<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR102477_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2011, 30</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene regels gemeentelijke herindeling</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-05-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1, hfdst. 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 12, bijlagen 2, 3, 4, 5, 7, 10, 11 en 12, overgangsbepaling B.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/103</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De historie bij ´Het overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen´ is mogelijk niet compleet. Er kunnen wijzigingen ontbreken tussen het ontstaan van de regeling en de eerste opgenomen wijziging daarvan.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Tilburg;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al>gezien de Model-bouwverordening 1992 van de Vereniging Nederlandse Gemeenten
                        en de Toelichting hierop, zoals die zijn opgenomen in de Standaardregelingen
                        in de Bouw van de VNG-Uitgeverij te 'S-Gravenhage, verwerkt tot en met
                        supplement 28;gelet op de Woningwet en de Wet algemene regels gemeentelijke
                        herindeling;</al><al/><al>Besluit:</al><al/><al>I</al><al>de artikelen 352 en 395 van de bij besluit van de raad van de gemeente
                        Tilburg van 28 juni 1968 vastgestelde bouwverordening, zoals zij bij besluit
                        van de raad van die gmeente van 22 maart 1993 zijn gehandhaafd, geldend te
                        verklaren voor het gehele gebied van de gemeente Tilburg;</al><al/><al>II</al><al>vast te stellen de volgende verordening, genaamd "bouwverordening", volgens
                        de bij dit besluit behorende tekst van de Model-bouwverordening 1992 van de
                        Vereniging van nederlandse Gemeenten, zoals die zijn opgenomen in de
                        Standaardregelingen in de Bouw van de VNG-Uitgeverij te 'S-Gravenhage,
                        verwerkt tot en met supplement 28, met dien verstande dat in afwijking van
                        genoemd model: [De tekst van oorspronkelijke regeling, waarvan de aanhef is
                        gehandhaafd, bevatte enkel een opsomming van de afwijkingen van de
                        Model-bouwverordening 1992.]</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1.</vet></al><al>Begripsomschrijvingen.</al><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                        sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                        onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil: a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                        direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                        van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de
                                        hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het
                                        terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van
                                        de bouw;</al></li><li nr="-"><al>weg<cursief>:</cursief> alle voor het openbaar rij- of ander
                                        verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de
                                        daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 1.2.</vet></al><al><vet>Termijnen.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 1.3. </vet></al><al><vet>Indeling van het gebied van de gemeente.</vet></al><al>(Dit artikel wordt niet overgenomen en blijft gereserveerd)</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. De aanvraag omgevingsvergunning voor het
                        bouwen.</vet></al><al>Paragraaf 1. Gegevens en bescheiden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1. </vet></al><al><vet>Aanvraag bouwvergunning.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2. </vet></al><al><vet>In de aanvraag op te nemen gegevens.</vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.3. </vet></al><al><vet>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden.</vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4. </vet></al><al><vet>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen.</vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5. Bodemonderzoek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.;</al></li><li nr="b."><al>[vervallen per 01-10-2010];</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen. </al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6. </vet></al><al><vet>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                            bouwvergunning.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.7. </vet></al><al><vet>Bouwregistratie.</vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.8. </vet></al><al><vet>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunningen
                            woonwagens en standplaatsen. </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2. Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning.</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.1. </vet></al><al><vet>Ontvangst van de aanvraag. </vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.2.2. </vet></al><al><vet>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening.</vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.2.3. </vet></al><al><vet>Bekendmaking van termijnen.</vet></al><al>Vervallen. </al><al><vet>Artikel 2.2.4. </vet></al><al><vet>In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening.
                        </vet>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.5. </vet></al><al><vet>In behandeling nemen en bodemonderzoek.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.6. </vet></al><al><vet>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Paragraaf 3. Welstandstoetsing.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1. Welstandscriteria.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Paragraaf 4. Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                        bodem.</vet></al><al><vet>Artikel 2.4.1. </vet></al><al><vet>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem.</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist;</al></li><li nr="c."><al>1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande,
                                niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.2. </vet></al><al><vet>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen.</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt.</al><al>Paragraaf 5. Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.1. </vet></al><al><vet>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundigebepalingen.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2. </vet></al><al><vet>Anti- cumulatiebeding.</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3. </vet></al><al><vet>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. </vet></al><al><vet>Brandblusvoorzieningen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen
                                is bestemd, meer dan tien meter is verwijderd van een openbare weg,
                                moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet
                                aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten
                                verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van tenminste 4,5 meter, over een breedte
                                        van tenminste 3,25 meter zijn verhard en een vrije hoogte
                                        boven de kruin van de weg hebben van tenminste 4,2
                                        meter;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van tenminste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd,
                                moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn,
                                dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de
                                bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.5.3A </vet></al><al><vet>Brandweeringang</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.4. </vet></al><al><vet>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al></li><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al></li><li nr="a."><al>ten minste 1.10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij
                                dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.5. </vet></al><al><vet>Ligging van de voorgevelrooilijn.</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg. </al><al/></li></lijst><al><vet> Artikel 2.5.6. </vet></al><al><vet>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn.</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7. </vet></al><al><vet>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn.</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        vantoepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de
                                weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8. </vet></al><al><vet>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
                            de voorgevelrooilijn.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor:</al></li><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan
                                het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn
                                gelegen erf toelaatbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen,
                                die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor
                                reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het
                                oog op de inhistorisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                het karakter van de bestaande omgeving.</al></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al></li><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook
                                van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog
                                voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar
