<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR103817_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Lozingsverordening Riolering 1990 III</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kerkrade</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zuid-Limburger 29-08-1990</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Lozingsverordening Riolering 1990 II</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikel 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>1990-02-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1990-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1990/no.166</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Nadere lozingsregels en nadere regelen aanvraag vergunning</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Lozingsregeling Riolering van 24 augustus 1983. De datum van inwerkingtreding van deze versie is bij benadering aangegeven.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>LOZINGSVERORDENING RIOLERING 1990 III</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder: </al><al><vet>beheerder</vet> : de beheerder van een rioolwaterzuiveringsinstallatie
                        of van enig ander werk waarop de riolering is aangesloten, dan wel het gezag
                        dat bevoegd is tot het verlenen, weigeren of intrekken van een vergunning
                        als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, tot
                        het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het
                        oppervlaktewater waarop de riolering uitkomt; </al><al/><al><vet>riolering</vet> : het gemeentelijk rioolstelsel, met inbegrip van de
                        rioolgemalen en persleidingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbod schadelijke stoffen te lozen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, anders dan bij normaal huishoudelijk gebruik, op de
                            riolering stoffen te lozen die voor de riolering of voor de daarop
                            aangeslotenen gevaar, schade of hinder kunnen opleveren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onder voor de riolering of de daarop aangeslotenen gevaar, schade of
                            hinder opleverende stoffen worden in ieder geval verstaan: </al><al>a. stoffen met een temperatuur van meer dan 30 graden Celsius; </al><al>b. waterige oplossingen met een pH lager dan 6,5 of hoger dan 8,5 bij
                            een zogenaamd etmaalmonster, respectievelijk 10 bij een zogenaamd
                            steekmonster (piekwaarde), alsmede zuren en basen die niet in water zijn
                            opgelost; </al><al>c. stoffen met een sulfaatgehalte van meer dan 300 mg per liter; </al><al>d. stoffen die verstopping of beschadiging van de riolering of van
                            daaraan verbonden installaties kunnen eroorzaken; </al><al>e. oliën, vetten en andere niet met water mengbare vloeistoffen en
                            emulsies; </al><al>f. stoffen die brand- of explosiegevaar kunnen veroorzaken; </al><al>g. Stoffen die stankoverlast kunnen veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de gevallen
                            waarin een vergunning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is
                            verleend, dan wel artikel 4 toepassing heeft gevonden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod,
                            gesteld in het eerste lid. Aan een ontheffing kunnen voorschriften
                            worden verbonden, strekkende tot de bescherming van het belang van de
                            goede werking van de riolering, van het gebruik dat daarvan wordt
                            gemaakt en de bescherming van de belangen van derden tegen nadelen welke
                            hieruit kunnen voortvloeien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verbod te lozen zonder vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders in de
                            uitoefening van een beroep of bedrijf afvalstoffen, verontreinigende of
                            schadelijke stoffen op de riolering te lozen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onder afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen worden voor
                            de toepassing van dit artikel in ieder geval verstaan:</al><al> a. stoffen, waarvan de vervuilingswaarde, uitgedrukt in
                            inwonerequivalenten, meer bedraagt dan 100, berekend volgens bijlage I,
                            onder D, sub I, van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren; </al><al>b. afvalwater, koelwater daaronder begrepen, in gemiddelde hoeveelheden
                            van meer dan 25 m3 per etmaal, tenzij dit afvalwater uitsluitend is
                            samengesteld uit stoffen welke ook in het kader van het normale gebruik
                            dat van een voor bewoning bestemd gebouw pleegt te worden gemaakt,
                            worden geloosd;</al><al> c. de volgende stoffen, voor zover deze stoffen in de uitoefening van
                            het beroep of bedrijf aan het afvalwater dat op de riolering wordt
                            geloosd, zijn toegevoegd: </al><al>- organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke
                            verbindingen kunnen ontstaan; </al><al>- organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en
                            stoffen waaruit dergelijke verbindingen in het water kunnen ontstaan,
                            met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die in
                            water snel worden omgezet in onschadelijke stoffen; </al><al>- fenolen, mercaptanen en andere stoffen die reeds in zeer geringe
                            concentratie reuk- of smaakbezwaren opleveren; </al><al>- persistente minerale oliën en uit aardolie bereide persistente
