<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR10372_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels ontheffingen en projectbesluiten Wro Zaanstad 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad nr. 56</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels ontheffingen en projectbesluiten Wro Zaanstad 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wro</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-06-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-07-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/2009/57900</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze beleidsregels zijn vervallen met ingang van de inwerkingtreding van Beleidsregels Afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen Wabo Zaanstad 2010 (25-1-2011)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels ontheffingen en projectbesluiten Wro Zaanstad 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE TOELICHTING OP DE BELEIDSREGELS </titel></kop><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.1</nr><titel>Inleiding: aanleiding en doel van deze beleidsnota</titel></kop><structuurtekst><al>De oude Wet op de Ruimtelijke Ordening (afgekort: WRO) is vervangen
                                door de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (afgekort: Wro). In de WRO
                                was een aantal mogelijkheden opgenomen om vrijstelling te kunnen
                                verlenen van een geldend bestemmingsplan. Voor de toepassing van die
                                vrijstellingsmogelijkheden hebben zowel de gemeenteraad als het
                                college de ‘Actualisatie Notitie Vrijstellingenbeleid ex artikel 19
                                Wet op de Ruimtelijke Ordening Zaanstad 2006’ vastgesteld, ieder
                                voor zover deze Actualisatienotitie ziet op de bevoegdheden van
                                beide organen<sup/><noot id="d10358e72"><noot.al>Gemeenteraadsbesluit d.d. 2-3-2006 onder nummer 19,
                                        collegebesluit d.d. 18-9-2007 onder nummer 4</noot.al></noot>. </al><al/><al>In de Wro is de mogelijkheid om met een vrijstelling af te wijken
                                van het geldende bestemmingsplan niet als zodanig opgenomen. Om toch
                                in ruimtelijk wenselijke gevallen van het geldende bestemmingsplan
                                te kunnen afwijken, zijn de rechtsfiguren van het projectbesluit (ex
                                artikel 3.10 Wro) en de buitenplanse ontheffing (ex artikel 3.23
                                Wro) geïntroduceerd. In de Wro zijn de mogelijkheden voor een
                                binnenplanse ontheffing (ex artikel 3.6 lid 1) en die voor een
                                tijdelijke ontheffing (ex artikel 3.22) in stand gebleven.</al><al/><al>Vanwege deze nieuwe rechtsfiguren is het noodzakelijk om de notitie
                                voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheden van
                                bestemmingsplannen aan te passen aan de nieuwe wettelijke situatie. </al><al>Hierbij is eveneens aandacht besteed aan de overgang van de oude
                                naar de nieuwe wetgeving.</al><al/><al>Naast het doorvoeren van enkele redactionele aanpassingen is ook
                                aansluiting gezocht bij de terminologie van de Algemene wet
                                bestuursrecht. Om die reden is er voor gekozen om in de citeertitel
                                de term ‘notitie’ te vervangen door ‘beleidsregels’. Het doel van
                                zowel het vrijstellingenbeleid voor artikel 19 WRO als het beleid
                                voor de Wro is immers om aan te geven welke beleidsregels gelden bij
                                het toepassen van de bevoegdheid van de gemeente om af te wijken van
                                geldende bestemmingsplannen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.1.1</nr><titel>Bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels</titel></kop><structuurtekst><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze beleidsnota met
                                bijbehorende bijlagen vast te stellen voor zover deze betrekking
                                hebben op besluiten waartoe zij bevoegd zijn. Burgemeester en
                                wethouders zijn bevoegd voor het verlenen van ontheffingen.</al><al/><al>De gemeenteraad is bevoegd deze beleidsnota met bijbehorende
                                bijlagen vast te stellen voor zover deze betrekking hebben op
                                besluiten waartoe hij bevoegd is. De raad is bevoegd voor het
                                verlenen van de projectbesluiten, zoals genoemd in art. 3.10 Wro.
