<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR104691_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening WWB, Ioaw en Ioaz</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Parkstad, 08-06-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening WWB, Ioaw, Ioaz</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-05-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011 / 4 / 5</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Werk, zorg en inkomen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand d.d. 17-06-10</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening WWB, Ioaw en Ioaz</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Voerendaal,</al><al/><al>Gezien het advies van de commissie Samenleving,</al><al/><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders,</al><al/><al>gelet op het bepaalde in de Wet werk en bijstand;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in artikel 20 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in de artikelen 28 en 29 van de Wet structuur
                        uitvoeringsorganisaties werk en inkomen;</al><al/><al>gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>BESLUIT:</al><lijst><li nr="·"><al>Vast te stellen “Maatregelenverordening WWB, Ioaw en Ioaz”;</al></li><li nr="·"><al>In te trekken de “Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand” zoals
                                vastgesteld op 17 juni 2010</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>1.a) de wet: de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen;</al><al>1. b) maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van de wet; </al><al>1. c) benadelingbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of
                            niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is
                            verleend als uitkering op grond van de wet;</al><al>d) witte fraude: fraude die blijkt of kan blijken uit de
                            gegevensvergelijkingen tussen officiële bij wet of wettelijk voorschrift
                            ingestelde registraties, bestanden of administraties, die zien op het
                            inkomen en/of de inkomsten en/of het vermogen.</al><al>2.Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de
                            Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of artikel 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, kan overeenkomstig deze verordening
                                een maatregel worden opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de van toepassing zijnde bijstandsnorm
                            dan wel de grondslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstandsnorm dan wel de grondslag wordt verlaagd
                            en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                            standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien opleggen maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                indien:</al><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging
                                door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een
                                schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                gedraging ten onrechte uitkering is verleend. Een maatregel wegens
                                schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop
                                van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Indien het college afziet
                                van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen,
                                wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer een belanghebbende een gedraging pleegt als bedoeld in
                                artikel 8 lid 2 van deze verordening bij het indienen van een
                                aanvraag die buiten behandeling wordt gesteld, wordt een maatregel
                                niet eerder opgelegd dan nadat een schriftelijke waarschuwing is
                                gegeven. Bij recidive wordt een maatregel opgelegd zonder
                                schriftelijke waarschuwing vooraf. Indien de bedoelde gedraging
                                betrekking heeft op het niet of niet tijdig Inleveren van het
                                rechtmatig -heidsonderzoekformulier (of de vervanger daarvan), wordt
                                eerst een schriftelijke waarschuwing gegeven in de vorm van een
                                termijn van orde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum maatregel</titel></kop><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                            kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen
                            van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. </al><al>Indien dit niet (meer) mogelijk is en tot het opleggen van een maatregel
                            is besloten wordt de bijstand met terugwerkende kracht herzien indien
                            niet de volledige bijstand wordt herzien en ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>Bij samenloop van meerdere gedragingen die elk een maatregel tot gevolg
                            hebben, wordt voor iedere gedraging afzonderlijk een maatregel opgelegd
                            en worden de maatregelen bij elkaar opgeteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE UIT DE WET VOORTVLOEIENDE VERPLICHTINGEN EN
                            TEKORTSCHIETEND BESEF VAN VERANTWOORDELIJKHEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedraging van de eerste categorie</titel></kop><al>De volgende gedraging leidt tot een verlaging van de uitkering met 10%
                            voor de duur van een maand:</al><lijst><li nr="1."><al>het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij het UWV
                                    Werkbedrijf, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen
                                    verlengen;</al></li><li nr="2."><al>het niet tijdig verstrekken van informatie die van belang is
                                    voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Gedraging van de tweede categorie</titel></kop><al>De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met
                            20% voor de duur van een maand:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en te aanvaarden;</al></li><li nr="2."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in
                                    verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en
                                    tijd te verschijnen;</al></li><li nr="3."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                    naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan wel aan een
                                    onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding;</al></li><li nr="4."><al>het in onvoldoende mate nakomen van een of meerdere opgelegde
                                    verplichtingen zoals bedoeld in artikel 55 van de Wet werk en
                                    bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Gedraging van de derde categorie</titel></kop><al>De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met
                            40% voor de duur van een maand:</al><lijst><li nr="1."><al>gedragingen die de inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid
                                    belemmeren;</al></li><li nr="2."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                    participatietraject en / of een aangeboden voorziening, gericht
                                    op arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Gedraging van de vierde categorie</titel></kop><al>De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met
                            100% voor de duur van een maand:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende de inlichtingenplicht zoals bedoeld in