                            koolwaterstoffen; </al><al>- antimoon, arsenicum, barium, beryllium, borium, cadmium, chroom,
                            kobalt, koper, kwikzilver, lood, molybdeen, nikkel, selenium, tin,
                            titanium, thallium, tellurium, uranium, vanadium, zilver, zink en
                            verbindingen van deze elementen; </al><al>- cyaanwaterstofzuur, fluorwaterstofzuur, alsmede de van deze zuren
                            afgeleide zouten; </al><al>- elementair fosfor en organische fosforverbindingen; - stoffen die
                            kankerverwekkend zijn en stoffen waarvan in redelijkheid verwacht mag
                            worden dat zij kankerverwekkende eigenschappen hebben; </al><al>- biociden voor zover deze niet reeds onder de hiervoor genoemde stoffen
                            vallen; </al><al>- persistente door de mens gesynthetiseerde verbindingen, voor zover
                            niet reeds onder voorgaande genoemd; </al><al>- stoffen die ongunstig inwerken op de zuurstofbalans, met name ammoniak
                            en nitrieten. </al><al>Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing op stoffen,
                            aangewezen krachtens artikel 1, lid 2, van de Wet verontreiniging
                            oppervlaktewateren en op lozingen vanuit soorten van inrichtingen
                            aangewezen krachtens evengenoemde wetsbepaling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Nadere regels van Burgemeester en Wethouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, na overleg met de
                            beheerder, bij openbaar bekend te maken besluit voor daarbij aan te
                            geven beroepen of bedrijven nadere regels te stellen met betrekking tot
                            de lozing op de riolering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en Wethouders kunnen in de nadere regels als bedoeld in
                            het voorgaande lid bepalen dat het verbod, gesteld in artikel 3, eerste
                            lid, niet van toepassing is op de in die nadere regels aangewezen
                            beroepen en bedrijven, mits de daarbij gestelde voorschriften worden
                            nageleefd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vergunningsaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning wordt ingediend door
                            degene die het beroep of bedrijf uitoefent.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Vervallen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Overleggen van nadere bescheiden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Aanvullen van gegevens nodig voor aanvraag</titel></kop><al>Vervallen </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Behandeling aanvraag om vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij Burgemeester en Wethouders aanstonds menen dat de vergunning
                            behoort te worden geweigerd, treden zij over de aanvraag zo spoedig
                            mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken nadat de aanvraag is
                            ontvangen, in overleg met de beheerder onder overlegging van de aanvraag
                            en alle daarop betrekking hebbende bescheiden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en Wethouders beschikken op de aanvraag binnen zestien
                            weken na het indienen van de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien met het oog op het geheel of gedeeltelijk inwilligen van de
                            aanvraag een wijziging of aanvulling van een aan de gemeente verleende
                            vergunning voor het brengen van het rioolwater in oppervlaktewater of
                            naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de
                            riolering is aangesloten, noodzakelijk is, dienen Burgemeester en
                            Wethouders binnen vier weken nadat de aanvraag is ontvangen een daartoe
                            strekkend verzoek in bij de beheerder. Van de indiening geven zij kennis
                            aan de aanvrager van de vergunning. Burgemeester en Wethouders
                            beschikken, voor zoveel nodig in afwijking van het bepaalde in het
                            voorgaande lid, binnen vier weken na het van kracht worden van de
                            beslissing van de beheerder of van een daarvoor in de plaats getreden
                            beslissing in beroep. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Burgemeester en Wethouders kunnen hun beschikking eenmaal voor ten
                            hoogste acht weken verdagen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Bij de vergunning wordt een gewaarmerkt exemplaar van de op de
                            vergunning betrekking hebbende tekeningen en bescheiden gevoegd. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> vervallen </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> Onverminderd het dienaangaande bepaalde in de Algemene wet
                            bestuursrecht wordt een afschrift van hun beschikking tevens gezonden
                            aan de regionale inspecteur van het staatstoezicht op de
                            volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het
                            milieu.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al> Een beschikking tot verlening van een vergunning blijft, tenzij bij de
                            beschikking anders wordt bepaald, buiten werking gedurende de voor het
