<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR102831_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsbesluit re-integratieverordening gemeente Harderwijk 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harderwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-05-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harderwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Kontakt, 25 mei 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitvoeringsbesluit re-integratieverordening gemeente Harderwijk 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Harderwijk 2009, art. 3, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Harderwijk 2009, art 5, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Harderwijk 2009, art. 7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Harderwijk 2009, art 8, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Harderwijk 2009 art. 8, lid 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-05-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-05-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-03-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B11.001361</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Het uitvoeringsbesluit treedt, met terugwerkende kracht, in werking op 1 maart 2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitvoeringsbesluit re-integratieverordening gemeente Harderwijk 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk; </al><al>gezien het voorstel van het Dagelijks Bestuur van de Sociale Dienst
                        veluwerand </al><al>gelet op artikel 3, vierde lid, artikel 5, eerste lid, artikel 7 en artikel
                        8, vierde en vijfde lid van de re-integratieverordening Wet werk en bijstand
                        gemeente Harderwijk 2009 </al><al>overwegende dat het stellen van een maximum aan de loonkostensubsidie en de
                        invoering van een stimuleringspremie, uit te betalen aan werkgevers, van
                        belang is voor het goed uitvoeren van de opdracht om werkzoekenden naar werk
                        te activeren </al><al>b e s l u i t: </al><al>vast te stellen de volgende </al><al/><al><vet>Uitvoeringsbesluit re-integratieverordening gemeente Harderwijk
                            2011</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragaaf</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De begrippen die in het uitvoeringsbesluit zijn genoemd en die niet zijn
                            gedefinieerd in artikel1 van het uitvoeringsbesluit, hebben de
                            begripsomschrijving conform artikel 1 van de Reintegratieverordening
                            gemeente Harderwijk 2009.</al><al>In het uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verordening: de re-integratieverordening gemeente Harderwijk
                                    2009;</al></li><li nr="b."><al>loonwaarde bepaling: het verkrijgen van inzicht in de
                                    competenties en het functioneren van</al><al> een werknemer;</al></li><li nr="c."><al>werken met behoud van uitkering: de uitkeringsgerechtigde, met
                                    behoud van uitkering,</al><al>werkritme op te laten doen en/of te behouden, vaardigheden op te
                                    laten doen in een bepaald</al><al>vakgebied en/of te laten wennen aan aspecten die samenhangen met
                                    het verrichten van</al><al>algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="d."><al>begeleiding: de belanghebbende gedurende een
                                    re-integratietraject begeleiden, waardoor de</al><al>voortgang van het re-integratietraject gemonitord kan worden en
                                    problemen tijdig gesignaleerd kunnen worden.</al></li><li nr="e."><al>arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                    recht;</al></li><li nr="f."><al>werkgever: een natuurlijk- of rechtspersoon waarmee de
                                    belanghebbende een arbeidsovereenkomst heeft;</al></li><li nr="g."><al>gezin: conform artikel 4, lid c van de wet;</al></li><li nr="h."><al>dienstverband: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel
                                    7:610 van het Burgerlijk</al><al>Wetboek dan wel een aanstelling als ambtenaar als bedoeld in
                                    artikel 1, lid 1 van de</al><al>Ambtenarenwet, uitgezonderd arbeidsovereenkomsten krachtens de
                                    WIW en het besluit ID en</al><al>die worden gesubsidieerd op grond van de Wet en de Wet sociale
                                    werkvoorziening;</al><al>i.gesubsidieerde arbeid: de in artikel 14, lid 1 van de
                                    Invoeringswet Wet Werk en Bijstand</al><al>genoemde dienstbetrekkingen of arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="j."><al>bijstandsnorm: een landelijk door middel van basisnormen
                                    vastgesteld bedrag van bijstand in algemene bestaanskosten zoals
                                    genoemd in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet Werk en
                                    Bijstand;</al></li><li nr="k."><al>inkomen: een inkomen als bedoeld in artikel 32 lid 1 van de Wet
                                    Werk en Bijstand;</al></li><li nr="l."><al>inlener: de werkgever die een uitkeringsgerechtigde werkervaring
                                    aanbiedt en hiervoor een</al><al>inleenvergoeding betaalt;</al></li><li nr="m."><al>inleenvergoeding: de bijdrage die een inlener dient te betalen
                                    nadat een inleenovereenkomst is gesloten;</al></li><li nr="n."><al>inleenovereenkomst: de overeenkomst tussen het college en een
                                    inlener op basis waarvan een uitkeringsgerechtigde ten behoeve
                                    van die inlener werkzaamheden zal verrichten;</al></li><li nr="o."><al>vrijwilligerswerk: het verrichten van onbetaalde maatschappelijk
                                    nuttige activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of
                                    zelfstandige maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="p."><al>participatieplaats: de voorziening waarbij door middel van
                                    werken met behoud van uitkering de belanghebbende met een grote
                                    afstand tot de arbeidsmarkt wordt geactiveerd om zo te werken
                                    aan een terugkeer op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="q."><al>Wet STAP: Wet stimulering arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Budget –en subsidieplafonds</titel></kop><al>Het beschikbare budget voor de uitvoering van detacheringsbanen,
                            inclusief de budgetten voor reeds lopende WIW-dienstbetrekkingen en
                            ID-banen, zal niet meer mogen bedragen dan 50% van het beschikbare
                            werkdeel in het kader van het Participatiebudget.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Er worden vier hoofdtypen voorzieningen onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>Voorzieningen maatschappelijke activering</al></li><li nr="-"><al>Voorzieningen arbeidsactivering</al></li><li nr="-"><al>Voorzieningen arbeidstoeleiding</al></li><li nr="-"><al>Voorzieningen regulier werk met ondersteuning</al></li></lijst><al>Naast bovengenoemde typen voorzieningen, bestaan er
                            maatwerkvoorzieningen (artikel 3)</al><al>De artikel 4 tot en met 8 (algemene bepalingen over voorzieningen)
