<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR102277_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Hellevoetsluis 1995.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot Hellevoet,15-06-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Hellevoetsluis 1995.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene penisoenwet politieke ambtsdragers</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>1995-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1996-01-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>regels omtrent pensioen van de politieke ambtsdragers</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Hellevoetsluis 1995.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nummer: 21-12-95/7 </al><al/><al>De raad der gemeente Hellevoetsluis; </al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 28 november 1995,
                        nummer 21-12-95/7; </al><al/><al>overwegende, dat het wenselijk is de Uitkeringen- en pensioenverordening
                        wethouders van Hellevoetsluis, zoals vastgesteld op 1 december 1977 en zoals
                        sedertdien gewijzigd te vervangen door een nieuwe Uitkerings- en
                        pensioenverordening wethouders van Hellevoetsluis; </al><al/><al>gelezen de aanbeveling van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                        van Nederlandse gemeenten van respectievelijk 28 juni 1993, kenmerk
                        ARS/306693 en 18 oktober 1994, kenmerk ARS/407654; </al><al/><al>gelet op de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, zoals laatstelijk
                        gewijzigd bij de wet van 19 mei 1994 Sb. 418;</al><al/><al>besluit: </al><al/><al>vast te stellen de navolgende Uitkerings- en pensioenverordening voor
                        wethouders van Hellevoetsluis.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>De uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                                onderbreking weer als zodanig optreedt, met ingang van de dag van
                                aftreden, voor zover hij alsdan niet de leeftijd van 65 jaar heeft
                                bereikt, recht op een <vet>uitkering </vet>op de voet van de
                                volgende artikelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De raad kan beslissen dat geen <vet>uitkering </vet>wordt toegekend
                                aan een gewezen wethouder: </al><lijst><li nr="a."><al>die zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde
                                        overheidsdienst heeft begeven en naar zijn oordeel zich
                                        daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd
                                        onwaardig heeft gedragen; </al></li><li nr="b."><al> die wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar
                                        zijn oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal
                                        oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;</al></li><li nr="c."><al> die overeenkomstig artikel X8 van de kieswet van het
                                        lidmaatschap van de raad vervallen is verklaard. </al></li><li nr="d."><al> wiens ontslag voortvloeit uit het feit dat hij zich aan
                                        kennelijk wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak
                                        heeft schuldig gemaakt. Onder grove verwaarlozing van zijn
                                        taak wordt begrepen het zonder genoegzame grond weigeren de
                                        in artikel 169 Gemeentewet bedoelde inlichtingen aan de raad
                                        te verstrekken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Normale duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin
                                de belanghebbende wethouder is geweest, doch tenminste voor de duur
                                van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes jaren. Indien de
                                belanghebbende met een of meer onderbrekingen wethouder is geweest,
                                wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij wethouder is
                                geweest in een tijdvak, laatstelijk voordat hij ophield wethouder te
                                zijn, waarin zijn wethouderschap voor ten hoogste een zesde deel van
                                dat tijdvak is onderbroken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de
                                duur van ten hoogste zes maanden, indien belanghebbende korter dan
                                drie maanden wethouder is geweest. 3. In geval van tussentijds
                                eindigen van de uitkering krachtens artikel 7, onder c, wordt de
                                volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop
                                eerstgenoemde uitkering zou zijn geëindigd ingeval artikel 7, onder
                                c, buiten toepassing was gebleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voortzetting van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als wethouder de
                                leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van 12
                                jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat tenminste tien jaren
                                wethouder is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip
                                waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan de raad beslissen dat met inachtneming
                                van artikel 7, onder b. De uitkering zal worden voortgezet voor een
                                nader vast te stellen termijn, welke op dezelfde wijze kan worden
                                verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bedrag van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkering bedoeld in artikel 2 bedraagt gedurende het eerste jaar
                                80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als wethouder genoten wedde
                                inclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkering, bedoeld in artikel 3, lid 1, bedraagt 70 percent van
                                de laatstelijk als wethouder genoten wedde inclusief de
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten
                                verstaan: waarop aanspraak bestond of bij uitoefening van het ambt
                                zou hebben bestaan op de dag, voorafgaande aan die waarop
                                belanghebbende heeft opgehouden wethouder te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien bij algemene maatregel van bestuur in de bezoldiging van het
                                rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in de leden
                                1, 2 en 3 bedoelde laatste­lijk genoten wedde inclusief de
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, voor de toepassing van
                                die leden met ingang van het tijdstip van ingang van die
                                bezoldigingswijziging overeenkomstig die wijziging aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a</nr><titel>Voortzetting van uitkering bij invaliditeit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering
                                eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met
                                inachtneming van artikel 7 de uitkering voor de duur van de
                                invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 4b.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze
                                verordening is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te
                                stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet
                                in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met
                                soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid
                                verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan,
                                met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt
                                verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene
                                met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid
                                wordt niet begrepen arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet
                                Sociale Werkvoorziening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt
                                buiten beschouwing gelaten of de betrokkene zonder redelijke grond
                                weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of
                                scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig
                                resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van
                                algemene invaliditeit van uitgegaan dat de opleiding of scholing is
                                afgerond. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen
                                aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende
                                meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er
                                bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van
                                uitgegaan dat de opleiding of scholing is afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4b</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het
                                tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en
                                vijfde lid van dit artikel. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het
                                derde lid 70 procent van de laatstelijk als wethouder genoten wedde
                                inclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bij een
                                algemene invaliditeit van 80 procent of meer; 60 procent van die
                                wedde inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering bij een
                                algemene invaliditeit van 55 tot 80 procent, en 40 procent van die
                                wedde inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering bij een
                                algemene invaliditeit van 25 tot 55 procent.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de
                                belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de
                                uitkering:</al><al> 58 jaar of ouder is: zes jaar;</al><al> 53 jaar of ouder is: drie jaar; </al><al>48 jaar of ouder is: twee jaar; </al><al>43 jaar of ouder is: anderhalf jaar; </al><al>38 jaar of ouder is: een jaar; </al><al>33 jaar of ouder is: een half jaar, en jonger is dan 33 jaar:
                                nihil.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid
                                bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een
                                bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van
                                het verschil tussen de laatstelijk als wethouder genoten wedde
                                inclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bedoeld
                                in artikel 4, en het minimumloon. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt
                                een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e
                                jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van
                                voortzetting van de uitkering. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een
                                jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8,
                                eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantie
                                bijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft,
                                het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende
                                minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel
                                8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover
                                berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De belanghebbende heeft recht op aanvulling van de uitkering, indien
                                die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid
                                vastgestelde percentage van de laatstelijk als wethouder genoten
                                wedde inclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
                            </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering
                                te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de
                                laatstelijk als wethouder genoten wedde inclusief de
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het
                                bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
                                tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als wethouder
                                genoten wedde inclusief de vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt
                                voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 59, eerste
                                lid. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene
                                invaliditeit van 80 procent of meer 65 procent, bij een algemene
                                invaliditeit van 55 tot 80 procent: 56 procent en bij een algemene
                                invaliditeit van 25 tot 55 procent: 37 procent. </al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen regels met betrekking tot de
                                wijze en het tijdstip waarop de wethouder of de gewezen wethouder de
                                in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te
                                maken. </al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te
                                samen met inkomsten, bedoeld in artikel 5, minder bedraagt dan het
                                minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De
                                verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en
                                het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van
                                het minimumloon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4c</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 4a, geschiedt
                                op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer
                                dan drie jaar, onverminderd het in deze verordening bepaalde over
                                herziening of intrekking van de uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de belanghebbende uiterlijk vier
                                maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde
                                termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van
                                een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die
                                termijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt door de
                                belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in
                                het eerste lid bedoelde termijn gedaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen op een
                                tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de
                                uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de
                                aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt geacht tijdig te
                                zijn ingediend indien burgemeester en wethouders de kennisgeving
                                bedoeld in het tweede lid niet hebben gedaan dan wel indien bij een
                                latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt
                                ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
                            </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
                                termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze
                                die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn
                                afgelopen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn
                                geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het
                                eerste lid genoemde termijn van drie jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4d</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste
                                maal met toepassing van artikel 4a is voortgezet, doen burgemeester
                                en wethouders een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er
                                als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene
                                invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van
                                de uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een
                                termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde
                                termijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de
                                belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate
                                van algemene invaliditeit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in: </al><lijst><li nr="a."><al>indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de
                                        eerste dag van de maand volgende op die waarin die aanvraag
                                        is binnengekomen; </al></li><li nr="b."><al> indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van
                                        de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
                                        beslissing tot wijziging is genomen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toepassing van artikel 4a wordt ten aanzien van een
                                belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een
                                uitnodiging van burgemeester en wethouders zich te onderwerpen aan
                                een onderzoek door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen
                                ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene
                                invaliditeit. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien degene die recht heeft op een wegens algemene invaliditeit
                                voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid
                                geniet, zijn burgemeester en wethouders bevoegd, zolang niet
                                vaststaat of deze arbeid als arbeid bedoeld in artikel 4a, tweede
                                lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de
                                uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten
                                hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren,
                                aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband
                                met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode
                                wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand
                                geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na
                                afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de
                                eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid bedoeld in
                                artikel 4a, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de tweede volzin van
                                het zesde lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden en met betrekking tot het zesde lid van dit
                                artikel nadere en voor bijzondere gevallen zo nodig afwijkende
                                regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4e Onderzoek naar invaliditeit voor het aftreden</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Op verzoek van een wethouder doen burgemeester en wethouders een
                                onderzoek instellen door een of meer door hen aangewezen
                                geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de wethouder die
                                het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in artikel 4a,
                                tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders brengen de uitkomst van een onderzoek dat
                                is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de
