<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR102464_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxtel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxtel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1:</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>de wet: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte</al><al> werkloze werknemers (afgekort IOAW) en / of de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen (afgekort IOAZ);</al></li><li nr="2."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Boxtel;</al></li><li nr="3."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Boxtel;</al></li><li nr="4."><al>uitkering: de uitkering bedoeld in hoofdstuk II IOAW of
                                    hoofdstuk II IOAZ;</al></li><li nr="5."><al>maatregel:het verlagen van de grondslag op
                                    grond van artikel 20 tweede lid IOAW en artikel 20 eerste lid
                                    IOAZ, alsmede het weigeren van een uitkering op grond van
                                    artikel 20 eerste lid IOAW en artikel 20 tweede lid IOAZ;</al></li><li nr="6."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet
                                    of niet behoorlijk nakomen van de</al><al> inlichtingenplicht ten onrechte is verleend als uitkering.</al></li><li nr="7."><al>grondslag: de voor de werkloze werknemer dan wel gewezen
                                    zelfstandige toepasselijke grondslag bedoeld in artikel 5 derde,
                                    vierde en vijfde lid IOAW, onderscheidenlijk artikel 5, vierde
                                    lid IOAZ.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Het weigeren of verlagen van de uitkering.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college weigert de uitkering de uitkering indien er sprake is
                                van situaties zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid IOAW dan wel
                                artikel 20, tweede lid IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verlaagt de uitkering in de gevallen genoemd in artikel
                                20 IOAW tweede lid, dan wel artikel 20, eerste lid van de IOAZ
                                overeenkomstig de regels gesteld in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Het horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren</al></li></lijst></li></lijst><al> te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden
                            hebben voorgedaan; </al><al>c.de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college
                            of van een derde aan</al><al> wie het college met toepassing van artikel 34 van de wet werkzaamheden
                            in het kader van de </al><al> wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                            verstrekken als bedoeld in </al><al> artikel 13 van de wet;</al><al>d.er sprake is van zeer ernstige gedragingen als bedoeld in artikel 14
                            van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Het afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte uitkering is
                                        verstrekt. Een maatregel wegens schending van de
                                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                        jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Het besluit tot het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage alsmede het bedrag, waarmee de grondslag wordt verlaagd, en
                            voor zover van toepassing, de reden om af te wijken van de
                            standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- De ingangsdatum en het tijdvak van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt in beginsel opgelegd met ingang van de eerst
                                volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot
                                het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de geldende grondslag,
                                zoals die gold binnen de eerste maand waarin de verwijtbare
                                gedraging heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, onder toepassing van een herzienings- of
                                terugvorderingsbesluit, vanaf de kalendermaand volgend op de datum
                                van de verwijtbare gedraging</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt in beginsel voor bepaalde tijd opgelegd voor een
                                periode van maximaal drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de maatregel bij nieuwe uitkeringen
                                opgelegd met ingang van de ingangsdatum van de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de belanghebbende jegens wie een maatregel moet worden
                                toegepast niet langer een uitkering ontvangt van de gemeente die de
                                verlaging moet toepassen, dan heeft het college de bevoegdheid om
                                bij een eventuele nieuwe uitkeringsaanvraag binnen 6 maanden na de
                                beëindigingdatum van het vorige recht op uitkering alsnog rekening
                                te houden met de eerdere maatregelwaardige gedraging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- De heroverweging van de hoogte en/of duur van een
                                maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt
                                opgelegd, wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer
                                is gelegd, heroverwogen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het
                                gedrag van belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot
                                herziening, beëindiging of voortzetting van de maatregel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij een besluit tot voortzetting van de maatregel
                                het percentage van de maatregel verdubbelen, tenzij reeds het
                                maximum percentage is vastgesteld, rekening houdend met de ernst van
                                de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                                omstandigheden van de belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Recidive, samenloop en geïndividualiseerde
                                maatregeloplegging.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van een maatregel als bedoeld in artikel 2, tweede lid van
                                deze verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich
                                binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                                maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging van dezelfde of hogere categorie dan wel met een zelfde of
                                een hoger benadelingsbedrag, zoals bedoeld in Hoofdstuk 2, 3 en 4
                                van deze verordening. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 4 tweede lid van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich, na een besluit als bedoeld in het
                                eerste lid, wederom schuldig maakt aan verwijtbare gedragingen van
                                dezelfde of een hogere categorie dan wel met eenzelfde of een hoger
                                benadelingsbedrag, zoals bedoeld in Hoofdstuk 2, 3 en 4 van deze
                                verordening, én die plaatsvinden binnen een periode van 12 maanden
                                na het laatste maatregel-recidivebesluit, kan het college al
                                individualiserend de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende
                                gelijksoortige dan wel ongelijksoortige, verwijtbare gedragingen
                                zoals genoemd in artikel 2 van deze verordening en die
                                tegelijkertijd of binnen een korte periode van maximaal twee maanden
                                plaatsvinden, kan het college al individualiserend de hoogte en de
                                duur van de op te leggen maatregel vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de beoordeling van de hoogte en de duur van een
                                geïndividualiseerde maatregel houdt het college nadrukkelijk
                                rekening met het benadelingsbedrag dat redelijkerwijs als gevolg
                                toegerekend kan worden aan het verwijtbaar handelen of nalaten van
                                een belanghebbende.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN VOORZIENINGEN GERICHT OP
                            ARBEIDSINSCHAKELING OF ARBEIDSACTIVERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 37 IOAW of artikel 37 IOAZ niet of onvoldoende is nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV WERKbedrijf of het niet tijdig</al></li></lijst></li></lijst><al> laten verlengen van de registratie; </al><lijst><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            op een aangegeven plaats en tijd te</al></li></lijst></li></lijst><al> verschijnen in verband met de inschakeling in de arbeid; </al><al>b.het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot</al><al> arbeidsinschakeling dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
                            scholing, opleiding </al><al> of arbeidsactivering; </al><lijst><li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van een door het</al></li></lijst></li></lijst><al> college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als
                            bedoeld in artikel 37 eerste </al><al> lid sub e van de wet, waaronder begrepen arbeidsactivering, als dit
                                <onderstreept>niet</onderstreept> heeft geleid tot het </al><al> geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject. </al><lijst><li nr="b."><al>andere gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren;</al><lijst><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik
                                    maken van een door het</al></li></lijst><al> college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als
                            bedoeld in artikel 37 eerste </al><al> lid sub e, waaronder begrepen arbeidsactivering, als dit heeft geleid
                            tot het geen doorgang </al><al> vinden of voortijdige beëindiging van het traject; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- De hoogte en duur van de maatregel bij een eerste verwijtbare
                                gedraging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld :</al><lijst><li nr="a."><al>op een bedrag gelijk aan van vijf procent van de netto
                                        grondslag gedurende één maand bij</al><al> gedragingen van de eerste categorie; </al></li><li nr="b."><al>op een bedrag gelijk aan tien procent van de netto grondslag
                                        gedurende één maand bij</al><al> gedragingen van de tweede categorie; </al></li><li nr="c."><al>op een bedrag gelijk aan twintig procent van de netto
                                        grondslag gedurende één maand bij</al><al> gedragingen van de derde categorie; </al></li><li nr="d."><al>op een bedrag gelijk aan honderd procent van de netto
                                        grondslag gedurende één maand bij</al><al> gedragingen van de vierde categorie.</al><al>HOOFDSTUK 3: HET NIET-TIJDIG, ONVOLDOENDE DAN WEL
                                        NIET-NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</al><al> Artikel 11 - Te laat verstrekken van gegevens</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende de
                                                inlichtingenverplichting op grond van artikel 13 van
                                                de IOAW en artikel 13 van de IOAZ of artikel 30 c
                                                tweede of derde lid Wet Suwi niet is nagekomen door
                                                informatie die van belang is voor de verlening van
                                                uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                                door het college daartoe gestelde termijn te
                                                verstrekken, wordt ten eerste een termijn gegeven
                                                van 5 werkdagen om de inlichtingen alsnog te
                                                verstrekken. Is de informatie na het verstrijken van
                                                de 5 werkdagen niet gegeven dan wordt, met
                                                toepassing van artikel 17 IOAW of artikel 17 IOAZ,
                                                het recht op uitkering opgeschort en een maatregel
                                                opgelegd en vastgesteld op een bedrag gelijk aan 10
                                                % van de netto grondslag gedurende één maand,
                                                onverminderd artikel 2 derde lid van deze
                                                verordening.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan het college,
                                                indien het te laat verstrekken van gegevens niet
                                                heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                                bedrag verlenen uitkering, afzien van het opleggen
                                                van een maatregel en volstaan met het geven van een
                                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het te laat
                                                verstrekken van gegevens heeft plaatsgevonden binnen
                                                een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
                                                waarop eerder aan de belanghebbende een
                                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst><al>Artikel 12 - Het niet verstrekken of het verstrekken van
                                        onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de
                                        uitkering. </al><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                                inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 13
                                                IOAW</al><al> en artikel 13 IOAZ, of artikel 30c, tweede of derde
                                                lid Wet SUWI heeft geleid tot het ten onrechte of
                                                tot een te hoog bedrag verlenen uitkering, wordt de
                                                maatregel afgestemd op de hoogte van het </al><al> benadelingsbedrag. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2 derde lid van deze
                                                verordening, wordt de maatregel op de volgende
                                                wijze</al><al> vastgesteld: </al></li><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,- : een bedrag
                                                gelijk aan 10% van de netto grondslag</al><al> gedurende één maand; </al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-:
                                                een bedrag gelijk aan 20% van de</al><al> netto grondslag gedurende één maand; </al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-:
                                                een bedrag gelijk aan 40% van de</al><al> netto grondslag gedurende één maand; </al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- tot het
                                                bedrag van de aangiftegrens van de Richtlijn</al><al> voor strafvordering sociale zekerheidsfraude: een
                                                bedrag gelijk aan 100% van de netto </al><al> grondslag gedurende één maand.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het maatregelbedrag van lid 2 sub a is
                                                maximaal het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="4."><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al></li><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                                ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                                aanvang heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen,
                                                doordat het Openbaar Ministerie een schikking met
                                                belanghebbende heeft getroffen.</al></li></lijst><al>Artikel 13 - Het niet verstrekken of het verstrekken van
                                        onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de
                                        uitkering.</al><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                                inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 13
                                                IOAW</al><al> of IOAZ, <onderstreept>niet</onderstreept> heeft
                                                geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                                bedrag verlenen van uitkering, </al><al> bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 2 derde
                                                lid van deze verordening, een bedrag gelijk aan tien
                                                procent van de netto grondslag gedurende een maand.