                            hebben betrekking op alle typen voorzieningen. Vervolgens wordt per type
                            voorziening en per afzonderlijke voorzieningen nadere</al><al/><al><vet>Algemene bepalingen over voorzieningen</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Maatwerkvoorzieningen</titel></kop><al>Aanvullend op de vier hoofdtypen voorzieningen is het mogelijk, indien
                            de individuele</al><al>klantsituatie daarom vraagt, dat een maatwerkvoorziening wordt
                            aangeboden. Een</al><al>maatwerkvoorziening bestaat in ieder geval uit begeleiding van de
                            klantmanager van de SDV.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vergoeding reiskosten</titel></kop><al>De noodzakelijke reiskosten voor deelname aan een voorziening worden
                            vergoed. De vergoeding vindt plaats conform het goedkoopst openbaar
                            vervoer tarief. Er vindt geen vergoeding plaats als de voorziening een
                            ID-baan of loonkostensubsidie is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Vergoeding kosten kinderopvang</titel></kop><al>De noodzakelijke kosten in verband met deelname aan een voorziening voor
                            kinderopvang worden vergoed tenzij er een beroep kan worden gedaan op de
                            Wet Kinder Opvang (WKO) Er vindt geen vergoeding plaats als de
                            voorziening een ID-baan of loonkostensubsidie is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Betaling subsidies en verlenen van
                                voorschotten</titel></kop><al>Er kunnen voorschotten worden verstrekt als aan de voorwaarden van
                            subsidies is voldaan. De voorschotten worden verrekend met de definitief
                            vastgestelde subsidie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Eigen bijdrage</titel></kop><al>Het college verlangt van degene zoals bedoeld in artikel 1, onder j of k
                            van de verordening, een bijdrage in de kosten van de voorziening. Bij
                            een inkomen hoger dan 120% van de bijstandsnorm is een eigen bijdrage
                            verschuldigd. De eigen bijdrage is een bedrag ter hoogte van een
                            percentage van 10% van het netto gezinsjaarinkomen voor het gedeelte
                            waarmee het gezinsinkomen de 120% van de toepasselijke bijstandsnorm
                            overstijgt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>1.Indien de anw-er of nugger die gebruik maakt van een voorziening, de
                            verplichtingen zoals</al><al>genoemd in de met hem/haar afgesloten trajectovereenkomst verwijtbaar
                            niet of</al><al>onvoldoende nakomt, kan het college het door haar gefinancierde gedeelte
                            van de kosten</al><al>van de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen.</al><al>2.Het college stelt de hoogte van het terugvorderingsbedrag gelijk aan
                            de hoogte van de</al><al>maatregel die zou zijn opgelegd aan een uitkeringsgerechtigde in
                            vergelijkbare situatie.</al><al>3.Het college verhaalt de kosten van invordering op belanghebbende.</al><al/><al><vet>Voorzieningen maatschappelijke activering</vet></al><al>De voorzieningen van het hoofdtype ‘Voorzieningen maatschappelijke
                            activering’ hebben onder andere tot doel de belanghebbende geschikt te
                            maken voor toeleiding naar werk. De voorzieningen maatschappelijke
                            activering zijn gericht op actief worden, actief zijn en actief blijven.
                            Deze voorzieningen hebben tevens als doel te voorkomen dat de betrokkene
                            de relatie met werk en de arbeidsmarkt verliest. De voorzieningen
                            maatschappelijke activering worden met prioriteit ingezet voor
                            belanghebbende met een gemeentelijke uitkering die een
                            arbeidsverplichting heeft en heeft derhalve een verplichtend karakter.
                            De voorzieningen maatschappelijke activering worden normaliter ingezet
                            met behoud van uitkering voor de periode van ongeveer 1 jaar. In artikel
                            9 wordt de voorziening arbeidstoeleiding nader toegelicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Sociale activering/participatieplaats</titel></kop><al>1.De belanghebbende verricht (additionele) werkzaamheden bij
                            organisaties zonder</al><al>winstoogmerk.</al><al>2.Tot de doelgroep van deze voorziening behoren belanghebbenden die op
                            de (middel)lange</al><al>termijn een reëel perspectief hebben op regulier werk.</al><al>3.De intensiteit en duur van deelname aan deze voorziening wordt bepaald
                            door de SDV</al><al>waarbij rekening wordt gehouden met de situatie van belanghebbende</al><al>4.Begeleiding vindt in ieder geval plaats door de klantmanager van de
                            SDV en de organisatie</al><al>waar belanghebbende sociale activering/participatieplaats verricht.</al><al>5.Nadere invulling van de inhoud van activiteiten, alsmede de wijze van
                            begeleiding bij</al><al>sociale activering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de
                            belanghebbende, de</al><al>organisatie waar de activiteiten plaatsvinden en de SDV.</al><al/><al><vet>Voorzieningen arbeidsactivering</vet></al><al>De voorzieningen van het hoofdtype ‘Voorzieningen arbeidsactivering’
                            hebben tot doel de</al><al>belanghebbende geschikt te maken voor werk en de kansen te vergroten
                            voor plaatsing op de</al><al>arbeidsmarkt. De voorzieningen arbeidsactivering zijn gericht op het
                            ontwikkelen, verbreden en verbeteren van het individuele
                            arbeidsmarktperspectief. De voorzieningen arbeidsactivering worden met
                            prioriteit ingezet voor belanghebbende met een gemeentelijke uitkering
                            die een arbeidsverplichting heeft en heeft derhalve een verplichtend
                            karakter. De voorzieningen arbeidsactivering worden normaliter ingezet
                            met behoud van uitkering voor de periode van ongeveer 6 maanden. In de
                            artikelen 10, 11, en 12 worden de voorzieningen arbeidsactivering nader
                            toegelicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Werkbedrijf</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belanghebbende verricht arbeidswerkzaamheden in een
                                    werkomgeving.</al></li><li nr="2."><al>Tot de doelgroep van deze voorziening behoren belanghebbenden
                                    die op de (middel)lange</al><al>of korte termijn een reëel perspectief hebben op regulier
                                    werk.</al></li><li nr="3."><al>De intensiteit en duur van deelname aan deze voorziening wordt
                                    bepaald door de SDV</al><al>waarbij rekening wordt gehouden met de situatie van
                                    belanghebbende</al></li><li nr="4."><al>Begeleiding vindt in ieder geval plaats door de klantmanager van