                                verzoeker.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Korting wegens inkomsten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De inkomsten, die de belanghebbende geniet, worden met de uitkering
                                verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of
                                geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten
                                verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het
                                verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na
                                de dag waarop hij heeft opgehouden wethouder te zijn, geniet als </al><lijst><li nr="a."><al>winst uit onderneming; </al></li><li nr="b."><al> zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid. </al></li></lijst><al>Onder inkomsten, bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan
                                een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Algemene
                                Arbeidsongeschiktheidswet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als inkomsten
                                aangemerkt: </al><lijst><li nr="a."><al>de inkomsten wegens in het tweede lid bedoelde activiteiten
                                        ter hand genomen door de belanghebbende binnen één jaar,
                                        onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van aftreden;
                                    </al></li><li nr="b."><al> de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin
                                        hij gedurende zijn zittingstijd als wethouder op
                                        non-activiteit was gesteld;</al></li><li nr="c."><al> de vaste vergoeding die wordt genoten als raadslid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede lid
                                inkomsten of hogere inkomsten, anders dan tengevolge van algemene
                                loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde
                                activiteiten ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan
                                bedoeld in het derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere
                                inkomsten het bepaalde in het eerste lid van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de
                                uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering,
                                vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde
                                inclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarvan
                                de uitkering is afgeleid, overschrijdt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet verstaan
                                kinderbijslag alsmede de compensatie voor de premie ingevolge de
                                Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welke in
                                die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen. De vorige
                                volzin is wat betreft de premiecompensatie slechts van toepassing
                                voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen
                                worden geacht betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1
                                juni 1985. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen of weer ter hand
                                nemen van enige arbeid of bedrijf, dan wel van het gaan genieten van
                                inkomsten of hogere inkomsten als bedoeld in dit artikel, terstond
                                mededeling te doen aan burgemeester en wethouders onder opgave, voor
                                zover mogelijk, van de verwachte inkomsten, een en ander
                                overeenkomstig de voorschriften, hem door burgemeester en wethouders
                                gegeven. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij
                                tijdig voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de
                                inkomsten die hij sinds het ter hand nemen van bedoelde
                                werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt de
                                aard van de activiteiten of de inkomsten mede dat de inkomsten over
                                een langere termijn dan een maand moeten worden berekend, dan wordt
                                op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig
                                vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde
                                van even bedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de vaststelling van het bedrag
                                van de vermindering afwijken van de opgave van belanghebbende. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette
                                uitkeringen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 4a,
                                kunnen burgemeester en wethouders andere inkomsten aanmerken als te
                                zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Belanghebbende wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht
                                erin toe te stemmen, dat allen die daarvoor naar het oordeel van
                                burgemeester en wethouders in aanmerking komen omtrent zijn
                                omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van
                                deze afdeling nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Betaling uitkering</titel></kop><al>De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Einde van de uitkering</titel></kop><al>De uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al> met ingang van de dag, volgende op die waarop belanghebbende is
                                    overleden; </al></li><li nr="b."><al> met ingang van de dag, waarop belanghebbende de leeftijd van 65
                                    jaar bereikt; </al></li><li nr="c."><al> met ingang van de dag, waarop belanghebbende weer als wethouder
                                    in deze gemeente optreedt;</al></li><li nr="d."><al> met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
                                    waarin burgemeester en wethouders ten aanzien van een uitkering
                                    als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, hebben vastgesteld, dat
                                    de algemene invaliditeit minder dan 25 percent is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Schorsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betaling van de uitkering kan door burgemeester en wethouders
                                worden geschorst indien en voor zolang belanghebbende niet de
                                mededeling of opgave doet als bedoeld in artikel 5, lid 7. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het vorige lid bedoelde verplichting alsnog wordt
                                nagekomen, wordt de uitkering over de tijd van schorsing alsnog
                                uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen wethouder wordt
                                aan de nabestaande zoals bedoeld in artikel 12, van wie de
                                overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd,
                                gelijk aan de uitkering over een tijdvak van drie maanden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij,
                                onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan wordt
                                even bedoeld bedrag uitgekeerd ten behoeve van de minderjarige
                                wettige of natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige
                                kinderen waarover de overledenen ten tijde van het overlijden de
                                pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt
                                verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als
                                was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe
                                of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook
                                zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene
                                kostwinner was van ouders, meerderjarig kinderen, broeders of
                                zusters, ten behoeve van deze betrekkingen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste en
                                tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele
                                worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste
                                ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de
                                betaling van die kosten ontoereikend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vervanging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in artikel 51, eerste
                                lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de waarneming van het
                                wethouderschap is belast geweest. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van het tijdvak, bedoeld in artikel 2, eerste
                                lid, telt tevens mee de periode waarin de belanghebbende krachtens
                                het gestelde in artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk
                                doch gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de tijdelijke
                                waarneming van het wethouderschap is belast geweest, indien het
                                tijdvak van die waarneming zonder onderbreking wordt gevolgd door
                                een tijdvak, waarin hij anders dan krachtens artikel 51, eerste lid,
                                van de Gemeentewet als wethouder is opgetreden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Pensioenen</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen bedoeld
                                in de artikelen 29, 33, 36 en 37, tenzij uit de desbetreffende
                                bepalingen het tegendeel blijkt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>aanmelding : aanmelding als bedoeld in artikel 12a; </al></li><li nr="b."><al> nabestaande : de man of vrouw waarmee de overleden
                                        wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder op de dag van
                                        overlijden gehuwd was, dan wel de man of vrouw ten aanzien
                                        van wie door de overledene aanmelding had plaatsgevonden;
                                    </al></li><li nr="c."><al>deeltijdfactor : een breuk waarvan de teller wordt gevormd
                                        door de genoten wedde, exclusief de vakantie-uitkering en de
                                        eindejaarsuitkering en de noemer door het tot een jaarbedrag
                                        herleide bedrag waarvan de wedde is afgeleid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan bij burgemeester en wethouders één man of vrouw
                                    aanmelden, indien hij en deze man of vrouw: </al><lijst><li nr="a."><al>beiden als ingezetenen met hetzelfde woonadres in de
                                            gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn
                                            ingeschreven;</al></li><li nr="b."><al>zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract
                                            tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te
                                            dragen in de kosten van het levensonderhoud; </al></li><li nr="c."><al> beiden ongehuwd zijn; </al></li><li nr="d."><al> beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of
                                            ouder zijn, en;</al></li><li nr="e."><al> geen bloed-of aanverwanten in de rechte lijn zijn.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts kunnen aanmelding doen als bedoeld in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>De gewezen wethouder met recht op uitkering ter zake van
                                            ontslag of aftreden, of </al></li><li nr="b."><al> de gewezen wethouder, indien hij al voor zijn ontslag
                                            of aftreden gehuwd was met de man of vrouw van wie
                                            aanmelding gewenst wordt, dan wel indien die man of
                                            vrouw al voor het ontslag of aftreden door de gewezen
                                            wethouder was aangemeld geweest als bedoeld in het
                                            eerste lid, mits de aanmelding wordt gedaan voordat
                                            degene die de aanmelding doet de leeftijd van 65 jaar
                                            heeft bereikt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt
                                    afschrift van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke
                                    basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt dat is
                                    voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a,
                                    alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in het eerste
                                    lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring
                                    van de notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse
                                    onderhoudsplicht blijkt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het
                                    eerste lid, niet wordt voldaan, weigeren burgemeester en
                                    wethouders de aanmelding. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                    aanmelding door degene die niet als ingezetene in de
                                    gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is
                                    ingeschreven. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een aanmelding, als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald: </al><lijst><li nr="a."><al>op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de
                                            aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die
                                            is aangemeld, is ontvangen;</al></li><li nr="b."><al> op de dag van het overlijden van de man of vrouw die is
                                            aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft
                                            gedaan, of</al></li><li nr="c."><al> op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan,
                                            dan wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het
                                            huwelijk treedt, hetzij partij is bij een volgende
                                            aanmelding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders kunnen, indien daartoe aanleiding
                                    bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor
                                    aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan
                                    legt alsdan in een schriftelijke verklaring terzake over van hem
                                    en de aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt
                                    afschrift van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke
                                    basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt dat aan de
                                    voorwaarde gesteld in het eerste lid, onder a, op het tijdstip
                                    van die verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de
                                    voorgaande periode het samenlevingscontract een wijziging heeft
                                    ondergaan die van belang kan zijn voor de aanmelding, wordt een
                                    afschrift van het gewijzigde contract overgelegd dan wel een
                                    uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris
                                    dienaangaande waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de
                                    voorwaarde bedoeld in het eerste lid, onder b.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan
                                    herhalen burgemeester en wethouders hun in het achtste lid
                                    bedoelde aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde
                                    aanvraag wordt gegeven, kunnen burgemeester en wethouders de
                                    aanmelding op een door hen vast te stellen datum doorhalen. De
                                    bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het
                                    achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Nabestaandenpensioen</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening voor het nabestaandenpensioen
                                zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder
                                nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het
                                tegendeel blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening voor het nabestaanden en
                                wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk
                                pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel
                                blijkt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vervanging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in
                                    artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de
                                    waarneming van het wethouderschap is belast geweest. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal dienstjaren, zoals bedoeld in
                                    deze afdeling, kan op verzoek van belanghebbende tevens
                                    meetellen de periode waarin hij krachtens het gestelde in
                                    artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk doch
                                    gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de tijdelijke
                                    waarneming van het wethouderschap is belast geweest, indien het
                                    tijdvak van die waarneming zonder onderbreking wordt gevolgd
                                    door een tijdvak, waarin hij anders dan krachtens artikel 51,
                                    eerste lid, van de Gemeentewet als wethouder is opgetreden.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verzoek bedoeld in het vorige lid dient binnen dertig dagen
                                    na de datum waarop belanghebbende anders dan krachtens artikel
                                    51, eerste lid, van de Gemeentewet voor het eerst als wethouder
                                    is opgetreden bij burgemeester en wethouders te worden
                                    ingediend. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Het eigen pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Het recht op eigen pensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                                    onderbreking weer als zodanig optreedt, recht op pensioen indien
                                    hij op het tijdstip waarop hij ophoudt wethouder te zijn, de
                                    leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Hij die ophoudt wethouder te zijn vóór het bereiken van de
                                    leeftijd van 65 jaar, heeft recht op pensioen bij het bereiken
                                    van die leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip weer als wethouder
                                    in deze gemeente optreedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Diensttijd vóór en vanaf 1 januari 1986</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het pensioen wordt berekend over de tijd doorgebracht als
                                    wethouder, volgens een of meer van de artikelen 18, 19 en 19a,
                                    naar de laatstelijk als wethouder genoten wedde inclusief de
                                    vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                    19, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1 januari
                                    1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan 100/110
                                    maal het bedrag van de eventueel volgens de regels bedoeld in
                                    artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers aangepaste wedde voor de vaststelling van de
                                    pensioengrondslag voor de pensioenberekening over tijd tussen 31
                                    december 1985 en 1 januari 1995 met toepassing van artikel 19.