                                komt. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.9. </vet></al><al><vet>Bouwen op de weg.</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.10. </vet></al><al><vet>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                        </vet></al><al><vet>Afschuining van straathoeken.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al></li><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking
                                genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich voor en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder van 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al></li><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde
                                gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11. </vet></al><al><vet>Ligging van de achtergevelrooilijn.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al></li><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig
                                of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 12 meter. Indien meer
                                dan een ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden
                                beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm
                                van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand
                                van de voorgevelrooilijn dan 12 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende
                                bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 12 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of
                                te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een
                                afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op
                                geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 12 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand
                                die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere
                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 12 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van de bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.12. </vet></al><al><vet>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn.</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13.</vet></al><al><vet>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn.</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt, daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw voor het bouwen
                                waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is
                                vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen en aan- of uitbouwen bij woningen en andere gebouwen dan
                                woningen met dien verstande dat – onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.15 en 2.5.16 – per woning, respectievelijk per
                                functionele eenheid mag worden bebouwd t.b.v. bijgebouwen of aan- of
                                uitbouwen:</al></li><li nr="1."><al>20 m2 indien de oppervlakte van het achter de achtergevelrooilijn
                                gelegen gedeelte van het bouwperceel 50 m2 of minder bedraagt;</al></li><li nr="2."><al>40% van het achter de achtergevelrooilijn gelegen gedeelte van het
                                bouwperceel, indien de oppervlakte van dat deel meer dan 50 m2
                                bedraagt met een maximum van:</al></li><li nr="-"><al>60 m2 indien de oppervlakte van het achter de achtergevelrooilijn
                                gelegen gedeelte van het bouwperceel meer dan 150 m2 bedraagt en
                                tevens de perceelsoppervlakte niet meer dan 1000 m2 bedraagt;</al></li><li nr="-"><al>80 m2 indien de oppervlakte van het achter de achtergevelrooilijn
                                gelegen gedeelte van het bouwperceel meer dan 200 m2 bedraagt en
                                tevens de perceelsoppervlakte groter is dan 1000 m2 maar niet meer
                                dan 2000 m2;</al></li><li nr="-"><al>100 m2 indien het achter de achtergevelrooilijn gelegen gedeelte van
                                het bouwperceel meer bedraagt dan 250 m2 en tevens de oppervlakte
                                van het bouwperceel meer bedraagt dan 2000 m2.</al></li></lijst><al>De maximum bouwhoogte voor bijgebouwen en aan- en uitbouwen bedraagt 4,5
                        meter, waarbij in de perceelsgrens vanaf een maximale hoogte van 3.00 meter
                        een afschuiningshoek van 45 graden in acht moet worden genomen. Deze
                        afschuining geldt niet in die gevallen waarbij op het naastgelegen perceel
                        in de perceelscheiding al een gebouw met een zelfde of hogere hoogte
                        aanwezig is dan wel gelijktijdig wordt opgericht.</al><lijst><li nr="g."><al>bebouwing in in meerdere bouwlagen met een bebouwingsdiepte tot
                                maximaal 15 meter onder voorwaarde dat:</al></li><li nr="-"><al>er sprake is van ligging aan één van de volgende wegen:</al></li><li nr="-"><al>Besterdring</al></li><li nr="-"><al>Bisschop Zwijsenstraat</al></li><li nr="-"><al>Bosscheweg tussen de Ringbaan-Oost en de Hoevense Kanaaldijk/Lovense
                                Kanaaldijk</al></li><li nr="-"><al>Broekhovenseweg ten noorden van de Ringbaan-Zuid</al></li><li nr="-"><al>Korvelplein</al></li><li nr="-"><al>Korvelseweg</al></li><li nr="-"><al>Laarstraat</al></li><li nr="-"><al>Lieve Vrouweplein</al></li><li nr="-"><al>Molenstraat</al></li><li nr="-"><al>Oude Goirleseweg</al></li><li nr="-"><al>Piusstraat</al></li><li nr="-"><al>Rosmolenplein</al></li><li nr="-"><al>Spoorlaan</al></li><li nr="-"><al>Van Meterenstraat</al></li><li nr="-"><al>Veldhovenring</al></li><li nr="-"><al>Wilhelminapark</al></li><li nr="-"><al>Zomerstraat</al></li><li nr="-"><al>de bebouwing in meerdere bouwlagen minimaal 5 meter uit de
                                zijdelingse perceelsgrens wordt gesitueerd, tenzij er langs de
                                zijdelingse perceels-grens op het belendende perceel reeds bebouwing
                                in meerdere bouwlagen aanwezig is met een diepte van 12 meter of
                                meer.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.14. </vet></al><al><vet>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
                            de achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor:</al></li><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt, daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder van 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan eenvan die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen (waaronder aan- of uitbouwen) bij woningen, anders dan
                                bedoeld in 2.5.13 sub f, met dien verstande dat:</al></li><li nr="-"><al>bij bouwpercelen tot 1000 m2: per woning aan bijgebouwen achter de
                                achtergevelrooilijn niet meer dan 60 m2 wordt gebouwd, mits het
                                bouwperceel blijft voldoen aan het bepaalde in 2.5.15. De maat van
                                60 m2 (40%) mag – t.b.v. mantelzorg – tot 80 m2 worden opgetrokken.
                                In dat geval dient – in plaats van het bepaalde in 2.5.15 –
                                tenminste 15 m2 aaneengesloten onbebouwd terrein op het bouwperceel
                                aanwezig te blijven;</al></li><li nr="-"><al>bij bouwpercelen tussen 1000 m2 en 2000 m2: per woning aan
                                bijgebouwen achter de achtergevelrooilijn niet meer dan 80 m2 mag
                                worden gebouwd, mits het bouwperceel blijft voldoen aan het bepaalde
                                in 2.5.15. De maat van 80 m2 mag – in bijzondere gevallen – worden
                                opgetrokken tot 100 m2 t.b.v. woonvertrekken (woon-/eetkamer,
                                keuken, badkamer, slaapkamer); in dat geval dient – in plaats van
                                het bepaalde in 2.5.15 – tenminste 15 m2 aaneengesloten onbebouwd
                                terrein op het bouwperceel aanwezig te blijven;</al></li><li nr="-"><al>bij bouwpercelen groter dan 2000 m2: per woning aan bijgebouwen
                                achter de achtergevelrooilijn niet meer dan 100 m2 mag worden
                                gebouwd, mits het bouwperceel blijft voldoen aan het bepaalde in
                                2.5.15;</al></li><li nr="-"><al>bijgebouwen met een maximale bouwhoogte van 4,5 meter zonder
                                afschuiningshoek;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers bijgebouwen (waaronder aan- of uitbouwen) bij andere gebouwen
                                dan woningen (niet zijnde dienstwoningen), anders dan bedoeld in
                                2.5.13 sub f met dien verstande dat:</al></li><li nr="-"><al>het achter de achtergevelrooilijn gelegen gedeelte van het
                                bouwperceel geheel mag worden bebouwd, mits het bouwperceel blijft
                                voldoen aan het bepaalde in artikel 2.5.16;</al></li><li nr="-"><al>bijgebouwen met een maximale bouwhoogte van 6.00 meter zonder
                                afschuiningshoek mogen worden gerealiseerd.</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetischopzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving;</al></li><li nr="m."><al>bebouwing in meerdere bouwlagen in de strook van 5 meter langs de
                                zijdelingse perceelsgrens tot een bebouwingsdiepte van maximaal 15
                                meter met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.5.20.,
                                2.5.23 en 2.5.24;</al></li><li nr="n."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f,
                                van het Besluit bouwwerken.</al></li><li nr="2."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het gegeven aan het gestelde in
                                artikel 2.5.14, lid 1, sub m is de volgende procedure van
                                toepassing:</al></li><li nr="a."><al>de aanvraag ligt gedurende twee weken ter inzage;</al></li><li nr="b."><al>voorafgaande aan de terinzagelegging wordt in een of meer dag-,
