<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR103289_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Eijsden-Margraten</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-08-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Eijsden-Margraten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Etalage, 02-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden–Margraten 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>12IN007383</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vervangen door de Verordening maatschappelijke ondersteuning Eijsden-Margraten 2013.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                Eijsden-Margraten 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Eijsden-Margraten; </al><al/><al>gelezen het voorstel van de burgemeester en wethouders; </al><al>gelet op het advies van de raadscommissie Algemene Zaken en Middelen,
                        Inwonerszaken en Grondgebiedzaken;</al><al/><al>BESLUIT VAST TE STELLEN: </al><al>Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Eijsden-Margraten 2011</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>wet</cursief>: Wet maatschappelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al><cursief>besluit nadere regels</cursief>:Besluit
                                        nadere regels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                        gemeente Eijsden - Margraten 2011</al></li><li nr="c."><al><cursief>college: </cursief>college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Eijsden- Margraten;</al></li><li nr="d."><al><cursief>compensatieplicht:</cursief> de algemene
                                        verplichting aan het gemeentebestuur om personen met
                                        aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door
                                        het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige
                                        uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en
                                        in staat tot maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="e."><al><cursief>hulp bij het huishouden:</cursief> een voorziening
                                        ter ondersteuning bij of ter overname van activiteiten op
                                        het gebied van het verzorgen van het huishouden van een
                                        persoon dan wel de leefeenheid waartoe een persoon
                                        behoort;</al></li><li nr="f."><al><cursief>rolstoelvoorziening: </cursief>voorziening die de
                                        ondersteuningsbehoevende in staat stelt zich in en om de
                                        woning te verplaatsen en waarvan het rijden de primaire
                                        functie is;</al></li><li nr="g."><al><cursief>woonvoorziening</cursief>: voorziening, niet zijnde
                                        hulp bij het huishouden of een rolstoelvoorziening, die de
                                        ondersteuningsbehoevende in staat stelt tot het normale
                                        gebruik van de woning;</al></li><li nr="h."><al><cursief>vervoersvoorziening</cursief>: voorziening die de
                                        ondersteuningsbehoevende in staat stelt zich lokaal te
                                        verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="i."><al><cursief>persoon met beperkingen,
                                            ondersteuningsbehoevende</cursief>: een persoon die ten
                                        gevolge van ziekte of gebrek, inclusief verstandelijke,
                                        lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch
                                        psychisch of een psychosociale probleem, aantoonbare
                                        beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op
                                        het gebied van het voeren van het huishouden, bij het
                                        normale gebruik van de woning, bij het verplaatsen in en om
                                        de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel
                                        of bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan
                                        aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="j."><al><cursief>mantelzorger</cursief>: een persoon die mantelzorg
                                        verleent als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de
                                        wet;</al></li><li nr="k."><al><cursief>zelfredzaamheid</cursief>: het lichamelijk,
                                        verstandelijk, geestelijk of financiële vermogen om
                                        voorzieningen te treffen die deelname aan het normale
                                        maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al></li><li nr="l."><al><cursief>maatschappelijke participatie</cursief>: normale
                                        deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het
                                        voeren van een huishouden, het normale gebruik van de
                                        woning, het zich in en om de woning verplaatsen, het zich
                                        zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij
                                        regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen, het
                                        ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden
                                        van sociale verbanden om op die manier deel te nemen aan het
                                        lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="m."><al><cursief>algemene voorziening</cursief>: een voorziening die
                                        wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een
                                        beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                        adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                        ondervindt;</al></li><li nr="n."><al><cursief>individuele voorziening</cursief>: een voorziening
                                        die individueel wordt aangeboden indien een algemene
                                        voorziening geen adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="o."><al><cursief>eigen bijdrage: </cursief>een bij de verlening van
                                        een voorziening in natura of in de vorm van een
                                        persoonsgebonden budget voor rekening van de rechthebbende
                                        komende financiële bijdrage, waarop de regels van het
                                        Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing
                                        zijn;</al></li><li nr="p."><al><cursief>eigen aandeel</cursief>: een bij de verlening van
                                        een financiële tegemoetkoming voor rekening van de
                                        rechthebbende komend aandeel in de kosten, waarop de regels
