijstandsniveau en bij wie het arbeidsperspectief ontbreekt
                            (zie 2.6). Deze personen komen in aanmerking voor een toeslag op de
                            reguliere uitkering. Een onderbreking van deze periode door bijvoorbeeld
                            aanvaarding van arbeid veroorzaakt meestal een verbetering in financiële
                            positie en van het arbeidsmarktperspectief van de klant. Pas na een
                            ononderbroken termijn van zestig maanden is een langdurigheidstoeslag
                            weer aan de orde. </al><al/><al>Bij onderbrekingen van de periode van zestig maanden, bijvoorbeeld
                            kortdurend verblijf in buitenland waarbij geen inkomsten zijn genoten,
                            kan langdurigheidstoeslag worden verstrekt als in voldoende mate is
                            getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. </al><al>Als men buiten de peildatum in detentie heeft gezeten maar overigens wel
                            aan de voorwaarden heeft voldaan komt men wel in aanmerking voor
                            langdurigheidstoeslag. </al><al>Verificatie van de termijn kan door middel van raadpleging van het eigen
                            geautomatiseerde uitkeringssysteem of een verklaring van het UWV of de
                            SVB. </al></artikel><artikel><kop><label>2.4</label><titel>Inkomen</titel></kop><al>Bij de beoordeling of een persoon in aanmerking komt voor een toeslag
                            hebben drie aspecten betrekking op inkomen. Deze zijn: </al><al> 1. Bijstandsnorm </al><al> 2. Inkomsten uit of in verband met arbeid </al><al>3. Inkomen uit langdurigheidstoeslag </al><al/></artikel><artikel><kop><label>2.4.1</label><titel>Bijstandsnorm</titel></kop><al>Relevant wetsartikel: Artikel 36 lid 1 onder a WWB “…. een inkomen heeft
                            dat niet hoger is dan de bijstandsnorm..” </al><al/><al>Het inkomen van de persoon die de toeslag aanvraagt mag niet meer
                            bedragen dan de bijstandsnorm. Voor het begrip bijstandsnorm wordt
                            verwezen naar de WWB paragraaf 3.2; ”… op de belanghebbende van
                            toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van
                            paragraaf 3.3, door het bestuur vastgestelde verhoging of
                            verlaging.”</al><al> In gevallen waarbij het inkomen middels een andere uitkering dan de
                            bijstandsuitkering wordt verkregen, moet een vergelijking plaatsvinden
                            tussen het inkomen en de in die situatie toepasbare bijstandsnorm.
                            Daarbij hanteren wij in Kerkrade ook strikt de bijstandsnorm. Ook de
                            CRvB is deze mening toegedaan. </al></artikel><artikel><kop><label>2.4.2</label><titel>Inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><al> Relevant wetsartikel: </al><al> In artikel 36 lid 1 onder b WWB staat (wetswijziging ingaande 1
                            september 2006) : “gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen
                            inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien
                            van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte
                            van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer
                            geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden
                            van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief”. </al><al>De gemeente Kerkrade kiest er voor in deze aansluiting te zoeken bij het
                            bedrag genoemd artikel 31 lid 2 onder k jo. artikel 7 onder h Regeling
                            WWB. Dit is het bedrag dat zonder verrekening met de WWB kan worden
                            ontvangen voor vrijwilligerswerk, als dat vrijwilligerswerk niet
                            bijdraagt aan hun arbeidsinschakeling. </al><al/><al><vet>A</vet><vet><onderstreept>rtikel 1</onderstreept></vet></al><al><vet> Naar het oordeel van de gemeente Kerkrade is er geen sprake van
                                arbeidsmarktperspectief indien de in artikel 36, lid 1 onder b
                                bedoelde inkomsten uit of in verband met arbeid in de periode van
                                zestig maanden per periode van 12 maanden </vet></al><al><vet> het bedrag zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder k WWB jo.
                                artikel 7 onder h Regeling WWB (de vrij te laten onkostenvergoeding
                                voor vrijwilligerswerk zonder dat er sprake is van een voorziening
                                gericht op arbeidsinschakeling) zoals dat geldt per 1 januari van
                                het jaar waarop de aanvraag langdurigheidstoeslag betrekking heeft
                                niet overstijgt en wordt de langdurigheidstoeslag indien aan de
                                overige voorwaarden is voldaan, toegekend. </vet></al><al/><al><vet>Het definiëren van de ‘zeer geringe duur’ is niet noodzakelijk.
                                Indien in een periode van zestig maanden per 12 maanden slechts het
                                refertebedrag is verdiend, is de duur van de periode waarin de
                                inkomsten zijn ontvangen relatief gezien altijd ‘zeer gering’.
