<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR10305_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening 2011 gemeente Leiden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Leiden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-08-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Leiden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsblad, 30 december 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening 2011 gemeente Leiden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 7-10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 34-36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 34-36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Toevoeging paragraaf 4</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV 11.0124</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De op 10 maart 2011 door de Raad vastgestelde ‘Beleidsvisie Participatie 2011 – 2014’ (RV 11.0003) is de aanleiding voor deze hernieuwde Re-integratieverordening.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-49593</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening 2011 Gemeente Leiden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Leiden:</al><al/><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders (raadsvoorstel 11.0075
                        van 2011), kennis genomen hebbende van de inspraakreacties en van het advies
                        van de Cliëntenraad SOZA en de reactie daarop van het College, mede gezien
                        het advies van de commissie, </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet , de artikelen 7 en 8
                        en 10, tweede lid, van de Wet werk en bijstand , de artikelen 34 , 35 en 36
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers, en de artikelen artikel 34, , 35 en 36 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen, besluit vast te stellen de volgende ‘Re-integratieverordening
                        WWB, IOAW en IOAZ 2011’:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de
                                    Wet Werk en Bijstand , de IOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>Anw-ers: personen met een uitkering ingevolge de Algemene
                                    nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het UWV
                                    Werkbedrijf;</al></li><li nr="c."><al>Nuggers: personen als bedoeld in de WWB, artikel 6 onder a;</al></li><li nr="d."><al>voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7 eerste lid
                                    onder a van de wet, deze verordening en het beleidsplan als
                                    bedoeld in artikel 3 eerste lid;</al></li><li nr="e."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="f."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="g."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="h."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Leiden;</al></li><li nr="i."><al>de gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Leiden;</al></li><li nr="j."><al>werknemers in gesubsidieerde arbeid: personen als bedoeld in
                                    artikel 10, tweede lid van de wet;</al></li><li nr="k."><al>re-integratie-traject: een met belanghebbende overeengekomen,
                                    dan wel door het College aan hem opgelegd geheel van
                                    activiteiten en/of voorzieningen gericht op
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="l."><al>Wet Stap: Wet Stimulering Arbeidsparticipatie;</al></li><li nr="m."><al>Participatieplaats: onbeloonde additionele werkzaamheden zoals
                                    bedoeld artikel 10a van de wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Beleid en Financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan uitkeringsgerechtigden, ANW-ers en Nuggers
                                alsmede aan personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de
                                wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het
                                college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen, biedt het College maatwerk. Daarbij wordt door
                                het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de
                                ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden,
                                capaciteiten en wensen van een cliënt, het meest doelmatig is met
                                het oog op inschakeling in de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut
                                Werknemersverzekeringen, voorzieningen als bedoeld in deze
                                verordening aanbieden aan personen aan wie het Uitvoeringsinstituut
                                Werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt periodiek een meerjarenbeleidsplan op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit plan omvat in elk geval voornemens, prioriteiten en doelen van
                                de komende beleidsperiode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het College legt jaarlijks verantwoording af voor de uitvoering van
                                het re-integratiebeleid via de begrotingscyclus.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het College legt het meerjarenbeleidsplan ter vaststelling voor aan
                                de gemeenteraad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden, ANW-ers, Nuggers, alsmede personen als
                                bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet , hebben aanspraak op
                                ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van
                                het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening en het in artikel 3 genoemde
                                beleidsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het College biedt een belanghebbende de mogelijkheid tot bemiddeling
                                door een door het College ingesteld meldpunt, als hij het niet eens
                                is met de inhoud van het aangeboden re-integratietraject.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in lid 3 genoemde mogelijkheid tot bemiddeling is niet van
                                toepassing bij het traject zoals bedoeld in artikel 6 van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen van de cliënt</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden te
