<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR104559_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregel Krediethypotheek en pandrecht gemeente Kerkrade</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuid-Limburger 15-11-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregel Krediethypotheek en pandrecht gemeente Kerkrade</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 48, derde lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-09-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>06n00680</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>BELEIDSREGEL KREDIETHYPOTHEEK EN PANDRECHT GEMEENTE KERKRADE</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>A.</nr><titel>Vooraf</titel></kop><structuurtekst><al>De begrippen krediethypotheek en pandrecht in de bijstand zijn geen voor
                            zichzelf sprekende begrippen. Om de leesbaarheid en de duidelijkheid van
                            de beleidsregels te vergroten, is er voor gekozen om daaraan voorafgaand
                            een toelichting te geven op de begrippen krediethypotheek en pandrecht
                            in relatie tot de bijstand. Vervolgens zijn de beleidsregels en de
                            toelichting opgenomen. </al><al/><al>Legitimatie beleidsregels </al><al/><al>In de WWB is het maken van een vijftal verordeningen
                            (toeslagenverordening, afstemmingsverordening, reïntegratieverordening,
                            verordening cliëntenparticipatie en de anti-misbruikverordening)
                            opgedragen aan de raad. De uitvoering van de WWB is opgedragen aan het
                            college. </al><al/><al>De basis voor deze beleidsregels is dan ook gelegen in artikel 48 lid 3
                            WWB. In dit artikel is bepaald dat het college aan het verlenen van
                            bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen kan verbinden die
                            zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze
                            bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>B.</nr><titel>Algemene informatie </titel></kop><paragraaf><kop><label/><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Vermogen behoort, evenals inkomen, tot de (financiële) middelen
                                waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling, of een
                                aanvrager zelf kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het
                                bestaan. </al><al>In artikel 34 wordt het begrip vermogen volgens de WWB gedefinieerd.
                                Het vermogen is het saldo van de waarde van de bezittingen,
                                verminderd met de schulden. In het tweede lid wordt aangegeven dat
                                een bij de aanvang van de uitkering aanwezig (bescheiden) vermogen
                                tot een bepaald bedrag, de vermogensgrens, niet als vermogen wordt
                                aangemerkt. In het derde lid worden deze bedragen genoemd. Deze
                                bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. </al><al/><al>Vermogen kan meerdere vormen hebben. Het kan onder meer gaan om een
                                bedrag aan (spaar-)geld, waardepapieren, vermogen in natura
                                (bijvoorbeeld een waardevolle verzameling) of een vermogen gebonden
                                in een eigen woning. </al><al/><al>Het algemene uitgangspunt is, dat vermogen in de eerste plaats wordt
                                besteed aan de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Als het
                                vermogen van de aanvrager meer bedraagt dan het voor hem geldende
                                vrij te laten vermogen wordt de aanvraag afgewezen. Daarbij is
                                overigens nog wel van belang, of iemand direct over dit vermogen kan
                                beschikken. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>2</nr><titel>Wettelijk kader WWB</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 34: vermogen </al><al>1. Onder vermogen wordt verstaan:</al><al> a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het
                                gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de
                                aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld
                                op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering; </al><al> b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene
                                bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als
                                bedoeld in de artikelen 32 en 33. </al><al> 2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen: </al><al>a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen
                                gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en
                                gezin, noodzakelijk zijn; </al><al> b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover
                                dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens,
                                genoemd in het derde lid; </al><al> c. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt
                                ontvangen; </al><al>d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld
                                in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan €
                                43.700,-- (per 01-01-2006; </al><al> e. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31,
                                tweede lid, onderdelen l en m. </al><al>3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is: </al><al>a. voor een alleenstaande: € 5.180,-- (per 01-01-2006; </al><al>b. voor een alleenstaande ouder: € 10.360,-- (01-01-2006); </al><al>c. voor de gehuwden tezamen: € 10.360,-- (per 01-01-2006). </al><al> 4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bezittingen
                                die worden verworven in de periode waarover algemene bijstand is
                                toegekend en op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
                                met dien verstande dat de van toepassing zijnde vermogensgrens,
                                bedoeld in het derde lid, daarbij wordt verminderd met het vermogen
                                dat: </al><al> a. bij aanvang van de bijstandsverlening niet in aanmerking is
                                genomen op grond van het tweede lid, onderdeel b; </al><al>b. tijdens de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op
                                grond van dit lid. </al><al/><al>Artikel 50: eigen woning </al><al> 1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn
                                gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand
                                voorzover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in
                                de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet
                                kan worden verlangd. </al><al> 2. Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht
                                op algemene bijstand bestaat, heeft die bijstand de vorm van een
                                geldlening: a. indien de bijstand over een periode van een jaar, te
                                rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar
                                verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in
                                artikel 37, eerste lid; en </al><al> b. voorzover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf
                                hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid,
                                onderdeel d. </al><al/><al>Artikel 3 lid 6: definitie woning </al><al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een
                                woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip. </al><al/><al>Artikel 48 lid 3: zekerheidsstelling </al><al> Het college kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een
                                geldlening verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere
                                zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente-
                                en aflossingsverplichtingen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3</nr><titel>De eigen woning</titel></kop><artikel><kop><label/><nr>3.1</nr><titel>vermogen in de woning</titel></kop><al>Wanneer er sprake is van een door de aanvrager bewoonde woning
                                    in eigendom, stuit het tegeldemaking van de overwaarde (het
                                    verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en het saldo
                                    van de hypothecaire geldlening) vaak op problemen. Bij een
                                    aanvraag voor een geldlening zullen kredietverlenende instanties
                                    op grond van het inkomen bepalen welk bedrag geleend kan worden
                                    en juist het gebrek aan inkomen noopt tot het aanvragen van de
                                    lening. Bij de andere mogelijkheid, verkoop, komt iemand zonder
                                    huisvesting te zitten. Afgezien van deze bezwaren, is het in een
                                    aantal gevallen niet redelijk te verlangen, dat de eigen woning
                                    verkocht wordt of met een extra schuld belast. </al><al/><al>Omdat er wel sprake van vermogen is maar het “vrijmaken” van dat
                                    vermogen op de nodige bezwaren stuit, kan er in dergelijke
                                    gevallen toch bijstand worden verleend, zij het in de vorm van
                                    een geldlening (artikel 50 WWB). </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.2</nr><titel>vaststellen van het vermogen</titel></kop><al>Primair moet beoordeeld worden, of er naast een eventueel
                                    vermogen in de woning geen sprake is van andere bezittingen, die
                                    een waarde hebben die de vermogensgrenzen genoemd in artikel 34
                                    lid 3 te boven gaan. Wanneer dat zich voordoet, zal het bedrag
                                    van die overschrijding eerst moeten worden “ingeteerd”. </al><al> Vervolgens moet het vermogen in de woning worden vastgesteld.
