<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR103959_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bunnik</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bunnik</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsbode</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 3 van de Wet op de veiligheidsregio's</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10-105</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De aanpassingen van deze Brandbeveiligingsverordening ten opzichte van de vorige zijn het gevolg van de inwerkingtreding van de Wet op de veiligheidsregio's op 1 oktober 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>
      
        BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING 2010
      
    </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><vet>De raad van de gemeente Bunnik</vet>,</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10
                  augustus 2010 ;</al><al/><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop (Stb
                  2010, 145 en 146);</al><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                  voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het
                  voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt
                  of in enige andere wet is voorzien; </al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats
                        voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                        ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                        indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                        of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college verleende
                     gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te houden, voor zover
                     daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 5 personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
                           nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                           lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden
                           verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden in het belang
                     van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van
                     brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen
                     daarmee verband houdt;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden en
                     gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang waarvoor de
                     gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van
                     inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,
                     opgetreden na het verlenen van de gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag vermelde
                  wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het stellen van
                  voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen 2.1,
                  2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn
                  overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                  inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen 2.4,
                  2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb.
                  2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet
                  vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit onmiddellijk
                  aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die voor
                  meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een ander
                  terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op
                  te volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van
                  de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                  opgedragen aan ambtenaren van de gemeente en medewerkers van Veiligheidsregio
                  Utrecht, en de daartoe door het college aangewezen ambtenaren en
                  toezichthouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                  bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet
                  artikel 34, vierde lid, onder 1<cursief>°</cursief>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                     brandbeveiligingsverordening van 13 november 2008, die van kracht was op het
                     moment van inwerkingtreding van deze verordening, worden aangemerkt als
                     vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                     aanvraag om vergunning op grond van de brandbeveiligingsverordening van 13
                     november 2008 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze
                     verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                     vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening van 13 november 2008 wordt
                     beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het moment van inwerkingtreding van de Wet
                  veiligheidsregio’s.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 september 2010.</al><al/><al>De raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>
          de griffier de voorzitter
        </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de brandbeveiligingsverordening Bunnik 2010</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in artikel
               3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur (Amvb) aan over het brandveilig
               gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde bouwwerken. Deze Amvb
               neemt als het ware de plaats in van de brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar
               2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7). Naar verwachting treedt deze Amvb pas medio 2011
               werking. Tot die tijd zal op de grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke gemeente
               een brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn. </al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s, het niet
               beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde Amvb en het ontbreken van relevant
               overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio’s heeft de raad van de gemeente Bunnik doen
               besluiten een nieuwe brandbeveiligingsverordening vast te stellen. De bestaande
               brandbeveiligingsverordening van 2008, vervalt namelijk van rechtswege bij de
               inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.</al><al/><al>De voorliggende regeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de inwerkingtreding
               van de Amvb) terughoudend van aard. De brandbeveiligingsverordening is aangepast aan
               de Wet veiligheidsregio’s en de Dienstenrichtlijn. Toegevoegd zijn regels voor de
               bestuurlijke boete.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Brandbeveiligingsverordening is vangnet</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of krachtens
               enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij het stellen van
               regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente zich telkens weer
               afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of mede (indirect)
               voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s als opdacht aan het
               college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk voorschrift voor op de
               brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de brandbeveiligingsverordening is
               een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen die noodzakelijk zijn maar waarvoor
               geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat een gemeente op basis van de
               brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet er onderzoek plaatsvinden naar
               wettelijke voorschriften die mogelijk van toepassing zouden kunnen zijn en van
               rechtswege voorrang hebben. In de dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal
               standaard gevallen waarbij van tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk
               zijn</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt de
               brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is weliswaar
               een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
               gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het namelijk om
               objecten die geen bouwwerken zijn: '<cursief>niet-bouwwerken</cursief>'. Het kan gaan
               om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel, tenten, tijdelijk
               gebruik bouwwerken e.d.. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen. </al><al/><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van doel, n.l.
               brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen beperking
               van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk is
               waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken echter op
               bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden gesteld, afhankelijk
               van de specifieke situatie. </al><al/><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval het
               Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de Woningwet van
               toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en de
               toepassing ervan in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit is een constructie die
               drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide
               regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch
               kader. Voor hetzelfde object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het
               juridisch kader (voor de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die
               langdurig op dezelfde plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing),
               terwijl diezelfde tent tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is,
               waarvoor op grond van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden
               gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede aan
               de hand van staande jurisprudentie, een toelichting</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
               brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
               voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
               standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
               terreinen en de staat, waarin deze zich moeteen bevinden. De beperking die de
               Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
               terrein.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Bouwwerk</tussenkop><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in de
               modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>-<cursief>b</cursief><cursief>ouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang
               van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij
               direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
               vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><al>1) constructie, </al><al>2) van enige omvang, </al><al>3) met de grond verbonden, </al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet zonder
               meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de conclusie te
               komen dat een object een bouwwerk is. </al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. </al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Open erf en terrein</tussenkop><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
               sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening. Op
               grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in de
               bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen en
               gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden gesteld
               op grond van de brandbeveiligingsverordening. </al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht (Bor)
               dat op 1 juli 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid uit de
               jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5). </al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan
               worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
               beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af
               gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in
               beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke omvang,
               veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke percelen geven
               bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het perceel onderverdeelt
               in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw met bijbehorende aan- en
               uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar een verdere inrichting kan
               plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd perceel, of
               gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van de
               bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden zijn
               voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een bouwwerk
               hoort en 4) dat geen erf is. </al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Gebruiksvergunning voor een inrichting</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
               situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke aandacht
               nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen voor een
               meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die situaties dan bij voorbaat
               onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de brandbeveiligingsverordening
               gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
               verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van toepassing
               is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die geen bouwwerk is.
               Kortheidshalve is gekozen voor één begrip: inrichting. </al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet goed
               mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen van een
               vergunning vormvrij. </al><al>Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden. </al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld kunnen dezelfde
               brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden drijvende
               hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de Woningwet).</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Wabo</tussenkop><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat er
               voor gekozen is de brandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de Wet algemene
               bepalingen omgevingsrecht.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening 2010 is aangepast aan de Dienstenrichtlijn.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Toezicht op de naleving </tussenkop><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
               artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en wethouders
               opgedragen ambtenaren.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst op grond van artikel
               65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met de opsporing van
               strafbare feiten.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Bestuurlijke boete</tussenkop><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om, indien
               de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete wordt
               opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede lid
               (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maartregel van bestuur, deze is
               nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete mag niet hoger zijn
               dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid onder
                  1<cursief>°</cursief>. Het bedrag dat daar is genoemd, bedraagt in 2009 € 9.000. </al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van deze
               sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te houden.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Strafbepaling </tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64 eerste
               lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of
               geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een sluitende regeling
               beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit gebied de verordening
               zelf.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Intrekken regeling</tussenkop><al>De huidige brandbeveiligingsverordening vervalt op het moment van inwerkingtreding
               van de Wet veiligheidsregio’s van rechtswege door ontbreken van de rechtsgrond: de
               Brandweerwet 1985. De intrekking moet worden bekendgemaakt volgens de in artikel 144
               Gemeentewet genoemde wijze.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Bekendmaking</tussenkop><al>De bekendmaking dient op een zodanig tijdstip plaats te vinden dat de verordening op
               het moment van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s in werking kan treden. </al><al>Dit zal door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend
               nieuwsblad en via elektronische bekendmaking op de gemeentelijke website.</al><tussenkop/><tussenkop kopopmaak="cur">Intrekken vergunning</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te trekken.
               De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig beperkt, immers
               in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de verordening brengt met
               zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden voldoende zullen zijn. Bij
               een verordening die geen intrekkinggrond kent is er sprake van een geïmpliceerde
               bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te geven brengt ook de bevoegdheid mee
               om deze weer in te trekken of te wijzigen mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit
               hangt af van de omstandigheden. Denk bijvoorbeeld aan onjuistheid van de
               beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>