<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR104248_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Oisterwijk 2011l</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Nieuwsklok 20-07-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Oisterwijk 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-05-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Oisterwijk 2011l</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="o"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="o"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="o"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in <onderstreept>artikel 2</onderstreept> van de Woningwet;
                                    </al></li><li nr="o"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht; </al></li><li nr="o"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren; </al></li><li nr="o"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="o"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="o"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="o"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="o"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="o"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="o"><al>omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                        sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                        onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="o"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct
                                                aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                                van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                                                de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="o"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een
                                gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen </vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. </al></li></lijst><al><vet>2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen </vet>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    <onderstreept>artikel 8</onderstreept>, vierde lid, van de
                                Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen).</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op
                                een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als
                                genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage
                                II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het
                                Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om
                        bouwvergunning</cursief></al><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
                        ordening</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                            bouwvergunningverlening</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</cursief></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
                        </cursief></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
                            </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en </al></li><li nr="c."><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt. </al><al><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen. </al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen
                                is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg,
                                moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet
                                aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten
                                verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven
                                        de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd,
                                moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn,
                                dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de
                                bluswatervoorziening kan worden gelegd. </al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening. </al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>1.Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                    4.3</onderstreept> van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al><al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij
                                dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                bepaalde in de <onderstreept>artikelen 2.39</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.40</onderstreept> van het Bouwbesluit.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel <onderstreept>2.5.7</onderstreept> is
                        het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                        is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van veranderingen bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op
                                        een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in <onderstreept>artikel
                                        2.5.7</onderstreept>;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="o"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                        strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;
                                    </al></li><li nr="o"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan
                                        nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                        niet in gevaar komt. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel 2.5.7
                                        </onderstreept>en in die waarin de afwijking genoemd in de
                                            <onderstreept>artikelen 2.5.8</onderstreept> en
                                            <onderstreept>2.5.9</onderstreept> is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in <onderstreept>artikel
                                            2.5.13</onderstreept> en in die waarin de afwijking
                                        genoemd in <onderstreept>artikel 2.5.14</onderstreept> is
                                        verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                        achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                            </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.13</onderstreept> is
                        het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvaneen
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in de <onderstreept>artikel 3</onderstreept>, eerste
                                lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de <onderstreept>artikelen 2.5.3</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.5.4</onderstreept>, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in <onderstreept>artikel
                                    2.5.13</onderstreept>;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in <onderstreept>artikel 2.5.13</onderstreept>, en de balkons en
                                veranda's buiten beschouwing blijven. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                                afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>1.De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                        ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                        reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke
                                deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze
                                afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van
                                1.000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.
                                    </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte van een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                                met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
                                Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
                            </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    2.5.24</onderstreept> bedraagt de maximale hoogte van een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter,
                                vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                    <onderstreept>artikel 2.5.24</onderstreept> - de maximale hoogte
                                van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij
                                de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in
                                    <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, tweede lid, voor de
                                bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    2.5.24</onderstreept> mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de
                                achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de
                                    <onderstreept>artikelen 2.5.20</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.5.21 </onderstreept>- maximale bouwhoogte en die
                                met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept> -
                                maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt
                                van 56 graden. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge
                                    <onderstreept>artikel 2.5.3</onderstreept> of
                                    <onderstreept>artikel 2.5.14 </onderstreept> toegestane
                                afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein,
                                mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat -
                                uitgaande van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een
                                zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                    2.5.27</onderstreept>, onder d, en <onderstreept>artikel
                                    2.5.28</onderstreept>, onder h, i, j en k, moeten - voor zover
                                zij de maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden
                                gelaten. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in <onderstreept>artikel 2.5.20</onderstreept>, eerste lid,
                            <onderstreept>artikel 2.5.21</onderstreept>, eerste en derde lid,
                            <onderstreept>artikel 2.5.22</onderstreept>, eerste lid,
                            <onderstreept>artikel 2.5.23</onderstreept> en <onderstreept>artikel
                            2.5.24</onderstreept> is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.28 </vet><vet>Vergunningverlening in afwijking van het
                            verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="2."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="3."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="4."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="5."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="7."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="8."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="9."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="10."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="11."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="12."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.29 </vet><vet>Vergunningverlening in afwijking van het
                            verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
                            bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                        beleid</vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                        1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                        bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                        voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                        lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m
                                        bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                        omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                        stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                        voorzien.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                        brandmeldinstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2.6.12 </vet><vet>Communicatie</vet><vet>systeem voor publieke
                            hulpverleningsdiensten</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in <onderstreept>artikel 3.119</onderstreept> van het Bouwbesluit
                        bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten
                        zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in <onderstreept>artikel 2.46 </onderstreept>van het Bouwbesluit
                        bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn
                        aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in <onderstreept>artikel 2.68</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn
                                aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet
                                        van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen,
                                        waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas
                                        aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting
                                        van gastoevoer nodig is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m2;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                        verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke
                                        of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in
                                        artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                                        (warmtedistributienet).</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën
                                moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing
                                is deze eis in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                        binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                        noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw
                                        dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten
                                        kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                        moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                        terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval de leiding
                                        te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar
                                        riool te lozen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al dan
                                niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                                tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede
                                staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor
                                andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid
                                of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                geeft.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere
                                wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk
                                is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in <onderstreept>artikel 3.31</onderstreept> van het
                                Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen
                                voor de afvoer van afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar
                                riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                        overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput
                                        zonder overstort, een gierput of een rottingput met
                                        overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën
                                        mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                hemelwater moeten:</al><lijst><li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en
                                        lucht kan optreden; en</al></li><li nr="b."><al>zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvang- en
                                        bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit, welke
                                        voorziening in verband met de grootte van de te ontwateren
                                        oppervlakken en de bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn
                                        gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de
                                        bebouwing op het perceel.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                afwijking:</al><lijst><li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op
                                        andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                        lucht mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                        bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel
                                        de omvang van het perceel de infiltratie van hemelwater niet
                                        toelaten en bovendien de afvoervoorziening voor hemelwater
                                        niet wordt aangesloten aan een rottingput.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen
                                wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                                in NEN 3215, uitgave 2007. </al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                in bijlage 7.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de <onderstreept>artikelen 2.7.1</onderstreept>,
                            <onderstreept>2.7.2</onderstreept>, <onderstreept>2.7.3</onderstreept>
                        en <onderstreept>2.7.4</onderstreept> bedoelde afstand moet worden gemeten
                        langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden
                        gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al><vet>3 De melding</vet></al><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</vet></al><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13 ,13a en 14, tweede lid, sub b van
                                de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                of oplegging van een last onder dwangsom. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen alvorens
                        door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                uitgezet.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt.</al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1.Van het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                                alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren
                                beneden straatpeil; </al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                                thermische isolatie in andere besloten constructies </al></li></lijst><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                        bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al><lijst><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving. </al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                        nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.</al><al><vet>5 </vet><vet>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</cursief></al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                                veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van
                                een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven
                                        de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>1.Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                    4.3</onderstreept> van het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit; </al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al><al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij
                                dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                bepaalde in de <onderstreept>artikelen 2.39</onderstreept> en
                                    <onderstreept>2.40</onderstreept> van het Bouwbesluit.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de <onderstreept>artikelen
                            2.6.1</onderstreept> tot en met <onderstreept>2.6.12</onderstreept> van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen,
                            niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                            kantoorgebouwen </vet>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            woongebouwen van bijzondere aard</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            kantoorgebouwen </vet>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in de <onderstreept>artikelen 3.123</onderstreept> en
                            <onderstreept>3.124</onderstreept> van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding: indien het bouwwerk op
                        ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het
                        distributienet is gelegen; of</al><al>a.indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m. </al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in <onderstreept>artikel 2.52</onderstreept> van het Bouwbesluit
                        bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn
                        aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>De in <onderstreept>artikel 2.72</onderstreept> van het Bouwbesluit
                        bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan
                        het openbare distributienet voor aardgas: indien het bouwwerk op ten hoogste
                        40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                        gelegen; of</al><al>a.indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m.</al><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan
                                gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van
                                gastoevoer nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in <onderstreept>artikel 3.36</onderstreept> van het Bouwbesluit
                                bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten,
                                onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel
                                    5.3.6</onderstreept>, op een doeltreffende wijze zijn
                                aangesloten aan een openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                        aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                        ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Indien het gestelde in <onderstreept>artikel 5.3.4</onderstreept>, tweede
                        lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort,
                                een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met
                                overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding
                                tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al><onderstreept>Artikel 2.7.6</onderstreept> en de bijbehorende
                            <onderstreept>bijlage 7</onderstreept> zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de <onderstreept>artikelen 5.3.1</onderstreept>,
                            <onderstreept>5.3.2</onderstreept>, <onderstreept>5.3.3</onderstreept>
                        en <onderstreept>5.3.4</onderstreept> bedoelde afstand moet worden gemeten
                        langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden
                        gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            </cursief><cursief>Reinheid</cursief></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al><vet>6 Brandveilig gebruik</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</cursief></al><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</cursief></al><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                            ongevallen bij brand</cursief></al><al><vet>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 4 Hinder in verband met brandveiligheid</cursief></al><al><vet>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 Overbevolking </cursief></al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</vet></al><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                        woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                        gebruiksoppervlakte.</al><al><cursief>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief></al><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te
                        doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is
                        medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                            aan hygiëne</vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het
                        gebruik van het bouwwerk te staken.</al><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen</cursief></al><al><vet>Artikel 7.3.1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                                bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of
                                vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde wet van toepassing is.</al><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</cursief></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik</cursief></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                        gebruiken.</al><al><cursief>Paragraaf 6 Installaties</cursief></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid
                        verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een
                        onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al><vet>8 Slopen</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.1.1 </vet><vet>Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te
                                slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                gezag.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                                redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen
                                dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van
                                asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge
                                een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een
                                besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan het besluit voorwaarden
                                verbinden als bedoeld in het derde lid. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                slopen slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van
                                        het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een
                                        fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie
                                        overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van
                                        de gegevens als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                            8.1.2</onderstreept>, tweede lid, letter c, voor zover
                                        deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid,
                                onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen,
                                de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het
                                sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                                voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                                afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien
                                in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een
                                seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen
                                van het tijdelijke bouwwerk.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8.1.6 </vet><vet>Weigeren omgevingsvergunning voor het
                            slopen</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                                onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten
                                ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                                gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                                verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de
                                Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht
                                van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft
                                behouden, is vereist en deze niet is verleend.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.7 </vet><vet>Intrekken</vet><vet>omgevingsvergunning voor
                            het slopen</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de werkzaamheden
                                is gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                            </cursief><cursief>een omgevingsvergunning voor het
                        slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>1.In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning
                        voor het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep
                        of bedrijf in zijn geheel slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een
                                op het erf van die woning staand bijgebouw, voor zover de woning of
                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en
                                de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                staand bijgebouw, voor zover de woning of het bijgebouw niet in het
                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                                of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; </al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders
                        en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is
                        gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is
                        vereist.</al><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en
                                wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud
                                worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en
                                het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in
                                het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister van
                                volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven
                                publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende
                                vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht de
                                voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften
                                die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                                vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en
                                met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                            omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover
                        dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van
                        de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen
                        van: </al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; </al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                                kassen; </al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen; </al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren; </al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt. </al></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>Het bepaalde in de <onderstreept>artikelen 4.8 </onderstreept>tot en met
                        4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het
                        sloopterrein.</al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een
                        besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                        inzage worden gegeven.</al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
                            </vet><vet>omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen het
                                bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen
                                twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag
                                een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het
                                slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen
                                asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht. </al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                                aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                                gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                                krachtens <onderstreept>artikel 8.1.1</onderstreept>, noch een
                                melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te
                                worden gescheiden in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></li></lijst><al><vet>9 Welstand</vet></al><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de </vet><vet>commissie welstand en
                            monumenten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                                commissie welstand en monumenten. </al></li><li nr="2."><al>De commissie welstand en monumenten adviseert over de
                                welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor
                                het bouwen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de </vet><vet>commissie welstand en
                            monumenten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie welstand en monumenten bestaat uit minimaal drie en
                                maximaal vijf leden, waaronder een voorzitter. Ten minste drie leden
                                zijn deskundig op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                                dan wel cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van
                                monumentenzorg.</al></li><li nr="3."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="4."><al>De commissie welstand en monumenten kan slechts adviezen uitbrengen
                                indien ten minste drie leden of plaatsvervangende leden aanwezig
                                zijn waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op
                                het gebied van welstand.</al></li><li nr="5."><al>De leden van de commissie welstand en monumenten mogen geen deel
                                uitmaken van en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van
                                één van de bestuursorganen van de gemeente Oisterwijk.</al></li><li nr="6."><al>In de commissie welstand en monumenten kan een ingezetene van de
                                gemeente anders als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></li><li nr="7."><al>De commissie welstand en monumenten wordt bijgestaan door een door
                                het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen secretaris
                                die geen stemrecht heeft.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de commissie welstand en monumenten, inclusief de
                                voorzitter, worden op voorstel van het college van burgemeester en
                                wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de commissie welstand en monumenten kunnen ten hoogste
                                voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal
                                worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde van de commissie welstand en monumenten dat
                                als bijlage bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het
                                gestelde in de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De commissie welstand en monumenten stelt jaarlijks een verslag op van haar
                        werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="·"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota; </al></li><li nr="·"><al>de werkwijze van de commissie welstand en monumenten; </al></li><li nr="·"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen; </al></li><li nr="·"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="·"><al>het aantal uitgebrachte adviezen;</al></li><li nr="·"><al>het aantal personen dat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om
                                het plan toe te lichten;</al></li><li nr="·"><al>de bijzondere projecten;</al></li><li nr="·"><al>de samenstelling en zittingsperiode van de leden. </al></li></lijst><al>De commissie welstand en monumenten kan in haar jaarverslag aanbevelingen
                        doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                        algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                        bijzonder.</al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie welstand en monumenten brengt het advies over de
                                aanvraag om een omgevingsvergunning uit binnen twee weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                commissie welstand en monumenten een langere termijn dan genoemd in
                                de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag om een omgevingsvergunning langer is dan de in artikel 3.9,
                                eerste lid van de Wat algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde
                                termijn van acht weken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de commissie welstand en
                                monumenten is openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                                beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft
                                verzocht, wordt deze door of namens de commissie welstand en
                                monumenten in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                                bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht, tenzij door het college van
                                burgemeester en wethouders in een bijzonder geval aan die
                                belanghebbenden in toelichtende zin spreekrecht is toegekend. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over
                                bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de commissie
                                welstand en monumenten als bekend mag worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de commissie welstand en
                                monumenten.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie welstand en monumenten adviseert en motiveert haar
                                advies schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
                        </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van <onderstreept>artikel 12</onderstreept>
                                van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of
                                een categorie bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt
                                de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de commissie welstand en monumenten is
                                        ingewonnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens <onderstreept>artikel 150</onderstreept>
                                Gemeentewet vastgestelde verordening.</al></li></lijst><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al><vet>11 Handhaving</vet></al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                        gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op
                        basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
                        Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van
                        artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn
                        gesteld.</al><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                                afgekondigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 18 december 2008
                                en alle daarin aangebrachte wijzigingen;</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening gemeente
                                Oisterwijk 2011'.</al></li></lijst></tekst></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al><al><vet>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als
                            bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                            bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de
                        bouwverordening</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 3 Funderingsplan</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 2</vet></al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 3 </vet></al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 4</vet></al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                        niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 5</vet></al><al>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen </al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 6</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren
                                afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen'
                                (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen-
                                en buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij
                                verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen
                                voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig);</al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met
                                inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2,
                                uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen'
                                (Engelstalig);</al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met
                                inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2.