                                        van het Besluit maatschappelijke ondersteuning van
                                        toepassing zijn;</al></li><li nr="q."><al><cursief>voorziening in </cursief><cursief>natura</cursief>:
                                        een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in
                                        de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt
                                        verstrekt;</al></li><li nr="r."><al><cursief>persoonsgebonden budget</cursief>: een geldbedrag,
                                        zoals bedoeld in artikel 6 en 6 a van de wet, waarmee de
                                        ondersteuningsbehoevende een of meer aan hem te verlenen
                                        voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze verordening
                                        en het Besluit maatschappelijke ondersteuning te stellen
                                        regels van toepassing zijn.;</al></li><li nr="s."><al><cursief>financiële tegemoetkoming</cursief>: een
                                        tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke kan
                                        worden afgestemd op het inkomen van de
                                        ondersteuningsbehoevende;</al></li><li nr="t."><al><cursief>algemeen gebruikelijk</cursief>: naar geldende
                                        maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                                        bestedingspatroon van een persoon als de
                                        ondersteuningsbehoevende behorend;</al></li><li nr="u."><al><cursief>meerkosten</cursief>: kosten van een mogelijk
                                        krachtens de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel
                                        van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen
                                        gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke
                                        voorziening;</al></li><li nr="v."><al><cursief>normbedrag</cursief>: een forfaitaire of
                                        gemaximeerde vergoeding;</al></li><li nr="w."><al><cursief>voorliggende voorziening</cursief>: een voorziening
                                        waar op grond van enige wettelijke bepaling aanspraak kan
                                        worden gemaakt, danwel een algemeen gebruikelijke en
                                        algemeen toegankelijke voorziening;</al></li><li nr="x."><al><cursief>huisgenoot</cursief>: iedere meerderjarige met wie
                                        de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning
                                        bewoont;</al></li><li nr="y."><al><cursief>budgethouder</cursief>: een persoon aan wie
                                        ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is
                                        toegekend en die aan het college verantwoording over de
                                        besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd
                                        is;</al></li><li nr="z."><al><cursief>budgetperiode</cursief>: periode waarvoor een
                                        persoonsgebonden budget wordt verleend;</al></li><li nr="aa."><al><cursief>norminkomen</cursief>: de normen, genoemd in
                                        paragraaf 3.2 van de Wet werk en bijstand, omgerekend tot
                                        een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze normen voor een
                                        belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                        die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, en die
                                        niet in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de
                                        toeslag, genoemd in artikel 25 lid 2 van de Wet werk en
                                        bijstand, en de normen van een alleenstaande of gehuwde, die
                                        in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de
                                        bedragen, genoemd in artikel 23 lid 2 van de Wet werk en
                                        bijstand;</al></li><li nr="bb."><al><cursief>inkomen</cursief>: verzamelinkomen of
                                        inkomensverklaring;</al></li><li nr="cc."><al><cursief>hoofdverblijf</cursief>: de woonruimte, bestemd en
                                        geschikt voor permanente bewoning, waar de aanvrager zijn
                                        vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de
                                        aanvrager in de gemeentelijke basisadministratie
                                        persoonsgegevens staat ingeschreven, dan wel zal staan
                                        ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres indien het een
                                        aanvrager met een briefadres is;</al></li><li nr="dd."><al><cursief>woonplaats</cursief>: woonplaats als bedoeld in
                                        artikel 10 lid 1 en artikel 11 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                        Wetboek;</al></li><li nr="ee."><al><cursief>gemeenschappelijke ruimte</cursief>: gedeelte(n)
                                        van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden
                                        woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de
                                        aanvrager vanaf de toegang van het woongebouw te bereiken en
                                        ruimten die onder het woongebouw vallen en waarvan de
                                        aanvrager gebruik moet kunnen maken;</al></li><li nr="ff."><al><cursief>woonwagen</cursief>: een voor bewoning bestemd
                                        gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn
                                        geheel of in delen kan worden verplaatst; </al></li><li nr="gg."><al><cursief>standplaats</cursief>: een kavel binnen de gemeente
                                        Eijsden - Margraten, bestemd voor het plaatsen van een
                                        woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het
                                        leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere
                                        instellingen of van gemeenten kunnen worden
                                        aangesloten;</al></li><li nr="hh."><al><cursief>woonschip</cursief>: elk vaartuig dat uitsluitend
                                        of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn
                                        constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak
                                        bestemd is tot dag- of nachtverblijf van een of meer
                                        personen;</al></li><li nr="ii."><al><cursief>ligplaats</cursief>: een door de gemeente
                                        aangewezen ligplaats welke door een woonschip wordt
                                        ingenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en