                            beroep gestelde termijn en de behandeling van het beroep.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Anticipatie op toekomstige ontwikkelingen</titel></kop><al>Burgemeester en Wethouders houden bij hun beschikking op de aanvraag om
                        vergunning rekening met de te verwachten ontwikkelingen in de lozingen op de
                        riolering die van belang zijn met het oog op het voldoen aan de
                        voorschriften van de beheerder aan de gemeente gegeven onderscheidenlijk de
                        bescherming van het belang van de goede werking van de riolering, van het
                        gebruik dat daarvan wordt gemaakt en de bescherming van de belangen van
                        derden tegen nadelen welke hieruit kunnen voortvloeien, en in het bijzonder
                        met die welke veroorzaakt kunnen worden door: </al><al>a. redelijkerwijze binnen afzienbare tijd te verwachten wijzigingen in de
                        lozing waarvoor vergunning wordt gevraagd; </al><al>b. voorgenomen lozingen van derden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Voorschriften verbonden aan vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften
                            verbinden. Deze voorschriften mogen slechts strekken: </al><al>- ter bescherming van het belang van de goede werking van de riolering,
                            van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt en de bescherming van de
                            belangen van derden tegen nadelen welke hieruit kunnen voortvloeien; </al><al>- ter uitvoering van de voorschriften welke door de beheerder aan de
                            gemeente zijn gegeven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en Wethouders kunnen de aan een vergunning verbonden
                            voorschriften wijzigen of aanvullen, dan wel aan een vergunning alsnog
                            voorschriften verbinden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een beschikking tot wijziging of aanvulling van de voorschriften
                            verbonden aan een vergunning of tot het alsnog verbinden van
                            voorschriften blijft, tenzij bij de beschikking in spoedeisende gevallen
                            anders wordt bepaald, buiten werking gedurende de voor het beroep
                            gestelde termijn en de behandeling van het beroep.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdelijke vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan voor een bepaalde termijn worden verleend: </al><al>a. indien niet met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld over de te
                            verwachten schadelijkheid van de lozing voor de riolering, of </al><al>b. indien de lozing een tijdelijk karakter zal hebben, dan wel </al><al>c. indien een aan de gemeente verleende vergunning voor het brengen van
                            het rioolwater in oppervlaktewater of naar een
                            rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering
                            is aangesloten tot het verlenen van een vergunning voor een bepaalde
                            termijn noopt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In het geval, bedoeld in het voorgaande lid, aanhef en onder a, wordt
                            de vergunning verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar.
                            Burgemeester en Wethouders kunnen deze termijn op aanvraag van de houder
                            van de vergunning, eenmaal met ten hoogste twee jaar, verlengen. De
                            verlenging moet ten minste zesentwintig weken voor het einde van die
                            termijn worden aangevraagd. Artikel 8, eerste tot en met zevende lid, is
                            van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in de eerste volzin van het
                            voorgaande lid, blijft de vergunning van kracht zolang op een tijdig
                            ingediende aanvraag nog niet is beschikt, alsmede gedurende de voor
                            beroep opengestelde termijn en de behandeling van het beroep. De
                            vergunning houdt echter in ieder geval op te gelden wanneer het van
                            kracht blijven een toestand zou oproepen die strijd oplevert met een aan
                            de gemeente verleende vergunning voor het brengen van het rioolwater in
                            oppervlaktewater of naar een rioolzuiveringsinstallatie of enig ander
                            werk waarop de riolering is aangesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Weigering vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd indien het verlenen van de vergunning in
                            strijd zou komen met:</al><al>a. het belang van de goede werking van de riolering dan wel het gebruik
                            dat daarvan wordt gemaakt; </al><al>b. de bescherming van de belangen van derden tegen nadelen welke hieruit
                            kunnen voortvloeien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De vergunning wordt voorts geweigerd indien een verzoek van de gemeente
                            aan de beheerder tot wijziging van de aan de gemeente verleende
                            vergunning is afgewezen en die afwijzing onherroepelijk is geworden.
                        </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Vervallen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Werking vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning geldt zowel voor degene te wiens naam zij is gesteld als
                            voor zijn rechtverkrijgenden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Burgemeester en Wethouders schrijven de vergunning op verzoek van de
                            houder of diens rechtverkrijgenden over op naam van een rechtsopvolger.