                                Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig);</al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                                Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al>Reglement van orde van de commissie welstand en monumenten</al><al>Inhoud</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Taakomschrijving commissie</vet></al><lijst><li nr="1.1."><al>Wettelijk verplichte taken</al></li><li nr="1.2."><al>Niet wettelijk verplichte taken</al></li><li nr="1.3."><al>Taakomschrijving commissieleden</al></li><li nr="1.4."><al>Advisering over bijzondere plannen</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Samenstelling commissie</vet></al><lijst><li nr="2.1."><al>De commissie</al></li><li nr="2.2."><al>Benoeming en zittingsduur</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>Vergaderingen</vet></al><lijst><li nr="3.1."><al>Frequentie van vergaderen en werkwijze</al></li><li nr="3.2."><al>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al></li><li nr="3.3."><al>Orde tijdens de vergadering</al></li><li nr="3.4."><al>Externe deskundigen</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Besluitvorming</vet></al><lijst><li nr="4.1."><al>Stemming</al></li><li nr="4.2."><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al></li></lijst></li><li nr="5."><al><vet>Afwijking van het welstandsadvies, afwijken van de
                                    criteria</vet></al><lijst><li nr="5.1."><al>Afwijken van het advies op inhoudelijke grond/second
                                        opinion</al></li><li nr="5.2."><al>Afwijken van het advies om andere redenen</al></li><li nr="5.3."><al>Afwijken van de criteria</al></li></lijst></li><li nr="6."><al><vet>Verantwoording</vet></al><lijst><li nr="6.1."><al>Verslaglegging vergaderingen monumentenzorg</al></li><li nr="6.2."><al>Jaarlijkse verantwoording</al></li><li nr="6.3."><al>Verslag college van burgemeester en wethouders aan de
                                        raad</al></li></lijst></li><li nr="7."><al><vet>Vergoeding</vet></al></li><li nr="8."><al><vet>Onvoorziene gevallen</vet></al></li><li nr="9."><al><vet>Toezicht</vet></al></li><li nr="1."><al><vet>Taakomschrijving commissie</vet></al></li></lijst><al><onderstreept>1.1.</onderstreept><onderstreept>Wettelijk verplichte
                            taken</onderstreept></al><al>1.1.1.De commissie is:</al><lijst><li nr="a."><al>een welstandscommissie als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet
                                juncto artikel 6.2 van het Besluit omgevingsrecht (BOR) en brengt op
                                basis hiervan advies uit aan burgemeester en wethouders ten aanzien
                                van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of
                                standplaats, waarvoor een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor
                                het bouwen is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van
                                welstand, beoordeeld naar de criteria die hiervoor zijn opgenomen in
                                de welstandsnota; en</al></li><li nr="b."><al>een monumentencommissie als bedoeld in artikel 15 van de
                                Monumentenwet 1988 en artikel 1 van de Monumentenverordening
                                gemeente Oisterwijk 2010 en brengt op basis hiervan advies uit aan
                                het bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                                beschermde rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten.</al><al>1.1.2.De commissie welstand en monumenten legt de gemeenteraad
                                eenmaal per jaar een</al></li></lijst><al>verslag voor vande door haar verrichte werkzaamheden.</al><al>1.1.3.Aanvragen om omgevingsvergunning worden in de regel binnen twee weken
                        na</al><al>behandeling van een welstandsadvies voorzien.</al><lijst><li nr=""><al>1.1.4.De commissie welstand en monumenten heeft tot taak gevraagd,
                                of uit eigen beweging, advies uit te brengen aan het college van
                                burgemeester en wethouders over:</al></li><li nr="a."><al>de wijzigingen, verplaatsing en sloop van rijksmonumenten op grond
                                van de Monumentenwet 1988;</al></li><li nr="b."><al>de wijzigingen, verplaatsing en sloop van gemeentelijke monumenten
                                op grond van de gemeentelijke Monumentenverordening;</al></li><li nr="c."><al>voorstellen om gemeentelijke en rijksmonumenten aan te wijzen of van
                                de monumentenlijst af te voeren;</al></li><li nr="d."><al>wijzigingen,verplaatsing en sloop (bouw- en sloopplannen) in
                                beschermde (rijk en gemeentelijke) stads- en dorpsgezichten;</al></li><li nr="e."><al>beleid en plannen op het gebied van archeologie, monumenten en
                                cultuurhistorie.</al></li></lijst><al><onderstreept>1.2.</onderstreept><onderstreept>Niet wettelijk verplichte
                            taken</onderstreept></al><al>1.2.1.Beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunning voor handelsreclames
                        (inzake de</al><al>gemeentelijke APV).</al><al>1.2.2.Onder regie van de gemeente, en op verzoek de gemeente of de aanvrager
                        het</al><al>noodzakelijk geacht overlegvoeren met betrokkenen bij de voorbereiding van
                        de bouwplannen.</al><al>1.2.3.Desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&amp;W over de welstandsaspecten
                        van in </al><al>voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen,
                        beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                        beleidsstukken.</al><al>1.2.4.Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                        ontwikkelingen die </al><al>van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.</al><al>1.2.5.Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in
                        het uiterlijk van</al><al>bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn.</al><lijst><li nr="1.2.6."><al>Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad,
                                B&amp;W en burgers.</al></li><li nr="1.2.7."><al>De commissie welstand en monumenten adviseert de gemeenteraad over
                                aanwijzingsvoorstellen voor gemeentelijk beschermde stads- en
                                dorpsgezichten en daaruit voortvloeiende bestemmingsplannen.</al></li><li nr="1.2.8."><al>Voorts brengt de commissie welstand en monumenten advies uit in alle
                                overige aangelegenheden waarover het college van burgemeester en
                                wethouders haar oordeel vraagt. </al></li></lijst><al><onderstreept>1.3.</onderstreept><onderstreept>Taakomschrijving
                            commissieleden</onderstreept></al><al>1.3.1.De leden van de commissie (voorzitter, secretaris en overige leden)
                        worden geselecteerd</al><al>op de noodzakelijk geachte deskundigheid en zijn onafhankelijk.</al><al>1.3.2.De secretaris stelt de agenda voor de commissievergadering op. Tijdens
                        de</al><al>commissievergadering introduceert de secretaris de bouwplannen en verstrekt
                        gegevens over het relevante welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of
                        gebied. Onder de verantwoordelijkheid van de secretaris wordt de
                        beraadslaging en de conclusie(s) over een bouwplan uitgewerkt in een
                        schriftelijk advies, dat in beginsel binnen twee weken na de
                        commissievergadering verzonden wordt.</al><al>1.3.3.De voorzitter, een deskundige met bestuurlijke ervaring, is
                        verantwoordelijk voor het</al><al>functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij
                        ziet toe dat de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijke
                        welstandsbeleid. Tijdens de vergadering treedt de voorzitter op als
                        gastheer/gastvrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij licht de vergaderorde toe
                        en informeert wie van de aanwezigen bij een agendapunt wil toelichten. Na de
                        fase van de toelichtingen (secretaris/ externe toelichters) wordt deze
                        afgerond en begint de fase van de beraadslaging, een fase waaraan alleen de
                        leden van de commissie deelnemen. De voorzitter draagt er zorg voor dat na
                        de inhoudelijke discussie een voor alle aanwezigen korte en heldere
                        samenvatting wordt gegeven, resulterend in een conclusie. De voorzitter
                        bewaakt de voortgang van de agenda.</al><al>1.3.4.De voorzitter ziet er op toe dat, in het geval dat één van de leden
                        van de commissie op </al><al>een of andere wijze een zakelijke binding heeft met een bouwplan, dit lid in
                        voorkomend geval niet zal deelnemen aan de beraadslagingen en zo mogelijk
                        zal worden vervangen.</al><al>1.3.5.Bij het overleg met de gemeente en de pers treedt de voorzitter namens
                        de commissie </al><al>naar buiten. De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse
                        inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie
                        worden opgenomen in het jaarlijkse verslag van de commissie.</al><al><onderstreept>1.4.</onderstreept><onderstreept>Advisering over bijzondere
                            plannen</onderstreept></al><al>1.4.1.Indien voor een bouwactiviteit zowel een omgevingsvergunning voor de
                        activiteit bouwen</al><al>als verstoren monument benodigd is, vindt advisering op grond van artikel 11
                        van de Monumentenwet gezamenlijk plaats met de advisering op grond van
                        artikel 12 van de Woningwet.</al><al>1.4.2.Voor de advisering op grond van artikel 11 van de Monumentenwet heeft
                        de gemeente </al><al>de commissie welstand en monumenten ingesteld.</al><al>2.<vet>Samenstelling commissie</vet></al><al><onderstreept>2.1 </onderstreept><onderstreept>De
                        commissie</onderstreept></al><al>2.1.1 De commissie welstand en monumenten bestaat uit minimaal drie en
                        maximaal vijf leden, waaronder de voorzitter. Ten minste drie leden zijn
                        deskundig op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                        cultuurhistorie.</al><lijst><li nr="2.1.2"><al>Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van
                                monumentenzorg.</al></li><li nr="2.1.3"><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="2.1.4"><al>De commissie welstand en monumenten kan slechts adviezen uitbrengen
                                indien ten minste drie leden of plaatsvervangende leden aanwezig
                                zijn waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op
                                het gebied van welstand.</al></li><li nr="2.1.5"><al>De leden van de commissie welstand en monumenten mogen geen deel
                                uitmaken van en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van
                                één van de bestuursorganen van de gemeente Oisterwijk. </al></li><li nr="2.1.6"><al>In de commissie welstand en monumenten kan een ingezetene van buiten
                                de gemeente Oisterwijk zitting hebben.</al></li><li nr="2.1.7"><al>De commissie welstand en monumenten wordt bijgestaan door een door
                                het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen secretaris
                                die geen stemrecht heeft.</al></li></lijst><al><onderstreept>2.2</onderstreept><onderstreept>Benoeming en
                            zittingsduur</onderstreept></al><al>2.2.1 De leden van de commissie welstand en monumenten, inclusief de
                        voorzitter, worden voor een periode van drie jaar door het college van
                        burgemeester en wethouders benoemd. Zij zijn eenmaal onmiddellijk
                        herbenoembaar. </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="2.2.2"><al>In bijzondere gevallen kan een lid voor een tweede maal
                                        worden herbenoemd.</al></li><li nr="2.2.3"><al>Het college van burgemeester en wethouders ontslaat de leden
                                        van de commissie welstand en monumenten: </al></li></lijst></li><li nr="a."><al>bij disfunctioneren;</al></li><li nr="b."><al>op hun verzoek. Het verzoek moet schriftelijk worden ingediend bij
                                het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="c."><al>wanneer zij door ziekten of gebreken blijvend ongeschikt zijn de
                                functie te vervullen;</al></li><li nr="d."><al>bij aanvaarding van een ambt of betrekking dat onverenigbaar is met
                                het lidmaatschap van de commissie welstand en monumenten;</al></li><li nr="e."><al>wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
                                wegens misdrijf zijn veroordeeld, dan wel door uitspraak wegens
                                misdrijf zijn veroordeeld, dan wel bij uitspraak een maatregel is
                                opgelegd, die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;</al></li><li nr="f."><al>wanneer zij bij rechterlijke uitspraak onder curatele zijn gesteld,
                                in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling
                                hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld.</al><lijst><li nr="2.2.4"><al>Voor leden die tussentijds aftreden worden plaatsvervangers
                                        benoemd tot het moment waarop het college van burgemeester
                                        en wethouders over hun aanstelling heeft beslist.</al></li><li nr="2.2.5"><al>Het ontslag van een lid van de commissie welstand en
                                        monumenten op eigen verzoek gaat een maand na ontvangst van
                                        het schriftelijk verzoek aan het college van burgemeester en
                                        wethouders in of zoveel eerder als een opvolger is
                                        benoemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>Vergaderingen</vet></al></li></lijst><al><onderstreept>3.1.</onderstreept><onderstreept>Frequentie van vergaderen en
                            werkwijze</onderstreept></al><al>3.1.1.Met betrekking tot welstandzorg vergadert de commissie welstand en
                        monumenten</al><al>eenmaal in de twee weken, voorts oordeelt de voorzitter of extra vergadering
                        nodig is. Een meerderheid van de leden kan een verzoek voor een extra
                        vergadering onder opgaaf van redenen aan de voorzitter kenbaar maken</al><lijst><li nr=""><al>3.1.2.De welstandsprocedure begint met een selectie van aanvragen om
                                omgevings-vergunning. Afdeling Vergunningen en Handhaving toetst een
                                bouwplan eerst aan de voorschriften van het bestemmingsplan, de
                                bouwverordening en hoofdstuk 7.5 van het algemene deel van de
                                welstandsnota (betreffende hoofdstuk gaat over welstandsvrije
                                categorieën en gebieden). Ten behoeve van de welstandstoets
                                beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is voorzien van de benodigde
                                bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is
                                vastgelegd in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor).</al></li><li nr="3.1.3."><al>Met betrekking tot monumentenzorg vergadert de commissie welstand en
                                monumenten</al></li></lijst><al>ten minste eenmaal in de vijf weken, voorts oordeelt de voorzitter of extra
                        vergadering nodig is. Een meerderheid van de leden kan een verzoek voor een
                        extra vergadering onder opgaaf van redenen aan de voorzitter kenbaar
                        maken.</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="3.1.4"><al>De voorzitter belegt de vergaderingen en zorgt dat de
                                        agenda, spoedeisende gevallen uitgezonderd, ten minste zeven
                                        dagen van te voren wordt verzonden met vermelding van de te
                                        behandelen onderwerpen en bijbehorende stukken.</al></li><li nr="3.1.5"><al>De datum, aanvangstijd, plaats en de agenda van de
                                        vergadering wordt de week vooraf aan de vergadering van de
                                        commissie welstand en monumenten aangekondigd in een van
                                        overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                        huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte
                                        wijze.</al></li><li nr="3.1.6"><al>De commissie welstand en monumenten kan slechts beraadslagen
                                        en besluiten indien ten minste drie leden bij de vergadering
                                        aanwezig zijn. </al></li><li nr="3.1.7"><al>Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, belegt de
                                        voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een
                                        vergadering. Op deze vergadering is het derde lid niet van
                                        toepassing.</al></li><li nr="3.1.8"><al>De vergaderingen van de commissie welstand en monumenten
                                        zijn openbaar. De voorzitter kan besluiten om vooraf aan de
                                        openbare vergadering zaken voor te bespreken achter gesloten
                                        deuren. </al></li><li nr="3.1.9"><al>De voorzitter kan besluiten achter gesloten deuren te
                                        vergaderen wanneer hier zwaarwichtige redenen aan ten
                                        grondslag liggen. Een besluit hiertoe dient, voorafgaande
                                        aan de behandeling van het desbetreffende agendapunt, door
                                        de meerderheid van het aantal aanwezige leden te worden
                                        genomen. Het college van burgemeester en wethouders is te
                                        allen tijde gerechtigd de besloten vergaderingen als
                                        toehoorder bij te wonen. </al></li><li nr="3.1.10"><al>De voorzitter kan omtrent het in een besloten vergadering
                                        behandelde en omtrent de inhoud van de stukken, die aan de
                                        commissie welstand en monumenten worden overgelegd,
                                        geheimhouding opleggen (artikel 86 Gemeentewet).
                                        Geheimhouding wordt zowel door de leden, die bij de
                                        behandeling aanwezig waren, als eventueel tot de vergadering
                                        toegelaten personen, in acht genomen tot de voorzitter de
                                        geheimhouding opheft.</al></li><li nr="3.1.11"><al>De besluiten die het college van burgemeester en wethouders
                                        naar aanleiding van de adviezen van de commissie welstand en
                                        monumenten neemt worden zo spoedig mogelijk aan de commissie
                                        medegedeeld. </al></li><li nr="3.1.12"><al>De commissie welstand en monumenten heeft minstens 1x per
                                        jaar overleg met de portefeuillehouder.</al></li></lijst></li><li nr="3.2."><al><onderstreept>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                    toelichting</onderstreept></al><lijst><li nr="3.2.1."><al>De vergaderingen van de commissie welstand en monumenten
                                        zijn openbaar. De agendapunten voor de vergadering van de
                                        commissie welstand en monumenten worden tijdig bekendgemaakt
                                        in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-,
                                        nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                        geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan
                                        niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot
                                        niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                                        wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10
                                        van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.
                                        De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                                        beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="3.2.2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning hierom bij
                                        het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft
                                        verzocht, wordt deze door of namens de commissie welstand en
                                        monumenten in staat gesteld tot het geven van een
                                        toelichting op het bouwplan. De aanvrager van de
                                        omgevingsvergunning dient hiervoor een uitnodiging te
                                        ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de
                                        aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="3.2.3."><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht, tenzij door het
                                        college van burgemeester en wethouders in een bijzonder
                                        geval aan die belanghebbenden in toelichtende zin
                                        spreekrecht is toegekend. </al></li><li nr="3.2.4."><al>Met betrekking tot monumentenzorg kan eenieder, voorafgaand
                                        aan de behandeling van een agendapunt, gebruik maken van
                                        spreekrecht. </al></li><li nr="3.2.5."><al>Degenen die met betrekking tot monumentenzorg van het
                                        spreekrecht gebruik willen maken dienen dit aan het begin
                                        van de vergadering bekend maken. </al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>3.3</onderstreept><onderstreept>Orde tijdens de
                            vergadering</onderstreept></al><lijst><li nr="3.3.1."><al>De voorzitter draagt zorg voor de handhaving van de orde tijdens de
                                vergadering van de commissie welstand en monumenten.</al></li><li nr="3.3.2."><al>Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen
                                veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een
                                andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de
                                orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen.
                                Indien de spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem
                                gedurende de vergadering, waarin het gebeurde plaats heeft, over het
                                aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.</al></li><li nr="3.3.3."><al>De voorzitter kan om orde van de vergadering te handhaven de
                                vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en, indien na
                                de heropening de orde opnieuw wordt verstoord, de vergadering
                                sluiten.</al></li></lijst><al><onderstreept>3.4.</onderstreept><onderstreept>Externe
                            deskundigen</onderstreept></al><lijst><li nr="3.4.1."><al>De voorzitter is bevoegd, uit eigen beweging of daartoe uitgenodigd
                                door de commissie welstand en monumenten, ambtenaren, adviseurs
                                en/of deskundigen te horen en/of in te schakelen, echter onder de
                                voorwaarde dat toestemming van het college van burgemeester en
                                wethouders nodig is indien hieraan kosten voor de gemeente zijn
                                verbonden.</al></li><li nr="4."><al><vet>Besluitvorming</vet></al><lijst><li nr="4.1."><al><onderstreept>Stemming </onderstreept></al><lijst><li nr="4.1.1."><al>In de vergadering van de commissie welstand en
                                                monumenten hebben de leden elk een stem.</al></li><li nr="4.1.2."><al>De besluiten van de commissie welstand en monumenten
                                                worden genomen bij meerderheid van stemmen. Bij
                                                staking van de stemmen vindt er herstemming plaats
                                                in de eerstvolgende vergadering. De minderheid kan
                                                vorderen dat haar afwijkende mening uit het advies
                                                blijkt.</al></li><li nr="4.1.3."><al>De leden van de commissie welstand en monumenten
                                                onthouden zich van deelneming aan de beraadslagingen
                                                en aan de besluitvorming over zaken die hen, hun
                                                echtgenoten of hun bloedverwanten tot in de
                                                derdegraad persoonlijk aangaan. </al></li><li nr="4.1.4."><al>De leden van de commissie welstand en monumenten
                                                onthouden zich van beraadslagingen en deelname aan
                                                stemming over zaken waar zij beroepshalve of op
                                                enigerlei andere wijze bij betrokken zijn. </al></li></lijst></li><li nr="4.2."><al><onderstreept>Vorm waarin het advies wordt
                                            uitgebracht</onderstreept></al><lijst><li nr="4.2.1."><al>De commissie welstand en monumenten adviseert en
                                                motiveert haar advies schriftelijk. </al></li><li nr="4.2.2."><al>Met betrekking tot aanvragen om omgevingsvergunning
                                                brengt de commissie welstand en monumenten heldere
                                                en goed beargumenteerde adviezen uit aan het college
                                                van burgemeester en wethouders, over de vraag of
                                                ‘het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk,
                                                zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of
                                                de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in
                                                strijd is met redelijke eisen van welstand” (art.