                                    de SDV en de uitvoerder</al><al>van het Werkbedrijf.</al></li><li nr="5."><al>Nadere invulling van de inhoud van activiteiten, alsmede de
                                    wijze van begeleiding bij het</al><al>werkbedrijf wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de
                                    belanghebbende, het</al><al>Werkbedrijf en de SDV.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Leerwerkstage</titel></kop><al>1.De belanghebbende verricht arbeidswerkzaamheden (stageactiviteiten)
                            bij een werkgever.</al><al>2.Tot de doelgroep van deze voorziening behoren belanghebbenden die op
                            de (middel)lange</al><al>of korte termijn een reëel perspectief hebben op regulier werk.</al><al>3.De intensiteit en duur van deelname aan deze voorziening wordt bepaald
                            door de SDV</al><al>waarbij rekening wordt gehouden met de situatie van belanghebbende</al><al>4.Begeleiding vindt in ieder geval plaats door de klantmanager van de
                            SDV en de werkgever</al><al>waar de stageactiviteiten worden verricht.</al><al>5.Nadere invulling van de inhoud van activiteiten, alsmede de wijze van
                            begeleiding bij het</al><al>werkbedrijf wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de
                            belanghebbende, de</al><al>werkgever en de SDV.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>1.De belanghebbende verricht activiteiten gericht op het verkrijgen van
                            bevoegdheden en/of</al><al>kennis.</al><al>2.Tot de doelgroep van deze voorziening behoren belanghebbenden die op
                            de (middel)lange of korte termijn een reëel perspectief hebben op
                            regulier werk.</al><al>3.Voor de scholing die wordt aangeboden of waarvoor subsidie wordt
                            verleend gelden de</al><al>navolgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>De scholing moet voor belanghebbende noodzakelijk en
                                    arbeidsmarktrelevant zijn;</al></li><li nr="b."><al>Er dient gemotiveerd te worden op welke wijze de scholing
                                    bijdraagt tot behalen van</al><al>startkwalificatie en/of realisatie van snelle
                                    arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><al>c.Belanghebbende dient voor minimaal 12 uur per week beschikbaar te zijn
                            voor de</al><al>arbeidsmarkt.</al><al>d.De intensiteit en duur van deelname aan deze voorziening wordt bepaald
                            door de SDV</al><al>waarbij rekening wordt gehouden met de situatie van belanghebbende.</al><lijst><li nr="4."><al>De volgende kostensoorten komen in aanmerking voor
                                    vergoeding:</al><lijst><li nr="a."><al>Opleidingskosten en cursusbijdragen;</al></li><li nr="b."><al>Boeken en leermiddelen die door het scholingsinstituut
                                            verplicht zijn gesteld.</al></li></lijst></li></lijst><al>5.Begeleiding vindt in ieder geval plaats door de klantmanager van de
                            SDV en het</al><al>scholingsinstituut.</al><al>6.Nadere invulling van de inhoud van scholing wordt vastgelegd in een
                            overeenkomst tussen de belanghebbende, het scholingsinstituut en de
                            SDV.</al><al/><al><vet>Voorzieningen arbeidstoeleiding</vet></al><al>De voorzieningen van het hoofdtype ‘Voorzieningen arbeidstoeleiding’
                            hebben tot doel de kansen van de belanghebbende te vergroten voor
                            plaatsing op de arbeidsmarkt. De voorzieningen arbeidstoeleiding zijn
                            gericht op het opdoen van vaardigheden in een vakgebied en het wennen
                            aan aspecten die samenhangen met betaald werk, waardoor uitstroom naar
                            werk mogelijk wordt gemaakt. De voorzieningen arbeidstoeleiding worden
                            met prioriteit ingezet voor belanghebbende met een gemeentelijke
                            uitkering die een arbeidsverplichting heeft en heeft derhalve een
                            verplichtend karakter. De voorzieningen arbeidstoeleiding worden
                            normaliter ingezet met behoud van uitkering voor de periode van ongeveer
                            6 maanden.</al><al>Wanneer de belanghebbende zich goed heeft ontwikkeld waardoor de kansen
                            tot plaatsing op de arbeidsmarkt zijn vergroot, kan het college
                            afspraken maken over een inleenvergoeding.</al><al>In artikel 13 wordt de voorziening arbeidstoeleiding nader
                            toegelicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><al>1.De belanghebbende verricht reguliere werkzaamheden bij een
                            werkgever.</al><al>2.Tot de doelgroep behoren belanghebbenden die op korte termijn een
                            reëel perspectief</al><al>hebben op regulier werk.</al><al>3.De intensiteit en duur van deelname aan deze voorziening wordt bepaald
                            door de SDV</al><al>waarbij rekening wordt gehouden met de situatie van de
                            belanghebbende.</al><al>4.Proefplaatsing wordt ingezet wanneer een werkgever de intentie heeft
                            de belanghebbende</al><al>op korte termijn een reëel perspectief te bieden op regulier werk.</al><al>5.Begeleiding vindt in ieder geval plaats door de klantmanager van de
                            SDV en de werkgever</al><al>waar de proefplaatsing plaatsvindt.</al><al>6.Nadere invulling van de inhoud van activiteiten alsmede de wijze van
                            begeleiding bij het</al><al>bedrijf wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de belanghebbende,
                            de werkgever en</al><al>de SDV.</al><al>7.Tijdens de duur van de proefplaatsing kan de SDV met de werkgever
                            afspraken maken over</al><al>een eventuele inleenvergoeding.</al><al>8.De hoogte van de inleenvergoeding wordt in overleg vastgesteld en
                            vastgelegd in een</al><al>inleenovereenkomst.</al><al/><al><vet>Voorzieningen regulier werk met ondersteuning</vet></al><al>De voorzieningen van het hoofdtype ‘Voorzieningen regulier werk met
                            ondersteuning’ hebben tot doel het in dienst nemen en houden van een
                            belanghebbende aantrekkelijker te maken voor een werkgever. De
                            belanghebbende verricht reguliere werkzaamheden bij een werkgever en
                            wordt (gedeeltelijk) uitkeringsonafhankelijk. De voorzieningen regulier
                            werk met ondersteuning worden met prioriteit ingezet voor belanghebbende
                            met een gemeentelijke uitkering die een arbeidsverplichting heeft en
                            heeft derhalve een verplichtend karakter.</al><al>In de artikelen 14, 15 en 16 worden de voorzieningen regulier werk met
                            ondersteuning nader</al><al>toegelicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>1.Loonkostensubsidie wordt beschikbaar gesteld voor werkgevers die
                            een</al><al>arbeidsovereenkomst hebben afgesloten met belanghebbenden. De
                            arbeidsovereenkomst</al><al>dient de minimale duur van 3 maanden te hebben.</al><al>2.Tot de doelgroep van loonkostensubsidie behoren belanghebbenden.