                                de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Toekenning en weigering van voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan, op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien niet is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen
                                        gesteld bij of krachtens de wet;</al></li><li nr="b."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="c."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aangevraagde voorziening(en) betrekking heeft
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="e."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="f."><al>indien een voorziening niet noodzakelijk is vanwege
                                        redelijkerwijs van de aanvrager zelf of van anderen in diens
                                        omgeving, zoals familieleden of huisgenoten, te vergen
                                        medewerking aan oplossing voor het zich voordoende
                                        probleem;</al></li><li nr="g."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt, tenzij hiervoor schriftelijk toestemming is
                                        verleend door het college;</al></li><li nr="h."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens de wet, dan wel krachtens de
                                        Wet voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="i."><al>voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of
                                        enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis
                                        aanspraak op de voorziening kan of kon worden gemaakt, dan
                                        wel voor zover met betrekking tot de problematiek die in het
                                        gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot
                                        ondersteuning een voorziening als bedoeld in artikel 2 van
                                        de wet of een verbintenis uit de wet bestaat;</al></li><li nr="j."><al>indien, zo het gaat om een financiële tegemoetkoming of een
                                        persoonsgebonden budget, in de financiering van het niet
                                        door de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden
                                        budget bestreken deel van de kosten niet is, of kan worden
                                        voorzien;</al><al>3.Het college kan met betrekking tot het gestelde in lid 2
                                        nadere regels vaststellen in het Besluit nadere regels.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan, met inachtneming van het bepaalde
                                in artikel 6 van de wet, verstrekt worden</al><lijst><li nr="a."><al>in natura;</al></li><li nr="b."><al>als financiële tegemoetkoming;</al></li><li nr="c."><al>als persoonsgebonden budget. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte
                                keuzemogelijkheid tussen een voorziening in natura en een
                                persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van de in het
                                Besluit nadere regels neergelegde criteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing, tenzij deze
                            voorziening in eigendom wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming zijn de voorwaarden
                            zoals genoemd in het Besluit nadere regels van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 lid 1 en 6
                                a van de wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten
                                        aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget wordt, met
                                        uitzondering van het persoonsgebonden budget voor een
                                        vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel
                                        5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, bepaald
                                        aan de hand van de tegenwaarde van de in de betreffende
                                        situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in
                                        natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor
                                        instandhoudingkosten en/of administratieve
                                        ondersteuningskosten, en wordt vastgelegd in het Besluit
                                        nadere regels;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                        vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                        nadere regels;</al></li><li nr="d."><al>op het persoonsgebonden budget is de overeenkomst die is
                                        vastgelegd in het Besluit nadere regels van toepassing.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang, de looptijd ervan en de verplichtingen worden bij
                                beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin
                                aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget
                                te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na het nemen van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de
                                aanvrager, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke
                                stukken, zoals genoemd in het Besluit nadere regels, op verzoek van
                                het college per omgaande te verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden wordt door
                                het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Eigen bijdragen, eigen aandeel en inkomensgrenzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de voorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.1;4.2, lid 1, onder
                                b, c, en g; artikel 4.5 en artikel 5.1, lid 1, onder b en c, van
                                deze verordening is een persoon van 18 jaren of ouder aan wie
                                maatschappelijke ondersteuning is verleend een eigen bijdrage
                                verschuldigd ter hoogte van 100% van de aan deze voorziening
                                verbonden kosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de voorziening zoals bedoeld in artikel 5.1, lid 1, onder a, b,
                                c, en d van deze verordening wordt een inkomensgrens gehanteerd van
                                1,5 maal het norminkomen zoals bedoeld in artikel 1.1, onder aa van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voor het verstrekken van individuele voorzieningen
                                als bedoeld in lid 1 en lid 2 ter uitvoering van dit artikel nadere
                                regels stellen in het besluit nadere regels.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan voor het verstrekken van individuele voorzieningen
                                als bedoeld in lid 1 en lid 2 ter uitvoering van dit artikel
                                voorschriften verbinden, vrijstelling of ontheffing verlenen.