                                    artikel 17, eerste lid, van de wet niet of niet behoorlijk is
                                    nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te
                                    doen, wordt een maatregel opgelegd als bedoeld in lid 2.</al></li><li nr="2."><al>Bij gedragingen als bedoeld in artikel 12 lid 1 van deze
                                    verordening wordt een maatregel opgelegd in de vorm van een
                                    verlaging van 10% van het bruto benadelingbedrag, met dien
                                    verstande dat zij op tenminste € 50,00 wordt vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>De maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt
                                    niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het
                                    openbaar ministerie en blijft definitief achterwege indien het
                                    Openbaar Ministerie ter zake strafvervolging heeft ingesteld en
                                    het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan
                                    wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel
                                    74 van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Indien het Openbaar Ministerie besluit niet over te gaan tot
                                    vervolging, wordt alsnog een individueel te bepalen maatregel
                                    opgelegd, waarbij de zwaarte wordt afgestemd op de hoogte van
                                    het benadelingbedrag als bedoeld in artikel 12 lid 2 van deze
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Onverantwoord interen op vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien voorafgaand aan dan wel ten tijde van de bijstandsverlening
                                over een vermogen kon worden beschikt boven het bescheiden vrij te
                                laten vermogen conform artikel 34 lid 2 sub b en lid 3 van de Wet
                                werk en bijstand en hierop is ingeteerd op een wijze die getuigt van
                                een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan wordt een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze maatregel heeft een hoogte van 20 procent van de bijstandsnorm
                                voor de duur van het aantal maanden dat geen beroep op bijstand
                                mogelijk zou zijn geweest indien wel aan de verplichting was
                                voldaan. Dit met een maximum van 36 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens raadsleden,
                                commissieleden dan wel jegens burgemeester en wethouders en/of hun
                                medewerkers, wordt een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder de term ‘zeer ernstig misdragen’ worden diverse vormen van
                                agressie verstaan gerelateerd aan de bijstandsafhankelijkheid van de
                                agressor. Met dien verstande dat er sprake moet zijn van
                                verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer
                                in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Misdragingen worden onderscheiden in de volgende twee
                                categorieën:</al><al> a) telefonische en schriftelijke agressie en agressief gedrag
                                (zoals schelden, discrimineren, grof taalgebruik, grof veroordelen /
                                in toelichting opnemen).</al><al> b) bedreiging in elke vorm en fysiek geweld gericht op personen,
                                gebouw of inventaris.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij gedragingen als bedoeld in dit artikel wordt een maatregel
                                opgelegd als volgt:</al><al> a) twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                gedragingen als bedoeld in lid 3 sub a;</al><al> b) vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij
                                gedragingen als bedoeld in lid 3 sub b.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging wordt de duur van de maatregel
                                verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij herhaalde recidive stelt het college de hoogte van de maatregel
                                individueel vast. Waarbij tijdelijke uitsluiting van het recht op
                                bijstand tot de mogelijkheden behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij recidive bij het niet nakomen van de inlichtingsplicht, zoals
                                bedoeld in artikel 12 van deze verordening, maar waarbij geen sprake
                                is van financiële benadeling, wordt de verlaging telkenmale
                                vastgesteld op € 50,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in zeer bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van
                                de bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing
                                daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele
                                onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2011 onder
                            gelijktijdige intrekking van de Afstemmingsverordening Wet werk en
                            bijstand, vastgesteld door de raad op 17 juni 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Maatregelenverordening WWB,
                            Ioaw, Ioaz”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 26 mei
                        2011,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>Op basis van het bepaalde in artikel 8 lid 1 sub b WWB dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels te stellen met betrekking tot het verlagen van de bijstand ,
                    de zogenaamde afstemmingsverordening.</al><al>In deze verordening wordt op gemeentelijk niveau vastgelegd op welke wijze de
                    bijstand wordt verlaagd indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit
                    de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. De inhoud is op
                    regionaal niveau afgestemd, aangezien samenwerking steeds meer op de schaal van
                    de regio plaats vindt. Denk hierbij aan het Werkplein, maar ook het gezamenlijk
                    aanbesteden op het gebied van re-integratie. </al><al>De wet schrijft voor dat bij de vaststelling van de afstemmingsverordening het
                    proportionaliteitsbeginsel in acht genomen moet worden. Dit houdt in dat de
                    hoogte van de verlaging goed moet zijn afgewogen tegen de ernst van de
                    verwijtbare nalatigheid van de individuele betrokkene.</al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate zijn nagekomen wordt in de terminologie van de WWB aangeduid
                    als het ‘ afstemmen ‘ van de bijstand. Met dit begrip wordt het uitgangspunt van
                    de WWB benadrukt dat rechten en plichten twee kanten van een medaille zijn. Het
                    opleggen van een maatregel is geen punitieve sanctie, gericht op het
                    leedtoevoegend karakter, maar een reparatoire sanctie, gericht op het (weer) in
                    overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de
                    bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt.</al><al>Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten
                    om weer onafhankelijk van een uitkering te worden. </al><al><cursief>De term 'maatregel' </cursief></al><al>Het verlagen van de uitkering op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de WWB
                    aangeduid als afstemming. Bij de IOAW en IOAZ wordt dit aangeduid als verlaging.