                                Voor projectbesluiten die de gemeenteraad gedelegeerd heeft aan
                                burgemeester en wethouders blijft de gemeenteraad het bevoegde
                                orgaan om beleidsregels op te stellen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.2</nr><titel>Toetsingsmethodiek en algemene uitgangspunten</titel></kop><structuurtekst><al>Wanneer geoordeeld wordt dat het gebruik of de aanvraag om bouw- of
                                aanlegvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, dient
                                onderzocht te worden of het wenselijk is om af te wijken van het
                                vigerende bestemmingsplan. Indien het onderzoek positief uitvalt,
                                wordt er, afhankelijk van de afwijkingsmogelijkheid, op grond van de
                                Wro een ontheffing verleend of een projectbesluit genomen. Dit heeft
                                tot gevolg dat de toetsing plaatsvindt volgens de zogenoemde
                                afpelmethodiek. De mogelijkheden worden ‘afgepeld’ naar mate van de
                                omvang van de afwijking van het bestemmingsplan.</al><lijst><li nr="-"><al>Indien een (bouw)project strijdig is met het vigerende
                                        bestemmingsplan, wordt eerst beoordeeld of er een
                                        binnenplanse ontheffing kan worden verleend. Daarvoor wordt
                                        gekeken of er in het bestemmingsplan een
                                        ontheffingsmogelijkheid zit. Als dat niet het geval is,
                                        wordt bekeken of de Aanvullende bestemmingsplanvoorschriften
                                        1985 (artikel 5/7 AV; een koepelbestemmingsplan met
                                        aanvullende voorschriften) van toepassing zijn; </al></li><li nr="-"><al>als bovengenoemde binnenplanse ontheffingen niet aanwezig
                                        zijn of onvoldoende mogelijkheden bieden, wordt onderzocht
                                        of voor het gevraagde een buitenplanse ontheffing op grond
                                        van artikel 3.23 Wro kan worden verleend. Beoordelingskader
                                        hiertoe is artikel 4.1.1 van het nieuwe Besluit ruimtelijke
                                        ordening (Bro);</al></li><li nr="-"><al>indien een buitenplanse ontheffing niet mogelijk is, kan een
                                        projectbesluit worden genomen, ex artikel 3.10 Wro.</al></li></lijst><al>De volgorde van toetsen inzake de afwijkingsmogelijkheden gaat dus
                                als volgt:</al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>binnenplanse ontheffing</al></entry><entry colname="col3"><al>artikel 3.6 lid 1 sub c Wro</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>buitenplanse ontheffing</al></entry><entry colname="col3"><al>artikel 3.23 Wro jo. 4.1.1. Bro</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>projectbesluit</al></entry><entry colname="col3"><al>artikel 3.10 Wro</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tijdelijke ontheffing</cursief></al><al>Indien het gaat om een project dat voorziet in een tijdelijke
                                behoefte, beoordeelt het college of een tijdelijke ontheffing
                                verleend kan worden op grond van artikel 3.22 Wro.</al><al/><al><cursief>Ontheffing bouwverordening</cursief></al><al>In voorkomende gevallen is in plaats van of aanvullend op een
                                bestemmingsplan de bouwverordening Zaanstad van toepassing. De
                                bouwverordening geeft ook ontheffingsmogelijkheden, om op die manier
                                van de daarin neergelegde regelgeving te kunnen afwijken. Het
                                college is hiertoe bevoegd. Ook op deze categorie ontheffingen zijn
                                de onderhavige beleidsregels onverkort van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.2.1</nr><titel>Structuurvisies</titel></kop><structuurtekst><al>Voortvloeiend uit de nieuwe regelgeving in de Wro stelt de
                                gemeenteraad ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het
                                gehele grondgebied van de gemeente een of meer structuurvisies vast.
