<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR102466_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening WMO</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxtel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxtel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening WMO</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-07-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening WMO</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Compensatieplicht: de opdracht aan het college om personen met
                                    beperkingen door het</al><lijst><li nr=""><al>treffen van voorzieningen in aanvaardbare mate in staat
                                            te stellen tot zelfredzaamheid en</al></li><li nr=""><al>maatschappelijke participatie;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Gemeentebestuur: het college en de gemeenteraad;</al></li><li nr="d."><al>Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte
                                    of gebrek, inclusief</al><lijst><li nr=""><al>chronische, psychische en psychosociale problemen,
                                            beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van
                                            activiteiten op het gebied van het voeren van het
                                            huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij
                                            het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal
                                            verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van
                                            medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale
                                            verbanden;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld
                                    in artikel 1, lid 1, onder b van de wet.;</al></li><li nr="f."><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of
                                    financiële vermogen om zelf</al><lijst><li nr=""><al>voorzieningen te treffen die maatschappelijke
                                            participatie mogelijk maken;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                    huishouden; het normale gebruik van de woning; het zich in en om
                                    de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="h."><al>Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt
                                    aangeboden;</al></li><li nr="i."><al>Eigen bijdrage: een door het college vast te stellen bijdrage,
                                    die bij de verstrekking van een</al><lijst><li nr=""><al>voorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                            betaald moet worden door de</al></li><li nr=""><al>aanvrager en waarop de regels van het Besluit Wmo van
                                            toepassing zijn;</al></li></lijst></li><li nr="j."><al>Eigen aandeel: een door het college vast te stellen bijdrage,
                                    die bij de verstrekking van een</al><lijst><li nr=""><al>financiële tegemoetkoming betaald moet worden door de
                                            aanvrager en waarop de regels van het Besluit Wmo van
                                            toepassing zijn;</al></li></lijst></li><li nr="k."><al>Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage,
                                    gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van
                                    een voorziening door de aanvrager wordt bespaard omdat deze
                                    verstrekte voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening
                                    vervangt of kan vervangen;</al></li><li nr="l."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                    bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="m."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een
                                    of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en
                                    waarop de in deze verordening en het Besluit Wmo te stellen
                                    regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="n."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="o."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                    voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor
                                    die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van
                                    een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="p."><al>Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                    gemeenschappelijk een woning bewoont en deze persoon deel
                                    uitmaakt van de leefeenheid van de aanvrager;</al></li><li nr="q."><al>Leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwde of ongehuwde
                                    partners die al dan niet tezamen met één of meer ongehuwde
                                    kinderen duurzaam een huishouden voeren dan wel uit een
                                    meerderjarige alleenstaande die met één of meer ongehuwde
                                    kinderen duurzaam een huishouden voert;</al></li><li nr="r."><al>Meerderjarige: een persoon van 18 jaar of ouder;</al></li><li nr="s."><al>Hoofdverblijf: de woonruimte waar de aanvrager zijn vaste woon-
                                    en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres de
                                    aanvrager in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven
                                    of zal worden ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres
                                    indien de aanvrager met een briefadres in de gemeentelijke
                                    basisadministratie ingeschreven staat of zal staan;</al></li><li nr="t."><al>Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                    persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                                    verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                                    verschuldigd is;</al></li><li nr="u."><al>Inkomen: </al><lijst><li nr="·"><al>het netto-inkomen, conform de berekening zoals
                                            aangegeven in het Besluit Wmo; </al></li><li nr="·"><al>het gezamenlijk netto-inkomen, conform de berekening
                                            zoals aangegeven in het Besluit Wmo van de ouders of
                                            pleegouders van de persoon met beperkingen, indien deze
                                            persoon jonger is dan 18 jaar en alleenstaand is;</al></li><li nr="·"><al>het gezamenlijk netto-inkomen, conform de berekening
                                            zoals aangegeven in het Besluit Wmo van de persoon met
                                            beperkingen en zijn echtgenoot in de zin van artikel 1
                                            lid 2 tot en met 7 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="v."><al>Norminkomen: de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet werk
                                    en bijstand,</al></li></lijst><al>omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze normen voor een
                            persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een
                            alleenstaande of een genoemd in artikel 25, tweede lid, van de Wet werk
                            en bijstand, en de normen van een alleenstaande of gehuwde, die in een
                            inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de be dragen, genoemd in
                            artikel 23, tweede lid, van de Wet werk en bijstand;</al><al>w.Hulp bij het huishouden: een voorziening ten behoeve van het
                            ondersteunen bij of het</al><al>overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het
                            huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een
                            persoon behoort;</al><al>x.Woonvoorziening: een voorziening, niet zijnde een huishoudelijke
                            voorziening of een</al><al>rolstoelvoorziening, die de belanghebbende in staat stelt tot het