                                nieuws- of huis-aan-huisbladen kennis gegeven van de aanvraag; </al></li><li nr="c."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen belanghebbenden
                                schriftelijk hun zienswijzen omtrent de aanvraag inbrengen;</al></li><li nr="d."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht kunnen burgemeester en
                                wethouders de beslissing over de aanvraag om een reguliere
                                bouwvergunning met ten hoogste 6 weken verdagen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.15. </vet></al><al><vet>Erf bij woningen en woongebouwen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moeten een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al></li><li nr="-"><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel,
                            </al></li><li nr="-"><al>en voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van
                                ten minste 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al></li><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                                gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan een van de volgende voorwaarden wordt
                                voldaan:</al></li><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                plantsoen, mits dat terrein slechts aan een van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                                bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt
                                de bestaande toestand verbeterd.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.16.</vet></al><al><vet>Erf bij overige gebouwen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al></li><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                                vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.17. </vet></al><al><vet>Ruimte tussen bouwwerken.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al></li><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                        reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18. </vet></al><al><vet>Erf- en terreinafscheidingen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.19. </vet></al><al><vet>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                            hoofdtransportleidingen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel
                                verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000
                                volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al></li><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn
                                daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde
                                ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.20. </vet></al><al><vet>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist bedraagt:</al></li><li nr="a."><al>indien gelegen aan één van de volgende wegen:</al></li><li nr="-"><al>Besterdring</al></li><li nr="-"><al>Bisschop Zwijsenstraat</al></li><li nr="-"><al>Bosscheweg tussen de Ringbaan-Oost en de Hoevense Kanaaldijk/Lovense
                                Kanaaldijk</al></li><li nr="-"><al>Broekhovenseweg ten noorden van de Ringbaan-Zuid</al></li><li nr="-"><al>Korvelplein</al></li><li nr="-"><al>Korvelseweg</al></li><li nr="-"><al>Laarstraat</al></li><li nr="-"><al>Lieve Vrouweplein</al></li><li nr="-"><al>Molenstraat</al></li><li nr="-"><al>Oude Goirleseweg</al></li><li nr="-"><al>Piusstraat</al></li><li nr="-"><al>Rosmolenplein</al></li><li nr="-"><al>Spoorlaan</al></li><li nr="-"><al>Van Meterenstraat</al></li><li nr="-"><al>Veldhovenring</al></li><li nr="-"><al>Wilhelminapark</al></li><li nr="-"><al>Zomerstraat</al></li></lijst><al>in het vlak door de voorgevelrooilijn: 1 meter vermeerderd met éénmaal de
                        afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg met een
                        maximum van 15 meter met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwhoogte in een strook ter breedte van 5 meter langs de
                                zijdelingse perceelsscheidingen niet meer mag bedragen dan de
                                randhoogte (zijnde de (feitelijke) hoogte van bovenkant goot,
                                boeiboord of druiplijn, gemeten boven het gemiddelde maaiveldpeil
                                van het aansluitende afgewerkte terrein ) in de voorgevelrooilijn
                                van de bebouwing op het naastgelegen perceel vermeerderd met 6
                                meter;</al></li><li nr="-"><al>deze hoogte tenminste 10 meter mag bedragen:</al></li><li nr="-"><al>slechts bebouwing binnen een afstand van ten hoogte 5 meter van de
                                zijdelingse perceelsscheiding in beschouwing wordt genomen.</al></li><li nr="b."><al>indien gelegen aan de volgende wegen: </al></li><li nr="-"><al>Enschotsestraat</al></li><li nr="-"><al>Gasthuisring</al></li><li nr="-"><al>Groenstraat</al></li><li nr="-"><al>Groeseindstraat</al></li><li nr="-"><al>Hoefstraat</al></li><li nr="-"><al>Koestraat</al></li><li nr="-"><al>Nieuwe Bosscheweg</al></li><li nr="-"><al>Oerlesestraat</al></li><li nr="-"><al>St. Josephstraat</al></li><li nr="-"><al>Tivolistraat</al></li><li nr="-"><al>Transvaalplein</al></li><li nr="-"><al>Voltstraat</al></li><li nr="-"><al>Winkler Prinsstraat</al></li></lijst><al>in het vlak door de voorgevelrooilijn: 1 meter vermeerderd met éénmaal de
                        afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg met een
                        maximum van 11 meter met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwhoogte in een strook ter breedte van 5 meter langs de
                                zijdelingse perceelsscheidingen niet meer mag bedragen dan de
                                randhoogte (zijnde de (feitelijke) hoogte van bovenkant goot,
                                boeiboord of druiplijn, gemeten boven het gemiddelde maaiveldpeil
                                van het aansluitende afgewerkte terrein ) in de voorgevelrooilijn
                                van de bebouwing op het naastgelegen perceel vermeerderd met 6
                                meter;</al></li><li nr="-"><al>deze hoogte tenminste 10 meter mag bedragen:</al></li><li nr="-"><al>slechts bebouwing binnen een afstand van ten hoogte 5 meter van de
                                zijdelingse perceelsscheiding in beschouwing wordt genomen.</al></li><li nr="c."><al>in het vlak door de voorgevelrooilijn van de overige niet genoemde
                                wegen: 1 meter vermeerderd met éénmaal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de betreffende weg met een maximum van 10
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtstbij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien
                                de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter
                                plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
                                weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.21.</vet></al><al><vet>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist bedraagt:</al></li><li nr="a."><al>indien gelegen aan één van de volgende wegen:</al></li><li nr="-"><al>Besterdring</al></li><li nr="-"><al>Bisschop Zwijsenstraat</al></li><li nr="-"><al>Bosscheweg tussen de Ringbaan-Oost en de Hoevense Kanaaldijk/Lovense
                                Kanaaldijk</al></li><li nr="-"><al>Broekhovenseweg ten noorden van de Ringbaan-Zuid</al></li><li nr="-"><al>Korvelplein</al></li><li nr="-"><al>Korvelseweg</al></li><li nr="-"><al>Laarstraat</al></li><li nr="-"><al>Lieve Vrouweplein</al></li><li nr="-"><al>Molenstraat</al></li><li nr="-"><al>Oude Goirleseweg</al></li><li nr="-"><al>Piusstraat</al></li><li nr="-"><al>Rosmolenplein</al></li><li nr="-"><al>Spoorlaan</al></li><li nr="-"><al>Van Meterenstraat</al></li><li nr="-"><al>Veldhovenring</al></li><li nr="-"><al>Wilhelminapark</al></li><li nr="-"><al>Zomerstraat</al></li></lijst><al>in het vlak door de achtergevelrooilijn: 1 meter vermeerderd met de helft
                        van de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                        bouwblok met een maximum van 15 meter met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwhoogte in een strook ter breedte van 5 meter langs de
                                zijdelingse perceelsscheiding niet meer mag bedragen dan de
                                toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn overeenkomstig artikel
                                2.5.20 ;</al></li><li nr="-"><al>deze hoogte tenminste 10 meter mag bedragen:</al></li><li nr="b."><al>indien gelegen aan één van de volgende wegen:</al></li><li nr="-"><al>Enschotestraat</al></li><li nr="-"><al>Gasthuisring</al></li><li nr="-"><al>Groenstraat</al></li><li nr="-"><al>Groeseindstraat</al></li><li nr="-"><al>Hoefstraat</al></li><li nr="-"><al>Koestraat</al></li><li nr="-"><al>Nieuwe Bosscheweg</al></li><li nr="-"><al>Oerlesestraat</al></li><li nr="-"><al>St. Josephstraat</al></li><li nr="-"><al>Tivolistraat</al></li><li nr="-"><al>Transvaalplein</al></li><li nr="-"><al>Voltstraat</al></li><li nr="-"><al>Winkler Prinsstraat</al></li></lijst><al>in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter vermeerderd met de helft van
                        de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                        bouwblok met een maximum van 11 meter met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwhoogte in een strook ter breedte van 5 meter langs de
                                zijdelingse perceelsscheiding niet meer mag bedragen dan de
                                toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn overeenkomstig artikel
                                2.5.20 ;</al></li><li nr="-"><al>deze hoogte tenminste 10 meter mag bedragen:</al></li><li nr="c."><al>in het vlak door de achtergevelrooilijn gelegen achter de
                                voorgevelrooilijn van de overige niet genoemde wegen: 1 meter
                                vermeerderd met de afstand tot de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok met een maximum van 10
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.22. </vet></al><al><vet>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn.