                                                12, lid 1 van de Woningwet). Dit wordt beoordeeld
                                                aan de hand van de criteria die daartoe door de
                                                gemeenteraad zijn vastgesteld. </al></li><li nr="4.2.3."><al>Een welstandsadvies kan de volgende conclusies
                                                hebben:</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="·"><al>Voldoet</al></li></lijst><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde
                        welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
                        Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. </al><al>·Voldoet mits (voldoet niet tenzij)</al><al>De commissie is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de
                        toetsingscriteria, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde
                        bezwaren op die punten. De commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen
                        van het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies
                        overneemt, krijgt de aanvrager voor zover dit nog past binnen de beschikbare
                        vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de
                        bezwaarpunten tegemoet te komen. B&amp;W kan ook besluiten om de voorwaarden
                        van het welstandsadvies op te nemen in de bouwvergunning. </al><al>·Voldoet niet</al><al>De commissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke
                        eisen van welstand. Een negatief standpunt houdt in dat indien het College
                        het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend zal moeten worden gewijzigd.
                        Adviseert de commissie negatief dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke
                        motivering. Deze omvat een korte omschrijving van het ingediende plan, een
                        verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een
                        samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.</al><al>·Aanhouden</al><al>De commissie kan het advies aanhouden - waarbij afdeling Vergunningen en
                        handhaving aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende
                        vergunningstermijn - wanneer meer informatie of een nadere toelichting van
                        de opdrachtgever /ontwerper noodzakelijk is. </al><lijst><li nr=""><al>4.2.4.De commissie welstand en monumenten brengt (indien mogelijk)
                                één integraal advies uit op het gebied van welstands- en
                                monumentenzorg.</al></li><li nr="5."><al><vet>Afwijken van het welstandsadvies, afwijken van de
                                    criteria</vet></al></li></lijst><al>Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van
                        de commissie welstand en monumenten. Daarop zijn de volgende
                        uitzonderingsmogelijkheden: </al><al>Afwijkingen van het beleid vragen om een bestuurlijk draagvlak. Wanneer de
                        commissie welstand en monumenten voor een bepaald plan aanleiding ziet tot
                        afwijken van het beleid, zal zij het college van burgemeester en wethouders
                        in haar advies daarover informeren.</al><al>5.1.<onderstreept>Afwijken van het advies op inhoudelijke grond / second
                            opinion</onderstreept></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het
                        advies van de commissie welstand en monumenten indien zij tot het oordeel
                        komen dat de commissie welstand en monumenten de van toepassing zijnde
                        criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel
                        niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien burgemeester en wethouders
                        bij een aanvraag om omgevingsvergunning op inhoudelijke grond tot een ander
                        oordeel komen dan de commissie welstand en monumenten, dan vragen zij
                        voordat het besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen, maar binnen de
                        daarvoor geldige afhandelingtermijn, een second opinion aan bij een andere
                        adviescommissie. Het advies van deze commissie speelt een zware rol bij de
                        verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies
                        van de reguliere commissie en de second opinion tegengesteld zijn en
                        burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van
                        de reguliere commissie welstand en monumenten wordt dit in de beslissing op
                        de aanvraag om omgevingsvergunning gemotiveerd. De reguliere commissie
                        welstand en monumenten wordt hiervan op de hoogte gesteld. </al><al>5.2.<onderstreept>Afwijken van het advies om andere
                        redenen</onderstreept></al><al>Burgemeester en wethouders krijgen volgens artikel 2.10 lid 1 d van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid om bij het in strijd zijn
                        van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de
                        omgevingsvergunning te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor
                        andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard.
                        Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag om omgevingsvergunning
                        gemotiveerd. De commissie welstand en monumenten wordt hiervan op de hoogte
                        gesteld. Burgemeester en wethouders van de gemeente zullen uiterst
                        terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke
                        kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of
                        maatschappelijke belangen. </al><al>5.3.<onderstreept>Afwijken van de criteria</onderstreept></al><al>De commissie welstand en monumenten kan bij haar advisering afwijken van het
                        welstandsbeleid. Dit kan gebeuren op basis van een gemotiveerd positief
                        welstandsadvies bij plannen die weliswaar niet voldoen aan enige
                        gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria maar wel aan redelijke
                        eisen van welstand, dit te beoordelen aan de hand van de algemene
                        welstandscriteria. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag om
                        omgevingsvergunning eveneens gemotiveerd.</al><lijst><li nr="6."><al><vet>Verantwoording</vet></al><al>6.1.<onderstreept>Verslaglegging vergaderingen
                                    monumentenzorg</onderstreept></al></li><li nr="6.1.1."><al>Van het besprokene in een vergadering monumentenzorg van de
                                commissie welstand en monumenten maakt de secretaris een
                                verslag.</al></li></lijst><al>6.1.2 Het verslag vermeldt:</al><lijst><li nr="·"><al>de namen van de leden van de commissie welstand en monumenten die
                                aanwezig zijn;</al></li><li nr="·"><al>de namen van de in de vergadering verschenen adviseurs en
                                belanghebbenden;</al></li><li nr="·"><al>een zakelijke weergave van het in de vergadering behandelde;</al></li><li nr="·"><al>de door de commissie uitgebrachte adviezen.</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="6.1.3."><al>Het verslag wordt voor de eerstvolgende vergadering
                                                aan de leden van de commissie welstand en monumenten
                                                toegezonden.</al></li><li nr="6.1.4."><al>Het verslag wordt in de eerstvolgende vergadering
                                                van de commissie welstand en monumenten besproken en
                                                vastgesteld. Na vaststelling wordt een exemplaar aan
                                                het college van burgemeester en wethouders
                                                toegezonden en voor een ieder ter inzage
                                                gelegd.</al></li></lijst></li><li nr="6.2."><al><onderstreept>Jaarlijkse verantwoording</onderstreept></al></li></lijst></li></lijst><al>6.2.1 Met betrekking tot welstandszorg stelt de commissie welstand en
                        monumenten jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de
                        gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="·"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota; </al></li><li nr="·"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen; </al></li><li nr="·"><al>de aard van de beoordeelde plannen; </al></li><li nr="·"><al>het aantal uitgebrachte adviezen; </al></li><li nr="·"><al>het aantal personen dat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om
                                het plan toe te lichten; </al></li><li nr="·"><al>de bijzondere projecten en </al></li><li nr="·"><al>de samenstelling en de zittingsperiode van de leden. </al></li></lijst><al>De commissie welstand en monumenten kan in haar jaarverslag aanbevelingen
                        doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                        algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                        bijzonder. </al><al>Het verslagjaar is gelijk aan het kalenderjaar. </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><lijst><li nr="6.2.3."><al>Met betrekking tot monumentenzorg legt de commissie
                                                welstand en monumenten het college van burgemeester
                                                en wethouders eenmaal per jaar, uiterlijk vóór 1
                                                april, een verslag voor van de door haar verrichte
                                                werkzaamheden van het voorafgaande jaar. Tenminste
                                                eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het
                                                jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen het
                                                college van burgemeester en wethouders en de
                                                commissie welstand en monumenten.</al></li><li nr="6.2.4."><al>Het onder 7.2.2 bedoelde jaarverslag bevat een
                                                overzicht van de uitgebrachte adviezen, vermelding
                                                van overige zaken waarover is geadviseerd,
                                                behandeling van de thema’s, af- en toetreding van de
                                                leden.</al></li></lijst></li><li nr="6.3."><al><onderstreept>Verslag college van burgemeester en wethouders
                                            aan de raad</onderstreept></al><al>6.3.1.Het college van burgemeester en wethouders legt de
                                        gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor waarin zij
                                        uiteenzetten: </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de commissie
                                welstand en monumenten;</al></li><li nr="·"><al>in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan artikel 12,
                                eerste lid, zij zijn overgegaan tot oplegging van een last onder
                                bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li><li nr="7."><al><vet>Vergoeding</vet></al></li></lijst><al>De voorzitter en de leden van de commissie welstand en monumenten ontvangen
                        voor het bijwonen van de commissievergaderingen een vergoeding, die
                        voorafgaand aan zittingsperiode door het college van burgemeester en
                        wethouders is vastgesteld. </al><al>8.<vet>Onvoorziene gevallen</vet></al><al>In alle aangelegenheden betreffende de commissie welstand en monumenten
                        waarin dit reglement niet voorziet, alsmede bij gerezen geschillen aangaande
                        voornoemde commissie, beslist het college van burgemeester en wethouders, de
                        commissie gehoord. </al><al>9.<vet>Toezicht</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders is belast met het toezicht op het
                        functioneren van de commissie welstand en monumenten. De commissie welstand
                        en monumenten verstrekt alle door het college van burgemeester en wethouders
                        verlangde inlichtingen betreffende haar werkzaamheden. </al><al><vet>Bijlage 10</vet></al><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 11</vet></al><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 12 </vet></al><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 13 Kaart grens bebouwde kom</vet></al><al><vet>Toelichting op de bouwverordening</vet></al><al><vet>1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Asbest</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest:
                        de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet
                        (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel
                        (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet
                        (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten
                        zijn verwerkt.</al><al>Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 en de daarbij behorende toelichting.</al><al>Regeling omgevingsrecht (Mor)</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                        vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab).
                        Hiervoor komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de
                        indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.</al><al>Besluit omgevingsrecht (Bor)</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor)
                        vervalt het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        verdwijnt geheel. De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het
                        Bor.</al><al>Bevoegd gezag</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en
                        wethouders’ gewijzigd in ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de
                        begripsomschrijving voor bevoegd gezag opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt
                        van de tekst van het gewijzigde artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de
                        Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen, wijzigen en intrekken van
                        vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening, blijven gelijk. De
                        meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit betekent dat de
                        sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt afgestemd met
                        de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het bouwtoezicht, die
                        moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze door degene
                        die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader
                        van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de aanvraag
                        omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan niet
                        burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door naar
                        het bevoegd gezag.</al><al>Besluit indieningsvereisten</al><al>In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                        inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning (Stb. 2002, 409
                        en gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende)
                        eisen meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is
                        voorts de opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan
                        te tekenen gegevens overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit
                        besluit.</al><al>Besluit bouwwerken</al><al>In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de
                        wetstekst zelf naar dit besluit (Stb. 2002, 410 en gewijzigd bij Stb. 2003,
                        315 en Stb. 2004, 291). Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van
                        de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit een
                        uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig
                        zijn. </al><al>Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen
                        bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5%
                        licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder
                        de Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31).</al><al>Bouwbesluit 2003</al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                        geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan
                        het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn
                        de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                        opgenomen.</al><al>Bouwtoezicht</al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                        wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                        bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op
                        grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders
                        ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het
                        bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                        provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                        bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                        toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau
                        kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>Gebruiksoppervlakte</al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                        begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen
                        omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de
                        Model-bouwverordening.</al><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de
                        als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk
                        wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de
                        jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe
                        MBV gehandhaafd.</al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                        bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel
                        1 van de Woningwet.</al><al>Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie
                        ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van
                        de Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis
                        van de Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig
                        blijft.</al><al>Deskundig bedrijf</al><al>‘Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing
                        van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen
                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is
                        van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het
                        Arbeidsomstandighedenbesluit.’</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie
                        hiervoor www.ascert.nl.</al><al>Omgevingsvergunning</al><al>In de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en
                        ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de
                        begripsomschrijving genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één
                        omgevingsvergunning, geen twee.</al><al>Vergunningvrij bouwen</al><al>Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd.</al><al>Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist
                        staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is
                        gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                        bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).</al><al>Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de
                        volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="·"><al>De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een
                                activiteit, zoals het bouwen, is nu vergunningvrij of
                                vergunningplichtig;</al></li><li nr="·"><al>De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder
                                verruimd waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden
                                onderscheiden: 1. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het
                                bestemmingsplan of de beheersverordening (of andere planologische
                                regelingen) wel van toepassing is (art. 3) en 2. een categorie
                                waarop de bebouwingsregeling van het planologisch regime niet van
                                toepassing is. Een en ander hangt samen met het in de Wabo opgaan
                                van planologische afwijkingsbesluiten;</al></li><li nr="·"><al>Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden
                                onder een nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht;</al></li><li nr="·"><al>Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was
                                alleen bij woningen en woongebouwen);</al></li><li nr="·"><al>Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of
                                uitbouw;</al></li><li nr="·"><al>Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft
                                vergunningplichtig.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>Algemeen</al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van
                        de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van
                        de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde
                        kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien
                        voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                        beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                        dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                        beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige
                        bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de
                        Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en
                        bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de
                        bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het
                        vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben
                        voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de
                        bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien
                        of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden
                        afgestemd of wellicht overbodig is geworden.</al><al><vet>2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>Algemeen</al><al><onderstreept>Regeling omgevingsrecht.</onderstreept></al><al>In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking
                        hebben op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                        indieningsvereisten staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze Regeling
                        vervangt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning.</al><al><onderstreept>Wet BIBOB</onderstreept></al><al>De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
                        (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003,
                        180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet
                        houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor
                        het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager
                        een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau
                        ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te
                        doen naar de antecedenten van de aanvrager -zowel natuurlijke als
                        rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject
                        wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag
                        aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren.</al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                        advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                        behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                        maximaal acht weken op.</al><al><onderstreept>Awb</onderstreept></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het
                        rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen
                        besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de
                        voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit
                        geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme
                        openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.</al><al><onderstreept>Wro</onderstreept></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                        vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).</al><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet
                        kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf
                        2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de
                        toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om
                        een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor
                        gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                        regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten
                        is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                        werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften
                        van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9
                        en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                        opgelost.</al><al><onderstreept>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag
                            omgevingsvergunning voor het bouwen</onderstreept></al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van
                        art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd
                        verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens
                        die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die
                        nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                        inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                        antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het
                        te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn
                        gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al><onderstreept>Wabo</onderstreept></al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                        omgevingsvergunning. De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van
                        hoofdstuk 8 MBV maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de
                        MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) en
                        omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De
                        Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de
                        bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zogenaamd
                        Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en
                        de vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo
                        mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al>Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden
                        verbonden over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de
                        bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het
                        bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in
                        artikel 4.11. Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te
                        geven welke (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor
                        de opslag kan betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval.
                        Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de
                        verpakking.</al><al><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging</vet></al><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen
                        dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het
                        verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige
                        toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt
                        beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid
                        met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                        beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                        2.4.1. Beide toelichtingen dienen in combinatie met elkaar gelezen te
                        worden.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het
                        milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725
                        wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van
                        het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling
                        van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de
                        bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd
                        gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting
                        tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich
                        specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek
                        volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken.
                        Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                        beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                        wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de
                        gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog
                        steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente
                        maakt bekend, bij voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het
                        aanvragen van een reguliere bouwvergunning, dat en waar een dergelijke
                        beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu
                        of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                        organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                        uitbesteed.</al><al>Lid 2</al><al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op
                        1 januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting
                        niet voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang
                        gelijk te stellen was met meldingplichtig bouwen. </al><al>In het tweede lid van artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling
                        opgenomen ten aanzien van het bouwen dat, hoewel vergunningplichtig, naar
                        aard en omvang gelijk te stellen is aan omgevingsvergunningsvrij bouwen als
                        genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Daarbij kan bijvoorbeeld worden
                        gedacht aan het plaatsen van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een
                        utiliteitsgebouw. Hoewel in deze gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport
                        hoeft te worden ingediend, kan de aanhoudingsregeling van artikel 52a van de
                        Woningwet overigens wel van toepassing zijn op aanvragen om een
                        omgevingsvergunning het bouwen, namelijk in het geval dat bij burgemeester
                        en wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat
                        overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige
                        verontreiniging (zie de toelichting bij genoemd artikel 52a, eerste lid
                        Woningwet).</al><al>De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek
                        is vereist geen rol te spelen.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                        bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze
                        op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot
                        het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                        omgevingsvergunning te regelen.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                        klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze
                        categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de
                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor
                        beleid ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                        voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van
                        deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                        gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                        overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek
                        tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.</al><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om
                        bouwvergunning</cursief></al><al><vet>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</vet></al><al>De toelichting bij deze artikelen vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                            bouwvergunningverlening</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen bodemonderzoek</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</vet></al><al>Hoofdstuk IV van de Woningwet is vervallen bij de Invoeringswet Wabo. Dit
                        betekent dat ook artikel 58 over de mededeling van een van rechtswege
                        verleende bouwvergunning is vervallen. Daarmee is de grondslag voor artikel
                        2.2.6 vervallen. Dit onderwerp is geregeld in artikel 3.9 van de Wabo. </al><al><cursief>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</cursief></al><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                            grond</cursief></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                        gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op
                        te nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het
                        derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze
                        voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de
                        redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening
                        niet is toegestaan.</al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort,
                        staan in de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De structuur is als volgt:</al><lijst><li nr="·"><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                                onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd,
                                aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.</al></li><li nr="·"><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden
                                waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te
                                worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn
                                verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was
                                getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden
                                als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene
                                bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de
                                volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden
                                die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in
                                het bezit van het bevoegd gezag zijn.</al></li><li nr="·"><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                                bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan
                                worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de
                                vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5
                                van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te
                                vullen.</al></li><li nr="·"><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het
                                bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen
                                dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden
                                verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt
                                hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens
                                en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling
                                omgevingsrecht.</al></li></lijst><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen
                        in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid
                        zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke
                        grondslagen van de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij
                        de wetswijziging vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de
                        uitgangspunten van de Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften
                        in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming
                        waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens,
                        plant en dier centraal staat.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang.