                    Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term ‘maatregel’. Daarmee wordt niet
                    alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat ook binnen de bijstandspraktijk
                    gangbaar is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan benadrukt. Om die
                    reden is in de verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een verlaging aan te
                    duiden.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al>Hieronder de artikelen die nadere toelichting behoeven.</al><al>De overige artikelen hoeven geen toelichting.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Het begrippenkader in het kader van deze verordening is gebaseerd op de Wet
                        werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere
                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                        verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat
                                uit twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="·"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                        verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="·"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college
                                        aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                        arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten
                                        worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn
                                        toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                                        bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening die elke
                                        gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis voor
                                        opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                                        verplichtingen moeten in het besluit tot het verlenen van
                                        bijstand worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op
                                verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle
                                feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet
                                zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
                                het recht op bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                                uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                                verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.
                                De medewerkingplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen
                                bestaan, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="·"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending
                        van de medewerkingplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                        misdragen’.</al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                        betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de
                        Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de
                        beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de
                        verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                        omstandigheden mee te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen,
                        waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
                        zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of
                        de hoogte of de duur van de bijstand.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld
                        in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>Het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele
                        omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze
                        bepaling brengt met zich mee dat bij elke op te leggen maatregel zal moeten
                        nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                        uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                        voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                        standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd,
                        en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="·"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="·"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="·"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                        over de bijstandsnorm dan wel grondslag. Onder de bijstandsnorm wordt
                        verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                        inclusief vakantietoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de uitkering omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                        plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                        het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                        rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name
                        het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat
                        een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd
                        (afdeling 3.7 Awb). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien opleggen maatregel</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging
                        heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat
                        het college geen maatregelen opgelegd voor gedragingen die langer dan één
                        jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                        jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel
                        14e van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete
                        wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt
                        voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het
                        feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
                        (het benadelingbedrag) vast te stellen.</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. </al><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                        maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                        redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                        voorhand worden vastgelegd. Het doen van een schriftelijke mededeling dat
                        het college afziet van het opleggen van een maatregel wegens dringende
                        redenen is van belang in verband met eventuele recidive.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij schending van de inlichtingenplicht waarbij belanghebbende alleen
                        zichzelf of niemand benadeelt wordt eerst een schriftelijke waarschuwing
                        gegeven, echter beperkt tot de gedraging zoals in artikel 8 lid 2 aangegeven