                                    voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet , de
                                    IOAW, de IOAZ en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                    inkomen , deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die
                                    het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.</al><al/></li><li nr="2."><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een
                                    voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het eerste lid,
                                    dan kan het college de uitkering verlagen conform hetgeen
                                    hierover is bepaald in de Maatregelenverordening WWB dan wel de
                                    Maatregelenverordening Ioaw en Ioaz.</al><al/></li><li nr="3."><al>Indien een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                    gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde
                                    in het eerste lid, kan het college de kosten van de voorziening
                                    dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Sluitende aanpak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt elke uitkeringsgerechtigde direct na aanvraag
                                    van een uitkering een traject in de vorm van een
                                    werkleersituatie van 20 tot 36 uur per week, voor maximaal 6
                                    weken.</al><al/></li><li nr="2."><al>Tijdens het traject zoals bedoeld in lid 1, biedt het college de
                                    uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a."><al>werk met behoud van uitkering en daarmee de gelegenheid
                                            om werknemersvaardigheden te onderhouden en/of
                                            werkervaring op te doen; en/of</al></li><li nr="b."><al>de mogelijkheid om competentietrainingen te volgen;
                                            en/of</al></li><li nr="c."><al>bemiddeling en ondersteuning bij het zoeken naar
                                            werk.</al><al/></li></lijst></li><li nr="3."><al>Uiterlijk aan het eind van het traject, zoals bedoeld in lid 1,
                                    wordt een analyse gemaakt op basis waarvan, in samenspraak met
                                    de klant, een vervolgtraject wordt bepaald;</al><al/></li><li nr="4."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft
                                    bepaald dat voor deze persoon een ontheffing van de
                                    arbeidsverplichting voor bepaalde tijd geldt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds
                                    vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het
                                    college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                    weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke
                                    voorziening.</al><al/></li><li nr="2."><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen
                                    dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het beleidsplan als bedoeld in artikel 3 wordt vastgelegd
                                    welke voorzieningen het college in ieder geval kan
                                    aanbieden.</al><al/></li><li nr="2."><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die
                                    voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan een voorziening
                                    nadere verplichtingen verbinden.</al><al/></li><li nr="3."><al>Het college kan een voorziening beëindigen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                            verplichting als bedoeld in artikel 5 van deze
                                            verordening niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                            doelgroep van de wet;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid
                                            aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                            voorziening;</al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                            onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                            arbeidsinschakeling.</al><al/></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, met
                                    inachtneming van hetgeen daarover in het beleidsplan is bepaald,
                                    nadere regels stellen. Deze regels kunnen in ieder geval
                                    betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                            aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanvragen van
                                            voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                            voorschotten;</al></li><li nr="d."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li><li nr="e."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en
                                            het verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Participatieplaaten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het College kan aan een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans
                                    op inschakeling in het arbeidsproces gering is, een
                                    participateplaats als bedoeld in artikel 10a van de wet
                                    aanbieden.</al><al/></li><li nr="2."><al>Een participatieplaats wordt gecombineerd met scholing,
                                    opleiding en/of andere activiteiten die tot doel hebben de
                                    toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen.</al><al/></li><li nr="3."><al>De in het kader van de participatieplaats te verrichten
                                    additionele werkzaamheden beslaan tenminste 24 uur per week.
                                    Indien dit met de uitkeringsgerechtigde is overeengekomen kunnen
                                    deze werkzaamheden ook meer dan 24 uur bedragen.</al><al/></li><li nr="4."><al>Het College biedt aan degene die op grond van artikel 10a WWB
                                    additionele werkzaamheden verricht een voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling aan in de vorm van een scholing of opleiding
                                    die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. Doel van deze
