<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR102130_11</dcterms:identifier><dcterms:title>Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2014 nr. 3544</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, artikel 143, lid 1.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-12</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>PS2014-731</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>monumenten, subsidies, zorg en welzijn, water, verkeer en vervoer, natuur en landschap, werkgelegenheid, huisvesting, onderwijs, financiën, sociale participatie, economische zaken, milieu, bibliotheken, ouderenzorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 Regels collectief particulier opdrachtgeverschap Gelderland Regels subsidieverstrekking jeugd Regels subsidieverstrekking procesondersteuning Impulsplan Wonen Regels subsidieverstrekking Sport Regels subsidieverstrekking Leefbaarheid en gemeenschapsvoorzieningen Regels subsidieverstrekking Openbaar bibliotheekwerk Regels subsidieverstrekking Sociaal Profiel Regels subsidieverstrekking economie 2013 Regels gebiedsontwikkeling Subsidieverordening Gelderland Regels energiebesparing en hernieuwbare energie 2013</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>PROVINCIALE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten PS2014-731; Gelet op artikel
                        105, eerste lid, juncto artikel 143, eerste lid, van de Provinciewet;</al><al>BESLUITEN</al><al>vast te stellen de volgende gewijzigde regeling: Subsidieverordening vitaal
                        Gelderland 2011. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Algemene- en procedurele bepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> AsG: de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998;</al></li><li nr="b."><al> Plattelandsontwikkelingsprogramma: het Nederlandse
                                        programma voor plattelandsontwikkeling 2007 tot en met 2013
                                        als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG)
                                        1698/2005;</al></li><li nr="c."><al> EFRO: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Bevoegdheid Gedeputeerde Staten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot verstrekking van subsidie
                                    als bedoeld in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor de subsidietitels in deze
                                    verordening Regels vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de Regels kunnen Gedeputeerde Staten de hoogte van de
                                    subsidie bepalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 Algemene bepalingen subsidieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al> voor eenmalige activiteiten of het starten van
                                            activiteiten;</al></li><li nr="b."><al> voor kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de
                                            totstandkoming van activiteiten waarvoor subsidie wordt
                                            verstrekt, en</al></li><li nr="c."><al> als de begroting van de activiteit sluitend is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie wordt voor dezelfde activiteit slechts eenmaal
                                    verstrekt aan dezelfde aanvrager, waarbij rechtspersonen met
                                    dezelfde beslissingsbevoegdheid als één aanvrager worden
                                    beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid kan een eenmalige vervolg- of
                                    voortzettingssubsidie worden verstrekt voor activiteiten die
                                    aantoonbaar succesvol zijn gebleken en waarbij de vervolg- of
                                    voortzettingssubsidie wordt aangevraagd voor activiteiten
                                    waarmee een nieuwe, nog niet eerder bereikte groep van
                                    begunstigden wordt bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.6, eerste lid, van de AsG kan
                                    subsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen en
                                    rechtspersonen, die gericht zijn op het behalen van winst.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder c, van de AsG is niet
                                    van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien Gedeputeerde Staten regels hebben vastgesteld als
                                    bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, wordt subsidie op grond van
                                    de desbetreffende titel slechts verstrekt overeenkomstig de
                                    vastgestelde regels, behoudens het bepaalde in artikel 7.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4 Kosten van rente, bankdiensten, financieringen,
                                    gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en
                                    sancties</titel></kop><al>Er wordt geen subsidie verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> kosten die uit andere hoofde zijn of kunnen worden
                                        gesubsidieerd;</al></li><li nr="b."><al> kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de ontvangstdatum
                                        van de aanvraag, tenzij deze kosten zijn gemaakt nadat het
                                        voornemen tot uitvoering van de activiteiten waarvoor
                                        subsidie wordt gevraagd aantoonbaar kenbaar is gemaakt aan
                                        het provinciebestuur en zij beperkt blijven tot maximaal 10%
                                        van de subsidiabele kosten;</al></li><li nr="c."><al> verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of
                                        lasten;</al></li><li nr="d."><al> kosten van rente, bankdiensten, financieringen,
                                        gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en
                                        sancties;</al></li><li nr="e"><al>. legeskosten voor aanvragen die worden gedaan door
                                        bestuursorganen;</al></li><li nr="f."><al> kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden
                                        gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband
                                        houden;</al></li><li nr="g."><al> kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan
                                        gangbare minimumkwaliteitseisen;</al></li><li nr="h."><al> kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager;</al></li><li nr="i."><al> exploitatiekosten die geen verband houden met de
                                        aanloopfase van een activiteit;</al></li><li nr="j."><al> kosten gemaakt na beëindiging van activiteiten met
                                        uitzondering van accountantskosten zoals bedoeld in artikel
                                        5.3, derde lid, van de AsG;</al></li><li nr="k."><al> niet noodzakelijke of bovenmatige kosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.5 Uurloon en uurtarief bij eigen inzet
                                    personeel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voorzover uurloon subsidiabel is wordt dit berekend door het
                                    brutoloon volgens de loonstaat van de betrokken medewerker(s),
                                    exclusief volledige winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met
                                    de wettelijke dan wel op grond van een collectieve
                                    arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten,
                                    gedeeld door 1.600 uren op basis van een volledig dienstverband
                                    en bedraagt maximaal € 91,--.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorzover integrale uurtarieven subsidiabel zijn worden deze
                                    berekend door één van de volgende methoden: </al><lijst><li nr="a."><al> een vast uurtarief van maximaal € 35,--.</al></li><li nr="b."><al> het per medewerker berekend uurloon vermeerderd met een
                                            opslag voor indirecte kosten van maximaal 20% van het
                                            uurloon, of</al></li><li nr="c."><al> het per medewerker berekend uurloon vermeerderd met een
                                            opslag voor indirecte kosten dat groter is dan 20% van
                                            het uurloon, waarbij de opslag wordt berekend op basis
                                            van een gebruikelijke en controleerbare methodiek, die
                                            is gebaseerd op bedrijfseconomisch en maatschappelijk
                                            aanvaardbare grondslagen en bevat geen winstopslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voorzover het uurloon voor zelfstandigen en Directeur Groot
                                    Aandeelhouders of andere personen waarbij het loon niet
                                    eenduidig bepaald kan worden subsidiabel is, bedraagt dit