                            </vet></al><al/><al>Personen die een inkomen hebben uit arbeid of in verband met arbeid,
                            zoals WW, ZW of WAO/WIA met minder dan 80% arbeidsongeschiktheid,
                            behoren in principe niet tot de doelgroep. Van hen werd aangenomen dat
                            zij nog arbeidsperspectief hadden en dus niet aan de eisen voor
                            toekenning van de langdurigheidstoeslag voldeden. Ook personen die een
                            aanvullende uitkering op deze inkomsten ontvingen, kwamen niet in
                            aanmerking voor de toeslag. </al><al/><al>De CRvB heeft echter uitgesproken dat het zonder meer aanwezig achten
                            van een reëel arbeidsmarktperspectief bij personen die in de
                            referte-periode inkomen in verband met arbeid ontvingen, bestaande uit
                            een gedeeltelijke WAO/WIA-uitkering niet aanvaardbaar is. Niet is
                            gebleken dat het voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte personen
                            eenvoudiger is om daadwerkelijk arbeid te verwerven dan voor personen
                            ten aanzien van wie geen gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is
                            vastgesteld. De CRvB meent dat deze mensen wel recht hebben op de
                            toeslag. De consequentie van deze uitspraak is dat iedere gedeeltelijke
                            WAO/WIA’er zonder inkomsten uit arbeid die voldoet aan de overige
                            voorwaarden recht heeft op langdurigheidstoeslag. (uit Verzamelbrief SZW
                            november 2006). </al><al/><al>In de praktijk kan de gemeente tegen het probleem aanlopen dat iemand
                            binnen de termijn van zestig maanden verschillende samenlevingsvormen
                            heeft gehad. </al><al/><al><cursief>Bijvoorbeeld: Een persoon heeft samengewoond met een partner
                                met inkomsten uit arbeid in aanvulling op de uitkering en is ten
                                tijde van de aanvraag weer alleenstaande. De gemeente kan kijken of
                                de aanvrager inkomsten uit of in verband met arbeid heeft genoten.
                                Inkomsten uit of in verband met arbeid beïnvloedt het
                                arbeidsmarktperspec-tief in positieve zin. In de situatie van het
                                voorbeeld is het arbeidsmarktperspectief van de aanvrager hetzelfde
                                is gebleven. Hij heeft immers niet gewerkt. De ex-partner is geen
                                bijstandspartij meer en vraagt de toeslag niet aan. </cursief></al><al><cursief> LET OP: </cursief></al><al><cursief> De inkomsten van de ex-partner zijn wel van invloed op de
                                voorwaarde van een minimuminkomen gedurende 60 maanden. Lagen de
                                inkomsten hoger dan de bijstandsnorm is een toeslag niet aan de orde
                                op grond van art. 36 lid 1 onder a WWB.</cursief></al><al/><al><cursief>Kortom: </cursief></al><al><cursief>Is men op de peildatum gehuwd c.q. ongehuwd samenwonend en
                                heeft één partner geen recht op langdurigheidstoeslag, dan hebben
                                beiden geen recht. </cursief></al><al><cursief> Is men op de peildatum gehuwd en zit één partner op dat moment
                                in detentie, dan komt de achterblijvende partner in aanmerking voor
                                een langdurigheidstoeslag naar de norm van een alleenstaande
                                (ouder). </cursief></al><al><cursief> Is men op de peildatum ongehuwd of alleenstaande ouder, dan is
                                alleen de situatie van deze persoon belangrijk.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>2.4.3.</label><titel>Samenhang langdurigheidstoeslag en premiebeleid en
                                inkomstenvrijlating</titel></kop><al>Het is van belang dat de in de WWB voorkomende instrumenten
                            langdurigheidstoeslag, en premies en inkomensvrijlating in hun
                            onderlinge samenhang op inzetbaarheid worden beoordeeld. Het is aan de
                            gemeente om maatwerk te leveren en dus in het individuele geval de
                            juiste instrumentkeuze te maken. Zo kunnen belanghebbenden die in staat
                            moeten worden geacht inkomsten uit arbeid te verwerven in sommige
                            gevallen aanspraak maken op een premie en verkrijgen ze daardoor extra
                            financiële middelen. Voor diegenen die (nog) geen
                            arbeidsmarktperspectief hebben, voorziet de WWB in een
                            langdurigheidstoeslag. </al><al/><al>Artikel 31 lid 2 onder o WWB bepaalt dat de gemeente de bevoegdheid
                            krijgt inkomsten uit arbeid vrij te laten, mits niet langer dan zes
                            maanden, als dit naar oordeel van het van het bestuur bijdraagt aan de
                            arbeidsinschakeling. Deze groep kan alleen aanspraak maken op de
                            langdurigheidstoeslag indien het totaal van deze inkomsten gedurende een