                        Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw-
                        en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al><onderstreept>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van
                        mensen</onderstreept></al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting
                        bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het
                        betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde
                        mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te
                        genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van
                        twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee
                        of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één
                        dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of
                        kweken van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                        nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                        waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd
                        als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel
                        eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het
                        algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt
                        die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                        verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK,
                        1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder
                        opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een
                        logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend
                        verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of
                        garage bij een woning. </al><al><onderstreept>Bouwwerken die de grond niet raken</onderstreept></al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                        verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                        vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering
                        of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden
                        gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek
                        worden geëist.</al><al><onderstreept>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                            bodemverontreiniging</onderstreept></al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij
                        niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan
                        niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                        gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die
                        daartoe zijn aangewezen volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag
                        ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen.</al><al><onderstreept>Hoe werkt de verbodsbepaling in de
                        praktijk?</onderstreept></al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden
                        kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging
                        geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen
                        aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de
                        bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van
                        verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een
                        verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van
                        de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren,
                        zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende
                        voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de
                        toelichting onder artikel 2.4.2 van de MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                        aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                        bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                        saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de
                        bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend
                        kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de
                        bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan
                        noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                        het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                        verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte
                        termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op
                        welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                        verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning
                        voor het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                        worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot
                        de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken
                        aan:</al><lijst><li nr="·"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                                laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="·"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                                afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="·"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het
                                grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de
                                totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                        verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen
                        is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen
                        van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen op een verontreinigde
                        bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. </al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                        bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</cursief></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                        vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro
                        gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van
                        enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk.
                        Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van
                        belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen
                        bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                        Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in
                        een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4,
                        vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het
                        gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van
                        hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10
                        Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten
                        die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische
                        onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die
                        onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).</al><al><onderstreept>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                            bestemmingsplan</onderstreept></al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                        paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                        voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                        niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht
                        kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                        eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                        gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende
                        bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft
                        de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij
                        het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het
                        bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat
                        bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn.
                        Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid
                        zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze
                        gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief
                        het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                        bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden
                        uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt
                                het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden
                                gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                                aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord
                                op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien
                                of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                                voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                                werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                                gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of
                                nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient
                                aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van
                                artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Wet ruimtelijke ordening (Wro)</onderstreept></al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                        bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is
                        hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de artikelen 3.5.3
                        (Bereikbaarheid bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen), 2.5.3A
                        ( Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren)
                        wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde
                        lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt,
                        blijven deze artikelen vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan
                        wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is
                        geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag
                        voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze
                        bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf
                        van mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet
                        alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen
                        gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden.</al><al>Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt
                        bepaald, dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan -
                        ingevolge het Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust - een brievenbus aan
                        het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn.
                        buitenbus. De maat van 10 meter verdient uit een oogpunt van
                        brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de
                        blusslangen te groot wordt.</al><al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de
                        zin van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden geweigerd. Eventueel
                        kan de bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas
                        mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen
                        voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de
                        aanvrager van de bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een
                        toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op
                        het wegennet.</al><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het aanleggen
                        van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                        plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                        toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot
                        uitwegen is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het
                        aansluiten, c.q. uitwegen op openbare wegen.</al><al>Lid 2</al><al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik
                        door gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's,
                        brandweerauto's e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De
                        eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een
                        sloot of iets dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde
                        gangbare vrachtauto's.</al><al>Lid 4</al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                        aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke
                        opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                        plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik
                        beschikt.</al><al>Lid 5</al><al>De openbare bluswatervoorziening is geregeld op grond van artikel 1 van de
                        Brandweerwet 1985. Burgemeester en wethouders hebben de zorg voor de
                        openbare (brand)veiligheid en zijn op grond van deze wet verantwoordelijk
                        voor de openbare bluswatervoorziening. De gemeente zelf moet hierin
                        voorzien.</al><al>In de bouwverordening staat dat bij gebrek aan een openbare
                        bluswatervoorziening (de bouwer) moet zorg dragen voor een niet openbare
                        bluswatervoorziening. Te denken valt aan een huisje op de hei. In zo'n geval
                        kan van de gemeente geen bluswaterleiding worden gevraagd, dit gaat de
                        zorgplicht te boven. De bouwer moet dit zelf regelen.</al><al>Lid 6</al><al>De onderhavige afwijking kan worden verleend voor gebouwen die door hun
                        aard, ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen
                        opstelplaats voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden:
                        recreatiewoonverblijven die aan het water liggen en over een aanlegsteiger
                        beschikken, bergplaatsen voor materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande
                        boerenschuren, schuilhutten e.d.</al><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</vet></al><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                        gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp" door onder meer een algemene
                        maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het
                        bepaalde van artikel 2.5.3A. Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1
                        november 2008 is de inhoud artikel 2.5.3A van rechtswege vervallen.</al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het
                        Bouwbesluit die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor
                        al dan niet gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld,
                        wanneer de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet
                        beschikken.</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin
                        de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                        gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                        voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan
                        verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren: </al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                        aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="·"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                                afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr="·"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                                bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="·"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst
                        aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in
                        toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en
                        vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking
                        voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te
                        leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is
                        als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) vergunningplichtig
                        bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning
                        dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf
                        beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste
                        regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen
                        wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat
                        bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk
                        aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod
                        tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                        zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3,
                        onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een
                        uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar
                        bedoelde veranderingen mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het
                        bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande
                        afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus
                        vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                        bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als
                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit
                        omgevingsrecht kunnen worden beschouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters
                                en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                                hemelwaterafvoeren;</al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten,
                                dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien
                                uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden
                                dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen burgemeester en
                                wethouders dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op te
                                treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het
                                gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen,
                                maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening
                                van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel
                                a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                                punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de
                                woorden ', te weten:'. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                        2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen
                        bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en geen van de
                        omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                        afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                        beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat
                        de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen
                        genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te
                        sluiten.</al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al>Lid 4, onder a</al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                        complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                        gevangenissen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                        zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                        gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                        achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                        dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel
                        2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat
                        worden als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van
                        rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije
                        bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van
                        artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                        onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel
                        2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
                        Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het
                        niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn
                        hierop van toepassing te laten zijn.</al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al><vet>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                        artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale
                        gevallen.</al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De
                        vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de
                        bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn,
                        uit te sluiten.</al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het
                        verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht
                        te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er
                        aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet
                        blijven.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                        bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                        bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                        omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                        winkelbebouwing. </al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                        'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots
                        voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk
                        Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2
                        meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin
                        vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                        voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen
                        van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                        ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en
                        het gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou ontheffing van
                        de voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                        bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte
                        dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van
                        het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het
                        gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een
                        verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten
                        worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden
                        geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij
                        brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                        bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                        laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven
                        als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                        rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                        dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                        gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen
                        woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast
                        bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid
                        zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het eerste
                        lid, dan in het andere geval.</al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                        ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze
                        aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel
                        worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een
                        tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag
                        kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het
                        eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar
                        is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel
                        van het gebouw.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                        recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                        beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde
                        voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een
                        erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van
                        artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien de daarin vermelde beperkingen
                        ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere
                        erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en
                        behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het
                        bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel
                        kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel
                        de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in
                        het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld
                        een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf,
                        behorend bij een gebouw, is.</al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                        beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk
                        en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet
                        meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan
                        zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten
                        e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre
                        het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                        toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd
                        als een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te
                        wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de
                        gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede
                        werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de
                        aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                        aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn
                        of de hoofdtransportleiding.</al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                        opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                        Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30
                        meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met
                        uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.</al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een
                        dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan
                        geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een
                        bestemmingsplan geen betekenis.</al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones
                        vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor wvergunningplichtige bouwwerken is
                        bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook
                        op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil
                        van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                        belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten,
                        omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren
                        en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                        belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als
                        de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de
                        bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is
                        wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde
                        kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                        deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                        vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal
                        een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende
                        invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle
                        gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke
                        onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de
                        uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats
                        van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur
                        18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                        achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                        aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                        verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing
                        te verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                        voorgevel.</al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                        binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in
                        het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen
                        tot hun goot.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Ad a</al><al>De strekking van dit voorschrfit is, dat bij een eenmaal gerealiseerd
                        bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als
                        vrij bouwen met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze
                        onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of
                        te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van
                        een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de
                        artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken
                        ingevolge artikel 2.5.28, onder e.</al><al><vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18
                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om
                        het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken,
                        die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit
                        omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid
                        dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel
                        2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken.</al><al>Ad e, onder 1</al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                        bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is
                        dan thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan
                        dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van
                            de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                            beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige
                        afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen
                        enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en
                        anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan.
                        Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende
                        regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer
                        nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige
                        afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen
                        uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een
                        bestemmingsplan.</al><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen
                        van toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                        projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                        bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van
                        3.9 Wabo van toepassing is.</al><al>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                        aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit
                        is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren,
                        maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage
                        is gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een
                        dergelijke situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV,
                        waaronder deze.</al><al>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle
                        besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze
                        motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten
                        hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis
                        opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de
                        toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                        ruimtelijk beleid'.</al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                        afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                        structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                        bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                        zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                        ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                        bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                        Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de
                        betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt
                        rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke
                        en landschappelijke waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                        hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante
                        afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en
                        milieuzonering'.</al><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                        ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                        Wabo.</al><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al>Algemeen</al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                        parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als
                        uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat
                        artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt.</al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                        Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe
                        datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                        ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond
                        van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is
                        voorzien in een regeling over het parkeren.</al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                        overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per
                        bouwvergunning te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte
                        van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal
                        bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van
                        openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers
                        gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen.
                        Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                        vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en
                        vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                        aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                        bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                        verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                        Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede
                        (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl). Overigens kan een verantwoorde
                        parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor eht bouwen
                        worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm
                        worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                        praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke
                        vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in
                        een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking
                        naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar
                        vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van
                        lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen
                        terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door
                        alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te
                        maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden -
                        artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het
                        Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                        bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen
                        van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                        afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                        rolstoelgebruikers en stoklopers. </al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                        parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak
                        te maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige
                        verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij
                        financiële voorwaarden worden gesteld. </al><al><cursief>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                        gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp"door onder meer een algemene
                        maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het
                        bepaalde van paragraaf 2.6. Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1
                        november 2008 is de inhoud van paragraaf 2.6 en die van de hierbij behorende
                        bijlagen 10 tot en met 12 van rechtswege vervallen.</al><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                        brandmeldinstallaties</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 2.6.12 </vet><vet>Communicatie</vet><vet>systeem voor publieke
                            hulpverleningsdiensten</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt
                        niet in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht
                        is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van
                        drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts
                        de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die
                        het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is
                        afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De
                        voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een
                        afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de
                        aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen
                        de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de
                        levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                        aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                        binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde
                        artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                        toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt
                        dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                        drinkwater wordt toegestaan.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtstbijzijnde leiding van
                        het openbare distributienet, zie artikel 2.7.7.</al><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                        kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid.
                        Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. Hetgeen daar is gesteld over de
                        waterleiding geldt mutatis mutandis voor de aansluiting aan het
                        elektriciteitsnet.</al><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>Lid 1</al><al>De niet-vantoepassingverklaring is bedoeld voor woningen, waarin niet op gas
                        wordt gekookt en voor verwarming geen individuele toevoer van gas nodig is.