                            Daarnaast is de</al><al>doelgroep personen die in het verleden een arbeidsovereenkomst
                            Baangarant hebben gehad</al><al>en personen die in het verleden voornamelijk afhankelijk waren van de ID
                            –en WIWregeling.</al><al>3.De duur van de loonkostensubsidie wordt in overleg tussen werkgever en
                            SDV vastgesteld.</al><al>4.De hoogte van de loonkostensubsidie wordt vastgesteld aan de hand van
                            de volgende</al><al>formule: basissubsidie x ontbrekende loonwaarde x arbeidsuren</al><al>a.Basissubsidie wordt eenmalig bij toekenning vastgesteld door het
                            college aan de hand</al><al>van het bruto minimumuurloon (36 uur), vermeerderd met vakantiegeld
                            en</al><al>werkgeverslasten.</al><al>b.Ontbrekende loonwaarde wordt aan de hand van onafhankelijke
                            meting/onderzoek</al><al>vastgesteld.</al><al>c.Arbeidsuren is het aantal uren dat belanghebbende activiteiten
                            verricht voor werkgever</al><al>(conform arbeidsovereenkomst).</al><al>d.De hoogte van loonkostensubsidie bedraagt maximaal € 13.500,- op
                            jaarbasis.</al><al>5.De loonkostensubsidie moet uiterlijk drie maanden na de ingangsdatum
                            van de</al><al>arbeidsovereenkomst worden aangevraagd. Voor het aanvragen van de
                            loonkostensubsidie</al><al>dient de werkgever gebruik te maken van een formulier dat door het
                            college is vastgesteld.</al><al>6.De loonkostensubsidie wordt na afloop van het kalenderjaar of na
                            afloop van de</al><al>overeengekomen periode verrekend.</al><al>7.De loonkostensubsidie is beschikbaar voor werkgevers met en zonder
                            winstoogmerk.</al><al/><al><vet>Stimuleringspremie</vet></al><al>Als alternatief voor loonkostensubsidie kan aan de werkgever een
                            eenmalige stimuleringspremie worden verstrekt. De te verstrekken premie
                            is afhankelijk van de lengte en omvang van de arbeidsovereenkomst en
                            wordt onder vooraf gestelde voorwaarden ter beschikking gesteld aan de
                            werkgever. Om in aanmerking te komen voor een stimuleringspremie moet de
                            werkgever minimaal een contract voor 6 maanden bieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Blijvende detacheringsbanen</titel></kop><al>1.Tot de doelgroep van blijvende detacheringsbanen behoren personen die
                            in het verleden</al><al>afhankelijk waren van de ID –en WIW-regeling.</al><al>2.Belanghebbende wordt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of
                            onbepaalde tijd</al><al>aangeboden. De duur van de overeenkomst wordt individueel bepaald en is
                            mede</al><al>afhankelijk van de wettelijke bepalingen van de Flexwet.</al><al>3.Belanghebbende ontvangt een loon conform wettelijk minimumloon of het
                            geldende CAO.</al><al>4.Detachering vindt alleen plaats indien hierdoor de
                            concurrentieverhoudingen niet</al><al>onverantwoord worden beïnvloed en indien hierdoor geen verdringing
                            plaatsvindt.</al><al>5.De werkgever ontvangt subsidie. De hoogte van de subsidie wordt
                            eenmalig vastgesteld en</al><al>is afhankelijk van de ontbrekende loonwaarde van belanghebbende.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verloningsdetachering</titel></kop><al>1.Belanghebbende wordt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
                            aangeboden. De duur</al><al>van de overeenkomst wordt individueel bepaald en is mede afhankelijk van
                            de wettelijke</al><al>bepalingen van de Flexwet.</al><al>2.Tot de doelgroep behoren belanghebbenden. Daarnaast is de doelgroep
                            personen die in het</al><al>verleden een arbeidsovereenkomst Baangarant hebben gehad en personen die
                            in het</al><al>verleden afhankelijk waren van de ID –en WIW-regeling.</al><al>3.Belanghebbende ontvangt een loon conform wettelijk minimumloon of het
                            geldende CAO.</al><al>4.De uitvoering van de administratieve handelingen met betrekking tot
                            detacheringsbaan</al><al>vindt plaats door een payroll-organisatie.</al><al>5.Tijdens de duur van de detacheringsbaan kan de SDV met de werkgever
                            afspraken maken</al><al>over een eventuele inleenvergoeding.</al><al>6.De hoogte van de inleenvergoeding wordt in overleg vastgesteld en
                            vastgelegd in een</al><al>inleenovereenkomst.</al><al/><al><vet>Premies voor uitkeringsgerechtigde</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Werkaanvaardingspremie</titel></kop><al>1.De uitkeringsgerechtigde die arbeid in dienstbetrekking, anders dan
                            gesubsidieerde arbeid,</al><al>aanvaardt, en daardoor volledig in de kosten van bestaan kan voorzien
                            gedurende een</al><al>periode van 6 maanden, ontvangt een éénmalige premie van € 1.000,00.