                                            </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan het college,
                                                indien het niet of niet behoorlijk nakomen van
                                                de</al><al> inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot het
                                                ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen </al><al> van uitkering, afzien van het opleggen van een
                                                maatregel en volstaan met het geven van een </al><al> schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet
                                                behoorlijk nakomen van de verplichting heeft </al><al> plaatsgevonden binnen een periode van twee jaar te
                                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan </al><al> de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                                gegeven.</al></li></lijst><al>HOOFDSTUK 4: ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</al><al>Artikel 14 - Vormen van agressie</al><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende zich tegenover het college of
                                                zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt als</al><al> bedoeld in artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20
                                                eerste lid IOAZ, wordt een maatregel opgelegd. </al></li><li nr="2."><al>Bij zeer ernstige misdragingen kan onderscheid
                                                gemaakt worden in:</al></li><li nr="a."><al>Het toebrengen van letsel aan personen en / of
                                                schade aan goederen of een poging daartoe</al><al> middels fysiek geweld in de vorm van duwen,
                                                trekken, schoppen, slaan, gooien met voorwerpen,
                                                spugen.</al></li><li nr="b."><al>Het bedreigen van een medewerker met fysiek geweld,
                                                waaronder begrepen het hiertoe aanstalten
                                                maken.</al></li><li nr="c."><al>Het uitschelden van een medewerker.</al></li></lijst><al>Artikel 15 - Hoogte en duur van de maatregel bij zeer
                                        ernstige misdragingen</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van de maatregel bij art. 14, tweede lid,
                                                onderdeel a bedraagt een bedrag gelijk aan 100 % van
                                                de netto grondslag gedurende één maand.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de maatregel bij art. 14, tweede lid,
                                                onderdeel b bedraagt een bedrag gelijk aan</al><al> 50 % van de netto grondslag gedurende één
                                                maand.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de maatregel bij art. 14, tweede lid,
                                                onderdeel c bedraagt een bedrag gelijk aan</al><al> 20 % van de netto grondslag gedurende één
                                                maand.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>- Agressieprotocol</titel></kop><al>Bij zeer ernstige misdragingen door cliënten van de afdeling Sociale
                            Zaken worden eveneens de richtlijnen voor agressie gevolgd zoals
                            verwoord in het “Handboek veiligheid”, onderdeel “Het omgaan met
                            agressie”.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>- De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na publicatie en
                            werkt terug tot 1 juli 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening IOAW en
                            IOAZ .</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting bij de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ </tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening
                    aan gemeenten, afgekort de Wet BUIG zijn wijzigingen aangebracht in zowel de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (IOAW) als in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Eén van de wijzigingen is dat
                    het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ per 1-1-2010 is vervallen. In dat
                    besluit werd geregeld wanneer en in welke mate een maatregel (verlaging van de
                    uitkering) opgelegd kon worden. </al><al>Daarvoor in de plaats moeten gemeenten zelf een verordening vaststellen. Dat is
                    geregeld in artikel 35 van zowel IOAW als IOAZ, waarin aan de gemeenteraad wordt
                    opgedragen een verordening vast te stellen. Het betreft dan de
                    Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ. Een Afstemmingsverordening kennen we ook al
                    voor de Wet Werk en bijstand (WWB) en de Wet investeren in jongeren (WIJ). De
                    verordening mag echter niet eerder ingaan dan 1-7-2010. </al><al>In de periode 1-1-2010 tot 1-7-2010 is er geen regeling om een maatregel op te
                    leggen omdat enerzijds het Maatregelbesluit Abw, IOAW en IOAZ al is ingetrokken
                    per 1-1-2010 en de nieuwe Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ niet eerder mag
                    ingaan dan 1-7-2010. Stimulansz van SZW adviseerde om een tijdelijke
                    beleidsregel toe te passen gedurende deze 6 maanden, bijvoorbeeld door analoog
                    te handelen aan het bepaalde in het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ. </al><al>Een beleidsregel is een bevoegdheid van het college terwijl het
                    afstemmingsbeleid een bevoegdheid is van de raad. Vandaar ook nu de opdracht om
                    dit per verordening te regelen. Het advies van Stimulansz is daarom vreemd en
                    het is dan ook de vraag of een opgelegde maatregel in die periode op basis van
                    een beleidslijn bij een beroepsrechter stand kan houden. </al><al>Het aantal uitkeringsgerechtigden IOAW en IOAZ is zeer gering en het komt zeer
                    zelden voor dat er een maatregel overwogen moet worden of opgelegd moet worden.
                    Nu kan gesteld worden dat er in die periode in de IOAW en IOAZ geen situaties
                    zijn geweest waarbij een maatregel opgelegd moest worden.</al><al>Er wordt gekozen voor het vaststellen van een aparte Afstemmingsverordening IOAZ
                    en IOAW en niet voor een gezamenlijke verordening met de WWB of WIJ. Dat heeft
                    diverse redenen:</al><al>-een verordening is in de regel gebaseerd op één wet en niet verschillende
                    wetten. Ook IOAW en</al><al> IOAZ zijn 2 wetten, maar deze lijken op elkaar waardoor het wel mogelijk is om
                    voor deze twee </al><al> wetten één verordening vast te stellen.</al><al>-IOAW en IOAZ worden uitgedrukt in bruto bedragen, terwijl bij WWB en WIJ wordt
                    gesproken over</al><al> netto bedragen.</al><lijst><li nr="-"><al>Bij IOAW en IOAZ is een grondslag het uitgangspunt zoals dat bij de WWB
                            de bijstandsnormen zijn.</al></li><li nr="-"><al>Door de verschillende terminologie zoals hiervoor is beschreven, wordt
                            een verordening onleesbaar</al></li></lijst><al> als voor alle regelingen één verordening zou worden vastgesteld.</al><al>-Het aantal uitkeringsgerechtigden IOAW en IOAZ is erg gering en de vraag is hoe
                    lang deze regeling</al><al> dan nog blijft bestaan. Mocht de regelingen afgeschaft worden vervalt een
                    aparte verordening van</al><al> rechtswege. </al><al>Wel heeft de bestaande Afstemmingsverordening voor de WWB model gestaan voor de
                    Afstemmings-verordening IOAW en IOAZ. Het beleid ten aanzien van het gebruik van
                    het opleggen van een maatregel hoeft niet te verschillen omdat het om
                    verschillende regelingen gaat. Soms zijn er wel verschillen met de
                    Afstemmingsverordening WWB, maar dit heeft dan te maken met verschillen in de
                    wetgeving. Als voorbeeld kan “ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid”
                    genoemd worden. In de WWB kan daarvoor een maatregel worden opgelegd. De IOAW en
                    IOAZ kent geen “ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid”.</al><al>Een ander verschil met de WWB is dat de IOAW en de IOAZ geen finale wetten zijn
                    maar een voorliggende voorziening ten opzichte van de WWB. Ze zijn destijds in
                    het leven geroepen om te voorkomen dat met name oudere werklozen na hun
                    WW-uitkering een beroep moesten doen op bijstand en er vaak sprake was van
                    vermogen in de vorm van onroerend goed. Vermogen telt namelijk niet mee in de
                    IOAW en slechts in beperkte mate in de IOAZ. De IOAW is dan ook te zien als een
                    verlengstuk van de WW op basis van het bestaansminimum. Vandaar dat de hoogte
                    van een uitkring in het kader van IOAW en IOAZ ook uitgedrukt worden in bruto
                    grondslagen en niet zoals in de WWB in netto normen. Ook WW wordt bruto
                    toegekend.</al><al>Omdat IOAW en IOAZ voorliggende voorzieningen zijn ten opzichte van de WWB is