                                    maximaal € 35,--</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>De aanvraag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1 Reeds gestarte activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, van de AsG kan
                                        met de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie is
                                        aangevraagd, een begin worden gemaakt indien het voornemen
                                        tot uitvoering van de activiteiten schriftelijk kenbaar is
                                        gemaakt bij of na de indiening van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover Gedeputeerde Staten op grond van een wettelijk
                                        voorschrift de beschikbare middelen verdeelt door het
                                        vaststellen van een verdeelplan waarin tenminste de
                                        subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen
                                        worden genoemd, wordt de subsidieaanvraag in afwijking van
                                        artikel 2.1, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden
                                        nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend, tenzij
                                        anders bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2 Gebruik aanvraagformulier</titel></kop><al>Indien een aanvraagformulier is vastgesteld, is de aanvrager van
                                    een subsidie verplicht gebruik te maken van dit formulier bij
                                    het indienen van de aanvraag.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.3 Uitvoering van activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De activiteiten starten uiterlijk binnen acht weken na
                                        subsidieverstrekking, tenzij anders bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De activiteiten worden afgerond binnen drie jaar na de
                                        subsidieverstrekking, tenzij anders bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4 Administratie</titel></kop><al>Onverminderd artikel 4.2 van de AsG is de subsidieontvanger
                                    verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000,-- of wanneer
                                    een verklaring als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de
                                    AsG is gevraagd, een administratie te voeren die te allen tijde
                                    de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de
                                    realisatie van de te subsidiëren activiteiten en voor een juiste
                                    subsidieverstrekking, hetgeen inhoudt dat:</al><lijst><li nr="a."><al> alle ontvangsten en uitgaven in de administratie zijn
                                            vastgelegd met onderliggende bewijsstukken;</al></li><li nr="b."><al> bewijsstukken, als onderdeel van de administratie,
                                            aanwezig zijn ten name van de gesubsidieerde en dat
                                            daaruit de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen
                                            en diensten duidelijk blijkt, en</al></li><li nr="c."><al> uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde
                                            mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe
                                            te rekenen zijn aan het project waarvoor de subsidie is
                                            verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5 Bijzondere verplichtingen</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie-ontvanger bij de
                                    verstrekking van subsidie verplichtingen opleggen die niet
                                    strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie voor
                                    zover deze betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen
                                    waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.6 Verantwoording middels jaarrekening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van paragraaf 5 van
                                        de AsG bepalen dat de financiële verantwoording bij de
                                        aanvraag tot vaststelling geschiedt door middel van een
                                        daartoe strekkende bijlage bij de jaarrekening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG gaat de
                                        aanvraag tot vaststelling vergezeld van: </al><lijst><li nr="a."><al> de jaarrekening en het jaarverslag; en</al></li><li nr="b."><al> de accountantsverklaring en het verslag van
                                                bevindingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De jaarrekening betreft alle baten en lasten van de
                                        subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde
                                        controle aan of: </al><lijst><li nr="a."><al> de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel
                                                de baten en lasten als de grootte en samenstelling
                                                van het vermogen;</al></li><li nr="b."><al> de baten en lasten, alsmede de balansmutaties
                                                rechtmatig tot stand zijn gekomen; en</al></li><li nr="c."><al> het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar
                                                is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval
                                        bevindingen over: </al><lijst><li nr="a."><al> de vraag of de inrichting van het financiële beheer
                                                en van de financiële organisatie een getrouwe en
                                                rechtmatige verantwoording mogelijk maken; en</al></li><li nr="b."><al> onrechtmatigheden in de jaarrekening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Artikel 5.1, tweede lid, van de AsG is overeenkomstig van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Artikel 5.5 van de AsG is overeenkomstig van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen regels vaststellen over het
                                        verstrekken van de in het eerste en tweede lid bedoelde
                                        informatie.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het bepaalde in dit artikel is van toepassing op subsidies
                                        die verleend zijn aan gemeenten en openbare lichamen die
                                        zijn ingesteld op grond van hoofdstuk I, II of IV van de Wet
                                        gemeenschappelijke regelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7 Verdaging beslistermijn vaststelling</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen subsidieontvanger na
                                    subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.8 Instandhouding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 4.5 van de AsG is de
                                        subsidieontvanger gehouden, indien met subsidie verkregen
                                        goederen en rechten binnen vijf jaar na de
                                        subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan
                                        derden ter beschikking worden gesteld, hiervan een melding
                                        te doen en de verstrekte subsidie terug te betalen, tenzij
                                        anders bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te
                                        betalen subsidie vast binnen dertien weken nadat zij kennis
                                        hebben gekregen van de omstandigheid bedoeld in het vorige
                                        lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.9 Vergoedingsplicht</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van subsidieontvanger
                                    beslissen dat de vergoeding als bedoeld in artikel 4.3, eerste
                                    lid, van de AsG niet verschuldigd is, indien aan elk van de
                                    volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al> de activiteiten worden door een ander overgenomen;</al></li><li nr="b."><al> de realisatie van de doelstelling komt niet in gevaar,
                                            en</al></li><li nr="c."><al> de activa en passiva worden tegen boekwaarde, bepaald
                                            op grond van historische kostprijs, overgenomen door de
                                            rechtsopvolger.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijzondere bepalingen subsidieverstrekking</titel></kop><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 3 Natuur en Leefomgeving</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Titel 3.1 Natuur en landschap</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van de beleidsuitwerking Natuur en Landschap
                                    (PS2012-401).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.2 Bijzondere bepaling</titel></kop><al>Onverminderd het in artikel 3.1, tweede lid, van de AsG bepaalde