                            heel jaar lager zijn geweest dan het bedrag genoemd artikel 31 lid 2
                            onder k jo. artikel 7 onder h Regeling WWB. </al><al/><al>Alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar mogen de aan
                            arbeid en zorg gerelateerde heffingskortingen volledig behouden als zij
                            inkomsten uit parttime arbeid ontvangen. Deze heffingskortingen worden
                            dus niet meegerekend bij het vaststellen van de bijstandsuitkering. De
                            inkomsten uit arbeid worden wel volledig in mindering gebracht op de
                            uitkering. Als er sprake is van (meer dan geringe) inkomsten uit arbeid
                            komen zij dus niet in aanmerking voor de langdurigheidstoeslag. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 2</onderstreept></vet></al><al><vet> De gemeente Kerkrade heeft premiebeleid vastgesteld. De premie
                                vrijwilligerswerk varieert van € 0 per jaar bij werkzaamheden van
                                maximaal 6 uur per week tot € 540 per jaar bij werkzaamheden van 16
                                uur per week of meer. Deze premie wordt niet meegenomen in de
                                bepaling van de hoogte van het inkomen. Het zou ontmoedigend werken
                                op de doelgroep als hun inspanningen deel te nemen aan de
                                maatschappij zouden leiden tot het verlies van de
                                langdurigheidstoeslag. </vet></al></artikel><artikel><kop><label>2.4.4.</label><titel>Inkomen uit langdurigheidstoeslag</titel></kop><al> Relevant wetsartikel: </al><al> In artikel 36 lid 2 WWB staat: “ Bij vaststelling van het inkomen,
                            bedoeld in het eerste lid onderdeel a, wordt een eerder verstrekte
                            langdurigheidstoeslag buiten beschouwing gelaten.” </al><al/><al>Om te voorkomen dat de reeds verstrekte toeslag (bijvoorbeeld een
                            toeslag in 2006) invloed heeft op een volgend te verstrekken toeslag, is
                            dit lid in artikel 36 opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>2.5</label><titel>Vermogen</titel></kop><al> In artikel 36 lid 1 onder a WWB staat vermeld dat de vermogensgrenzen
                            van artikel 34 WWB overeenkomstig van toepassing zijn. Dit betekent dat
                            het hebben van een vermogen boven de vermogensgrens leidt tot afwijzing
                            van de langdurigheidstoeslag. In de situatie dat een aanvrager in de
                            referte-periode heeft moeten interen (middels 1 ½ keer de norm) wordt de
                            aanvraag eveneens afgewezen. </al></artikel><artikel><kop><label>2.6</label><titel>Arbeidsmarktperspectief</titel></kop><al> Dit aspect van de toeslag wordt niet expliciet in artikel 36 WWB
                            genoemd, maar uit de Memorie van Toelichting (MvT) blijkt de relevantie
                            van dit begrip: “Het ontbreken van arbeidsmarktperspectief is van
                            essentiële betekenis; het vormt de rechtvaardigingsgrond voor een
                            afwijkende regeling voor de specifieke doelgroep. Het maken van het
                            juiste onderscheid tussen uitkeringsgerechtigden met en zonder
                            arbeidsmarktperspectief vraagt om specifieke aandacht van de uitvoering.
                            Bij aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief zou de
                            langdurigheidstoeslag een ongewenste bonus vormen op een langdurig
                            verblijf in de uitkering en een onaanvaardbare bijdrage leveren aan de
                            armoedeval. Met andere woorden: de beoordeling of iemand nog
                            arbeidsmarktperspectief heeft is één van de belangrijkste voorwaarden
                            van de langdurigheidstoeslag. </al><al/><al>Volgens de MvT moet het arbeidsmarktperspectief elk jaar opnieuw
                            beoordeeld worden. Het is geen vanzelfsprekendheid dat als er bij de
                            beoordeling van de vorige aanvraag om de toeslag sprake was van een
                            ontbrekend arbeidsmarktperspectief, het jaar daarop ook zo is. De
                            gemeente heeft dus de taak te beoordelen of er sprake is van het
                            ontbreken van arbeidsmarktperspectief. Dit in samenhang met de onder
                            punt 2.7 genoemde verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen en aanvaarden. </al><al/><al> Concreet wordt er dus gesteld dat als iemand al zestig maanden geen
                            arbeid heeft verricht dit een indicatie is voor het ontbreken van
                            arbeidsmarktperspectief. Verder kan het feit dat in een onderzoek is
                            vastgesteld dat een persoon geen arbeidsmarktmogelijkheden meer heeft
                            een indicatie zijn voor het ontbreken van arbeidsmarktperspectief. Bij
                            de beoordeling of iemand tot de doelgroep behoort, wordt er namelijk
                            onderzoek gedaan naar de gezondheid en belastbaarheid van de persoon. </al><al/><al>Naast het arbeidsmarktperspectief moet de gemeente voor elke klant de