                        In de praktijk betreft dit vaak woningen voor ouderen of gehandicapten, waar
                        wordt aangenomen dat elektrisch koken veiliger is dan op gas koken.</al><al>Lid 2, onder b</al><al>Het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in
                        het eerste lid is denkbaar voor koopwoningen, indien de eigenaar-bewoner
                        geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot hetgeen het geval
                        kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad geschiktheid van de
                        woning voor het stoken en koken op de meest economische brandstof
                        noodzakelijk acht.</al><al>Lid 2, onder c</al><al>Van het bepaalde in het eerste lid hoeft niet afgeweken te worden bij
                        woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of blokverwarming,
                        indien een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op
                        aardgas.</al><al>Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>Algemeen</al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                        transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                        neergelegd in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, de
                        Wet Milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Waterwet richten zich op de
                        lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze
                        regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar het
                        Handboek Water: www.infomil.nl/handboekwater.</al><al>Met het oog op vermindering van de belasting van het milieu en van het
                        bestaande rioleringsnet kan in bepaalde gebieden of in een hele gemeente
                        verplicht worden gesteld dat hemelwaterafvoer wordt afgekoppeld van het
                        gemengde rioolstelsel. Deze plicht is niet gebaseerd op de bouwverordening,
                        maar staat in een afzonderlijke gemeentelijke verordening. De VNG heeft
                        hiervoor de Modelverordening afvoer hemelwater en grondwater opgesteld en
                        oer ledenbrief van 16 juli 2009, Lbr. 09/091 aan de gemeentebesturen
                        toegezonden. Deze verordening is gebaseerd op artikel 10.32a van de Wet
                        milieubeheer.</al><al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel
                        2.7.4 van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in
                        artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 2.1
                        van de Wabo gegeven vergunningplicht voor het bouwen en het herziene artikel
                        13 van de Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te
                        verplichten om aan te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de
                        openbare riolering en het dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of
                        minder bedraagt.</al><al>Vanaf begin 2008 worden lozingen zoveel mogelijk geregeld met algemene
                        regels (amvb’s). Deze amvb’s zijn gebaseerd op bovengenoemde wetten en
                        regelen alle lozingsroutes: rioolstelsels, oppervlaktewater en bodem. Dit
                        betreft drie amvb’s, die zich richten tot een bepaalde doelgroep:</al><lijst><li nr="1."><al>Het besluit lozing afvalwater huishoudens (Stb. 2007, 468), dat
                                uitsluitend van toepassing is op lozingen vanuit particuliere
                                huishoudens,</al></li><li nr="2."><al>het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415), dat zich richt tot
                                inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, en</al></li><li nr="3."><al>het Besluit lozen buiten inrichtingen (Scr., 2009, 12902) waarin het
                                grootste deel van de resterende lozingen in geregeld worden. Dit
                                besluit zal naar verwachting medio 2011 van kracht worden.</al></li></lijst><al>Een aantal lozingen, met name die van grotere bedrijven, worden nog geregeld
                        met vergunningen. Bij lozing in het oppervlaktewater is dat de
                        watervergunning, bij lozing in het riool de Wabo -vergunning.</al><al>Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de omvang van de
                        lozing) staan de besluiten een directe lozing in het oppervlaktewater of de
                        bodem toe. In deze besluiten zijn de voorwaarden voor deze lozingen
                        opgenomen, voor kleinschalige lozingen van huishoudelijk afvalwater kan dan
                        bijvoorbeeld een Iba (Individuele Behandeling van Afvalwater) worden
                        toegepast.</al><al>Lid 1</al><al>Voor de voorzieningen ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het
                        terrein, zie artikel 2.7.5.</al><al>Lid 2, onder a</al><al>Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn
                        van de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het
                        gemeentelijk bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift
                        bevoegd:</al><lijst><li nr="a."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of
                                vacuümriolering wordt aangesloten;</al></li><li nr="b."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden
                                gerealiseerd voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de
                                vuilwaterafvoer, indien in het desbetreffende deel van de gemeente
                                een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.</al></li></lijst><al>Lid 2, onder b</al><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                        bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                        rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan
                        tevens voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden
                        getroffen, waarbij moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de
                        mogelijkheid van aangroeiing meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al>Lid 3</al><al>Bij het tussenschakelen van voorzieningen nodig voor de goede werking van
                        het riool kan worden gedacht aan terugslagkleppen, ontluchting e.d. Door de
                        'hogere regelgeving' – hiervoor genoemd onder ‘Algemeen’ - is nog meer dan
                        voorheen duidelijk dat de bouwverordening niet gaat over het lozen, maar
                        uitsluitend over de aansluitplicht.</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Deze lozingen in oppervlaktewater of bodem zijn geregeld in bovenstaande
                        besluiten. In bepaalde gevallen, genoemd in die besluiten, moet gemeld
                        worden.</al><al>Lid 4, onder b</al><al>Het bevoegd gezag kan afwijking toestaan van de verplichting tot aansluiting
                        aan het openbare riool.</al><al>Een gebruikelijke praktijk bij agrarische bedrijven is dat het huishoudelijk
                        afvalwater geloosd wordt in de mestkelder en gezamenlijk met de mest wordt
                        uitgereden over het land onder de meststoffenregelgeving.</al><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Lid 2, onder b</al><al>De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze
                        af te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een
                        op het eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening,
                        berust op milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt
                        beoogd om het hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel
                        mogelijk bij te dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het
                        tegengaan van verdroging van het milieu.</al><al>Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse
                        kan bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte
                        infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een
                        daarmee gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke
                        voorzieningen kunnen worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1,
                        Hemelwater binnen de perceelsgrens - Ontwerp en uitvoering van voorzieningen
                        ten behoeve van opvang, gebruik en infiltratie van hemelwater binnen de
                        perceelsgrens, (www.isso.nl/producten/isso-winkel/).</al><al>De aanvrager van de omgevingsvergunning dient van tevoren te (laten)
                        onderzoeken welke van de genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de ter
                        plaatse aanwezige bodemgesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan
                        geschikt is. Bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig
                        bouwproject zal een dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader
                        van het vooronderzoek door de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen
                        de uitkomsten van gemeentewege beschikbaar worden gesteld.</al><al>Lid 3, onder b</al><al>Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede
                        wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de
                        infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen
                        worden gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de
                        perceelgrenzen in acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar
                        hangt af van de hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van
                        de infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van
                        de ter zake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kan het
                        bevoegd gezag afwijking toestaan van de verplichting tot het aanbrengen van
                        een infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer
                        en/of de geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven.</al><al>Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is
                        overigens van belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput
                        (septic tank) daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden
                        aangesloten.</al><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven
                            en terreinen</vet></al><al>Lid 3</al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een
                        gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt
                        afgevoerd, moet er - met het oog op het in goede staat houden van dat
                        rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie - op worden
                        toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten
                        e.d. voorkomen. </al><al>Lid 4</al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                        praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                        onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                        verschenen.</al><al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, 'Binnenriolering in
                        woningen en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts
                        toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn
                        dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en
                        anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf
                        buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de
                        'huis'-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen.</al><al>Lid 5</al><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                        huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                        rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                        voorgeschreven.</al><al>Lid 6</al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                        NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                        overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband
                        daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al><al><vet>3 De melding</vet></al><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling
                        tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de
                        vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en
                        in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13
                        hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als
                        vergunningplichtig.</al><al>Artikel 7b Woningwet bevat verplichtingen in de vorm van algemene
                        verbodsbepalingen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening
                        die van toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een
                        bouwwerk of een open erf of terrein. In de artikelen 2.1., 2.2 en 2.3 van de
                        Wabo staat (onder meer) het verbod te bouwen zonder of in strijd met een
                        voorschrift van de omgevingsvergunning. Voorts kan worden opgetreden tegen
                        de instandhouding van een (deel van een) bouwwerk dat is gebouwd zonder of
                        in afwijking van een omgevingsvergunning.</al><al><onderstreept>Structuur van de voorschriften</onderstreept></al><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                        handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door
                        het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1
                        tot en met 4.6 en 4.13.</al><al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van
                        nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid,
                        grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7
                        tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het
                        bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                        gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt
                        geregeld in artikel 7b Woningwet jo artikel 4.14 MBV.</al><al>De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                        ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><al><onderstreept>Handhaving van de voorschriften</onderstreept></al><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn op grond van artikel 7b van de
                        Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene toelichting
                        bij Hoofdstuk 11.</al><al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel
                        4.6 kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</al><al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                        bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor
                        gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie
                        belast.</al><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>Dit artikel is vervallen, omdat de inhoud is geregeld in artikel 2.33 van de
                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                        ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is
                        toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te
                        hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht
                        aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die
                        bescheiden is voorgeschreven. De tekst is immers voorhanden en voorkomt dat
                        de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te
                        kennen.</al><al>Sub a</al><al>Onder het begrip 'omgevingsvergunning voor het bouwen' in de zin van dit
                        artikel vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen,
                        berekeningen e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en
                        dus moeten worden gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden.</al><al>Sub b</al><al>Deze toestemmingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige
                        consequenties hebben. Deze vergunningen kunnen betrekking hebben op
                        bijvoorbeeld beschikkingen van de rijks- of provinciale overheid.</al><al>Sub d</al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede
                        lid, onder b van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor
                        bouwen op grond van voornoemde besluiten geen omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is vereist (art. 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en
                        art. 2.1, derde lid van de Wabo).</al><al>Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel
                        8.3.2 ook de omgevingsvergunning voor het slopen op het bouw- en
                        sloopterrein aanwezig zijn.</al><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen
                        voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen,
                        bij voorbeeld bij een verbouwing.</al><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                        tijdige controle.</al><al>Lid 1, sub a</al><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling
                        het regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                        voorkoming van schade aan leidingen. Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet
                        Informatieuitwisseling Ondergrondse Netten (WION), ook wel genoemd
                        ‘Grondroerdersregeling’. Het Kadaster is belast met de uitvoering van deze
                        wet. Zie: www.kadaster.nl/KLIC.</al><al>Lid 3</al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt
                        geadviseerd terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door
                        vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te
                        verlangen.</al><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het
                        bouwtoezicht vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het
                        oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de
                        kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te
                        verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die
                        bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde
                        werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens conform de
                        vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken. Specifieke
                        controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van de
                        controlerende instantie, c.q. de gemeente.</al><al>Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het
                        verrichten van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast
                        biedt om bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt
                        dit artikel van de bouwverordening toegepast.</al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Het belang dat hier wordt gediend is de kwaliteit van funderingen en daarmee
                        de veiligheid van bouwwerken. Dit is een publiekrechtelijk belang. Dit
                        artikel ziet niet op eventuele schade in privaatrechtelijke zin. Het motief
                        van het bepaalde in dit artikel is aanvullend op de doelstelling van de
                        Waterwet.</al><al>De Grondwaterwet is per 22 december 2009 vervangen door de Waterwet. Een
                        belangrijk gevolg van de invoering van de Waterwet is dat de huidige
                        vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld.
                        Dit resulteert in één vergunning: de watervergunning.</al><al>In veel gevallen is een watervergunning niet nodig omdat veel activiteiten
                        onder algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een
                        meldingsplicht in plaats van de vergunningenprocedure.</al><al>Bevoegd gezag voor de verlening van de watervergunning zijn het waterschap
                        voor het regionale watersysteem, Rijkswaterstaatvoor het hoofdwatersysteem
                        en de provincies vor drie specifieke categorieën grondwateronttrekkingen en
                        infiltraties. Als de aanvraag om een watervergunning betrekking heeft op
                        handelingen waarvoor verschillende bestuursorganen bevoegd zijn, wordt de
                        beslissing op de aanvraag in beginsel genomen door het hoogste bevoegde
                        gezag. De Waterwet geeft Rijkswaterstaat, de provincies en de waterschappen
                        wel de mogelijkheid in voorkomende gevallen te regelen dat een ander
                        bestuursorgaan bevoegd gezag wordt. Hiertoe is een handreiking ontwikkeld
                        (‘Handreiking samenloop bevoegdheden Waterwet’).</al><al>De watervergunning en de omgevingsvergunning worden niet geïntegreerd. Het
                        zijn afzonderlijke vergunningen die wel bij hetzelfde overheidsloket,
                        Omgevingsloket online, kunnen worden aangevraagd. De gemeente is aangemerkt
                        als het overheidsloket van Nederland, dus in principe ook voor de
                        watervergunning, ook al is zij hiervoor geen bevoegd gezag. De aanvraag voor
                        een watervergunning kan echter ook rechtstreeks bij het bevoegde gezag op
                        grond van de Waterwet worden ingediend (Rijkswaterstaat, provincie of
                        waterschap). Overigens kan ook de aanvraag om een omgevingsvergunning bij de
                        provincie worden ingediend als niet de gemeente maar de provincie bevoegd is
                        op die aanvraag te beslissen. De aanvrager heeft dus alle vrijheid, daarom
                        is het verstandig dat waterbeheerders, provincies en gemeenten afspraken
                        maken over de onderlinge afstemming. De wettelijke termijnen moeten immers
                        in acht worden genomen, waardoor snel handelen noodzakelijk is. Zo zal een
                        via de gemeente binnengekomen aanvraag om een watervergunning direct aan de
                        waterbeheerder of de provincie moeten worden doorgezonden.</al><al>Zie ook: www.helpdeskwater.nl en www.waterwet.nl</al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op
                        de bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                        veiligheid van voorbijgangers en belendingen. Zie ook artikel 2.4 van de
                        Regeling omgevingrecht (Mor) dat regels bevat over het indienen van een
                        bouwveiligheidsplan.</al><al>Lid 1</al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen,
                        die bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van
                        een heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming
                        van bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft
                        de veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De
                        controle op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de
                        Arbeidsinspectie en bij het elektriciteitsbedrijf.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de
                        schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die)
                        gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein
                        te weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een
                        bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het
                        derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij
                        het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                        permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist
                        het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al><al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                        gewaarborgd.</al><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder
                        voor de omgeving te voorkomen.</al><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                        geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de
                        bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</al><al>Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden
                        van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                        gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering
                        bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                        hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                        ander afval. </al><al>a Gevaarlijke afvalstoffen</al><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                        gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de
                        Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                        blz. 9), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn.
                        verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te
                        blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die is
                        gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden
                        gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze
                        gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van
                        klein chemisch afval van huishoudens.</al><al>b en c Glaswol en steenwol</al><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                        ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een
                        stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter.</al><al>De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige
                        kosten te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het
                        geheel van bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde omgevingsvergunning is
                        verleend.</al><al>Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht
                        tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal
                        zijn.</al><al>d Overig afval</al><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                        bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                        onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting
                        die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst
                        te nemen. </al><al><onderstreept>Wanneer is iets afval?</onderstreept></al><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een
                        afvalbak is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die
                        apart worden gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen
                        afval.</al><al><onderstreept>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</onderstreept></al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden
                        als ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande
                        scheiding toe te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen
                        veelal op basis van economische motieven besluiten tot een verdergaande
                        scheiding. Hierbij zullen prijzen worden vergeleken en zal bij een
                        verdergaande scheiding dikwijls een gunstiger prijs- en kostenverhouding
                        gelden. Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt onverkort het
                        voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting die
                        bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie overig afval moet in
                        het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting. Als
                        sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                        overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                        overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is
                        tot ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q.
                        milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al><al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                        gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in
                        het gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden
                        worden opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de
                        ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook
                        aanbeveling om nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de
                        eventuele veranderingen daarin. </al><al><onderstreept>Afvoeren en overdragen van bouwafval</onderstreept></al><al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om
                        het mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor
                        transport vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die
                        bevorderlijk is voor het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving
                        dan de bouwverordening, waarbij met name te denken valt aan de provinciale
                        milieuverordening. Uit dien hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar
                        een bewerkings- of verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die
                        op grond van de Wet milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te
                        ontvangen.</al><al>De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                        bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk een
                        stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die geringe
                        hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij
                        sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op
                        zaterdagmorgen.</al><al>Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest,
                        waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel
                        over bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                        toegelaten.</al><al><onderstreept>Terugleveren aan de leverancier of
                        fabrikant</onderstreept></al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan
                        de fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering
                        op de regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een
                        bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrichting moeten worden
                        afgevoerd. Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient als
                        grondstof voor nieuwe producten wordt zinvol geacht. </al><al><onderstreept>Sorteerinrichting</onderstreept></al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is –
                        voor zover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar
                        een sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen
                        ongesorteerd te ontvangen.</al><al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn
                        voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling
                        niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13 februari 1996). Hierin
                        worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde
                        steenachtige materialen, ferro en non-ferro metalen, massief
                        niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen
                        of delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt
                        uitsortering voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij achteraf in een
                        sorteerinrichting.</al><al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij
                        een sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen
                        van gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging
                        voor Gips (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden
                        en schoon afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins
                        operationeel en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het
                        nietoperationeel zijn van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997).
                        Overigens geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in
                        geringe mate in bouwafval voorkomen.</al><al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                        ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                        aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via
                        de Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen
                        zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor reclycing. </al><al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                        voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                        Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen
                        kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de
                        Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor
                        kitkokers, verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B
                        &amp; R Recycling BV te Middelharnis.</al><al><onderstreept>Mee terugnemen naar de werf</onderstreept></al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                        verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                        naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                        bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot
                        praktisch nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een vergunning is
                        vereist op grond van de Wet milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt
                        erop dat dit afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar
                        een sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van
                        andere stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals
                        de plicht tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen
                        aan een inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</al><al><onderstreept>Enkele specifieke begrippen</onderstreept></al><al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de
                        aanwezigheid van een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht.</al><al>Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in
                        te zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent.
                        Voor enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem.
                        Zie de toelichting van artikel 8.1.1 ad c onder het kopje Inzamel- en
                        recyclingsystemen voor kunststoffen.</al><al>Lid 1</al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                        terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                        scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                        verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet
                        milieubeheer. De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen
                        het gevaarlijk afval gaat moet beschikken over een adequate
                        omgevingsvergunning op grond van de Wabo. Er bestaat keuzevrijheid naar welk
                        bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt het bepaalde in dit lid erop
                        neer dat gevaarlijk bouwafval niet naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen
                        zijn vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in ontvangst te nemen.
                        Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de beste oplossing.</al><al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform
                        wordt uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide
                        afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL) voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt
                        verwezen naar dit besluit.</al><al>Vergunningvoorwaarden</al><al>Het is niet toegestaan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen te verbinden die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de
                        bouwplaats te scheiden dan die vermeld staan in het eerste lid. In het
                        algemeen komt men dan in strijd met het vierde lid van artikel 2.22
                        Wabo.</al><al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij
                        elkaar. Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet
                        combineren met een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen,
                        lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.),
                        logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met
                        een ontstekingsbron noch met een brand- of explosiebron.</al><al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling
                        bij het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op
                        hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken.</al><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                        spoedig daarna controles uit te voeren. Artikel 7b van de Woningwet bevat
                        het verbod een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken anders dan in
                        overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften,
                        bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a. Uit dit artikel uit de
                        Woningwet vloeit voort dat de voorschriften omtrent het gebruik in de
                        bouwverordening geen betrekking kunnen hebben op het gebruik in
                        planologische zin, doch uitsluitend op het veilig en verantwoord gebruik van
                        gebouwen.</al><al>Lid 1</al><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een
                        latere fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra
                        graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke
                        melding.</al><al>Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte
                        overeenkomstig de uitkomst van de berekening van de
                        energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende categorie gebouwen
                        voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts effectief
                        mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het
                        opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van
                        de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie.</al><al>Lid 2</al><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn
                        van twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                        noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al>Lid 3</al><al>Voor zover in de voorwaarden van de bouwvergunning niet anders is gesteld,
                        geldt ook hier de termijn van twee dagen.</al><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>Voor de toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989,
                        (Voorschriften Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn.</al><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Op aandrang vanuit de praktijk en gelet op de uitspraak rechtbank Leeuwarden
                        van 22 september 2008, LJN BF2263 wordt het verbod tot ingebruikneming van
                        een bouwwerk dat niet is gereed gemeld opnieuw ingevoerd.</al><al>Hierbij is uitgegaan van de oude tekst van artikel 4.14 uitsluitend ten
                        aanzien van het niet gereed melden.</al><al>Gereedmelding is aan de orde bij de in artikel 4.12 MBV genoemde gevallen.
                        Voorkomen moet worden dat onveilige situaties ontstaan als gevolg van het in
                        gebruik nemen van onvoltooide bouwwerken of bouwwerken waarin niet alle
                        noodzakelijke bouwtechnische voorzieningen zijn aangebracht (ABRvS, 23
                        december 2009, LJN: BK7451).</al><al><vet>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</cursief></al><al>Algemeen</al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid
                        gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor
                        bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren
                        te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden
                        voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond
                        van de artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel het
                        toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.