                            Hieraan zijn de</al><al>volgende voorwaarden verbonden:</al><al>a.De betrokkene heeft onmiddellijk voorafgaand aan zijn indiensttreding
                            gesubsidieerde</al><al>arbeid verricht of heeft ten minste 6 maanden ononderbroken uitkering
                            voor</al><al>levensonderhoud ontvangen op grond van de WWB, de Ioaw of de Ioaz.</al><al>b.De betrokkene toont een ondertekende arbeidsovereenkomst met een
                            minimale duur</al><al>van 6 maanden;</al><al>c.De eenmalige premie wordt verstrekt bij uitstroom door
                            werkaanvaarding, nadat</al><al>gedurende een half jaar aaneengesloten het werk is verricht.</al><al>2.Voor de premie als bedoeld in lid 1 kan men eens in de drie jaar in
                            aanmerking komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Premie onbeloonde additionele
                                werkzaamheden</titel></kop><al>1.Het college verstrekt aan uitkeringsgerechtigden die onbeloonde
                            additionele</al><al>werkzaamheden verrichten conform artikel 10a, zesde lid van de wet een
                            premie van</al><al>telkens € 300,00.</al><al>2.Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                            maanden beoordeeld.</al><al>3.De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de
                            uitkeringsgerechtigde</al><al>aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in
                            de</al><al>voorafgaande zes maanden heeft geschonden.</al><al>4.Onverminderd het eerste lid komen ook personen als bedoeld in artikel
                            7, derde lid van de</al><al>wet voor een premie in aanmerking indien zij aan alle voorwaarden
                            voldoen.</al><al>5.Voor zover de uitkeringsgerechtigde niet beschikt over een
                            startkwalificatie, als bedoeld in</al><al>de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB), wordt binnen 6 maanden na
                            aanvang van de</al><al>onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in
                            hoeverre scholing of</al><al>opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling in
                            het arbeidsproces.</al><lijst><li nr="6."><al>Het college betrekt bij deze beoordeling:</al><lijst><li nr="a."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de
                                            uitkeringsgerechtigde de additionele</al><al>werkzaamheden uitvoert;</al></li></lijst><al>b.de scholingswens van de belanghebbende;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>1.Het college kan aan belanghebbende, die deelneemt aan sociale
                            activering/vrijwilligerswerk,</al><al>zoals benoemd in artikel 9, een onkostenvergoeding verstrekken.</al><lijst><li nr="2."><al>De onkostenvergoeding wordt verstrekt indien aan de volgende
                                    voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>er dient sprake te zijn van een minimale deelname
                                            gedurende 10 uur per week;</al></li><li nr="b."><al>het netto inkomen van het gezin mag niet meer bedragen
                                            dan 1,2 x de van toepassing</al><al>zijnde bijstandsnorm.</al></li></lijst></li></lijst><al>3.De hoogte van de onkostenvergoedingen bedraagt gedurende de eerste 2
                            jaar van deelname € 300,-- per jaar en daarna € 600,-- euro per
                            jaar.</al><al>4.Burgemeester en wethouders kunnen desgewenst genoemde bedragen
                            aanpassen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Toekenning</titel></kop><al>De premies voor uitkeringsgerechtigden worden ambtshalve toegekend, dan
                            wel op aanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Het uitvoeringsbesluit treedt, met terugwerkende kracht, in werking op 1
                            maart 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit uitvoeringsbesluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit
                            re-integratieverordening</al><al>gemeente Harderwijk 2011.</al><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>het college van burgemeester en wethouders </ondertekening><ondertekening>de heer J.C.G.M. Berends de heer R.H. Tink</ondertekening><ondertekening>voorzitter gemeentesecretaris</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel worden omschrijvingen gegeven van begrippen die in het
                    uitvoeringsbesluit</al><al>voorkomen, en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt
                    verstaan. Bij het omschrijven van de begrippen wordt zoveel mogelijk aangesloten
                    bij de begripsbepalingen in de Wet Werk en Bijstand en de
                    Re-integratieverordening gemeente Harderwijk 2009.</al><al>Voor de begrippen die in het uitvoeringsbesluit zijn genoemd en die niet zijn
                    gedefinieerd in</al><al>artikel 1 van het uitvoeringsbesluit, geldt de definitie conform artikel 1 van
                    de Reintegratieverordening.</al><tussenkop>Artikel 2 Budget – en subsidieplafonds</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 3 Maatwerkvoorzieningen</tussenkop><al>Op basis van de individuele situatie van belanghebbende kan worden besloten
                    voorzieningen in te zetten, anders dan de voorzieningen beschreven in de
                    artikelen 9 t/m 13 van het</al><al>Uitvoeringsbesluit. De nadere invulling hiervan voor de uitvoeringspraktijk
                    wordt beschreven in werkinstructies.</al><tussenkop>Artikel 4 Vergoeding reiskosten</tussenkop><al>De werkgever die subsidie ontvangt in het kader van een ID-baan of
                    loonkostensubsidie wordt</al><al>geacht reiskosten te betalen voor de persoon die is geplaatst bij deze
                    werkgever.</al><tussenkop>Artikel 5 Vergoeding kosten kinderopvang</tussenkop><al>Aan belanghebbende die geplaatst is bij een werkgever die een subsidie ontvangt
                    in het kader van een ID-baan of loonkostensubsidie wordt vergoeding voor
                    kinderopvang verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 6 Betaling subsidies en verlenen van
                    voorschotten</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 7 Eigen bijdrage</tussenkop><al>In aansluiting op het percentage dat gehanteerd wordt in het minimabeleid heeft
                    het college</al><al>besloten om de aanvrager van een traject met een inkomen hoger dan 120% van de
                    bijstandsnorm een eigen bijdrage te laten voldoen. Het beperken van drempels zal
                    bijdragen tot vergroting van de arbeidsparticipatie op de regionale
                    arbeidsmarkt. Reden waarom is gekozen voor een eigen bijdrage ter hoogte van een
                    percentage van 10% van het (gezins)inkomen voor het gedeelte waarmee het
                    gezinsinkomen de 120% van de toepasselijke bijstandsnorm overstijgt.</al><tussenkop>Artikel 8 Terugvordering</tussenkop><al>Van anw-ers en nuggers mag verwacht worden dat zij gebruik maken van een
                    voorziening om</al><al>hiermee hun mogelijkheden tot inschakeling in de arbeidsmarkt te vergroten. Het
                    college maakt kosten ter financiering voor voorzieningen. Van de anw-er of
                    nugger mag dan ook een actieve houding worden verwacht. Tevens mag van de anw-er
                    of nugger verwacht worden zich te houden</al><al>aan de verplichtingen. Wanneer de anw-er of nugger deze verplichtingen
                    verwijtbaar niet of</al><al>onvoldoende nakomt, kan het college het door haar gefinancierde gedeelte van de
                    kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Terugvordering
                    van deze voorziening geschiedt via privaatrecht en evt. zal voor een
                    dwanginvordering een civiele procedure moeten worden gestart.</al><al>Kosten van de voorziening behoudens voor zover het betreft de vastgestelde eigen
                    bijdrage die door de gemeente gemaakt zijn op grond van door de anw-er of nugger
                    verstrekte onjuiste of onvolledige inlichtingen kunnen te allen tijde geheel of
                    gedeeltelijk worden teruggevorderd. Om rechtsgelijkheid te bevorderen stelt het
                    college de hoogte van het terug te vorderen bedrag gelijk aan de hoogte van de
                    maatregel die zou zijn opgelegd aan een uitkeringsgerechtigde in vergelijkbare
                    situatie. Indien dit bedrag hoger is dan de kosten van de voorziening behoudens
                    voor zover het betreft de vastgestelde eigen bijdrage wordt hiervan afgeweken.