                        </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.23. </vet></al><al><vet>Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Overminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de
                                voor- en achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevel- rooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van 45 graden.</al></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.24. </vet></al><al><vet>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.20 en 2.5.21 mag de hoogte
                                van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, niet meer bedragen dan:</al></li><li nr="-"><al>15 meter voor zover een bouwperceel gelegen is aan één van de
                                volgende wegen:</al></li><li nr="-"><al>Besterdring</al></li><li nr="-"><al>Bisschop Zwijsenstraat</al></li><li nr="-"><al>Bosscheweg tussen de Ringbaan-Oost en de Hoevense Kanaaldijk/Lovense
                                Kanaaldijk</al></li><li nr="-"><al>Broekhovenseweg ten noorden van de Ringbaan-Zuid</al></li><li nr="-"><al>Korvelplein</al></li><li nr="-"><al>Korvelseweg</al></li><li nr="-"><al>Laarstraat</al></li><li nr="-"><al>Lieve Vrouweplein</al></li><li nr="-"><al>Molenstraat</al></li><li nr="-"><al>Oude Goirleseweg</al></li><li nr="-"><al>Piusstraat</al></li><li nr="-"><al>Rosmolenplein</al></li><li nr="-"><al>Spoorlaan</al></li><li nr="-"><al>Van Meterenstraat</al></li><li nr="-"><al>Veldhovenring</al></li><li nr="-"><al>Wilhelminapark</al></li><li nr="-"><al>Zomerstraat</al></li><li nr="-"><al>11 meter voor zover een bouwperceel gelegen is aan één van de
                                volgende wegen:</al></li><li nr="-"><al>Enschotsestraat</al></li><li nr="-"><al>Gasthuisring</al></li><li nr="-"><al>Groenstraat</al></li><li nr="-"><al>Groeseindstraat</al></li><li nr="-"><al>Hoefstraat</al></li><li nr="-"><al>Koestraat</al></li><li nr="-"><al>Nieuwe Bosscheweg</al></li><li nr="-"><al>Oerlesestraat</al></li><li nr="-"><al>St. Josephstraat</al></li><li nr="-"><al>Tivolistraat</al></li><li nr="-"><al>Transvaalplein</al></li><li nr="-"><al>Voltstraat</al></li><li nr="-"><al>Winkler Prinsstraat</al></li><li nr="-"><al>10 meter bij alle overige niet genoemde wegen. </al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogte liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagstgelegen weg. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.25. </vet></al><al><vet>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 sub a tot en met e toegestane afwijking wordt
                                opgericht op een niet aan de weg grenzend terrein, mag niet meer
                                bedragen dan 3,00 meter, met dien verstande dat - uitgaande van een
                                goothoogte van bovengenoemde maat - daarboven een zadeldak met
                                hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.26. </vet></al><al><vet>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h,i,j en k, moeten - voorzover zij de maximale
                                hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.27. </vet></al><al><vet>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte.</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 1,50 meter. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.28. </vet></al><al><vet>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
                            de toegelaten bouwhoogte.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al></li><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht, en indien:</al></li><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogte-afmetingen
                                andere hoogte-afmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 1,50
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving;</al></li><li nr="m."><al> ten behoeve van bebouwing in een strook ter breedte van 5 meter
                                langs een zijdelingse perceelsscheiding tot een hoogte van maximaal
                                15 meter indien gelijktijdig op het naastgelegen bouwperceel
                                bebouwing wordt opgericht met een hoogte in de voorgevelrooilijn van
                                tenminste 9 meter dan wel hiervoor een bouwaanvraag is
                                ingediend;</al></li><li nr="n."><al> Lichtmasten.</al></li><li nr="2."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het gestelde in artikel 2.5.28
                                lid 1, sub m is de volgende procedure van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>de aanvraag ligt gedurende twee weken ter inzage;</al></li><li nr="b."><al>voorafgaande aan de terinzagelegging wordt in een of meer dag-,
                                nieuws- of huis-aan-huisbladen kennis gegeven van de aanvraag;</al></li><li nr="c."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen belanghebbenden
                                schriftelijk hun zienswijzen omtrent de aanvraag inbrengen;</al></li><li nr="d."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht kunnen burgemeester en
                                wethouders de beslissing over de aanvraag om een reguliere
                                bouwvergunning met ten hoogste 6 weken verdagen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.29. </vet></al><al><vet>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van
                            de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding
                            van nieuw ruimtelijk beleid.</vet></al><al> In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30. </vet></al><al><vet>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                            gebouwen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                danwel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. </al></li><li nr="2."><al>Hiervan is slechts sprake wanneer het aantal te realiseren
                                parkeerplaatsen voor parkeren of stallen van auto's in, op of onder
                                het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein, dat bij dat
                                gebouw hoort, is bepaald overeenkomstig de normen en werkwijze in de
                                "Notitie parkeernormen 2003", zoals vastgesteld op 30 maart 2004 of
                                zoals deze laatstelijk is vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="·"><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                        1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                        bedragen;</al></li><li nr="·"><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                        voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                        lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m
                                        bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel onder het onbebouwde terrein dat bij
                                dat gebouw behoort.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het vierde lid:</al></li><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden
                                op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte,
                                dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al></li></lijst><al>Aan het verlenen van een ontheffing kunnen burgemeester en wethouders een
                        financiële voorwaarde verbinden.</al><al/><al>Paragraaf 6. Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.1 </vet></al><al><vet>Beginsel inzake brandmeldinstallaties.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.2 </vet></al><al><vet>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.3 </vet></al><al><vet>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.4 </vet></al><al><vet>Kwaliteit van brandmeldinstallaties.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.5 </vet></al><al><vet>Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.6 </vet></al><al><vet>Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.7 </vet></al><al><vet>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.8 </vet></al><al><vet>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.9 </vet></al><al><vet>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.10 </vet></al><al><vet>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010] </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.11 </vet></al><al><vet>Gelijkwaardigheid.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.12</vet></al><al><vet>Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Paragraaf 7. Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.7.1. </vet></al><al><vet>Eis tot aansluiting aan de waterleiding.</vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                        distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichts bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50m. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.2. </vet></al><al><vet>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet.</vet></al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.3. </vet></al><al><vet>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al></li><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid
                                op woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan
                                gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van
                                gastoevoer nodig is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al></li><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of
                                publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69
                                van het Bouwbesluit (warmtedistributienet). </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.4. </vet></al><al><vet>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                                alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van
                                toepassing is het bepaalde in dit lid:</al></li><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al></li><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de
                                voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen
                                de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet
                                of moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                                tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                                faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op
                                natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.</al></li><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer
                                moet worden bepaald of er als dan niet voorzieningen in de bedoelde
                                aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van
                                de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, ingeval
                                de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe
                                aanleiding geeft.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op andere wijze
                                zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is:</al></li><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar
                                riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.5. </vet></al><al><vet>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in de artikelen 28, 123, 199, 242, 269 en 375 van het
                                Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen
                                voor de afvoer van afvalwater en fecaliën alsmede de in de artikelen
                                29, 124, 200, 243 en 270 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de
                                volgende bepalingen:</al></li><li nr="a."><al>leidingen voor fecaliën afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                                moeten lozen op een rottingput met overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor fecaliën afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder
                                overstort, een gierput of een rottingput met overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder fecaliën alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op
                                andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht
                                mogelijk is.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.6. </vet></al><al><vet> Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                            terreinen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                heidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. Door doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluitinggehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen buurputten of
                                rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen
                                wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                                in NEN 3215, uitgave 2007.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                in bijlage 7.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.7. </vet></al><al><vet>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net