                                De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen
                                ontwikkeling van dat gebied, alsmede de hoofdzaken van het door de
                                gemeente te voeren ruimtelijk beleid. De structuurvisie gaat tevens
                                in op de wijze waarop de raad zich voorstelt die voorgenomen
                                ontwikkeling te doen verwezenlijken. De gemeenteraad kan in
                                samenwerking met de raden van aangrenzende gemeenten voor een gebied
                                behorende tot het grondgebied van de betrokken gemeenten een
                                structuurvisie vaststellen. Een vergelijkbare bevoegdheid heeft de
                                provincie ten behoeve van een goede provinciale ruimtelijke
                                ordening.</al><al/><al>Zowel de gemeente als de provincie bereiden momenteel een
                                structuurvisie voor. Ontheffingen van het bestemmingsplan en
                                projectbesluiten worden getoetst aan de structuurvisies, terwijl
                                financiële bijdragen aan (bovenplanse) ruimtelijke ontwikkelingen in
                                het kader van de Grondexploitatiewet<sup/> gebaseerd moeten zijn op
                                onderwerpen die in de structuurvisie zijn geregeld. </al><al/><al>Zolang de nieuwe structuurvisie nog niet is vastgesteld, worden
                                aanvragen om afwijkingen van het bestemmingsplan getoetst aan het
                                streekplan ´Noord-Holland-Zuid´,<sup/>, en de ruimtelijke
                                structuurschets van Zaanstad ‘Dansen op het veen’<sup/><sup/>. Deze
                                plannen kunnen op basis van het overgangsrecht van de Wro worden
                                gelijkgesteld met een structuurvisie.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.2.2</nr><titel>Gemeentelijke beleidsnota’s</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het beoordelen van verzoeken om afwijkingen van het
                                bestemmingsplan worden daarnaast de door de gemeente opgestelde
                                beleidsuitgangspunten toegepast, zoals deze zijn opgenomen in
                                diverse beleidsnota’s. Deze werkwijze blijft onder de nieuwe wet
                                ongewijzigd. Daar waar de uitgangspunten in de diverse beleidsnota’s
                                met elkaar conflicteren, vindt een afweging van belangen
                                plaats.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.2.3</nr><titel>Beleidsregels in hoofdstukken 2 en 3</titel></kop><structuurtekst><al>Naast het hiervoor genoemde uitgangspunt dat afwijkingen van het
                                bestemmingsplan getoetst worden aan wet-, regelgeving en de
                                beleidsuitgangspunten uit de eerder door Zaanstad vastgestelde
                                beleidsnota’s, zijn nog enkele beleidsregels van belang. Zij vloeien
                                voort uit de Actualisatienotitie 2006 en gelden alleen voor
                                ontheffingen op grond van artikel 3.23 Wro (hoofdstuk 2) en
                                projectbesluiten (hoofdstuk 3) op grond van artikel 3.10 Wro.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>BUITENPLANSE ONTHEFFING</titel></kop><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.1</nr><titel>Wet- en regelgeving over buitenplanse ontheffing</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3.23 Wro kent een algemene ontheffingsmogelijkheid toe aan
                                burgemeester en wethouders om van geldende bestemmingsplannen af te
                                wijken. De mogelijkheid staat open voor de in artikel 4.1.1 van het
                                Besluit Ruimtelijke Ordening (Bro) aangegeven gevallen. Het gaat
                                hierbij om bouwwerken met beperkte planologische betekenis.</al><al/><al>In de paragrafen behorend bij dit hoofdstuk zijn op basis van de
                                ‘Actualisatie Notitie Vrijstellingenbeleid ex artikel 19 Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening Zaanstad 2006’ de beleidsregels verwoord naar
                                de situatie van het nieuwe Bro. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.2</nr><titel>Beleidsregel voor toepassing van artikel 4.1.1 lid 1 Bro</titel></kop><structuurtekst><al>Voor de toepassing van het begrip ’bebouwde kom‘, zoals vermeld in
                                artikel 4.1.1 Bro, wordt uitgegaan van het gebied dat in de
                                vigerende bouwverordening Zaanstad als zodanig is aangegeven. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.3</nr><titel>Beleidsregels voor toepassing van artikel 4.1.1 lid 1 sub a
                                Bro</titel></kop><structuurtekst><al>Bij toepassing van artikel 3.23 Wro gelden voor bebouwing zoals
                                bedoeld in artikel 4.1.1 lid 1 sub a Bro de volgende
                                beleidsregels:</al><lijst><li nr="1."><al>De ‘Nota erfbebouwing Zaanstad 2007’ is het gemeentelijk
                                        beoordelingskader voor bouwplannen die passen in artikel
                                        3.23 Wro jo. 4.1.1 lid 1 sub a Bro;</al></li><li nr="2."><al>ten aanzien van erfbebouwing behorende bij woningen zoals
                                        bedoeld in artikel 4.1.1 lid 1 sub a Bro, geldt voor