                                    Dit vermogen betreft het verschil tussen de verkoopwaarde van de
                                    woning bij vrije oplevering (artikel 34 lid 1 onder a WWB) en
                                    het saldo van de schuld, de (hypothecaire) geldlening, die erop
                                    rust. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.3</nr><titel>taxeren of niet?</titel></kop><al>De wet bevat geen bepalingen over het vaststellen van de waarde
                                    van de woning. Gesteld zou kunnen worden dat de waarde van een
                                    woning vaststaat op grond van de Wet waardering onroerende zaken
                                    (WOZ). Het waardeniveau op grond van de WOZ is vooralsnog steeds
                                    circa 3 jaar voor de situatiedatum bepaald. Bijvoorbeeld. Bij
                                    een aanvraag voor een krediethypotheek in januari 2006 vindt de
                                    bepaling van de waarde van de woning met behulp van de WOZ
                                    plaats op het waardeniveau van 2003. Derhalve is gebruikmaking
                                    van de taxatie op grond van de WOZ nog niet bruikbaar. Vanaf
                                    2007 is het de bedoeling dat er een jaarlijkse waardering van de
                                    woningen plaats vindt. Alsdan kan deze waardebepaling wellicht
                                    wel gebruikt worden. Vooralsnog zal bij een bijstandsaanvraag
                                    van een woningbezitter derhalve in de regel een taxatie
                                    plaatsvinden. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4</nr><titel>kosten van de taxatie</titel></kop><al>Evenmin bevat de wet bepalingen wie voor de kosten van de
                                    taxatie opdraait, de aanvrager of de gemeente. Omdat de
                                    aanvrager de gegevens over zijn vermogen moet overleggen, is het
                                    logisch dat de kosten die daaruit voortvloeien in beginsel voor
                                    de aanvrager zijn. De aanvrager kan voor deze kosten bijzondere
                                    bijstand aanvragen. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.5</nr><titel>Vaststelling van het saldo van de schulden</titel></kop><al>Vervolgens moet het saldo van de schulden die verband houden met
                                    de woning worden bepaald. Door de definitie van het begrip
                                    woning (artikel 3 lid 6 WWB) hoeft het niet altijd te gaan om
                                    een hypothecaire geldlening. Hypotheken kunnen alleen gevestigd
                                    zijn op registergoederen. Woonboten zullen slechts zelden en
                                    woonwagens kunnen nooit een registergoed zijn. Bij woonschepen
                                    en woonwagens bestaat de mogelijkheid aan een lening een
                                    pandrecht te verbinden. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.6</nr><titel>uiteindelijke vaststelling</titel></kop><al>Zoals hiervoor al aangegeven is het vermogen in de woning de
                                    aftreksom van de waarde van het huis min de restschuld van de
                                    daar op rustende lening. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.7</nr><titel>extra vermogensvrijlating bij eigen woning</titel></kop><al>Uit artikel 34 tweede lid onder d blijkt dat de WWB een extra
                                    vermogensvrijlating kent voor huizenbezitters. Van het vermogen
                                    in de woning (de overwaarde) blijft € 43.700,-- (per 01-01-2006)
                                    buiten beschouwing. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.8</nr><titel>het in aanmerking te nemen vermogen in de woning</titel></kop><al>De berekening van het in aanmerking te nemen vermogen kan het
                                    best aan de hand van een voorbeeld worden geschetst: Situatie:
                                    gezin in bezit van eigen woning </al><al/><al>getaxeerde waarde van de woning (vrije oplevering) € 152.000,-- </al><al/><al>saldo van de (hypothecaire) lening op de woning € 82.000,-- </al><al>overwaarde woning € 70.000,-- </al><al>vrijlating in de woning € 43.700,--</al><al> in aanmerking te nemen vermogen in de woning € 26.300,--</al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.9</nr><titel>alleen als men de woning zelf bewoont</titel></kop><al>In het voorgaande is een aantal malen geschreven “bij bewoning
                                    van een eigen woning”. Dit betekent dat de extra
                                    vermogensvrijlating en de mogelijkheid van de vestiging van een
                                    zakelijk zekerheidsrecht (daarover later meer) alleen opgaan,
                                    wanneer iemand daadwerkelijk in de eigen woning woont. Is de
                                    aanvrager eigenaar van een woning met overwaarde, die hij niet
                                    zelf bewoont, dan gelden deze bepalingen niet. Verkoop van de
                                    woning leid er niet toe dat hij dakloos wordt en ook eventuele
                                    huurders komen niet op straat te staan (verkoop breekt geen
                                    huur). </al><al> In het vervolg van dit stuk wordt, als er staat eigen woning,
                                    bedoeld de door belanghebbende bewoonde eigen woning. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>4</nr><titel>Vorm van de bijstand</titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 50 WWB moet de algemene bijstand in de vorm van
                                leenbijstand worden verstrekt, voorzover het vermogen gebonden in de
                                woning hoger is dan het vermogen dat vrijgelaten mag worden. Dit
                                mits de totale bijstand over het jaar meer bedraagt dan één maal het
                                minimumloon (= gezinsnorm). </al><al/><al>In bovenstaand voorbeeld zal de bijstand tot een bedrag van €
                                26.300,00 als leenbijstand worden verstrekt. Wanneer na verloop van
                                tijd dit bedrag overschreden wordt, is het meerdere bijstand om
                                niet. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>5</nr><titel>Zekerheidsstelling</titel></kop><artikel><kop><label/><nr>5.1</nr><titel>mogelijkheid van zekerheidstelling</titel></kop><al>De Abw stelde dat bij verstrekking van leenbijstand in verband
                                    met vermogen in de eigen woning, als zekerheid voor de
                                    terugbetaling van de lening een krediethypotheek gevestigd
                                    diende te worden. Bij de invoering van de WWB is de gemeente
                                    echter volledig financieel verantwoordelijk voor de verstrekte
                                    bijstandsgelden. In de WWB zijn er geen verplichtingen
                                    hieromtrent meer opgenomen. </al><al/><al>Wel kent de WWB artikel 48 lid 3: Het college kan aan het
                                    verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening
                                    verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid
                                    voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en
                                    aflossingsverplichtingen </al><al/><al>Het college is nu bevoegd aan de bijstandsverlening de
                                    voorwaarde van zekerheidsstelling voor de aanvrager te
                                    verbinden. Deze zekerheidsstelling beperkt zich niet tot een
                                    krediethypotheek zoals onder de Abw, maar het kan bij
                                    woonschepen of woonwagens ook gaan om een stil pandrecht.