                            verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                            aanvaarden beoordelen. Hierover meer in de volgende paragraaf. </al></artikel><artikel><kop><label>2.7</label><titel>Verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                                aanvaarden</titel></kop><al/><al>Relevant wetsartikel: </al><al>Artikel 36 lid 1 onder c WWB: “ ….gedurende in het onderdeel a bedoelde
                            periode naar het oordeel van het bestuur voldoende heeft getracht
                            algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden….” </al><al/><al> In beginsel is iedere persoon van 18 jaar of ouder maar wel jonger dan
                            65 jaar, die een uitkering ingevolge de WWB / IOAW en IOAZ ontvangt,
                            verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en te aanvaarden en te houden. Categoriale ontheffingen van de
                            verplichting tot arbeidsinschakeling, zoals in de Abw voor alleenstaande
                            ouders en personen van 57 ½ en ouder, zijn als gevolg van de WWB niet
                            meer mogelijk. </al><al/><al>Bij de beoordeling of iemand voor een langdurigheidstoeslag in
                            aanmerking komt, moet dus worden bekeken of iemand voldoende heeft
                            voldaan aan de voorwaarde om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en aanvaarden. Dit kan aan de hand van de onderzoeken die reeds zijn
                            verricht in het kader van de doelmatigheid van de uitkering
                            (heronderzoeken). </al><al>Daarnaast kan het wel of niet verlagen van de uitkering een leidraad
                            zijn voor de beoordeling van het recht op de toeslag. Uiteraard moet de
                            verlaging dan betrekking hebben op een verlaging wegens het niet voldoen
                            aan de voorwaarde om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                            aanvaarden. Een persoon kan een toeslag ontvangen als er gedurende
                            zestig maanden aan deze voorwaarde is voldaan. Bij personen die in de
                            referte-periode in een andere gemeente hebben gewoond, moet bij die
                            andere gemeente(n) worden geïnformeerd of er maatregelen zijn opgelegd. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 3</onderstreept></vet></al><al><vet>De Gemeente Kerkrade heeft besloten dat indien in de
                                referte-periode op grond van</vet></al><al><vet> * de Afstemmingsverordening </vet></al><al><vet>dan wel op grond </vet></al><al><vet>* het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz </vet></al><al><vet> een verlaging is opgelegd wegens onvoldoende naleving van de
                                arbeidsverplichting, er geen recht bestaat op langdurigheidstoeslag.
                            </vet></al><al/><al>Voor personen met een WAO/WIA, WAJONG of WAZ-uitkering van het UWV
                            gelden deze arbeidsvoorwaarden ook. Bij deze groep is het voor de
                            gemeente niet eenvoudig te achterhalen of aan deze voorwaarde is
                            voldaan. Ook in deze gevallen kan wel of niet verlagen van de uitkering
                            wegens het niet voldoen aan de voorwaarde om algemeen geaccepteerde
                            arbeid te verkrijgen en aanvaarden een leidraad zijn voor de beoordeling
                            van het recht op de toeslag. </al><al/><al>Een verklaring van het UWV hierover kan duidelijkheid scheppen. Met het
                            UWV zijn hieromtrent afspraken gemaakt. </al><al/><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al>De gemeente vraagt per aanvraag of collectief per
                                                e-mail, volgens voorgeschreven model, informatie op
                                                bij het UWV. De informatie dient een opgave te zijn
                                                van het wel of niet verlagen c.q. weigeren van de
                                                uitkering over de afgelopen vijf jaar. Zie bijlage
                                                1. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij niet-uitkeringsgerechtigden speelt een ander probleem. Zij zijn door
                            geen enkele instantie beoordeeld op arbeidsmogelijkheden voor de
                            arbeidsmarkt. De gemeente zal in die gevallen een oordeel moeten vormen
                            over de mogelijkheden van de aanvrager en of er wordt voldaan aan de
                            voorwaarden van de langdurigheidstoeslag. Deze situatie zal zich niet
                            vaak voordoen maar is wel mogelijk. Te denken valt aan bijvoorbeeld
                            iemand met alimentatie op minimumniveau. </al><al/><al>Personen met een ANW-uitkering hebben evenmin verplichting om algemeen
                            geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden. Bij deze groep zal de
                            gemeente dus ook een eigen oordeel moeten vellen over de
                            arbeidsmogelijkheden van de aanvrager. En evenals bij de
                            UWV-uitkeringsgerechtigden zal per e-mail informatie worden opgevraagd.