                                    scholing of opleiding is het behalen van een diploma of
                                    certificaat met minstens het niveau van een startkwalificatie
                                    tenzij naar het oordeel van het College een dergelijke scholing
                                    of opleiding de krachten of bekwaamheden van de belanghebbende
                                    te boven gaat.</al><al/></li><li nr="5."><al>Het college betrekt bij deze beoordeling:</al><lijst><li nr="a."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de
                                            belanghebbende de additionele werkzaamheden uitvoert;
                                        </al></li><li nr="b."><al>de scholingswens van de belanghebbende;</al><al/></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het College doet de uitkeringsgerechtigde voor aanvang van de
                                    participatieplaats een schriftelijk aanbod waarin in ieder geval
                                    is opgenomen: </al><al>- het aantal uren per week en de inhoud van de te verrichten
                                    werkzaamheden op de participatieplaats; </al><al>- het scholingsplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Additionele arbeid en premie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde, telkens
                                    nadat deze gedurende 6 maanden additionele werkzaamheden heeft
                                    verricht, conform artikel 10a zesde lid van de WWB, een premie
                                    ter hoogte van € 200,-.</al><al/></li><li nr="2."><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat
                                    de belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                    verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft
                                    geschonden.</al><al/></li><li nr="3."><al>Onverminderd het eerste lid komen ook personen als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid van de wet voor een premie in aanmerking
                                    indien zij aan alle voorwaarden voldoen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                    persoon bedoeld in artikel 1 lid a, b en c een
                                    arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling dan
                                    wel participatie.</al><al/></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de duur van de
                                    subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie
                                    worden verbonden.</al><al/></li><li nr="3."><al>Loonkostensubsidie wordt verstrekt met inachtneming van de
                                    geldende richtlijnen van de Europese Unieke inzake
                                    staatssteun.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Activeringspremies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan personen bedoeld in artikel 1 onderdeel a
                                    een activeringspremie toekennen.</al><al/></li><li nr="2."><al>Deze premie kan worden verstrekt in de volgende gevallen: </al><al>a. het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; </al><al>b. het deelnemen aan een voorziening; </al><al>c. het met goed gevolg beëindigen van een voorziening.</al><al/></li><li nr="3."><al>De premie bedraagt maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 31
                                    lid 2 onder j van de wet.</al><al/></li><li nr="4."><al>Het college stelt nadere regels ter uitvoering van het bepaalde
                                    in lid 2 en 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Sociale activering en zorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College kan een belanghebbende, als onderdeel van een traject,
                                sociale activering en zorg aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Sociale activering zorg is gericht op duurzame arbeidsinschakeling
                                dan wel op maatschappelijke participatie, in de vorm van een
                                stijging op de participatieladder. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van
                            de WIJ per 1 januari 2012</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken van ‘gehuwde(n)’ of
                                ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Afwijkende bepalingen voor jongeren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 9, 10 en 12 van deze verordening zijn niet van toepassing
                                voor belanghebbenden jonger dan 27 jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 6 van deze verordening geldt voor
                                belanghebbenden jonger dan 27 jaar het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>het College stelt voor de persoon jonger dan 27 jaar die
                                        recht heeft op algemene bijstand een plan van aanpak op
                                        conform artikel 44a van de wet; </al></li><li nr="b."><al>In dit plan van aanpak staat hoe de eventuele ondersteuning
                                        eruit ziet, welke verplichtingen gericht op de
                                        arbeidsinschakeling de belanghebbende heeft, en de gevolgen
                                        van het niet naleven van de verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>Het college begeleidt de belanghebbende bij de uitvoering
                                        van het plan van aanpak en evalueert, in samenspraak met
                                        belanghebbende, periodiek het plan van aanpak en stelt dit
                                        zonodig bij.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Reïntegratieverordening 2011
                            gemeente Leiden’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van haar
                            bekendmaking.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Leiden/i22127.pdf">
                    [Klik hier om het document te downloaden]
                  </extref></al><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet>Opdracht college</vet></al><al>Op grond van de WWB en de wet STAP heeft het college de opdracht om zorg te
                    dragen voor de re-integratie en participatie van bijstandsgerechtigden,