                                    Aangezien Kerkrade geen woonschepen kent, wordt dit begrip
                                    verder buiten beschouwing gelaten.</al></artikel><artikel><kop><label/><nr>5.2</nr><titel>verschil hypotheek en pandrecht</titel></kop><al>Zoals al aangegeven zijn beide rechten zekerheidsstellingen. De
                                    hypotheek- of pandrechthouder heeft het recht van parate
                                    executie als de schuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt. </al><al/><al>Alleen op registergoederen is het vestigen van een
                                    hypotheekrecht mogelijk. Een woonhuis is altijd een
                                    registergoed. Voor woonwagens geldt dat deze niet geregistreerd
                                    kunnen worden in het kadaster. Het vestigen van een stil (ofwel
                                    bezitloos) pandrecht is dan de enige optie. </al><al/><al>Het hypotheekrecht geeft een veel grotere zekerheid dan het
                                    pandrecht. Hypotheekrecht wordt gevestigd door inschrijving van
                                    de notariële akte bij het Kadaster. Aan vervreemding of belening
                                    van het registergoed komt iedere keer weer een notaris te pas.
                                    Deze moet de Kadastrale registers raadplegen.</al><al/><al>Een pandrecht wordt geregistreerd bij de Inspectie der
                                    Registratie en Successie van de Belastingdienst of bij een
                                    notaris. Probleem bij het pandrecht is dat deze registers niet
                                    openbaar zijn. De kenbaarheid voor derden is daardoor beperkt.
                                    Het kan dan ook gebeuren dat een zaak waarop pandrecht rust
                                    wordt verkocht zonder dat de koper bekend was met het pandrecht.
                                    Bij een registergoed is dat onmogelijk. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>5.3</nr><titel>kosten van registratie onroerend goed en vestiging
                                    krediethypotheek</titel></kop><al>Alleen bij registratie in het kadaster bestaat de mogelijkheid
                                    van het vestigen van een veel meer zekerheidgevende hypotheek.
                                    De gemeente kan deze registratie verlangen op grond van artikel
                                    48 lid 3 van de WWB. Hieraan zijn echter kosten verbonden. Ook
                                    hierover weer geen bepalingen in de wet. Wanneer uiteindelijk
                                    wordt overgegaan tot het vestigen van hypotheek- of pandrecht,
                                    zal blijken dat ook de notaris betaald moet worden. </al><al> Net als bij de taxatiekosten, is het logisch dat deze kosten in
                                    beginsel voor rekening van de aanvrager komen. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>5.4</nr><titel>aflossing van de krediethypotheek</titel></kop><al>Voor de aflossing van de geldlening kent de WWB evenmin regels
                                    of het zou het gestelde in artikel 58 lid 1 onder b moeten zijn:
                                    1.Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan
                                    kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand: b. in
                                    de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening
                                    voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden
                                    nagekomen; </al><al/><al>Dit artikel houdt alleen in dat wanneer belanghebbende de regels
                                    van de leenovereenkomst niet nakomt, de overeengekomen
                                    bepalingen van die overeenkomst terugtreden en de verstrekte
                                    leenbijstand terugvorderbaar is, conform de regels die voor
                                    terugvorderingen gelden. </al><al> Met andere woorden de gemeente is vrij om te bepalen vanaf welk
                                    moment moet worden afgelost, welke termijnen daarbij worden
                                    toegepast en wanneer rente verschuldigd is. Ook voor de hoogte
                                    van deze rente bestaan geen voorschriften. Hier zullen dus weer
                                    keuzes gemaakt moeten worden. Het Besluit krediethypotheek dat
                                    onder de Abw gold, is hierbij als leidraad gevolgd. De
                                    bepalingen met betrekking tot aflossing en renteberekening zijn
                                    opgenomen in de gemeentelijke beleidsregels. </al><al> Voor de hand liggend is dus, dat er tijdens de
                                    bijstandsverlening geen ruimte is om af te lossen op de, op
                                    grond van het vermogen in de woning verstrekte, leenbijstand.
                                    Dit zou iedere andere aflossings- en reserveringscapaciteit te
                                    niet doen. Verder is het logisch dat de rente in ieder geval
                                    niet de gangbare rente die over hypothecaire leningen wordt
                                    berekend overtreft. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>6</nr><titel>Waardestijging woning</titel></kop><structuurtekst><al>De laatste jaren zijn woningen in het algemeen behoorlijk in waarde
                                gestegen. Het is echter niet zo maar mogelijk om een dergelijke
                                waardestijging mee te nemen in de omvang van de bijstand die in de
                                vorm van geldlening wordt verstrekt. Op grond van artikel 7van het
                                voormalige Besluit krediethypotheek bijstand bestond de mogelijkheid
                                om een nieuwe hypotheek te berekenen eerst nadat de
                                bijstandsverlening gedurende een periode van 2 jaar onderbroken was
                                geweest. In de WWB is een dergelijke bepaling niet opgenomen. De
                                wetgever is er evenwel vanuit gegaan dat het regime van de WWB
                                gunstiger is voor belanghebbende. Het is daarom niet correct om bij
                                een onder de WWB tot stand gekomen krediethypotheek op een eerder
                                moment dan na een periode van onderbreking van de bijstandsverlening
                                van tenminste 2 jaar de hypotheek opnieuw te berekenen. </al><al>Er is daarentegen geen enkel beletsel om, ingeval in het verleden
                                geen krediethypotheek is gevestigd, bij een waardestijging alsnog
                                (voor de eerste maal) een krediethypotheek te vestigen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>7</nr><titel>Hernieuwde bijstandsaanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>De Abw kende bepalingen met betrekking tot een nieuwe
                                bijstandsaanvraag binnen twee jaar na beëindiging van een eerdere
                                bijstandsperiode, waarbij bijstand verleend was in de vorm van een
                                geldlening onder verband van krediethypotheek. Bij een dergelijke
                                aanvraag gold voor de aanvrager een bescherming met betrekking tot
                                de bepaling van zijn vermogen in de woning. Uitgegaan diende te
                                worden van de vermogensvaststelling met betrekking tot de woning bij
                                de eerdere aanvraag. </al><al/><al>Ook hierin is de gemeente nu vrij. Ook bij een nieuwe aanvraag
                                binnen twee jaar na beëindiging van een eerdere bijstandsperiode,
                                zou mogen worden uitgegaan van de marktwaarde van de woning bij de
                                nieuwe aanvraag. Omdat het aanvaarden van werk voor een kortere
                                periode voor een belanghebbende dan mogelijk niet aantrekkelijk zou
                                zijn, is het raadzaam de richtlijn van de Abw uit de vorige alinea
                                over te nemen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>8</nr><titel>Keuzes aan de gemeente</titel></kop><structuurtekst><al>Het mag duidelijk zijn dat door het niet meer opnemen van regels
                                omtrent zekerheidstelling en aflossing in de WWB, de
                                beslissingruimte, maar ook de verantwoordelijkheid, van de gemeente
                                verruimd is. Geen keuzevrijheid is er, wat betreft de vorm van de
                                bijstand. Zodra er sprake is van een in aanmerking te nemen vermogen
                                in de woning en de verstrekte bijstand bedraagt over een periode van
                                een jaar meer dan het minimumloon, moet de bijstand worden verleend