                    het mogelijk om bij bepaalde gevallen de uitkering volledig blijvend te
                    weigeren. Ook de WW kent de weigering om dezelfde redenen. In artikel 20 eerste
                    lid IOAW en artikel 20 tweede lid IOAZ geeft de wetgever de mogelijkheid om in
                    het afstemmingsbeleid gebruik te maken van blijvende of tijdelijke weigering van
                    het recht op IOAW en IOAZ (een <cursief>kan</cursief>-bepaling). Analoog aan het
                    Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ is in deze verordening gekozen voor een
                    volledige en blijvende weigering. </al><al>Deze weigering kan worden toegepast als een persoon door eigen toedoen (dus
                    verwijtbaar) werkloos is geworden, of als hij geen algemeen geaccepteerde arbeid
                    aanvaard of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                    verkrijgt.</al><al>In de verordening is in Hoofdstuk 2 ook geregeld dat bij ander gedrag dan
                    hiervoor genoemd een maatregel opgelegd kan worden. In artikel 9 worden
                    categorieën van gedragingen genoemd. Gedrag in de eerste categorie is minder
                    ernstig dan gedrag van de vierde categorie. De gedragingen van artikel 9 hebben
                    hoofdzakelijk te maken met het meewerken aan re-integratie. </al><al>In Hoofdstuk 3 worden gedragingen genoemd die te maken hebben met het niet, niet
                    juist of niet tijdig nakomen van de informatieverplichting en waarvoor een
                    maatregel opgelegd kan worden. Daarbij wordt wel onderscheid gemaakt of dat
                    gedrag wel of niet heeft geleid tot te veel verstrekken van uitkering.</al><al>In Hoofdstuk 4 wordt geregeld welke vormen van agressief gedrag tot een
                    maatregel leiden. In artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20 eerste lid IOAZ
                    geeft de wetgever de mogelijkheid om een maatregel toe te passen bij “zeer
                    ernstige misdragingen” ten aanzien van het college of medewerkers die met de
                    uitvoering van de wet belast zijn. </al><al>In de Afstemmingsverordening WWB wordt verwezen naar beleidsregels waarin vormen
                    van gedrag worden beschreven en de daarbij horende maatregel. In de
                    Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ worden deze regels in de verordening
                    opgenomen, net zoals dat ook is gebeurt in de Afstemmings-verordening WIJ. Bij
                    de eerstvolgende wijziging van de Afstemmingsverordening WWB zullen de vormen
                    van agressie en daarbij horende maatregelen opgenomen worden in de verordening
                    en worden de aparte beleidsregels overbodig.</al><al>Omdat de IOAW en IOAZ in bruto grondslagen wordt uitgedrukt en in de WWB
                    gesproken wordt over netto normen moest in de Afstemmingsverordening IOAW en
                    IOAZ ook gezocht worden naar formuleringen waardoor de maatregel netto hetzelfde
                    zou zijn als in de WWB. Dit om te voorkomen dat er sprake zou zijn van
                    rechtsongelijkheid.</al><al>De verordening had al per 1 juli 2010 in moeten gaan. Vandaar dat in artikel 17
                    wordt voorgesteld om de verordening in te laten gaan op de dag na publicatie en
                    terug te laten werken tot 1 juli 2010.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 - Begripsomschrijving</tussenkop><al>Hierin zijn enkele begrippen opgenomen die in de verordening worden gebruikt.
                    Wettelijk omschreven begrippen worden niet in dit artikel opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2 - Het weigeren of verlagen van de uitkering</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>De wetgever geeft de raad de bevoegdheid om in wettelijk omschreven situaties de
                    uitkering te weigeren. Het gaat daarbij om een <cursief>kan</cursief>-bepaling.
                    De raad heeft de mogelijkheid om van deze wettelijke bevoegdheid geen gebruik te
                    maken. In deze verordening wordt wel van de wettelijke bevoegdheid gebruik
                    gemaakt in het eerste lid. Hiermee wordt aangesloten op de regeling die voorheen
                    tot 1-1-2010 gold, het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ.</al><al>Tweede lid</al><al>De IOAW / IOAZ verbindt aan het recht op een uitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>De inlichtingenverplichting van artikel 13 IOAW / IOAZ. De
                            informatieplicht. Op een belang- hebbende rust de verplichting aan het
                            college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen
                            van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                            moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
                            het recht op uitkering.</al></li><li nr="-"><al>De medewerkingsverplichting wordt ook in artikel 13 beschreven. Dit is
                            de plicht van belanghebbende om desgevraagd het college de medewerking
                            te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.
                            De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals het toestaan van huisbezoek of het meewerken aan een onderzoek
                            naar de mogelijkheden van belanghebbende. </al></li><li nr="-"><al>In artikel 30 Wet Suwi wordt de inlichtingenverplichting die de
                            belanghebbende jegens de gemeente heeft herhaald, maar nu jegens het UWV
                            WERKbedrijf. Dat heeft te maken met het feit dat de aanvraag voor een
                            uitkering ingediend moet worden bij het UWV en daarvoor is het nodig
                            informatie te verstrekken.</al></li><li nr="-"><al>De plicht tot arbeidsinschakeling. In Hoofdstuk 3 van de wet wordt dat
                            beschreven. De plicht bestaat uit:</al></li><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en deze te aanvaarden</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                            voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><al>In artikel 2 tweede lid wordt geregeld dat het niet nakomen van deze
                    verplichtingen kan leiden tot het opleggen van een maatregel. In het tweede lid
                    is geen sprake van weigering maar van verlaging van de uitkering middels
                    toepassing van een maatregel in situatie die in artikel 20 tweede lid IOAW en
                    artikel 20 eerste lid IOAZ worden genoemd (het niet nakomen van hiervoor
                    genoemde verplichtingen). </al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. In artikel 14 en 15 van deze verordeningen worden vormen
                    van agressie beschreven en de daarbij passende maatregelen. In artikel 20 lid 2
                    IOAW en artikel 20 lid 1 IOAZ wordt de mogelijkheid gegeven om vormen van
                    agressie te benoemen en de daarbij horende maatregel. </al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen
                    maatregel af te stemmen:</al><lijst><li nr="-"><al>op de ernst van het feit, </al></li><li nr="-"><al>de mate van verwijtbaarheid en </al></li><li nr="-"><al>de individuele omstandigheden van de belanghebbende. </al></li></lijst><al>Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                    maatregel zal moeten nagaan of gelet op deze elementen, afwijking van de hoogte
                    en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>-vaststellen van de ernst van de gedraging</al><al>Bij de beoordeling van de ernst van de gedraging heeft de raad de beleidskeuze
                    om deze vast te stellen op basis van een standaardpercentage waarmee de
                    uitkering wordt verlaagd of op basis van het benadelingsbedrag dat
                    redelijkerwijs ten onrechte als uitkering is of zal worden verleend als gevolg
                    van het niet tijdig, niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenverplichting of de plicht tot arbeidsinschakeling.</al><al>In deze verordening is gekozen voor een gecombineerde benadering. Bij wijze van
                    hoofdregel is gekozen voor maatregeloplegging op basis van een
                    standaardpercentage wanneer het benadelingsbedrag op voorhand duidelijk
                    bepaalbaar is, mede op basis van bestaande inzichten binnen de jurisprudentie
                    van de bestuursrechter.</al><al>In gevallen waarin dit benadelingsbedrag <onderstreept>niet</onderstreept> op
                    voorhand bepaalbaar is als gevolg van de verwijtbare niet-nakoming van
                    verplichtingen door belanghebbende, is gekozen voor afstemming van de hoogte
                    en/of de duur van de maatregel op basis van een beoordeling achteraf van het
                    benadelingsbedrag. Op deze laatstgenoemde situaties wordt in de verordening
                    gereageerd middels oplegging van een geïndividualiseerde maatregel. </al><al>-vaststellen van de mate van verwijtbaarheid</al><al>Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar
                    de toelichting bij artikel 4 van deze verordening. Ook hier geldt dat het
                    college, gegeven de wettelijke verplichting tot afstemmen, een