                            Zij doen daarvan mededeling aan de beheerder en de regionale inspecteur
                            van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, belast met het toezicht op
                            de hygiëne van het milieu.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken: </al><al>a. indien de ter verkrijging daarvan verstrekte gegevens zodanig onjuist
                            of anders blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou
                            zijn genomen, indien bij de behandeling daarvan de juiste gegevens
                            bekend waren geweest;</al><al> b. indien het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend overeenkomstig
                            de gegevens vermeld bij de aanvraag voor de vergunning; </al><al>c. indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet in acht
                            worden genomen; </al><al>d. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                            inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden
                            aangenomen dat het van kracht blijven van de vergunning op
                            onaanvaardbare wijze schade zou opleveren:</al><al> - voor de riolering of voor de goede werking daarvan: </al><al>- voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de
                            riolering is aangesloten of voor de goede werking daarvan, dan wel </al><al>- voor het ontvangende oppervlaktewater en aan dat bezwaar door het
                            stellen van (nadere) voorschriften redelijkerwijze niet of niet
                            voldoende kan worden tegemoet gekomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Vervallen </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een beschikking tot intrekking van een vergunning blijft, tenzij bij de
                            beschikking in spoedeisende gevallen anders wordt bepaald, buiten
                            werking gedurende de voor het beroep gestelde termijn en de behandeling
                            van het beroep.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Artikel 8, lid 7 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vervallen van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning vervalt indien: </al><al>a. met de uitoefening van het beroep of bedrijf niet binnen één jaar na het
                        onherroepelijk worden van de vergunning een begin is gemaakt; </al><al>b. het beroep of bedrijf gedurende langer dan één jaar niet is
                        uitgeoefend;</al><al>c. het bedrijf is verwoest; </al><al>d. de houder der vergunning schriftelijk verklaard van de vergunning geen
                        gebruik te willen maken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verbod tot lozing met behulp van versnijdende apparatuur</titel></kop><al>Het is verboden vaste afvalstoffen, verontreinigende en schadelijke
                        stoffen met behulp van versnijdende apparatuur op de riolering te lozen,
                        tenzij het stoffen betreft die ook zonder te zijn versneden geloosd mogen
                        worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verbods- en gebodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is de houder van een vergunning of een ontheffing ingevolge deze
                            verordening verboden te handelen in strijd met enig aan die vergunning
                            of ontheffing verbonden voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden te handelen in strijd met de nadere regels, bedoeld in
                            artikel 4, eerste lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Voor zover op overtreding dan wel niet- nakoming van de artikelen 2, 3, 16
                        en 17 niet reeds straf is gesteld bij artikel 28 van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren wordt overtreding daarvan gestraft met hechtenis van ten
                        hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien
                        worden gestraft met openbaarmaking van het gerechtelijk vonnis. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Toezicht op naleving</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening
                        wordt opgedragen aan: </al><al>a. de door Burgemeester en Wethouders aangewezen gemeente-ambtenaren; </al><al>b. de door Burgemeester en Wethouders in overleg met de besturen van de
                        andere desbetreffende openbare lichamen aangewezen ambtenaren als bedoeld in
                        artikel 25 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Opsporing van overtredingen</titel></kop><al>Met de opsporing van de in deze verordening strafbaar gestelde
                        feiten zijn, behalve de ambtenaren genoemd in artikel 141 van het Wetboek
                        van Strafvordering, belast: </al><al>a. de daartoe door Burgemeester en Wethouders aangewezen ambtenaren;</al><al>b. de door Burgemeester en Wethouders in overleg met de besturen van de
                        andere desbetreffende openbare lichamen aangewezen ambtenaren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Betreden van gebouwen etc.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo dikwijls de zorg voor de naleving van het bij of krachtens deze
                            verordening bepaalde dit vereist, wordt hierbij de last verstrekt al dan
                            niet besloten ruimten en plaatsen - woningen schepen daaronder begrepen
                            -, desnoods tegen de wil van de rechthebbende, bewoner of gebruiker, te
                            betreden:</al><al> a. aan hen, die en voor zover zij door het bevoegd gezag belast zijn
                            met de uitvoering van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij
                            of krachtens deze verordening; </al><al>b. aan hen, die en voor zover zij door het bevoegd gezag belast zijn met
                            het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening; </al><al>c. aan de opsporingsambtenaren, die en voor zover zij belast zijn met de
                            opsporing van overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde last is te allen tijde uitvoerbaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Voor zover de in het eerste lid bedoelde last woningen betreft, wordt
                            deze verstrekt met inachtneming van de wet van 31 augustus 1853,
                            Staatsblad 83, en uitsluitend indien de zorg voor de naleving een
                            voorschrift betreft dat strekt tot bescherming van het leven of de
                            gezondheid van personen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het in het eerste lid bepaalde geldt niet ten aanzien van die ruimten
                            waarvan het betreden dan wel binnentreden, buiten het geval van
                            ontdekking op heterdaad, voor het opsporen van een strafbaar feit
                            ingevolge het bepaalde in artikel 123 van het Wetboek van Strafvordering
                            niet is toegelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Nemen van monsters etc.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 19 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de afvoer in de