                            normale gebruik van de woning.</al><al>y.Vervoersvoorziening: voorziening die de belanghebbende in staat stelt
                            zich lokaal te</al><al>verplaatsen per vervoermiddel.</al><lijst><li nr="z."><al>z. Rolstoelvoorziening: voorziening die de persoon met
                                    beperkingen in staat stelt zich in en om de woning te
                                    verplaatsen en waarvan rijden de primaire functie is.</al></li><li nr="aa."><al>Besluit Wmo: een door het college vast te stellen besluit, ter
                                    uitwerking van het in deze verordening gestelde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening wordt toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van een huishouden, het normale
                                        gebruik van de woning, het verplaatsen in en om de woning,
                                        het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het
                                        ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale
                                        verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager staat ingeschreven of binnen een redelijke
                                        termijn wordt ingeschreven in de gemeentelijke
                                        basisadministratie dan wel het feitelijk woonadres binnen de
                                        gemeente heeft;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling
                                        aanspraak op de voorziening bestaat;</al></li><li nr="c."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, danwel krachtens de aan
                                        deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen of tenzij er
                                        sprake is van een wijziging in de beperkingen waardoor de
                                        voorziening niet langer adequaat is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de gevraagde
                                voorziening op grond van het bepaalde in lid 2 onderdeel d te
                                weigeren, indien zij uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven tot het
                                maken van de kosten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de keuze tussen deze</al><al>voorzieningen wordt geboden aan de hand van de in het Besluit Wmo
                            neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoonsgebonden budget kan slechts worden verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager zich, als op grond van deze verordening eerder
                                        een persoonsgebonden budget is verstrekt, gehouden heeft aan
                                        de bij de verstrekking van dat persoonsgebonden budget
                                        opgelegde verplichtingen;</al></li><li nr="b."><al>er geen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de
                                        aanvrager niet in staat is tot een verantwoorde besteding
                                        van het persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De budgethouder van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het
                                huishouden voor 4 uur per week of hoger, legt aan het college
                                verantwoording af omtrent de besteding van het persoonsgebonden
                                budget conform de regels die genoemd worden in het Besluit Wmo.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De budgethouder van het persoonsgebonden budget voor een
                                woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een rolstoelvoorziening
                                overlegt, ter verantwoording omtrent de besteding van het
                                persoonsgebonden budget, de nota van aankoop.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De budgethouder deelt het college op verzoek of onverwijld uit eigen
                                beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem
                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn
                                op de verstrekking van het persoonsgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college gaat na of het verstrekte persoonsgebonden budget is
                                besteed aan het doel waarvoor het verstrekt is. De budgethouder is
                                verplicht de daarvoor noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het
                                Besluit Wmo te verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld en de
                                wijze van uitbetaling en verantwoording is door het college
                                vastgelegd in het Besluit Wmo.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van
                                een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, kan de
                                aanvrager een eigen bijdrage worden opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van
                                een financiële tegemoetkoming, kan de aanvrager een eigen aandeel
                                worden opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt in het Besluit Wmo de omvang van de eigen bijdrage
                                en het eigen aandeel vast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale
                            problemen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening
                            kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen in hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen of
                                recreatiewoningen.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> Geen voorziening wordt toegekend voor zover de aangevraagde
                                voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het
                                uitrustingsniveau voor sociale woningbouw.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet komt niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als
                            tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer
                            huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te
                            verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren,
                            afgerond naar decimalen per week.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Geen langdurige noodzaak</titel></kop><al>In afwijking van artikel 1.2 lid 1 onder a kan het college hulp bij het
                            huishouden verstrekken als er geen langdurige noodzaak is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene omschrijving.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren
                                van een huishouden, het normale gebruik van de woning en het zich in
                                de woning verplaatsen, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan
                                uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                        woonvoorziening;</al></li></lijst><al>c een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                woonvoorziening.</al><al>Artikel 4.2 Soorten woonvoorzieningen</al><al>De in artikel 4.1 genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                        herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een financiële tegemoetkoming in de bouwkundige of
                                        woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een voorziening in natura of persoonsgebonden budget voor de
                                        niet bouwkundige of niet</al></li></lijst><al>woontechnische woonvoorziening;</al><lijst><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming voor een uitraasruimte;</al></li><li nr="e."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke
                                        huisvesting;</al></li><li nr="f."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                        huurderving;</al></li><li nr="g."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van het
                                        verwijderen van voorzieningen;</al></li><li nr="h."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud,