                    gestandaardiseerde maatregel kan verhogen of verlagen naar gelang er sprake is
                    van een verhoogde dan wel van een verminderde mate van verwijtbaarheid van een
                    gedraging. </al><al>-vaststellen van de omstandigheden van belanghebbende</al><al>Daarnaast is het college ook bevoegd over te gaan tot matiging van de
                    gestandaardiseerde hoogte van de op te leggen maatregel wegens persoonlijke
                    omstandigheden. Bij dit laatste aspect kan bijvoorbeeld aan de volgende gevallen
                    gedacht worden:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is (het
                            hebben van schulden is op zich geen reden om af te zien van een
                            maatregel); </al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden zoals gezinnen met meerdere kinderen waarvoor de
                            ouders voor de </al></li><li nr="-"><al>opvoeding en verzorging van een of meer kinderen.</al></li></lijst><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (procentuele) verlaging van de netto grondslag.</al><al>Net als bij de WWB heeft de wetgever er nadrukkelijk voor gekozen om tot
                    individualisering bij maatregeloplegging voor het gehele beleidsterrein centraal
                    te stellen; maatwerk dient voorop te staan. </al><al>Deze keuze van de wetgever brengt evenwel met zich mee dat wanneer in een
                    maatregelbeschikking afgeweken wordt van een standaardpercentage, het college
                    nadrukkelijk zal dienen te motiveren waarom wordt afgeweken van de aangegeven
                    standaardpercentages. Dit volgt uit de eisen van het rechtszekerheids- en het
                    motiveringsbeginsel.</al><al>Bij het opleggen van een maatregel vanwege gedragingen die vallen onder artikel
                    9, het niet of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid dan wel aan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling of
                    arbeidsactivering, zal ook gemotiveerd moeten worden dat de verwijtbare
                    gedraging het traject dan wel het doel van het traject negatief beïnvloed. De
                    maatregeloplegging blijft gericht op gedragsbeïnvloeding in verband met de
                    kortste weg naar duurzame arbeid conform de bedoeling van de wetgever, de eerder
                    door de raad geformuleerde beleidskaders en de Re-integratieverordening. Aldus
                    wordt voorkomen dat maatregeloplegging gericht wordt op vergelding van het
                    verwijtbare gedrag als ware het een strafrechtelijk instrument.</al><tussenkop>Artikel 3 - Het horen van belanghebbende</tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak indien:</al><lijst><li nr="-"><al>tegen die beschikking bezwaar kan worden gemaakt of administratief
                            beroep kan worden ingesteld, </al></li><li nr="-"><al>en de nadelige gevolgen na bezwaar of administratief beroep volledig
                            ongedaan kunnen worden gemaakt.(<onderstreept>artikel 4:12
                                </onderstreept><onderstreept>Awb</onderstreept>). </al></li></lijst><al>Omdat ook tegen maatregelbesluiten bezwaar en beroep mogelijk zijn waarbij de
                    eerdere rechtsgevolgen ongedaan kunnen worden gemaakt, is het strikt wettelijk
                    gezien niet verplicht om een belanghebbende vooraf te horen. Het college heeft
                    bij de voorbereiding van een maatregelbesluit aldus de beleidskeuze om
                    belanghebbende vooraf wel of niet te horen. In dit artikel kiest de raad er
                    nadrukkelijk voor dat het college een belanghebbende vooraf hoort voordat een
                    maatregel wordt opgelegd.</al><al>De reden hiervoor is dat een actieve benadering van een belanghebbende door het
                    college past binnen de benadering van het klantmanagement.</al><al>Daarnaast draagt het vooraf horen van een belanghebbende bij aan het voorkomen
                    van bezwaar- en beroepsprocedures doordat op voorhand getracht wordt zoveel
                    mogelijk eenduidigheid te verkrijgen over de feitelijke juistheid van de
                    vermeende verwijtbare gedraging in verband met de beoordeling van de ernst van
                    het feit, de mate van verwijtbaarheid, eventuele verschoonbare omstandigheden en
                    eventuele persoonlijke omstandigheden.</al><al>Tweede lid Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                    onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 4 - Het afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel is deels wettelijk geregeld in
                    artikel 20 derde lid van de IOAW en de IOAZ, deels overgelaten aan de
                    beleidsvrijheid van de Raad (zie de toelichting bij het tweede lid).</al><al>Eerste lid In sub a van het eerste lid van dit artikel is bepaald dat wordt
                    afgezien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt’; dit is tevens geregeld in artikel 20 derde lid van
                    de IOAW en de IOAZ.</al><al>In sub b van het eerste lid van dit artikel is een andere reden aangegeven om af
                    te zien van het opleggen van een maatregel, namelijk wanneer de gedraging te
                    lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het
                    college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden
                    hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de inlichtingenplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan
                    uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar.</al><al>Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging
                    (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de
                    omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al>Tweede lid Onder het regiem van de vroegere Abw had het college de bevoegdheid
                    om wegens dringende redenen af te zien van maatregeloplegging. In de WWB is dit
                    niet meer wettelijk geregeld maar overgelaten aan de beleidsvrijheid van de raad
                    in het kader van de afstemmingsverordening. Wat op dit punt geldt voor de WWB,
                    geldt nu ook voor de IOAW en IOAZ. De raad maakt gebruik van haar
                    beleidsvrijheid om in dit lid te bepalen dat indien dringende redenen aanwezig
                    zijn, het college kan afzien van het opleggen van een maatregel.</al><al>Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus
                    niet op voorhand worden vastgelegd. De raad is daarom van mening dat als
                    leidraad voor de invulling van het begrip ”dringende redenen” het beste
                    aangesloten kan worden bij de jurisprudentie van de bestuursrechter ter zake van
                    dit begrip in het bijstandsrecht.</al><al>Voorbeelden hiervan in het kader van de herzienings- en
                    terugvorderingsjurisprudentie van rechtbanken en de CRvB die ook van betekenis
                    kunnen zijn voor maatregeloplegging zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>dat dringende redenen nadrukkelijk betrekking hebben op de gevolgen die
                            een bepaald besluit heeft voor een belanghebbende, gelet op zijn
                            persoonlijke omstandigheden. </al></li><li nr="-"><al>omstandigheden die betrekking hebben op de oorzaak en de verwijtbaarheid
                            van niet-nakoming van een verplichting vallen niet onder dringende
                            redenen; </al></li><li nr="-"><al>dat met redelijke mate van objectiviteit vastgesteld dient te kunnen
                            worden dat de dringende redenen betrekking hebben op de
                            onaanvaardbaarheid van de sociale en/of financiële consequenties van een
                            besluit voor belanghebbende; de enkele omstandigheid dat een
                            belanghebbende financieel zwaar getroffen wordt door een besluit is niet
                            als dringende reden aan te merken; </al></li><li nr="-"><al>dat verklaringen van hulpverlenende instanties van een belanghebbende
                            hierbij een rol kunnen spelen; tegelijkertijd behoudt het college de
                            bevoegdheid om hierover nader een zelfstandig onderzoek in te stellen.
                        </al></li></lijst><al>(Zie CRvB d.d. 23 mei 2000, in: Sociaal Bestek 2000-nr. 7/8;
                    Voorzieningenrechter CRvB d.d. 12 maart 2002, in: JABW 2002-nr. 81; CRvB d.d. 26
                    september 2002, in: JABW 2003-nr. 33 en Rechtbank Arnhem d.d. 19 februari 2003,
                    in: JABW 2003-nr. 75)</al><al>Derde lid Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van
                    het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                    met eventuele recidive. Gemeenten hebben de opdracht hun klanten zo goed
                    mogelijk te informeren over de verplichtingen die aan de bijstand zijn
                    verbonden. Klanten dienen op maat geïnformeerd te worden. Dit maakt onderdeel
                    uit van het hoogwaardig handhaven, waarbij handhaving in de bedrijfsvoering is
                    geïntegreerd. Hierdoor zal ook de naleving van de verplichtingen groter worden.