                                Gelijke bevoegdheid heeft het college ten aanzien van nadere regels
                                gesteld ingevolge lid 3 van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de verschuldigde eigen bijdrage en het aandeel in de kosten van
                                maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een
                                financiële tegemoetkoming voor eigen rekening blijft, is artikel
                                4.1, lid 1 van de algemene maatregel van bestuur “Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning” van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>HULP BIJ HET HUISHOUDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door het college ter compensatie van beperkingen bij het voeren
                                van een huishouden te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                        huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                        huishouden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels opstellen in het Besluit nadere regels
                                ten aanzien van de in het eerste lid genoemde onderdelen a. tot en
                                met c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.1, lid 1 onder a.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek:
                                        of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg, het zelf
                                        uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                                        maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en
                                        adequaat kan oplossen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.1, lid 1 onder b. en
                                c. vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                        of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg, het zelf
                                        uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                                        maken en de in het eerste lid genoemde voorziening een
                                        onvoldoende oplossing biedt of niet beschikbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon als
                            bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 4, 5 en 6 van de
                            wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de
                            leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten
                            behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Geen langdurige noodzaak</titel></kop><al>In afwijking van artikel 1.2, lid 1 onder a. kan het college hulp bij
                            het huishouden verstrekken indien er geen langdurige noodzaak is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt
                                uitgedrukt in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij
                                behorende uren kunnen worden toegekend:</al><al>Klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al>Klasse 2 : 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al>Klasse 3: 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al>Klasse 4: 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al>Klasse 5: 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al>Klasse 6: 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het aantal toegekende uren het maximum van klasse 6
                                overstijgt, kunnen additionele uren worden toegekend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>De bedragen die worden verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden
                            budget, rekening houdend met het bepaalde in artikel 3.5, worden door
                            het college vastgesteld en opgenomen in het Besluit nadere regels.
                            </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4. WOONVOORZIENINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren
                                van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan
                                uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                        woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                        woonvoorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in lid 1, onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en
                                adequaat kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in lid 1, onder b, c, d. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                woning noodzakelijk maken, en de in het lid 2 genoemde oplossing
                                niet beschikbaar is of niet of onvoldoende tot een snelle en
                                adequate oplossing leidt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in lid 2 en 3 genoemde beperkingen staan in een direct
                                oorzakelijk verband met de bouwkundige of woontechnische staat van
                                de woning zelf, waaronder begrepen de toegankelijkheid van de
                                woning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 4.1, lid 1 onder b, c en d. genoemde voorzieningen
                                kunnen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van de wet,
                                bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorziening in de verhuis- en (her)inrichtingskosten, te
                                        verlenen aan de hoofdbewoner van de woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>een voorziening in de kosten van een bouwkundige of
                                        woontechnische woonvoorziening , te verlenen aan de eigenaar
                                        van de woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>een voorziening in de kosten van een niet-bouwkundige of
                                        niet-woontechnische woonvoorziening, te verlenen aan de
                                        hoofdbewoner van de woonruimte, voor zover niet anders is
                                        overeengekomen tussen hoofdbewoner en eigenaar;</al></li><li nr="d."><al>een voorziening in de kosten van onderhoud, keuring en
                                        reparatie, te verlenen aan de hoofdbewoner van de
                                        woonruimte, voor zover niet anders is overeengekomen tussen
                                        hoofdbewoner en eigenaar;</al></li><li nr="e."><al>een voorziening ten behoeve van tijdelijke huisvesting, te
                                        verlenen aan de hoofdbewoner of de eigenaar van de
                                        tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="f."><al>een voorziening voor huurderving, te verlenen aan de
                                        eigenaar van de woonruimte;</al></li><li nr="g."><al>een voorziening ten behoeve van een uitraasruimte, te
                                        verlenen aan de eigenaar van de woonruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels opstellen in het Besluit nadere regels
                                ten aanzien van de in het eerste lid genoemde onderdelen a. tot en
                                met g.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Primaat van de verhuizing, uitraasruimte en andere
                                voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.2, lid 1 onder a., zonodig in combinatie met andere in artikel 4.2
                                genoemde voorzieningen, in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale
                                gebruik van de woning belemmeren en verhuizing naar een andere