                        Voor de situaties die al bestonden voor het in werking treden van de
                        artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde voorzieningen
                        ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht tot het
                        treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn
                        nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aanvraag
                        om omgevingsvergunning voor het bouwen. Op die plek fungeren de eisen als
                        een toets voor aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                        bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een
                        open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan.</al><al>Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al><al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><al>Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld
                        sprake, indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze
                        verontreiniging kan een gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of
                        van een gebrek aan een bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan
                        ook worden veroorzaakt door overvloedige begroeiing, waardoor de
                        lichttoetreding tot een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van het
                        verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt.</al><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al><al><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                        gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp"door onder meer een algemene
                        maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het
                        bepaalde van paragraaf 5.2. Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1
                        november 2008 is de inhoud van paragraaf 5.2 van rechtswege vervallen.</al><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen
                            niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                            kantoorgebouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallatie in
                            woongebouwen van bijzondere aard</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            kantoorgebouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Het onderhavige voorschrift vormt geen grondslag voor een besluit ingevolge
                        de artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel tot
                        toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                        waarin het bevoegd gezag het maken van een aansluiting op het
                        waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin een
                        binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde artikelnummers van het
                        Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de
                        gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het bevoegd
                        gezag de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het betrekken
                        van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende
                        welput, regenbak of watertank.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtstbijzijnde leiding van
                        het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet
                        dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder
                        dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang -
                        op grond van het Lozingenbesluit bodembescherming - het afvalwater in de
                        bodem mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven
                        voorzieningen (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde
                        voorzieningen - in financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een
                        regeling van de rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming
                        prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke verordening, in casu de
                        bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</al><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</cursief></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                        geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een
                        bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft sinds 1 april 2007
                        rechtstreekse werking en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een
                        besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing
                        van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de
                        eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is
                        bedoeld om excessen tegen te gaan.</al><al><vet>6 Brandveilig gebruik</vet></al><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                        gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp" door onder meer een algemene
                        maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het
                        bepaalde van hoofdstuk 6. Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1
                        november 2008 is de inhoud van hoofdstuk 6 en die van de hierbij behorende
                        bijlagen 2 tot en met 5 van rechtswege vervallen. </al><al><cursief>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</cursief></al><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><cursief>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</cursief></al><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><cursief>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                            ongevallen bij brand</cursief></al><al><vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><cursief>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</cursief></al><al><vet>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al>Algemeen</al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening
                        voorschriften bevat over het gebruik van woningen, andere gebouwen,
                        bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet noemt onderwerpen
                        die in elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere
                        onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld over het gebruik. In
                        artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                        gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door onder meer een algemene
                        maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) voorziet in dit
                        onderwerp. De overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</al><al><cursief>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</cursief></al><al><vet>Artikelen 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Dit artikel berust op artikel 8, tweede lid van de Woningwet. Het is bedoeld
                        om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist, van
                        gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen
                        beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te
                        realiseren binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel
                        van het kunnen optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de
                        normstelling uit het onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te
                        beoordelen, of een woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een
                        bepaald aantal bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan
                        het onderhavige voorschrift voor het opstellen van een regeling op het
                        gebied van de woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van
                        huisvesting ten behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de
                        normstelling 1,5 à 2 maal zo zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van
                        de overbevolking te balanceren.</al><al>Zie voor dit onderwerp ook de Huisvestingswet. Overigens kunnen lokale
                        omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen tot het opnemen van
                        een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij
                        voorbeeld ook als volgt kunnen luiden:</al><al>'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met
                        dien verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten
                        minste 12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.'</al><al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                        woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze
                        artikelen in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten
                        of anderszins gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde
                        kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht
                        wenselijk en mogelijk.</al><al><onderstreept>Normstelling</onderstreept></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden.
                        Het niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                        ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                        minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                        eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het
                        Bouwbesluit blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in
                        grotere verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo
                        gekozen, dat in principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan
                        verblijfsruimten, respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten.</al><al>Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde
                        in dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het
                        verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het
                        Bouwbesluit.</al><al><cursief>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief></al><al><vet>Artikelen 7.2.1 en 7.2.2 Verbod tot gebruik en staken van
                        gebruik</vet></al><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                        Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen
                        tot het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het
                        gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het
                        gebruik van een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een
                        verbod gesteld worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een
                        bouwvallig bouwwerk is gelegen.</al><al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in
                        artikel 7.2.2 is afhankelijk gesteld van een beschikking van het bevoegd
                        gezag. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een
                        mededeling van feitelijke aard.</al><al><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen</cursief></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen in afwijking van de bestemming</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>Artikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en rechtstreeks handhaafbaar op
                        grond van artikel 7b van die wet.</al><al>Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het
                        plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen
                        van tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio-
                        en televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen,
                        voor zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van
                        stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal
                        (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het
                        verwijderen van asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich
                        in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van
                        asbestvezels of –stof te vrezen valt.</al><al>Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende
                        materialen die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een
                        erf of terrein zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat
                        de vezels gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze
                        asbestvezels vormen een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het
                        erf of terrein en de aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit
                        ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van
                        verweren of slijtage. Een overtreding van het Bouwbesluit is niet aanwezig
                        of is onvoldoende aantoonbaar.</al><al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                        of oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                        artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.</al><al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                        artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                        maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                        rechtvaardigen.</al><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</cursief></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                        schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene
                        reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van
                        excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze
                        bepaling onmisbaar.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><al><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik</cursief></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat burgemeester en
                        wethouders de beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de
                        artikelen 7.2.1 en 7.2.2.</al><al><cursief>Paragraaf 6 Installaties</cursief></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar
                        of de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden
                        en gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan
                        over nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als
                        een privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                        gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is,
                        ligt dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het
                        onderhoud en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve
                        installaties voor portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische
                        ventilatie, drukverhoging in de waterleiding (hydrofoor) e.d.</al><al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                        terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond
                        aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al><al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                        veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                        Besluit liften, dat op de Wet op de gevaarlijke werktuigen berust.</al><al><vet>8 Slopen</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8,
                        tweede lid, letter d, van de Woningwet, en van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. Dit hoofdstuk gaat over de
                        omgevingsvergunning voor het slopen. Aan de vergunning kunnen voorschriften
                        worden verbonden gericht op het specifieke sloopproject. Het voornaamste
                        motief voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening is gelegen
                        in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk hergebruiken
                        van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het bouwafval
                        staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop verwijzen
                        wij hier.</al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen wordt geregeld in
                        hoofdstuk 4 van het Besluit omgevingsrecht. De indieningsvereisten staan in
                        artikel 7.2 van de Mor.</al><al><onderstreept>Planologische sloopvergunning</onderstreept></al><al>De Wet ruimtelijke ordening (Wro) introduceert een sloopvergunning, die wij
                        hier ter onderscheiding van andere ‘sloopvergunningen’ – uit de
                        bouwverordening en uit de Monumentenwet – aanduiden als ‘planologische
                        sloopvergunning’. De planologische sloopvergunning kan door de raad van een
                        gemeente in een bestemmingsplan worden opgenomen. De wet stelt niets
                        verplicht, maar biedt deze mogelijkheid. Deze vergunning ziet op de
                        planologische gevolgen van sloopactiviteiten en de eventuele bouwplannen op
                        de locatie die door het slopen vrij komt.</al><al><onderstreept>Asbest</onderstreept></al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke
                        stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering
                        van asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van
                        objecten. Het besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken
                        geen directe werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de
                        gemeenteraad tot regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De
                        voorschriften van de bouwverordening zijn bindend voor de burger.</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota
                        van toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een
                        selectie uit deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van
                        de bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te
                        raadplegen, in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al>Voor meer informatie en publicaties over dit onderwerp wordt verwezen naar
                        www.infomil.nl\asbest.</al><al><onderstreept>Incident</onderstreept></al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit),
                        zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde
                        lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in
                        geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                        asbestbranden”.</al><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten
                        die tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                        asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met
                        de bij het incident passende spoed te gebeuren. </al><al><onderstreept>Certificering </onderstreept></al><al>De certificering voor de bouw valt onder het ministerie van SZW. De
                        instantie die zich bezig houdt met de certificering is de Stichting
                        Certificatie Asbest, www.ascert.nl. De oude Beoordelingsrichtlijnen (BRL)
                        die van toepassing waren op de sloop van asbest zijn vervangen door
                        certificeringsschema’s voor asbestinventarisatie (SC 540) en
                        asbestverwijdering (SC 530) (Gepubliceerd in Stcrt. 2008, nr. 57, p.
                        9).</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al><onderstreept>Risicoklasse </onderstreept></al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                        arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in
                        risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van
                        de arbo-regels. Zij is niet aan de orde bij de omgevingsvergunning voor het
                        slopen.</al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                        arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was
                        meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd. </al><al><cursief>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische
                        basis voor de omgevingsvergunning voor het slopen. De Wabo brengt met zich
                        mee, dat de term sloopvergunning wordt vervangen door omgevingsvergunning
                        voor het slopen of wanneer het uitsluitend over het verwijderen van asbest
                        gaat omgevingsvergunning voor het slopen van asbest.</al><al>Ontvangstbevestiging en mededeling procedure</al><al>De huidige praktijk van het plaatsen van een datumstempel op de aanvraag als
                        bewijs van ontvangst is niet langer voldoende. Artikel 3.1, tweede en derde
                        lid Wabo stelt verplicht dat na ontvangst van een aanvraag onverwijld de
                        bevestiging wordt verzonden en dat eveneens zo spoedig mogelijk een
                        mededeling over de te volgen procedure wordt verzonden.</al><al>Lid 1</al><al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                        afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                        asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in
                        artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van
                        niet-ingrijpende interne verbouwingen.</al><al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel
                        of meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                        vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al>Lid 2</al><al>Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover
                        het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met
                        een gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op
                        de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                        controleren.</al><al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de
                        10 m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de
                        vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is
                        dit een overtreding wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning voor
                        het slopen.</al><al>Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan los gestort sloopafval.</al><al>Lid 3</al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden
                        verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                        vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met
                        d. Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                        scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere
                        detaillering. </al><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen
                        genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van
                        nabijgelegen bouwwerken </al><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen
                        4.8 tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van
                        overeenkomstige toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein
                        enz. staat wordt uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen
                        veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid
                        van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder zijn als directe norm
                        geformuleerd. Dit betekent dat deze eisen ook gelden indien het
                        vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard behoeft datgene wat via deze
                        vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet nogmaals als voorwaarde
                        te worden opgenomen in een vergunning. Mede afhankelijk van de sloopmethode
                        en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de directe omgeving van het te
                        slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld. Van veel belang is te
                        bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De veiligheid voor
                        degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de sfeer van
                        de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie. Een
                        sloopveiligheidsplan wordt verlangd en ingediend bij de aanvraag om een
                        vergunning. De regeling daarvoor staat in hoofdstuk 4 van het Besluit
                        omgevingsrecht in samenhang met artikel 7.2 Regeling omgevingsrecht (en art.
                        7.1 Regeling omgevingsrecht wanneer sprake is van het slopen van een bij
                        gemeentelijke verordening aangewezen beschermd monument of het slopen in een
                        bij gemeentelijke verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht).</al><al>Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer
                        de gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij
                        voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                        bodemonderzoek, worden aan de vergunning voorschriften verbonden ter
                        voorkoming van deze strijdigheid.</al><al>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</al><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                        verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of
                        transporteur het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de
                        voorschriften van de vergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het
                        vervoer van gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt
                        dit erop neer dat alleen mag worden samengewerkt met vergunninghoudende
                        inzamelaars en transpor-teurs voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden
                        toegeleverd aan bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die beschikken over
                        een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de
                        vergunning mogen geen 'gedwongen winkelnering' inhouden, dus niet
                        verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X, terwijl voor dat afval de
                        bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn.</al><al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                        vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de
                        hoeveelheid en samenstelling van het te verwachten afval en van de
                        acceptatievoorwaarden van in de regio aanwezige bewerkings- en
                        verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest minimale scheiding vastgelegd
                        die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</al><al>Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen,
                        asbest en overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende
                        fracties als voorwaarde in de vergunning op te nemen:</al><lijst><li nr="·"><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="·"><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="·"><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="·"><al>asfalt;</al></li><li nr="·"><al>dakgrind;</al></li><li nr="·"><al>glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al></li></lijst><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al><al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                        bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in
                        artikel 5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                        gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                        sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf.</al><al><onderstreept>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</onderstreept></al><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een
                        vergunning worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te
                        slopen bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in
                        welke hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van
                        containers) en voorts van de in de regio beschikbare verwijderingstructuren,
                        waaronder bewerkings- en verwerkingscapaciteit.</al><al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                        inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                        regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn.
                        Het is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van
                        de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                        verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Het is van belang dat voordat een aanvraag om vergunning wordt getoetst de
                        hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij
                        moeten de volgende aspecten worden nagegaan:</al><lijst><li nr="·"><al>wat kan worden hergebruikt;</al></li><li nr="·"><al>wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al></li><li nr="·"><al>kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al></li><li nr="·"><al>aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te
                                voldoen;</al></li><li nr="·"><al>wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers,
                                sorteerders en inzamelaars.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onderzoek</onderstreept></al><al>Voordat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden
                        ingediend moeten de volgende onderzoeken plaatsvinden:</al><lijst><li nr="·"><al>Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen
                                gedeelte daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede
                                lid, letter f);</al></li><li nr="·"><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat
                                een te slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is
                                verontreinigd met gevaarlijke afvalstoffen, dient een onderzoek te
                                worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                                vergunning worden gevoegd (MBV artikel 8.1.2, derde lid);</al></li><li nr="·"><al>Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                                aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2,
                                daarover bij het indienen van een aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het slopen gegevens worden ingediend. Op
                                grond van artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt
                                een onderzoeksplicht naar de aanwezigheid van asbest door een
                                deskundig, dat wil zeggen daartoe gecertificeerd bedrijf.</al></li></lijst><al>Achterin deze toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de
                        vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van
                        de ongevingsvergunning voor het slopen een handreiking voor een verdergaande
                        scheiding dan normaliter in de voorwaarden van de ongevingsvergunning
                        verplicht is gesteld om op de slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan
                        genoemde houder voor een verdergaande scheiding zowel financiële als
                        milieuhygiënische overwegingen in zijn beschouwing betrekken. </al><al><onderstreept>Inzamel- en recyclingsystemen voor
                        kunststoffen</onderstreept></al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de
                        producenten van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de
                        producenten van kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze
                        twee deelstromen inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                        inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren.</al><al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                        volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                        kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene
                        die sloopt een container kan huren waarin de afval geworden
                        kunststofleidingen worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten
                        ketenbeheer, functionerend voor het gehele land. Andere kunststoffen dan
                        hier genoemd kunnen niet worden afgevoerd via met dit inzamelsysteem.</al><al><onderstreept>Andere inzamelsystemen</onderstreept></al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product
                        en die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te
                        maken voor hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en
                        voor aluminium. De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij
                        de leverancier en bij de brancheorganisatie.</al><al>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen
                        van een aanvraag om sloopvergunning behoren te worden ingediend bij de
                        aanvraag. De artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van
                        degene die met het slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn
                        dikwijls nog niet bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om
                        sloopvergunning. Deze gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling
                        van het in behandeling nemen.</al><al>In de sloopvergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat
                        uiterlijk xx (bijvoorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                        sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de
                        sloopwerkzaamheden is belast worden overgelegd aan het bevoegd gezag of de
                        directeur van het (gemeentelijk) bouwtoezicht.</al><al><onderstreept>Het gebruik van een mobiele puinbreker</onderstreept></al><al>In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening een regeling
                        voor de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers op slooplocaties. Een
                        dergelijke regeling maakt voorschriften ter zake in de gemeentelijke
                        bouwverordening overbodig. In een concreet geval raadplege men de
                        desbetreffende provinciale griffie over de vraag of, en zo ja welke,
                        provinciale voorschriften terzake gelden.</al><al>In de bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies liggen,
                        blijven de voorschriften voor het gebruik van een mobiele puinbreker echter
                        zinvol.</al><al>Op verzoek van de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het slopen kan,
                        onder in de vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de
                        sloopplaats het beton en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar
                        opgestelde mobiele puinbreekinrichting.</al><al>Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ bevat alle voorschriften ten
                        aanzien van mobiele brekers en is in werking getreden op 1 maart 2004. Vanaf
                        deze datum zijn de in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande
                        voorschriften over mobiele brekers van rechtswege vervallen. De hogere
                        regeling treedt in de plaats van de lagere regeling.</al><al>Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                        toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid
                        daarvan een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en
                        sloopafval wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten
                        hoogste drie maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en
                        sloopafval te bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties
                        dan die waarbij de breker is opgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                        derde lid waarover in de sloopvergunning voorschriften worden gesteld.
                        Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                        bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk
                        afval zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag
                        ervan. De tweede zin verplicht het bevoegd gezag over het afzonderlijk
                        gereed maken voor de afvoer van het sloopproject van asbest en de termijn
                        waarbinnen dit moet gebeuren een voorschrift in de vergunning op te nemen.
                        Deze verplichting staat in artikel 10, letter e, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 5</al><al>Voor seizoengebonden bouwwerken, welke naar hun aard slechts tijdelijk een
                        plek staan en meestal jaarlijks op dezelfde plek opnieuw worden geplaatst,
                        geldt een andere regeling. Het betreft hier meestal het uit elkaar nemen van
                        het bouwwerk totdat dit opnieuw wordt opgebouwd. Hierbij wordt gedacht aan
                        strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen
                        e.d.</al><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</vet></al><al>De weigeringgronden vermeld in dit artikel zijn limitatief bedoeld.</al><al>Ad a en b</al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als
                        bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid
                        tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende
                        is gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende
                        niveau van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de
                        vergunning worden geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager - vaak
                        al vóór de indiening van de aanvraag om vergunning - worden gezocht naar een
                        voor de gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige maatregelen dat
                        voldoende bescherming van nabijgelegen bouwwerken is verzekerd. De
                        weigeringgronden ad a en b strekken ertoe een onveilige sloopwijze of een
                        onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het
                        doel is niet om het slopen onmogelijk te maken. Er moet van worden uitgegaan
                        dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt.</al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</vet></al><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van
                        die vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien
                        de houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                        werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit
                        tot intrekking nog niet te nemen. De Wabo verhindert niet dat in een
                        verordening, waarbij de vergunningplicht is ingesteld, criteria op te nemen
                        over het intrekken van de vergunning.</al><al><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning</cursief></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>Algemeen</al><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht.