                    uitkeringsgerechtigden, niet- uitkeringsgerechtigden die aan de daaraan te
                    stellen criteria voldoen (nuggers), belanghebbenden met een uitkering krachtens
                    de Algemene nabestaandenwet, (anw-ers) en belanghebbenden die onder de strekking
                    van artikel 10 tweede lid WWB vallen.</al><al>Op grond van de WWB en de wet STAP is de gemeenteraad gehouden om een
                    verordening vast te stellen waarin de kaders voor het beleid van de gemeente ten
                    aanzien van haar participatietaak worden neergelegd. Tevens dient in deze
                    verordening de aanspraak van belanghebbenden op ondersteuning bij re-integratie
                    vastgelegd te worden.</al><al/><al>De basis voor deze verordening is neergelegd in artikel 8, eerste lid onder a en
                    e en tweede lid van de WWB, artikel 10, eerste en tweede lid en artikel 10a van
                    de WWB. </al><al>Artikel 8, eerste lid, onderdelen e en f, van de WWB verlangt van de
                    gemeenteraad dat zij regels stelt met betrekking tot de hoogte van de premie,
                    alsmede de eventuele inzet van scholing of opleiding, zo sprake is van een
                    persoon die algemene bijstand ontvangt en die in het kader van een door het
                    college aangeboden voorziening, zijnde een participatieplaats, onbeloonde
                    additionele arbeid verricht.</al><al/><al><vet>Procedurele opzet verordening.</vet></al><al>In tegenstelling tot een inhoudelijk uitgebreide Re-integratieverordening,
                    waarin het beleid voor langere duur is vastgelegd, is gekozen voor een
                    procedurele opzet van de verordening<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=119254&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=119254#_ftn1">[1]</extref>. Het houdt in dat in de Re-integratieverordening enkel datgene
                    is opgenomen wat op grond van de wet in de verordening vastgelegd dient te
                    worden. De Re-integratieverordening beperkt zich derhalve tot:</al><al>· enkele algemene artikelen over de opdracht aan het college,</al><al>· de aanspraak op voorzieningen,</al><al>· de inzet van voorzieningen en de rechten en plichten van de
                    belanghebbende,</al><al>· de wijze waarop in de gemeente het beleid bepaald wordt,</al><al>· hoe de verhouding tussen de gemeenteraad en het college is.</al><al>· het opnemen van een algemeen artikel betreffende loonkostensubsidies daar de
                    aard van</al><al>deze voorziening een regeling in de verordening noodzakelijk maakt.</al><al/><al>Het overige is vastgelegd in een door de Raad vast te stellen
                    meerjarenbeleidsplan (Beleidsvisie Participatievisie) en door het College vast
                    te stellen beleidsregels. Het voordeel van het nader regelen in beleidsregels is
                    dat hiermee flexibeler kan worden omgegaan. De procedurele opzet van de
                    re-integratieverordening stelt het college eveneens in staat om de noodzakelijke
                    individualisering met betrekking tot de arbeidsinpassing mogelijk te maken.
                    Anders gezegd: om het vereiste maatwerk te kunnen leveren.</al><al/><al><vet>Relatie met de Maatregelenverordening.</vet></al><al>De WWB, IOAW en IOAZ vragen tevens aan gemeenten een verordening op te stellen
                    waarin het samenstel van de rechten en plichten van de belanghebbende wordt
                    geregeld. Dit samenstel van rechten en plichten is in de
                    “Maatregelenverordeningen” opgenomen. De Re-integratieverordening en de
                    Maatregelenverordening zijn nauw met elkaar verbonden. Immers, aan de plicht tot
                    meewerken aan een traject gericht op arbeidsinpassing kunnen sancties worden
                    verbonden indien de belanghebbende ter zake deze verplichting in verzuim is. Dit
                    kan gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit zou ertoe kunnen leiden
                    dat de beide verordeningen geïntegreerd worden. Daar het college aan de
                    verlening van bijstand of een uitkering ook verplichtingen kan verbinden die
                    geen enkele of geen directe relatie hebben met re-integratie, is gekozen voor
                    separate verordeningen. Wel is er een duidelijke relatie gelegd tussen de
                    Maatregelen- en de Re-integratieverordening.</al><al/><al/><al><vet>‘Regelingen in verband met wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ
                        per 1 januari 2012’</vet></al><al>Op 1 januari 2012 trad de ‘Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en
                    samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
                    bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                    verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ (kortweg: Wet Aanscherping WWB)
                    in werking. Dit maakte het noodzakelijk om de verordeningen die hun grondslag
                    vinden in laatstgenoemde WWB aan te passen. Hierbij is gekozen voor een
                    tijdelijke aanpassing (in afwachting van toekomstige wetgeving), waarbij het
                    bestaande gemeentelijk beleid als vastgelegd in deze verordeningen zoveel
                    mogelijk in stand is gelaten.</al><al/><al>De aanpassingen volgen uit:</al><lijst><li nr="1."><al>herdefiniëring in de WWB van de leefvormen die als afzonderlijk
                            bijstandssubject voor bijstand in aanmerking komen alsmede de
                            totstandkoming van de huishoudtoets. </al></li><li nr="2."><al>een aantal nieuwe wettelijke verplichtingen voor
                            bijstandsgerechtigden;</al></li><li nr="3."><al>het intrekken van de WIJ. Hierdoor vervallen de daarop gebaseerde
                            verordeningen eveneens per 1 januari 2012<extref doc="#_ftn1">[1]</extref>. Jongeren vallen door de wetswijziging voortaan onder
                            het WWB-regime (overgangssituaties daargelaten);</al></li></lijst><al/><al><extref doc="#_ftnref1">[1]</extref> Intrekking van een regeling brengt mee dat
                    de op die regeling gebaseerde uitvoeringsregelingen van</al><al>rechtswege vervallen, tenzij voor die regelingen een nieuwe wettelijke grondslag
                    in het leven wordt geroepen (zie Aanwijzingen voor de Regelgeving, A. 243).