                    Indien de anw-er of nugger niet tijdig het terugvorderingsbedrag betaalt zal met
                    betrekking tot de invorderingskosten worden aangesloten bij de werkwijze die
                    wordt gehanteerd bij de terugvordering van kosten van bijstand.</al><tussenkop>Artikel 9 Sociale
                    activering/participatieplaats</tussenkop><al>Het college kan aan belanghebbende sociale activering, zo mogelijk in combinatie
                    met andere</al><al>voorzieningen, aanbieden als onderdeel van de re-integratie of, als
                    re-integratie nog niet mogelijk is, ter bevordering van maatschappelijke
                    participatie en het voorkomen van sociaal isolement van belanghebbende. Bij
                    sociale activering verricht belanghebbende activiteiten bij organisaties zonder
                    winstoogmerk. Het doel hiervan is belanghebbende werkritme op te laten doen
                    en/of te behouden. </al><tussenkop>Artikel 10 Werkbedrijf</tussenkop><al>Het college kan aan belanghebbende werkbedrijf aanbieden als onderdeel van de
                    re-integratie van belanghebbende. Bij het werkbedrijf verricht belanghebbende
                    arbeidsmatige activiteiten. Het doel hiervan is klanten werkervaring en
                    werkritme op te laten doen. Tevens wordt inzicht verkregen in de
                    arbeidsmogelijkheden van belanghebbende. Deelname aan werkbedrijf vindt plaats
                    met behoud van uitkering. Het aanbod van deelname aan het werkbedrijf wordt door
                    het college beschouwd als zijnde algemeen geaccepteerde arbeid zoals benoemd in
                    de wet.</al><tussenkop>Artikel 11 Leerwerkstage</tussenkop><al>Het college kan aan belanghebbende leerwerkstage aanbieden als onderdeel van de
                    re-integratie van belanghebbende. Bij de leerwerkstages verricht belanghebbende
                    stageactiviteiten bij een werkgever. Het doel hiervan is belanghebbende
                    werkervaring en vaardigheden op te laten doen in een bepaald vakgebied. Deelname
                    aan leerwerkstage vindt plaats met behoud van uitkering. Het aanbod van deelname
                    aan het leerwerkstage wordt door het college beschouwd als zijnde algemeen
                    geaccepteerde arbeid zoals benoemd in de wet.</al><tussenkop>Artikel 12 Scholing</tussenkop><al>Het college kan aan belanghebbende scholing aanbieden als onderdeel van de
                    re-integratie van belanghebbende. Bij scholing verricht belanghebbende
                    activiteiten gericht op het verkrijgen van bevoegdheden en/of kennis. Het doel
                    hiervan is belanghebbende een startkwalificatie te laten behalen en/of om snelle
                    arbeidsinschakeling te realiseren. Scholing kan worden aangeboden in de vorm van
                    subsidie.</al><tussenkop>Artikel 13 Proefplaatsing</tussenkop><al>Het college kan aan belanghebbende proefplaatsing aanbieden als onderdeel van de
                    re-integratie van belanghebbende. Bij proefplaatsing verricht belanghebbende
                    reguliere activiteiten bij een werkgever. Het doel hiervan is de belanghebbende
                    te laten wennen aan aspecten die samenhangen met het verrichten van betaalde
                    arbeid in een specifieke functie. Deelname aan proefplaatsing vindt plaats met
                    behoud van uitkering. Het aanbod van deelname aan proefplaatsing wordt door het
                    college beschouwd als zijnde algemeen geaccepteerde arbeid zoals benoemd in de
                    wet.</al><tussenkop>Artikel 14 Loonkostensubsidie</tussenkop><al>Het college kan een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken, waardoor
                    het in dienst</al><al>nemen en houden van een belanghebbende aantrekkelijker wordt. De werkgever wordt
                    hiermee gestimuleerd om mensen aan te nemen met een relatief grote afstand tot
                    de arbeidsmarkt, waarin hij waarschijnlijk meer dan gemiddeld zal moeten
                    investeren om tot de gewenste productiviteit te komen. Nadere regels voor deze
                    loonkostensubsidieregeling en de voorwaarden waaronder deze subsidie kan worden
                    verstrekt, zijn hiervoor beschreven.</al><al>Loonkostensubsidie en staatssteun</al><al>Er is sprake van staatssteun als een werkgelegenheidsmaatregel voldoet aan alle
                    (cumulatieve)</al><al>criteria uit artikel 87 lid 1 van het EG-verdrag.</al><tussenkop>Criterium 1: Is er sprake van een voordeel dat door
                    staatsmiddelen wordt bekostigd?</tussenkop><al>Loonkostensubsidie voldoet aan dat criterium.</al><tussenkop>Criterium 2: Is er sprake van een voordeel voor een
                    onderneming dat deze niet op een commerciële manier zou hebben
                    verkregen?</tussenkop><al>Wanneer er loonkostensubsidie wordt verstrekt aan ondernemingen die economische
                    activiteiten verrichten, wordt er voldaan aan dit criterium. Als subsidie wordt
                    verstrekt aan organisatie die geen economische activiteiten verrichten, is er
                    geen sprake van staatssteun. Zolang de gemeente handelt zoals een marktpartij
                    zou hebben gedaan, is er geen sprake van staatssteun.</al><tussenkop>Criterium 3: Is het voordeel selectief: worden bepaalde
                    ondernemingen of producties</tussenkop><tussenkop>bevoordeeld?</tussenkop><al>Een lokale subsidieregeling kan een generieke regeling zijn wanneer ieder