                                    kunnen subsidies van meer van € 25.000,-- in het kader van
                                    grondverwerving en pachtafkoop ten behoeve van natuur op grond
                                    van artikel 3.1.1 worden vastgesteld zonder voorafgaand besluit
                                    tot subsidieverlening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3 Uitzonderingsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.4, aanhef en onder b en artikel
                                        2.1 mogen ten aanzien van subsidies in het kader van
                                        grondverwerving en pachtafkoop ten behoeve van natuur de
                                        activiteiten zijn voltooid voordat de subsidie wordt
                                        aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a en b en artikel
                                        1.3, tweede lid, is niet van toepassing op het verstrekken
                                        van subsidie ingevolge deze titel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 3.2 Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP)</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma
                                    2007-2013.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2 Bijzondere bepalingen</titel></kop><al>Voor subsidies verstrekt in het kader van het
                                    Plattelandsontwikkelingsprogramma, bewaart de subsidie-ontvanger
                                    de administratie tot 31 december 2020, tenzij anders
                                    bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.3 Uitzonderingsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.4, aanhef en onder b, zijn
                                        binnen het Plattelandsontwikkelingsprogramma voorafgaand aan
                                        de ontvangstdatum van de aanvraag geen andere kosten dan
                                        voorbereidingskosten subsidiabel, voor zover deze kosten
                                        niet eerder dan een jaar voor de ontvangstdatum van de
                                        aanvraag zijn gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 3.1, tweede lid en artikel 4.1, tweede lid, van de
                                        AsG zijn binnen het Plattelandsontwikkelingsprogramma niet
                                        van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van subsidies binnen het
                                        Plattelandsontwikkelingsprogramma is artikel 5.3 van de AsG
                                        van toepassing, met dien verstande dat de leden drie tot en
                                        met zes niet van toepassing zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 3.3 Water</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van het Waterplan Gelderland 2010-2015
                                    (PS2009-749).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 3.4 Externe veiligheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die voortvloeien
                                    uit het Uitvoeringsprogramma Externe Veiligheid 2011-2014.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.2 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan openbare lichamen die zijn
                                    ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke
                                    regelingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4.3</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a
                                        en artikel 1.3, tweede lid, kan ten behoeve van periodieke
                                        of doorlopende activiteiten maximaal viermaal subsidie
                                        worden verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het in artikel 3.1, tweede lid, van de AsG
                                        bepaalde, kunnen subsidies van meer dan € 25.000,-- worden
                                        vastgesteld zonder voorafgaand besluit tot
                                        subsidieverlening. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.4, aanhef en onder h, kan voor
                                        activiteiten bedoeld in deze titel subsidie worden verstrekt
                                        voor exploitatiekosten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 3.5 Faunabeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.5.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten van
                                    de faunabeheereenheden, waaronder in ieder geval worden
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al> grofwildcoördinatie op de Veluwe;</al></li><li nr="b."><al> vijfjaarlijkse herziening van een faunabeheerplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.5.2 Uitzonderingsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a en b en artikel
                                        1.3, tweede lid, is niet van toepassing op het verstrekken
                                        van subsidie ingevolge deze titel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het in artikel 3.1, tweede lid, van de AsG
                                        bepaalde, kunnen subsidies van meer dan € 25.000,-- worden
                                        vastgesteld zonder voorafgaand besluit tot
                                        subsidieverlening.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.4, aanhef en onder h, kan voor
                                        activiteiten bedoeld in deze titel subsidie worden verstrekt
                                        voor exploitatiekosten.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 4 Ruimte en Bereikbaarheid</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Titel 4.1 Mobiliteit</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1 Activiteiten die zijn opgenomen in het
                                        strategisch uitvoeringsprogramma logistiek en
                                        goederenvervoer 2012-2015</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al> activiteiten die zijn opgenomen in het bestedingsplan
                                            Brede Doeluitkering als bedoeld in artikel 6 van de Wet
                                            BDU Verkeer en Vervoer;</al></li><li nr="b."><al> activiteiten in het kader van verkeersonderwijs en
                                            verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al> vervallen;</al></li><li nr="d."><al> het verrichten van openbaar vervoer, zoals omschreven
                                            in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000;</al></li><li nr="e."><al> het verrichten van voor een ieder openstaand
                                            personenvervoer per auto anders dan volgens een
                                            dienstregeling als bedoeld in artikel 6 van het Besluit
                                            personenvervoer 2000 (regiotaxi);</al></li><li nr="f."><al> infrastructurele openbaar vervoervoorzieningen;</al></li><li nr="g."><al> activiteiten die de toegankelijkheid van openbaar
                                            vervoer verbeteren;</al></li><li nr="h."><al> activiteiten die de sociale veiligheid van het openbaar
                                            vervoer verbeteren;</al></li><li nr="i."><al> maatregelen, voorzieningen en activiteiten die het
                                            bovenlokale fietsnetwerk verbeteren, complementeren of
                                            het gebruik hiervan vergroten;</al></li><li nr="j."><al> activiteiten in het kader van het optimaliseren van de
                                            locatiebereikbaarheid gericht op de vraag uit de markt
                                            (mobiliteitsmanagement);</al></li><li nr="k."><al> activiteiten van consumentenorganisaties als bedoeld in
                                            artikel 27 van de Wet personenvervoer 2000, en</al></li><li nr="l."><al> activiteiten die zijn opgenomen in het strategisch
                                            uitvoeringsprogramma logistiek en goederenvervoer
                                            2012-2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2 Uitzonderingsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a en b en artikel
                                        1.3, tweede lid, zijn niet van toepassing op het verstrekken
                                        van subsidie ingevolge deze titel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.4, aanhef en onder b, kan
                                        subsidie worden verstrekt voor alle subsidiabele kosten die
                                        zijn gemaakt nadat het voornemen tot uitvoering van de
                                        activiteiten aantoonbaar kenbaar is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.4, aanhef en onder h, kan voor
                                        activiteiten bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder c, d
                                        en e, subsidie worden verstrekt voor exploitatiekosten.