                                zelfstandige woonruimte de goedkoopst adequate oplossing biedt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 4.3 lid 1 komt ook in aanmerking
                                voor een financiële tegemoetkoming ter hoogte van het bepaalde in
                                artikel 5.3 lid 1 van het “Besluit nadere regels voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning 2010 gemeente Eijsden - Margraten”
                                als de persoon, op eigen kosten, zijn woning adequaat aanpast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.2, lid 1 onder b. in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van
                                de woning belemmeren en de in het eerste lid genoemde voorziening
                                niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.2, lid 1 onder c. in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van
                                de woning belemmeren en de in het eerste lid genoemde voorziening
                                niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                onderdeel 5 en 6 van de wet voor een onder lid 3 bedoelde
                                woonvoorziening in aanmerking wordt gebracht indien het klachten
                                betreft in verband met luchtwegallergieën/CARA, dan:</al><lijst><li nr="a."><al>komt enkel de slaapkamer in de huidige woonsituatie van de
                                        hiervoor genoemde persoon voor sanering in aanmerking;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>indien de hiervoor genoemde persoon jonger is dan 4 jaar,
                                        komt eveneens de woonkamer in de huidige woonsituatie voor
                                        sanering in aanmerking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college verleent slechts een woonvoorziening ten behoeve van
                                onderhoud, keuring en reparatie als bedoeld in artikel 4.2, lid 1
                                onder d. indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening in het kader van deze wet, dan wel de wet
                                        voorzieningen gehandicapten, dan wel de Regeling Geldelijke
                                        Steun Huisvesting Gehandicapten of het Besluit Geldelijke
                                        Steun Huisvesting Gehandicapten is verleend;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de betreffende woonvoorziening is opgenomen in het Besluit
                                        nadere regels;</al></li><li nr="c."><al>de ondersteuningsbehoevende ten tijde van het onderhoud,
                                        keuring en reparatie de woonruimte als hoofdverblijf heeft
                                        en bewoont;</al></li><li nr="d."><al>de gemaakte kosten binnen een jaar na betaling bij de
                                        gemeente worden gedeclareerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan voor de duur van maximaal zes maanden een
                                voorziening genoemd in artikel 4.2, lid 1 onder e. verlenen onder de
                                volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien een ondersteuningsbehoevende in verband met
                                        aanpassing van zijn huidige of een nog te betrekken woning
                                        moet voorzien in noodzakelijke tijdelijke huisvesting en de
                                        kosten voor deze huisvesting noodzakelijk zijn.</al></li><li nr="b."><al>De voorziening genoemd in artikel 4.2, lid 1 onder e. kan
                                        per maand het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a.
                                        van de Wet op de huurtoeslag niet te boven gaan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan voor de duur van maximaal zes maanden een
                                voorziening genoemd in artikel 4.2, lid 1 onder f. verlenen aan de
                                eigenaar van een woning teneinde deze woning ter beschikking of
                                opnieuw ter beschikking van een ondersteuningsbehoevende te laten
                                komen en onder de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al>Het college kan geen voorziening genoemd in artikel 4.2, lid
                                        1 onder f. verlenen over de eerste maand van
                                        huurderving.</al></li><li nr="b."><al>De voorziening genoemd in artikel 4.2, lid 1 onder f., kan
                                        per maand het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onderdeel a
                                        van de Wet op de huurtoeslag niet te boven gaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.2, lid 1, onder g. in aanmerking worden gebracht indien sprake is
                                van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot
                                gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een
                                situatie waarin deze persoon tot rust kan komen en de in het eerste
                                lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst
                                adequate voorziening is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                    vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur;</al></li><li nr="b."><al>het treffen van voorzieningen in woongebouwen, die specifiek
                                    gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag
                                    worden dat reeds voorzieningen zijn getroffen, of dat ter zake
                                    van een voorziening onmiskenbaar niet wordt voldaan aan de voor
                                    een dergelijk woongebouw op grond van wettelijke voorschriften,
                                    algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen geldende
                                    vereisten en aannemelijk is dat de aangevraagde voorziening bij
                                    het wel voldoen aan die vereisten niet nodig zou zijn;</al></li><li nr="c."><al>voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder
                                    noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Hoofdverblijf en bezoekbaar maken woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk getroffen worden voor
                                het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft in een op grond van artikel 5 van de Wet
                                toelating zorginstellingen erkende instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels een
                                woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager de woonruimte, de
                                woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte en kan het in het Besluit nadere
                                regels bepaalde maximumbedrag niet te boven gaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Aanvullende begrenzing recht op woonvoorzieningen</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
                                    geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden
                                    aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij voor de verhuizing dan wel de acceptatie van de nieuwe
                                    woning van tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het
                                    college;</al></li><li nr="c."><al>behoudens het gestelde in artikel 4.4, deze betrekking heeft op