                                        bebouwing van een zij- of achtererf dat wel aan een openbare
                                        weg, aan openbaar water of aan openbaar groen grenst, de eis
                                        dat de situatie ter plekke naar het oordeel van burgemeester
                                        en wethouders dusdanig is dat de realisatie van het bouwplan
                                        stedenbouwkundig gezien wenselijk en toelaatbaar is;</al></li><li nr="3."><al>overige bebouwing behorende bij woningen, passend in artikel
                                        4.1.1 lid 1 sub a Bro, maar niet voorkomend in de ‘Nota
                                        erfbebouwing Zaanstad 2007’, komt in principe niet voor
                                        medewerking in aanmerking, tenzij de situatie ter plekke
                                        naar het oordeel van burgemeester en wethouders dusdanig is
                                        dat de realisatie van het bouwplan stedenbouwkundig gezien
                                        wenselijk en toelaatbaar is.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.4</nr><titel>Beleidsregel voor toepassing van artikel 4.1.1 lid 1 sub b
                                Bro</titel></kop><structuurtekst><al>Bij toepassing van artikel 3.23 Wro geldt voor de bebouwing zoals
                                bedoeld in artikel 4.1.1 lid 1 sub b van het Bro de volgende
                                beleidsregel:</al><al/><al>Voor wat betreft de uitbreidingen van of een bijgebouw bij een ander
                                gebouw zoals bedoeld in artikel 4.1.1 lid 1, sub b Bro, geldt dat
                                medewerking aan de ontheffingsprocedure slechts plaatsvindt, indien
                                de locatie en de situering van de uitbreiding of het bijgebouw
                                stedenbouwkundig naar het oordeel van burgemeester en wethouders als
                                wenselijk en toelaatbaar wordt beschouwd. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.5</nr><titel>Beleidsregel voor toepassing van artikel 4.1.1 lid 1 sub c
                                Bro</titel></kop><structuurtekst><al>Bij toepassing van artikel 3.23 Wro gelden voor de bebouwing zoals
                                bedoeld in artikel 4.1.1 lid 1 sub c Bro de volgende
                                beleidsregels:</al><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde afmetingen van de gebouwen ten behoeve van
                                        een openbare nutsvoorziening, de telecommunicatie, het
                                        openbaar vervoer of het trein-, water- of wegverkeer moeten
                                        aantoonbaar noodzakelijk zijn voor de functie van het
                                        betreffende gebouw;</al></li><li nr="2."><al>medewerking aan de ontheffingsprocedure is voorts
                                        afhankelijk van de locatie en de situering van het gebouw.
                                        Deze dienen naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                        stedenbouwkundig als wenselijk en toelaatbaar te worden
                                        beschouwd.</al><al/><al/></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.6 </nr><label>Beleidsregel voor toepassing van artikel 4.1.1 lid 1 sub d t/m j Bro</label></kop><structuurtekst><al>Voor de overige in artikel 4.1.1 lid 1 Bro opgenomen gevallen,
                                genoemd onder sub c tot en met j, die in aanmerking komen voor
                                toepassing van artikel 3.23 Wro, worden, naast de geldende wet- en
                                regelgeving (waaronder specifieke gemeentelijke beleidsregels), geen
                                algemene beleidsregels gehanteerd. Voor deze gevallen geldt dat van
                                geval tot geval door burgemeester en wethouders beoordeeld wordt of
                                medewerking aan de ontheffingsprocedure gewenst is. Een beoordeling
                                van o.a. de planologische en stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van
                                een bouwplan op de betreffende locatie is op zijn plaats, alvorens
                                besloten wordt tot eventuele medewerking aan een
                                ontheffingsprocedure. </al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>PROJECTBESLUITEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>Wet- en regelgeving over projectbesluiten</titel></kop><structuurtekst><al>Zoals in hoofdstuk 1 is aangegeven zijn de vrijstellingen op grond
                                van artikel 19 leden 1 en 2 WRO nu samengevoegd in één
                                afwijkingsmogelijkheid, namelijk het projectbesluit. Een
                                projectbesluit treedt voor het desbetreffende perceel in plaats van
                                het bestemmingsplan. Evenals onder de WRO geldt ook nu de eis dat
                                het projectbesluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. In
                                artikel 5.1.3 en 5.1.4 Bro is nu meer specifiek aangegeven aan welke
                                eisen de ruimtelijke onderbouwing moet voldoen. </al><al/><al>Het college heeft besloten om na de introductie van de Wro gebruik
                                te maken van projectbesluiten bij wenselijke ruimtelijke
                                ontwikkelingen die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan.