                    Uitvoeringsregelingen van een ingetrokken wet behoeven dus niet uitdrukkelijk te
                    worden ingetrokken (zie ook A. 227). </al><al/><al/><al><vet><cursief>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet
                    Werk en Bijstand. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Opdracht college</vet></al><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan artikel
                    7 van de WWB. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie.
                    Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het college specifieke
                    opdrachten mee te geven. Een voorbeeld kan zijn een speciale opdracht om
                    uitstroom uit bestaande gesubsidieerde arbeid te stimuleren. In de WWB is in
                    artikel 10, derde lid aangegeven dat de aanspraak op voorzieningen alleen geldt
                    voor die personen die ook daadwerkelijk inwoners van de gemeente zijn, door
                    middel van een verwijzing naar artikel 40, eerste lid van de wet. Door deze
                    verwijzing ook aan de opdracht aan het college te koppelen, geeft de gemeente
                    aan voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te willen zetten.</al><al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet
                    houden met de combinatie arbeid en zorg. In het beleidsplan, maar vooral in de
                    uitvoering komt vervolgens tot uiting hoe dit punt uitgewerkt wordt.</al><al>Het derde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. Dit is met name van belang omdat de gemeente de aanspraak op een
                    voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is: er dient
                    altijd een alternatief voorhanden te zijn.</al><al>Het vierde lid is een vertaling van artikel 7 lid 3 van de WWB, waarin is
                    geregeld dat, ondanks de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeente en UWV
                    zoals neergelegd in de Wet Suwi, de gemeente aan personen die van het UWV een
                    uitkering ontvangen een voorziening kan aanbieden.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Beleidsplan</vet></al><al>In het kader van de uitvoering van het gemeentelijke re-integratiebeleid stelt
                    het College periodiek (minimaal om de vier jaar) een beleidplan op, waarin
                    doelen, prioriteiten, prestaties en beoogde resultaten worden aangegeven. Dit
                    plan zal ter vaststelling aan de gemeenteraad worden voorgelegd. De in het
                    voorjaar van 2011 vastgestelde ‘Beleidsvisie Participatievisie 2011-2014’ moet
                    gezien worden als een beleidsplan zoals genoemd in het eerste lid van dit
                    artikel. Een meerjarenopzet van dit beleidsplan sluit goed aan op de praktijk
                    dat de uitvoering - en het boeken van resultaten - vaak een langere periode
                    beslaat. Voorts biedt een meerjarenopzet enige continuïteit voor de uitvoerders.
                    Het beleidsplan bevat enerzijds beleidskaders die aansluiten bij de verordening
                    of daarvan afwijken en aanleiding geven om de verordening te wijzigen.
                    Anderzijds kan het beleidsplan op sommige onderdelen een concretere vertaling
                    zijn van de verordening, bijvoorbeeld als het gaat om hoe de verschillende
                    re-integratie-instrumenten zich ten opzichte van elkaar verhouden en worden
                    ingezet. </al><al>De belangrijkste doelen en prestaties uit het beleidsplan zijn tevens opgenomen
                    in de Programmabegroting(scyclus). Het College legt jaarlijks verantwoording af
                    voor de uitvoering van het re-integratiebeleid via de begrotingscyclus. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Aanspraak op ondersteuning</vet></al><al>De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                    verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf geregeld.