                                als geldlening. </al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>C</nr><titel>Beleidsregels Krediethypotheek &amp; Pandrecht Bijstand
                            Kerkrade</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>In deze beleidsregels wordt verstaand onder: </al><al>a. het college: het college van burgemeester en wethouders </al><al>b. WWB: Wet werk en bijstand </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vorm van de geldlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien voor de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf
                                of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht op bijstand
                                bestaat als bedoeld in artikel 50, eerste lid van de WWB en die
                                bijstand de vorm heeft van een geldlening, als bedoeld in artikel
                                50, tweede lid van de WWB, wordt die verleend onder verband van
                                hypotheek. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien voor de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf
                                of zijn gezin bewoonde woonwagen met bijbehorend erf, overeenkomstig
                                het bepaalde in artikel 50, eerste lid van de WWB recht op bijstand
                                bestaat en die bijstand de vorm heeft van een geldlening, als
                                bedoeld in artikel 50, tweede lid van de WWB, wordt die geldlening
                                verleend onder vestiging van een pandrecht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De punten 2.1. en 2.2. zijn niet van toepassing op de zelfstandige.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Meewerkingsplicht en afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verbindt aan de verlening van bijstand onder verband van
                                hypotheek c.q. onder vestiging van pandrecht als bedoeld in 2.1. en
                                2.2. de verplichting dat de belanghebbende meewerkt aan vestiging
                                van hypotheek dan wel pandrecht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien belanghebbende in een voorkomend geval niet meewerkt aan het
                                vestigen van hypotheek c.q. pandrecht, dan dient de bijstand in zijn
                                geheel te worden geweigerd vanaf ingangsdatum van de bijstand. Reeds
                                verleende bijstand is terstond opeisbaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling waarde woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geldlening, bedoeld in artikel 2, is ten hoogste de waarde van de
                                woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd
                                met de daarop drukkende schulden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie plaats
                                door een taxateur voor onroerende zaken die door het college in
                                overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen of door een
                                gemeentelijke taxateur. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de
                                inschrijving van de hypotheek, de pandovereenkomst, alsmede de
                                bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. Eventuele
                                bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Waardestijging woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij de aanvang van de bijstandsverlening al wél een hypotheek
                                is gevestigd, bestaat de mogelijkheid om een nieuwe hypotheek te
                                berekenen eerst nadat de bijstandsverlening gedurende een periode
                                van 2 jaar onderbroken is geweest. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin bij (de aanvang van) de bijstandsverlening geen
                                krediethypotheek gevestigd is omdat de waarde in de woning daartoe
                                geen aanleiding gaf, vindt elke 5 jaar een heronderzoek plaats ten
                                behoeve van het bepalen van het recht op voortzetting van de
                                bijstand. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Voorwaarden en bedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden
                                genoemd in de artikelen 7. en 8. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de
                                gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte c.q.
                                pandovereenkomst. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Vaststelling hoogte aflossing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de
                                bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van
                                een jaar vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de WWB dat niet
                                uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in
                                artikel 19 en 45 van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd.
                                Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een
                                uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
                                ontvangt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college
                                zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager
                                dan wel hoger bedrag vast. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de beoordeling van de omstandigheden, als bedoeld in het vijfde
                                lid, wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening
                                van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden
                                in mindering gebracht op het inkomen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar
                                schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is
                                het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en
                                is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Restant vordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien door toepassing van artikel 7, vierde tot en met zesde lid,
                                na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de
                                geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks
                                rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de
                                geldlening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente,
                                verminderd met drie procent. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien belanghebbende naar het oordeel van het college de rente
                                geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt
                                een betaling eerst tot ten hoogste van het bedrag van de
                                verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente
                                die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet
                                afgeloste deel van de geldlening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien belanghebbende naar het oordeel van het college geen rente
                                kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog
                                niet afgeloste deel van de geldlening. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verkoop of vererving van de woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij verkoop of vererving van de woning, en indien het een echtpaar
                                betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot,
                                wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op
                                grond van artikel 8, derde en vierde lid, bijgeschreven rente,
                                terstond afgelost. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere
                                omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan
                                wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing
                                van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe
                                geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van
                                een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het
                                eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat
                                belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip
                                van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de
                                aankoop van de andere woning. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde
                                in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de
                                opbrengst daartoe toereikend is, aan belanghebbende in ieder geval