                            In dit geval bij de SVB. </al><al/><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al>Gelet op het aantal te verwachten aanvragen van
                                                personen met een ANW-uitkering en de groep
                                                niet-uitkeringsgerechtigden wordt uit het oogpunt
                                                van efficiëntie een eenvoudige gedragslijn
                                                gehanteerd.</al><al> Individuele beoordeling zal aan de hand van de
                                                aanvraag dienen te geschieden m.b.t. het voldoen aan
                                                de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te
                                                verkrijgen en aanvaarden. Rekening wordt gehouden
                                                met een inschrijving als werkzoekende bij het
                                                Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en het aantonen
                                                van sollicitatie activiteiten. </al><al>De beoordeling van de voorwaarde om algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen, aanvaarden en te
                                                behouden voor Anw-ers zal van toepassing zijn, nadat
                                                men bij de eerste toekenning van de
                                                langdurigheidstoeslag hiervan schriftelijk in kennis
                                                is gesteld. Men dient zich derhalve o.a. in te
                                                schrijven bij het CWI. </al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>2.8</label><titel>Aparte doelgroep arbeidsongeschikten</titel></kop><al>Zoals reeds eerder is aangegeven, behoren personen met een inkomen in
                            verband met arbeid niet tot de doelgroep. Een uitzondering hierop vormen
                            personen van 23 jaar en ouder met een arbeidsongeschiktheidspercentage
                            van 80 – 100 %, die een WAO / WIA uitkering ontvangen. Zij kunnen onder
                            voorwaarden (artikel 36 lid 4 ) in aanmerking komen voor een
                            langdurigheidstoeslag. Deze voorwaarden zijn onder meer de volgende: 1.
                            Recht op een uitkering op grond van:</al><al> · Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of; </al><al>· Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of; </al><al>· Wet arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen jonggehandicapten. </al><al>2. De uitkering dient berekend te zijn op een arbeidsongeschiktheid van
                            ten minste 80 procent. </al><al>3. Bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is afgezien van het
                            arbeidsdeskundig onderzoek. </al><al/><al> Bij de hierboven genoemde groep kan het voorkomen dat mensen geen
                            arbeidsperspectief hebben maar wel (in het verleden) een
                            arbeidsdeskundig onderzoek hebben gekregen. Daarom heeft de
                            staatssecretaris aangegeven dat als het UWV nadien tot de eindconclusie
                            is gekomen dat de belanghebbende geen resterende verdiencapaciteit
                            heeft, er wèl recht bestaat op langdurigheidstoeslag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Tracering van de doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al><vet><cursief>Be</cursief></vet><vet><cursief>stand
                                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en Sociale
                                        Verzekeringsbank</cursief></vet></al><al/><al> Het UWV moet zelf zorgen voor de reïntegratie van het eigen
                                klantenbestand. Een gedeelte van hun bestand kan in aanmerking komen
                                voor een langdurigheidstoeslag via de gemeente, te weten personen
                                met een WAO/WIA-, Waz- en Wajong-uitkering met een
                                arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 – 100% (zie voor de andere
                                voorwaarden 2.8). Deze doelgroep is voorgelicht door het UWV.
                                Omtrent de gegevensuitwisseling zijn landelijk afspraken gemaakt.
                                Voor personen met een ANW-uitkering is de Sociale Verzekeringsbank
                                (SVB) de uitkeringsinstantie. Voor de beoordeling van aanvragen om
                                toeslag vanuit deze groep zijn eveneens landelijk met de SVB
                                afspraken gemaakt over gegevensuitwisseling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>2.9.2</label><titel>Voorlichting</titel></kop><al> Naast de bovengenoemde groepen, is er nog een groep die aanspraak kan
                            maken op een langdurigheidstoeslag. Het gaat om personen die een inkomen
                            ontvangen anders dan hierboven aangegeven, bijvoorbeeld personen die
                            uitsluitend alimentatie ontvangen op minimumniveau. Door middel van
                            voorlichting in het Stadsjournaal en op de website kan ook deze groep
                            bereikt worden. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel/></kop><paragraaf><kop><label>3.1</label><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Elke aanvraag om langdurigheidstoeslag moet individueel getoetst
                                worden. Dit uiteraard in overeenstemming met de voorwaarden van
                                artikel 36 WWB en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><al>In artikel 35 lid 6 WWB staan de overige artikelen van de WWB
                                genoemd die van toepassing zijn op de langdurigheidstoeslag. Immers
                                door de aparte positie die de langdurigheidstoeslag inneemt binnen
                                de WWB, zij niet alle artikelen van de WWB van toepassing op de
                                toeslag. </al><al>De artikelen van de WWB die van toepassing zijn op de aanvraag zijn
                                de volgende: </al><al>· Artikel 13 1e lid onder a en 3e lid (uitsluiting bijstand) </al><al> · Artikel 40 (woonplaats en adresgegevens) </al><al>· Artikel 54 (onjuiste gegevens en voldoende medewerking) </al><al> · Artikel 63 (inlichtingenverplichting werkgever) </al><al/><al>Daarnaast valt de langdurigheidstoeslag onder de werking van artikel
                                17 2e, 3e en 4e lid WWB omdat daarin sprake is van “voor de
                                uitvoering van deze wet”. </al><al> Ter beperking van de uitvoeringskosten wordt zo efficiënt mogelijk
                                gewerkt. Daarbij wordt gebruik gemaakt van gestandaardiseerde
                                aanvraag- en inlichtingenformulieren. Deze zijn ontwikkeld binnen de
                                gemeente en behoren tot het standaardpakket voor de uitvoering. </al><al> Deze formulieren zijn voor bijstandsgerechtigden korter dan voor
                                niet bijstandsgerechtigden. Dit omdat wij bij bijstandsgerechtigden
                                al over veel zo niet alle gegevens beschikken. </al><al/><al>Volgens artikel 36, eerste lid, WWB wordt de langdurigheidstoeslag
                                op aanvraag verleend. De wetgever heeft echter geen nadere beperking
                                willen stellen voor het tijdstip waarop een aanvraag gedaan dient te
                                worden. Volgens artikel 36, derde lid, WWB is de ingangsdatum de
                                (peil)datum waarop de periode van zestig maanden is bereikt.