                                    </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 4.2 Gelderse Gebiedsontwikkeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten
                                        ter uitvoering van het Prioritair Programma Gelderse
                                        Gebiedsontwikkeling 2012-2015 (PS2012-342).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten
                                        ter uitvoering van het programma “Doelgericht Uitvoeren”
                                        voor zover deze betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> ontwikkeling Forten;</al></li><li nr="b."><al> gebiedsontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al> versterking Diefdijklinie;</al></li><li nr="d."><al> beheer;</al></li><li nr="e."><al> maatschappelijke benutting;</al></li><li nr="f."><al> economische benutting.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 4.3 Ruimtelijke Ontwikkeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten die
                                    bijdragen aan de ontwikkeling en uitvoering van het provinciale
                                    ruimtelijke beleid indien daarmee een publiek belang wordt
                                    nagestreefd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 4.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van
                                    woningbouwprojecten die gerealiseerd worden door middel van
                                    collectief particulier opdrachtgeverschap , indien de activiteit
                                    past binnen het door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                    Kwalitatieve Woonprogramma.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.2. Uitzonderingsbepaling</titel></kop><al>In afwijking van artikel 1.4, aanhef en onder b, komen
                                    subsidiabele kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de
                                    ontvangstdatum van de aanvraag voor subsidie in aanmerking.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 4.5. Impulsplan Wonen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor procesbegeleiding voor zover
                                    die betrekking heeft op activiteiten die passen binnen het
                                    Impulsplan Wonen (PS2012-656).</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 5 Economie en Samenleving</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Titel 5.1 Cultuur</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van het Cultuur- en Erfgoedbeleid 2013-2016
                                    (PS2012-457) en die gericht zijn op:</al><lijst><li nr="a."><al> kwaliteitsbehoud of verbetering van podiumkunsten op
                                            het gebied van muziek, dans, theater en literatuur of
                                            combinaties daarvan;</al></li><li nr="b."><al> het behoud en de ontwikkeling van het talent van
                                            Gelderse ontwerpers en kunstenaars;</al></li><li nr="c."><al> het versterken van de kwaliteit van het bibliotheekwerk
                                            op het gebied van vrije toegang tot informatie,
                                            kennisontwikkeling, educatie en leesbevordering;</al></li><li nr="d."><al> de ontwikkeling en afzet van innovatieve mediaproducten
                                            gericht op het zijn van een schakel tussen cultuur en
                                            erfgoed enerzijds en ruimte en economie anderzijds;</al></li><li nr="e."><al> festivals met een artistieke kwaliteit en
                                            cultuuhistorische waarde die beeldbepalend zijn voor
                                            Gelderland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2 Uitzonderingsbepaling</titel></kop><al>Artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a en b en artikel 1.3,
                                    tweede lid, zijn niet van toepassing op het verstrekken van
                                    subsidie als bedoeld in artikel 5.1.1, aanhef en onder b en
                                    e.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.2 Erfgoed</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten
                                        ter uitvoering van het Cultuur- en Erfgoedbeleid 2013-2016
                                        (PS2012-457) en die gericht zijn op: </al><lijst><li nr="a."><al> restauraties in samenhang met onderwijs en
                                                vakmanschap;</al></li><li nr="b."><al> samenwerking tussen musea en andere sectoren ter
                                                bevordering van aantrekkelijke producten;</al></li><li nr="c."><al> restauratie en herbestemming van monumenten ter
                                                realisatie van nieuwe economische dragers;</al></li><li nr="d."><al> de gebruiks-, toekomst-, en belevingswaarde van
                                                Gelders landschappelijk erfgoed (landschap en
                                                archeologie);</al></li><li nr="e."><al> het verstrekken van subsidies voor het duurzame
                                                onderhoud aan gemeentelijke monumenten;</al></li><li nr="f."><al> het laten draaien van monumentale molens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie voor het jaar waarvoor de aanvraag wordt
                                        ingediend, wordt verstrekt op basis van de omwentelingen die
                                        de molen heeft gemaakt in het jaar voorafgaand aan het jaar
                                        waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2 Cultuur- en erfgoedpacten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van het Cultuur- en Erfgoedbeleid 2013-2016
                                    (PS2012-457) en die gericht zijn op:</al><lijst><li nr="a."><al> procesbegeleiding bij de totstandkoming van een
                                            cultuur- en erfgoedpact;</al></li><li nr="b."><al> de uitvoering van een cultuur- en erfgoedpacten met
                                            betrekking tot: </al><lijst><li nr="i."><al> cultuurbeleving/cultuurtoerisme;</al></li><li nr="ii."><al> amateurkunst;</al></li><li nr="iii."><al> cultuurparticipatie;</al></li><li nr="iv."><al> cultuureducatie;</al></li><li nr="v."><al> vrijwilligersbeleid;</al></li><li nr="vi."><al> regionale eenheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.3 Sociaal</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van de beleidsuitwerking Sociaal Profiel Gelderland
                                    (PS2011-644) voor zover deze betrekking hebben op de volgende