                    bedrijf of onderneming, ongeacht de vestigingsplaats van de onderneming of de
                    plaats van tewerkstelling van de werknemer, een beroep kan doen op subsidie
                    wanneer deze onderneming een uitkeringsgerechtigde van de betreffende gemeente
                    in dienst neemt. Dit is geen staatssteun, want hier profiteren geen specifieke
                    bedrijven of sectoren van.</al><tussenkop>Criterium 4:Is er sprake van concurrentievervalsing of
                    beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten?</tussenkop><al>Een negatief effect wordt aangenomen wanneer de steunmaatregel invloed heeft op
                    bedrijven uit andere lidstaten die ook opereren op de re-integratiemarkt of op
                    andere markten waar</al><al>werkzoekenden worden ingezet. Wanneer aan de eerste drie criteria zijn voldaan,
                    neemt de</al><al>Europese Commissie al snel aan dat tevens aan het laatste criterium is
                    voldaan.</al><tussenkop>Conclusie:</tussenkop><al>De Europese Commissie is akkoord met de mogelijkheid om loonkostensubsidie op
                    een generieke manier beschikbaar te stellen.</al><al>Hoogte en duur van loonkostensubsidie</al><al>De hoogte van de loonkostensubsidie is afhankelijk van het salaris van de
                    belanghebbende en deloonwaarde. Daarbij wordt in de toekenning van
                    loonkostensubsidie voor een belanghebbende uitgegaan 100% van het bruto
                    wettelijk minimum(jeugd)loon (WML) inclusief vakantiegeld en de
                    werkgeverslasten. Maximering van de subsidie op een percentage van 100% WML zegt
                    niet dat werkgevers niet meer dan 100% WML zouden mogen betalen. Om ook de
                    uitvoeringskosten Wwb/Wsw te kunnen blijven bekostigen is er een grens gesteld
                    op de absolute subsidie.</al><al>Om een zo betrouwbaar mogelijke (objectieve) beoordeling van het functioneren en
                    de</al><al>competenties van de cliënt mogelijk te maken, kan een loonwaardebepaling worden
                    uitgevoerd.</al><al>Uit de resultaten van de loonwaardebepaling zal blijken hoeveel en voor hoe lang
                    een</al><al>loonkostensubsidie noodzakelijk is. De loonwaarde wordt uitgedrukt als een
                    percentage en geeft aan in hoeverre de persoon productief is ten opzichte van
                    een persoon die de functie regulier, nietgesubsidieerd beoefent. Indien de
                    loonwaarde is vastgesteld (max. 100%) zal de compensatie in de vorm van
                    loonkostensubsidie worden afgestemd op de ontbrekende waarde. Als bijvoorbeeld
                    uit de loonwaarde bepaling blijkt dat een persoon een loonwaarde heeft van 70%,
                    dan bedraagt de loonkostensubsidie dus 30%. De duur van de vastgestelde
                    loonkostensubsidie is afhankelijk van de in de loonwaardebepaling opgenomen
                    geldigheidsduur. Naar aanleiding van een herziene loonwaardebepaling zal de
                    hoogte en duur van de loonkostensubsidie gecontinueerd, dan wel gewijzigd moeten
                    worden.</al><al>Voorbeeld</al><al>100% WML incl. vakantiegeld = € 1.441,80 per maand.</al><al>Dat is € 17.068,32 loon per jaar, inclusief vakantiegeld.</al><al>€ 17.301,60 x 1,3 = € 22.492,08 salariskosten (inclusief werkgeverslasten).</al><al>De hoogte van de loonkosten subsidie bij een loonwaarde van 70% bedraagt
                    dan:</al><al>€ 22.492,08 x 30% = € 6.747,62.</al><al>Voor werkgeverslasten wordt de norm van 1.3 gehanteerd. Periodiek wordt dit
                    beoordeeld en in het uitvoeringsbesluit aangepast.</al><al>De loonkostensubsidie wordt vervolgens naar evenredigheid van het geldend
                    minimumjeugdloon, parttimerfactor en het aantal maanden dienstverband in het
                    betreffende subsidiejaar vastgesteld. Er dient een subsidieovereenkomst gesloten
                    te worden met als contractpartijen enerzijds de gemeente en anderzijds de
                    werkgever. Wijzigingen op de overeenkomst dienen derhalve door beide partijen te
                    worden ondertekend.</al><tussenkop>Stimuleringspremie werkgevers</tussenkop><al>Als alternatief voor loonkostensubsidie kan aan de werkgever een eenmalige
                    stimuleringspremie worden verstrekt. De hoogte van de premie wordt naar rato
                    berekend op basis van de omvang en lengte van het dienstverband.50% van het
                    bedrag wordt na afloop van de proeftijd betaald, de overige 50% na afloop van
                    het dienstverband of (in het geval van een contract voor onbepaalde tijd) na 12
                    maanden. De nadere invulling hiervan voor de uitvoeringspraktijk wordt
                    beschreven in werkinstructies.</al><tussenkop>Artikel 15 Blijvende detacheringsbanen</tussenkop><al>De blijvende detacheringsbaan is een gesubsidieerde baan waarbij het karakter
                    vooral ligt op het kunnen blijven participeren op de arbeidsmarkt. Deze
                    detacheringsbanen zijn bedoeld voor personen voor in het verleden gebruik
                    maakten van de WIW en ID-regeling.</al><al>Een duidelijke beperking bij de inzet van tijdelijke maar vooral ook blijvende
                    detacheringsbanen vormen de financiële middelen. Zie in dit verband artikel 8
                    van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 16 Verloningsdetachering</tussenkop><al>De WWB houdt de mogelijkheid om personen een dienstverband aan te bieden.