                    Eveneens uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een
                    algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid).</al><al>In het tweede lid wordt expliciet te koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden
                    van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar elk document waarin die criteria
                    geformuleerd kunnen worden, doch minimaal de verordening en het
                    beleidsplan.</al><al>De gemeente hecht grote waarde aan de mogelijkheid van snelle en laagdrempelige
                    bemiddeling indien belanghebbende het oneens is met het re-integratieaanbod. Per
                    1 januari 2011 is de functie van onafhankelijk arbeidsadviseur op de lokatie van
                    het Werkplein Leidse regio komen te vervallen. Daarom wordt in het tweede lid
                    geregeld dat het College belanghebbende de mogelijkheid biedt tot bemiddeling
                    door een door het College ingesteld meldpunt. Als een burger van mening is dat
                    hem onvoldoende maatwerk geboden wordt en/of dat hij zich niet kan vinden in het
                    re-integratieaanbod, kan hij hier terecht voor bemiddeling. Deze bemiddeling
                    gaat in de regel vooraf aan het besluit tot de vastgestelde ondersteuning of
                    voorziening. Voordeel daarvan is dat voorafgaande aan de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep gepoogd wordt tot een voor alle betrokken partijen
                    aanvaardbare oplossing van het meningsverschil te komen. Is dit laatste
                    uiteindelijk niet mogelijk, dan staat voor de burger alsnog de weg naar de
                    bezwaarschriftencommissie en rechter open, indien hij niet eens is met het
                    genomen besluit. Gedurende de bemiddelingsfase is het redelijk een overweging
                    tot de tenuitvoerlegging van een maatregel op grond van de weigering van het
                    ondertekenen van een trajectplan op te schorten. In de bezwaar- en beroepsfase
                    geldt er in beginsel geen opschortende werking meer.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Verplichtingen van de cliënt</vet></al><al>In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in
                    het eerste en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd.</al><al>Het tweede lid biedt de verbinding met de Maatregelenverordeningen voor de WWB
                    en de IOAW en IOAZ. De maatregelenverordeningen regelen het opleggen van een
                    maatregel indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet.
                    Deze maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering met een bepaald
                    percentage. Echter, voor personen zonder uitkering, ANW-ers en personen in
                    gesubsidieerde arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als maatregel.
                    Daarom is in het derde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de
                    gemeente (een deel van) de kosten die gemaakt zijn terug kan vorderen. </al><al/><al><vet>Artikel 6. Sluitende aanpak </vet></al><al>De WWB kent geen bepaling over sluitende aanpak. De wetgever gaat ervan uit dat
                    door de systematiek van de wet er in de praktijk de facto een sluitende aanpak
                    ontstaat.</al><al>In de Leidse Participatievisie is vastgesteld dat uitkeringsgerechtigden in
                    Leiden direct na aanvraag voor een uitkering verplicht aan de slag gaat in een
                    werkleersituatie. Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Het tweede lid geeft aan waar het in lid 1 beschreven traject uit kan bestaan.
                    Tijdens de periode van maximaal 6 weken biedt het college in principe direct een
                    traject met werk en wordt de uitkeringsgerechtigde in de gelegenheid gesteld
                    werknemersvaardigheden te onderhouden en/of nieuwe werkervaring op te doen,
                    competenties te trainen en wordt hij/zij ondersteund bij het vinden van- en
                    bemiddeling naar regulier werk. Doel is de uitkeringsgerechtigden te helpen om
                    zo spoedig mogelijk (weer) te kunnen participeren op de arbeidsmarkt. </al><al>Het derde lid geeft aan dat er uiterlijk aan het eind van het traject een
                    analyse moet zijn gemaakt. Op basis van deze analyse wordt in samenspraak met de
                    klant een vervolgtraject bepaald. Als er geen belemmeringen zijn dan volgt er
                    een traject van intensieve bemiddeling. </al><al/><al>Elke uitkeringsgerechtigde is op grond van artikel 5 van deze verordening
                    verplicht deel te nemen aan het traject zoals omschreven in lid 1 t/m 3 van
                    artikel 6. Het College kan echter bepalen dat aan belanghebbende tijdelijk,
                    geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend. Ook zijn aanpassingen in het
                    programma mogelijk, bijvoorbeeld een langere periode met minder uren werk. Een
                    ontheffing kan verleend worden indien daarvoor ‘dringende redenen’ aanwezig zijn