                                    thema’s:</al><lijst><li nr="a."><al> actief burgerschap;</al></li><li nr="b."><al> kwetsbare groepen;</al></li><li nr="c."><al> gezondheid en zorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.2 Bijzondere bepalingen</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 1.4 wordt de subsidie als bedoeld in
                                    artikel 5.3.1 geweigerd indien de activiteiten, waarvoor
                                    subsidie wordt gevraagd, betrekking hebben op de verwerving van
                                    onroerende goederen en duurzame gebruiksgoederen met een waarde
                                    van meer dan € 1.000,--.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.4 Jeugd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van het Beleidkader Jeugd 2013-2016 (PS2012-430) voor
                                    zover deze betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al> overdracht van de provinciale jeugdzorg aan de
                                            gemeenten;</al></li><li nr="b."><al> verbetering in het kader van deze overdracht.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.5 Leefbaarheid en Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van de beleidsuitwerking Sociaal Profiel (PS2011-644)
                                    met betrekking tot leefbaarheid en voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.2 Bijzondere bepalingen</titel></kop><al>Activiteiten zoals bedoeld in artikel 5.5.1, die worden
                                    uitgevoerd binnen de bebouwde kom van de plaatsen Apeldoorn,
                                    Arnhem, Culemborg, Doesburg, Doetinchem, Ede, Harderwijk,
                                    Nijmegen, Tiel, Wageningen, Winterswijk, Zaltbommel en Zutphen
                                    komen niet voor subsidie in aanmerking.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.6 Sport</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van actviteiten ter
                                    uitvoering van Gelderland Sportland: Programmaa 2010-2016
                                    (PS2010-510) voor zover deze betrekking hebben op de volgende
                                    thema’s:</al><lijst><li nr="a."><al> vitale samenleving;</al></li><li nr="b."><al> economische impact;</al></li><li nr="c."><al> excellente prestaties.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.2 Uitzonderingsbepaling</titel></kop><al>Artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a en b en artikel 1.3,
                                    tweede lid, zijn, met uitzondering van subsidie ten behoeve van
                                    innovaties, niet van toepassing op het verstrekken van subsidie
                                    ingevolge deze titel.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.7 Topsectoren en innovatie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van het Prioritair programma topsectoren en innovatie
                                    (PS2012-191) voor de sectoren Food, Health en de Maakindustrie
                                    en voor zover deze betrekking hebben op de volgende doelen:</al><lijst><li nr="a."><al> versnellen van innovaties;</al></li><li nr="b."><al> internationalisering;</al></li><li nr="c."><al> verkleinen van de arbeidsmarktdiscrepantie;</al></li><li nr="d."><al> ondersteuning van activiteiten van FoodValley en
                                            HealthValley;</al></li><li nr="e."><al> aanjagen en stimuleren van regionale
                                            gebiedsontwikkeling;</al></li><li nr="f."><al> stimuleren van buitenlandse investeringen in
                                            Gelderland.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.8 Economisch beleid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van de beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie
                                    (PS2011-644) en Het Gelders evenementenbeleid 2013-2016; Beleef
                                    de Gelderse Streken (PS2013-477), zover deze betrekking hebben
                                    op de volgende doelen:</al><lijst><li nr="a."><al> stimuleren en versterken van MKB’ers;</al></li><li nr="b."><al> verkleinen van regionale arbeidsmarktdiscrepantie;</al></li><li nr="c."><al> versterken van de fysieke bedrijfsomgeving;</al></li><li nr="d."><al> versterking van de vrijetijdseconomie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.2 Subsidiabele activiteiten
                                        investeringsimpuls</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten ter
                                    uitvoering van de Robuuste Investeringsimpuls in relatie tot de
                                    bestrijding van werkloosheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.3 Uitzonderingsbepalingen</titel></kop><al>Artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 1.3,
                                    tweede lid, is niet van toepassing op het verstrekken van
                                    subsidies ingevolge artikel 5.8.1, aanhef en onder d, voor zover
                                    deze betrekking hebben op de marketing en promotie van de
                                    vrijetijdseconomie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.9 Land- en tuinbouw</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten
                                        die betrekking hebben ter uitvoering van de
                                        beleidsuitwerking Land- en Tuinbouw (PS2011-644) en voor
                                        zover deze betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> voldoen aan maatschappelijke eisen,</al></li><li nr="b."><al> structuurversterking: </al><lijst><li nr="i."><al> verbetering van de verkaveling;</al></li><li nr="ii."><al> concentratie en herstructurering van de
                                                  glastuinbouw;</al></li><li nr="iii."><al> duurzame veehouderij;</al></li><li nr="iv."><al> ontwikkelingsmogelijkheden veehouderij rondom
                                                  Natura 2000-gebieden;</al></li><li nr="v."><al> herijking Ecologische Hoofdstructuur;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> verbreding en verhoging toegevoegde waarde: </al><lijst><li nr="i."><al> local voor local;</al></li><li nr="ii."><al> groene energie;</al></li><li nr="iii."><al> biobased economy;</al></li><li nr="iv."><al> groenblauwe diensten.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor de sanering van
                                        asbestdaken van gebouwen gelegen op de bedrijfslocatie van