                                    voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan:</al><lijst><li nr="-"><al>het aanbrengen van automatische deuropeners, </al></li><li nr="-"><al>het aanleggen van een hellingbaan van de openbare weg
                                            naar de toegang van het gebouw waarvan de woonruimte van
                                            de ondersteuningsbehoevende deel uitmaakt en voorts
                                            onder voorwaarde dat de woningen in het woongebouw te
                                            bereiken zijn met een rolstoel,</al></li><li nr="-"><al>het aanbrengen van een extra trapleuning,</al></li><li nr="-"><al>het verbreden van toegangsdeuren,</al></li><li nr="-"><al>drempelhulpen of vlonders,</al></li><li nr="-"><al>een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur
                                            van het woongebouw. </al></li></lijst></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
                                    van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
                                    deze voorziening noodzakelijk zou zijn en daarmee geen sprake is
                                    van een onverwacht intredende noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen uitsluitend
                                    voor zover de aanvraag een voorziening als bedoeld in artikel
                                    4.2 lid 1 onder a. betreft, verhuisd is vanuit of naar een
                                    woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te
                                    worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                                    instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de
                                    verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van
                                    de woning zijn ondervonden;</al></li><li nr="f."><al>reeds een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de
                                    aanvraag betrekking heeft voordat hiertoe een beschikking is
                                    afgegeven, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is
                                    verleend door het college; </al></li><li nr="g."><al>de door het college aangewezen personen toegang wordt geweigerd
                                    tot de woonruimte waar de woonvoorziening is, of wordt
                                    gerealiseerd, dan wel zal worden gerealiseerd. Aan de in dit lid
                                    genoemde personen dient tevens inzage te worden geboden in
                                    bescheiden en tekeningen welke betrekking hebben op de
                                    woonvoorziening en hun wordt de gelegenheid geboden tot het
                                    controleren van de woonvoorziening;</al></li><li nr="h."><al>de kosten van de voorziening gelijk zijn aan of meer bedragen
                                    dan het maximumbedrag dat opgenomen is in het Besluit nadere
                                    regels.</al></li><li nr="i."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                                    voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling</titel></kop><al>Indien een woonvoorziening zoals genoemd in artikel 4.2, lid 1 onder b.
                            dan wel g. is verleend, dan geldt dat:</al><lijst><li nr="1."><al>Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk
                                    binnen 12 maanden na het afgeven van de beschikking waarin de
                                    woonvoorziening wordt verleend, verklaart diegene aan wie de
                                    woonvoorziening is toegekend, aan het college dat de bedoelde
                                    werkzaamheden zijn voltooid.</al></li><li nr="2."><al>De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid is tevens een
                                    verzoek om vaststelling en uitbetaling van de voorziening. Na
                                    akkoord bevinding gereedmelding zal binnen 2 weken uitbetaling
                                    plaatsvinden.</al></li><li nr="3."><al>De gereedmelding bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van
                                    een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is
                                    voldaan aan de voorwaarden waaronder de woonvoorziening is
                                    verleend.</al></li><li nr="4."><al>Degene aan wie de woonvoorziening wordt verleend dient gedurende
                                    een periode van vijf jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen
                                    met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te
                                    houden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De woningeigenaar die een voorziening genoemd in artikel 4.2, lid 1
                                onder b., heeft ontvangen waarvan het bedrag hoger is dan het bedrag
                                zoals genoemd in het Besluit nadere regels en die binnen een periode
                                van 10 jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden de
                                woning vervreemdt, wordt gehouden de gemeente een deel van de
                                voorziening terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van het terug te betalen bedrag als bedoeld in lid 1 is
                                gelijk aan het bedrag van de voorziening, exclusief de kosten die
                                voor rekening van de eigenaar van de woonruimte zijn gekomen,
                                verminderd met 10 procent per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Lid 1 is niet van toepassing indien de woning wordt verkocht aan de
                                ondersteuningsbehoevende ten behoeve van wie de voorziening is
                                verleend of een andere ondersteuningsbehoevende aan wie op grond van
                                deze verordening een vergelijkbare voorziening zou zijn
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woningeigenaar als bedoeld in lid 1 is verplicht om binnen een
                                maand na het inschrijven van de akte tot vervreemding in de openbare
                                registers het college hiervan schriftelijk op de hoogte te
                                stellen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels aanvullende voorwaarden
                                stellen ten aanzien van het gestelde in dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Vrijmaken van bestaande aangepaste woonruimte</titel></kop><al>Een vergoeding als bedoeld in artikel 4.2, lid 1 onder a. kan eveneens
                            worden verleend indien op verzoek van het college een bestaande
                            aangepaste woning wordt vrijgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Aanpassing van woonwagens</titel></kop><al>Het college verleent slechts een woonvoorziening als bedoeld in artikel
                            4.2, lid 1 onder b. ten aanzien van woonwagens indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf jaar
                                    is;</al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                    aanmerking komt;</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een
                                    woonvoorziening bij de gemeente rechtens op de standplaats
                                    stond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Aanpassing van woonschepen</titel></kop><al>Het college verleent slechts een woonvoorziening als bedoeld in artikel
