<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR102991_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Gouda 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-02-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Goudse Post, 20 juni 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Gouda 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet veiligheidsregio's, art 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-02-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artt. 4 en 5</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>743262</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>wijziging vanwege Bouwbesluit 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening Gouda 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Gouda;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 24 augustus 2010 (nr. 611800);</al><al/><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop
                        (Stb 2010, 145 en 146);</al><al/><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al/><al>gezien het advies van 4 augustus 2010;</al><al/><al>besluit vast te stellen de Brandbeveiligingsverordening Gouda 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inrichting; een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                    plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 4 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan
                                        10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen
                                        dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                                inachtneming van het gestelde in de paragrafen 3 en 4.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van inzichten of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                            vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door
                            het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand
                            en brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al/><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            artikelen 1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van
                            het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn overeenkomstig van
                            toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                            inrichtingen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>het bestrijden van brand en het voorkomen en
                            beperken van ongevallen bij brand </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            afdelingen 6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676)
                            zijn, met uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39,
                            overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet
                            vergunningplichtige inrichtingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>bluswatervoorziening</titel></kop><al>Burgemeester en wethoudes dragen zorg voor een zodanige
                            bluswatervoorziening en de bereikbaarheid daarvan, dat de
                            brandbestrijding te allen tijde zoveel mogelijk is gewaarborgd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                            onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                            voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of
                            een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede
                            lid, onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is
                            begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college
                            geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                            brand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>overgangs- en slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht, inwerkingtreding en
                                citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                                    brandbeveiligingsverordening van 25 maart 2009 (nr. 6.2.2) of
                                    van de brandbeveiligingsverordening van 26 april 1993 (nr. 23396
                                    –31) en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding
                                    van deze verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens
                                    deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2010 en wordt
                                    aangehaald als ‘Brandbeveiligingsverordening Gouda 2010’.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 22 september
                        2010.</al></slotformulering><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2010</titel></kop><tussenkop>AIgemeen</tussenkop><al>De gemeenteraad is verplicht een verordening vast te stellen omtrent het
                    voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het
                    voorkomen en beperken van ongevallen en al hetgeen daarmee verband houdt.</al><al/><al>De wetgever kondigt in artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio's een
                    algemene maatregel van bestuur aan over het brandveilig gebruik van voor mensen
                    toegankelijke ruimten, niet zijnde bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de
                    plaats in van de brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31
                    968, nr. 8, p.7). Naar verwachting treedt deze amvb pas medio 2011 werking. Tot
                    die tijd zal op de grond van de Wet veiligheidsregio's in de gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn. Als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's, het niet beschikbaar zijn van de
                    hiervoor bedoelde amvb en het ontbreken van relevant overgangsrecht in de Wet
                    veiligheidsregio’s heeft de raad een nieuwe brandbeveiligingsverordening
                    vastgesteld. De bestaande brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van
                    rechtswege bij de</al><al>inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's. De nieuwe verordening is
                    aangepast aan de Wet veiligheidsregio's en de Dienstenrichtlijn en er zijn
                    regels voor de bestuurlijke boete opgenomen …...</al><al/><tussenkop>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening mag geen regels stellen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien, Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio's
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk</al><al>zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat een gemeente op
                    basis van de</al><al>brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet er onderzoek plaatsvinden
                    naar wettelijke</al><al>voorschriften die van toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang
                    hebben. In de dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard
                    gevallen waarbij van tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><tussenkop>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk
                    zijn</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet. Zij regelt de brandveiligheid,
                    die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is weliswaar een
                    beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn, de zogenaamde ‘niet-bouwwerken'.
                    Het kan gaan om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel, een
                    drijvende discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf niet te
                    bepalen. De omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking
                    van doel, namelijk brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke
                    voorschriften) geen beperking van object. De omschrijving is van toepassing op
                    de gehele omgeving. Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet
                    van tevoren duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken,
                    Veel objecten lijken echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen
                    eisen worden gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. Als voorbeeld
                    dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval het
                    Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de Woningwet van
                    toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en
                    de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit is een constructie
                    die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en
                    afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is de Woningwet
                    het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is de
                    brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de brandveiligheid). Een
                    ander</al><al>voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een bouwwerk zijn
                    (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een kortdurende
                    periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld. Over de lastige vraag:
                    wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede aan de hand van staande
                    jurisprudentie, een toelichting.</al><al/><tussenkop>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en
                    terrein</tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeten bevinden. De beperking die de
                    Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                    terrein. </al><al/><tussenkop>Bouwwerk</tussenkop><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan: </al><al>-<cursief>bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                    indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of
                    op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Aan de hand van de vier
                    elementen van de definitie van het begrip bouwwerk : 1) constructie, 2) van
                    enige omvang, 3) met de grond verbonden, 4) bedoeld om ter plaatse te
                    functioneren, wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet. Over het
                    begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet zonder meer
                    duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de conclusie te
                    komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is te omvangrijk en te
                    casuïstisch om hier weer te geven. Een uitgebreide opsomming van jurisprudentie
                    geeft de toelichting op de bouwverordening.</al><al/><tussenkop>Open erf en terrein</tussenkop><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in
                    de bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen
                    en gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening. De begripsomschrijving van
                    erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht (Bor) dat op 1 juli 2010 in
                    werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid uit de jurisprudentie (zie
                    ABRvS 15 September 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5). Uitgangspunt is dat het
                    gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan worden aangemerkt.