                                        een agrarische onderneming.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.2 Bijzondere bepaling</titel></kop><al>Onverminderd het in artikel 3.1, tweede lid, van de AsG bepaalde
                                    kunnen subsidies van meer dan € 25.000,-- ten behoeve van
                                    grondverwerving, pachtafkoop of losse kavelruil op grond van
                                    artikel 5.9.1, aanhef en onder b, worden vastgesteld zonder
                                    voorafgaand besluit tot subsidieverlening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.3 Uitzonderingsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 1.4, aanhef en onder b en artikel
                                        2.1 mogen ten aanzien van subsidies ten behoeve van
                                        grondverwerving, pachtafkoop of losse kavelruil op grond van
                                        artikel 5.9.1, aanhef en onder b, de activiteiten zijn
                                        voltooid voordat de subsidie wordt aangevraagd. De aanvraag
                                        wordt uiterlijk zes maanden nadat de activiteiten zijn
                                        voltooid ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a en b en artikel
                                        1.3, tweede lid, zijn niet van toepassing op het verstrekken
                                        van subsidie op grond van artikel 5.9.1, eerste lid, aanhef
                                        en onder c, onderdeel iv.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.10 Energietransitie en Energie- en milieutechnologie
                                    (EMT)</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten
                                        ter uitvoering van het Prioritair programma Energietransitie
                                        (PS2012-193) voor de sectoren energie- en milieutechnologie
                                        en biobased economy en voor zover deze betrekking hebben op
                                        de volgende doelen: </al><lijst><li nr="a."><al> versnellen van innovaties;</al></li><li nr="b."><al> internationalisering;</al></li><li nr="c."><al> verkleinen van de arbeidsmarktdiscrepantie;</al></li><li nr="d."><al> ondersteuning van activiteiten van het
                                                programmabureau EMT;</al></li><li nr="e."><al> aanjagen en stimuleren van regionale
                                                gebiedsontwikkeling;</al></li><li nr="f."><al> stimuleren van buitenlandse investeringen in
                                                Gelderland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten
                                        ter uitvoering van het Prioritair programma Energietransitie
                                        (PS2012-193) voor zover deze bijdragen aan: </al><lijst><li nr="a."><al> energiebesparing;</al></li><li nr="b."><al> hernieuwbare Energie.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 6 Grensoverschrijdende samenwerking en
                                cofinanciering</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Titel 6.1 Regionaal programma EFRO Oost-Nederland
                                    2007-2013</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt als cofinanciering ten
                                        behoeve van activiteiten ter uitvoering van het Operationeel
                                        programma EFRO Oost-Nederland 2007-2013.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het Besluit EFRO programmaperiode 2007-2013 is van
                                        overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.2 Bijzondere bepalingen</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 1.4 wordt geen subsidie verstrekt voor
                                    aan de activiteit toe te rekenen kosten die zijn ontstaan voor 1
                                    januari 2007.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.3 Uitzonderingsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Artikel 1.5 is niet van toepassing op het verstrekken van
                                        subsidie ingevolge deze titel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover de bepalingen van deze regeling of de AsG
                                        afwijken van de regels die van toepassing zijn op de
                                        verstrekking van subsidie in het kader van het Operationeel
                                        programma EFRO 2007-2013 zijn laatstgenoemde regels van
                                        toepassing op de verstrekking van subsidies op grond van
                                        deze titel. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 6.1a Regionaal programma EFRO Oost-Nederland
                                    2014-2020</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.1a Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt als co-financiering ten behoeve
                                    van activiteiten ter uitvoering van het Operationeel Programma
                                    EFRO Oost-Nederland 2014-2020.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.2a Bijzondere bepalingen</titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt overeenkomstig de bij of
                                    krachtens artikelen 3, 6 en 9 van de Uitvoeringswet EFRO
                                    vastgestelde regels omtrent subsidieverstrekking, zo nodig in
                                    afwijking van de AsG en deze verordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 6.2 Europese Territoriale Samenwerking:
                                    Structuurfondsen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.2.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt als cofinanciering ten behoeve van
                                    activiteiten ter uitvoering van het Operationeel Programma in
                                    het kader van Europese Territoriale Samenwerking gefinancierd
                                    uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2.2 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de deelstaat Nordrhein-Westfalen,
                                    de Eems Dollard Regio, EUREGIO e.V., Euregio Rijn-Waal en aan de
                                    Euregio rijn-maas-noord.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2.3 Bijzondere bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd het in artikel 3.1, tweede lid, van de AsG
                                        bepaalde, kunnen subsidies van meer dan € 25.000,-- worden
                                        vastgesteld zonder voorafgaand besluit tot