                            4.2, lid 1 onder b. ten aanzien van woonschepen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van het woonschip nog minimaal vijf
                                    jaar is.</al></li><li nr="b."><al>het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven
                                    liggen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door het college, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6
                                van de wet, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                                verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening, waaronder een collectief systeem
                                        van aanvullend al dan niet openbaar vervoer;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura in de vorm van:</al><lijst><li nr="1."><al>een scootmobiel in bruikleen;</al></li><li nr="2."><al>een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen in
                                                bruikleen;</al></li><li nr="3."><al>een al dan niet aangepaste bruikleenauto;</al></li><li nr="4."><al>een ander verplaatsingsmiddel dan genoemd onder 1
                                                tot en met 3, in bruikleen;</al></li><li nr="5."><al>een aanpassing aan de onder 1 tot en met 4
                                                genoemde</al><al> bruikleenvoorzieningen;</al></li><li nr="6."><al>een training voor het gebruik van een scootmobiel of
                                                een gesloten buitenwagen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming
                                        voor de kosten van:</al><lijst><li nr="1."><al>aanschaf van een scootmobiel;</al></li><li nr="2."><al>aanpassing van een vervoermiddel;</al></li><li nr="3."><al>aanschaf van een ander vervoermiddel;</al></li><li nr="4."><al>reparatie en onderhoud van een vervoermiddel;</al></li><li nr="5."><al>gebruik van een eigen auto;</al></li><li nr="6."><al>gebruik van een taxi;</al></li><li nr="7."><al>gebruik van een rolstoeltaxi;</al></li><li nr="8."><al>gebruik van een bruikleenauto. </al></li></lijst></li><li nr="d."><al>een combinatie van de onder a., b. en c. genoemde
                                        voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van het verstrekken van een vervoersvoorziening op grond
                                van lid 1 kunnen nadere regels worden gesteld in het Besluit nadere
                                regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een collectief systeem van aanvullend al
                                dan niet openbaar vervoer, zoals genoemd in artikel 5.1, lid 1 onder
                                a. in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op
                                grond van ziekte of gebrek het onmogelijk maken om:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik te maken van het openbaar vervoer, of </al></li><li nr="b."><al>het openbaar vervoer te kunnen bereiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1, lid 1 onder b., c. en
                                d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                        gebruik van een algemene voorziening, waaronder het
                                        collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar
                                        vervoer, als bedoeld in artikel 5.1, lid 1 onder a.,
                                        onmogelijk maken dan wel,</al></li><li nr="b."><al>een algemene voorziening, waaronder een collectief systeem
                                        van aanvullend al dan niet openbaar vervoer, als bedoeld in
                                        artikel 5.1, lid 1 onder a., niet toereikend of aanwezig
                                        is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Afstemming op de behoefte en inkomensgrens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de verlening van de voorziening genoemd in artikel 5.1 lid 1
                                onder b., c. en d., wordt rekening gehouden met de individuele
                                vervoersbehoefte van de aanvrager, de mate waarin de voorziening
                                genoemd in artikel 5.1, lid 1 onder a. in de individuele
                                vervoersbehoefte kan voorzien en de mate waarin de vervoersbehoeften
                                van echtgenoten samenvallen</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de behoeften van echtgenoten niet samenvallen wordt niet
                                meer dan anderhalf maal een enkele voorziening als bedoeld in
                                artikel 5.1 lid 1 onder c. sub 5, 6 en 7 toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorzover de ondersteuningsbehoevende in het bezit is van een
                                scootmobiel of een electrische buitenrolstoel wordt niet meer dan
                                75% van een enkele voorziening als bedoeld in artikel 5.1 lid 1
                                onder c sub 5, 6, 7 en 8 toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de ondersteuningsbehoevende woonachtig is in een
                                verzorgingstehuis wordt niet meer dan 50% van een enkele voorziening
                                als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 onder c. sub 5, 6,7 en 8
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij
                                zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een
                                bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf
                                bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager
                                noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk
                                inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan de in het Besluit
                                nadere regels voor de diverse categorieën genoemde inkomensgrenzen,
                                worden de krachtens deze verordening te verstrekken
                                vervoersvoorzieningen algemeen gebruikelijk geacht, zodat deze niet
                                in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan nadere regels opstellen met betrekking tot het
                                bepaalde in dit artikel in het Besluit nadere regels.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het
                                verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te
                                verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een algemene
                                        rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                        rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                        sportrolstoel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels met betrekking tot het bepaalde in
                                het eerste lid in het Besluit nadere regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                                rolstoelgebruik en sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, lid 1 onder
                                a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel
                                zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en
                                hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, lid 1onder
                                b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks
                                zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en
                                hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden en indien de in artikel 6.1 lid 1 onder a.