                            riolering te meten, alsmede monsters van die afvoer te nemen, een en
                            ander voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
                            nodig is. De resultaten van de metingen, alsmede de uitslag van het
                            onderzoek van de monsters worden ten spoedigste ter kennis van de
                            betrokken lozers gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd zich bij het
                            betreden van bouwwerken, erven en terreinen door personen, die daartoe
                            door hen zijn aangewezen, te doen vergezellen alsmede de benodigde
                            apparatuur mede te brengen, een en ander voor zover dit redelijkerwijs
                            voor de vervulling van hun taak nodig is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>leder is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren alle
                            medewerking te verlenen en alle inlichtingen te verstrekken, een en
                            ander voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
                            nodig is. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> leder is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren op hun
                            verzoek inzage te verschaffen in bescheiden en hen in de gelegenheid te
                            stellen daarvan afschrift te nemen, een en ander voor zover dit
                            redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Aanschrijving, lastgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien wordt gehandeld in strijd met het verbod genoemd in
                            artikel 2 dan wel in strijd met een krachtens artikel 3 verleende
                            vergunning, of een krachtens artikel 4 gestelde regel, kunnen
                            Burgemeester en Wethouders, degene, die als eigenaar, gebruiker,
                            vergunninghouder of uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen
                            is bevoegd, aanschrijven binnen een door hen aan te geven termijn de
                            door hen aan te geven voorzieningen te treffen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan door of namens
                            Burgemeester en Wethouders aan de eigenaar, gebruiker, de
                            vergunninghouder, dan wel degene die uit anderen hoofde tot het treffen
                            van voorzieningen bevoegd is, mondeling last tot het treffen van
                            voorzieningen worden gegeven (het onverwijld staken van het lozen van
                            stoffen daaronder begrepen), indien met het oog op de veiligheid en de
                            goede staat en de werking van de riolering, het (de)
                            zuiveringstechnische werk(en), dan wel de zuiverheid van de
                            oppervlaktewater, en onverwijld ingrijpen geboden is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een mondelinge last, als bedoeld in het vorige lid, wordt binnen 48 uur
                            schriftelijk door Burgemeester en Wethouders bevestigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><al>Allen die betrokken zijn of zijn geweest bij de uitvoering van
                        deze verordening zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken ten aanzien
                        waarvan Burgemeester en Wethouders hun geheimhouding hebben opgelegd of
                        waarvan zij het vertrouwelijk karakter moeten begrijpen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de
                            Lozingsverordening Riolering van 1983 blijven - voorzover het gebod of
                            verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat
                            is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                            ingetrokken - onbeperkt van kracht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Lozingsverordening
                            Riolering van 1983 blijven, voorzover de bepalingen ingevolge welke deze
                            voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze
                            verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken,
                            onbeperkt van kracht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond
                            van de Lozingsverordening Riolering van 1983 is ingediend en voor het
                            tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die
                            aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van deze
                            verordening toegepast. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Vervallen </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De vergunning, ontheffing of het voorschrift of de beperking, bedoeld
                            in het eerste of tweede lid blijft, onverminderd het in het eerste en
                            tweede lid bepaalde, van kracht totdat onherroepelijk is beslist op een
                            beroep- of bezwaarschrift, bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening kan worden aangehaald als Lozingsverordening Riolering
                            1990 III. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Zij treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand,
                            volgende op die van haar afkondiging. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Op dat tijdstip vervalt de Lozingsverordening Riolering, vastgesteld
                            bij raadsbesluit van 24 augustus 1983.</al><al/></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Kerkrade in zijn openbare
                        vergadering van 21 februari 1990. </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>De secretaris, </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al><vet>Artikel 1 </vet></al><al>In het onderhavige geval is de W.Z.L de beheerder. </al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al> Het eerste lid van dit artikel bevat algemene regels betreffende de bescherming
                    van het rioolstelsel en het tegengaan van gevaar of stank als gevolg van de
                    aanwezigheid van de in het riool gebrachte stoffen. Het betreft hier dus niet de
                    kwaliteit van het oppervlaktewater. Het vierde lid voorziet in het geval dat het
                    noodzakelijk mocht blijken ontheffing te verlenen van een of meer van de
                    bepalingen van het eerste lid. Bij het verlenen van ontheffingen zullen
                    Burgemeester en Wethouders moeten blijven binnen het raam van de aan de gemeente
                    verleende vergunning voor het lozen van het rioolwater op een
                    zuiveringsinstallatie of op oppervlaktewater.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al> Het vergunningenstelsel wordt ingevoerd voor de zwaardere vervuilers. Dat wil
                    zeggen dat het lozingen betreft die van betekenende invloed kunnen zijn op de
                    kwaliteit van het oppervlaktewater. Uitzondering hierop vormen lozingen van
                    stoffen c.q. lozingen vanuit soorten van inrichtingen aangewezen krachtens