                    Het is daarom dat de klant schriftelijk geïnformeerd ook als er wordt afgezien
                    van de maatregel. Dit verder ook van belang bij het bepalen van een maatregel
                    waarbij sprake is van recidive.</al><tussenkop>Artikel 5 - Het besluit tot het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering vanwege een op te leggen maatregel vindt plaats
                    door middel van ene besluit. Indien een maatregel met terugwerkende kracht wordt
                    opgelegd, moet een besluit tot herziening van de uitkering worden opgenomen
                    (artikel 17, derde lid IOAW en IOAZ).</al><al>Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden
                    aangetekend.</al><al>Aangegeven staat, wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze
                    eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan
                    met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in
                    dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering moet zijn
                    voorzien.</al><al>Een maatregel tot verlaging wordt voor een bepaalde tijd opgelegd en de
                    belanghebbende weet dan waar hij aan toe is. </al><tussenkop>Artikel 6 - De ingangsdatum en het tijdvak van een maatregel</tussenkop><al>Eerste lidAls hoofdregel geldt dat het verlagen van een uitkering in
                    de zeer nabije toekomst dient plaats te vinden. Deze methode sluit aan bij de
                    hoofdregel van artikel 3:40 Awb.</al><al>Namelijk dat een beschikking eerst rechtswerking heeft vanaf de datum dat deze
                    is bekend gemaakt. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt
                    opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan
                    van de norm zoals die gold in de maand waarin de verwijtbare gedraging
                    plaatsvond.</al><al>Tweede lid Indien het opleggen van een maatregel niet meer kan, bijvoorbeeld
                    omdat de uitkering inmiddels is beëindigd, kan een maatregel opgelegd worden met
                    terugwerkende kracht, echter alleen met een herzieningsbesluit en
                    terugvorderingsbesluit. De maatregel gaat dan in op de eerste van de maand
                    volgend op die waarin de gedraging plaatsvond, die aanleiding geeft tot het
                    toepassen van een maatregel.</al><al>Derde lid Bij de bepaling van de duur van een maatregel heeft de raad de
                    keuzevrijheid om te bepalen of aangesloten wordt bij een stelsel van
                    maatregeloplegging waarvan de duur bepaald wordt tot in beginsel de periode
                    waarop een belanghebbende zijn verplichtingen niet nakomt tot het tijdstip
                    waarop hij zich wederom aan zijn verplichtingen houdt òf bij een stelsel waarin
                    de duur van een maatregel vooraf in duur is bepaald.</al><al>In dit lid wordt vastgesteld bij wijze van hoofdregel te hanteren dat de duur
                    van maatregeloplegging in beginsel wordt opgelegd voor bepaalde tijd. Een
                    duidelijk voorbeeld van de uitwerking hiervan staat beschreven in artikel 10 van
                    deze verordening.</al><al>Namelijk, dat bij niet-nakoming van de plicht tot arbeidsinschakeling in
                    beginsel een maatregel wordt opgelegd voor de duur van één maand voor een
                    bepaald percentage van de geldende bijstandsnorm van een belanghebbende.</al><al>Deze beleidskeuze is gebaseerd op de volgende overwegingen:</al><lijst><li nr="-"><al>een maatregel dient vanuit zijn aard gericht te zijn op
                            gedragsbeïnvloeding en niet op vergelding van verwijtbaar gedrag; </al></li><li nr="-"><al>de mogelijkheid om te komen tot gedragsbeïnvloeding bij verwijtbaar
                            gedrag, mede met het oog op het realiseren van het doel van een traject,
                            is groter naar mate het college vaker en indringender contact heeft met
                            een belanghebbende dan wanneer deze contacten worden verminderd als
                            gevolg van langdurige maatregeloplegging; deze opvatting sluit aan bij
                            de opvatting van de bestuursrechter; </al></li><li nr="-"><al>een korte en duidelijk in hoogte en duur bepaalde maatregel sluit beter
                            aan bij de gemeentelijke benadering van klantmanagement dan een
                            langdurige benadering van maatregeloplegging; namelijk een actieve
                            begeleiding van klanten bij de nakoming van hun plicht tot
                            arbeidsinschakeling <onderstreept>naast</onderstreept> een hoogwaardig
                            handhavingsbeleid; </al></li><li nr="-"><al>kortdurende maatregeloplegging heeft een lager afbreukgehalte in
                            bezwaar- , beroeps- en </al><al> voorlopige voorzieningsprocedures dan langdurige maatregeloplegging;
                            dit is van belang mede van uit het oogpunt om te komen tot beperking van
                            bestuurslast bij de uitvoering van een wet alsmede met het oog op de Wet
                            proceskosten bestuurlijke voorprocedure.</al></li></lijst><al>De afwijking van deze hoofdregel is nader bepaald in artikel 7 en 8 van deze
                    verordening.</al><al>Vierde lid</al><al>Door dit lid is het mogelijk om in afwijking van het eerste lid de maatregel bij
                    een nieuw uitkeringsrecht direct toe te passen bij aanvang van de
                    uitkering.</al><al>Vijfde lid</al><al>Gezien het feit dat de maatregel en het niet nakomen van de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen tegenover elkaar dienen te staan, is deze
                    bevoegdheid van het college beperkt. Te denken valt in elk geval aan de situatie
                    waarin: - jegens belanghebbende reeds een verlaging werd toegepast en voor het
                    einde van de duur van de </al><al> maatregel de bijstand is beëindigd en een nieuwe aanvraag is ingediend; -
                    belanghebbende zich na beëindiging ernstig misdraagt jegens het college en
                    vervolgens een nieuwe </al><al> aanvraag indient.</al><tussenkop>Artikel 7 - De heroverweging van de hoogte en/of duur van een
                    maatregel</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Bij de bepaling van het tijdvak van een maatregel introduceerde de WWB in
                    artikel 18 derde lid voor het eerst nadrukkelijk de mogelijkheid om een
                    maatregel voor een langere duur, te weten totdat een belanghebbende zijn
                    verwijtbare gedraging heeft hersteld. Indien het college van deze bevoegdheid
                    gebruik maakt, is het rechtens verplicht om uiterlijk binnen een periode van
                    drie maanden de opgelegde maatregel te heroverwegen. Nu ook in de
                    Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ in eerste instantie wordt gekozen voor een
                    maximale duur van een maatregel van 3 maanden, is een soortgelijke bepaling
                    nodig als bij de Afstemmingsverordening WWB om een maatregel na 3 maanden te
                    continueren.</al><al>Tweede lid</al><al>In dit lid wordt in afwijking van het gestelde in artikel 6 derde lid van deze
                    verordening bepaald dat bij wijze van uitzondering het college ook maatregelen
                    voor een langere duur dan een maand kan opleggen. Wanneer het college kiest voor
                    deze wijze van maatregel oplegging, dan staan in dit artikel de voorwaarden
                    waaraan het college dan gebonden is.</al><al>Van belang is nog om op te merken dat wanneer het college voornemens is om
                    binnen een termijn van drie maanden over te gaan tot voortzetting van een
                    opgelegde maatregel, dat dan de duur en de hoogte van de opgelegde maatregel
                    niet meer ter discussie staat. In die situatie gaat het dan enkel en alleen nog
                    om de vraag of een belanghebbende in voldoende mate zijn eerdere verwijtbare
                    gedraging heeft hersteld.</al><al>Derde lid</al><al>Tevens staat in het derde lid bepaald dat het college de bevoegdheid heeft om
                    bij voortdurend verwijtbaar gedrag, het college zo nodig niet alleen de duur van
                    de maatregel kan aanpassen maar ook het percentage van de maatregel. </al><tussenkop>Artikel 8 - Recidive, samenloop en geïndividualiseerde
                    maatregeloplegging</tussenkop><al>Eerste lid Bij herhaling van verwijtbaar gedrag van dezelfde of een hogere
                    categorie of met een zelfde of een hoger benadelingsbedrag heeft de raad de
                    beleidsvrijheid om te bepalen of de duur en/of de hoogte van een maatregel wordt
                    verdubbeld.</al><al>In dit lid wordt vastgesteld om bij een eerste herhaling van een verwijtbare
                    gedraging slechts de duur van de maatregel te verdubbelen. In de verdubbeling
                    van de duur van de maatregel wordt aldus de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking gebracht.</al><al>Omdat dit een ingrijpende bepaling is voor een belanghebbende, dient helder en
                    duidelijk te zijn wanneer er sprake is van een eerste verwijtbare
                    gedraging.</al><al>Met een eerste verwijtbare gedraging wordt bedoeld de eerste gedraging die
                    aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt middels een beschikking.</al><al>Tweede lid Wanneer een belanghebbende ondanks een eerder recidivebesluit, blijft
                    volharden in verwijtbaar gedrag van dezelfde of een hogere categorie dan wel met
                    een zelfde of een hoger benadelingsbedrag, dan heeft de raad de beleidskeuze
                    om:</al><al>wederom de duur van de maatregel te verdubbelen (zoals beschreven in het eerste
                    lid van dit artikel); of </al><al>de in het eerste lid beschreven hoogte en duur te verdubbelen; of </al><al>de hoogte en/of duur van een maatregel op individuele wijze te bepalen, gelet op
                    de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden. </al><al>Deze bepaling is overgenomen uit de Afstemmingsverordening WWB en gebaseerd op
                    de bedoeling van de wetgever bij artikel 18 WWB. Daaruit blijkt nadrukkelijk de
                    wens om bij de bepaling van de financiële gevolgen bij de niet-nakoming van
                    verplichtingen door een belanghebbende, uit te gaan van maatwerk en is er in dit
                    lid gekozen voor het laatste alternatief, te weten <onderstreept>de
                        ind</onderstreept><onderstreept>i</onderstreept><onderstreept>viduele
                        afstemming</onderstreept> in plaats van een vooraf bepaalde forfaitaire
                    benadering ten aanzien van de duur of hoogte van een maatregel.</al><al>Uit deze beleidskeuze volgt aldus tevens dat een recidivemaatregel op basis van
                    verdubbeling van de duur van een maatregel, zoals beschreven in het eerste lid,
                    slechts één keer kan worden toegepast binnen de periode van een jaar, gerekend
                    vanaf een eerste verwijtbare gedraging. </al><al>Derde lid Bij een opeenvolging van verwijtbare gedragingen die tegelijkertijd of
                    binnen een korte periode plaats vinden (ook wel samenloop genoemd), kan gekozen
                    worden om op elke verwijtbare gedraging afzonderlijk te reageren middels een
                    maatregelbesluit dan wel om in één besluit een op het individu afgestemde
                    maatregel te bepalen.</al><al>In dit lid is gekozen voor het laatste alternatief om aldus een integrale
                    beoordeling van alle feiten en verwijtbare gedragingen mogelijk te maken.