                                        keuring en reparatie.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Het recht op een woonvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Primaat van de verhuizing en de uitraasruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 4.2 onder a in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek,
                                    inclusief chronische psychische en psychosociale problemen het
                                    normale gebruik van de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 4.2 onder b en c in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of
                                    niet de goedkoopst adequatevoorziening is, of;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>er niet binnen 12 maanden na de dag waarop een beslissing op de
                                    aanvraag is genomen, een geschikte woning beschikbaar komt,
                                    of;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aantoonbare medische belemmeringen zich verzetten tegen
                                    verhuizing danwel tegen een zoektijd van 12 maanden, of;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de geschikte woning een aanzienlijke stijging van de woonlasten
                                    met zich meebrengt, of;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>er sprake is van aanwezigheid van mantelzorg die wordt verleend
                                    door mensen uit de directe omgeving van de woning van de
                                    aanvrager, of;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige
                                    activiteiten niet meer kunnenworden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 4.2, onder d in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    sprake is van</al><al> een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                    gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale
                                    problemen, aanwezige gedragsstoornis</al><al> met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich
                                    kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze
                                    persoon tot rust kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Het college zal een herplaatsbare losse woonunit verstrekken, mits
                                daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan, indien:</al><al>a.een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of een
                                aanzienlijke</al><al>verbouwing van een woning, en </al><al>b.deze woning niet het eigendom is van een verhuurder die bereid is
                                de aangepaste woning</al><al>blijvend ter beschikking te stellen van personen die op basis van
                                aantoonbare beperkingen</al><al>ten gevolge ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en
                                psychosociale problemen</al><al>behoefte hebben aan een dergelijke woning.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Voorwaarden bij verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing
                                    op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                    vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en
                                    instellingen die onder de AWBZ vallen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het treffen van voorzieningen in specifiek op mensen met
                                    beperkingen gerichte</al><al> woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in
                                    gemeenschappelijke ruimten danwel</al><al> voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder
                                    noemenswaardige meerkosten</al><al> meegenomen kunnen worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend voor zover de aangevraagde
                                    voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het
                                    uitrustingsniveau voor sociale woningbouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de
                                        aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de
                                        woonruimte waaraan of waarin de voorziening wordt getroffen
                                        en de aanvrager niet zijn hoofdverblijf heeft in een
                                        AWBZ-instelling.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                        woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken
                                        van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf
                                        heeft in een AWBZinstelling.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de
                                        gemeente waar de aan te passen woning staat.</al></li><li nr="4."><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van
                                        de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het
                                        college in het Besluit Wmo vast te leggen
                                        maximumbedrag.</al></li><li nr="5."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het
                                        middels een woonvoorziening</al></li></lijst><al>bewerkstelligen dat de aanvrager de woonruimte en een toilet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                                wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                        gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                        belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                        gevolg van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische
                                        en psychosociale problemen geen aanleiding bestond en er
                                        geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment</al><al> beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren
                                        schriftelijk toestemming is</al><al> verleend door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                        ruimten anders dan</al><al> elektrische deuropeners, hellingbanen van de openbare weg
                                        naar de toegang van het gebouw en extra trapleuningen.</al></li><li nr="d."><al>deze betrekking heeft op het aanpassen van hobby- en
                                        recreatieruimten, tenzij uitsluitend via deze ruimte(n) de
                                        woning bereikt kan worden.</al></li><li nr="e."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op
                                        basis van leeftijd,</al><al> gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
                                        voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
                                        een onverwacht optredende noodzaak;</al></li><li nr="f."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen;</al></li><li nr="g."><al>verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet bestemd
                                        is om het gehele jaar door</al><al> bewoond te worden;</al></li><li nr="h."><al>verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                                        instelling gericht op het verstrekken van zorg</al></li><li nr="i."><al>er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale
                                        gebruik van de woning zijn</al><al> ondervonden;</al></li><li nr="j."><al>er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                        ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of
                                        woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde
                                        woning.</al></li><li nr="k."><al>de beperkingen niet in de woning zelf, waartoe ook de
                                        toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen, worden
                                        ondervonden.</al></li><li nr="l."><al>de kosten van de voorziening gelijk zijn aan of meer
                                        bedragen dan € 45.378,=, tenzij</al><al> weigering van de voorziening gelet op het belang dat de wet