                    ( artikel 9 lid 2 van de WWB). Zorgtaken worden in de WWB genoemd als
                    bijvoorbeeld van mogelijke dringende redenen. Verder is in artikel 9a van de WWB
                    expliciet geregeld dat het College aan een alleenstaande ouder die de volledige
                    zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 5 jaar op diens verzoek
                    tijdelijk ontheffing verleent van de arbeidsverplichting. Dat wil zeggen de
                    plicht om ‘naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te
                    aanvaarden’. Dit ontslaat de alleenstaande ouder dus niet per definitie van de
                    plicht gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening (zoals
                    scholing, sociale activering etc.). Voor alleenstaande ouders met kinderen tot
                    12 jaar staat in de WWB (artikel 9 lid 4) dat de ‘verplichting om algemeen
                    geaccepteerde arbeid te aanvaarden slechts geldt nadat het college zich
                    genoegzaam heeft overtuigd van beschikbaarheid van passende kinderopvang, de
                    toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van betrokkene’. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Subsidie- en budgetplafonds</vet></al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan
                    gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn
                    om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de
                    gemeente bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen.</al><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus is dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                    een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                    kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                    subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór
                    de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).</al><al/><al><vet>Artikel 8. Algemene bepalingen over voorzieningen</vet></al><al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele
                    zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. Het eerste lid
                    geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende opsomming van voorzieningen
                    bevat.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat een cliënt gedurende het traject op gezette tijden met de
                    consulent de voortgang bespreekt.</al><al>Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen. Het vierde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor
                    voorzieningen nadere regels te stellen. </al><al>De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage heeft betrekking op de
                    doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij op
                    een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen bijdrage, eventueel
                    gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, kan dan op zijn plaats zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 9. Participatieplaatsen</vet></al><al> De Wet stimulering arbeidsparticipatie (Stap) regelt onder meer dat mensen met
                    een uitkering die moeilijk aan de slag komen, werkervaring op kunnen doen met
                    behoud van hun uitkering. Dit zijn de zogenaamde participatieplaatsen. In
                    artikel 10a van de WWB zijn de participatieplaatsen en daarbij geldende
                    voorwaarden nader omschreven. </al><al>In lid 2 t/m 6 van dit artikel is uitgewerkt onder welke voorwaarden Leiden deze
                    Participatieplaatsen wil aanbieden.</al><al/><al>Met het vaststellen van de ‘Beleidsvisie Participatie 2011-2014’ is besloten
                    participatieplaatsen in Leiden in te voeren. Hierbij is door onze Raad bepaald
                    dat een part-time participatieplaats van ten minste 24 uur voldoende is om
                    werkritme op te doen. Dat wil zeggen dat een belanghebbende voor niet meer dan
                    24 uur per week verplicht kan worden tot het verrichten van additionele
                    werkzaamheden in het kader van een participatieplaats. Er kan wel sprake zijn
                    van het verrichten van additionele werkzaamheden voor meer dan 24 uur per week,
                    maar alleen indien belanghebbende hier vooraf mee heeft ingestemd. </al><al>Naast de additionele werkzaamheden, die dus tenmiste 24 uur bedragen, kunnen de
                    overige uren van de werkweek geheel of gedeeltelijk ingezet worden voor andere
                    re-intgratieactiviteiten, zoals scholing, training en sollicitaties. </al><al/><al>In de WWB staat: “<cursief>Het College biedt aan degene die op grond van artikel
                        10a WWB additionele werkzaamheden verricht en die niet beschikt over een
                        startkwalicatie na een periode van 6 maanden na aanvang van die
                        werkzaamheden een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan in de vorm
                        van een scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert,