                                De projectbesluiten worden jaarlijks binnen de in de Wro genoemde
                                termijnen in een beheersverordening opgenomen
                                (parapluplan-beheersverordening/ postzegelalbumbeheersverordening). </al><al>De raad heeft zijn bevoegdheden met betrekking tot de
                                projectbesluitprocedure gedelegeerd aan het college, met dien
                                verstande dat </al><lijst><li nr="1."><al>het college bij bouwplannen van enige importantie een
                                        uiterste krachtinspanning zal leveren om deze niet tijdens
                                        de vakantieperiode ter visie te leggen; </al></li><li nr="2."><al>(..) projectbesluiten die afwijken van de kaders die de
                                        gemeenteraad heeft vastgesteld voor een zienswijze aan de
                                        gemeenteraad worden voorgelegd, met de daarbij behorende
                                        stukken; </al></li><li nr="3."><al>deze werkwijze volgt het college ook bij projectbesluiten
                                        die naar het oordeel van het college niet in strijd zijn met
                                        de kaders van de gemeenteraad, maar die wel politiek
                                        gevoelig liggen; </al></li><li nr="4."><al>het college voert waar nodig een actief informatiebeleid
                                        over deze projectbesluiten richting de burgers van Zaanstad,
                                        los van de wettelijke procedures die in acht genomen moeten
                                        worden. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>Provinciale ruimtelijke verordening Noord-Holland 2009</titel></kop><structuurtekst><al>De Wro eist niet (zoals wel het geval was bij de WRO) dat,
                                voorafgaande aan een projectbesluit, een verklaring van geen bezwaar
                                van gedeputeerde staten nodig is. De provincie heeft echter daar
                                voor in de plaats wel een ander instrument om het provinciale beleid
                                vorm te geven. Artikel 4.1 van het Wro biedt de mogelijkheid om, als
                                provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke
                                ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale
                                verordening regels te stellen over de inhoud van projectbesluiten en
                                de daarbij behorende onderbouwing. Overigens bestaat er op
                                Rijksniveau een vergelijkbare bevoegdheid voor de minister van VROM
                                of een andere betrokken minister (artikel 4.3 Wro).</al><al>Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 15 december 2008 de
                                Provinciale ruimtelijke verordening Noord-Holland 2009 vastgesteld.
                                De verordening geeft een aantal regels waarmee rekening moet worden
                                gehouden bij de besluitvorming over projectbesluiten. De verordening
                                voorziet tevens in een aantal mogelijkheden om ontheffing te
                                verlenen van de regels. Op verzoek van de gemeenteraad of
                                burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten in een aantal
                                omschreven situaties ontheffing verlenen. De verordening verplicht
                                gedeputeerde staten om te beslissen binnen 12 weken op het verzoek
                                om ontheffing. De gemeente is verplicht de regels uit de provinciale
                                ruimtelijke verordening in acht te nemen bij de besluitvorming over
                                de projectbesluiten (en overigens ook bij bestemmingsplannen).</al><al/><al>Indien de gemeente bereid is om een projectbesluit te nemen voor een
                                activiteit waarop de Provinciale ruimtelijke verordening
                                Noord-Holland 2009 van toepassing is en waarvoor een
                                ontheffingsmogelijkheid is opgenomen, dan vraagt de gemeente eerst
                                een ontheffing bij gedeputeerde staten aan.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>Beleidsregels voor projectbesluiten, artikel 3.10 Wro</titel></kop><structuurtekst><al>Uitgangspunt van de Wro is dat voorziene ruimtelijke ontwikkeling
                                voor de komende tien jaar in een bestemmingsplan wordt vastgelegd.