                    Terzijde wordt hier opgemerkt dat de bestuursrechter onder het regime van de
                    Abw, een dergelijke wijze van maatregeloplegging reeds verdedigbaar heeft
                    geacht.</al><al>Afstemming in de vorm van geïndividualiseerde maatregeloplegging kan in meerdere
                    vormen tot uitdrukking gebracht worden door het college. In het onderstaande
                    wordt ingegaan op twee methodieken:</al><lijst><li nr="A."><al>Gekozen kan worden voor een optelsom van de percentages van de
                            verwijtbare gedragingen waarbij het mogelijk is om deze maatregel in één
                            maand op te leggen dan wel om deze te spreiden over meerdere
                            maanden.</al><al> Zo kan een belanghebbende zijn inschrijving als werkzoekende bij het
                            UWV WERKbedrijf laten verlopen alsmede weigerachtig blijven om mee te
                            werken aan een onderzoek. In die situatie verzet er zich rechtens niets
                            tegen om belanghebbende een maatregel op te leggen van 15% gedurende een
                            maand, te weten de optelsom van 5% en 10%.</al></li><li nr="B."><al>Individualisering kan ook plaats vinden op basis van een benadering
                            vanuit het benadelingsbedrag. Een dergelijke benadering ligt voor de
                            hand in die situaties waarin een optelsom van forfaitaire percentages
                            van maatregeloplegging, zoals genoemd onder A., onvoldoende recht doet
                            aan alle omstandigheden van het geval.</al><al> Het volgende voorbeeld kan dit verduidelijken: zo kan een
                            belanghebbende een aanbod voor algemeen geaccepteerde arbeid weigeren en
                            kort daarna weigerachtig blijven om zelfstandig andere sollicitaties te
                            doen alsmede om tijdig zijn inschrijving als werkzoekende bij het UWV
                            WERKbedrijf te laten verlengen.</al><al> Wanneer uitgegaan wordt van een optelsom van percentages dan zou aan
                            belanghebbende een maatregel opgelegd dienen te worden van 125%, te
                            spreiden over twee maanden. Het nadeel van deze rekenkundige benadering
                            bestaat hierin dat onvoldoende rekening gehouden wordt met de totale
                            uitkeringsschade die het college leidt door deze handelwijze en die
                            geheel en in ieder geval gedeeltelijk voorkomen had kunnen worden.</al><al> Immers, wanneer een belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid
                            weigert dan is de uitkerings-schade dat belanghebbende langer op
                            uitkering aangewezen blijft dan noodzakelijk is.</al><al> Wanneer belanghebbende ondanks deze aantoonbare benadelingshandeling
                            vervolgens weigerachtig blijft om actief schadebeperkend te handelen,
                            door bij voorbeeld niet actief te solliciteren en zich niet in te
                            schrijven bij meerdere uitzendbureaus en door in ieder geval de
                            inschrijving bij het UWV WERKbedrijf tijdig te laten verlengen, dan
                            loopt de duur van de uitkeringsafhankelijkheid nog verder door.</al><al> Deze situatie moet dan ook anders beoordeeld worden dan het geval
                            waarin een belanghebbende in een korte periode enkel en alleen
                            onvoldoende gesolliciteerd heeft en zijn inschrijving heeft laten
                            verlopen bij het UWV WERKbedrijf zonder de context waarin een
                            belanghebbende eerder algemeen geaccepteerde arbeid geweigerd heeft. </al><al> Deze weigering om schadebeperkend op te treden leidt aldus tot een
                            voorzienbare en een door eigen toedoen van een belanghebbende ontstane
                            vergroting van het benadelingsbedrag.</al></li></lijst><al>Deze uitkeringsschade dient op een of andere wijze verdisconteerd te worden in
                    de hoogte en/of duur van de op te leggen maatregel. De raad heeft in dit soort
                    situaties de beleidskeuze om maatregeloplegging te baseren op:</al><lijst><li nr="-"><al>een forfaitaire grondslag van vooraf bepaalde kortingspercentages met
                            een vastomlijnde tijdsduur; òf</al></li><li nr="-"><al>een forfaitaire grondslag van vooraf bepaalde kortingspercentages met
                            een tijdsduur die bepaald</al></li></lijst><al> wordt door het moment waarop een belanghebbende het eerdere verwijtbare gedrag
                    wederom </al><al> herstelt; òf </al><al>-afstemming in de vorm van een geïndividualiseerde maatregel, zowel qua hoogte
                    als duur.</al><al>Onder verwijzing naar de toelichting van het tweede lid, wordt ook in deze
                    situaties gekozen voor maatregeloplegging middels individuele afstemming.</al><al>Vierde lid Onder de toelichting bij het tweede en derde lid is reeds veelvuldig
                    gewezen op het belang van het benadelingsbedrag bij afstemming middels een
                    geïndividualiseerde maatregel naar aanleiding van herhaaldelijk verwijtbaar
                    gedragingen. In dit lid wordt dit nadrukkelijk vastgelegd. Leidraad bij de
                    beoordeling van de ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid dient in
                    situaties, zoals beschreven in het tweede en derde lid, te zijn het
                    benadelingsbedrag dat het gevolg is van het verwijtbaar handelen of nalaten van
                    de belanghebbende waardoor belanghebbende door eigen toedoen langer aangewezen
                    is op uitkeringsverlening.</al><al>Tegelijkertijd wordt nogmaals verwezen naar de toelichting bij artikel 2 derde
                    lid van deze verordening. Namelijk dat bij de beoordeling van de verwijtbare
                    handeling tevens rekening gehouden dient te worden met het effect op de mate en
                    de tijdsduur waarbinnen het traject inzake de kortste weg naar duurzame arbeid,
                    negatief wordt beïnvloed. Dit dient terug te komen in de motivering van een
                    maatregelbeschikking.</al><al>Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de op te leggen maatregel:</al><lijst><li nr="-"><al>geen vergeldend karakter verkrijgt maar gericht blijft op
                            gedragsbeïnvloeding en voor zover het gaat om de plicht tot
                            arbeidsinschakeling, op het doel van het traject; </al></li><li nr="-"><al>in overstemming blijft met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in
                            artikel 3:4 tweede lid Algemene wet bestuursrecht, namelijk dat er
                            evenredigheid dient te bestaan tussen de zwaarte van de verwijtbare
                            gedraging en de zwaarte van de maatregel. </al></li></lijst><tussenkop>HOOFDSTUK 2: GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN VOORZIENINGEN </tussenkop><tussenkop> GERICHT OP ARBEIDSINSCHAKELING OF ARBEIDSACTIVERING</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 - Indeling in categorieën</tussenkop><al>Algemene toelichting Bij de beoordeling van de rechtsgevolgen bij de
                    niet-nakoming van de plicht tot arbeidsinschakeling kan gekozen worden om
                    maatregeloplegging te baseren op:</al><lijst><li nr="-"><al>individuele afstemming in de vorm van geïndividualiseerde maatregelen;
                            òf </al></li><li nr="-"><al>een stelsel van forfaitaire percentages gekoppeld aan een onderverdeling
                            in categorieën van </al><al> verwijtbare gedragingen.</al></li></lijst><al>In deze verordening is gekozen voor laatstgenoemde benadering omdat deze
                    benadering aansluit bij de thans bestaande en effectief gebleken
                    uitvoeringspraktijk onder het regime van de WWB. </al><al>Nadere toelichting bij de categorie-indeling De gedragingen die verband houden
                    met de niet-nakoming van de plicht tot arbeidsinschakeling als bedoeld in
                    artikel 37 van de wet worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de
                    ernst van de gedraging het onderscheidend criterium.</al><al>Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen
                    heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid dan wel voor het
                    niet bereiken van de doelstelling van een traject waarvoor een
                    re-integratievoorziening is verleend.</al><al><onderstreept>De eerste categorie</onderstreept>, onderdeel a, betreft de
                    niet-nakoming van de formele verplichting om zich als werkzoekende in te
                    schrijven bij het UWV WERKbedrijf en ingeschreven te blijven.</al><al><onderstreept>De tweede categorie</onderstreept> betreft de niet-nakoming van de
                    medewerkingsverplichting tot een actieve opstelling ten aanzien van
                    arbeidsinschakeling en een daarop gericht onderzoek. Namelijk, het tijdig