                        wanneer een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten en niet tijdige
                        Inlevering van het maandelijkse rechtmatigheidsonderzoekformulier of de
                        vervanger daarvan. In alle andere gevallen blijft deze waarschuwing
                        achterwege.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum maatregel</titel></kop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door middel van verlaging van
                        het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).</al><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode. Om die reden is in dit artikel vastgelegd dat een
                        maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                        waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Indien
                        zulks niet mogelijk is en er sprake is van financiële benadeling (van de
                        gemeente) c.q. financieel voordeel (van belanghebbende) wordt afstemming met
                        terugwerkende kracht toegepast. Het opleggen van een maatregel heeft
                        voorrang op de korting van eventuele inkomsten. Dit volgt uit het systeem
                        van de wet en is daarom niet apart in de verordening opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>Bij samenloop van meerdere verwijtbare gedragingen zijn er in beginsel 3
                        mogelijkheden: niet cumuleren van verlagingen, uitgaan van de meest ernstige
                        gedraging of de verlagingen gelijktijdig toepassen (cumuleren). Gekozen is
                        voor de laatste optie (cumulatie). Daarbij dient wel steeds een zorgvuldige,
                        op de persoon toegesneden, afweging te worden gemaakt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedraging van de eerste categorie</titel></kop><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende
                        in te schrijven bij het UWV en ingeschreven te blijven en tijdig de
                        informatie verstrekken die nodig is om het recht op uitkering te kunnen
                        beoordelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Gedraging van de tweede categorie</titel></kop><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                        arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van de
                        belanghebbende om voldoende te solliciteren.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In dit lid is expliciet alleen artikel 55 van de Wet werk en bijstand
                        genoemd omdat de IOAW en IOAZ geen artikel kent inzake nadere verplichtingen
                        zolas genoemd in artikel 55 van de Wet werk en bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Gedraging van de derde categorie</titel></kop><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding
                        vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren
                        daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten
                        aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op
                        arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn
                        negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het
                        opgesteld participatietraject waaronder ook sociale activering verplicht kan
                        worden gesteld. In de verzamelbrief d.d. 22 december 2010 verzocht de
                        staatssecretaris van Werkgelegenheid en Sociale Zaken met klem expliciet
                        regels te formuleren waarmee streng kan worden opgetreden tegen personen die
                        hun feitelijke kansen op arbeidsinschakeling belemmeren door hun gedrag of
                        kleding. Wij willen uiteraard niet tornen aan universele vrijheden zoals het
                        recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy), vrijheid van
                        meningsuiting (of expressie), gelijke behandeling (non-discriminatie) en
                        vrijheid van godsdienst. Dat neemt niet weg dat mensen zelf verantwoordelijk
                        zijn voor hun bestaansvoorziening. Als dat verwijtbaar niet gebeurt is er
                        sprake van maatregelwaardig gedrag als bedoeld in dit artikel. Het is
                        praktisch onmogelijk om uiterlijkheden in al zijn verschijningsvormen te
                        benoemen, laat staan om uitputtend aan te geven wat wel of niet kan. Wij
                        beoordelen dit daarom zowel individueel als situationeel. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Gedraging van de vierde categorie</titel></kop><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                        arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen
                        geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand
                        deeltijdarbeid niet behouden. Bij de vierde categorie wordt de uitkering
                        verlaagt met 100% voor de duur van een maand. Vanwege individuele
                        omstandigheden kan er ook voor gekozen worden om de uitkering te verlagen
                        met 50% gedurende de duur van de tekortkoming met een minimum van 2
                        maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Hoewel de inlichtingenplicht de meeste betekenis heeft inzake de verlening
                        van bijstand, is het ook van belang dat het college kennis draagt van feiten
                        en omstandigheden die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling van de
                        individuele belanghebbende. Om deze reden heeft de in het eerste lid van
                        artikel 17 WWB, artikel 13 IOAW dan wel artikel 13 IOAZ geregelde
                        inlichtingenverplichting betrekking op zowel de arbeidsinschakeling als het
                        recht op uitkering. Uitgangspunt blijft dat van de belanghebbende die een
                        beroep doet op een specifieke overheidsvoorziening, verlangd kan worden dat
                        hij voldoende gegevens en inlichtingen verstrekt die het de uitvoerder van
                        die voorziening mogelijk maakt te beoordelen of het beroep op die
                        voorziening terecht wordt gedaan. Het feit dat het college niet alleen bij
                        een aanvraag om bijstand of om ondersteuning bij arbeidsinschakeling, maar
                        ook in andere stadia van bijstandsverlening en arbeidsinschakeling, concrete
                        informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vraagt, laat onverlet dat
                        de belanghebbende onverwijld uit eigen beweging inlichtingen dient te
                        verstrekken indien het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die feiten
                        en omstandigheden, of de daarin opgetreden wijzigingen, van invloed kunnen
                        zijn op zijn arbeidsinschakeling of zijn recht op bijstand. Verstrekt de