                                        beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van
                                        overwegende aard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Aard van de materialen</titel></kop><al>a.geen woonvoorziening wordt toegekend voor zover de ondervonden
                                problemen bij het</al><al>normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de
                                woning gebruikte</al><al>materialen;</al><al>b.het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming ten
                                behoeve van</al><al>woonvoorzieningen van bouwkundige of woontechnische aard voor zover
                                de ondervonden</al><al>beperkingen niet voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                gebruikte materialen of uit de</al><al>slechte staat van de woning als gevolg van onvoldoende
                                onderhoud.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Aanvang werkzaamheden en inzicht in woning</titel></kop><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming
                                indien:</al><al>a.niet reeds een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de
                                financiële</al><al>tegemoetkoming betrekking heeft, mits daarvoor hun toestemming is
                                verleend;</al><al>b.de door hen aangewezen personen toegang wordt verstrekt tot de
                                woonruimte waar de</al><al>woonvoorziening wordt verricht;</al><al>c.aan de onder b genoemde personen alle gevraagde inlichtingen
                                worden verstrekt welke</al><al>betrekking hebben op de woonvoorziening;</al><al>d.de onder b genoemde personen de gelegenheid wordt geboden tot het
                                controleren van de</al><al>woonvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Gereedmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Direct na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk
                                    binnen 15 maanden na het verlenen van de financiële
                                    tegemoetkoming, verklaart de woningeigenaar aan het college dat
                                    de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gereedmelding is tevens een verzoek tot vaststelling en
                                    uitbetaling van de financiële</al><al> tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gereedmelding bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van
                                    een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is
                                    voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële
                                    tegemoetkoming is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt verstrekt,
                                    dient gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en
                                    betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter
                                    controle beschikbaar te houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een
                                woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de
                                woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 5
                                jaar na gereed melding van de voorziening, deze verkoop van de
                                woning onverwijld aan het college te melden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Aanpassingen van woonwagens</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Woonvoorzieningen voor woonwagens</titel></kop><al>Een woonvoorziening voor een woonwagen wordt slechts verleend
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5
                                        jaar is; en</al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                        aanmerking komt; en</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor
                                        een woonvoorziening bij</al></li></lijst><al>de gemeente op de standplaats stond; en</al><al>d.de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een
                                bewoningsvergunning als</al><al>bedoeld in de Woningwet; en</al><al>e.voor het plaatsen van de woonwagen een bouwvergunning is of kan
                                worden verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Overige woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Vrijmaken woning</titel></kop><al>Indien een persoon op verzoek van het college ten behoeve van een
                                persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                                en 6 van de wet een woning vrijmaakt, kan deze persoon een
                                woonvoorziening zoals vermeld in artikel 4.2 onder a worden
                                verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Tijdelijke huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                    tijdelijke huisvesting verlenen die door de persoon als bedoeld
                                    in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet
                                    moeten worden gemaakt in verband met het aanbrengen van
                                    woonvoorzieningen in:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zijn huidige woonruimte;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de door de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                    g, onderdeel 5 en 6 van de wet nog te betrekken woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld bij het eerste lid
                                    onder a en b wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de
                                    woonruimte waarin de woonvoorziening wordt aangebracht ten
                                    gevolge van het realiseren van de woonvoorziening niet bewoond
                                    kan worden en de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                    onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet, als gevolg daarvan voor
                                    dubbele woonlasten komt te staan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent uitsluitend een financiële tegemoetkoming
                                    in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het
                                    eerste lid indien deze kosten gemaakt worden in verband met
                                    het:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tijdelijk betrekken van een woonruimte;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    kosten van tijdelijke huisvesting als de persoon als bedoeld in
                                    artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet
                                    redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij deze dubbele
                                    woonlasten heeft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De maximale termijn waarvoor een financiële tegemoetkoming in de
                                    kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt verleend, bedraagt zes maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Huurderving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert de aard en het aantal woonvoorzieningen
                                    in woningen in de gemeente en kan desgewenst met een of meerdere
                                    eigenaren van deze woningen afspraken maken over de toewijzing
                                    van deze woningen aan personen als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van huurbeëindiging van een woning waarin
                                    woonvoorzieningen zijn aangebracht, kan het college een
                                    financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning
                                    in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van
                                    maximaal 6 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr><titel>Verwijderen van voorzieningen</titel></kop><al>De kosten van het verwijderen van woonvoorzieningen die door de