                                Hierdoor ontstaat het eerstvolgende recht op een
                                langdurigheidstoeslag telkens 12 maanden na bovengenoemde peildatum.
                                Het is daarmee dus mogelijk dat een belanghebbende binnen een
                                periode van 12 maanden (of zelfs gelijktijdig) meerdere aanvragen
                                doet welke alle voor toekenning in aanmerking komen, zolang de datum
                                waartegen wordt toegekend maar steeds 12 maanden later is dan een
                                eerdere datum waartegen is toegekend. Dit betekent dat indien in
                                augustus 2006 een langdurigheidstoeslag wordt aangevraagd, en deze
                                per peildatum 1 januari 2005 wordt toegekend omdat per die datum aan
                                alle voorwaarden voor de toeslag is voldaan, er per 1 januari 2006
                                weer recht op een langdurigheidstoeslag ontstaat – uiteraard indien
                                per die datum aan alle voorwaarden wordt voldaan. Zo kan dus in 2006
                                zowel een langdurigheidstoeslag over het jaar 2004 als over de jaren
                                2005 en 2006 toegekend en uitbetaald worden. </al><al/><al>Ter voorkoming van fiscale problemen wordt geadviseerd duidelijk in
                                zowel de beschikking als in de uitbetaling tot uitdrukking te laten
                                komen dat de langdurigheidstoeslagen diverse perioden betreffen.
                                Daarmee wordt voorkomen dat deze fiscaal worden belast vanwege het
                                feit dat het geen uitbetaling betreft van een fiscaal onbelast
                                bedrag dat betrekking lijkt te hebben op één periode.</al></artikel><artikel><kop><label>3.2</label><titel>Uitkering</titel></kop><al>In deze paragraaf komen de volgende aspecten van de
                                langdurigheidstoeslag aan de orde: </al><al> 1. de hoogte van de toeslag </al><al>2. de wijze van betaling </al><al>3. de fiscale aspecten van de toeslag 4. beslag 5. terugvordering 6.
                                verhaal </al></artikel><artikel><kop><label>3.2.1</label><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><al>De hoogte van de langdurigheidstoeslag bedraagt (per 1 januari 2007)
                                voor: · Gehuwden € 478 per jaar </al><al> · Alleenstaande ouder € 430 per jaar · </al><al>Alleenstaande € 336 per jaar </al><al>Genoemde bedragen kunnen jaarlijks – conform artikel 39, lid 2 WWB –
                                gewijzigd worden. </al><al/></artikel><artikel><kop><nr>3.2.2</nr><titel>Wijze van betaling </titel></kop><al>De langdurigheidstoeslag is bedoeld om personen die geen perspectief
                                op arbeid hebben, een vergelijkbare inkomenspositie te bieden met
                                personen van 65 jaar en ouder. </al><al/><al>In plaats van verhoging van de maandelijkse uitkeringsnorm ( zoals
                                de 65-plussers), vindt de betaling van de langdurigheidstoeslag
                                eenmaal per jaar plaats. Met het bedrag ineens kunnen cliënten
                                bijvoorbeeld vervangingsuitgaven doen. </al></artikel><artikel><kop><label>3.2.3</label><titel>Fiscale aspecten</titel></kop><al>Overeenkomstig artikel 3:142 van de Wet op de Inkomstenbelasting
                                wordt de langdurigheidstoeslag in één belastingvrij bedrag
                                uitbetaald. De toeslag is derhalve onbelast.</al></artikel><artikel><kop><label>3.2.4</label><titel>Beslag</titel></kop><al>Uit artikel 36 WWB lid 6 blijkt dat artikel 46 1e, 2e, 4e en 5e lid
                                WWB overeenkomstig van toepassing is. Hieruit volgt dat de
                                langdurigheidstoeslag vatbaar is voor beslag. De toeslag valt dus
                                onder de beslagregels die ook voor de algemene bijstand gelden.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>3.2.5</label><titel>Terugvordering</titel></kop><al>In artikel 36 lid 6 WWB staat dat paragraaf 6.4 terugvordering
                                (artikelen 58,59 en 60) van de WWB overeenkomstig van toepassing is
                                op de langdurigheidstoeslag. </al></artikel><artikel><kop><label>3.2.6</label><titel>Verhaal</titel></kop><al>In artikel 36 lid 6 WWB staat dat paragraaf 6.5 terugvordering
                                (artikelen 61 en 62) van de WWB overeenkomstig van toepassing is op