                                Zaanstad hanteert een stringent beleid ten aanzien van het toepassen
                                van de bevoegdheid om projectbesluiten te nemen. Alleen in
                                uitzonderingssituaties wanneer een project ruimtelijk wenselijk en
                                toelaatbaar is, kan worden afgeweken van het geldende beleid.</al><al/><al>Het beleid met betrekking tot het landelijk gebied is in hogere
                                regelgeving verwoord, bijvoorbeeld in de Provinciale ruimtelijke
                                verordening Noord-Holland 2009 (§ 2).</al><al/><al>De overige uitgangspunten die verwoord zijn in de
                                Actualisatienotitie 2006 blijven ook onder nieuwe Wro van belang. De
                                beleidsregels hebben wij verwoord als aanvulling op het algemene
                                uitgangspunt dat bij de besluitvorming voldaan moet worden aan wet-
                                en regelgeving. Beleidsregels voor besluitvorming over
                                projectbesluiten, artikel 3.10 Wro, luiden als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Een projectbesluit is mogelijk voor (bouw)plannen ten
                                        behoeve van woningbouw, bedrijfsdoeleinden als bedoeld in de
                                        VNG-uitgave ’Bedrijven en milieuzonering‘ zoals die luidt op
                                        het moment van indiening van de betreffende aanvraag,
                                        verenigings-, sport- en recreatiedoeleinden en het algemeen
                                        belang, mits andere belangen zich niet tegen deze plannen
                                        verzetten.</al></li><li nr="2."><al>De gemeente werkt mee met (bouw)plannen waarvoor de
                                        aanvrager in het verleden met een omschreven doel grond van
                                        de gemeente heeft afgenomen, de planologische regeling nog
                                        niet aan dit doel is aangepast en het (bouw)plan past binnen
                                        die doelstelling. </al></li><li nr="3."><al>De gemeente kan, ten behoeve van het opstellen van een
                                        ruimtelijke onderbouwing, van de aanvrager verlangen dat hij
                                        of zij daar gegevens toe aanlevert of kan hiervoor geheel of
                                        gedeeltelijk kosten in rekening brengen bij de aanvrager. De
                                        gemeente behoudt zich het recht voor om haar medewerking aan
                                        het desbetreffende projectbesluit alsnog te weigeren, indien
                                        een aanvrager verzuimt de gevraagde gegevens aan te
                                        leveren.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na de datum van
                            uitgifte van het Gemeenteblad waarin zij worden geplaatst. Op verzoeken
                            om vrijstelling als bedoeld in artikelen 15, 17 en 19 WRO en verzoeken
                            om ontheffingen dan wel projectbesluiten die vóór de datum van
                            inwerkingtreding van deze beleidsregels zijn ingediend, blijft de
                            ‘Actualisatie Notitie Vrijstellingenbeleid ex artikel 19 Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening Zaanstad 2006’ onverkort van toepassing. </al><al/><al><vet>Intrekken beleidsnota’s</vet></al><al>Nadat alle verzoeken om vrijstelling als bedoeld in artikelen 15, 17 en
                            19 WRO en verzoeken om ontheffingen dan wel projectbesluiten die zijn
                            ingediend vóór inwerkingtreding van deze beleidsregels in
                            onherroepelijke besluitvorming zijn afgerond, wordt de ‘Actualisatie
                            Notitie Vrijstellingenbeleid ex artikel 19 Wet op de Ruimtelijke
                            Ordening Zaanstad 2006’ geacht te zijn ingetrokken.</al><al/><al><vet>Citeertitel</vet></al><al>Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Beleidsregels ontheffingen en
                            projectbesluiten Wro Zaanstad 2009’.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening>Deze beleidsregels zijn, voorzover betrekking hebbend op de bevoegdheden van
                        het college van burgemeester en wethouders, vastgesteld door het college van
                        burgemeester en wethouders bij besluit van 12 mei 2009, nr. 32970.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>G.Faber,</ondertekening><ondertekening>Burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>G. van den Berg,</ondertekening><ondertekening>Gemeentesecretaris</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Deze beleidsregels zijn, voorzover betrekking hebbend op de bevoegdheden van
                        de gemeenteraad, vastgesteld door de gemeenteraad van Zaanstad bij besluit
                        van 4 juni 2009, nr. 40.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>raadsgriffier</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>