                                het bedrag toe dat op grond van artikel 34, tweede en derde lid, van
                                de WWB bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de
                                woning in mindering is gebracht. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het
                                economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening
                                beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de
                                geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil
                                kwijtgescholden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Herleving recht op bijstand</titel></kop><al>Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de
                            bijstandsverlening onder verband van hypotheek c.q. onder vestiging van
                            pandrecht wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met
                            toepassing van de laatst gevestigde hypotheek c.q. het laatst gevestigde
                            pandrecht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Opgave</titel></kop><al>Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een
                            opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de
                            rentevorderingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze regels een voorziening is verstrekt, is
                            verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Beslissing in gevallen waarin deze beleidsregels niet
                                voorzien</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze beleidsregels betreffende, waarin
                            deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Slotbepaingen</titel></kop><al>Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2007 . </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college van de gemeente Kerkrade in zijn
                        vergadering van 26 september 2006.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester, de secretaris,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>JJM Som, mr. C.M. Kuikman</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr>D.</nr><titel>Toelichting op de beleidsregels</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al/><al><vet>A. Algemeen</vet></al><al>1. De verplichting tot rentebetaling is vervallen; alleen als sprake is van
                    schuldige nalatigheid ten aanzien van de aflossing, geldt er wel een
                    renteverplichting. Voorts, maar dat hoeft niet in deze beleidsregels geregeld te
                    worden omdat het tot de gebruikelijke bedingen kan worden gerekend die in een
                    hypotheekakte worden opgenomen, wordt rente in rekening gebracht wanneer na
                    verkoop van de woning niet terstond wordt afgerekend. Met het schrappen van het
                    rentebeding wordt, naast het wegnemen van enkele in de praktijk blijkende
                    onbillijkheden, voorrang gegeven aan het aflossen van de geldlening. </al><al>2. De aflossingsperiode van vijfentwintig jaar of langer die voortvloeit uit een
                    vastgelegde aflossing van 4 procent per jaar, is teruggebracht naar ten hoogste
                    tien jaar. Deze wijziging hangt nauw met het voorgaande samen. Door het
                    vervallen van de renteverplichting ontstaat immers de ruimte voor het sneller
                    aflossen van de lening. Zo wordt de termijn gedurende welke men, door af te
                    lossen, nog de gevolgen ervaart van de periode waarin men op bijstand was
                    aangewezen, aanzienlijk bekort. Dit spoort met het streven om het herstel van de
                    zelfstandige bestaansvoorziening zoveel mogelijk te bevorderen. Het terugbrengen
                    van de aflossingsperiode betekent niet dat in alle gevallen de geldlening binnen
                    tien jaar volledig zal zijn terugbetaald. Er wordt immers rekening gehouden met
                    de hoogte van het inkomen na de bijstandsperiode. Wanneer na tien jaar niet het
                    volledige geleende bedrag blijkt te zijn afgelost, wordt het restant in ieder
                    geval afgerekend bij verkoop of vererving van de woning. Aan belanghebbende
                    wordt dan geen vooraf vastgestelde aflossingsverplichting meer opgelegd. Wel is
                    het redelijk om rente in rekening te brengen. Er is immers reeds tien jaar
                    gelegenheid gegeven om rentevrij af te lossen en dus ook om het vermogen terug
                    op te bouwen. De renteverplichting die na tien jaar ingaat, stimuleert wel het
                    verrichten van aflossingen. </al><al> 3. Expliciet is geregeld dat het college de krediethypotheek naar een andere
                    koopwoning kan laten meenemen wanneer bijzondere omstandigheden van medische of
                    sociale aard van betrokkene daartoe aanleiding geven. Om het herstel van de
                    zelfstandige bestaansvoorziening te bevorderen, is dit ook geregeld bij verkoop
                    van de woning in verband met werkaanvaarding elders. </al><al>4. Geregeld is op welke wijze ten aanzien van het vestigen van de hypotheek moet
                    worden gehandeld indien de belanghebbende na een bijstandsperiode weer opnieuw
                    op bijstand raakt aangewezen. </al><al/><al><vet>B. Geen renteverplichting</vet></al><al>De afschaffing van de renteverplichting vergroot de ruimte voor het aflossen van
                    de geldlening. Er wordt van uitgegaan dat het vervallen van de renteverplichting
                    positief zal uitwerken op het functioneren van de krediethypotheekregeling,
                    doordat er eerder ruimte ontstaat om de aflossing te voldoen. De belanghebbende
                    wordt zo eerder in staat gesteld weer eigen vermogen op te bouwen. Het risico
                    van een mogelijk remmende werking van een krediethypotheek op het aanvaarden van
                    betaalde arbeid wordt tot een minimum beperkt. </al><al>Voor de uitvoering werkt het afschaffen van de renteverplichting positief uit
                    doordat nu voorrang wordt gegeven aan de aflossing en de periode gedurende welke
                    het inkomen van belanghebbende moet worden beoordeeld op aanwezige
                    aflossingscapaciteit aanzienlijk is bekort. De administratieve handelingen die
                    verbonden zijn aan het in rekening brengen van de rente zullen pas na tien jaar
                    aan de orde kunnen komen. </al><al>Rente is verschuldigd bij schuldige nalatigheid ten aanzien van het voldoen van
                    de aflossing binnen de periode van tien jaar. Het rentepercentage is in dat
                    geval gelijk aan de wettelijke rente. Na de aflossingsperiode van tien jaar is
                    altijd rente verschuldigd om het verschil met andere leningen beperkt te houden.
                    Deze rente is 3 procent lager dan de wettelijke rente. Wanneer die rente niet
                    kan worden betaald, wordt deze als vordering bijgeschreven bij het niet
                    afgeloste deel van de geldlening. Over deze rentevorderingen is geen rente
                    verschuldigd. Dit in tegenstelling tot de rente bij schuldige nalatigheid,
                    waarbij wel sprake is van rente over een rentevordering. </al><al>Het bijschrijven van rentevorderingen kent geen beperking. De nog resterende
                    schuld zal dus op termijn steeds verder kunnen oplopen. Zoals eerder is
                    aangegeven, is echter al tien jaar de tijd gegund om rentevrij af te lossen. Die
                    periode had zoveel mogelijk benut kunnen worden. Bij het onderdeel aflossing
                    wordt verder ingegaan op een bepaling die het oplopen van de schuld afremt. </al><al/><al>Rente is ook verschuldigd wanneer de woning wordt verkocht en er niet snel wordt
                    afgerekend. Het is redelijk van betrokkene te vergen dat na ontvangst van de
                    opbrengst de lening direct wordt terugbetaald. De woning was immers de
                    zekerheidsstelling en door verkoop kan die zekerheid worden geëffectueerd. De
                    rente dient dan als stimulans. Aangezien een dergelijke renteverplichting een
                    gebruikelijk beding is in een hypotheekakte, is het niet nodig om dit te
                    regelen. </al><al/><al><vet>C. De aflossing</vet></al><al/><al>In samenhang met het vervallen van de renteverplichting is de aflossingsperiode,
                    volgend uit een vastgelegde aflossing van 10 procent per jaar, bepaald op ten
                    hoogste 10 jaar. Dit houdt in dat jaarlijks in beginsel 10 procent van de schuld
                    moet worden terugbetaald. Door de duur waarin een aflossing gevergd wordt
                    beperkt te houden, is deze voor zowel de belanghebbende als de gemeente
                    overzienbaar. </al><al> De periode van tien jaar waarin een aflossing wordt gevergd, begint op het
                    moment dat de bijstandverlening wordt beëindigd. Per maand zal dan in beginsel