                                        subsidieverlening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van artikel 7.2, tweede lid, van de AsG
                                        bedragen de voorschotten ten hoogste 100% van de verleende
                                        subsidie. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 6.3 Samenwerking Gelderland - Lubelski</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.3.1 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten in
                                    het kader van de samenwerking Gelderland-Lubelskie voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de ondersteuning van het Herinneringscentrum Sobibor,
                                            en</al></li><li nr="b."><al> uitwisselingen rond prioritaire thema’s.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijzondere en slotbepalingen</titel></kop><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 7 Bijzondere en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.1 Afwijkingsbevoegdheid</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen ontheffing
                                verlenen van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken 2 tot en
                                met 6 van deze regeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2 Toezicht</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze regeling zijn belast de daartoe door Gedeputeerde Staten
                                aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.4 Overgangsrecht</titel></kop><al>De Subsidieregeling vitaal Gelderland 2008, Subsidieregeling sociaal
                                beleid Gelderland 2004, Subsidieregeling cultuur Gelderland 2006 en
                                paragraaf 5 van de Verordening cultuurhistorie Gelderland worden
                                ingetrokken met ingang van 1 januari 2011, met dien verstande dat
                                die regelingen van kracht blijven voor subsidies die voor die datum
                                zijn aangevraagd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.5 Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieverordening vitaal
                                Gelderland 2011.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Provinciale Staten van Gelderland</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011</vet></al><al><vet>Toelichting Algemeen</vet></al><al>1 Inleiding</al><al>De afgelopen jaren hebben zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan die
                    aanleiding geven tot een andere wijze van subsidieverstrekking. Enerzijds klinkt
                    al geruime tijd de roep om deregulering en vereenvoudiging van regelgeving,
                    anderzijds heeft zich onder andere onder invloed van de uitvoering van enkele
                    Europese programma's een aanzienlijke professionalisering voorgedaan. Bovendien
                    heeft ook de dualisering gevolgen voor de wijze waarop het subsidiebeleid wordt
                    vastgesteld. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag gevonden in de eerder
                    versies van de Subsidieregeling vitaal Gelderland. De Subsidieverordening vitaal
                    Gelderland 2011 is een samenvoeging van deze regelingen. Deze verordening bevat
                    de juridische grondslag voor incidentele subsidieverstrekking en daarnaast in
                    hoofdzaak procedurele aspecten (in ruime zin), evenals subsidiabele kosten,
                    algemene subsidievoorwaarden, rapportageplicht en toezicht.</al><al>2 Vereenvoudiging</al><al>De Subsidieregeling vitaal Gelderland (2007, 2008) was een zogenaamde
                    aanbouwregeling. De regeling is zodanig ontworpen dat deze steeds kan worden
                    uitgebreid met nieuwe beleidsvelden. Dit had een vereenvoudiging tot gevolg voor
                    subsidieaanvragers. Waar voorheen aanvragers geconfronteerd werden met vele
                    regelingen, elk met verschillende verplichtingen, procedures en regels voor
                    subsidiabele kosten e.d., kon nu een beroep worden gedaan op één regeling waarin
                    al deze zaken waren geharmoniseerd. Dit kwam ook beleidsveldoverschrijdende
                    projecten ten goede. Met de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 wordt
                    deze ingezette koers voortgezet. Het aantal beleidsvelden is wederom uitgebreid.
                    Daarbij is omwille van de overzichtelijkheid de indeling van de verordening
                    gewijzigd.</al><al>De verordening telt nu zeven hoofdstukken in plaats van vier. Daarbij zijn de
                    procedurele bepalingen van hoofdstuk drie achter de algemene bepalingen van
                    hoofdstuk 1 in hoofdstuk 2 geplaatst. Voorheen werden deze twee hoofdstukken
                    gescheiden door de inhoudelijke subsidiebepalingen (beleidsvelden). Deze waren
                    in de Subsidieregeling vitaal Gelderland 2008 in hoofdstuk 2 opgenomen.
                    Beleidsvelden werden in dit hoofdstuk op volgorde van vaststelling geplaatst.
                    Hierdoor ontbrak een overzichtelijke structuur. Mede gelet hierop en door de
                    verdere uitbreiding van de beleidsvelden, zijn in de Subsidieverordening vitaal
                    Gelderland 2011 de beleidsvelden verdeeld in vier categorieën. Elke categorie is
                    afzonderlijk geplaatst in een apart hoofdstuk.</al><al>3 Subsidiesystematiek</al><al>Provinciale regelgeving kent een gelede normstelling. Dat wil zeggen dat een
                    samenstel van rechtsregels van toepassing (kan) zijn op één subsidieaanvraag. De
                    provincie Gelderland kent drie lagen van subsidieregelgeving. Aan de basis staat
                    de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998. Deze bevat procedurele
                    bepalingen. Daarnaast staat de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011. Deze
                    regeling bevat inhoudelijke bepalingen op hoofdlijnen. De regeling is met andere
                    woorden kaderstellend. Binnen deze kaders vindt nadere invulling plaats door
                    Gedeputeerde Staten middels regels. In deze regels staan de specifieke
                    inhoudelijke regels. Voorheen kende de provincie vier lagen. Echter met de komst
                    van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 zijn de Nadere regels
                    Subsidieregeling vitaal Gelderland 2008 komen te vervallen. Dit zorgt voor meer
                    overzichtelijkheid in de regelgeving.</al><al>Op grond van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 worden incidentele
                    subsidies verstrekt. Dat zijn subsidies ten behoeve van eenmalige activiteiten.
