<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR102335_1</dcterms:identifier><dcterms:title>BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING GOES 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Bevelander</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Goes 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0027466">Wet veiligheidsregio's</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nvt</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Brandbeveiliging</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING GOES 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                                    begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>een bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Evenementenvergunning voor inrichtingen en incidenteel ander gebruik
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende evenementenvergunning een inrichting in gebruik te hebben
                                of te houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan
                                        10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen
                                        dagverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="c."><al>meer dan 49 personen tegelijk aanwezig zullen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende evenementenvergunning een bouwwerk in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin een ander tijdelijk gebruik wordt
                                toegepast anders dan waarvoor een gebruiksvergunning is verstrekt
                                dan wel een gebruiksmelding is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de evenementenvergunning voorwaarden verbinden
                                in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand,
                                het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van
                                ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aan de evenementenvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van
                                een verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden
                                gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                                vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een vergunning, indien de in de aanvraag vermelde
                            wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                            stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Het voorkomen en bestrijden van brand, het beperken van brand en
                            brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij
                            brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik
                            bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op
                            vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            paragrafen 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig
                            gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing
                            op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                            onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                            voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of
                            een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede
                            lid, onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is
                            begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college
                            geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                            brand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Strafbepaling/Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                            bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                            Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder
                                1<cursief>°</cursief>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op het moment van
                                    inwerkingtreding van Wet veiligheidsregio’s.</al></li><li nr="2."><al>De brandbeveiligingsverordening van 18 juni 2009 wordt
                                    ingetrokken op het moment van de inwerkingtreding van de Wet
                                    veiligheidsregio’s.</al></li><li nr="3."><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                                    brandbeveiligingsverordening van 18 juni 2009 en die van kracht
                                    zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening
                                    worden aangemerkt als vergunning krachtens deze
                                    verordening.</al></li><li nr="4."><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om vergunning op grond van de
                                    brandbeveiligingsverordening van 18 juni 2008 is ingediend
                                    waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening
                                    toegepast.</al></li><li nr="5."><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een
                                    aanvraag om vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening
                                    van 18 juni 2008 wordt beslist met toepassing van deze
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening Goes
                            2010. </al><al/><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Goes in zijn
                        openbare</ondertekening><ondertekening>vergadering van …………………………..</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>drs. J.W. Scherpenzeel. drs. D.J. van der Zaag.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2010</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze amvb pas medio 2011 werking. Tot die tijd zal op de
                    grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn. </al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s, het niet
                    beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde amvb en het ontbreken van relevant
                    overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio’s zal de raad een nieuwe
                    brandbeveiligingsverordening moeten vaststellen.</al><al>De bestaande brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van rechtswege bij de
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.</al><al/><al>De voorliggende regeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de amvb) terughoudend van aard. </al><al>De regeling is aangepast aan de Wet veiligheidsregio’s en de Dienstenrichtlijn.
                    Toegevoegd zijn regels voor de bestuurlijke boete.</al><al/><al/><al><vet>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><al><vet>Objecten die geen bouwwerk zijn</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    vergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het voornamelijk om
                    objecten die geen bouwwerken zijn: '<cursief>niet-bouwwerken</cursief>'. Het kan
                    gaan om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende
                    discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen. </al><al/><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van doel,
                    n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele
                    omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. </al><al/><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval
                    het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de Woningwet van
                    toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en
                    de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit is een constructie
                    die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en
                    afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is de Woningwet
                    het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is de
                    brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de brandveiligheid). Een
                    ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een
                    bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een
                    kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting</al><al/><al><vet>Incidenteel ander gebruik bouwwerk</vet></al><al>Incidenteel komt het voor dat een bouwwerk tijdelijk anders wordt gebruikt dan
                    waarvoor vergund c.q. gemeld. Aanpassingen aan het bouwwerk voor dat incidenteel
                    tijdelijk ander gebruik zijn meestal kostbaar. Om hierin de ondernemer tegemoet
                    te komen en in het kader van deregulering wordt in de
                    brandbeveiligingsverordening opgenomen dat voor dit incidenteel tijdelijk ander
                    gebruik niet het traject opgestart hoeft te worden om te komen tot een nieuwe
                    gebruiksvergunning maar dat de brandveiligheid geborgd kan worden in een
                    evenementenvergunning (par.2, artikel 1 lid 2).</al><al/><al>Voorbeeld: een bouwwerk waarin incidenteel, bij slecht weer, overnacht wordt
                    door de scouting of een kerk waarin ander gebruik wordt toegestaan. Om toch de
                    brandveiligheid te kunnen borgen tijdens dit tijdelijk ander gebruik, dienen zij
                    op grond van deze brandbeveiligingsverordening, een evenementenvergunning aan te
                    vragen.</al><al/><al><vet>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</vet></al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeteen bevinden. De beperking die de
                    Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                    terrein.</al><al/><al><vet>Bouwwerk</vet></al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>- <cursief>bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige omvang van hout,
                    steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                    hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt
                    in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><al>1) constructie, </al><al>2) van enige omvang, </al><al>3) met de grond verbonden, </al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. </al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een
                    uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de
                    modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv,
                    Den Haag).</al><al/><al><vet>Open erf en terrein</vet></al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in
                    de bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen
                    en gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening. </al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 juli 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid
                    uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5). </al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af
                    gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in
                    beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is. </al><al/><al><vet>Wabo</vet></al><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de brandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><vet>Dienstenrichtlijn</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening Goes 2010 is aangepast aan de
                    Dienstenrichtlijn.</al><al/><al><vet>Toezicht op de naleving</vet></al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met de
                    opsporing van strafbare feiten.</al><al/><al><vet>Bestuurlijke boete</vet></al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maartregel van
                    bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete
                    mag niet hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet
                    artikel 34, vierde lid onder 1<cursief>°</cursief>. Het bedrag dat daar is
                    genoemd, bedraagt in 2009 € 9.000. </al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te houden.</al><al/><al><vet>Strafbepaling</vet></al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><al/><al><vet>Overgangsrecht</vet></al><al>In het artikel is twee keer de brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                    voor 2008 nog van kracht moeten zijn.</al><al/><al><vet>Intrekken regeling</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening vervalt op het moment van inwerkingtreding van
                    de Wet veiligheidsregio’s van rechtswege door ontbreken van de rechtsgrond: de
                    Brandweerwet 1985. De intrekking moet worden bekendgemaakt volgens de in artikel
                    144 Gemeentewet genoemde wijze.</al><al/><al><vet>Bekendmaking</vet></al><al>De bekendmaking dient op een zodanig tijdstip plaats te vinden dat de
                    verordening op het moment van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s in
                    werking kan treden. Dit kan door terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken
                    op de gemeentesecretarie of op een andere door het college te bepalen plaats en
                    door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-,
                    nieuws- of huis-aan-huisblad. </al><al/><al><vet>Intrekken vergunning</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>