                    voldoen aan een oproep of een onderzoek naar de mogelijkheden voor
                    arbeidsinschakeling of naar de geschiktheid voor scholing, opleiding of
                    arbeidsactivering; voorts het meewerken aan aanvullende verplichtingen die
                    verbonden worden aan uitkeringsverlening. </al><al>In <onderstreept>de derde categorie</onderstreept> gaat het om gedragingen die
                    direct een aanleiding vormen tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak
                    langer voortduren daarvan.</al><al>Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen gedragingen van enerzijds kansrijke
                    belanghebbenden die zelfstandig in staat moeten worden geacht algemeen
                    geaccepteerde arbeid te aanvaarden en anderzijds van belanghebbenden die voor
                    hun arbeidsinschakeling aangewezen zijn op voorzie-ningen.</al><al>Op grond van de principiële gelijkstelling tussen beiden groepen belanghebbenden
                    is het verdedigbaar dat het onvoldoende solliciteren naar algemeen geaccepteerde
                    arbeid door een kansrijke belanghebbende zowel in de periode voor als na het
                    doen van een aanvraag om bijstand, zwaar verwijtbaar is nu deze belanghebbende
                    door zijn eigen toedoen uitkeringsafhankelijkheid laat ontstaan dan wel laat
                    voortduren. Niet-nakoming van deze activeringsverplichting acht de raad daarom
                    ook ernstig verwijtbaar. </al><al>Op grond van de gelijkstelling tussen beiden groepen belanghebbenden is het
                    tevens verdedigbaar dat het verwijtbaar niet of onvoldoende meewerken aan
                    aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling of arbeidsactivering,
                    als een ernstig feit wordt aangemerkt van de derde categorie, op voorwaarde dat
                    de benadelingshandeling niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                    voortijdige beëindiging van het traject.</al><al>De medewerkingsplicht aan deze voorzieningen treedt namelijk in de plaats van de
                    verplichting tot het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                    en is als sluitend alternatief bedoeld voor </al><al>arbeidstoeleiding dan wel de bevordering van de zelfstandige
                    bestaansvoorziening.</al><al>Anders gezegd, ook voor deelname aan een voorziening geldt dat de kortste weg
                    naar duurzame arbeid voorop staat en dat vertraging van het traject door eigen
                    toedoen van een belanghebbende zwaar verwijtbaar wordt geacht. Vertraging op
                    zichzelf is dus verwijtbaar, bij voorbeeld als gevolg van het verwijtbaar te
                    laat terugkomen van verblijf in het buitenland met behoud van uitkering; niet
                    noodzakelijk is dat de vertraging geleid heeft tot het geen doorgang vinden van
                    of het beëindigen van het traject (indien dit laatste gevolg optreedt dient de
                    verwijtbare handeling te worden aangemerkt als een categorie 4-verwijtbare
                    gedraging).</al><al>Van het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van
                    een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als
                    bedoeld in artikel 37 eerste lid sub e van de wet, waaronder begrepen sociale
                    activering, is in ieder geval sprake wanneer een belanghebbende:</al><lijst><li nr="-"><al>niet of regelmatig niet-tijdig op afspraken bij een re-integratiebedrijf
                            verschijnt; of </al></li><li nr="-"><al>opdrachten in het kader van scholing niet naar behoren uitvoert; of
                        </al></li><li nr="-"><al>zich anderszins door aantoonbare negatieve gedragingen of een negatieve
                            houding of opstelling, de kans op succes van het behalen van de
                            doelstelling van een traject negatief beïnvloedt. </al></li></lijst><al>Als sluitstuk van de derde categorie verwijtbare gedragingen is genoemd
                    gedragingen die overigens de inschakeling in de arbeid belemmeren. Het gaat hier
                    om het stellen van niet-verantwoorde beperkingen ten aanzien van algemeen
                    geaccepteerde arbeid die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen.</al><al>De noodzaak om deze subcategorie op te nemen bestaat hierin dat een
                    belanghebbende weliswaar feitelijk kan meewerken aan het verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid doch door een aantoonbare negatieve houding en opstelling,
                    de kans op succes van een sollicitatie aantoonbaar negatief beïnvloedt.</al><al>Voorbeelden van deze categorie vormen het voorwenden dan wel het overdrijven van
                    medische beperkingen bij sollicitatiegesprekken door een belanghebbende dan wel
                    bij inschrijvingsgesprekken bij uitzendbureaus of het UWV WERKbedrijf. Denkbaar
                    is ook dat soortgelijke oneigenlijke beperkingen gesteld worden ten aanzien van
                    de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt in verband met zorgtaken. Uitgangspunt
                    dient te zijn dat indien een belanghebbende beperkingen stelt, dat deze
                    objectief dienen te worden vastgesteld.</al><al><onderstreept>De vierde categorie</onderstreept> betreft het niet of onvoldoende
                    nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het college
                    aangeboden voorziening, waaronder begrepen arbeidsactivering, als dit heeft
                    geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het
                    traject.</al><al>In het kader van de sluitende aanpak acht de raad deze laatstgenoemde gedraging
                    een zeer ernstig feit omdat het in die situatie al duidelijk is dat directe
                    bemiddeling een zeer geringe kans van slagen heeft en dat het, onder die
                    omstandigheden, dan niet aangaat dat een belanghebbende een laatste kans tot
                    arbeidsinschakeling door eigen toedoen in zeer ernstige mate belemmert. Onder
                    die omstandigheden acht het college het daarom verdedigbaar dat ook voor deze
                    gedraging een standaardmaatregel passend is van 100% gedurende een maand.</al><al>Omdat het hier om een zeer ingrijpende maatregel gaat, hecht de raad er aan te
                    benadrukken dat op grond van artikel 2 tweede lid van deze verordening, het
                    college ten allen tijde gehouden is tot maatwerk bij de maatregeloplegging.</al><tussenkop>Artikel 10 - De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Wanneer gekozen wordt voor een stelsel van maatregeloplegging op basis van een
                    onderverdeling in categorieën van verwijtbare gedragingen, zoals beschreven in
                    artikel 9 van deze verordening, dan zijn de in dit artikel genoemde forfaitaire
                    maatregelpercentages passend bij de verschillende categorieën verwijtbare
                    gedragingen.</al><al>Daarbij wordt aangesloten bij de vroegere en effectief gebleken
                    uitvoeringspraktijk onder het regime van WWB.</al><al>Benadrukt wordt dat, hoewel in dit artikel gestandaardiseerde
                    maatregelpercentages zijn benoemd, als uitgangspunt bij maatregeloplegging het
                    beginsel van maatwerk dient te worden gevolgd zoals gesteld artikel 2 derde lid
                    van deze verordening.</al><al>Op basis van dit uitgangspunt dient het college aldus bij elk afzonderlijk
                    maatregelbesluit aan te geven of er termen aanwezig zijn om af te wijken van de
                    in artikel 10 beschreven standaardmaatregelen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3: HET NIET-TIJDIG, ONVOLDOENDE DAN WEL NIET-NAKOMEN VAN DE </tussenkop><tussenkop>INLICHTINGENPLICHT</tussenkop><al>Algemene toelichting</al><al>In dit hoofdstuk worden drie vormen van het niet nakomen van de
                    inlichtingenplicht onderscheiden: - Artikel 11 van deze verordening: het niet
                    tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. Als de </al><al>te verstrekken informatie niet tijdig is gegeven dan wordt nog eenmaal een
                    termijn van 5 werkdagen gegund om dit alsnog te doen. Is de informatie dan nog
                    niet verstrekt dan is artikel 17 IOAW en IOAZ van toepassing. Het college kan in
                    dat geval het recht op bijstand opschorten en belanghebbende in de gelegenheid
                    stellen binnen een door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen. Deze
                    informatieplicht slaat op alle informatie die van belang is voor het verlenen
                    van de uitkering of de voortzetting daarvan.</al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 12 van deze verordening: het verstrekken van onjuiste of
                            onvolledige inlichtingen aan de gemeente, waardoor er ten onrechte een
                            uitkering is verstrekt of een te hoog bedrag aan uitkering is verstrekt.