                    een aflossing plaatsvinden die gelijk is aan het bedrag dat zou volgen uit tien
                    jaar aflossing, dus 1/120 van de geldlening. </al><al> Het nieuwe inkomen kan echter zodanig zijn dat een hoger maandelijks
                    aflossingsbedrag gevraagd zou kunnen worden. Daarom is aangegeven dat de
                    aflossingsperiode ten hoogste tien jaar bedraagt. Belanghebbende dient echter
                    ook de mogelijkheid te hebben om een lager maandelijks aflossingsbedrag te
                    betalen dan het bedrag dat volgt uit hetzij de aflossingsperiode van tien jaar,
                    hetzij uit een hoger vastgesteld bedrag. Het inkomen of bepaalde noodzakelijke
                    bijzondere bestaansuitgaven die belanghebbende voor eigen rekening moet nemen -
                    zoals hoge woonlasten -, kunnen daartoe aanleiding geven. Ook de aflossing van
                    een geldlening onder verband van hypotheek c.q. pandrecht is een kwestie van
                    maatwerk, waarbij met de omstandigheden in het individuele geval rekening dient
                    te worden gehouden. Een correcte toepassing van de bepaling daarover houdt in
                    dat bij het bepalen van de aflossingscapaciteit in het inkomen, die
                    noodzakelijke bijzondere kosten eerst op het inkomen in mindering worden
                    gebracht. Daardoor wordt ervoor gezorgd dat belanghebbende die kosten kan
                    betalen. </al><al> Aangezien de hoogte van het inkomen en de noodzakelijke uitgaven geen vast
                    gegeven hoeven te zijn, is bepaald dat het maandelijkse aflossingsbedrag telkens
                    voor één jaar wordt vastgesteld. Het gaat hierbij om een aflossingsjaar dat dus
                    niet noodzakelijkerwijs samenvalt met een kalenderjaar. Deze wijze van
                    vastlegging betekent dat periodiek een controle op de financiële situatie van
                    belanghebbende plaatsvindt. Tussentijds is bijstelling van het aflossingsbedrag
                    ook mogelijk. Dit kan op initiatief van het college en op verzoek van
                    belanghebbende zelf. </al><al>Wanneer belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig
                    nalatig is om de vastgestelde aflossing te voldoen, is het nog niet afgeloste
                    deel van de geldlening terstond opeisbaar. Bovendien is daarover de wettelijke
                    rente verschuldigd, bij wijze van boete. Het ligt in de rede om in zo'n situatie
                    eerst met belanghebbende een regeling te treffen. Is dat niet haalbaar (vanwege
                    een weigerachtige opstelling van belanghebbende), dan staan in het uiterste
                    geval middelen zoals beslag op het inkomen en executoriale verkoop van woning of
                    woonwagen ter beschikking. </al><al>Volgens het op 1 januari 1992 in werking getreden nieuw Burgerlijk Wetboek moet
                    de wettelijke rente worden betaald over de tijd dat verzuimd is om aan de
                    verplichting te voldoen. In dit besluit is aangegeven dat maandelijks een
                    aflossing moet worden gedaan. Blijft die aflossing achterwege, dan is vanaf dat
                    moment sprake van verzuim en is derhalve de wettelijke rente verschuldigd. </al><al> Geregeld is dat bij een inkomen op bijstandsniveau geen aflossing wordt
                    gevergd. Dit niveau is de landelijk geregelde norm (zie WWB), vermeerderd met de
                    eventuele gemeentelijke toeslag en andere toeslagen (voor woonkosten) op grond
                    van de WWB, die zouden gelden als belanghebbende nog steeds bijstand zou
                    ontvangen. Daardoor blijft het inkomen tot dat niveau beschikbaar voor de
                    voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten, waaronder noodzakelijke
                    reserveringen, zoals voor duurzame gebruiksgoederen, belastingen en heffingen.
                    De nieuwe regeling wijkt hierin dus niet af. </al><al> Deze benadering levert een verschil op met de beslagregeling, waarbij rekening
                    wordt gehouden met een beslagvrije voet van 90 procent van de bijstandsnorm,
                    inclusief vakantietoeslag en vermeerderd met de eventuele ziektekostenpremie en
                    hoge woonlasten die voor eigen rekening van belanghebbende komen. Bij beslag
                    gaat het echter om situaties waarin men eerder had kunnen reserveren, maar dat
                    niet heeft gedaan. Bij krediethypotheek is dat niet het geval. Het verschil
                    wordt daarom verantwoord geacht. </al><al> Het is denkbaar dat op het moment van aflossen de huishoudsituatie is gewijzigd
                    ten opzichte van het moment waarop de bijstand onder verband van hypotheek werd
                    verleend. Belanghebbende is bijvoorbeeld inmiddels gescheiden. Aan het college
                    wordt overgelaten te bepalen welke wijzigingen nodig zijn met betrekking tot de
                    vraag wie in die situatie voor de aflossing wordt aangesproken. </al><al>Daarnaast biedt de in deze beleidsregels aangegeven aflossingssystematiek
                    voldoende ruimte voor een beoordeling van zo'n gewijzigde individuele situatie. </al><al> Wanneer sprake is van lagere aflossingsbedragen die niet kunnen worden
                    gecompenseerd door hogere aflossingsbedragen op andere tijdstippen binnen de
                    gehele aflossingsperiode, is de periode van ten hoogste tien jaar niet voldoende
                    om de totale geldlening af te lossen. Het restant wordt in ieder geval
                    afgerekend bij verkoop van de woning en bij vererving. Dit komt erop neer dat
                    voor het nog niet afgeloste deel van de geldlening uitstel van betaling wordt
                    verleend. Aan belanghebbende wordt overgelaten of deze toch aflossingen wil
                    verrichten. De renteverplichting werkt daarbij als stimulans. Het kan zich
                    voordoen dat belanghebbende naar het oordeel van het college de rente of een
                    gedeelte daarvan kan opbrengen, maar dat belanghebbende daardoor niet aan
                    aflossen toe kan komen. De renteverplichting belemmert dan het aflossen. Om dit
                    te vermijden, is aangegeven dat de betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van
                    de renteverplichting wordt aangemerkt als aflossing. Dit is in overeenstemming
                    met het gegeven dat in de eerste tien jaar voorrang wordt gegeven aan het
                    aflossen van de geldlening. De bij de schuld bij te schrijven rente die telkens
                    niet betaald kan worden zal, omdat er wordt afgelost, op termijn afnemen. Omdat
                    over de bijgeschreven rentevordering geen rente is verschuldigd, loopt de totale
                    schuld niet oneindig op. Wanneer de geldlening geheel is afgelost, zal de
                    renteverplichting die op dat moment moet worden berekend nul euro zijn. Het tot
                    dat moment bijgeschreven totaalbedrag aan rentevorderingen wordt verder op de
                    gebruikelijke wijze afgewikkeld. Voor zover dat bedrag niet betaald kan worden,
                    wordt dat afgerekend bij verkoop van de woning zoals ook gebeurt als een deel
                    van de geldlening niet kan worden afgelost.</al><al> Is er naar het oordeel van het college voor belanghebbende geen mogelijkheid om
                    de rente te betalen, dan wordt deze bijgeschreven bij het nog niet afgeloste
                    deel van de geldlening. Het is dan niet te vermijden dat de totale schuld blijft
                    oplopen. De aflossingsperiode van ten hoogste tien jaar gaat in na beëindiging
                    van de bijstand, ook al wordt er geen, of een lagere, aflossing opgelegd in
                    verband met de hoogte van het inkomen of noodzakelijke bijzondere kosten van
                    belanghebbende. Een beoordeling van de betalingscapaciteit in het inkomen vindt
                    na tien jaar eventueel alleen nog plaats ten aanzien van de dan in werking
                    tredende renteverplichting. </al><al/><al><vet>D. Meenemen krediethypotheek naar een andere koopwoning tijdens de
                        bijstandsperiode</vet></al><al/><al>In artikel 9, eerste lid, is geregeld dat bij verkoop van de woning de geleende
                    bijstand dient te worden terugbetaald, alsmede de eventueel bijgeschreven
                    rentevorderingen. Dat geldt ook bij verkoop tijdens het ontvangen van bijstand
                    wanneer er dringende redenen zijn om te verhuizen. In het tweede lid is echter
                    bepaald dat het college een verwisseling van onderpand kan toestaan wanneer
                    bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende
                    daartoe aanleiding geven. Deze mogelijkheid komt er dus op neer dat
                    belanghebbende het vrijgekomen vermogen niet hoeft in te zetten voor de
                    bestaansvoorziening, maar daarmee een meer passende woning kan aankopen.