                            van de nutsvoorzieningen.</vet></al><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        te samen op een erf of terrein bevinden, als een bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. De Melding.</vet></al><al><vet>Artikel 3.1. De wijze van melden</vet></al><al>Gereserveerd. </al><al/><al><vet>Artikel 3.2. Welstandscriteria</vet></al><al>Gereserveerd.</al><al/><al><vet> Hoofdstuk 4. Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4.1. </vet></al><al><vet>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                            staking van bouwwerkzaamheden.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 4.2. </vet></al><al><vet>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden.</vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van
                                de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                of oplegging van een last onder dwangsom.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.3. </vet></al><al><vet>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie.</vet></al><al>Vervangen.</al><al/><al><vet>Artikel 4.4. </vet></al><al><vet>Het uitzetten van de bouw.</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen alvorens
                        door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                uitgezet.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.5. </vet></al><al><vet>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al></li><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                                begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                                proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste een dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.6. </vet></al><al><vet>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen. </vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. </al><al/><al><vet>Artikel 4.7. </vet></al><al><vet>Bemalen van bouwputten.</vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt. </al><al/><al><vet>Artikel 4.8. </vet></al><al><vet>Veiligheid op het bouwterrein.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen-:</al></li><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering
                                van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn
                                uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties
                                door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk
                                is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer
                                door anderen dan dedaartoe bevoegde personen in werking kunnen
                                worden gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van een of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat
                                de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.9. </vet></al><al><vet>Afscheiding van het bouwterrein.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.10. </vet></al><al><vet>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders,
                                heistellingen,transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten,
                                wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed
                                en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al></li><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                                gebruikt.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.11. </vet></al><al><vet>Bouwafval.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al></li><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de
                                Afvalstoffenlijst bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL;
                                Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); </al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.12. </vet></al><al><vet>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden.</vet></al><al>1.Van het gereedkomen: </al><lijst><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                                alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren
                                beneden straatpeil; </al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                                thermische isolatie in andere besloten constructies</al></li></lijst><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                        bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld. </al><lijst><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.13. </vet></al><al><vet>Melden van werken bij lage temperaturen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen voor het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al></li><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                                vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur
                                nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.14.</vet></al><al><vet>Verbod tot ingebruikneming.</vet></al><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                        nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht of als
                        er niet is gebouwd overeenkomstig de omgevingsvergunning.</al><al/><al><vet>Artikel 4.15. </vet></al><al><vet>Verbod te bouwen als bouw is stilgelegd.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet> Hoofdstuk 5. Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte.</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1. Staat van open erven en terreinen.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.1.1. </vet></al><al><vet>Staat van onderhoud van open erven en terreinen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                                veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolg van:</al></li><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing. </al></li><li nr="3."><al>Open erven of terreinen die voor bebouwing bestemd zijn moeten,
                                indien zij langer dan drie maanden niet bebouwd zijn, geëgaliseerd
                                zijn, vrij van afval en begroeid zijn met gras of andere planten met
                                een hoogte van niet meer dan 30 centimeter.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.2. </vet></al><al><vet>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer,
                            Brandblusvoorzieningen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van
                                een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, ziekenauto's brandweerauto's en het overige te
                                verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al></li><li nr="a."><al>een breedte hebben van tenminste 4,5 meter, over een breedte van
                                tenminste 3,25 meter zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin
                                van de weg hebben van tenminste 4,2 meter;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met
                                een massa van tenminste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.3.</vet></al><al><vet>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al></li><li nr="a."><al>een woning of woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet
                                gemeenschappelijketoegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel
                                4.3 van het Bouwbesluit;en anderzijds de openbare weg moet een mede
                                voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                zijn.</al></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:
                            </al></li><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij
                                dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                bepaalde in artikel 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al/></li></lijst><al><vet>Paragraaf 2. Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.2.1.</vet></al><al><vet>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008] </al><al/><al><vet>Artikel 5.2.2. </vet></al><al><vet>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties, niet zijndewoningen,
                            woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                        kantoorgebouwen.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.3. </vet></al><al><vet>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van
                            bijzondere aard.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.4.</vet></al><al><vet>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en
                            logiesgebouwen.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.5. </vet></al><al><vet>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen.
                        </vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Paragraaf 3. Aansluiting op de nutsvoorzieningen.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.3.1.</vet></al><al><vet>Eis tot aansluiting aan de waterleiding.</vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.2. </vet></al><al><vet>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet.</vet></al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 100 m. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.3. </vet></al><al><vet>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet.</vet></al><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                        aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan
                                gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van
                                gastoevoer nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingsnet.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.4. </vet></al><al><vet>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                                alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in
                                artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een
                                openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al></li><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar
                                riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden
                                worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime mestkelder, gier- of
                                beerput aanwezig is.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.5. </vet></al><al><vet>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering.</vet></al><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort,
                                een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met
                                overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding
                                tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.6.</vet></al><al><vet>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                            terreinen.</vet></al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                        toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.7.</vet></al><al><vet>Wijze van meten van de afstand</vet></al><al><vet> tot de leidingen van het openbare net van
                        denutsvoorzieningen.</vet></al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op een erf of terrein bevinden, als een bouwwerk worden beschouwd. </al><al/><al><vet>Paragraaf 4. Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.4.1. </vet></al><al><vet>Preventie.</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in een zindelijke staat bevindt. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6. Brandveilig gebruik.</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1. Gebruiksvergunning.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.1.1. </vet></al><al><vet>Vergunning gebruik bouwwerk.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.2. </vet></al><al><vet>Aanvraag gebruiksvergunning.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.3. </vet></al><al><vet>In behandeling nemen.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.4. </vet></al><al><vet>Termijn van beslissing.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.5.</vet></al><al><vet>Weigeren gebruiksvergunning.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.6.</vet></al><al><vet>Intrekken gebruiksvergunning.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.7.</vet></al><al><vet>Verplicht aanwezige bescheiden.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Paragraaf 2. Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.2.1. </vet></al><al><vet>Gebruikseisen voor bouwwerken.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 6.2.2.</vet></al><al><vet>Opslag brandgevaarlijke stoffen.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Artikel 6.2.3. </vet></al><al><vet>Opslag en verwerking stoffen.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Paragraaf 3. Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen
                            bij brand.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.3.1. </vet></al><al><vet>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.3.2. </vet></al><al><vet>Gebruik middelen en voorzieningen.</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet>Paragraaf 4. Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6.4.1 </vet></al><al><vet>Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al>[Van rechtswege vervallen per 01-11-2008]</al><al/><al><vet> Hoofdstuk 7. Overige gebruiksbepalingen.</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1. Overbevolking</vet>.</al><al/><al><vet>Artikel 7.1.1. </vet></al><al><vet>Overbevolking van woningen.</vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte. </al><al/><al><vet>Artikel 7.1.2. </vet></al><al><vet>Overbevolking van woonwagens.</vet></al><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                        woonwagen wordt bewoond door meer dan een persoon per 6 m2