                            In deze situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet voldaan aan de
                            inlichtingenplicht van artikel 13 IOAW en IOAZ. Het opzettelijk
                            verzwijgen van relevante informatie tegenover de gemeente, met het
                            oogmerk een (hogere) uitkering te krijgen (fraude) vormt een schending
                            van de informatieplicht van artikel 13 IOAW en IOAZ.</al></li><li nr="-"><al>Artikel 13 van deze verordening: het verstrekken van onjuiste of
                            onvolledige inlichtingen aan de gemeente, zonder dat er achteraf gezien
                            ten onrechte uitkering is verstrekt of een te hoog bedrag aan uitkering
                            is verstrekt.</al></li></lijst><al>In deze drie situaties heeft de raad in het kader van de afstemmingsverordening
                    aldus de beleidskeuze de hoogte en de duur van de maatregel te bepalen; de raad
                    heeft geen beleidsvrijheid ten aanzien van de vraag òf een maatregel dient te
                    worden opgelegd wanneer de inlichtingenverplichting niet wordt nagekomen. Een
                    belangrijke voorwaarde voor maatregeloplegging bij de niet-nakoming van de
                    inlichtingenplicht in deze drie situaties is dat het recht op uitkering van een
                    belanghebbende nog immer objectief vast te stellen moet zijn. Anders gezegd, het
                    kan ook gebeuren dat door de niet-nakoming van de inlichtingenplicht het college
                    de rechtmatigheid van de uitkering niet meer kan vaststellen. De uitkering moet
                    dan worden geweigerd (in de situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het
                    besluit tot toekenning van de uitkering moet worden ingetrokken (bij een lopende
                    uitkering). Hierdoor komt het college niet meer toe aan het opleggen van een
                    maatregel.</al><tussenkop>Artikel 11 - Te laat verstrekken van gegevens</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Bij het te laat verstrekken van gegevens door een belanghebbende in het kader
                    van een onderzoek naar de rechtmatigheid van een recht op uitkering als bedoeld
                    in artikel 14 IOAW en IOAZ, heeft de raad de beleidskeuze de hoogte en de duur
                    van een maatregel te bepalen wanneer een belanghebbende binnen een
                    hersteltermijn alsnog de gevraagde gegevens overlegt als bedoelt in artikel 17
                    IOAW en IOAZ. </al><al>Indien een cliënt de voor de verlening van uitkering van belang zijnde gegevens
                    of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt in het kader van een
                    onderzoek in verband met de beoordeling van de rechtmatigheid dan wel de
                    doelmatigheid van zijn uitkering dan wel in verzuim blijft door zonder tijdig
                    bericht van verhindering niet in persoon te verschijnen voor een afspraak,
                        <onderstreept>kan</onderstreept> het college het recht op uitkering
                    opschorten vanaf de dag dat belanghebbende in verzuim is (artikel 17 IOAW en
                    IOAZ). </al><al>Het college stelt middels een herstelbrief de belanghebbende in kennis van het
                    voornemen tot het nemen van een opschortingsbesluit met ingang van de eerste dag
                    waarop belanghebbende zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen en biedt
                    tegelijkertijd de belanghebbende alsnog de gelegenheid om zijn verzuim te
                    herstellen.</al><al>Ten einde een onnodig zware uitvoeringslasten te voorkomen wordt er voor gekozen
                    dat het college </al><al>voordat een formele opschorting- en herstelbeschikking wordt gestuurd (waarin
                    ook wordt medegedeeld dat een maatregel zal worden overwogen), het college nog
                    één keer een termijn gunt van 5 werkdagen om de informatie te verstrekken.</al><al>Wanneer uiteindelijk, dus na de extra termijn van 5 werkdagen, een officiële
                    hersteltermijn tezamen met een officieel opschortingsbesluit wordt genomen én de
                    gevraagde gegevens alsnog binnen de hersteltermijn worden verstrekt dan wel
                    verschijnt belanghebbende alsnog op de tweede uitnodiging voor een gesprek, dan
                    dient de bijstand te worden voortgezet onder gelijktijdige oplegging van een
                    maatregel van 10% voor de duur van een maand. </al><al>Tweede lid Op het eerste lid is een belangrijke uitzondering te noemen, namelijk
                    dat het college in dit soort situaties ook eenmalig bevoegd is tot het geven van
                    een waarschuwing bij te laat verstrekken van gegevens tenzij het te laat
                    verstrekken van gegevens heeft plaatsgevonden binnen een periode van twee jaar
                    te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                    waarschuwing is gegeven.</al><tussenkop>Met deze keuze, zoals beschreven in het eerste en tweede lid van artikel
                    11 van deze verordening, wordt het bestaande handhavingsbeleid gevolgd zoals dat
                    geldt onder het regime van de WWB. Ook hier is gebleken dat voortzetting van het
                    bestaande handhavingsbeleid op dit punt voldoende houvast biedt voor het college
                    om maatwerk te leveren in vorengenoemde soort situaties.</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 - Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                    gevolgen voor de uitkering. Eerste lidIn artikel 13 eerste lid IOAW en IOAZ is
                    bepaald dat belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                    mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling
                    of het recht op uitkering. Onder "onverwijld uit eigen beweging mededeling doen
                    van" wordt verstaan dat een belanghebbende op het eerst volgende maandelijkse
                    rechtmatigheidsonderzoeksformulier (ROF-je) waarin de relevante gebeurtenis
                    heeft plaats gevonden, melding dient te maken van de, vanuit oogpunt van de IOAW
                    en IOAZ, relevante gebeurtenis. Komt een belanghebbende deze verplichting niet
                    na en wordt er daardoor ten onrechte uitkering verleend, dan dient het recht op
                    uitkering met terugwerkende kracht te worden herzien en teruggevorderd.
                    Daarnaast dient de raad een maatregel op te leggen wegens het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.</tussenkop><al>Er wordt aangesloten op het regime van de WWB om het benadelingsbedrag als
                    uitgangspunt te nemen voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                    maatregel.</al><al>Tweede lid In de hoogte van het maatregelpercentage komt de ernst van de
                    gedraging tot uitdrukking, zoals die feitelijk wordt bepaald door de hoogte van
                    het benadelingsbedrag. In het tweede lid is aldus gekozen voor een aantal
                    forfaitaire kortingspercentages welke corresponderen met een benadelingsbedrag
                    waarbij een onder- en een benedengrens bepaald is. Het college dient op grond
                    van artikel 2 derde lid van deze verordening maatwerk te leveren, hetgeen kan
                    leiden tot verzwaring dan wel tot matiging van de op te leggen maatregel.</al><al>De relatie met de strafrechtelijke sanctie: Onder het huidige boeteregime
                    bestaat de verplichting voor gemeenten om proces-verbaal op te maken en aangifte
                    te doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van fraude en het
                    benadelingsbedrag hoger is dan € 10.000,- (de Richtlijn voor strafvordering
                    sociale zekerheidsfraude).</al><al>Derde lid Dit lid wordt toegevoegd omdat bij een zeer laag benadelingsbedrag de
                    maatregel hoger kan zijn dan het benadelingsbedrag en dat is niet
                    wenselijk.</al><al>Vierde lid</al><al>Het opleggen van een maatregel in reactie op schending van de inlichtingenplicht
                    is in beginsel een</al><al>verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing sociale
                    zekerheidsfraude hebben de</al><al>Procureurs-generaal echter richtlijnen gegeven onder welke omstandigheden ter
                    zake van de aan de</al><al>schending klevende strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in
                    geschrifte) vervolging door het OM moet plaatsvinden.</al><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd
                    (zie Stcrt. 2008/187). Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De
                    belanghebbende wordt hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter
                    gesanctioneerd. Niet door beide.</al><al>In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat
                    het benadelingsberag</al><al>(bruto) € 10.000 of hoger is, er aangifte en vervolging door het OM dient plaats
                    te vinden. Is er echter sprake van ‘witte’ fraude (door koppeling van bestanden
                    etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot
                    een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter dan is altijd het OM
                    aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de belanghebbende geen
                    uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel meer kan worden
                    toegepast.</al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                    inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen.
                    In dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun.</al><tussenkop>Artikel 13 - Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                    zonder gevolgen voor de uitkering</tussenkop><al>Eerste lid In dit artikel wordt de zogeheten 'nulfraude' geregeld: het
                    verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging
                    gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering. Voorbeelden van nulfraude zijn
                    het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het
                    niet melden van vrijwilligerswerk. Ondanks het niet optreden van een
                    benadelingsbedrag wordt hier, in het verlengde van de systematiek die is gevolgd
                    bij het niet-tijdig verstrekken van gegevens, gekozen voor een maatregel van 10%
                    voor de duur van een maand.</al><al>Tweede lid Op het eerste lid is een belangrijke uitzondering te noemen, namelijk
                    dat het college in dit soort situaties ook eenmalig bevoegd is tot het geven van
                    een waarschuwing bij het niet of niet- behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht tenzij het niet of niet-behoorlijk nakomen van de
                    verplichting heeft plaatsgevonden binnen een periode van twee jaar te rekenen
                    vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                    waarschuwing is gegeven.</al><al>Met deze keuze, zoals beschreven in het eerste en tweede lid van artikel 15,
                    wordt het bestaande handhavingsbeleid gevolgd zoals dat geldt onder het regime
                    van de WWB. Ook hier is gebleken dat voortzetting van het bestaande
                    handhavingsbeleid op dit punt voldoende houvast biedt voor het college om
                    maatwerk te leveren in vorengenoemde soort situaties. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 4: ZEER ERNSTIGE GEDRAGINGEN</tussenkop><al>Artikel 14 - Zeer ernstige misdragingen Eerste lid</al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW en
                    IOAZ. In artikel 20 tweede lid IOAW en IOAZ wordt gesproken over 'het zich
                    jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer)
                    agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding
                    zijn voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden
                    opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker
                    van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB
                    (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf). Het is in dat geval mogelijk om een
                    maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 9 derde lid van deze
                    verordening). Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene (artikel 2 derde lid) Bij de ernst van de
                    gedraging zal de vorm van agressief gedrag mede bepalend zijn voor de hoogte van
                    de maatregel. </al><al>Tweede lid</al><al>In het tweede lid worden 3 vormen van agressie beschreven, zoals dat ook is
                    gebeurd bij de WWB in de “beleidsregels zeer ernstige gedragingen”. In onderdeel
                    a wordt de meest ernstige vorm beschreven, in onderdeel c de minst ernstige
                    vorm.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de</al><al>omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband is het
                    relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld.</al><al>Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust
                    gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                    uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid
                    en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk
                    zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter
                    is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><tussenkop>Artikel 15 - Hoogte en duur van de maatregel bij zeer ernstige
                    gedragingen</tussenkop><al>Eerste tot en met derde lid</al><al>Afhankelijk van de vorm van de ernstige gedraging wordt de hoogte en de duur van
                    de maatregel in lid 1 tot en met 3 vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 16 - Agressieprotocol</tussenkop><al>Het is aan te bevelen dat een gemeente over een agressieprotocol beschikt waarin
                    is aangegeven hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In zo'n
                    agressieprotocol kan een relatie worden gelegd met het maatregelenbeleid ten
                    aanzien van agressieve klanten, in de vorm van beleidsregels. Dit is verwoord in
                    de “Handboek veiligheid” onderdeel “Het omgaan met agressie” van de gemeente
                    Boxtel.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5: SLOTBEPALINGEN</tussenkop><al>Artikel 17 - De inwerkingtreding Behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 18 - Citeertitel Behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>