                    Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of beheersverordening kan
                    voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af gelegen delen van een
                    perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in beginsel uitsluitend
                    het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke omvang, veelal gelegen
                    buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke</al><al>omvangrijke percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms
                    regels die het perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen
                    het hoofdgebouw met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen
                    worden en waar een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte
                    behorende bij het hoofdgebouw. </al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: I) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al/><tussenkop>Gebruiksvergunning voor een inrichting</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan. Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking
                    van de verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen
                    van toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover
                    die geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip: inrichting. Het
                    is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet goed
                    mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen van
                    een vergunning vormvrij. Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen voor de te
                    stellen voorwaarden. Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld
                    kunnen dezelfde brandveiligheidseisen worden gesteld als aan een vast met de wal
                    verbonden drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de
                    Woningwet).</al><al/><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening Gouda 2010 is aangepast aan de
                    Dienstenrichtiijn. De gemeente isvolgens de Europese Dienstenrichtlijn verplicht
                    om een 'vergunning-van-rechtswege- stelsel', de zogenaamde ‘lex silencio
                    positivo’, in haar verordeningen op te nemen. Dit houdt in, dat de</al><al>vergunning van rechtswege is verleend, indien niet tijdig op de
                    vergunningaanvraag is beslist. Deze termijn bedraagt acht weken volgens het
                    bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht. Deze verplichting geldt niet, als er
                    een dwingende reden van algemeen belang is om een dergelijk</al><al>stelsel niet in de verordening op te nemen. In de modelverordening is dit
                    stelsel opgenomen. In Gouda is echter niet gekozen voor opname van</al><al>het stelsel, omdat er, gelet op het oogmerk van de verordening, dwingende
                    redenen van algemeen belang zijn, namelijk bescherming van de openbare orde en
                    brandveiligheid en milieu. De verordening beoogt namelijk om brand te voorkomen,
                    te beperken en te bestrijden, brandgevaar te beperken en ongevallen bij brand en
                    al hetgeen daarmee verband houdt te voorkomen en te beperken. Soortgelijke
                    dwingende redenen zijn aangenomen bij andere vergunningstelsels, zoals bij</al><al>vergunningen voor grote evenementen (de impact van een groot evenement op de
                    openbare orde en openbare veiligheid en milieu). Daarbij wordt de inzet van het
                    handhavingsinstrument niet voldoende geacht, omdat handhaving in deze situaties
                    niet adequaat zal zijn. Zelfs met spoedeisende</al><al>bestuursdwang zal naar verwachting niet tijdig tegen gevaarlijke situaties
                    kunnen worden opgetreden.</al><al/><al><cursief>Artikel 2, vierde lid: lex silencio positivo</cursief></al><al>Gezien het maatschappelijk belang van brandveiligheid is een lex silencio
                    positivo hier niet wenselijk.</al><al/><al><cursief>artikel 6</cursief></al><al><cursief>bluswatervoorziening</cursief></al><al>Artikel 1 van de Brandweerwet 1985 is aangegeven dat burgemeester en wethouders
                    de zorg hebben voor het bestrijden van brand en dat er in elke gemeente een
                    (gemeentelijke) brandweer dient te zijn. Daarbij is vermeld, dat de gemeenteraad
                    de organisatie, het beheer en de taak van de</al><al>gemeentelijke brandweer bij verordening dient te regelen. Dit is onder meer
                    uitgewerkt in artikel 5 van de Organisatieverordening Brandweer (nr. 2.2.3;
                    vastgesteld op 23 februari 1987). Hierin is aangegeven, dat burgemeester en
                    wethouders voor zodanige bluswatervoorzieningen en de</al><al>bereikbaarheid daarvan zorgdragen, dat de brandbestrijding te allen tijde zoveel
                    mogelijk gewaarborgd is. Deze verantwoordelijkheidsverdeling blijft met het van
                    kracht worden van de Wet</al><al>Veiligheidsregio’s ongewijzigd. Het artikel over de bluswatervoorziening blijft
                    dan ook noodzakelijk. Met het vervallen van de Brandweerwet 1985 per 1 oktober
                    2010 zal de basis voor dit artikel komen te vervallen. Daarbij zal met het
                    vertrek van de brandweer per 1 januari 2010 naar het regionale orgaan Brandweer
                    Hollands-Midden de Organisatieverordening Brandweer worden ingetrokken. Om deze
                    reden is dit artikel opgenomen in artikel 6 van de Brandbeveiligingsverordening
                    Gouda 2010.</al><tussenkop>Toezicht op de naleving</tussenkop><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust volgens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                    wijst op grond van artikel 65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan
                    belast met de opsporing van strafbare feiten.</al><tussenkop>Strafbepaling</tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio's gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie De weltever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><al/><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>In het artikel zijn de twee voorgaande brandbeveiligingsverordeningen genoemd,
                    omdat het nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening uit 1993 nog van kracht blijven.</al><al/><tussenkop>vervallen Brandbeveiligingsverordening 2009 en
                    bekendmaking</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening Gouda 2009 vervalt op het moment van
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's van rechtswege door ontbreken van
                    de rechtsgrond, de Brandweerwet 1985.</al><al> De bekendmaking van de Brandbeveiligingsverordening 2010 vindt plaats op de
                    gebruikelijke wijze.</al><tussenkop>Intrekken vergunning</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening Gouda 2010 kent geen bepaling om een vergunning
                    in te trekken. De</al><al>reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig beperkt, omdat
                    in een bepaling de intrekkingsgronden vooraf worden vastgelegd. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkingsgrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen mits
                    daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden, zoals
                    bijvoorbeeld onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>