                        gebruiksoppervlakte.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2. Staken van het gebruik.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.2.1. </vet></al><al><vet>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid.</vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te
                        doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is
                        medegedeeld, dat zulks gevaarlijks is in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 7.2.2.</vet></al><al><vet>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                            hygiëne.</vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het
                        gebruik van het bouwwerk te staken.</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.3.</vet></al><al><vet>Staken van het gebruik van een woonwagen.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Paragraaf 3. Gebruik van bouwwerken, open erven en
                        terreinen.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.3.1. </vet></al><al><vet>Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in
                            afwijking van de bestemming.</vet></al><al>(Dit artikel wordt niet overgenomen en blijft gereserveerd) </al><al/><al><vet>Artikel 7.3.2.</vet></al><al><vet>Hinder.</vet></al><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                                bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of
                                vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde wet van toepassing is.</al><al/><al><vet>Paragraaf 4. Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</vet></al><al><vet>Artikel 7.4.1. </vet></al><al><vet>Preventie.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al><al/></li></lijst><al><vet>Paragraaf 5. Watergebruik.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.5.1. </vet></al><al><vet>Verboden gebruik van water.</vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                        gebruiken.</al><al/><al><vet>Paragraaf 6. Installaties.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.6.1. </vet></al><al><vet>Gebruiksgereed houden van installaties.</vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit
                        brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid
                        verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een
                        onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al/><al><vet> Hoofdstuk 7a. Verblijfsgebouwen.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7a.1. </vet></al><al><vet>Begripsomschrijvingen.</vet></al><al>Dit hoofdstuk verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verblijfsgebouw: een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin
                                niet-zelfstandige woongelegenheid wordt verschaft aan 5 of meer
                                personen niet behorend tot het gezin van de eigenaar-bewoner. Van
                                niet-zelfstandige woongelegenheid is sprake, wanneer de personen in
                                overwegende mate gebruik moeten maken van de gezamenlijke bad-,
                                toilet- en kookfaciliteiten.</al></li><li nr="b."><al>verblijfseenheid: een zitkamer, een slaapkamer, een zit- /
                                slaapkamer of met elkaar rechtstreeks in verbinding staande zit- en
                                slaapkamer die bij een huishouden in gebruik is/zijn.</al></li><li nr="c."><al>vluchtmogelijkheid: van rook gevrijwaarde route, uitsluitend voerend
                                over een of meer vloeren, trappen of hellingbanen, langs welke route
                                het aansluitend terrein kan worden bereikt zonder dat deuren worden
                                gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend.</al></li><li nr="d."><al>vluchtweg: van brand gevrijwaarde vluchtmogelijkheid die uitsluitend
                                door een of meer verkeersruimten</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 7a.2. </vet></al><al><vet>Toepassingsgebied van dit hoofdstuk.</vet></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op verblijfsgebouwen als bedoeld in artikel
                        7a.1 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de volgende categorieën
                        bijzondere woongebouwen:</al><lijst><li nr="-"><al>gevangenissen;</al></li><li nr="-"><al>woonvormen Religieuze gemeenschap;</al></li><li nr="-"><al>opleidingsinternaten;</al></li><li nr="-"><al>opleidingsscholen politie / krijgsmacht;</al></li><li nr="-"><al>psychiatrische inrichtingen;</al></li><li nr="-"><al>zwakzinnigeninrichtingen;</al></li><li nr="-"><al>verpleeghuizen;</al></li><li nr="-"><al>woonvormen zintuiglijk gehandicapten;</al></li><li nr="-"><al>gezinsvervangende tehuizen;</al></li><li nr="-"><al>bejaardenoorden;</al></li><li nr="-"><al>jeugdinternaten;</al></li><li nr="-"><al>opvangcentra volwassenen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 7a.3.</vet></al><al><vet>Verbodsbepaling.</vet></al><al>Het is verboden in strijd met de in de artikel 7a.4 gestelde eisen een
                        gebouw of een gedeelte daarvan als verblijfsgebouw in gebruik te geven of in
                        gebruik te laten geven.</al><al/><al><vet>Artikel 7a.4.</vet></al><al><vet>Voorschriften uit oogpunt van bruikbaarheid.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In een verblijfsgebouw moet een gemeenschappelijke verblijfsruimte
                                aanwezig zijn, wanneer één van de bewoners slechts over één
                                verblijfseenheid beschikt met een oppervlakte van minder dan 6 m2 of
                                wanneer meerdere bewoners gezamenlijk over een of meer
                                verblijfseenheden beschikken met een totale oppervlakte van minder
                                dan 6 m2 per persoon.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer meerdere bewoners gezamenlijk over een of meer
                                verblijfseenheden beschikken, moet in deze verblijfseenheid of
                                verblijfseenheden voor elke bewoner een vloeroppervlakte van
                                minimaal 4,5 m2 aanwezig zijn.</al></li><li nr="3."><al>Een gemeenschappelijke verblijfsruimte moet een vloeroppervlakte
                                hebben van tenminste 10 m2, met dien verstande dat voor iedere
                                bewoner in ieder geval een vloeroppervlakte van 1,5 m2 aanwezig moet
                                zijn. Indien de gemeenschappelijke verblijfsruimte tevens een keuken
                                bevat, dan dient de vloeroppervlakte 5 m2 extra te bedragen.</al></li><li nr="4."><al>Slaapplaatsen mogen uitsluitend aanwezig zijn in
                                verblijfseenheden.</al></li><li nr="5."><al>In een verblijfsgebouw dient een keuken, zijnde een besloten
                                verblijfsruimte, aanwezig te zijn met een aanrecht en een
                                opstelplaats voor een kooktoestel. Deze ruimte moet een oppervlakte
                                van minimaal 5 m2 hebben, plus 0,5 m2 voor elke bewoner boven het
                                aantal acht, dat van de keuken gebruik mag maken.</al></li><li nr="6."><al>In de keuken dienen een in goede staat van onderhoud verkerend
                                kookapparaat en een warmwatertappunt aanwezig te zijn.</al></li><li nr="7."><al>Voor elke acht bewoners moet tenminste een afzonderlijk, afsluitbaar
                                toilet aanwezig zijn. Het aantal bewoners wordt naar boven afgerond
                                op een veelvoud van acht.</al></li><li nr="8."><al>Voor elke acht bewoners moet tenminste een doelmatig ingerichte,
                                afsluitbare bad- of douchegelegenheid aanwezig zijn, voorzien van
                                een goed functionerende warmwatervoorziening van voldoende
                                capaciteit. Het aantal bewoners wordt naar boven afgerond op een
                                veelvoud van acht.</al></li><li nr="9."><al>Verblijfseenheden, gemeenschappelijke verblijfsruimten en bad- of
                                douchegelegenheden moeten op een doelmatige wijze kunnen worden
                                verwarmd. Verwarming door middel van verplaatsbare toestellen wordt
                                niet als een doeltreffende en veilige wijze van verwarming
                                aangemerkt.</al></li><li nr="10."><al>Toestellen voor kookdoeleinden mogen uitsluitend worden opgesteld in
                                de keuken.</al></li><li nr="11."><al>Het gebruik van vloeibaar gas voor verwarmings- en/of kookdoeleinden
                                is verboden.</al></li><li nr="12."><al>Per verblijfseenheid moet met het oog op de toetreding van daglicht
                                en het uitzicht naar buiten een equivalente daglichtoppervlakte
                                aanwezig zijn van tenminste 10% van het vloeroppervlak van de
                                verblijfseenheid.</al></li><li nr="13."><al>In het verblijfsgebouw of op het terrein van het verblijfsgebouw
                                dient voor elke zes bewoners tenminste een papierbak en duobak
                                aanwezig te zijn. Het aantal bewoners wordt naar boven afgerond op
                                een veelvoud van zes. De opstelplaats mag zich niet in een vluchtweg
                                bevinden.</al></li><li nr="14."><al>In het verblijfsgebouw moet een opstelplaats voor een wasmachine
                                aanwezig zijn met aansluitmogelijkheden op elektriciteit, water en
                                riolering. De opstelplaats mag zich niet in een vluchtweg
                                bevinden.</al></li><li nr="15."><al>De eigenaar dient er zorg voor te dragen dat de gemeenschappelijke
                                ruimten zodanig onderhouden worden, dat zij zich in een zindelijke
                                staat bevinden.</al></li><li nr="16."><al>Tot een verblijfsgebouw moet, opdat voorwerpen beschermd tegen weer
                                en wind kunnen worden opgeborgen, tenminste een, van buiten de
                                woning toegankelijke, afsluitbare bergruimte behoren, waarvan de
                                oppervlakte tenminste 6,5% van de gebruiksoppervlakte van de woning
                                is, met een minimum van 3,5 m2, van welke vloeroppervlakte de
                                breedte tenminste 1,5 m en de hoogte boven die oppervlakte tenminste
                                2,2 m is.</al></li><li nr="17."><al>In een besloten verkeersruimte en in vluchtwegen moet een
                                verlichtingsinstallatie aanwezig zijn die een verlichtingssterkte
                                van 10 lux, over de gehele oppervlakte gemeten op vloerniveau, kan
                                geven.</al></li><li nr="18."><al>De eigenaar is verplicht, op aanvraag van de afdeling Handhaving van
                                de dienst Gebiedsontwikkeling, een goedkeuringsrapport ten aanzien
                                van de elektrische installatie en/of van de gasinstallatie,
                                afgegeven door een terzake deskundig bedrijf, over te leggen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 7a.5.</vet></al><al><vet>Vrijstellingsbepaling.</vet></al><al/><al>Indien aan de eisen gesteld in artikel 7a.4 van dit hoofdstuk in
                        redelijkheid niet kan worden voldaan, doch het gebruik van het
                        verblijfsgebouw op verantwoorde wijze kan plaatsvinden, kunnen burgemeester
                        en wethouders vrijstelling van die eisen verlenen. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8. Slopen</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1. Omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8.1.1.</vet></al><al><vet>Omgevingsvergunning voor het slopen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te
                                slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                gezag.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                                redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen
                                dan 10 m³, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van
                                asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge
                                een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet , dan wel een
                                besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden
                                verbinden als bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                slopen slechts voorschriften over:</al></li><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                                sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie
                                asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig
                                afval;</al></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid,
                                onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen,
                                de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het