                        belanghebbende niet of niet alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken,
                        dan heeft dat gevolgen voor de beoordeling door het college van burgemeester
                        en wethouders van het recht op bijstand of ondersteuning bij
                        arbeidsinschakeling.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De aan deze bepaling ten grondslag liggende gedachte is dat er in het kader
                        van de</al><al>proportionaliteit een verband dient te worden gelegd tussen de hoogte van de
                        maatregel en de ernst van de gedraging c.q. het bedrag waarvoor een
                        belanghebbende de gemeente benadeeld heeft.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In principe wordt bij fraude vanaf het bedrag als genoemd in de
                        frauderichtlijn sociale zekerheid aangifte gedaan bij het Openbaar
                        Ministerie (OM) en proces-verbaal opgemaakt te worden. Indien er ter zake
                        van hetzelfde feit een strafvervolging is ingesteld, wordt het opleggen van
                        de maatregel opgeschort zolang het OM de gedraging onderzoekt. Indien er
                        strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter
                        terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel er een schikking heeft
                        plaatsgevonden op grond van art. 74 Sr, blijft de maatregel definitief
                        achterwege.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het kan voorkomen dat het openbaar ministerie een fraudezaak terug verwijst
                        naar de gemeente, bijvoorbeeld omdat het benadelingbedrag lager wordt
                        berekend of omdat er procedurefouten zijn gemaakt. In dat geval wordt er
                        alsnog een verlaging opgelegd. De hoogte van de verlaging dient hierbij te
                        worden afgestemd analoog aan het bepaalde in de afstemmingsverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Onverantwoord interen op vermogen</titel></kop><al>Het op onverantwoorde wijze interen op vermogen heeft tot gevolg dat eerder
                        dan noodzakelijk sprake is van bijstandsbehoeftigheid. Het verlagen van de
                        bijstand voor een langere periode is een effectieve methode om te voorkomen
                        dat vermogen gedurende een relatief korte periode wordt uigegeven, waarna
                        een beroep wordt gedaan op de bijstand. Daarom is ervoor gekozen om te
                        kijken wat de omvang is van het vermogen dat op onverantwoord wijze is
                        ingeteerd om vervolgens te bezien hoeveel maanden hiermee voorzien had
                        kunnen worden in de noodzakelijke kosten van bestaan, gerelateerd aan de van
                        toepassing zijnde norm. In feite wordt dus een rekensom gemaakt:</al><al>ingeteerd vermogen gedeeld door de norm is aantal maanden.</al><al>Het aantal maanden dat uit deze berekening rolt is het aantal maanden dat de
                        uitkering in wordt verlaagd met 20 procent tot een maximum van 36 maanden. </al><al>In dit artikel is expliciet genoemd de Wet werk en bijstand aangezien de
                        IOAW en IOAZ geen onverantwoord interen op vermogen kent.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Een bijzondere situatie waarin sprake is van het niet nakomen van aan de
                        uitkering verbonden verplichtingen, is wanneer een belanghebbende zich zeer
                        ernstig misdraagt jegens raadsleden, commissieleden dan wel jegens
                        burgemeester en wethouders of hun medewerkers. Onder de term ‘zeer ernstig
                        misdragen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat
                        er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale
                        menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Recidive</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien er binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake
                        is van herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid
                        tot uitdrukking gebracht door verdubbeling van de periode waarover deze
                        maatregel wordt toegepast. </al><al>Indien er binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake
                        is van herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid
                        tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. </al><al>Onder eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                        aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                        dringende redenen niet is geëffectueerd.</al><al>Bij toepassing van recidive is niet altijd duidelijk van welk tijdstip moet
                        worden uitgegaan, het tijdstip van de feitelijke gedraging of van het
                        opleggen van de maatregel. Met “als verwijtbaar aangemerkte gedraging” wordt
                        aangegeven dat een gedraging eerst beoordeeld dient te worden alvorens deze
                        als verwijtbaar aangemerkt kan worden. Met andere woorden, bepalend is het
                        tijdstip van het opleggen van de maatregel c.q. de verzenddatum van de
                        beslissing.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Recidive wordt slechts een keer toegepast. Indien belanghebbende na een
                        tweede verwijtbare gedraging wederom herhaald verwijtbaar gedrag vertoont,
                        dient de verlaging in plaats van een verdubbeling van de duur bij recidive,
                        individueel vastgesteld te worden op basis van de ernst van het feit en de
                        gedraging en de mate van de verwijtbaarheid individueel vastgesteld te
                        worden in plaats van een verdubbeling van de duur bij recidive. Een van de
                        mogelijkheden is uitsluiten van het recht op bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In de afstemmingsverordening wordt op gemeentelijk niveau vastgelegd op
                        welke wijze de bijstand wordt afgestemd indien een belanghebbende een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening
                        in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of
                        onvoldoende nakomt. Voor die gevallen waarin onverkort toepassen van de
                        verordening zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid is de</al><al>hardheidsclausule opgenomen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Deze bepaling is in de verordening opgenomen voor het geval zich een
                        situatie mocht voordoen die niet onder de bepalingen van de verordening te
                        brengen is. In een dergelijk geval beslist het college van burgemeester en
                        wethouders.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>