                    artikel 1, lid 2, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Hiervoor is de
                    vergunningplicht ingevolge de voornoemde Wet van toepassing. Het
                    vergunningenstelsel op voet van artikel 3 van deze lozingsverordening vloeit
                    voort uit de systematiek van wet en maakt het mogelijk dat de gemeentelijke
                    voorschriften nauwkeurig worden afgestemd op de voorschriften van de beheerder
                    waaraan de gemeente is gebonden bij het lozen van het rioolwater op een
                    zuiveringsinstallatie c.q. oppervlaktewater (zie artikel 10). Indien het
                    verlenen van de vergunning niet zou stroken met de eisen die aan de gemeente
                    worden gesteld als lozer van het rioolwater en indien daaraan niet kan worden
                    tegemoet gekomen door het verbinden van voorschriften aan de vergunning zal dit
                    moeten leiden tot een weigering van de vergunning (artikel 12). Ter nadere
                    toelichting op de in het tweede lid onderscheiden categorie‰n van stoffen nog
                    het volgende. In sommige streken van ons land wordt gier en/of drijfmest wel via
                    het riool afgevoerd. Het moge duidelijk zijn dat hiervoor een lozingsvergunning
                    noodzakelijk is (zo een dergelijke praktijk al wordt toegelaten). Deze stoffen
                    vallen immers onder categorie a. Ook de afvoer van hemelwater kan onder de
                    vergunningplicht vallen. Zo zal afstromend regenwater, afkomstig van het terrein
                    van bijvoorbeeld een olie-opslagplaats of een chemische industrie,
                    verontreinigend kunnen zijn. De opsomming onder c spreekt voor zichzelf;
                    overigens is de opsomming onder a, b en c niet uitputtend. Er zou in dit verband
                    een misverstand kunnen ontstaan of sommige niet in deze opsomming begrepen
                    stoffen, welke wel als gevaarlijk zijn aan te merken, wel onder de
                    vergunningsplicht vallen. Door de toevoeging van de woorden "in ieder geval" in
                    de voorschriften, welke aan een vergunning worden verbonden, zijn dergelijke
                    stoffen opgenomen. In sommige gevallen kan dit zelfs noodzakelijk worden vanwege
                    de voorschriften die de beheerder in de aansluitvergunning heeft gegeven.
                    Uiteraard is het verkieslijk om dergelijke stoffen, wanneer in de praktijk
                    blijkt dat ze frequent geloosd worden, in de opsomming op te nemen door
                    wijziging van de verordening. Bij de opsomming van stoffen is aansluiting
                    gezocht bij de richtlijnen van de Europese Gemeenschap van 9 mei 1976
                    (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 18 mei 1976, nr. L129, blz.
                    23 e.v.). In artikel 3, het tweede lid onder a, wordt voor de berekening van de
                    vervuilingswaarde, verwezen naar het Uitvoeringsbesluit verontreiniging
                    rijkswateren. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat daar waar het
                    oppervlaktewater niet in beheer bij het Rijk is, bepalingen ter zake in de
                    heffingsverordening van de beheerder meer relevant zijn. Tenslotte zullen onder
                    bedrijven als bedoeld in het eerste lid ook moeten worden verstaan instellingen
                    als ziekenhuizen, scholen en kazernes. </al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al> Het stellen van de in dit artikel bedoelde nadere regels heeft zin voor typen
                    van lozingen die in de gemeente in grotere aantallen voorkomen, indien voor alle
                    individuele lozingen van een bepaald type soortgelijke voorschriften moeten
                    worden gesteld en soortgelijke voorzieningen getroffen moeten worden. Voor de
                    betreffende bedrijven zij verwezen naar de nadere lozingsregels. </al><al/><al><vet>Artikelen 5 </vet></al><al>Indien het ter beoordeling van de aanvraag nodig is dat nadere gegevens
                    worden verstrekt kunnen burgemeester en wethouders deze verlangen op grond van
                    het bepaalde in de artikelen 4:2 en 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al> De verordening ruimt een belangrijke plaats in voor overleg met de beheerder
                    van de zuiveringsinstallatie c.q. van het ontvangende oppervlaktewater. Dit is
                    begrijpelijk als men bedenkt dat een van de belangrijkste doeleinden van de
                    verordening is een goede aansluiting te verkrijgen op het regime van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren. Overleg met de beheerder is nodig om te
                    voorkomen dat de vergunningverlening in conflict zou komen met de voorschriften
                    waaraan de gemeente als lozer van het rioolwater gebonden is. Het kan nodig zijn
                    dat voordat de gemeente een vergunning kan verlenen er wijziging wordt gebracht
                    in de vergunning die de beheerder van een zuiveringsinstallatie op een
                    oppervlaktewater aan de gemeente heeft verleend. De procedure voor de
                    behandeling van een aanvraag om een gemeentelijke vergunning houdt daarmee
                    rekening. De vraag kan rijzen of het bij dit artikel voorgeschreven overleg ook
                    moet worden geopend indien nog verdere gegevens van de aanvrager worden
                    ingewacht. Voor een spoedige behandeling lijkt dat wel wenselijk. Aanstonds
                    weigeren (zie ook artikel 12) komt in de praktijk voor wanneer bijvoorbeeld de
                    aanvraag in conflict komt met de voorschriften van de beheerder en aanvulling en
                    wijziging van de z.g. aansluitvergunning niet mogelijk zal zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 9 </vet></al><al>In aansluiting op de moderne milieuwetgeving noemt dit artikel als
                    beoordelingsgrond bij de vergunningverlening: redelijkerwijs te verwachten
                    toekomstige ontwikkelingen. Deze beoordelingsgrond kan aanleiding geven tot het
                    verlenen van de vergunning onder beperkingen dan wel het stellen van zwaardere
                    voorschriften en zelfs tot weigering van de vergunning. Bij de omstandigheden
                    genoemd onder a. en b. van dit artikel valt met name te denken aan het geval dat
                    de lozing waarvoor vergunning wordt gevraagd ertoe zou leiden dat het maximaal
                    nog toelaatbare vervuilings- of schadekansniveau zodanig wordt benaderd dat
                    daardoor de aansluiting van andere lozers van dezelfde stoffen aan uiterst zware
                    voorschriften zou moeten worden gebonden of zelfs geweigerd. De omstandigheden
                    genoemd onder sub a. en b. vormen geen uitputtende opsomming. Men kan zich
                    bijvoorbeeld de situatie voorstellen dat er binnen afzienbare tijd een
                    verscherping van bepaalde wettelijke grensvoorwaarden voor te lozen stoffen te
                    verwachten is. </al><al/><al><vet>Artikel 10</vet></al><al> Burgemeester en Wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden.