                                sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                                voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                                afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien
                                in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een
                                seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen
                                van het tijdelijke bouwwerk.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.2</vet></al><al><vet>Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.3</vet></al><al><vet>In behandeling nemen</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.4</vet></al><al><vet>Termijnen van beslissing</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.5</vet></al><al><vet>Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.6.</vet></al><al><vet>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen.</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                                onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten
                                ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                                gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                                verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de
                                Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht
                                van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft
                                behouden, is vereist en deze niet is verleend;</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.7.</vet></al><al><vet>Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen.</vet></al><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de werkzaamheden
                                is gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen. </al><al>Paragraaf 2. Uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 8.2.1.</vet></al><al><vet>Sloopmelding.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in
                                de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:
                            </al></li><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een
                                op het erf van die woning staand bijgebouw, voor zover de woning of
                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voorgebruik in dat kader en
                                de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                staand bijgebouw, voor zover de woning of het bijgebouw niet in het
                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                                of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders
                        en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is
                        gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is
                        vereist.</al><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en
                                wethouders vastgesteld formulier. </al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in tweevoud
                                worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en
                                het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kan aan een mededeling als bedoeld in het
                                eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste
                                lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en
                                8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                                vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en
                                met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.2.2. </vet></al><al><vet>Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                            het slopen.</vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover
                        dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van
                        de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel gedeeltelijk verwijderen
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                                kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 3. Verplichtingen tijdens het slopen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.1. </vet></al><al><vet>Veiligheid op sloopterrein.</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                        toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.2. </vet></al><al><vet>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden.</vet></al><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een
                        besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                        inzage worden gegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.3. </vet></al><al><vet>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                            slopen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen
                                twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag
                                een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.4.</vet></al><al><vet>Plichten van degene die sloopt.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het
                                slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen
                                asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                terstond melding te doen aan de afdeling Handhaving van de dienst
                                Gebiedsontwikkeling. </al></li><li nr="2."><al>Aan de afdeling Handhaving van de dienst Gebiedsontwikkeling dient
                                ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de
                                sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de
                                beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die
                                werkzaamheden. Indien de afdeling Handhaving van de dienst
                                Gebiedsontwikkeling dit verlangt, moeten genoemde meldingen
                                schriftelijk geschieden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.5.</vet></al><al><vet>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voorzover redelijkerwijs uitvoerbaar, moet eerst het in een bouwwerk
                                aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                                gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van asbest moeten de best bestaande technieken
                                worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te
                                voorkomen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.6</vet></al><al><vet>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al>Paragraaf 4. Vrij slopen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.4.1.</vet></al><al><vet>Sloopafval algemeen.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                                krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                                vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende
                                fracties:</al></li><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de
                                afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAK's verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al><al/></li></lijst><al/><al><vet> Hoofdstuk 9. Welstand.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9.1.</vet></al><al><vet>De advisering door de welstandscommissie.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></li><li nr="3."><al>Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing voorzover de gemeenteraad heeft
                                bepaald dat geen redelijke eisen van welstand gelden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.2. </vet></al><al><vet>Samenstelling van de welstandscommissie.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en 4
                                leden.</al></li><li nr="2."><al>Voor de voorzitter wordt een lid als plaatsvervanger aangewezen die
                                hem bij afwezigheid kan vervangen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></li><li nr="5."><al>De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                                plaatsvervanger. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.3.</vet></al><al><vet>Benoeming en zittingsduur.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en de overige leden van de welstandscommissie worden
                                op voorstel van de burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen
                                door de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.4.</vet></al><al><vet>Jaarlijkse verantwoording.</vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al/><al><vet>Artikel 9.5. </vet></al><al><vet>Termijn van advisering.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                aanvraag betreft uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li></lijst><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                        welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden
                        van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                        langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                        termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel
                        3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 9.6.</vet></al><al><vet>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Er is geen spreekrecht. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.7.</vet></al><al><vet>Afdoening bij mandaat.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                                voor aan de welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                                bevoegd gezag - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een
                                verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd
                                gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.8.</vet></al><al><vet>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.9.</vet></al><al><vet>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                                daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al></li><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9.10. </vet></al><al><vet>Samenstelling van de welstandscommissie bij beschermde monumenten of
                            bouwwerken in een beschermd stadsgezicht.</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet> Hoofdstuk10. Overige administratieve bepalingen.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10.1. </vet></al><al><vet>De aanvraag om woonvergunning en het verbod tot het als woonverblijf in
                            gebruik geven of nemen van een voor bewoning ongeschikt
                        gebouw.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 10.2.</vet></al><al><vet>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar
                            verklaarde woning of woonwagen.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 10.3. </vet></al><al><vet>Overdragen vergunningen.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 10.4. </vet></al><al><vet>Overdragen mededeling.</vet></al><al>Binnen de in artikel 42, tiende lid, van de Woningwet bedoelde termijn van
                        dertien weken geldt de mededeling op een melding als bedoeld in artikel 42,
                        eerste lid, onder b, van de Woningwet zowel voor degene die de melding heeft
                        gedaan, als voor zijn rechtverkrijgenden. </al><al/><al><vet>Artikel 10.5. </vet></al><al><vet>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                            alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 10.6. </vet></al><al><vet>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften.</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        horende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken
                        norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of
                        vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. </al><al/><al><vet> Hoofdstuk 11. Handhaving. </vet></al><al/><al><vet>Artikel 11.1. </vet></al><al><vet>Stilleggen van de bouw.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 11.2. </vet></al><al><vet>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming.</vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 11.3. </vet></al><al><vet>Stilleggen van het slopen.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 11.4. </vet></al><al><vet>Onderzoek naar een gebrek. </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet> Hoofdstuk 12. Straf-, overgangs- en slotbepalingen.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 12.1. </vet></al><al><vet>Strafbare feiten.</vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><vet>Artikel 12.2. </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop
                                zij is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Op die dag vervallen:</al></li><li nr="-"><al>de bouwverordening van de gemeente Tilburg, zoals die door de raad
                                van die gemeente is vastgesteld bij besluit van 22 maart 1993 en
                                laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 18 december 1995, onder
                                Artikel B;</al></li><li nr="-"><al>de overgangsbepalingen, zoals die door de raad van de gemeente