                                    De in de eerste volzin eerstbedoelde wedde bedraagt niet minder
                                    dan het bedrag van laatstbedoelde wedde verminderd met €
                                    2.867,89. Het bedrag van € 2.867,89 wordt telkens aangepast bij
                                    de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid, van
                                    de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, overeenkomstig
                                    de aanpassing van een bedrag dat op 1 januari 1985 € 28.678,91
                                    bedroeg. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                    artikel, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1
                                    januari 1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan
                                    11/110 maal het bedrag, bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 19 als
                                    artikel 19a geldt voor de pensioenberekening over de tijd tussen
                                    31 december 1985 en 1 januari 1995 als laatstelijk genoten wedde
                                    een bedrag gelijk aan de eventueel naar de regelen, bedoeld in
                                    het tweede lid aangepaste wedde voor de vaststelling van de
                                    pensioengrondslag voor de pensioenberekening over de tijd na 31
                                    december 1994 met toepassing van artikel 19a, vermenigvuldigd
                                    met een debruteringsfactor. </al><al>Deze factor is de breuk, waarvan de teller honderd bedraagt en
                                    de noemer de som van honderd en het percentage waarmee de wedde
                                    als wethouder per 1 januari 1995 uitsluitend ter uitvoering van
                                    artikel II van de wet van 19 mei 1994, houdende wijziging van de
                                    Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder andere ter
                                    zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise voor de
                                    pensioenberekening) (Staatsblad 418) is gewijzigd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de berekening van een pensioen van een gewezen wethouder die
                                    voor 1 januari 1986 voor zijn bezoldiging geacht werd niet de
                                    volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden, wordt de
                                    laatstelijk genoten wedde, vastgesteld volgens het tweede of
                                    derde lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd voor 1 januari
                                    1986</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari 1986.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in lid 3 bedraagt het pensioen voor ieder
                                    van de eerste vier jaren als wethouder 3,5 percent en voor ieder
                                    overig jaar als wethouder 1,75 percent, in totaal tot een
                                    maximum van 70 percent, van de B in de zin van artikel 4 B
                                    laatstelijk als wethouder genoten wedde inclusief de
                                    vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, aangepast volgens
                                    de regels als bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen krachtens of op
                                    voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers komen op
                                    grond van artikel 139, lid 2, van deze wet voor de toepassing
                                    van de pensioenberekening naar 3,5 percent per dienstjaar in
                                    totaal ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die
                                    berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het
                                    pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert, en
                                    overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere
                                    pensioenen in de volgorde van de hoogte van de wedden of de
                                    berekeningsgrondslag. Voor de vergelijking van deze wedden of
                                    berekeningsgrondslag worden deze zo nodig aangepast volgens de
                                    regels, bedoeld in artikel 157, derde lid, van evengenoemde wet.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tijd met recht op uitkering doorgebracht telt als diensttijd
                                    mee in die zin, dat het pensioen over deze tijd naar 0,875
                                    percent per jaar wordt berekend, met dien verstande dat, wanneer
                                    het een uitkering betreft als bedoeld in artikel 3, lid 2, het
                                    pensioen over deze tijd naar 1,75 percent per jaar wordt
                                    berekend, voor zover en voor zolang het percentage van de
                                    algemene invaliditeit 55 of meer bedroeg. Voor de toepassing van
                                    de vorige volzin worden uitkeringen als bedoeld in artikel 2 en
                                    in artikel 3, leden 1 en 4, aangemerkt als een uitkering als
                                    bedoeld in artikel 3, lid 2, indien en zolang belangheb­bende
                                    tijdens de duur van eerstbedoelde uitkeringen voor 55 percent of
                                    meer algemeen invalide was. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het vierde lid wordt het pensioen over de in
                                    dat lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge
                                    dat lid toepasselijk percentage, over het gedeelte van die tijd
                                    waarin de uitkering is verminderd wegens het genieten van
                                    inkomsten als bedoeld in artikel 5. Geen mee telling van
                                    uitkeringstijd als diensttijd vindt plaats:</al><lijst><li nr="a."><al> voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de
                                            uitkering wegens het genieten van inkomsten als bedoeld
                                            in artikel, eerste lid, tot nihil is verminderd; </al></li><li nr="b."><al> in zover de belanghebbende die recht heeft op een
                                            uitkering, maar die minder uitkering geniet dan de
                                            krachtens artikel 59 berekende inhoudingen ter zake van
                                            ouderdom en overlijden, er geen zorg voor draagt dat het
                                            bedrag van de inhoudingen, welk bedrag in dit geval als
                                            een op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het
                                            bereiken van de 65-jarige leeftijd is voldaan; c. indien
                                            de belanghebbende zulks verzoekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid wordt de vergoeding voor
                                    de werkzaamheden als lid van de gemeenteraad niet beschouwd als
                                    daar bedoelde inkomsten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd tussen 31
                                    december 1985 en 1 januari 1995. </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over jaren gelegen tussen 31 december 1985
                                    en 1 januari 1995. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De
                                    pensioengrondslag wordt gevormd door de laatstelijk als
                                    wethouder genoten wedde inclusief de vakantie-uitkering en de
                                    eindejaarsuitkering, te verminderen met een bedrag als
                                    omschreven in het vierde lid (de franchise). </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van wethouders die voor zijn bezoldiging geacht
                                    wordt niet de volledige werkweek aan het ambt te besteden, wordt
                                    onder wedde verstaan het tot een jaarbedrag herleide bedrag
                                    waarvan die wedde is afgeleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De franchise bedoeld in het tweede lid bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>voor de gepensioneerde wethouder die voor de toepassing
                                            van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt
                                            twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide
                                            bedrag, waarop ingevolge die wet recht bestaat of zou
                                            hebben bestaan indien hij op grond van die wet verzekerd
                                            zou zijn geweest;</al></li><li nr="b."><al> voor de gepensioneerde wethouder die voor de toepassing
                                            van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt
                                            aangemerkt tien zevende maal het tot een jaarbedrag
                                            herleide bedrag, waarop ingevolge die wet recht bestaat
                                            of zou hebben bestaan indien hij op grond van die wet
                                            verzekerd zou zijn geweest. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de in het vierde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de
                                    bruto vakantie-uitkering waarop ingevolge de Algemene
                                    Ouderdomswet recht bestaat. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Wanneer de in het vierde lid bedoelde bedragen worden gewijzigd,
                                    wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende
                                    pensioenen gaan - onverminderd artikel 22, tweede lid, in op
                                    dezelfde dag als waarop bedoelde wijzigingen zich hebben
                                    voorgedaan. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in het achtste lid bedraagt het pensioen
                                    voor ieder van de eerste vier voor pensioen tellende jaren als
                                    wethouder 3,5 percent van de pensioengrondslag, en voor ieder
                                    overig jaar als wethouder 1,75 percent van de pensioengrondslag,
                                    in totaal tot een maximum van 70 percent van de
                                    pensioengrondslag, aangepast volgens de regels bedoeld in
                                    artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen, bedoeld in het
                                    zevende lid, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                    pensioenen krachtens de tweede en derde afdeling van de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers, komen voor de toepassing van
                                    de pensioenberekening naar 3,5 percent per dienstjaar in totaal
                                    ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die
                                    berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het
                                    pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert en
                                    overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere
                                    pensioenen in de volgorde van de hoogte der wedden,
                                    berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen. Voor vergelijking
                                    van deze wedden, berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen
                                    worden deze zo nodig aangepast volgens de regels bedoeld in
                                    artikel 157, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het vierde, vijfde en zesde lid van artikel 18 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien een pensioen wordt berekend zowel met toepassing van
                                    artikel 18 als met toepassing van dit artikel, wordt in
                                    afwijking van het zevende of achtste lid het percentage van 70
                                    verminderd met het percentage van het pensioen dat eerst is
                                    berekend met toepassing van artikel 18.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd na 31 december
                                    1994 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over tijd doorgebracht als wethouder na 31
                                    december 1994. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 19, tweede lid, is van toepassing, met dien verstande
                                    dat de in dat lid bedoelde franchise het bedrag is, dat op grond
                                    van een reglement, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de
                                    Wet privatisering ABP als zodanig geldt voor de berekening van
                                    een ouderdomspensioen van een gepensioneerd overheidswerknemer
                                    in de zin van die wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Artikel 19, derde en zevende tot en met tiende lid, is van
                                    toepassing.​</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Berekening eigen pensioen deeltijdwethouder na 31 december
                                    1985 </titel></kop><al>Tijd, doorgebracht als wethouder, gedurende welke de belanghebbende
                                voor zijn bezoldiging geacht werd niet de volledige werkweek aan
                                zijn ambt te besteden, telt voor de pensioenberekening met
                                toepassing van artikel 19 of 19a, dan wel met toepassing van beide
                                artikelen, mee met inachtneming van de voor die tijd toepasselijke
                                deeltijdfactor of deeltijdfactoren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Samenvallende diensttijden van echtgenoten tussen 31 december
                                    1985 en 1 januari 1995</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gepensioneerde wethouder heeft recht op een toeslag op zijn
                                    pensioen indien dat pensioen is berekend met toepassing van de
                                    franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid, onderdeel a.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot
                                    aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene
                                    Ouderdomswet als echtgenoot van de gepensioneerde wethouder
                                    wordt aangemerkt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor elk voor de
                                    berekening van het pensioen meetellende jaar binnen de
                                    samenlopende kalendertijd 0,525 percent van de franchise bedoeld
                                    in artikel 19, vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag wordt slechts toegekend op schriftelijk verzoek en
                                    gaat in op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde
                                    omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat de toeslag
                                    niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand
                                    waarin het verzoek is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 157 van de Algemene pensioenwet
                                    politieke ambtsdragers en van hoofdstuk III van deze verordening
                                    wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder pensioen
                                    begrepen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder mede
                                    begrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering,
                                    ingevolge de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt
                                    aangebracht op grond van persoonlijke omstandigheden, is degene
                                    aan wie een pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over
                                    diensttijd voor 1 januari 1995, gehouden daarvan onverwijld
                                    kennis te geven aan burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot
                                    verhoging van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die
                                    verhoging niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de
                                    maand waarin de daar bedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin
                                    die verhoging ambtshalve plaatsvond. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders het
                                    tweede lid buiten toepassing laten. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Het nabestaanden- en wezenpensioen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Het recht op pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Paraplubepaling ANW. </titel></kop><al>Een regeling van nabestaanden- en wezenpensioen, vervat in deze
                                    verordening, wordt voor de toepassing van artikel 103 van de
                                    Algemene nabestaandenwet beschouwd als een pensioenregeling als
                                    bedoeld in dat artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor recht op een nabestaanden- of wezenpensioen, ontstaan
                                        wegens overlijden tussen 30 juni 1996 en 1 januari 1998 van
                                        een wethouder, gewezen wethouder of gepensioneerde
                                        wethouder, van een nabestaande of een wees die geen recht
                                        heeft op een uitkering ingevolge de Algemene Nabestaandenwet
                                        maar wel recht op pensioen of tijdelijke uitkering ingevolge
                                        de Algemene Weduwen- en Wezenwet zou hebben gehad indien die
                                        wet nog van kracht zou zijn geweest, geldt het
                                        volgende:</al><lijst><li nr="a."><al> voor de toepassing van de bepalingen inzake
                                                samenloop van pensioen en algemeen pensioen over
                                                tijd vóór 1 januari 1986 (inbouwbepalingen) en de
                                                bepalingen inzake recht op toeslag wegens het
                                                ontbreken van recht op uitkering ingevolge de
                                                Algemene Nabestaandenwet heeft artikel 23 geen
                                                werking; </al></li><li nr="b."><al> de onder a bedoelde toeslag wordt berekend
                                                overeenkomstig artikel 29a indien het een toeslag op
                                                een nabestaandenpensioen betreft en overeenkomstig
                                                artikel 33 indien het een toeslag op een
                                                wezenpensioen betreft;</al></li><li nr="c."><al> een toeslag op een nabestaandenpensioen wordt mede
                                                berekend over tijd na 31 december 1995, indien en
                                                voor zover in aanmerking genomen voor de berekening
                                                van het pensioen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid, onder c, geldt mede voor een recht op
                                        nabestaandenpensioen, ontstaan wegens overlijden tussen 26
                                        juni 1996 en 1 juli 1996 van een wethouder, gewezen
                                        wethou­der of gepensioneerde wethouder, van een nabestaande
                                        die wegens dat overlijden recht heeft verkregen op een
                                        tijdelijke weduwenuitkering op grond van de Algemene
                                        Weduwen- en Wezenwet, na het verstrijken van de duur van die
                                        uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Nabestaandenpensioen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De nabestaande van een wethouder of van een gewezen dan wel
                                        van een gepensioneerde wethouder heeft recht op
                                        nabestaandenpensioen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het
                                        huwelijk was gesloten nadat het aftreden van de echtgenoot
                                        was ingegaan, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al>de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het
                                                huwelijk recht had op een uitkering ter zake van
                                                zijn aftreden als wethouder; of </al></li><li nr="b."><al> de echtgenoten reeds voor het aftreden met elkaar
                                                gehuwd waren geweest en mits het huwelijk was
                                                gesloten voordat deze de 65-jarige leeftijd had
                                                bereikt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vorige lid wordt het aftreden
                                        geacht niet te hebben plaatsgevonden, indien zonder
                                        wezenlijke onderbreking een politiek ambt als bedoeld in de
                                        Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers is aanvaard. Een
                                        onderbreking van ten hoogste twee maanden wordt als
                                        niet-wezenlijk aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De raad kan beslissen dat een onderbreking van meer dan
                                        twee maanden als niet-wezenlijk wordt aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a</nr></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bijzonder pensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De man of vrouw met wie een wethouder, gewezen of
                                        gepensioneerde wethouder gehuwd is geweest, heeft na diens
                                        overlijden recht op een bijzonder nabestaandenpensioen,
                                        mits: </al><lijst><li nr="a."><al>hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben
                                                gehad, indien de wethouder, de gewezen of
                                                gepensioneerde wethouder op de dag van het vonnis,
                                                waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het
                                                huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden;</al></li><li nr="b."><al> de onder a bedoelde dag ligt ná 30 september 1971
                                                en de echtscheiding of ontbinding van het huwelijk
                                                niet is uitgesproken met toepassing van het vóór 1
                                                oktober 1971 geldende recht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
                                        van de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits
                                        zij of hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad,
                                        indien de wethouder, de gewezen of gepensioneerde wethouder
                                        op de dag van eindigen van de aanmelding zou zijn overleden.
                                    </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
                                        desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met,
                                        dan wel een aanmelding door dezelfde wethouder ter zake van
                                        diens overlijden recht op nabestaandenpensioen krijgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Wezenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op wezenpensioen hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>de kinderen van hem die overlijdt als wethouder of
                                                als gewezen of gepensioneerde wethouder, die de
                                                leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben
                                                bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn
                                                dan wel niet partij zijn of partij zijn geweest bij
                                                een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd
                                                voor zijn aftreden is ingegaan of in de periode
                                                waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van het
                                                aftreden; tenzij:</al></li><li nr="b."><al> de kinderen ten opzichte van welke aan een
                                                mannelijke wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                                wethouder ten tijde van zijn overlijden een
                                                onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek I
                                                van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel
                                                door hem bij authentieke akte een dergelijke
                                                verplichting was erkend, onder dezelfde voorwaarden
                                                als genoemd in onderdeel a, en </al></li><li nr="c."><al>de kinderen van welke de wethouder, gewezen of
                                                gepensioneerde wethouder ten tijde van zijn
                                                overlijden de pleegouderlijke zorg, onder dezelfde
                                                voorwaarden als genoemd in onderdeel a, met dien
                                                verstande dat in plaats van het tijdstip van de
                                                geboorte of adoptie het tijdstip van aanvang van de
                                                pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt genomen.