                    Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op de bescherming van de kwaliteit
                    van de oppervlaktewateren; het beleid van Burgemeester en Wethouders dient
                    immers zodanig te zijn dat aan de voorschriften van de beheerder wordt voldaan.
                    Onafhankelijk daarvan kunnen zij ook dienen ter bescherming van de gemeentelijke
                    riolering en ter verzekering van de goede werking daarvan, alsmede ter
                    bescherming van de belangen van derden die hinder van het gebruik van de
                    riolering zouden kunnen ondervinden. Onder het beschermen van de belangen van
                    derden kan mede worden verstaan het "verdelen" van de lozingsruimte, zoals deze
                    op grond van de aansluitvergunning die de gemeente van de beheerder heeft,
                    bestaat. Wijziging en aanvulling van voorschriften dan wel het alsnog verbinden
                    van voorschriften aan een vergunning kan uiteraard op grond van dezelfde
                    motieven geschieden als bij de aanvankelijke vergunningverlening. </al><al/><al><vet>Artikel 11</vet></al><al> Als uitgangspunt is aangehouden dat vergunningen op grond van deze verordening
                    in de regel voor onbepaalde tijd worden verleend. Wanneer niet met voldoende
                    zekerheid kan worden geoordeeld over de gevolgen van een lozing of indien deze
                    een tijdelijk karakter zal hebben, dan wel indien een aan de gemeente verleende
                    vergunning daartoe noopt, kan een tijdelijke vergunning worden verleend. De
                    tijdelijke vergunning kan worden verlengd. </al><al/><al><vet>Artikel 12</vet></al><al> Er zijn twee soorten van redenen tot weigeren van een vergunning, al naar
                    gelang de belangen die de verordening regelt. Een vergunning wordt geweigerd
                    indien het verlenen van een vergunning in strijd zou komen met het belang van de
                    goede werking van de riolering, van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt en van
                    de bescherming van de belangen van derden tegen nadelen welke hieruit kunnen
                    voortvloeien. Deze weigeringsgrond is geënt op de behartiging van de belangen
                    bedoeld in artikel 2. Daarnaast wordt de aanvraag afgewezen indien de vergunning
                    die de gemeente van de beheerder heeft, geen ruimte openlaat voor het verlenen
                    van een vergunning voor het lozen op de riolering en een verzoek tot uitbreiding
                    van die vergunning is afgewezen. Deze reden tot weigering vindt haar grond in de
                    relatie tussen gemeente en beheerder. Is de hier bedoelde vergunning van de
                    beheerder een vergunning ingevolge artikel 1 Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren, dan is er voor de aanvrager van de (geweigerde)
                    gemeentelijke vergunning beroep tegen deze afwijzing mogelijk op grond van
                    artikel 16 van die wet. De aanvrager van een gemeentelijke vergunning op grond
                    van de Lozingsverordening Riolering kan in dit geval worden aangemerkt als
                    belanghebbende in de zin van artikel 16 van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren. Het geval is ook denkbaar dat de vergunning van de beheerder
                    aan de gemeente geen ruimte openlaat en geen verzoek tot uitbreiding wordt
                    gedaan. De reden van het niet indienen van zo een verzoek moet dan zijn gelegen
                    in een motief dat tot weigering van de aanvraag op grond van het eerste lid van
                    artikel 12 zal leiden. </al><al/><al><vet>Artikel 13</vet></al><al> De vergunning is niet aan een persoon gebonden; zij gaat desgevraagd over op de
                    rechtverkrijgenden. </al><al/><al><vet>Artikel 14</vet></al><al> Artikel 14 geeft een opsomming van de gevallen waarin de vergunning kan worden
                    ingetrokken. Onder meer kan zo een geval aanwezig zijn bij verandering van
                    omstandigheden of inzichten sedert het verlenen van de vergunning (letter d). De
                    rest van de opgesomde geval spreekt voor zichzelf.</al><al/><al><vet>Artikel 16 </vet></al><al>Eén van de motieven, die aan het verbod ten grondslag liggen, is in feite
                    het ook in het Indicatief Meerjarenprogramma voor de Bestrijding van de