                                Tilburg zijn vastgesteld bij besluit van 18 december 1995, onder
                                Artikel C;</al></li><li nr="-"><al>de bouwverordening van de gemeente Berkel-Enschot, zoals die door de
                                raad van die gemeente is vastgesteld bij besluit van 5 februari
                                1996;</al></li><li nr="-"><al>de bouwverordening van de gemeente Udenhout zoals die door de raad
                                van die gemeente is vastgesteld bij besluit van 25 februari 1993 en
                                laatstelijk is gewijzigd is bij besluit van 30 november 1995.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 12.3.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen, toestemmingen, vrijstellingen of ontheffingen - hoe
                                ook genaamd -, verleend krachtens de in artikel 12.2, lid 2 genoemde
                                verordeningen, blijven, indien en voorzover de voorschriften waarop
                                zij betrekking hebben ook zijn vervat in deze verordening en
                                voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken, van kracht
                                tot de tijd waarvoor zij werden verleend is verstreken of totdat zij
                                worden ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Aanwijzingen, nadere eisen, voorschriften en beperkingen - hoe ook
                                genaamd -, gegeven danwel opgelegd krachtens de in artikel 12.2, lid
                                2 genoemde verordeningen, blijven van kracht, indien en voorzover de
                                bepalingen, ingevolge welke zij zijn gegeven danwel opgelegd, ook
                                zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn
                                vervallen of ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning, toestemming, vrijstelling of ontheffing
                                - hoe ook genaamd - op grond van de in artikel 12.2, lid 2, genoemde
                                verordeningen is ingediend en vóór het tijdstip van in
                                werkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is
                                beslist, worden daarop de overeenkomstige bepalingen van deze
                                verordening toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op
                                meldingen van het voornemen tot sloop.</al></li><li nr="5."><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen
                                waarvan een omgevingsvergunning is vereist, in enig ander verband
                                dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is
                                verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel
                                2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en
                                wethouders van mening zijn, dat het indicatieve bodemonderzoek niet
                                meer als een recent onderzoek kan worden gezien.</al></li><li nr="6."><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid
                                van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of
                                wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47,
                                eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere
                                vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de
                                bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 12.4. </vet></al><al><vet>[Vervallen per 01-10-2010]</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>Vervallen.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 januari 1997</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>de secretaris,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet> BIJLAGEN</vet></al><al/><al><vet>Bijlage 1.</vet></al><al><vet>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Bijlage 2. </vet></al><al><vet>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Bijlage 3. </vet></al><al><vet>Gebruikseisen voor bouwwerken. </vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Bijlage 4. </vet></al><al><vet>Gebruikseisen voor bouwwerken, niet zijnde een- en meergezinshuizen en
                        woonwagens,behalve voor een- en meergezinshuizen en woonwagens waarin sprake
                        is van een verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met
                        permanent toezicht op en begeleiding van bewoners.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Bijlage 5</vet></al><al><vet>Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Bijlage 6. </vet></al><al><vet>Opslag brandgevaarlijke stoffen.</vet></al><al> Vervallen.</al><al/><al><vet>Bijlage 7. </vet></al><al><vet>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van buitenriolering op erven en
                        terreinen.</vet></al><al><vet>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6.</vet></al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uigave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering - Ongeplastificeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig);</al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 1. Eisen'
                            (Engelstalig) met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996,
                            A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999;</al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 2.
                            Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig) met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999;</al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden'(Engelstalig).</al><al/></li></lijst><al><vet>Bijlage 8. </vet></al><al><vet>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                        bouwwerken op de aanwezigheid van asbest.</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Bijlage 9. </vet></al><al><vet>Reglement van orde van de Welstandscommissie.</vet></al><al>Gereserveerd.</al><al/><al><vet>Bijlage 10.</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Bijlage 11</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al/><al><vet>Bijlage 12</vet></al><al>[Vervallen per 01-10-2010]</al><al>///////////////////////////////////////////////////////////</al><al>I.</al><al>Op de dag van inwerkingtreding van de bouwverordening 1992, als vervallen te
                    verklaren: de artikelen 1 t/m 351, 353 t/m 394 en de artikelen L 395 t/m 400 van
                    de bij raadsbesluit van 28 juni 1968 vastgestelde bouwverordening, zoals die
                    laatstelijk is gewijzigd bij raadsbesluit van 20 augustus 1990;</al><al>II.</al><al>De artikelen 352 en 395 van de "oude" bouwverordening te handhaven.</al><al/><al><vet>Artikel 352.</vet></al><al><vet>Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking
                        van de bestemming.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Zoals bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als uitbreidingsplan of
                            als voorschriften ex artikel 43 van de Woningwet 1901, hetzij voor,
                            hetzij nainwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb.
                            286 van 1962) geen voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van de
                            in die plannen ofvoorschriften begrepen bouwwerken, open erven of
                            terreinen en geen aanpassing aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft
                            plaatsgevonden, is hetverboden die bouwwerken, open erven of terreinen
                            te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of
                            tot een doel strijdig met de uit dat plan of die voorschriften
                            voortvloeiende bestemming, nadat de bij het bestemmingsplan aangegeven
                            bestemming is verwezenlijkt.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken en hun
                            aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming, die zij blijkens
                            hun constructie dan wel inrichting hebben.</al></li><li nr="3."><al>Niet van toepassing is het bepaalde in de leden 1 en 2 voor een gebruik
                            dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet
                            onwettig was en zolang in dat gebruik geen wijziging wordt
                            gebracht.</al></li><li nr="4."><al>Vrijstelling kan worden verleend van het bepaalde in de leden 1 en 2. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 395.</vet></al><al><vet>Strafbare feiten ingevolge de gemeentewet.</vet></al><al>Overtreding van artikel 352, leden 1 en 2, wordt gestraft met hechtenis van ten
                    hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel B Overgangsbepalingen (behorend bij
                            wijzigingsverordening van 22 mei 2006, inwerking getreden op mei
                            2006).</onderstreept></vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling of toestemming anderszins, die
                    is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht
                    wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van
                    de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden vóór de onderhavige
                    wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde
                    bepalingen worden toegepast.</al><al/><al><vet><onderstreept>Overgangsbepalingen.Bij raadsbesluit van 30 oktober 2006
                            heeft de raad devolgende overgangsbepaling vastgesteld. Deze bepaling
                            was opgenomen in een verordening tot wijziging van de bouwverordening en
                            is op 10 november 2006 in werking getreden.</onderstreept></vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling of toestemming anderszins, die
                    is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht
                    wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van
                    de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden vóór de onderhavige
                    wijziging, tenzij aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen
                    worden toegepast.</al><al/><al><vet><onderstreept>Overgangsbepalingen.Bij raadsbesluit van 21 mei 2007 heeft de
                            raad de volgende overgangsbepaling vastgesteld. Deze bepaling was
                            opgenomen in een verordening tot wijziging van de bouwverordening en is
                            op 1 juni 2007 in werking getreden.</onderstreept></vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling, gebruiksvergunning of
                    toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze
                    wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is
                    beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals deze
                    luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen
                    geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast. </al><al>Het bovenstaande is slechts van toepassing op de artikelen 8.1.1., 8.1.2, 8.1.4,
                    8.2.1, 8.2.2, 8.3.3 en 8.3.5 voor zover deze artikelen in overeenstemming zijn
                    met het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704). </al><al/><al><vet><onderstreept>Overgangsbepalingen. Bij raadsbesluit van 15 juni 2009 heeft
                            de raad de volgende overgangsbepaling vastgesteld. Deze bepaling was
                            opgenomen in een verordening tot wijziging van de bouwverordening en is
                            op 26 juni 2009 in werking getreden.</onderstreept></vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of toestemming
                    anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening
                    van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de
                    bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór de
                    onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de
                    gewijzigde bepalingen worden toegepast. Het bovenstaande is slechts van
                    toepassing voorzover deze bepalingen in overeenstemming zijn met de Wet tot
                    wijziging van de Woningwet en enkele andere wetten (verbetering naleving,</al><al>handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving) (Wet van 21 december 2006, Stb.
                    2007, 27). </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel B: Overgangsbepalingen. Bij raadsbesluit van 23 mei
                            2011 heeft de raad de volgende overgangsbepaling vastgesteld. Deze
                            bepaling was opgenomen in een verordening tot wijziging van de
                            bouwverordening en is op 3 juni 2011 in werking getreden met
                            terugwerkende kracht tot 1 oktober 2010.</onderstreept></vet></al><al/><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderszins, die is
                    ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht wordt
                    en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de
                    bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging,
                    tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden
                    toegepast.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>