                    Aangezien de laatste hypotheek in verband met de bijstandverlening is afgelost,
                    ontbreken deze middelen voor de aankoop van een andere woning. Het college kan
                    deze middelen als nieuwe lening onder verband van krediethypotheek ter
                    beschikking stellen. Als voorwaarde hiervoor geldt dat belanghebbende het na
                    afrekening vrijgekomen vermogen volledig inzet bij het kopen van een vervangende
                    woning. Met deze uitzondering op het inzetten van vrijgekomen vermogen voor de
                    bestaansvoorziening en de mogelijkheid tot het verstrekken van een nieuwe
                    geldlening wordt vermeden dat een verhuizing wegens bijzondere omstandigheden
                    nadeliger uitwerkt dan het aanhouden van de woning. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al>Artikel 2. Vorm van de geldlening </al><al/><al>Met de vaststelling van de Beleidsregels Krediethypotheek en Pandrecht Bijstand
                    Kerkrade is gekozen voor de zekerheidsstelling van hypotheek en pandrecht. </al><al/><al>Ofschoon het pandrecht niet de zekerheid geeft van het hypotheekrecht, verdient
                    het toch de voorkeur om een pandrecht te vestigen. Het pandrecht is een zakelijk
                    zekerheidsrecht. Dat wil zeggen dat de schuldeiser de in pand gegeven zaken kan
                    uitwinnen als een schuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt. Voorts is het
                    pandrecht een recht waarmee, op daaraan onderworpen goederen, een vordering tot
                    voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers kan worden
                    verhaald. </al><al/><al>De Beleidsregels Krediethypotheek en Pandrecht Bijstand Kerkrade zijn niet van
                    toepassing verklaard op zelfstandigen omdat voor zelfstandigen geldt het Besluit
                    bijstandverlening zelfstandigen 2004. </al><al/><al>Artikel 3. Meewerkingsplicht en afstemming </al><al/><al>Bij verlening van bijstand onder verband van hypotheek dan wel pandrecht dient
                    aan de belanghebbende telkens de verplichting te worden opgelegd dat hij
                    meewerkt aan de vestiging van hypotheek of pandrecht. </al><al/><al>Essentieel voor zekerheidsstelling is namelijk de totstandkoming van een
                    hypotheek- dan wel pandovereenkomst. Werkt een belanghebbende niet mee, dan kan
                    geen zekerheid worden gerealiseerd en dient er geen bijstand te worden verleend.
                    Eventueel reeds verleende bijstand in de vorm van een voorschot dient te worden
                    terugbetaald. </al><al/><al>Artikel 4. Vaststelling waarde woning </al><al/><al>Sinds de inwerkingtreding van de WWB bedraagt de geldlening ten hoogste de
                    waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd
                    met de daarop drukkende schulden. Anders dan onder de Abw het geval was is het
                    college onder de WWB niet bevoegd om de waarde van het in de woning gebonden
                    vermogen te verminderen met het niet gebruikte deel van de algemene
                    vermogensvrijlating. Artikel 50 WWB laat daartoe geen ruimte en de WWB bevat
                    geen equivalent van artikel 20 lid 3 onderdeel b Abw. De wetgever heeft voor
                    deze benadering gekozen omdat hij de methode van artikel 20 Abw te omslachtig
                    vond. Ter compensatie is het bedrag aan vrij te laten vermogen in de woning fors
                    opgehoogd. </al><al/><al>De waarde van de woning wordt in beginsel vastgesteld door een taxateur die is
                    aangewezen door het college. Dit gebeurt met de goedkeuring van de
                    belanghebbende. Tevens kan de waarde van de woning worden vastgesteld door een
                    gemeentelijk taxateur. Het zal daarbij vooralsnog niet gaan om een taxatie in
                    het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). Gebruik van de
                    WOZ-taxatie is alleen toegestaan indien deze van recente datum is. WOZ-taxaties
                    die ouder zijn dan zes maanden zijn daarom in het algemeen niet meer bruikbaar
                    voor de waardevaststelling van de woning. Deze termijn is afkomstig uit al wat
                    oudere jurisprudentie. Het werken met een recente WOZ-taxatie heeft voor de
                    belanghebbende als voordeel dat hieraan geen kosten verbonden zijn.
                    Taxatiekosten komen namelijk voor zijn rekening. Het gebruikmaken van een
                    recente WOZ-beschikking is dus een bevoegdheid en geen verplichting. Het college
                    kan in plaats daarvan een nieuwe taxatie verlangen. Is er echter een WOZ-taxatie
                    van recente datum beschikbaar dan zal het verlangen van een nieuwe taxatie wel
                    goed gemotiveerd moeten worden. Dit volgt uit de algemene beginselen van
                    behoorlijk bestuur. </al><al/><al>Uit de jurisprudentie volgt dat bij het bepalen van de waarde van de woning geen
                    rekening gehouden hoeft te worden met subsidies die de belanghebbende heeft
                    ontvangen voor het aanpassen van de woning (denk bijvoorbeeld aan een
                    woonvoorziening op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten). Met andere
                    woorden: de waarde van de woning hoeft niet verlaagd te worden met bedoelde
                    subsidies. </al><al/><al>Wanneer zowel algemene als bijzondere bijstand nodig is, hoeft er maar één
                    hypotheekakte te worden opgesteld. Bij aflossingen kan op die manier, indien
                    gewenst, zichtbaar worden gemaakt op welk soort bijstand wordt afgelost. </al><al/><al>De kosten die gemoeid zijn met het vestigen van een krediethypotheek c.q.
                    pandrecht (bijvoorbeeld taxatiekosten) komen in beginsel voor rekening van
                    belanghebbende. Heeft belanghebbende voldoende middelen om deze kosten te
                    dragen, dan dient hij ze ook zelf te dragen. Pas wanneer dit niet het geval is,
                    kan bijzondere bijstand voor deze kosten worden verleend. Kosten voor taxatie
                    etc. dienen te worden beschouwd als bijzondere noodzakelijke kosten van het
                    bestaan, zodat eventuele bijstand voor deze kosten als bijzondere bijstand
                    moeten worden beschouwd. Dit dus ongeacht of belanghebbende een aanvraag
                    algemene bijstand of een aanvraag bijzondere bijstand heeft ingediend. Of
                    belanghebbende recht heeft op bijzondere bijstand dient te worden vastgesteld
                    aan de hand van artikel 35 lid 1 WWB en de daarop gemeentelijke
                    draagkrachtregels. De draagkracht uit vermogen bedraagt voor deze kosten 100%.
