<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR104620_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften Gemeente Bodegraven-Reeuwijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bodegraven-Reeuwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bodegraven-Reeuwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 7:13</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-01-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling o.b.v. VNG-modelverordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z-11-02170/INT-11-140</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften Gemeente Bodegraven-Reeuwijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende:</al><al/><al><vet>Verordening commissie bezwaarschriften Gemeente
                            Bodegraven-Reeuwijk</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                    genomen; </al></li><li nr="b."><al>wet: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="c."><al>commissie: vaste commissie van advies voor de
                                    bezwaarschriften;</al></li><li nr="d."><al>gemeente: gemeente Bodegraven-Reeuwijk</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De commissie bezwaarschriften</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie, als bedoeld in artikel 7:13 van de wet, ter
                                voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van de
                                raad, het college en de burgemeester. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die
                                zijn ingediend tegen besluiten op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de Wet
                                        waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>de besluiten opgenomen in de bijlage van de wet, de
                                        zogenaamde negatieve lijst.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling en Kamers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie kan kamers instellen, die belast worden met de
                                behandeling van bezwaarschriften. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke kamer vast
                                welke categorie of categorieën bezwaarschriften door haar zullen
                                worden behandeld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden: </al><lijst><li nr="a."><al>een voorzitter overeenkomstig artikel 7:13 Awb, zijnde de
                                        voorzitter of een van de leden van de commissie, uit haar
                                        midden aangewezen; </al></li><li nr="b."><al>ten minste twee andere leden, door de commissie aangewezen
                                        uit haar midden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie wijst uit haar midden voor elk lid een eerste en een
                                tweede plaatsvervanger aan. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kamer kan beslissen dat de behandeling van een bezwaarschrift
                                door de commissie zal geschieden. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de werkwijze van de kamers is het bepaalde in deze verordening zo
                                veel mogelijk van overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie treden af op de dag van
                                het aftreden van de raad. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                ontslag nemen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie
                                blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie en haar kamers is een door het
                                college aangewezen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de
                                secretaris aan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De behandeling van bezwaarschriften</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                aangetekend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo
                                spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de wet worden voor de toepassing van deze
                            verordening uitgeoefend door de voorzitter van de commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:6 , wat betreft het stellen van een termijn aan de
                                    indiener; </al></li><li nr="c."><al>artikel 6:17 , voor zover het de verzending van stukken betreft
                                    tijdens de behandeling door de commissie; </al></li><li nr="d."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                                inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo
                                nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien
                                daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                                vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                                zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                                gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de wet.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien
                                van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en
                                het verwerend orgaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                                minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                                verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken
                                het tijdstip van de zitting te wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één
                                week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en het
                                verwerend orgaan meegedeeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken
                                of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het
                                eerste tot en met het derde lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Quorum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van
                                het aantal leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn
                                plaatsvervanger, aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie kan van het bepaald in lid 1 afwijken en het horen
                                opdragen aan de daartoe aangewezen voorzitter of aangewezen
                                commissielid ex artikel 7:13 lid 3 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in
                            het geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zitting van de commissie is openbaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien
                                een belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten,
                                vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De zitting van de commissie vindt achter gesloten deuren plaats wat
                                betreft bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond
                                van de Wet werk en bijstand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de wet vermeldt de namen
                                van de aanwezigen en hun hoedanigheid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren
                                plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt
                                het verslag hiervan melding. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden,
                                die aan het verslag kunnen worden gehecht. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris
                                van de commissie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                commissieleden dit onderzoek houden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift
                                aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere
                                informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek richten
                                tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist
                                op zo'n verzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                                betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                                door haar uit te brengen advies. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al/><lijst><li nr="a."><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het
                                        uit te brengen advies. </al></li><li nr="b."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem
                                        van de voorzitter. </al></li><li nr="c."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding
                                        gemaakt indien die minderheid dat verlangt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                                beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de
                                commissie ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in
                                artikel 14 en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het
                                bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de
                                termijn als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de wet,
                                ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies
                                en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan
                                tijdig de beslissing te verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                belanghebbenden een afschrift. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften Bodegraven
                                2004 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het Reglement adviescommissie voor bezwaarschriften Reeuwijk 2006
                                wordt ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken
                            van een termijn van zes weken na de datum van haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                            bezwaarschriften gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van gemeente
                        Bodegraven-Reeuwijk, gehouden op 3 januari 2011.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. J.H. Rijs</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. J.P.J. Lokker</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Toelichting verordening commissie bezwaarschriften Gemeente
                        Bodegraven-Reeuwijk</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voor zover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></al><al/><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van
                    het begrip 'bestuursorgaan' hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening
                    voorkomt. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in
                    de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad
                    betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of een
                    commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde
                    bestuursorganen zijn overgedragen.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Inleidende bepaling commissie</vet></al><al/><al>In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en adviseren
                    door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze inleidende
                    bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat
                    onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al/><al>Het tweede lid een facultatieve bepaling. Van de hier geboden mogelijkheid wordt
                    gebruik gemaakt voor die bezwaarschriften die betrekking hebben op een zo
                    specifieke materie of voor onderwerpen waarover zulke grote aantallen
                    bezwaarschriften te verwachten zijn dat het wenselijk is daarvoor een andere
                    methodiek van horen en adviseren te hanteren. Daarom zijn de in lid 2 opgenomen
                    zaken uitgezonderd. Met betrekking tot sub a dient opgemerkt te worden dat de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ afwijkende of aanvullende
                    bepalingen bevatten over beslistermijnen, het horen en de geheimhouding. In
                    verband hiermee hebben wij ervoor gekozen ze in elk geval uit te zonderen.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</vet></al><al/><al>Als, bijvoorbeeld gelet op het grote aantal te behandelen geschriften of in
                    verband met een wenselijke splitsing naar onderwerp, daaraan behoefte bestaat,
                    kan de commissie worden opgesplitst in kamers. In dat geval dient gekozen te
                    worden voor de in de verordening opgenomen bepaling.</al><al/><al>Voor de samenstelling van een commissie voor bezwaarschriften ex artikel 7:13
                    Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb (Raad van State, 31-5-99, JG
                    1999/179).</al><al/><al><vet>Artikel 4 Zittingsduur</vet></al><al/><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan
                    ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van
                    lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van
                    orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Secretaris</vet></al><al/><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning
                    van de werkzaamheden.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift</vet></al><al/><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al>NB: In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5). </al></li><li nr="b."><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12): </al><lijst><li nr=" 1."><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7). </al></li><li nr="2."><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die
                                    waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt
                                    (artikel 6:8). </al></li><li nr="3."><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie
                                    van de verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel
                                    6:9, tweede lid). </al></li><li nr="4."><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                                    ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11). </al></li><li nr="5."><al>Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een
                                    besluit, is niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12). </al><lijst><li nr="a."><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift
                                            (artikel 6:14 tot en met 6:15): </al><lijst><li nr="1."><al>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door
                                                  het orgaan waarbij het bezwaarschrift is
                                                  ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat een
                                                  commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit kan
                                                  ook in een later stadium: zie ook de opmerkingen
                                                  in paragraaf 3 onder ambtelijke commissie (artikel
                                                  6:14). </al></li><li nr="2."><al>Doorzendplicht (artikel 6:15). </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al/><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al/><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                    ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren.
                    Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van
                    onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax
                    verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn
                    te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen
                    vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende
                    faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een
                    bezwaarschrift verzenden per e-mail is (nog) niet mogelijk. Er is een
                    voorontwerp van wet om de Awb te wijzigen opdat e-mailverkeer mogelijk wordt
                    (Wet elektronisch bestuurlijk verkeer). Wordt een bezwaarschrift per e-mail
                    ingediend, dan dient u de verzender op de hoogte te brengen van het feit dat dit
                    wettelijk nog niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het bezwaarschrift
                    alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail ingediend
                    bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden verklaard.</al><al/><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen
                    indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al/><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de afhandeling
                    geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier gestelde (zo spoedig
                    mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. </al><al/><al>De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het
                    bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van acht
                    weken wordt verlengd tot twaalf weken met een verdagingsmogelijkheid van
                    maximaal zes weken (artikel 7:10). Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt
                    dat het aanbeveling verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk stadium op de
                    hoogte te brengen van de te volgen procedure.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden</vet></al><al/><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift
                    maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander
                    lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn
                    in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al/><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt.</al><al/><al><cursief>Artikel 2:1, tweede lid</cursief></al><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><al><cursief>Toelichting</cursief></al><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al/><al><cursief>Artikel 6:6</cursief></al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><al><cursief>Toelichting</cursief></al><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                    door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn
                    daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle
                    gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel
                    dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met
                    een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit jurisprudentie over
                    belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een hersteltermijn, bij of
                    na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd dient te worden.</al><al/><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in
                    verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                    uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al/><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                    situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor -
                    ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien.</al><al/><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al/><al><cursief>Artikel 6:17</cursief></al><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><al><cursief>Toelichting</cursief></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al/><al>Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers
                    van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de
                    aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al/><al>Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het verstrekken
                    van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van een
                    belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).</al><al/><al><cursief>Artikel 7:4, tweede lid</cursief></al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><al><cursief>Toelichting</cursief></al><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.</al><al/><al>Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><al/><al><cursief>Artikel 7:6, vierde lid</cursief></al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al>Het derde lid van dit artikel luidt:</al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Vooronderzoek</vet></al><al/><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift genoegzaam voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de klager in contact te treden om
                    nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al/><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen. Deze kosten komen ten laste van de
                    gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien in de
                    normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om bijzondere
                    kosten gaat.</al><al/><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat dat college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in deze bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een machtiging
                    vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college door zo'n
                    toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie
                    daardoor aantast.</al><al/><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al/><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Hoorzitting</vet></al><al/><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 10 van deze
                    verordening.</al><al/><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is; </al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is; </al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of </al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
                        </al></li></lijst><al/><al>Ad d.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al/><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.</al><al/><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het
                    uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden.