                        tenzij naar het oordeel van het College een dergelijke scholing of opleiding
                        de krachten of bekwaamheden van de belanghebbende te boven
                    gaat</cursief>.”</al><al/><al>In Leiden krijgt iemand niet na 6 maanden maar al voorafgaand aan de
                    participatieplaats een aanbod wat zowel de werkplek als scholingsplan en/of
                    leerdoel omvat.</al><al>Bij het vaststellen van de ‘Beleidsvisie Participatie 2011-2014’ is door onze
                    Raad namelijk nadrukkelijk vastgesteld dat in het kader van participatieplaatsen
                    ‘leren het doel is van werken’ en dat dus elke participatieplaats een
                    scholingscomponent dient te bevatten, die tot doel heeft dat belanghebbende aan
                    het eind van het traject een diploma of certificaat heeft (minstens een
                    startkwalificatie).</al><al/><al>Uitgangspunt voor het scholingsaanbod is dat wie geen startkwalificatie heeft,
                    de mogelijkheid krijgt die te behalen. Wanneer dit, a.g.v. in de persoon gelegen
                    factoren, niet haalbaar blijkt zal gezocht worden naar een ander kwalificerend
                    traject. Voor wie al wel een startkwalificatie heeft, wordt een aanvullend
                    leerdoel opgesteld.</al><al/><al>De inhoud van de participatieplaats en het bijbehorende scholingsplan worden
                    schriftelijke vastgelegd in een plaatsingsplan dat door alle partijen (gemeente,
                    klant en werkgever) wordt ondertekend. Uitgangspunt bij het aanbieden van een
                    participatieplaats is dat dit aanbod in overleg en in samenspraak met de
                    belanghebbende tot stand komt. Wanneer belanghebbende zich hier desondanks niet
                    in kan vinden, staat in eerste instantie de mogelijkheid van bemiddeling open
                    (zie artikel 4 van deze verordening). Wanneer belanghebbende en gemeente ondanks
                    deze bemiddeling toch niet tot overeenstemming komen, zal de gemeente
                    belanghebbende schriftelijk een aanbod doen. Indien belanghebbende het hier niet
                    mee eens is, staat de bezwaarprocedure voor hem open. </al><al/><al><vet>Artikel 10. Additionele arbeid en premie</vet></al><al>In de WWB is ook opgenomen dat belanghebbende telkens nadat hij 6 maanden
                    additionele werkzaamheden heeft verricht recht heeft op een premie en dat de
                    Gemeente de hoogte van deze premie bij verordening moet vastleggen. Dit is in
                    dit artikel geregeld. </al><al>Voorwaarde voor het verstrekken van de premie is wel dat belanghebbende
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in
                    het arbeidsproces. </al><al/><al><vet>Artikel 11. en 12. Loonkostensubsidies en activeringspremies</vet></al><al>Voor het verstrekken van subsidies en activeringspremies (niet zijnde de ‘premie
                    participatieplaats’, zie hiervoor artikel 10) is een wettelijke basis in een
                    verordening vereist. Vandaar dat er naast het algemene artikel over
                    voorzieningen twee artikelen zijn opgenomen die deze basis bieden. Daarin is, in
                    lijn met het procedurele karakter van deze verordening, alleen het minimale
                    geregeld. Deze activeringspremies (zoals uitstroompremie) zijn verder uitgewerkt
                    in de de door het College vastgestelde ‘Beleidsregels Premies’. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Sociale activering en zorg.</vet></al><al>Een deel van het participatiebudget is ook bedoeld voor mensen waarvan niet
                    redelijkerwijs te verwachten is dat zij snel weer een reguliere baan kunnen
                    vinden, maar die wel met enige hulp in staat zijn te stijgen op de
                    participatieladder. Dit soort trajecten, genaamd “Sociale Activering en Zorg”
                    worden expliciet genoemd als onderdeel van de Participatienota (raadsvoorstel
                    11.0003, besluitpunt 1j). Daarom is het belangrijk dat een voorziening die zo
                    expliciet genoemd wordt in de Participatienota ook opgenomen wordt in de
                    Re-integratieverordening. </al><al>De bovenstaande tekst is een kopie van Artikel 18 uit de huidige
                    Re-integratieverordening, met de toevoeging in lid 2 “in de vorm van een
                    stijging op de participatieladder” en de toevoeging “en zorg”. Daarnaast is de
                    grammatica van lid 3 en lid 4 gecorrigeerd. </al><al>Dat er slechts een beperkt aantal van deze trajecten beschikbaar is staat in
                    artikel 7 van de verordening. </al><al/><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Xopus.aspx?id=119254&amp;xml=RegelingXML.ashx?id=119254#_ftnref1">[1]</extref> Conform de modelverordening van de VNG van april 2008</al><al/><al/><al><vet>Artikel 13a en 13b Wijziging betekenis begrippen en afwijkende bepalingen
                        voor jongeren</vet></al><al>Zie de algemene toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>