                    Wanneer aanvrager over vermogen beschikt conform het bepaalde in artikel 34 lid
                    3 WWB, moet dit vermogen dus eerst aangewend worden om de kosten die gemoeid
                    zijn met het vestigen van een krediethypotheek c.q. pandrecht te betalen. </al><al/><al>Artikel 5. Waardestijging woning </al><al/><al>5.1. Het is niet correct om bij een onder de WWB tot stand gekomen
                    krediethypotheek op een eerder moment dan na een periode van onderbreking van de
                    bijstandsverlening van tenminste 2 jaar opnieuw te berekenen. </al><al/><al>5.2. Uitspraken van de CRvB, met name CRvB 29-03-2005, nrs. 03/155 NABW e.a.,
                    maken het mogelijk om bij een (forse) waardestijging van de woning alsnog een
                    krediethypotheek te vestigen ingeval in het verleden geen krediethypotheek is
                    gevestigd. Voorts geeft artikel 53a lid 2 WWB het college een algemene
                    onderzoeksbevoegdheid. Daarmee heeft het college de bevoegdheid tot het doen van
                    heronderzoeken en het bepalen van de frequentie waarmee dergelijke onderzoeken
                    dienen plaats te vinden. </al><al>De frequentie van deze heronderzoeken is bepaald op één keer per 5 jaar. </al><al>Bij een (forse) waardestijging van de woning wordt slechts overgegaan tot het
                    vestigen van een krediethypotheek indien het vermogen gebonden in de woning
                    zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 WWB met meer dan € 7.500,- wordt overschreden. </al><al/><al>Artikel 6. Voorwaarden en bedingen </al><al/><al>Bij gebruikelijke bedingen die ook in de hypotheekakte of pandovereenkomst
                    moeten worden opgenomen, kan gedacht worden aan het beding tot beperking van de
                    bevoegdheid tot verhuur of verpachting. Het niet zuiveringsbeding hoeft niet
                    meer in de hypotheekakte cq pandovereenkomst te worden opgenomen, omdat dit
                    reeds in het nieuw Burgerlijk Wetboek is geregeld. </al><al/><al>Artikel 7. Vaststelling hoogte aflossing </al><al/><al>Met de invoering van de WWB zijn diverse bepalingen gewijzigd. </al><al/><al>De verplichting tot rentebetaling is vervallen; alleen als sprake is van
                    schuldige nalatigheid ten aanzien van de aflossing, geldt er wel een
                    renteverplichting. Voorts, maar dat hoeft niet in dit besluit zelf geregeld te
                    worden omdat het tot de gebruikelijke bedingen kan worden gerekend die in een
                    hypotheekakte worden opgenomen, wordt rente in rekening gebracht wanneer na
                    verkoop van de woning niet terstond wordt afgerekend. Met het schrappen van het
                    rentebeding wordt, naast het wegnemen van enkele in de praktijk blijkende
                    onbillijkheden, voorrang gegeven aan het aflossen van de geldlening. </al><al/><al>De aflossingsperiode van vijfentwintig jaar of langer die voortvloeide uit een
                    vastgelegde aflossing van 4 procent per jaar, is teruggebracht naar ten hoogste
                    tien jaar. Deze wijziging hangt nauw met de voorgaande wijziging samen. Door het
                    vervallen van de renteverplichting ontstaat immers de ruimte voor het sneller
                    aflossen van de lening. Zo wordt de termijn gedurende welke men, door af te
                    lossen, nog de gevolgen ervaart van de periode waarin men op bijstand was
                    aangewezen, aanzienlijk bekort. Dit spoort met het streven om het herstel van de
                    zelfstandige bestaansvoorziening zoveel mogelijk te bevorderen. </al><al>Het terugbrengen van de aflossingsperiode betekent niet dat in alle gevallen de
                    geldlening binnen tien jaar volledig zal zijn terugbetaald. Er wordt immers
                    rekening gehouden met de hoogte van het inkomen na de bijstandsperiode. Wanneer
                    na tien jaar niet het volledige geleende bedrag blijkt te zijn afgelost, wordt
                    het restant in ieder geval afgerekend bij verkoop of vererving van de woning.
                    Aan belanghebbende wordt dan geen vooraf vastgestelde aflossingsverplichting
                    meer opgelegd. Wel is het redelijk om rente in rekening te brengen. Er is immers
                    reeds tien jaar gelegenheid gegeven om rentevrij af te lossen en dus ook om het
                    vermogen terug op te bouwen. De renteverplichting die na tien jaar ingaat,
                    stimuleert wel het verrichten van aflossingen. </al><al/><al>Artikel 8. Restant vordering </al><al/><al>Wanneer na tien jaar niet het volledige geleende bedrag blijkt te zijn afgelost,
                    wordt het restant in ieder geval afgerekend bij verkoop of vererving van de
                    woning. Aan belanghebbende wordt dan geen vooraf vastgestelde
                    aflossingsverplichting meer opgelegd. Wel is het redelijk om rente in rekening
                    te brengen. Er is immers reeds tien jaar gelegenheid gegeven om rentevrij af te
                    lossen en dus ook om het vermogen terug op te bouwen. De renteverplichting die
                    na tien jaar ingaat, stimuleert wel het verrichten van aflossingen. </al><al/><al>Artikel 9. Verkoop of vererving van de woning </al><al/><al>Een verkoop van de woning hoeft niet terstond gepaard te gaan met een financiële
                    afwikkeling. Dit zal doorgaans plaatsvinden bij de overdracht van de woning.
                    Vanaf het moment waarop belanghebbende over de opbrengst kan beschikken, zal de
                    resterende geldlening aan de gemeente in één keer moeten worden terugbetaald.
                    Bij verkoop van de woonwagen, zijnde een niet-registergoed, vindt er in de regel
                    wel direct een financiële afwikkeling plaats. De gemeente zal de geldlening na
                    verkoop dan ook terstond in één keer moeten terugontvangen. </al><al> Wanneer de woning of woonwagen wordt verkocht tegen een prijs die doelbewust
                    beneden de geldende marktwaarde ligt, is er geen aanleiding om het resterende
                    bedrag van de lening kwijt te schelden. </al><al> Overigens is niet gegarandeerd dat belanghebbende uiteindelijk bij verkoop van
                    de woning of de woonwagen het vrijgelaten vermogen, als bedoeld in artikel 34,
                    tweede lid, onder d van de WWB kan beschikken. Dit is natuurlijk afhankelijk van
                    de verkoopwaarde, de bancaire hypotheek en de afrekening van de krediethypotheek
                    of het pandrecht. </al><al/><al>Artikel 11. Opgave </al><al/><al>Ook na afloop van de maximale aflossingsperiode van tien jaar wordt, als er nog
                    een deel van de geldlening moet worden afgelost, aan belanghebbende een opgave
                    verstrekt van de stand van de geldlening en van de eventueel bijgeschreven
                    rentevorderingen. </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>