                                de langdurigheidstoeslag. </al></artikel><artikel><kop><label>3.3</label><titel>Verlaging</titel></kop><al>De gemeente is op grond van artikel 8 WWB verplicht een beleid vast
                                te stellen op het gebied van verlaging van de uitkering. In de
                                afstemmingsverordening heeft de gemeente vastgelegd op welke wijze
                                de uitkering wordt verlaagd wegens het onvoldoend betoond besef van
                                verantwoordelijkheid of het niet nakomen van verplichtingen. Een
                                goed en consequent beleid vereenvoudigt de uitvoering van de
                                langdurigheidstoeslag. Dan kan immers gesteld worden dat als er geen
                                verlaging is opgelegd, de persoon voldoende getracht heeft werk te
                                verkrijgen en te aanvaarden. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 4</onderstreept></vet></al><al><vet> De langdurigheidstoeslag kan verlaagd worden (artikel 36 lid 6
                                    WWB). In artikel 3 van de Afstemmingsverordening is echter
                                    bepaald dat een maatregel alleen wordt toegepast op de
                                    bijstandsnorm en slechts in incidentele situaties op de
                                    bijzondere bijstand. Langdurigheidstoeslag is noch algemene noch
                                    bijzondere bijstand. Hetgeen impliceert dat een verlaging van de
                                    Langdurigheidstoeslag niet aan de orde is. </vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>4</label><titel>Overgangsregeling</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>De aanpassing van artikel 36 WWB betekent dat wij in het verleden
                                aanvragen hebben moeten afwijzen die nu wij nu kunnen toekennen. </al><al/><al>Indertijd genomen besluiten zijn natuurlijk onherroepelijk geworden.
                                Deze besluiten hoeven daarom niet herzien te worden. Maar aangezien
                                er geen bepaling in de wet is opgenomen aangaande de beperking van
                                het aanvragen met terugwerkende kracht staat het mensen vrij opnieuw
                                een aanvraag in te dienen over een op basis van de oude wetgeving
                                afgewezen periode. Deze aanvragen zullen dan opnieuw beoordeeld
                                moeten worden. Bij deze nieuwe beoordeling moeten alle feiten
                                opnieuw bekeken worden. Belangrijk daarbij is het gegeven dat de
                                onderhavige wetswijziging NIET als nieuw feit mag worden gezien.
                                Hetgeen betekent dat de uitkomst van het nieuwe onderzoek in de
                                regel geen andere zal zijn dan voordien. Het heeft feitelijk dus
                                geen zin wanneer mensen een nieuwe aanvraag indienen. </al><al/><al><vet><onderstreept>Advies </onderstreept></vet></al><al><vet> Wij adviseren daarom aan de inwoners van de gemeente Kerkrade
                                    kenbaar te maken dat het indienen van een nieuwe aanvraag
                                    Langdurigheidstoeslag over een eerder afgewezen periode mogelijk
                                    is. Men moet zich echter realiseren dat de uitkomsten van een
                                    nieuw onderzoek niet tot een ander besluit dan het eerder
                                    genomen hoeft te leiden. </vet></al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Samenvatting voorstellen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>(voorwaardencriterium)</titel></kop><al>Naar het oordeel van de gemeente Kerkrade is er geen sprake van
                            arbeidsmarktperspectief indien de in artikel 36, lid 1 onder b bedoelde
                            inkomsten uit of in verband met arbeid </al><al> in de periode van zestig maanden </al><al> per periode van 12 maanden </al><al> het bedrag zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder k WWB jo. artikel 7
                            onder h Regeling WWB (de vrij te laten onkostenvergoeding voor
                            vrijwilligerswerk zonder dat er sprake is van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling) zoals dat geldt per 1 januari van het jaar waarop
                            de aanvraag langdurigheidstoeslag betrekking heeft niet overstijgt en
                            wordt de langdurigheidstoeslag indien aan de overige voorwaarden is
                            voldaan, toegekend. </al><al/><al>Het definiëren van de ‘zeer geringe duur’ is niet noodzakelijk. Indien