                    Middels dit</al><al>dienstverband kan belanghebbende werkervaring opdoen. De gemeente heeft het
                    formele</al><al>werkgeverschap uitbesteden aan een payrollorganisatie. Middels een openbare</al><al>aanbestedingsprocedure is de uitvoerder van verloningsdetachering
                    gecontracteerd.</al><al>Bij verloning worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen de
                    gemeente en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de werktijden,
                    verlof, de inhoud van het werk, de wijze waarop de begeleiding en de inrichting
                    van eventuele inleenvergoeding. De afspraken worden vastgelegd in een
                    overeenkomst. Ten tweede zijn er afspraken tussen de gemeente en de
                    payrollorganisatie over onder andere de hoogte van het loon voor belanghebbende,
                    de onderlinge taakverdeling en de uitvoering van wettelijke verplichting omtrent
                    ziekte en verzuim (Wet Poortwachter).</al><tussenkop>Artikel 17 Werkaanvaardingspremie</tussenkop><al>Indien uitkeringsgerechtigden een baan aanvaarden kunnen zij met extra kosten te
                    maken krijgen. </al><al>Te denken valt aan kosten op het terrein van representatie (kleding, schoeisel),
                    lichaamsverzorging of de aanschaf van een fiets. Ook door de werkgever niet te
                    vergoeden reiskosten kunnen hiertoe worden gerekend. De werkaanvaardingspremie
                    dient er toe dat uitkeringsgerechtigden niet in een situatie komen te verkeren
                    dat het moeten maken van deze kosten verhindert dat een baan wordt aanvaard. De
                    werkaanvaardingspremie dient om een extra impuls te geven om zelf aan de slag te
                    gaan en toch een baan te aanvaarden. Het kostenaspect en de daarmee verband
                    houdende belemmeringen kunnen ook optreden in het geval van het verruilen van
                    een gesubsidieerde voor een reguliere baan. Ook in deze situatie kan de premie
                    worden verstrekt.</al><al>Voorwaarde voor het kunnen ontvangen van de premie is dat de
                    uitkeringsgerechtigde in de</al><al>periode direct voorafgaande aan het moment van de indiensttreding reeds
                    gedurende zes maanden of langer ononderbroken een uitkering op grond van de
                    WWB/Ioaw/Ioaz heeft ontvangen. In situaties van vrij kortdurende werkloosheid
                    wordt de hiervoor aangegeven belemmering niet geacht aanwezig te zijn.</al><al>Voorwaarde voor het kunnen ontvangen van de premie is dat de
                    uitkeringsgerechtigde in een</al><al>ondertekende arbeidsovereenkomst met de minimale duur van 6 maanden kan tonen
                    aan de</al><al>klantmanager van de SDV.</al><al>De premie bij werkaanvaarding wordt niet ambtshalve toegekend. Dit betekent dat
                    degene die hiervoor in aanmerking komt een half jaar na werkaanvaarding hierom
                    moet verzoeken. De eenmalige premie wordt verstrekt bij uitstroom door
                    werkaanvaarding, nadat gedurende een half jaar aaneengesloten het werk is
                    verricht.</al><tussenkop>Artikel 18 Premie onbeloonde additionele
                    werkzaamheden</tussenkop><al>Op 1 januari 2009 is de Wet stimulering arbeidsparticipatie(STAP) in werking
                    getreden. In deze wet wordt een aantal wijzigingen met betrekking tot de
                    participatieplaatsen geregeld. Wijzigingen die ervoor moeten zorgen dat
                    uitkeringsgerechtigden nog beter worden toegerust voor de arbeidsmarkt en die
                    regelen dat het UWV voor zijn uitkeringsgerechtigden ook over de
                    participatieplaatsen kan beschikken. Zo wordt in deze wet geregeld dat
                    uitkeringsgerechtigden zonder startkwalificatie na 6 maanden op een
                    participatieplaats scholing of opleiding aangeboden krijgen tenzij dit naar het
                    oordeel van het college van B&amp;W niet bijdraagt aan de arbeidsmarktkansen.
                    Gemeenten mogen zelf bepalen aan wie zij scholing aanbieden</al><al>De uitkeringsgerechtigde op een participatieplaats heeft na zes maanden en
                    vervolgens iedere zes maanden recht op een <cursief>premie,</cursief> tenzij hij
                    onvoldoende meewerkt aan de arbeidsinschakeling. Met de Wet STAP is het mogelijk
                    gemaakt om de premie tweemaal per jaar te verstrekken.</al><al>Artikel 8 van de WWB - zoals dit per 1 april 2009 luidt - verlangt van de Raad
                    dat zij regels stelt met betrekking tot de hoogte van de premie, alsmede de
                    eventuele inzet van scholing of opleiding, indien sprake is van een persoon die
                    algemene bijstand ontvangt en die in het kader van een door het college
                    aangeboden voorziening onbeloonde additionele arbeid verricht. Daarbij vraagt
                    artikel 8, tweede lid van de WWB specifiek om regels te stellen met betrekking
                    tot de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval. Daarnaast geeft de
                    Memorie van Toelichting aan dat deze regels tevens kunnen zien op de hoogte van
                    de premie in relatie tot de inspanningen van de betrokkene en de financiële
                    bijdrage van de derde na het eerste jaar. Een regeling waarbij een relatie wordt
                    gelegd tussen de hoogte van de premie en de inspanningen van betrokkene is –
                    mede gelet op de beperkte hoogte van de premie – achterwege gelaten.</al><al>Er is verder specifiek voor gekozen om geen daadwerkelijke regels met betrekking
                    tot de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval op te nemen. Wel is bij
                    vaststelling van de hoogte overwogen dat een premie van dien aard geen risico
                    vormt met betrekking tot de armoedeval.</al><al>Het (niet) aanbieden van scholing door het college is géén besluit in de zin van
                    de Awb. In de wet wordt namelijk gesproken over het aanbieden van scholing, en
                    niet van vaststellen. Een aanbod sec is niet gericht op een rechtsgevolg.</al><al>Verstrekking van de premie en verlenging van de participatieplaats vloeien
                    rechtstreeks voort uit artikel 10a WWB en hebben daarmee wel een zelfstandig
                    rechtsgevolg, en zijn dus wel een besluit in de zin van de Awb.</al><al>De Wet Stap kent geen overgangsrecht en heeft dus in beginsel onmiddellijke
                    werking. Dit houdt in dat indien iemand op dit moment reeds langer dan 6 maanden
                    additionele arbeid heeft verricht deze op grond van artikel 10a WWB een recht
                    kan doen gelden op een premie en aanspraak kan maken op een
                    scholingsaanbod.</al><al>De Wet Stap is een kaderwet die regels stelt ingeval een participatieplaats
                    langer duurt dan zes maanden. De maximale termijn is – na de twee mogelijke
                    verlengingen – 4 jaar. Het staat de gemeente dus vrij om te kiezen voor een
                    kortere termijn, bijvoorbeeld van 2 jaar. In dat geval zijn de bepalingen van de
                    Wet Stap alleen van toepassing voor zover deze betrekking hebben op die periode
                    van 2 jaar.</al><tussenkop>Artikel 19 Onkostenvergoeding</tussenkop><al>Deelnemers aan sociale activering/vrijwilligerswerk kunnen, als zij aan bepaalde
                    voorwaarden voldoen, in aanmerking komen voor een onkostenvergoeding. Gedurende
                    de eerste 2 jaar is de onkostenvergoeding lager dan in de periode daarna.
                    Hiervoor is gekozen omdat in genoemde periode duidelijk moet worden of er nog
                    arbeidsmogelijkheden zijn en de hoogte van de onkostenvergoeding geen aanleiding
                    mag geven hier niet volledig op in te zetten. De vergoeding wordt maandelijks
                    verstrekt. Achteraf wordt de vergoeding beoordeeld.</al><tussenkop>Artikel 20 Toekenning</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 21 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 22 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>