                    Waterverontreiniging 1975-1979 geformuleerde uitgangspunt voor het
                    waterkwaliteitsbeheer: bestrijding van de verontreiniging aan de bron. Door het
                    versnijden en daarna lozen van afvalstoffen, in plaats van deze bijvoorbeeld in
                    de vuilnisemmer of zak te deponeren, worden riolering en zuiveringstechnische
                    werken extra belast met organische en inerte materialen (zoals plastics). Bij
                    meer algemene toepassing van versnijdende apparatuur dan tot nu toe gelukkig het
                    geval is, zou dit een aantal nadelige consequenties kunnen hebben. Deze liggen
                    zowel in het vlak van de dimensionering van de zuiveringstechnische werken als
                    in dat van het energieverbruik. Ook wordt de slibbelasting van het
                    rioleringsstelsel aanmerkelijk groter dan onder "gewone" omstandigheden.
                    Onderkend moet worden dat controle op de naleving van het artikel moeilijk is
                    uit te voeren. Van verschillende zijden is daarop geopperd dit artikel uit de
                    verordening te schrappen. Vanwege de preventieve werking die er van uit kan gaan
                    is echter besloten de bepaling te handhaven. </al><al/><al><vet>Artikel 18 </vet></al><al>Overtreding van de bepalingen van deze verordening kan rechtstreeks strijd
                    opleveren met de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (zie artikel 1 van deze
                    wet, in het bijzonder het tweede lid van dat artikel). Artikel 28 van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren bevat de strafbedreiging. Met het oog hierop
                    is in artikel 18 van de verordening de beperking opgenomen die verwijst naar
                    artikel 28 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Niet elke overtreding
                    van de Lozingsverordening Riolering leidt echter tot overtreding van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren, namelijk de overtreding van die
                    voorschriften die niet voortvloeien uit voorschriften van de beheerder. Met name
                    valt hierbij te denken aan de voorschriften die tot doel hebben het gemeentelijk
                    rioolstelsel te beschermen. Voor dit deel van de voorschriften die niet altijd
                    waterdicht te scheiden zijn van die welke voortvloeien uit de voorschriften van
                    de beheerder, moet de lozingsverordening zelf de strafbedreiging bevatten.</al><al/><al><vet>Artikel 19 </vet></al><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de verordening kan behalve aan
                    de door Burgemeester en Wethouders aangewezen ambtenaren worden opgedragen aan
                    de krachtens artikel 25 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aangewezen
                    ambtenaren. Op deze wijze is het mogelijk bij het toezicht op de naleving
                    bijvoorbeeld de deskundige ambtenaren in te schakelen die in dienst zijn van de
                    beheerder van een zuiveringsinstallatie en te beschikken over de daar aanwezige
                    kennis en toerusting. Wat betreft gemeentelijke ambtenaren ligt het voor de hand
                    het toezicht op de naleving van de Lozingsverordening te combineren met dat op
                    de naleving van de Hinderwet. Het overtreden van lozingsvoorschriften zal immers
                    vaak samenhangen met de procesvoering - in onregelmatigheden daarin - elders in
                    het betrokken bedrijf. </al><al/><al><vet>Artikel 20</vet></al><al> Indien wordt gehandeld in strijd met de verbodsbepaling, neergelegd in artikel
                    2, dan wel in strijd met een krachtens artikel 3 verleende vergunning of een
                    krachtens artikel 4 gestelde regel, kan het noodzakelijk zijn de mogelijkheid te
                    bezitten om de eigenaar, gebruiker of vergunninghouder aan te schrijven de
                    nodige voorzieningen te treffen of, indien met het oog op de veiligheid, de
                    goede staat, de werking van de riolering, de zuiveringstechnische werken, dan
                    wel de zuiverheid van het oppervlaktewater onverwijld ingrijpen geboden is,
                    mondelinge last te verstrekken tot hetzij het treffen van voorzieningen, hetzij
                    het onmiddellijk staken van de lozingen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>