                            in een periode van zestig maanden per 12 maanden slechts het
                            refertebedrag is verdiend, is de duur van de periode waarin de inkomsten
                            zijn ontvangen relatief gezien altijd ‘zeer gering’. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>(voorwaardencriterium)</titel></kop><al>De gemeente Kerkrade heeft premiebeleid vastgesteld. De premie
                            vrijwilligerswerk varieert van € 0,-- per jaar bij werkzaamheden van
                            maximaal 6 uur per week tot € 540,-- per jaar bij werkzaamheden van </al><al>16 uur per week of meer. Deze premie wordt niet meegenomen in de
                            bepaling van de hoogte van het inkomen. Het zou ontmoedigend werken op
                            de doelgroep als hun inspanningen deel te nemen aan de maatschappij
                            zouden leiden tot het verlies van de langdurigheidstoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>(voorwaardencriterium)</titel></kop><al>De gemeente Kerkrade heeft besloten dat indien in de referte-periode op
                            grond van </al><al>* de Afstemmingsverordening </al><al>dan wel op grond </al><al>* het Maatregelenbesluit Awb, Ioaw en Ioaz</al><al>een verlaging is opgelegd wegens onvoldoende naleving van de
                            arbeidsverplichting, er geen recht bestaat op
                            langdurigheidstoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>(voorwaardencriterium)</titel></kop><al>De langdurigheidstoeslag kan verlaagd worden (artikel 36 lid 6 WWB). In
                            artikel 3 van de Afstemmingsverordening is echter bepaald dat een
                            maatregel alleen wordt toegepast op de bijstandsnorm en slechts in
                            incidentele situaties op de bijzondere bijstand. Langdurigheidstoeslag
                            is noch algemene noch bijzondere bijstand. Hetgeen impliceert dat een
                            verlaging van de Langdurigheidstoeslag niet aan de orde is. </al><al/><al><vet><onderstreept>Advies</onderstreept></vet></al><al><vet>Wij adviseren daarom aan de inwoners van de gemeente Kerkrade
                                kenbaar te maken dat het indienen van een nieuwe aanvraag
                                Langdurigheidstoeslag over een eerder afgewezen periode mogelijk is.
                                Men moet zich echter realiseren dat de uitkomsten van een nieuw
                                onderzoek niet tot een ander besluit dan het eerder genomen hoeft te
                                leiden. </vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van
                        Kerkrade in zijn vergadering van 30 september 2007.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester, de secretaris,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.J.M. Som, mr. C.M. Kuikman</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel/></kop><al><vet> Procedure opvragen gegevens bij UWV </vet></al><al/><al>De standaardgegevensset kan worden opgevraagd door een mail te sturen naar het
                    UWV (gsa@uwv.nl). </al><al>· Als onderwerp van de mail moet worden vermeld: ‘LDT; beoordeling
                    langdurigheidstoeslag WWB’ </al><al>· Het gegevensverzoek moet de volgende tekst bevatten: </al><al>In verband met de aanvraag voor een langdurigheidstoeslag vragen wij op grond
                    van artikel 64 eerste lid onderdeel b WWB de standaardgegevensset op over de
                    periode [periode] betreffende onderstaande persoon: </al><al> o Naam : [naam] </al><al>o BSN : [BSN/Sofi-nummer] </al><al>o Geb. datum : [geboortedatum] </al><al>· Het standaardgegevensverzoek dient in een WORD-document naar UWV gemaild te
                    worden. Dit WORD-document dient aan dezelfde eisen te voldoen als een brief die
                    per post wordt verstuurd. Dit houdt ook in dat het officiële logo van de
                    gemeente op de brief moet staan.</al><al> · De naam, telefoon- en faxnummers van de gemeentelijke contactpersoon en het
                    postadres van de gemeente dienen vermeld te zijn. </al><al> De staandaardgegevensset kan bij het UWV ook per post worden opgevraagd. Het
                    postadres is: </al><al>UWV </al><al>Afdeling GSA </al><al>Postbus 8300 </al><al>1005 CA Amsterdam </al><al> Bovenstaande tekst over de standaardgegevenset van UWVen SVB is gebaseerd op
                    punt 7 van de bijlage bij de Verzamelbrief januari 2004 en punt 6 van de bijlage
                    bij de Verzamelbrief juni 2004 en bijgewerkt naar aanleiding van punt 7 van de
                    Verzamelbrief april 2007 van de staatssecretaris van SZW. </al></bijlage></regeling></body></cvdr>