                                            </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Artikel 23, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
                                        toepassing ten aanzien van het gestelde onder a van het
                                        eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het eerste lid, onder
                                        c, wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding
                                        van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van
                                        enige verplichting daartoe of van het genieten van een
                                        vergoeding daarvoor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien een wethouder of een gewezen dan wel een
                                        gepensioneerde wethouder naar het oordeel van burgemeester
                                        en wethouders is vermist, hebben degenen, die aan zijn
                                        overlijden op grond van de voorgaande artikelen van deze
                                        paragraaf recht op pensioen zouden ontlenen, recht op
                                        tijdelijk pensioen op dezelfde voorwaarden als in die
                                        artikelen ten aanzien van het recht op pensioen omschreven,
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een
                                        pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.
                                    </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bedrag van het pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Berekening van het nabestaandenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van
                                        het pensioen, waarop de overledenen als gewezen wethouder
                                        aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag
                                        na die van zijn overlijden was afgetreden, of waarop de
                                        overledene als gewezen wethouder recht of uitzicht had.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
                                        nabestaande van hem die overlijdt: </al><lijst><li nr="a."><al>als wethouder voor het bereiken van de leeftijd van
                                                65 jaar; vijf zevende gedeelte van het pensioen
                                                waarop de wethouder aanspraak zou hebben kunnen
                                                maken, indien hij het wethouderschap tot het
                                                bereiken van evengenoemde leeftijd zou hebben
                                                bekleed; </al></li><li nr="b."><al> als gewezen wethouder in de periode waarin hij
                                                recht op uitkering heeft: vijf zevende gedeelte van
                                                het pensioen waarop de gewezen wethouder aanspraak
                                                zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken
                                                van de leeftijd van 65 jaar recht op uitkering zou
                                                hebben gehad, met dien verstande dat voor de
                                                berekening van het pensioen de diensttijd wordt
                                                doorgeteld naar de mate van mee telling van
                                                diensttijd op de dag van overlijden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien wegens een zelfde sterfgeval voor een nabestaande
                                        recht ontstaat op meer dan een nabestaandenpensioen
                                        krachtens of op voet van de Algemene pensioenwet politieke
                                        ambtsdragers wordt op grond van artikel 145, lid 4, van deze
                                        wet tijd, die voor de berekening van meer dan een van die
                                        pensioenen meetelt en niet daadwerkelijk gelijktijdig in de
                                        verschillende ambten is doorgebracht, slechts meegeteld voor
                                        de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste
                                        bedrag oplevert. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien
                                        van het eigen pensioen voor zover artikel 19, tweede, derde
                                        en vierde lid, daarop van toepassing is, in alle gevallen
                                        gerekend met de franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid,
                                        onder a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Berekening nabestaandenpensioen na 31 december 1985
                                    </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op een
                                        pensioenberekeningen over diensttijd na 31 december
                                        1985.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                        bereikt en geen recht heeft op pensioen of tijdelijke
                                        uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, heeft
                                        tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd
                                        bereikt recht op een toeslag op zijn volgens artikel 28
                                        berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk
                                        voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar
                                        twee en een half procent van het tot een jaarbedrag herleide
                                        bedrag genoemd in artikel 19, elfde lid, onder a,
                                        vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering,
                                        genoemd in artikel 37b, zesde lid, onder a, van de Algemene
                                        Weduwen- en Wezenwet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer betrokkene voldoet, onderscheidenlijk niet meer
                                        voldoet, aan de voorwaarden omschreven in het tweede lid,
                                        dient hij hiervan onverwijld kennis gegeven aan burgemeester
                                        en wethouders. De daar bedoelde toeslag gaat niet eerder in
                                        dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin
                                        kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is
                                        toegekend. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer het bedrag genoemd in nabestaandenuitkering
                                        ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de
                                        daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet
                                        wordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid bedoelde toeslag
                                        dienovereenkomstig gewijzigd met ingang van dezelfde dag als
                                        eerstbedoelde wijziging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29a</nr><titel>Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1994
                                        en 1 januari 1996​</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                        pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1994
                                        en 1 januari 1996. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                        bereikt en geen recht heeft op een nabestaandenuitkering
                                        ingevolge de Algemene Nabestaandenwet heeft tot de eerste
                                        dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op
                                        een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen
                                        berekende pensioen. </al><al>Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening
                                        van het nabestaandenpensioen tellend jaar 1,25 procent van
                                        de franchise, bedoeld in het tweede lid van artikel
                                        19a.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het derde en vierde lid van artikel 29 zijn van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Bijzonder nabestaandenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bijzonder nabestaandenpensioen wordt op dezelfde wijze
                                        berekend als een nabestaandenpensioen, met dien verstande
                                        dat slechts de diensttijd meetelt die gelegen is vóór de
                                        ontbinding van het huwelijk dan wel vóór het tijdstip waarop
                                        de aanmelding is geëindigd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er recht bestaat op meer dan één bijzonder
                                        nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 25, eerste en
                                        tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing
                                        met dien verstande, dat voor de berekening van het bijzonder
                                        nabestaandenpensioen, ontleend aan elk huwelijk en elke
                                        aanmelding, waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere
                                        aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die
                                        samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de
                                        huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer
                                        bijzonder nabestaandenpensioenen, wordt het
                                        nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt
                                        ontleend, met het bedrag of de bedragen daarvan
                                        verminderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel
                                        aanmelding</titel></kop><al>Indien een nabestaande hertrouwt dan wel partij is bij een
                                    aanmelding, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang
                                    van de maand volgend op die waarin hij hertrouwt dan wel de
                                    aanmelding geschiedt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen
                                    in aanmerking komende diensttijd van de wethouder of gewezen of
                                    gepensioneerde wethouder in aanmerking genomen, die gelegen is
                                    vóór het tijdstip van diens overlijden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Wezenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het wezenpensioen bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van de
                                                wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder recht
                                                op pensioen ontleent, een zevende gedeelte; </al></li><li nr="b."><al> voor elk ander kind, twee zevende gedeelte van het
                                                pensioen van de overledene, berekend overeenkomstig
                                                artikel 28. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede
                                        begrepen de nabestaande, die op het tijdstip van zijn
                                        overlijden de pleegouderlijke zorg had voor het kind,
                                        bedoeld in artikel 26.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Berekening wezenpensioen na 31 december 1985 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                        pensioenberekeningen over de diensttijd na 31 december 1985.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wees die geen recht heeft op wezenuitkering ingevolge de
                                        Algemene nabestaandenwet heeft recht op een toeslag op zijn
                                        volgens artikel 32 berekende pensioen, tenzij zijn ouder
                                        recht heeft op een halfwezenuitkering ingevolge de Algemene
                                        nabestaandenwet. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk
                                        voor de berekening van het wezenpensioen tellend jaar: </al><lijst><li nr="a"><al>voor de wees, bedoeld in artikel 32, eerste lid,
                                                onder a, 0,375 procent van het tot een jaarbedrag
                                                herleide som van de nabestaandenuitkering en de
                                                halfwezenuitkering ingevolge de Algemene
                                                nabestaandenwet, vermeerderd met de daarover
                                                berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet;</al></li><li nr="b"><al> voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid,
                                                onder b, 0,75 procent van het van het onder a
                                                bedoelde jaarbedrag. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 29, derde
                                        lid, van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de
                                        Algemene Nabestaandenwet, van de halfwezenuitkering
                                        ingevolge die wet of van de daarover berekende
                                        vakantie-uitkering ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt
                                        de in het tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig
                                        gewijzigd met ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde
                                        wijziging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Herberekening wezenpensioen​</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het wezenpensioen wordt herberekend overeenkomstig de
                                        artikelen 32 en 33, wanneer het nabestaandenpensioen of het
                                        bijzonder nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens
                                        overlijden is geëindigd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens
                                        artikel 31 wegens hertrouwen dan wel aanmelding opnieuw
                                        wordt vastgesteld, wordt het wezenpensioen bedoeld in
                                        artikel 32, eerste lid onder a, verhoogd met een bedrag dat
                                        zich verhoudt tot het bedrag van dat wezenpensioen, zoals
                                        het verschil tussen het nabestaandenpensioen bedoeld in
                                        artikel 28 voor en na de toepassing van artikel 31 zich
                                        verhoudt tot dat nabestaandenpensioen vóór die
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel is artikel 32, tweede
                                        lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Beperking gezamenlijke bedrag nabestaanden- en
                                        wezenpensioen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gedeelten van de nabestaanden, bijzondere nabestaanden-
                                        en wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de
                                        wezenpensioenen, bedoeld in de artikelen 28, 30, 31 en 32,
                                        gaan tezamen het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid
                                        niet te boven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien wegens toepassing van het vorige lid de daar bedoelde
                                        pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan,
                                        geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene
                                        bedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toeslag op nabestaandenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                        bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
                                        leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de
                                        voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15
                                        percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het
                                        tweede en vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een
                                        pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat
                                        eventueel hoofdstuk V toepassing heeft gevonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene
                                        die recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch ten
                                        aanzien van degene wiens nabestaandenpensioen wegens
                                        hertrouwen dan wel aanmelding opnieuw is vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
                                        vijftien percent van € 25.046,40. * Dit bedrag wordt telkens
                                        aangepast bij de ministeriële regeling bedoeld in artikel
                                        157, derde lid van de Algemene pensioenwet politieke
                                        ambtsdragers, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag
                                        dat op 1 januari 1985 € 28.678,91 bedroeg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Toeslag op wezenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wees bedoeld in artikel 32 heeft vanaf de eerste dag van
                                        de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft
                                        bereikt, recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande
                                        artikelen berekende pensioen ten bedrage van vijftien
                                        percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het
                                        tweede en derde lid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een
                                        pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat
                                        eventueel hoofdstuk V toepassing heeft gevonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
                                        vijftien percent van € 25.046,40. Dit bedrag wordt telkens
                                        aangepast bij de ministeriële regeling bedoeld in artikel
                                        157, derde lid, van de Algemene pensioenwet politieke
                                        ambtsdragers, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag
                                        dat op 1 januari 1985 € 28.678,91 bedroeg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><al>Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop zou
                                    bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was
                                    overleden. </al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Verval en vervallenverklaring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Vervallenverklaring van uitzicht of recht op pensioen
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De raad kan het uitzicht of het recht op pensioen geheel of
                                    gedeeltelijk vervallen verklaren indien een gewezen wethouder: </al><lijst><li nr="a."><al>zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde
                                            overheidsdienst heeft begeven en naar zijn oordeel zich
                                            daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd
                                            onwaardig heeft gedragen; </al></li><li nr="b."><al> wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar
                                            zijn oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands
                                            nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
                                        </al></li><li nr="c."><al> overeenkomstig artikel X8 van de kieswet van het
                                            lidmaatschap van de raad vervallen is verklaard; d. is
                                            ontslagen op grond van het feit dat hij zich aan
                                            kennelijk wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak
                                            heeft schuldig gemaakt. Onder grove verwaarlozing van
                                            zijn taak wordt begrepen het zonder genoegzame grond
                                            weigeren de in artikel 169 Gemeentewet bedoelde
                                            inlichtingen aan de raad te verstrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan de raad een door of als gevolg van
                                    de toepassing van het vorige lid vervallen uitzicht of recht op
                                    pensioen, geheel of gedeeltelijk herstellen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Verval van recht op pensioen bij niet invorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het recht op toegekend pensioen vervalt indien gedurende vijf
                                    achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is
                                    gebleven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan een door of als gevolg van de toepassing van het
                                    vorige lid vervallen recht op pensioen herstellen. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Samenloop</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel><cursief>Samenloop pensioenen krachtens deze verordening,
                                        onderling en met andere pensioenen</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Grensbedrag eigen pensioenen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor zover een
                                        pensioen is onderworpen aan een samenloopregeling
                                        overeenkomstig paragraaf 2 van dit hoofdstuk, onder pensioen
                                        verstaan het bedrag dat overblijft na vermindering van dat
                                        pensioen wegens recht op ouderdomspensioen krachtens de
                                        Algemene Ouderdomswet of een aar aard en strekking daarmee
                                        overeenkomend pensioen of uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien recht bestaat op een of meer eigen pensioenen
                                        krachtens of op de voet van Algemene pensioenwet politieke
                                        ambtsdragers, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                        eigen pensioenen krachtens een andere regeling als bedoeld
                                        in het vijfde lid en het totaal van die pensioenen meer
                                        bedraagt dan het grensbedrag, omschreven in het derde lid,
                                        wordt op grond van artikel 154 juncto artikel 93 van
                                        genoemde wet, elk eigenpensioen krachtens of op de voet van
                                        die wet beperkt tot een zodanig gedeelte (beperkingsbreuk)
                                        van bedoeld grensbedrag als evenredig is aan de verhouding,
                                        waarin elk van laatstbedoelde pensioenen staat tot het
                                        totaal van die pensioenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het grensbedrag is het pensioen dat met toepassing van
                                        artikel 19 tot het in het zevende lid van dat artikel
                                        genoemde maximum van 70 percent zou zijn toegekend naar een
                                        wedde overeenkomend met het hoogste bedrag in bijlage A van
                                        het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
                                        (Sb. 571) vermeerderd met het percentage van de
                                        vakantie-uitkering. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het bedrag van een of meer van de in het tweede lid
                                        bedoelde pensioenen bij berekening naar de maximaal in
                                        aanmerking komende diensttijd hoger is of zou zijn dan het
                                        grensbedrag bedoeld in het derde lid, treedt dat hogere
                                        bedrag of het hoogste van die bedragen voor de toepassing
                                        van het tweede lid in de plaats van het grensbedrag. Voor de
                                        in de eerste volzin bedoelde vergelijking worden de
                                        pensioenen aangepast overeenkomstig de regelen vastgesteld
                                        bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 105
                                        van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en
                                        daarmee overeenkomende artikelen in andere
                                        pensioenwetten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in
                                        dit artikel verstaan een pensioen, een daarmee in aard
                                        overeenkomende uitkering, alsmede een onderstand bij wijze
                                        van pensioen ten laste van het rijk, een provincie, gemeente
                                        of waterschap, van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds,
                                        van het Spoorwegpensioenfonds en van de Stichting
                                        administratie Indonesische pensioenen, dan wel ten last van
                                        de Nederlandse Antillen of een publiekrechtelijk lichaam in
                                        dat land of een door het hoger bestuursorgaan in een van
                                        deze landen ingesteld fonds, met inbegrip van de daarop
                                        onder welke benaming ook verleende toeslagen en met
                                        uitzondering van een pensioen krachtens de Wet buitengewoon
                                        pensioen 1940-1945 (Sb. 1947, H 313) en de Wet buitengewoon
                                        pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Sb. 1947,
                                        H 420), van een uitkering krachtens de Wet uitkeringen
                                        vervolgingsslachtoffers 1949-1945, van een
                                        invaliditeitspensioen met de daarop toegekende verhogingen
                                        krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van
                                        de Algemene militaire pensioenwet, van een
                                        invaliditeitspensioen, een invaliditeitsverhoging en een
                                        bijzonder invaliditeitsverhoging krachtens laatgenoemde wet,
                                        alsmede van een uitkering krachtens de Algemene
                                        oorlogsongevallenregeling. Onder een pensioen krachtens een
                                        andere regeling wordt in dit artikel mede begrepen een ten
                                        laste van het rijk onder welke benaming ook verleende
                                        toeslag op een pensioen, een daarmee in aard overeenkomende
                                        uitkering of een onderstand bij wijze van pensioen ten laste
                                        van Suriname of een publiekrechtelijk lichaam in dat land.
                                    </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na beperking van een eigen pensioen volgens lid 1 of lid 2
                                        wordt de toegepaste beperkingsbreuk slechts gewijzigd,
                                        wanneer een pensioen als in dit artikel bedoeld, wordt
                                        toegekend of eindigt dan wel - anders dan wegens aanpassing
                                        naar de in artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke
                                        ambtsdragers bedoelde regelen en daarmee overeenkomende
                                        regelen in andere pensioenwetten dan de in dit artikel
                                        genoemde - wordt herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Grensbedrag nabestaanden- en wezenpensioenen​</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Artikel 41 is van overeenkomstige toepassing indien voor
                                        een nabestaande onderscheidenlijk een wees, naast recht op
                                        een of meer nabestaandenpensioenen onderscheidenlijk
                                        wezenpensioenen, krachtens of op de voet van de Algemene
                                        pensioenwet politieke ambtsdragers recht bestaat op een of
                                        meer nabestaandenpensioenen, onderscheidenlijk
                                        wezenpensioenen krachtens een andere regeling, met dien
                                        verstande dat voor het in het derde lid van dat artikel
                                        bedoelde grensbedrag en het in het vierde lid van dat
                                        artikel bedoelde hogere bedrag, met betrekking tot een
                                        nabestaandenpensioen vijf zevende gedeelte, met betrekking
                                        tot een wezenpensioen krachtens artikel 32, eerste lid,
                                        onder a, een zevende gedeelte en met betrekking tot een
                                        wezenpensioen krachtens artikel 32, eerste lid, onder b,
                                        twee zevende gedeelte van die bedragen in de plaats komt.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de toeslagen
                                        bedoeld in de artikelen 29, 33, 36 en 37 niet onder pensioen
                                        begrepen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 35 wordt overeenkomstig toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Samenloop nabestaandenpensioen na hertrouwen of
                                        aanmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een nabestaande aan wie reeds een
                                        nabestaandenpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze
                                        verordening, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake
                                        van een later huwelijk of een latere aanmelding eveneens
                                        recht op nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens
                                        deze verordening, hetzij krachtens een andere regeling,
                                        wordt de samenlopende diensttijd slechts meegeteld bij de
                                        berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste
                                        bedrag oplevert. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in
                                        het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
                                        Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke
                                        garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot
                                        betaling - ten laste van de Nederlandse Antillen, van een
                                        publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemd
                                        ander land, dan wel ten laste van een door het
                                        bestuursorgaan in een van die landen ingesteld fonds.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Samenloop van wezenpensioenen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft,
                                        hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens een
                                        andere regeling, daarna eveneens recht op een ander
                                        wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze verordening,
                                        hetzij krachtens een andere regeling wordt voor de
                                        berekening van de eigen pensioenen waarvan die
                                        wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn
                                        afgeleid, samenlopende tijd slechts meegeteld bij de
                                        berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste
                                        bedrag oplevert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Artikel 43, lid 2, is van overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Samenloop <cursief>van pensioenen en algemeen pensioen over
                                        diensttijd vóór 1 januari 1986</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan
                                        onder: </al><lijst><li nr="a."><al>een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een
                                                pensioen voor zover berekend over tijd voor 1
                                                januari 1986, dat is toegekend of geacht wordt te
                                                zijn toegekend krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al> een algemeen pensioen: 1e een
                                                bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 9 van
                                                de Algemene Ouderdomswet, eventueel vermeerderd met
                                                een bruto-toeslag als bedoeld in artikel 10 van die
                                                wet, benevens de bruto-vakantie-uitkering, bedoeld
                                                in artikel 29 van die wet, een en ander voor zover
                                                niet uitbetaald krachtens artikel 18 van die wet; 2e
                                                een pensioen, een tijdelijke uitkering en
                                                wezenpensioen als bedoeld in de Algemene Weduwen- en
                                                Wezenwet; 3e een pensioen of uitkering toegekend
                                                krachtens een wettelijke regeling van de Nederlandse
                                                Antillen of van een vreemde mogendheid en naar aard
                                                en strekking overeenkomend met een algemeen pensioen
                                                als omschreven onder 1e en 2e; </al></li><li nr="c."><al> een belanghebbende: degene die recht heeft op een
                                                pensioen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor de toepassing van de ze paragraaf wordt onder het
                                        algemeen pensioen van de belanghebbende die de leeftijd van
                                        65 jaar heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen
                                        waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar
                                        duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige
                                        volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor
                                        de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot
                                        van de belanghebbende wordt aangemerkt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een pensioen als
                                        bedoeld in artikel 51, vijfde lid, dan wel enig ander
                                        pensioen als bedoeld in artikel 51, eerste lid, voor zover
                                        dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor
                                        1 januari 1986, in aanmerking genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Volle wezenpensioen</titel></kop><al>Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben,
                                    wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de
                                    toepassing van deze paragraaf geacht aan ieder van genoemde
                                    wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen
                                    gedeeld door hun aantal.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Inbouwbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een
                                        algemeen pensioen wordt het deel daarvan, dat geacht kan
                                        worden betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende met
                                        de diensttijd waarnaar zijn pensioen is of geacht wordt te
                                        zijn berekend, gerekend deel uit te maken van het bedrag van
                                        zijn pensioen, met dien verstande dat: </al><lijst><li nr="a."><al>voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met
                                                pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 2
                                                wordt vermenigvuldigd; </al></li><li nr="b."><al> voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar
                                                met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met
                                                0,5 wordt vermenigvuldigd;</al></li><li nr="c."><al> maximaal een diensttijd van 40 jaar in aanmerking
                                                wordt genomen. Het in de vorige volzin omschreven
                                                deel wordt inbouwbedrag genoemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als
                                        bedoeld in artikel 25, dat is afgeleid van een pensioen
                                        waarop, in verband met het recht op een pensioen als bedoeld
                                        in artikel 9, tiende lid, onder a of b van de Algemene
                                        Ouderdomswet, lid 1 van toepassing was, vindt dat lid niet
                                        eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de
                                        maand, volgende op die waarin dat pensioen krachtens het
                                        bepaalde in artikel 65, lid 1, is geëindigd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het
                                        algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te
                                        hebben op een tijdvak, liggende tussen de aanvang en het
                                        einde van de diensttijd, waarnaar het pensioen met
                                        inachtneming van lid 1 is of geacht wordt te zijn
                                        berekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Mededelingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat
                                        genieten dan wel het genot van een algemeen pensioen of
                                        tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag van
                                        het algemeen pensioen een wijziging wordt aangebracht op
                                        grond van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn
                                        echtgenoot of zijn kinderen, is hij gehouden hiervan
                                        onverwijld kennis te geven aan burgemeester en wethouders.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde
                                        kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van
                                        het inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar voor de eerste
                                        dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of
                                        waarin ambtshalve vermindering van het inbouwbedrag