                    Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een
                    bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op
                    welke grond dat is geschied.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Uitnodiging zitting</vet></al><al/><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al/><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.
                    Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op
                    schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al/><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    twaalf weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist
                    (zie artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna).</al><al/><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.
                    Een verzoek om uitstel moet niet automatisch gehonoreerd worden. Een gemotiveerd
                    verzoek om uitstel kan ingewilligd worden, maar dient dan wel te worden beperkt
                    tot een eenmalig uitstel omdat anders de afwikkeling van het bezwaarschrift een
                    te grote vertraging kan ondervinden.</al><al/><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om te wijzen
                    op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om
                    van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting
                    mededeling te doen.</al><al/><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst
                    ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij artikel 7).</al><al/><al>Artikel 7:4</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen. </al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het bezwaarschrift/beroepschrift
                            en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan
                            het horen, gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter
                            inzage. </al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen. </al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen. </al></li><li nr="5."><al>Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten. </al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                            belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                            voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de
                            toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan. </al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover ingevolge
                            de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                            informatie, vervat in deze stukken, in te willigen. </al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is. </al></li></lijst><al/><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43).</al><al/><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding van
                    stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al/><al>Artikel 7:8</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen
                            en deskundigen worden gehoord. </al></li><li nr="2."><al>De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                            belanghebbende die hen heeft meegebracht. </al></li></lijst><al/><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><al/><al><vet>Artikel 11 Quorum</vet></al><al/><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl
                    advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000,
                    GS 2000/ 7119, 3).</al><al/><al><vet>Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al/><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast
                    dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is
                    (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><al/><al><vet>Artikel 13 Openbaarheid zitting</vet></al><al/><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voor zover
                    niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al/><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in
                    principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft
                    mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire,
                    medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan
                    de orde komen.</al><al/><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie,
                    die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsheeft.</al><al/><al>Indien de bezwaarschriftencommissie adviseert over bezwaren op bijstands-gebied,
                    kan het praktisch zijn een bepaling op te nemen waaruit duidelijk wordt dat deze
                    zittingen achter gesloten deuren plaatsvinden. Hiermee worden problemen
                    voorkomen indien de commissie vergeet te besluiten tot een niet-openbare
                    zitting. Derhalve wordt de volgende bepaling toegevoegd aan artikel 13: De
                    zitting van de commissie vindt achter gesloten deuren plaats wat betreft
                    bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond van de Wet werk en
                    bijstand.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging</vet></al><al/><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijk vereisten aan het verslag worden niet
                    door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de
                    verordening een vaste procedure wordt opgenomen.</al><al/><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al/><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbende wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag
                    van de hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren indien het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten
                    (ABRS 12 juni 1997, JB 1997/188).</al><al/><al>Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid
                    afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de adviescommissie,
                    hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te
                    worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23).</al><al/><al><vet>Artikel 15 Nader onderzoek</vet></al><al/><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><al/><al><vet>Artikel 16 Raadkamer en advies</vet></al><al/><al>Zie ook de toelichting bij artikel 13. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al/><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 12) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al/><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 11); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a. Hoe het advies totstandkomt, is niet
                    voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB
                    2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en
                    00/8621).</al><al/><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al/><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al/><al><vet>Artikel 17 Uitbrengen advies</vet></al><al/><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht.</al><al/><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb twaalf weken,
                    behoudens in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid
                    van verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de
                    commissie dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt
                    gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te
                    verdagen.</al><al/><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn
                    artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling
                    van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel
                    van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt
                    voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Intrekking oude regeling</vet></al><al/><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 19 Inwerkingtreding</vet></al><al/><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                    inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
                    geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals
                    opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op algemeen verbindende
                    voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en
                    met 4A van toepassing zijn en wel voorzover de aard van de besluiten zich
                    daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt
                    zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad of in een
                    andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                    (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al><al/><al><vet>Artikel 20 Citeertitel</vet></al><al/><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening commissie
                    bezwaarschriften gemeente Bodegraven-Reeuwijk 2011.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>