                                vermelde voorziening niet aanwezig is of geen adequate oplossing
                                biedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan eenmaal per periode van drie jaar voor de in
                                artikel 6.1 lid 1 onder d. vermelde voorziening in aanmerking worden
                                gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                gebrek sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor bewoners van AWBZ-
                                instellingen</titel></kop><al>Een persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet
                            toelating zorginstellingen erkende instelling komt uitsluitend voor een
                            rolstoel in aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel,
                            verstrekt op grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>HET VERKRIJGEN VAN VOORZIENINGEN EN HET MOTIVEREN
                            VAN BESLUITEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                                college ter beschikking gesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ondersteuningsbehoevende of mantelzorger dient desgevraagd een
                                identiteitsbewijs te overleggen als bedoeld in artikel 1, eerste
                                lid, onder 1 tot en met 3, van de Wet op de
                                identificatieplicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het daartoe door het college
                            in het Besluit nadere regels aan te wijzen loket van de gemeente op
                            welke plaats zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de wet alsook
                                aanvragenzorg inzake de Algemene Wet Bijzondere
                            Ziektekosten kunnen worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang is voor de
                                beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                om advies in de gevallen genoemd in het Besluit nadere regels.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag dan wel
                                voor de vaststelling van het recht op een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de beoordeling zoals genoemd in het eerste lid wordt gebruik
                                gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International
                                Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de ICF
                                classificatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                psychosociaal probleem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Alleenrecht indicatiestelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college gebruik maakt van de bevoegdheid genoemd in
                                artikel 7.3 lid 2, dan wordt uitsluitend advies gevraagd aan het
                                Centrum Indicatiestelling Zorg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in die gevallen, welke beschreven worden in het
                                Besluit nadere regels, advies vragen aan een andere organisatie dan
                                welke genoemd is in lid 1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Het college legt in het Besluit nadere regels voorwaarden vast omtrent
                            de wijze waarop de verkrijging van individuele voorzieningen
                            samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>DegenE aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college onverwijld mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Heronderzoek</titel></kop><al>Het college kan heronderzoek verrichten naar de voor de voortzetting van
                            het recht op een voorziening van belang zijnde gegevens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                                geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden of
                                        verplichtingen gesteld bij of krachtens de wet, dan wel deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist of onvolledig waren dat, waren de
                                        juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou
                                        zijn genomen;</al></li><li nr="c."><al>de ondersteuningsbehoevende schriftelijk aangeeft geen prijs
                                        meer te stellen op de voorziening;</al></li><li nr="d."><al>uit onderzoek door het college blijkt dat geen gebruik wordt
                                        gemaakt van de verstrekte voorziening. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet
                                is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.9</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan reeds
                                uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget
                                worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval de aanspraak op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alle ingevolge deze verordening terug te vorderen bedragen worden
                                verhoogd met de wettelijke rente.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                ondersteuningsbehoevende, mantelzorger of de woningeigenaar afwijken
                                van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald, indien
                                strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard
                                leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorafgaand aan toepassing van lid 1 kan het college advies
                                vragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van de wet betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit nadere regels
                            geldende bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de
                            prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2 jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juni 2011.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2007
                                gemeente Eijsden, vastgesteld op 15 december 2009, en de Verordening
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010, gemeente
                                Margraten, vastgesteld op 15 december 2009, worden met ingang van 1
                                juni 2011 ingetrokken;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvrage om een voorziening bij de voormalige gemeente Eijsden
                                dan wel de voormalige gemeente Margraten is ingediend en voor het
                                tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op de
                                aanvraag is beslist, wordt daarop de “Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning 2010 gemeente Eijsden ”
                                respectievelijk de “Verordening voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning 2010 gemeente Margraten” toegepast, tenzij toepassing
                                van deze verordening voor een aanvrager leidt tot een gunstigere
                                beschikking dan toepassing van de “Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning 2010 gemeente Eijsden”
                                respectievelijk “Verordening voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning 2010 gemeente Margraten”.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een aanhangig bezwaarschrift of beroep, betreffende een
                                beschikking genomen op grond van de “Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning 2010 gemeente Eijsden” dan wel op
                                grond van “Verordening voorzieningenmaatschappelijke ondersteuning
                                2010 gemeente Margraten wordt beslist met toepassing van de
                                “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010
                                gemeente Eijsden” dan wel de “Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning 2010 gemeente Margraten”.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden – Margraten 2011”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 24 mei 2011 </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>­H.J. Waterborg, J.H.M. Bronckers</ondertekening><ondertekening>Griffier, Voorzitter </ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>