                                        plaatsvond. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Algemeen pensioen en diensttijd</titel></kop><al>Voor de toepassing van artikel 47 geldt het volgende. </al><lijst><li nr="a."><al>Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben
                                            op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop
                                            belanghebbende de leeftijd van 15 jaar en die van 65
                                            heeft bereikt met dien verstande dat, indien een
                                            belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of
                                            wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige
                                            toepassing vindt ten aanzien van de tijdstippen waarop
                                            de overledene de leeftijden van 15 en 65 jaar heeft of
                                            zou hebben bereikt. </al></li><li nr="b."><al> Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de
                                            dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke
                                            hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het
                                            tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in
                                            artikel 65, lid 1, is geëindigd. </al></li><li nr="c."><al> Indien een nabestaande recht heeft op een pensioen op
                                            grond van artikel 8, eerste lid onder a, van de Algemene
                                            Weduwen- en Wezenwet, doch geen van de in evengenoemde
                                            bepaling bedoelde kinderen recht heeft op pensioen,
                                            wordt uitgegaan van het bedrag van het pensioen dat
                                            geldt voor degenen op wie artikel 19, elfde lid onder a,
                                            van genoemde wet toepassing vindt.</al></li><li nr="d."><al> Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen
                                            de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen waarop de
                                            leeftijd van 15 aar is en die van 65 jaar is of zal zijn
                                            bereikt. </al></li><li nr="e."><al> Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt
                                            geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40
                                            jaren. </al></li><li nr="f."><al> Diensttijd waarnaar een pensioen is of geacht wordt te
                                            zijn berekend en die niet daadwerkelijk als wethouder is
                                            doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde
                                            van de ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is
                                            ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich
                                            uitstrekt na het tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar
                                            is of zou zijn bereikt, wordt die diensttijd, te rekenen
                                            van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor
                                            zover mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van
                                            de daadwerkelijk als wethouder doorgebrachte tijd en
                                            voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de
                                            diensttijd waarnaar het pensioen is berekend. </al></li><li nr="g."><al> Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de
                                            tijd waarop betrekking heeft of geacht kan worden
                                            betrekking te hebben het bedrag van het algemeen
                                            pensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige
                                            premiebetaling krachtens artikel 45 van de Algemene
                                            Ouderdomswet en artikel 47 van de Algemene Weduwen- en
                                            Wezenwet.</al></li><li nr="h."><al> De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene
                                            Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, worden
                                            geacht op overeenkomstige wijze als het algemeen
                                            pensioen in termijnen te worden uitbetaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Gehuwde vrouw met recht op pensioen </titel></kop><al>Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de
                                    toepassing van artikel 47 uitgegaan van het algemeen pensioen
                                    voor een ongehuwde pensioengerechtigde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51 Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende
                                        diensttijd</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aan een belanghebbende meer dan een pensioen is of
                                        geacht wordt te zijn toegekend krachtens of op de voet van
                                        de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, dan wel
                                        naast een of meer zodanige pensioenen een pensioen krachtens
                                        een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid is of
                                        geacht wordt te zijn toegekend, en de diensttijd waarnaar
                                        die pensioenen zijn of geacht worden te zijn berekend geheel
                                        of gedeeltelijk samenvalt, overschrijdt op grond van artikel
                                        155 juncto artikel 101 van voornoemde wet de som van de
                                        inbouwbedragen - voor zover deze geacht kunnen worden
                                        betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende met de
                                        samenvallende diensttijd - niet het bedrag van het algemeen
                                        pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een
                                        tijd, overeenkomende met bedoelde samenvallende diensttijd.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid
                                        plaats zou vinden, wordt het voor ieder krachtens deze
                                        verordening toegekend pensioen berekende inbouwbedrag, voor
                                        zover betrekking hebbende op samenvallende diensttijd als
                                        bedoeld in het vorige lid, verminderd tot een zodanig deel
                                        van het bedrag van het algemeen pensioen, bedoeld aan het
                                        slot van het vorige lid, als elk inbouwbedrag zich verhoudt
                                        tot de som van die bedragen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van
                                        het vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 percent van het
                                        algemeen pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in
                                        mindering gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding,
                                        waarin elk van die bedragen staat tot de som daarvan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van de voorgaande leden op pensioenen,
                                        toegekend krachtens een militaire pensioenwet, geldt niet
                                        als diensttijd de diensttijd, die krachtens die wet met vier
                                        per mille van de pensioengrondslag is vergolden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in
                                        het eerste lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
                                        Nederlandse schatkist B anders dan krachtens de Algemene
                                        pensioenwet politieke ambtsdragers en anders dan ingevolge
                                        wettelijke garanties of ingevolge overneming van de
                                        verplichting tot betaling B ten laste van de Nederlandse
                                        Antillen, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of
                                        in evengenoemd ander land, dan wel ten laste van een door
                                        het hoger bestuursorgaan in een van die landen ingesteld
                                        fonds. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende wordt dit
                                        artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens
                                        echtgenoot een of meer pensioenen geacht worden te zijn
                                        toegekend, hetzij krachtens of op de voet van de Algemene
                                        pensioenwet politieke ambtsdragers, hetzij krachtens een
                                        andere regeling als bedoeld in het vijfde lid. Artikel 52,
                                        tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier
                                        pensioen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op schriftelijk verzoek van degene die aantoont, dat uit
                                        hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering
                                        plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel
                                        51, vijfde lid, wordt het bedrag van die vermindering voor
                                        zoveel mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag.
                                        De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover
                                        bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd die
                                        gelijktijdig in de betreffende betrekking is of geacht kan
                                        worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet
                                        daadwerkelijk in dienstverhouding of als politiek
                                        ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend
                                        overeenkomstig het bepaalde bij artikel 49, onder f.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bedrag dat tot grondslag heeft gestrekt voor de
                                        berekening van het pensioen, nadat dat bedrag is aangepast
                                        aan de hand van de in artikel 157 bedoelde regelen, op de
                                        dag met ingang waarvan de voorgaande artikelen van deze
                                        paragraaf voor de eerste maal ten aanzien van het pensioen
                                        toepassing vinden lager is dan € 12.028,80* wordt het met
                                        toepassing van de voorgaande artikelen van deze paragraaf
                                        berekende inbouwbedrag vermenigvuldigd met een breuk,
                                        waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag op bedoelde dag en
                                        waarvan de noemer is € 12.028,80. * De uitkomst van deze
                                        vermenigvuldiging vormt in dat geval het inbouwbedrag. Het
                                        in de vorige volzin genoemde bedrag wordt gewijzigd bij de
                                        regelen, bedoeld in artikel 157 van de Algemene pensioenwet
                                        politieke ambtsdragers. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het eerste lid wordt, ingeval op meer dan
                                        één pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid
                                        bedoelde vermindering op de inbouwbedragen in mindering
                                        gebracht naar verhouding van evenbedoelde bedragen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van
                                        het andere pensioen, ook na toepassing van de overige
                                        bepalingen van dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent
                                        van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt van deze
                                        overschrijding een deel in mindering gebracht op het
                                        inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de diensttijd,
                                        waarnaar het pensioen waarop vorenbedoeld inbouwbedrag
                                        betrekking heeft, is of geacht wordt te zijn berekend, staat
                                        tot het totaal van de diensttijden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een
                                        vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld
                                        in artikel 51, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van
                                        belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Verlaging inbouwbedrag (vóór 1 januari 1986)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                        pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari 1986.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bedrag dat tot grondslag heeft gestrekt voor de
                                        berekening van het pensioen, nadat dat bedrag is aangepast
                                        aan de hand van de regels, bedoeld in artikel 157, derde
                                        lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers op
                                        de dag met ingang waarvan de voorgaande artikelen van deze
                                        paragraaf voor de eerste maal ten aanzien van het pensioen
                                        toepassing vinden lager is dan € 12.028,80* wordt het met
                                        toepassing van de voorgaande artikelen van deze paragraaf
                                        berekende inbouwbedrag vermenigvuldigd met een breuk,
                                        waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag op bedoelde dag en
                                        waarvan de noemer is € 12.028,80. * De uitkomst van deze
                                        vermenigvuldiging vormt in dat geval het inbouwbedrag. Het
                                        in de vorige volzin genoemde bedrag wordt gewijzigd bij de
                                        ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid,
                                        van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het pensioen rechtstreeks of middellijk is afgeleid
                                        van een eigen pensioen, geldt voor de toepassing van het
                                        vorige lid als grondslag voor de berekening van et pensioen,
                                        het bedrag dat heeft gestrekt tot grondslag voor de
                                        berekening van het eigen pensioen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het bedrag van het algemeen pensioen, dat gerekend
                                        wordt deel uit te maken van het pensioen, reeds is
                                        verminderd krachtens lid 1, vindt artikel 52, eerste lid,
                                        slechts toepassing voor zover zulks nodig is om te voorkomen
                                        dat de som van evenbedoeld verminderd bedrag en het bedrag
                                        van de vermindering, bedoeld in het eerste lid van artikel
                                        52, het bedrag zou overschrijden dat, zonder toepassing van
                                        lid 1, krachtens artikel 47 gerekend zou worden deel uit te
                                        maken van het bedrag van het pensioen. De vorige volzin is
                                        van overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in
                                        artikel 52, derde lid​</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al>Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een
                                    tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge
                                    te veel pensioen is betaald, kunnen burgemeester en wethouders
                                    aan de Sociale Verzekeringsbank die het algemeen pensioen heeft
                                    toegekend of herzien, verzoeken het te veel betaalde pensioen
                                    ten behoeve van de gemeente in te houden op het algemeen
                                    pensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd
                                    tijdvak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>Gemoedsbezwaren</titel></kop><al>De bepalingen van deze paragraaf blijven buiten toepassing ten
                                    aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht
                                    op algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat
                                    zij zoveel mogelijk overeenkomstig toepassing vinden met
                                    betrekking tot diegenen van evenbedoelden, die recht hebben op
                                    uitkering als bedoeld in artikel 48 van de Algemene
                                    Ouderdomswet,</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Bepalingen van administratieve aard</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdsberekening voor uitkering en pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56</nr></kop><al>Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende
                                    tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd
                                    uitgedrukt in jaren onderscheidenlijk maanden voor uitkering en
                                    pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt
                                    uitgedrukt in gedeelten van jaren onderscheidenlijk gedeelten
                                    van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30
                                    dagen wordt gesteld. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1a</nr><titel><cursief>Financiële bepalingen</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>57 Aanpassing pensioenen aan algemene
                                        bezoldigingswijzigingen​</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wedde, bedoeld in artikel 18, of de pensioengrondslag
                                        bedoeld in de artikelen 19 en 19a, behorende bijeen pensioen
                                        als bedoeld in artikel 16 of bij een uitzicht op een
                                        pensioen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar,
                                        worden telkens gewijzigd overeenkomstig een algemene
                                        bezoldigingswijziging, ten einde een aan die algemene
                                        bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van het pensioen
                                        te bewerkstelligen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een algemene bezoldigingswijziging als bedoeld in het
                                        eerste lid wordt verstaan een zodanige wijziging van een
                                        pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin
                                        van de Wet privatisering ABP die werkzaam is geweest in de
                                        sector Rijk. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als
                                        bedoeld in het tweede lid, een eenmalige uitkering wordt
                                        toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een pensioen,
                                        als bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig een eenmalige