                        Dit betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van
                        een melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van
                        artikel 8.2.1 juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al><al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling
                        van het college van burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een
                        beschikking en vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet
                        bestuurrecht. Dit betekent onder meer dat de melding schriftelijk moet
                        worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Ingevolge het tweede lid
                        moet worden gebruik gemaakt van de door het college van burgemeester en
                        wethouders vastgestelde formulieren. In het achtste lid is bepaald dat aan
                        de mededeling voorschriften kunnen worden verbonden.</al><al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                        sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken
                        naar de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die
                        in de woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid).</al><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften
                        waaraan degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of
                        bedrijf – dus de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van
                        artikel 8 van dit Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader
                        van de bescherming van mens en milieu tegen emissie van asbestvezels,
                        aanvullende regels te stellen voor de door particulieren toegestane
                        verwijdering van asbest. Deze voorschriften gelden dan naast artikel 7 en
                        naast de voorschriften bij de mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens
                        de toelichting bij artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts
                        gebruik gemaakt worden als uit praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7
                        opgenomen voorschriften onvoldoende zijn.</al><al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden
                        open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten
                        afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid aanbiedt, meestal
                        tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare wijze als het
                        grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het
                        aanbeveling dat de gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een
                        inzamelstructuur creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande
                        wijzen de particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al><al>Lid 1</al><al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest
                        verwijdert. Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de
                        bijgebouwen of met de woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de
                        woning ook genoemd het logiesverblijf (recreatiewoning), de woonkeet en de
                        woonwagen alsmede de op het daarbij behorende erf staande bijgebouwen.</al><al>Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                        asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende
                        vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per kadastraal perceel. </al><al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en
                        bijgebouwen bij woningen. De begripsbepaling voor woning in het tweede lid
                        van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen
                        oplossing, omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en
                        omdat in de Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover
                        bedoeld is met dit Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in
                        het beleid noch in de uitvoering van de regels te brengen, mag worden
                        geconcludeerd dat onder woning mede wordt verstaan een woonwagen, een
                        woonkeet en een logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste lid van art.
                        8.2.1 MBV. </al><al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                        geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje
                        bij een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder
                        het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het
                        erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                        niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                        gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                        te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter
                        per kadastraal perceel bedraagt’. </al><al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                        letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is –
                        net als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit
                        wel mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een
                        wijziging is bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van
                        artikel 4: ‘De in het onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn
                        gebaseerd op de uitzonderingen die zijn opgenomen in de modelbouwverordening
                        van de VNG, die door het merendeel van de gemeenten in hun regelgeving zijn
                        overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans bij de implementatie van meergenoemd
                        derde lid in de model-bouwverordening, de bestaande toevoegingen van met een
                        woning gelijk te stellen bouwwerken ‘logiesverblijf’ gehandhaafd. </al><al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het
                        is beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest
                        van een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de
                        burger het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar
                        illegaal. En illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren,
                        dus bestaat kans dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de
                        voorgestelde ruime uitleg is de burger legaal bezig en kan hij de
                        asbestplaten legaal inleveren. </al><al>Op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer toegestaan
                        om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan tot het
                        verwijderen van: </al><lijst><li nr="·"><al>gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                                betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken
                                zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te
                                leven. Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico
                                op blootstelling aan asbestvezels. </al></li><li nr="·"><al>dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk
                                groot. Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels
                                vrij, hetgeen leidt tot een onaanvaardbaar risico op inademing van
                                asbestvezels en verontreiniging van het milieu met deze vezels.
                            </al></li></lijst><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Lid 9</al><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende
                        voorschriften' die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van
                        asbest bevattende vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag
                        verwijderen na een melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld
                        de voorschriften over het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden
                        aan de ophaaldienst voor grof huisvuil of die over het aanbieden van deze
                        afvalstoffen bij de gemeentewerf of andere inzamelplaats.</al><al>Lid 10</al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen
                        mogen niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind
                        opdat zij in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel
                        worden onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij
                        voorafgaand aan verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten
                        onder hoge druk.</al><al>Lid 11</al><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de
                        procedure van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing
                        is: Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen
                        burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                        nemen. Dat kan pas als de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn
                        aanvraag binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn aan
                        te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen die termijn kort te houden
                        (één week).</al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning </vet></al><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder omgevingsvergunning
                        voor het slopen als bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als
                        bedoeld in artikel 8.2.1 mag gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen
                        betrekking op andere regelingen waarin bepaalde sloophandelingen mogelijk
                        aan een vergunning of melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of
                        monumentenverordening.</al><al>Ingevolge het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is ook het verwijderen van
                        beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen vergunningvrij.
                        Voorheen werd de hier bedoelde kit ook wel aangeduid als voegkit.</al><al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 bedoelde waterleidingbuizen,
                        gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor zover zij deel
                        uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en rioolleidingnet. Het
                        verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in bouwwerken moet wel
                        plaatsvinden door een deskundig asbestverwijderingsbedrijf. Bij het
                        verwijderen van deze buizen die zich in (of in de kruipruimte van) een
                        bouwwerk bevinden is geen sprake van routinematig verwijderen met een
                        beheersbaar risico. </al><al><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</vet></al><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1.</al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                        aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het
                        slopen mag degene die de werkzaamheden verricht - in de regel een ander dan
                        de houder van de vergunning - geacht worden de voorwaarden te kennen.</al><al>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de omgevingsvergunning
                        voor het slopen, indien deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift
                        van deze vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer.</al><al><vet>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</vet></al><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van
                        asbest. De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden.
                        Artikel 8.3.3 schept verplichtingen voor de houder van de
                        omgevingsvergunning voor het slopen. Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen
                        dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze situatie kan
                        zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5 geldt voor
                        alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen als op grond van een mededeling naar
                        aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste bestaande
                        technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit artikel
                        echter niet voor het slopen op grond van een mededeling.</al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</vet></al><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10,
                        letters k, l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden
                        bevatten verplichtingen voor de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen. </al><al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                        slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                        asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                        Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar
                        staat op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                        bouwverordening. </al><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                        aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                        asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop
                        gerichte sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding
                        aanwezig zijn. Die moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden
                        gesloopt.</al><al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen
                        van de sloopwerkzaamheden als bedoeld in het derde lid van artikel 100 van
                        de Woningwet.</al><al>Lid 2</al><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven
                        tot tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk.</al><al>Indien het bevoegd gezag de ontvangst van een melding van de voltooiing van
                        een sloopwerk bevestigen, bijv. door de melding af te stempelen en van de
                        ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling
                        die niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente
                        aanvaardt daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij
                        het slopen en het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval.</al><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</vet></al><al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de
                        voorschriften voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                        voorzover dit gebeurt anders dan in de uitoefening van een beroep of
                        bedrijf. </al><al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen
                        gelden regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de
                        desbetreffende certificering. </al><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                        handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                        bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                        regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM geen gebruik
                        gemaakt.</al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding
                        van asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de
                        minister op grond van het tweede lid van artikel 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding
                        hogere en lagere regelgeving vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking. </al><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet></al><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><al><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, zijn er redenen om de plicht
                        tot het hebben van een vergunning te koppelen aan een ondergrens van 10 m3
                        sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3
                        bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden.</al><al>De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden gescheiden,
                        uiteraard voor zover die stoffen daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of
                        verontreinigde stoffen die niet mogen worden gemengd met het overige afval.
                        In de opsomming is asbest niet opgenomen, omdat dit immers nooit zonder
                        vergunning of zonder melding mag worden verwijderd.</al><al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet
                        voorzien. De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet
                        meer dan 10 m3, uitsluitend repressief plaats.</al><al><vet>9 Het welstandstoezicht</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen
                        met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8,
                        zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                        samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al><onderstreept>Welstandscriteria en welstandsnota</onderstreept></al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                        verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                        vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                        welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                        omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                        welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                        burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige
                        mate in strijd is met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die
                        strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota
                        zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht
                        mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in
                        de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald
                        dat deze criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene
                        categorieën bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de
                        plaats waar een bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria
                        per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten
                        de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                        kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                        ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                        beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                        stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                        beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen
                        voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een
                        behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en
                        vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van
                        ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                        zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                        beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                        gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende
                        gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                        vaststellingsprocedure wordt gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                        toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                        afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                        bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al><onderstreept>Relatie bestemmingsplan en welstand</onderstreept></al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel
                        uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te
                        richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan
                        biedt.</al><al>Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet
                        omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                        voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van
                        toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat
                        die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16
                        maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                        welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                        tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de
                        bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste
                        lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                        welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering.
                        Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in
                        de Wet op de ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen
                        omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbijbehorende
                        bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de
                        welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking
                        van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan
                        biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A.
                        Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het
                        bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te
                        realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                        Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                        bestemmingsplan en welstand.</al><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de commissie welstand en
                            monumenten</vet></al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie
                        bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien
                        een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven
                        wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie
                        adviseert, het bevoegd gezag beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie
                        een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                        voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                        stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                        provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor
                        de welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale
                        welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke
                        regeling of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt
                        gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de
                        leden van de welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie
                        toelichting bij artikel 9.2.</al><al>De gemeente Oisterwijk heeft gekozen voor een lokale (gecombineerde)
                        commissie welstand en monumenten, die adviseert over de welstandaspecten van
                        alle vergunningplichtige bouwwerken en daarnaast adviseert over wijzigingen,
                        verplaatsing en sloop van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten en
                        over wijzigingen, verplaatsing en sloop in beschermde stads- en
                        dorpsgezichten (op grond van de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke
                        Monumentenverordening).</al><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de commissie welstand en
                        monumenten</vet></al><al>Onafhankelijkheid</al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                        onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de
                        leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook
                        is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert
                        te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het
                        college van burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat
                        besluiten neemt over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente of voor de gemeente
                        waarover het bevoegd gezag besluiten neemt, is in dit verband
                        uitgesloten.</al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                        hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                        kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                        commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                        beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                        niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke
                        bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de
                        kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het
                        gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De
                        gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen
                        wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                        welstandscommissie.</al><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van
                        de leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een
                        eenmalige mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in
                        de commissie die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt
                        beoogd de doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen.
                        Kennelijk is op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de
                        zittingsduur in concrete situaties de continuïteit van de commissies in
                        gevaar kan brengen.</al><al>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure
                        voor (deskundige) leden op te nemen in de MBV. Een reglement van orde dat
                        als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en
                        toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een
                        dergelijk reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een
                        benoemingsboekhouding te regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen
                        onbevoegd gegeven welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter
                        aan te kunnen tonen.</al><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>Jaarverslag welstandscommissie</al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de
                        welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij
                        de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                        specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                        verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                        derde lid van de Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling
                        van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                        welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van
                        het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente.
                        Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in
                        september/oktober wordt behandeld, zou het 'verslagjaar' van de
                        welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.</al><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                        welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                        welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                        artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent
                        de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In
                        dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><lijst><li nr="·"><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                                welstandsadviezen;</al></li><li nr="·"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="·"><al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben
                                genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke
                                eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na
                                dat besluit tot uitvoering daarvan zijn overgegaan.</al></li></lijst><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                        ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. Tezamen met het jaarverslag van de
                        welstandscommissie wordt hierdoor het gemeentelijk welstandstoezicht
                        inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd.</al><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                        wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                        bouwregelgeving.</al><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                        beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                        welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering
                        binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de
                        adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de
                        beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd of indien afdeling 3.4
                        van de Awb van toepassing is.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zogenaamd schetsplan in een
                        informele voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen
                        bij de ontvangst van verzoek om vergunning.</al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                        waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het
                        raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de
                        beslistermijn.</al><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur,
                        dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van
                        de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden
                        uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de
                        belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                        aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                        welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                        hebben op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de
                        bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                        vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol
                        van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                        advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de
                        openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                        kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                        onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                        aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere
                        belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                        toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient
                        te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag
                        toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan -
                        indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden
                        gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan
                        worden verkleind.</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                        geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                        spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel
                        1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de
                        vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een
                        eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden
                        zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                        vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet
                        dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om
                        zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend,
                        dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige
                        voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                        waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht
                        voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat
                        meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt
                        uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat
                        zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg
                        kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure
                        vooroverleg stimulering verdient.</al><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                        mandaat.</al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de
                        afdoening van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan
                        de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld.</al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                        betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken.</al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen onder
                        mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige aandacht. Met
                        name in geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van
                        kleine bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van
                        bouwplannen door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval
                        aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de
                        openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd
                        verloren hoeft te gaan.</al><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                        uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b,
                        eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                        ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                        motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                        direct zodra bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt
                        ingediend.</al><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                        bouwwerken</vet></al><al>Dit artikel regelt de procedure, indien de raad een gebied van de gemeente
                        wenst uit te sluiten van welstandstoezicht.</al><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>Met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de
                        woonvergunning overbodig geworden. Artikel 2.1, eerste lid, onder c van de
                        Wabo bepaalt dat gebruikssituaties die strijdig zijn met het bestemmingsplan
                        omgevingsvergunningplichtig zijn. Zodra bestaande gebouwen in strijd met het
                        bestemmingsplan voor bewoning in gebruik genomen worden, geldt derhalve het
                        vereiste van een omgevingsvergunning en kan in dat verband worden
                        gehandhaafd. Op grond van artikel 9.15, letter W van de Invoeringswet Wabo,
                        vervalt artikel 60 van de Woningwet. Daardoor wordt artikel 10.1 MBV
                        overbodig.</al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                        Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's)
                        en praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al>Dit artikel maakt het mogelijk dat het bevoegd gezag bij toepassing van de
                        voorschriften van de bouwverordening afwijken van een daarin aangewezen
                        NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich daarbij houden aan
                        de herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde voorschrift. Bij
                        een dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde instantie immers in
                        het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen, waarbij een
                        commissie van deskundigen - onder meer afkomstig uit gemeentelijke kring -
                        wordt ingeschakeld, een voorafgaande publicatie van een voorlopige editie
                        plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz. Met het onderhavige
                        voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het verschijnen van een
                        gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een norm, voornorm,
                        praktijkrichtlijn of ander voorschrift de bouwverordening moet worden
                        gewijzigd om de actuele versie van de aangewezen uitgave van kracht te doen
                        zijn.</al><al><vet>11 Handhaving</vet></al><al>Algemeen</al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                        bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande
                        bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden
                        opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                        aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2003 geldt voor alle bouwwerken
                        (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze systematiek
                        vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor bestaande
                        bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke
                        handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                        afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk gaat
                        voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003, dat het
                        gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                        overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een
                        bouwwerk niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand,
                        beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de
                        Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen
                        zal hebben tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de
                        gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het
                        handhavingsbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met
                        welke voorschriften van het Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een
                        gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen
                        of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer in overeenstemming met die
                        voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde
                        termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig
                        artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang
                        voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb het
                        verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb
                        in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger
                        beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te
                        vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan
                        om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb
                        met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                        sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                        Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning
                        wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om
                        spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24, vijfde
                        lid Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of
                        sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale
                        situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders
                        mogelijk voor voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder
                        meer worden verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG
                        020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al>Algemeen</al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                        steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de
                        Wet op de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de MBV niet
                        langer mogelijk.</al><al>Omdat in deze verordening onderwerpen van verschillende herkomst en
                        structuur zijn ondergebracht is het noodzakelijk voor elk daarvan een
                        afzonderlijk overgangsartikel op te nemen. </al><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                        situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen
                        en redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties
                        - dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze
                        voorschriften - lijkt de eis wel redelijk.</al><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan
                        de nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                        vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                        vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld.