                                gemeente in bruikleen zijn verstrekt, worden door de gemeente
                                vergoedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.17.</nr><titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                kosten van onderhoud, keuring en reparatie als bedoeld in artikel
                                4.2 onder h, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening in het kader van de wet, de Wvg dan wel
                                        de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten
                                        (RGSHG) is verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>de woonvoorziening is opgenomen in het door het college vast
                                        te stellen besluit Wmo;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager ten tijde van het onderhoud, keuring of
                                        reparatie de woonruimte als hoofdverblijf heeft en
                                        bewoont.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een collectieve vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Het recht op een collectieve voorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g, onderdeel 5 en
                            6 van de wet kan voor de in artikel 5.1 onder a. vermelde voorziening in
                            aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van
                            ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en</al><al>psychosociale problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1, onder b. en c. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische
                            psychische en psychosociale problemen het gebruik van een collectief
                            systeem als bedoeld in artikel 5.1, onder a, onmogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Inkomensgrens vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het inkomen van een persoon met beperkingen meer bedraagt dan
                                1,5 maal het norminkomen wordt het bezit van een personenauto
                                algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto
                                vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en
                                onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of
                                vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een persoon als
                                bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de
                                wet voor een vervoersvoorziening in de vorm van een rolstoeltaxi,
                                niet zijnde een collectieve vervoersvoorziening, in aanmerking komen
                                indien het inkomen niet meer bedraagt dan 2 maal het
                                norminkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking op het gestelde in het eerste lid wordt rekening
                                gehouden met de vervoersbehoefte buiten de directe woon- of
                                leefomgeving in een situatie waarin een bovenregionaal contact
                                alleen door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek
                                voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te
                                voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een
                                omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000
                                kilometer mogelijk maken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Rolstoelvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening,</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Het recht op een rolstoelvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder a en b vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische
                                psychische en psychosociale problemen dagelijks zittend verplaatsen
                                in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt
                                worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een
                                andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder c vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische
                                psychische en psychosociale problemen het sporten zonder
                                sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 6.2, lid 1 komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Toegang tot voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>De aanvraag voor voorzieningen op grond van deze verordening kan worden
                            ingediend bij het loket WegWijs.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om,voor zover dit van belang kan zijn voor de
                                beoordeling van het recht op een voorziening, de aanvrager:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                                bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of
                                meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of
                                onderzoeken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt het Centrum Indicatiestelling Zorg in voorkomende
                                gevallen om advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvrager is verplicht aan het college of de door hen aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de beoordeling van het recht op een voorziening, wordt gebruik
                                gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International
                                Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de
                                zogenaamde ICF classificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager verricht het college onderzoek
                            naar de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                    verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al></li><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van onjuiste gegevens een besluit is genomen dat niet
                                    genomen zou zijn als</al></li></lijst><al>de juiste gegevens wel bekend waren geweest.</al><al>2.Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                            persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                            tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                            aangewend voor de bekostiging van het middel of voorziening waarvoor de
                            verlening heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een besluit geheel of gedeeltelijk is ingetrokken kan op
                                basis daarvan een reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of
                                persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk worden
                                teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van onjuiste of onvolledig
                                verstrekte gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald,
                            indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze</al><al>verordening berustende Besluit Wmo geldende bedragen verhogen of
                            verlagen conform de</al><al>ontwikkelingen van de prijsindex voor de gezinsconsumptie volgens het
                            Centraal Bureau voor de Statistiek. Uitzondering zijn de bedragen
                            genoemd in artikel 3.1 van het Besluit Wmo. De hierin genoemde bedragen
                            worden met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast conform de
                            standaard parameters Wmo die worden bekend gemaakt door het Ministerie
                            van Volkshuisvesting, Welzijn en Sport.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar
                            geëvalueerd.</al><al>In het gemeentelijk jaarverslag legt het college verantwoording af over
                            het door haar gevoerde beleid. Indien de evaluatie daartoe aanleiding
                            geeft wordt deze verordening aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wmo gemeente Boxtel
                            2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>