                                        uitkering toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Afronding van pensioenen</titel></kop><al>Het pensioen wordt naar boven op een gulden afgerond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59</nr><titel>Inhoudingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de wedde van de wethouder worden volgens bij of krachtens
                                        algemene maatregel va bestuur te stellen regelen bedragen
                                        ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de
                                        bezoldiging van degene die behoort tot het
                                        overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij
                                        werkeloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en
                                        overlijden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de uitkering van de gewezen wethouder worden volgens bij
                                        of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
                                        regelen bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van
                                        bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste
                                        lid, op een werkloosheids- of
                                        arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor
                                        overheidspersoneel getroffen regeling. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inhoudingen van bedragen ter zake van aanspraken bij
                                        ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet
                                        meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in
                                        artikel 4a, alsmede in de gevallen bedoeld in de laatste
                                        volzin van artikel 18, vierde lid. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag en toekenning van uitkering en pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Toekenning van uitkering en pensioen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beslissen over de toekenning van een
                                    uitkering of een pensioen op schriftelijke aanvraag door of
                                    vanwege de betrokkene, dan wel ambtshalve.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61</nr><titel>Vrijdom van leges</titel></kop><al>De stukken waarvan overlegging door burgemeester en wethouders
                                    nodig wordt geoordeeld zijn ingevolge artikel 158 juncto artikel
                                    111 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers vrij van
                                    leges. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Ingang en einde van de pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>Ingang eigen pensioen</titel></kop><al>Het eigen pensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop
                                    ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63</nr><titel>Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk
                                        pensioen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het nabestaanden- en wezenpensioen gaat in met de dag,
                                        volgende op die van het overlijden van hem aan wie het wordt
                                        ontleent. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen gaat in met een door burgemeester en
                                        wethouders te bepalen dag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64</nr><titel>Ingang hersteld pensioen</titel></kop><al>Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk
                                    wordt hersteld, gaat het pensioen in met de eerste dag van de
                                    maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Einde pensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de
                                        rechthebbende is overleden. Ingeval van vermissing van de
                                        rechthebbende eindigt het pensioen met een door burgemeester
                                        en wethouders te bepalen dag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven
                                        blijkt te zijn, met een door burgemeester en wethouders te
                                        bepalen dag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een pensioen waarop het recht krachtens artikel 39 vervallen
                                        is verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de
                                        beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand
                                        waarin: </al><lijst><li nr="a."><al>de rechthebbende de leeftijd van eenentwintig jaren
                                                heeft bereikt, of, de leeftijd van eenentwintig
                                                jaren nog niet bereikt hebbende, in het huwelijk is
                                                getreden dan wel partij is bij een aanmelding, of;
                                            </al></li><li nr="b."><al> ten opzichte van de rechthebbende ouderschap komt
                                                vast te staan van een ander dan degene aan wiens
                                                overlijden het recht op wezenpensioen wordt
                                                ontleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>66</nr><titel>Nabestaandenuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde
                                        wethouder wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet
                                        duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten
                                        bedrage van zijn pensioen over een tijdvak van twee maanden
                                        (nabestaandenuitkering). Bij ontstentenis van een
                                        nabestaande van wie de overledene niet duurzaam gescheiden
                                        leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de
                                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de
                                        overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene
                                        de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg
                                        wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding
                                        van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van
                                        enige verplichting daartoe of van het genieten van een
                                        vergoeding daarvoor.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als
                                        bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daar bedoelde
                                        bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling
                                        van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging,
                                        indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten
                                        ontoereikend is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval van
                                        vermissing van een gepensioneerd wethouder. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen
                                        verstaan het bedrag waarop de overledene recht had,
                                        eventueel na toepassing van hoofdstuk V.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>67</nr><titel>terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met artikel
                                        65, wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover
                                        verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering
                                        krachtens artikel 66. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan
                                        tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 66,
                                        is betaald, worden teruggevorderd. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Betaling van de pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>68</nr><titel>Maandbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betaling van de pensioenen geschiedt in maandelijkse
                                        termijnen, tenzij burgemeester en wethouders anders bepalen.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regelen stellen met
                                        betrekking tot de wijze van betaling van pensioenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>69</nr><titel>Onderbreking genot pensioen</titel></kop><al>Het pensioen van een gewezen wethouder wordt niet genoten,
                                    indien en zolang hij na het tijdstip van inwerkingtreding van
                                    deze verordening weer als wethouder in deze gemeente
                                    optreedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>70 Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan
                                        gepensioneerde</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging
                                        van geestesziekten of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet
                                        opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van
                                        geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te
                                        verlenen voor de uitbetaling van pensioen, kan het pensioen
                                        uitbetaald worden aan een door burgemeester en wethouders
                                        aan te wijzen persoon of instelling. In andere door hen aan
                                        te wijzen bijzondere gevallen kan het pensioen in plaats van
                                        aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uitbetaald
                                        worden aan een door burgemeester en wethouders aan te wijzen
                                        persoon of instelling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of
                                        krachtens de artikelen 6, lid 2, 11 en 12, van de Algemene
                                        wet bijzondere ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in
                                        de kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6
                                        en 11 van die wet of een vergoeding als bedoeld in de
                                        artikelen 11 en 12 van die wet, kan het pensioen tot ten
                                        hoogste het bedrag van die bijdragein plaats van aan
                                        de gepensioneerde zonder diens machtiging uitbetaald worden
                                        aan de Ziekenfondsraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt,
                                        heeft de uitbetaling als bedoeld in lid 1 betrekking op het
                                        gedeelte van het pensioen, dat niet aan het lid 2 bedoelde
                                        orgaan wordt uitbetaald. </al></lid></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Algemene, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Beroep en herziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>71</nr><titel>Beroep</titel></kop><al>Van de beslissingen ter uitvoering van deze verordening staat
                                ingevolge artikel 162 van de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers beroep open bij de Centrale Raad van Beroep
                                overeenkomstig de bepalingen van de Beroepswet. De voorgaande volzin
                                is niet van toepassing op beslissingen ingevolge artikel 70, lid
                                2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>72</nr><titel>Herziening, wijziging en herstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders herzien een door hen ter uitvoering
                                    van deze verordening genomen beslissing, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten
                                            grondslag ligt;</al></li><li nr="b."><al> na de beslissing blijkt dan aan die beslissing andere
                                            feiten ten grondslag dienen te worden gelegd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien na een beslissing van burgemeester en wethouders de
                                    feiten waarmee rekening is gehouden zodanig zijn gewijzigd, dat
                                    deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen zou moeten
                                    worden, wijzigen burgemeester en wethouders de beslissing,
                                    rekening houdende met de gewijzigde feiten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders herstellen een door hen genomen
                                    beslissing omtrent toekenning -inbegrepen aanpassing op grond
                                    van artikel 57-, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van
                                    een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld
                                    in de vorige leden, voorkomt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een
                                    overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of
                                    herstel vatbare beslissing, kunnen burgemeester en wethouders
                                    die leden buiten toepassing laten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing een
                                    herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij
                                    een herzieningsbeslissing is deze dag hetzelfde als die waarop
                                    de herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere
                                    dag wordt bepaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of
                                    verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene
                                    redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd
                                    uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of
                                    verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene,
                                    hoewel enige bepaling van deze verordening hem daartoe
                                    verplichtte of dit redelijkerwijze van hem mocht worden
                                    verwacht, heeft nagelaten aan burgemeester en wethouders
                                    mededeling te doen van een wijziging in de feiten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel 67
                                    zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot terugvordering of
                                    verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de
                                    herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing
                                    is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene
                                    beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat
                                    burgemeester en wethouders bericht hebben ontvangen van
                                    wijziging in de feiten. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Herstel van een beslissing, als bedoeld in artikel 72 lid 3
                                    binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde
                                    beslissing, leidt tot terugvordering van te veel betaalde
                                    pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de
                                    vorige volzin, na de daar genoemde termijn, leidt slechts tot
                                    terugvordering of verrekening van te veel betaalde
                                    pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de
                                    vorige volzin, na de daar genoemde termijn, leidt slechts tot
                                    terugvordering of verrekening van te veel betaalde
                                    pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijze had
                                    moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>74</nr><titel>Intrekking geldende verordening</titel></kop><al>Behoudens het in dit hoofdstuk bepaalde wordt met ingang van 1
                                januari 1966 ingetrokken De Uitkerings- en pensioenverordening
                                wethouders van Hellevoetsluis, zoals vastgesteld bij besluit van 1
                                december 1977 en goedgekeurd door gedeputeerde staten der provincie
                                Zuid-Holland d.d. 16 juni 1981 no. 46638 en zoals sedertdien
                                gewijzigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>75</nr></kop><al>De bepalingen van de in het vorig lid bedoelde verordening blijven
                                van kracht voor wat betreft de rechten en verplichtingen die op
                                grond van die bepalingen vóór 1 januari 1966 zijn ontstaan en die op
                                dat tijdstip nog niet tot gelding zijn gebracht, onderscheidenlijk
                                waaraan op dat tijdstip nog niet is voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>76 Toepasselijkheid van deze verordening </nr></kop><al>De met ingang van een datum, voorafgaande aan het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening, aan gewezen wethouders en aan
                                nabestaanden en wezen toegekende uitkeringen en pensioenen worden
                                met ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze verordening te
                                zijn toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>77</nr><titel>Rechten op basis van de oude verordening</titel></kop><al>Zie die aan de in artikel 74, eerste lid genoemde verordening recht
                                op pensioen ontleenden met ingang van 1 januari 1966 of een later
                                tijdstip, ontlenen van dat tijdstip af een recht op pensioen aan
                                deze verordening.​</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>78</nr><titel>Samenloop van pensioen en algemeen pensoen</titel></kop><al>In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 47 vindt voor de
                                berekening van het inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van
                                tijd, gelegen vóór 1 januari 1977, die voor de berekening van een
                                pensioen als daar bedoeld in aanmerking wordt genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>79</nr><titel>Geen mee telling uitkeringstijd voor pensioen bij aftreden
                                    vóór 1 januari 1979 </titel></kop><al>Ten aanzien van uitkeringen toegekend uit hoofde van een aftreden
                                vóór 1 januari 1979 vindt het in artikel 18 lid 4 bepaalde inzake
                                meetellen van uitkeringstijd voor pensioen geen toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>80</nr><titel>Meetellen uitkeringstijd voor Nabestaandenpensioen bij
                                    aftreden vóór 1 juli 1981 </titel></kop><al>Het bepaalde inzake het meetellen van uitkeringstijd voor weduwen-
                                en wezenpensioen, als bedoeld in de artikelen 21, lid 2, en 24, lid
                                1 van de in artikel 74 bedoelde verordening, zoals deze luidde op 30
                                juni 1981, blijft van toepassing in de gevallen waarin het aftreden
                                is ingegaan vóór 1 juli 1981.​</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>81</nr><titel>Vergelding van diensttijd voor 1 januari 1979 </titel></kop><al>De bepalingen inzake vergelding van diensttijd met 3,5% voor
                                pensioen, vervat in artikel 15 van de in artikel 74 bedoelde
                                verordening, zoals deze luidden op 30 juni 1981 blijven van
                                toepassing ten aanzien van diensttijd, voorafgaande aan 1 januari