                        Dit om te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer
                        eigentijdse eisen van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                        gebruiksvergunning</vet></al><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>Algemeen</al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                        artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen,
                        zijnde algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het
                        besluit in het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen
                        verkrijgbaar gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde
                        verordening. Een (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van
                        artikel 140 van de Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen
                        op de gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen
                        plaats.</al><al>De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                        bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan echter
                        een ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of
                        burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                        inwerkingtreding van de verordening op een nader tijdstip te bepalen.</al><al>De verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van
                        het arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                        Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige
                        mededeling ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk
                        na de bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan
                        de inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente
                        ligt; zie artikel 95 van de Woningwet.</al><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al>Toelichting verordening</al><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder c)</al><al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder a)</al><al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder a)</al><al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder a)</al><al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder b)</al><al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder c)</al><al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder c)</al><al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder d)</al><al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder e)</al><al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                        achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge
                        artikel 2.5.11, lid 2)</al><al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                        bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25).</al><al><vet><cursief>Binnen de bebouwde kom</cursief></vet></al><al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                        bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25).</al><al><vet><cursief>Buiten de bebouwde kom</cursief></vet></al><al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                        bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2).</al><al><vet><cursief>Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde
                            kom</cursief></vet></al><al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                        eerste alinea)</al><al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                        tweede alinea)</al><al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede
                        lid, eerste alinea)</al><al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede
                        lid, tweede alinea)</al><al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn
                        (artikelen 2.5.22)</al><al><vet>Bijlage 2</vet></al><al><vet>Voorwaarden bij een gebruiksvergunning</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 3 bij de toelichting op de bouwverordening</vet></al><al>Maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het
                        oog op de brandveiligheid</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 4</vet></al><al>Stroomschema aanvraag gebruiksvergunning</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 5</vet></al><al>Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopmethode</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen
                                            van bal)</al></entry><entry colname="col2"><al>– onvoldoende afstand tot gebouwen</al><al>– stof bij instorten</al><al>– overmatige trillingen</al><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op
                                            lengterichting met als gevolg breuk)</al></entry><entry colname="col2"><al>– stof bij instorten</al><al>– wegspatten dommekracht (hefboom)</al><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                            stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonen;
                                            o.a. explosieven.)</al></entry><entry colname="col2"><al>– rondvliegend puin</al><al>– opslag e.d.</al><al>– trillingen</al><al>– stofproductie</al><al>– verzakkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Afhijsen (knijpen)</al></entry><entry colname="col2"><al>– vallend materiaal/onvoldoende afstand</al><al>– omvallen kraan/maximum hijslast</al><al>– afbreken hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting)</al></entry><entry colname="col2"><al>– kantelen trekapparatuur</al><al>– stapelen palen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Overige methoden:</al></entry><entry colname="col2"><al>Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al
                                            dan niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien
                                            het bouwhek niet vergenoeg staat puin, gereedschap e.d.
                                            Buiten het sloopterrein vallen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers)</al></entry><entry colname="col2"><al>– aan- en afvoer</al><al>– op- en afbouw</al><al>– afbreken hijslast of delen daarvan</al><al>– omvallen kraan</al><al>– overschrijden max. wegbelasting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopobject</al></entry><entry colname="col2"><al>–omvallende bouwdelen</al><al>–wegspattend/vallend puin en gereedschap</al><al>–verontreinigd sloopmateriaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopterrein</al></entry><entry colname="col2"><al>– afkalven, instorten bouwputten</al><al>– opslag van materialen en materieel</al><al>– onvoldoende afgrenzing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bouwputten en -sleuven</al></entry><entry colname="col2"><al>– instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al><al>– onjuiste bemaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen</al></entry><entry colname="col2"><al>Veiligheidsaspecten reeds gedekt: p-bladen
                                            arbeidsinspectie en APV’s.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bijlage 6</vet></al><al>Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van de
                        opsteller van het sloopveiligheidsplan</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="29*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Bedreigde functies en objecten </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en object-
                                                gericht) </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Aanbevelingen </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Belendingen </al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat </al></entry><entry colname="col3"><al>– constructief scheiden </al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met eigenaar/beheerder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen belending (in extremo: met de
                                            hand) </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stutten/stempelen bouwputten- en sleuven </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– gecontroleerd bemalen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en
                                            funderingen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers </al></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen </al></entry><entry colname="col4"><al>Voorlichten gebruikers</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stofarm slopen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– slopen op bepaalde dagen/tijden </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal,
                                            zoals asbest </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties </al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden / toegankelijk houden van belendende
                                            gebouwen </al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                            verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste werktijden</al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gedeeltelijk te slopen objecten </al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat resterende constructie </al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                            betreft veiligheid Zie ook bouwkundige staat belendingen
                                        </al></entry><entry colname="col4"><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met
                                            betrekking tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid
                                            voor bestaande situaties. Voor mogelijke maatregelen en
                                            aanbevelingen zie ’belendingen’</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers resterende constructie </al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat
                                            betreft veiligheid en gezondheid Zie ook gebruikers
                                            belendingen.</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties resterende constructie (school,
                                            ziekenhuis, e.d.) </al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat
                                            betreft bruikbaarheid Zie ook gebruiksfuncties
                                            belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Infrastructuur </al></entry><entry colname="col2"><al>Kabels, leidingen en rioleringen </al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloopmethode </al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met betreffende
                                            nutsbedrijven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stutten </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– (afdekken) </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– omleggen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– hijsplan bij grote hijsklussen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.) </al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– verwijderen </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Wegen, bruggen, viaducten, e.d. </al></entry><entry colname="col3"><al>– afdekken (schotten, rijplaten, zand) </al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken e.d.)
                                        </al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Overig (tunnels e.d.) </al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                                            instantie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verkeerssituatie </al></entry><entry colname="col2"><al>Voetgangers en fietsers </al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein </al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan Regelen
                                            in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                            gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers (valschermen) </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– voetgangerstunnels </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weggedeelte met hekwerk </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– (tijdelijk) afzetten van de gehele weg </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Overig wegverkeer (openbaar vervoer, auto’s) </al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein </al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden en waarbor gen veiligheid boven leidingen
                                            trams en trolleys </al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg verkeerscirculatieplan </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Routes voor brandweer- en ziekenhuis auto’s e.d. </al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden weg </al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode </al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– beperken overige verkeersstroom</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Spoorwegen </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met NS </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Scheepvaart </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS,
                                            provincie, waterschap, gemeente) </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere omstandigheden </al></entry><entry colname="col2"><al>Veel omstanders </al></entry><entry colname="col3"><al>– aanbrengen extra veiligheidsvoorzieningen </al></entry><entry colname="col4"><al>Vooraf informeren omwonenden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten wegen </al></entry><entry colname="col4"><al>Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d) </al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg </al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– ontruimen belendende percelen </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>Vandalen en daklozen </al></entry><entry colname="col3"><al>– extra afscheiding </al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– verscherpt toezicht </al></entry><entry colname="col4"><al>- </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bijlage 7 </vet></al><al>Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>Voorbeeld inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="1."><al>Naam en correspondentieadres van de aannemer</al></li><li nr="2."><al>Ligging van het te slopen perceel</al></li><li nr="3."><al>Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al></li><li nr="4."><al>Beschrijving werkzaamheden</al></li><li nr="5."><al>Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel
                                en hulp- en beveiligingsmiddelen</al></li><li nr="6."><al>Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking
                                tot externe veiligheid</al></li><li nr="7."><al>Betrokken instanties</al></li><li nr="8."><al>Dagindeling werkzaamheden</al></li><li nr="9."><al>Instructies aan werknemers</al></li><li nr="10."><al>Instructies/voorlichting omwonenden</al></li><li nr="11."><al>Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al></li><li nr="12."><al>Uitvoering toezicht op maatregelen</al></li><li nr="13."><al>Logboek</al></li></lijst><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="a."><al>belangrijke telefoonnummers</al></li><li nr="b."><al>tekening waarop staat aangegeven: </al><lijst><li nr="o"><al>- de situering van het sloopobject;</al></li><li nr="o"><al>de plaats van de bouwkranen;</al></li><li nr="o"><al>de aan- en afvoerwegen;</al></li><li nr="o"><al>de laad-, los- en hijszones;</al></li><li nr="o"><al>de plaats van de bouwketen;</al></li><li nr="o"><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van
                                        aangrenzende wegen, bouwwerken e.d.;</al></li><li nr="o"><al>de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle
                                        sloopwerkzaamheden, het laden en lossen daaronder begrepen,
                                        plaatsvinden;</al></li><li nr="o"><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige
                                        leidingen;</al></li><li nr="o"><al>de plaats van ander hulpmaterieel. De schaal van deze
                                        tekening mag niet kleiner zijn dan 1:1.000. (indien nodig
                                        bij detailleringen niet kleiner dan 1:100). </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al></li><li nr="d."><al>transportroutes afkomende materialen</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8</vet></al><al>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>niveau I minimumscheiding </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>niveau I-plus minimumscheiding </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>niveau II </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>niveau III maximumscheiding</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen) </al></entry><entry colname="col2"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen) </al></entry><entry colname="col3"><al>olieproducten overig gevaarlijk afval </al></entry><entry colname="col4"><al>afgewerkte olie brandstofrestanten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>batterijen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>accu’s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoorsteenkanalen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>rookkanalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overig chemisch belast puin </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>verontreinigde leidingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>oliehoudende elementen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>coatings, kitten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bitumineuze materialen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zeefzand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tl-buizen/starters</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>halogeen lampen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet uitputtende lijst, voor overzicht zie EURAL </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen </al></entry><entry colname="col2"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen </al></entry><entry colname="col3"><al>asbestproducten golfplaat </al></entry><entry colname="col4"><al>spouwbladen brandwerende platen isolatiemateriaal
                                            producten niet elders genoemd </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval </al></entry><entry colname="col4"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>metalen </al></entry><entry colname="col2"><al>metalen </al></entry><entry colname="col3"><al>ferro </al></entry><entry colname="col4"><al>constructiebalken e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metalen trappen e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>betonijzer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schroot</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tanks, silo’s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>non ferro </al></entry><entry colname="col4"><al>aluminium (kozijnen, instructies) lood (buis,
                                            slabben)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zink (regenpijp, dakgoot) koperbuis</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>non ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>elektriciteitskabels </al></entry><entry colname="col4"><al>kabels 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kabels &gt; 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin </al></entry><entry colname="col2"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin </al></entry><entry colname="col3"><al>beton </al></entry><entry colname="col4"><al>gewapend beton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schuimbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gasbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>staalvezelbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hoge sterkte beton betonproducten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>beton niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>metselwerk </al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metselmortel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>kalkzandsteen </al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bouwblokken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>dakpannen/ bedekking (beton, keramiek, leisteen) </al></entry><entry colname="col4"><al>intacte dakpannen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gebroken dakpannen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakleien</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>keramiek </al></entry><entry colname="col4"><al>wandtegels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plavuizen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>sanitair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gipshoudende elementen </al></entry><entry colname="col4"><al>gipsplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>anhydriet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipsvezelplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipshoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>asfalt </al></entry><entry colname="col4"><al>asfaltbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>asfaltpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>freesafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col3"><al>steenwol </al></entry><entry colname="col4"><al>steenwol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>glaswol </al></entry><entry colname="col3"><al>glaswol </al></entry><entry colname="col4"><al>glaswol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>massief hout(zonder verduurzamings- middelen, direct
                                            herbruikbaar) </al></entry><entry colname="col2"><al>massief hout(zonder verduurzamings-middelen, direct
                                            herbruikbaar) </al></entry><entry colname="col3"><al>massief hout (direct herbruikbaar) </al></entry><entry colname="col4"><al>balken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerdelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>trapelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakbeschot</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>regels/tengels </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>pallets</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoon hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geverfd /gelakt hout </al></entry><entry colname="col4"><al>gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kozijnen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deuren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>parketvloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>verlijmd hout (plaatmateriaal) </al></entry><entry colname="col4"><al>spaanplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>multiplex</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hardboard</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vezelplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>houtwolcementplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bekistingmateriaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geïmpregneerd hout </al></entry><entry colname="col4"><al>tuinhout</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bielzen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geïmpregneerd hout</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overig afval </al></entry><entry colname="col2"><al>kunststof gevelelementen </al></entry><entry colname="col3"><al>kunststof gevelelementen </al></entry><entry colname="col4"><al>kunststof gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>PVC- en PE-leidingen </al></entry><entry colname="col3"><al>PVC</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen(riolering, afvoer)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PP en PE </al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen (riolering, afvoer) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vlak glas </al></entry><entry colname="col3"><al>vlak glas </al></entry><entry colname="col4"><al>vlak glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>draadglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>spiegelglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dubbelglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>HR- en LE-glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>papier en karton </al></entry><entry colname="col3"><al>papier en karton </al></entry><entry colname="col4"><al>papier</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>karton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overig afval </al></entry><entry colname="col3"><al>LDPE / HDPE </al></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>XPS / EPS </al></entry><entry colname="col4"><al>vloerisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PUR </al></entry><entry colname="col4"><al>isolatieplaten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>PUR-producten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overige kunststoffen gemengd </al></entry><entry colname="col4"><al>EPDM</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>cellulose isolaties </al></entry><entry colname="col4"><al>cellulose isolaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>textiel </al></entry><entry colname="col4"><al>gordijnen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerbedekking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen </al></entry><entry colname="col4"><al>folies met aanhangend papier/karton met aanhangend vuil
                                            textiel met aanhangend vuil glas met kitresten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>composiet-materialen </al></entry><entry colname="col2"><al>beton met PS-platen sandwichpanelen metselwerk met
                                            stucwerk</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>beton met stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>thermohardende kunststoffen </al></entry><entry colname="col4"><al>meterkasten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deurknoppen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overig afval </al></entry><entry colname="col4"><al>overig afval </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toelichting tabel</al><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus
                        staan voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                        minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                        minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                        respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de
                        vaststelling van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee
                        alternatieven.</al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een
                        maximale scheiding.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht
                        wordt verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De
                        verschillende categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden
                        onderscheiden, kunnen niet worden opgevat als definitieve oplossingen met
                        betrekking tot scheiden. </al><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                        hulpmiddel.</al><lijst><li nr="·"><al>Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste
                                afvalstromen: Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing
                                gevaarlijke afvalstoffen van toepassing (EURAL). Het scheiden van de
                                herbruikbare componenten uit het gevaarlijke afval heeft alleen zin
                                indien deze gescheiden worden op niveau III.</al></li><li nr="·"><al>Asbest en asbesthoudende afvalstromen Het scheiden van
                                asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol. Volstaan kan
                                worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende producten
                                in één afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden gestort.</al></li><li nr="·"><al>Overige afvalstromen Het scheiden van de diverse componenten is
                                alleen zinvol indien hiermee een afvalstroom wordt verkregen die in
                                aanmerking komt voor hergebruik en waarvoor inzamel- en verwerkings-
                                of bewerkingscapaciteit bestaan. Voor sommige componenten betekent
                                dit dat gescheiden dient te worden tot niveau III (bijvoorbeeld
                                bepaalde betonproducten, steenachtige isolatiematerialen, dakpannen,
                                metalen, kunststoffen, glas, schoon hout). Voor andere componenten
                                kan ook worden volstaan met scheiding op niveau II (asfalt,
                                metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout, verlijmd hout,
                                papier en karton, textiel, kabels).</al></li><li nr="·"><al>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                                afvalstromen In verband met het stortverbod voor bouw- en
                                sloopafval, moet ook deze categorie worden beschouwd als overig
                                afval en worden afgevoerd naar de sorteerinrichting. </al></li></lijst><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen
                        van de mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de
                        omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                        inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze
                        regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig
                        zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk
                        voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                        regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende
                        afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                        tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                        onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                        aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond.</al><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en
                            daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van
                        asbest</vet></al><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden
                        vorm voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe
                        product. Door slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de
                        loop der tijd afnemen.) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Product </al></entry><entry colname="col2"><al>Mogelijk toegepast in </al></entry><entry colname="col3"><al>Mate waarin het is toegepast </al></entry><entry colname="col4"><al>Uiterlijk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke plaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                            ‘wafelstructuur' </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating </al></entry><entry colname="col2"><al>Decoratieve buitengevels, galerij </al></entry><entry colname="col3"><al>Vrij algemeen in flats </al></entry><entry colname="col4"><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                            geëmailleerde of gespoten coating </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal </al></entry><entry colname="col2"><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, bloembak </al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel buiten als binnen, balkons </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal
                                            dunner dan betonnen bak </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, golfplaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Daken van schuren en garages </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als golfplaat, in diverse dikten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard) </al></entry><entry colname="col2"><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                            inpandige kasten </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, dakleien </al></entry><entry colname="col2"><al>Imitatieleien </al></entry><entry colname="col3"><al>In Nederland weinig toegepast </al></entry><entry colname="col4"><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, standleidingen </al></entry><entry colname="col2"><al>Afvoer toilet </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als luchtkanaal, maar dikker </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, imitatiemarmer </al></entry><entry colname="col2"><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                            zichtbaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harde asbesthoudende vinyltegels </al></entry><entry colname="col2"><al>Toiletten, keukens </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd </al></entry><entry colname="col4"><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afdichtkoord </al></entry><entry colname="col2"><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in
                                            oude haarden en allesbranders </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig </al></entry><entry colname="col4"><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbesthoudend stucwerk </al></entry><entry colname="col2"><al>Op (vochtige) muren en plafonds </al></entry><entry colname="col3"><al>Nauwelijks </al></entry><entry colname="col4"><al>Vezelige korrelstructuur </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brandwerend board </al></entry><entry colname="col2"><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                            trapbeschot </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestkarton </al></entry><entry colname="col2"><al>Bekleding zoldering </al></entry><entry colname="col3"><al>Weinig </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtgrijs, kartonachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag </al></entry><entry colname="col2"><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983 </al></entry><entry colname="col3"><al>Zeer vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag
                                        </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toelichting tabel </vet></al><al><cursief>Herkennen van asbest </cursief></al><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld
                        of een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen
                        herkennen waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt
                        daarbij. Dit overzicht is niet volledig.</al><al>Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de
                        volksmond zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie
                        worden gegeven: </al><al>·Asbesthoudende vinylvloertegels </al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                        asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                        Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten
                        en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een
                        wit 'gevlamde' decoratie. </al><al>·Asbesthoudende vinylvloerbedekking </al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                        gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag
                        zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                        lichtbeige en soms lichtgroen.</al><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking
                        van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een
                        doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen
                        met een harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals
                        linoleum; buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige onderzijde; soepel
                        zeil met een onderkant van kunststof (plastic) of foam (schuim). </al><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop
                        van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                        losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                        cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                        gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT
                        aan de onderzijde van de plaat. </al></bijlage></regeling></body></cvdr>