                                1979. Voor de vorming van de periode van vier jaren, bedoeld in
                                artikel 18 lid 2, wordt de in de vorige volzin bedoelde diensttijd
                                in aanmerking genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>82</nr><titel>Vervallen overneming premie AOW/AWW </titel></kop><al>Artikel 49, van de in de artikel 74 bedoelde verordening, zoals dat
                                luidde op 31 mei 1985 blijft van toepassing vinden terzake van
                                betalingen na 31 mei 1985, indien en voor zover die betalingen
                                betrekking hebben op een voor 1 juni 1985 liggende periode, met dien
                                verstande dat met ingang van 1 april 1985 in het vierde lid artikel
                                36 eerste lid wordt vervangen door artikel 47, eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>83</nr></kop><al>De verhoging met tien percent over ten hoogste € 28.678,91 per jaar
                                ingaande 1 juni 1985 van de wedde van de wethouder toegekend in
                                verband met het vervallen van artikel 49, maakt voor de toepassing
                                van de bepalingen van afdeling II, de hoofdstukken II en III,
                                betreffende de pensioenberekening, geen deel ut van de wedde. De
                                voorgaande volzin is slechts van toepassing op de wedde, voor zover
                                die betrekking heeft op tijd gelegen vóór 1 januari 1986.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>84</nr><titel>Grensbedrag eigen pensioenen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 41 zoals dat artikel ingevolge deze
                                    verordening is komen te luiden blijft ten aanzien van de in het
                                    tweede lid bedoelde personen van toepassing artikel 41, zoals
                                    dit als artikel 32 luidde vóór 13 juli 1988 in de artikel 74
                                    bedoelde verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde personen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al> degenen, die vóór 1 januari 1986 recht op eigen
                                            pensioen hebben verkregen dan wel de leeftijd van zestig
                                            jaren hebben bereikt;</al></li><li nr="b."><al> nabestaanden en wezen die recht op pensioen hebben
                                            ontleend aan het overlijden van een persoon, die voldeed
                                            aan een voorwaarde gesteld onder a, dan wel recht op
                                            pensioen hebben verkregen vóór 1 januari 1986. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen wordt
                                    niet onder pensioen begrepen de toeslag zoals bedoeld in de
                                    artikelen 36 en 37. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>85</nr><titel>Overgangsbepalingen ingevolge de Wet van 20 april 1988
                                    (Stb.300)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 45, tweede lid is niet van toepassing indien de
                                    belanghebbende recht heeft op het ouderdomspensioen bedoeld in
                                    artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet ingevolge
                                    het zevende lid van dat artikel, zoals dat artikel luidde op 31
                                    december 1985. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 45, tweede lid, laatste volzin, is niet van toepassing
                                    ten aanzien van de ongehuwde belanghebbende bedoeld in genoemde
                                    wet, op wie van toepassing is gebleven artikel 1 van de Algemene
                                    Ouderdomswet, zoals dat artikel luidde op 31 december 1985</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>86</nr></kop><al>De artikelen 19, tweede lid, en 28, derde lid zijn niet van
                                toepassing ten aanzien van degene die: a. wethouder was vóór 13 juli
                                1988, voor zover betreffende tijd is doorgebracht vóór dat tijdstip;
                                b. wethouder is op of na 13 juli 1988, voor zover betreffende tijd
                                zonder onderbreking is gevolgd op tijd als bedoeld onder a, en
                                vervolgens zonder onderbreking is voortgezet. Een onderbreking van
                                niet meer dan een jaar wordt voor de toepassing van deze bepaling
                                geacht geen onderbreking te vormen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>87</nr><titel>Overgangsbepalingen in verband met invoering
                                    nabestaandenpensioen</titel></kop><al>Alle pensioenen, toegekend krachtens artikel 24a van de in de
                                artikel 74 bedoelde verordening worden, voor zover zij op dat
                                tijdstip worden genoten, met ingang van dat tijdstip geacht te zijn
                                toegekend zijn krachtens artikel 24 van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>88</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er ontstaat geen recht op pensioen, indien op de datum van
                                    overlijden van de vrouwelijke wethouder, gewezen of
                                    gepensioneerde wethouder in een overeenkomstig geval geen recht
                                    op weduwepensioen of bijzonder weduwepensioen zou zijn ontstaan
                                    ingevolge het overlijden van een mannelijke wethouder, gewezen
                                    of gepensioneerde wethouder. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het pensioen waarop recht ontstaat in verband met het overlijden
                                    voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening wordt
                                    berekend als ware het recht ontstaan op de datum van
                                    overlijden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>89</nr></kop><al>Ten aanzien van aanspraken op nabestaandenpensioen, die ingevolge
                                deze verordening worden verkregen vangt de termijn van vijf
                                achtereenvolgende jaren, zoals bedoeld in artikel 40 niet eerder aan
                                dan op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>90</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien ingevolge deze verordening een nabestaandenpensioen of
                                    een bijzonder nabestaandenpensioen wordt toegekend, terwijl aan
                                    hetzelfde overlijden recht op wezenpensioen is ontleend, wordt
                                    het wezenpensioen herberekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien het nabestaandenpensioen of het bijzonder
                                    nabestaandenpensioen met terugwerkende kracht wordt toegekend en
                                    het wezenpensioen wordt herberekend wordt het teveel betaalde
                                    wezenpensioen over de periode waarop de terugwerkende kracht
                                    betrekking heeft niet teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>91</nr><titel>Invoering Wet financiële voorzieningen privatisering
                                    ABP</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden het inkomen van de
                                    wethouder als zodanig en de laatstelijk genoten wedde dan wel de
                                    berekeningsgrondslag, waarvan is afgeleid een uitkering ter zake
                                    van ontslag of aftreden als wethouder, en een wegens algemene
                                    invaliditeit voorgezette uitkering, aangepast overeenkomstig de
                                    aanpassing van salarissen ingevolge artikel 34 van de Wet
                                    financiële voorzieningen privatisering ABP.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde aanpassing is geen algemene
                                    bezoldigingswijziging als bedoeld in artikel 57.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>92</nr><titel>Algehele salarismaatregelen vóór 1 januari 1995 </titel></kop><al>Artikel 46, zoals dat in de onder artikel bedoelde verordening op 31
                                december 1994 luidde, blijft van toepassing ten aanzien van een
                                wijziging in de bezoldiging van het rijkspersoneel vóór 1 januari
                                1995.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>93</nr><titel>Fictieve diensttijd vóór 1 januari 1995 </titel></kop><al>Ten aanzien van degenen, die ingevolge deze verordening recht op
                                nabestaanden- of wezenpensioen hebben verkregen vóór 1 januari 1995
                                wordt de tijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn
                                berekend en die niet daadwerkelijk als wethouder is doorgebracht,
                                voor zover nodig mede begrepen onder tijd gelegen voor die
                                datum</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>94 Invoering Wet terugdringing beroep op de
                                    arbeidsongeschiktheidsregelingen</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De periode van toekenning van een wegens algemene invaliditeit
                                    voortgezette uitkering bedoeld in artikel 4c wordt in afwijking
                                    van dat artikel tot een nader te bepalen tijdstip vastgesteld op
                                    vijf jaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wijziging van de termijn bedoeld in het eerste lid brengt geen
                                    wijziging in de termijnen zoals die gelden ter zake van wegens
                                    algemene invaliditeit voortgezette uitkeringen die zijn
                                    toegekend voor het tijdstip van wijziging van de termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>95</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 29a, zoals dat artikel luidde vóór 26 juni 1996 blijft
                                    van toepassing op een nabestaandenpensioen waarop recht is
                                    ontstaan vóór dat tijdstip. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De bepalingen van deze wijzigingsverordening met betrekking tot
                                    het recht op wezenpensioen, zoals die bepalingen luidden vóór 26
                                    juni 1996 blijven van toepassing op een wezenpensioen waarop
                                    recht is ontstaan vóór dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>96</nr></kop><al>Ten aanzien van een aanmelding, als bedoeld in artikel 12a, die
                                wordt gedaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet
                                gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, wordt de man of
                                vrouw met wie degene, die de aanmelding deed, op hetzelfde woonadres
                                in het persoonsregister is opgenomen, gelijkgesteld met de man of
                                vrouw die als ingezetene met hetzelfde woonadres in de
                                gemeenschappelijke basisadministratie persoonsgegevens is
                                ingeschreven als bedoeld in het evengenoemde artikel 12a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>97</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een overlijden van een wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                    wethouder tussen 31 december 1993 en 1 juli 1994 valt te rekenen
                                    vanaf de datum van overlijden onder de werking van de bepalingen
                                    van deze verordening inzake het nabestaanden-en wezenpensioen
                                    zoals die bepalingen zijn komen te luiden na de inwerkingtreding
                                    van de wijzigingsverordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene van wie op 1
                                    juli 1994 aanmelding in de zin van artikel 12, onderdeel a,
                                    mogelijk zou zijn geweest, op aanvraag aangemerkt als
                                    nabestaande vanaf de datum van overlijden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter zake van een wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder
                                    tussen 30 juni 1994 en 1 januari 1995 wordt op zijn aanvraag als
                                    nabestaande beschouwd degene van wie, hoewel niet aangemeld in
                                    de zin van artikel 12, onderdeel a, aanmelding als evenbedoeld
                                    op de dag voor die van het overlijden mogelijk was.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>98</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 12, 24, tweede lid, 25, 26, 30, eerste en tweede
                                    lid, 31, 32, tweede lid, 34, tweede lid, 36, derde lid, 43, en
                                    65, vierde lid, zoals deze na deze eerste wijziging komen te
                                    luiden, alsmede het ingevoegde artikel 12a werken terug tot 1
                                    juni 1994. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 29a, eerste lid werkt terug tot 26 juni 1996.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>99</nr></kop><al>Deze wijzigingsverordening werkt terug tot 17 januari 1997, met dien
                                verstande dat: a. de artikelen 4, eerste, tweede en vierde lid, 4b,
                                tweede, vierde, zevende, achtste en negende lid, 5, vijfde lid, 17,
                                eerste lid, 18, tweede lid en 19, tweede lid (inzake uitbreiding
                                berekeningsgrondslag uitkering en pensioen met de
                                eindejaarsuitkering) terugwerken tot en met 1 januari 1993; b. de
                                artikelen 19, tiende lid, 21, derde lid en 28, vierde lid,
                                terugwerken tot en met 1 januari 1995; c. de artikelen 17, tweede
                                lid, 18, tweede en derde lid, 19, zevende en achtste lid, 19a,
                                tweede lid, 36, vierde lid, 37, derde lid, 53, tweede lid, 57,
                                tweede en derde lid, terugwerken tot en met 1 januari 1996; d. de
                                artikel 12, onder c, 19, derde lid en 20 werking hebben ten aanzien
                                van voor een pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd vanaf 1
                                januari 1994; e. de artikelen 2, eerste en tweede lid en 3, eerste
                                lid werking hebben ten aanzien van een recht op uitkering ter zaken
                                van een ontslag of aftreden ingaande 1 januari 1995 of later; f.
                                artikel 18, vijfde lid, werking heeft ten aanzien van voor een
                                pensioenberekening in aanmerking te nemen uitkeringstijd waarin de
                                belanghebbende inkomsten heeft uit een betrekking waaraan aanspraak
                                op overheidspensioen wordt ontleend vanaf 1 januari 1995, en
                                overigens eerst werking heeft ten aanzien van voor een
                                pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd waarin recht op
                                uitkering bestaat uit hoofde van een ontslag of aftreden op of na de
                                dag van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening; g. de
                                artikelen 23 en 23a werken terug tot en met 1 juli 1996. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>100</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand
                                    volgend op die waarin de verordening door Gedeputeerde Staten
                                    van Zuid-Holland is goedgekeurd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij werkt terug tot 1 januari 1966, behalve voor wat betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>artikel 4, derde en vierde lid, dat terugwerkt tot 1
                                            januari 1969; </al></li><li nr="b."><al> de artikelen 69 en 76; </al></li><li nr="c."><al> de artikelen 9, 12, 13, 14, 24 eerste en tweede lid,
                                            24a, 25, 26 eerste en tweede lid, 28 eerste tot en met
                                            vierde lid, 29, tweede tot en met vierde lid, 30, 31,
                                            32, 33, tweede en vierde lid, 34, 35, eerste lid 36,
                                            eerste en derde lid, 42, eerste lid, 43, eerste lid, 45,
                                            eerste lid, 47, tweede lid, 48, eerste lid, 49,
                                            onderdeel a en c, 63, eerste lid, 66, eerste lid met
                                            uitzondering van het begrip "minderjarigheid", 87, 88,
                                            89, en 90 zoals deze bepaling voor deze verordening zijn
                                            komen te luiden werken terug tot 1 januari 1986. </al></li><li nr="d."><al> de artikelen 4, eerste en tweede lid en 4b, tweede en
                                            tiende lid, die terugwerken tot 1 juli 1994; </al></li><li nr="e."><al> de artikelen 4a, 4b, eerste en derde tot en met negende
                                            en elfde en twaalfde lid, en de artikelen 4c, en 4d, die
                                            terugwerken tot 1 januari 1995; </al></li><li nr="f."><al> de artikelen 17, 18, 19, eerste lid, 19a, 20, het
                                            opschrift van artikel 21, 22, eerste lid, 29, eerste
                                            lid, 29a, 57 en 59, die terugwerken tot 1 januari
                                            1995;</al></li><li nr="g."><al> artikel 19, tweede lid, dat vervalt met terugwerkende
                                            kracht tot 1 mei 1994 zulks onder vernummering van de
                                            leden 3 tot en met 11;</al></li><li nr="h."><al> artikel 28, derde lid, dat vervalt met terugwerkende
                                            kracht tot 1 mei 1994 onder vernummering van de leden
                                            vier en vijf. </al></li><li nr="i."><al> artikel 3 tweede en derde lid, dat vervalt met
                                            terugwerkende kracht tot 1 januari 1995 onder
                                            vernummering van lid 4;</al></li><li nr="j."><al> artikel 4 derde, vierde, en vijfde lid, dat vervalt met
                                            terugwerkende kracht tot 1 januari 1995 onder
                                            vernummering van de leden zes en zeven;</al></li><li nr="k."><al> artikel 5, lid 9 en artikel 7 onder d, die worden
                                            gewijzigd met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995;
                                        </al></li><li nr="l."><al> artikel 72, vierde lid, dat vervalt met terugwerkende
                                            kracht tot 1 januari 1995 onder vernummering van het
                                            vijfde lid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Waar in deze verordening sprake is van inwerkingtreding van deze
                                    verordening , wordt daarmee bedoeld het in het eerste lid
                                    bedoelde tijdstip. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het in het vorig lid gestelde, wordt met het
                                    tijdstip van inwerkingtre­ding in artikel 25, onder b, bedoeld 1
                                    januari 1966.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>101</nr></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Uitkerings- en
                                pensioenverordening wethouders van Hellevoetsluis 1995.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 21 december 1995.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de secretaris, de voorzitter, </ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>