                    Daarbij is het van belang dat gewenste initiatieven met behulp van subsidie de
                    kans krijgen zich te ontwikkelen, zonder dat daarbij subsidieafhankelijkheid
                    ontstaat. Dit betekent dat alleen niet reguliere eenmalige activiteiten of
                    aanloopkosten (exploitatietekorten in de beginfase van een project) worden
                    gesubsidieerd. Deze regeling is niet bedoeld voor subsidieverstrekking per
                    boekjaar aan instellingen. Daarnaast is opgenomen dat activiteiten die worden
                    verricht om te kunnen voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare
                    minimum kwaliteitseisen niet voor subsidie in aanmerking komen. Dit was al
                    (impliciet) gebruikelijk als het ging om milieueisen, maar dit is nu ook
                    doorgetrokken naar andere minimum kwaliteitseisen. De reden hiervoor is dat de
                    subsidieverstrekking te zeer concurrentievervalsend zou werken als het behalen
                    van reeds gangbare maatstaven wordt gesubsidieerd.</al><al>4. Vertrouwen als basis</al><al>In de Subsidieregeling vitaal Gelderland 2008 was de hoofdregel dat een verzoek
                    tot bevoorschotting werd vergezeld van een voortgangsrapportage. Een voorschot
                    werd dan slechts verstrekt op basis van gemaakte en betaalde kosten. De
                    achterliggende gedachte hierbij was enerzijds het bespoedigen van de voortgang
                    van de uitvoering (door een vinger aan de pols te houden) en anderzijds het
                    hiermee voorkomen dat het lucratief kan zijn om helemaal niet met de uitvoering
                    van de activiteiten te beginnen, omdat men rente ontvangt over de voorgeschoten
                    bedragen. In de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 wordt voor een andere
                    benadering gekozen. De provincie wenst na goede ervaringen te hebben opgedaan in
                    de afgelopen jaren haar bevoorschottingspraktijk te baseren op vertrouwen in de
                    aanvrager. Er zal dan ook niet meer op basis van gemaakte en betaalde kosten
                    worden bevoorschot maar er zal in lijn met de Algemene subsidieverordening
                    Gelderland 1998 en de Algemene wet bestuursrecht vooraf worden bevoorschot. De
                    uitbetaling van dit voorschot zal dan vervolgens automatisch (met uitzondering
                    van Europese projecten) in termijnen worden gedaan op basis van het verwachte
                    uitgavenpatroon van de aanvrager.</al><al>Dat de provincie haar subsidieproces meer wenst te baseren op vertrouwen komt
                    ook tot uiting in het schappen van de zogenaamde “informatieplicht” bepaling. Op
                    grond van deze bepaling was een subsidieontvanger verplicht om de provincie op
                    de hoogte te stellen van elke feit en omstandigheid waarvan hij redelijkerwijs
                    kan vermoeden dat zij invloed kan hebben op de aanspraak op subsidie. Door het
                    verwijderen van deze bepaling wordt er meer verantwoordelijkheid bij de
                    ontvanger gelegd. Wel moet een subsidieontvanger zich realiseren dat de
                    subsidiabele activiteiten uitgevoerd moeten worden met inachtneming van de
                    verplichtingen zoals deze zijn opgelegd in de subsidieverleningsbeschikking.
                    Afwijking hiervan kan negatieve gevolgen hebben voor de hoogte van het
                    subsidiebedrag. Mocht een subsidieontvanger willen afwijken van het
                    verleningsbesluit, dan wel wordt hij hiertoe gedwongen, dan moet hij beseffen
                    dat hij er zelf voor verantwoordelijk is om hierover met de provincie te
                    communiceren.</al><al>5 Staatssteun</al><al>De Europese Unie heeft zich onder meer tot doel gesteld naar economische
                    vooruitgang te streven voor haar bevolking. Belangrijk voor het bereiken van dit
                    doel is een goed werkende interne markt en vrije concurrentie. Overmatig
                    steunverlening door overheden aan ondernemingen zou dit in gevaar kunnen
                    brengen. Om overheidssteun aan ondernemingen goed te reguleren zijn in het
                    Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie staatssteunregels opgenomen.
                    Deze regels zijn van een hogere orde dan provinciale regelgeving en prevaleren.
                    Dit blijkt ook uit artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene
                    subsidieverordening Gelderland 1998. Subsidieverstrekking kan derhalve alleen
                    plaatsvinden voor zover dit niet in strijd is met de Europese
                    staatssteunregels.</al><al>De Europese Commissie erkent dat overheidssteun, onder bepaalde voorwaarden, op
                    diverse beleidsvelden wenselijk is en heeft hiertoe vrijstellingen in het leven
                    geroepen. Indien subsidieverstrekking in lijn geschiedt met deze vrijstellingen
                    wordt deze als geoorloofd beschouwd. Onder meer ten behoeve van
                    milieubescherming, onderzoek &amp; ontwikkeling, landbouw en kleine
                    steunbedragen (de-minimis) zijn er vrijstellingen.</al><al>6 Dualisering</al><al>De verordening is zo opgezet dat recht wordt gedaan aan het duale stelsel,
                    waarin Provinciale Staten de strategische beleidsplannen vaststellen en
                    Gedeputeerde Staten hieraan nadere invulling geven. De Subsidieverordening
                    vitaal Gelderland 2011 kan worden beschouwd als het kader voor eenmalige
                    subsidies; de beleidsinhoudelijke kaders zullen door Provinciale Staten worden
                    vastgesteld in de strategische plannen. De nadere uitwerking van de strategische
                    plannen, die zijn toegespitst op het instrument subsidie kunnen in regels als
                    bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, door Gedeputeerde Staten worden
                    vastgesteld.</al><al>7 Communicatie</al><al>Wij zullen subsidieontvangers steeds vaker verzoeken in hun
                    communicatie-uitingen (zoals publicaties en aankondingsborden) kenbaar te maken
                    dat het project mede mogelijk is gemaakt door de Provincie Gelderland. De
                    Provincie Gelderland vindt het belangrijk om het grote publiek te informeren
                    over haar rol in de Gelderse regionale ontwikkelingen. Met haar
                    subsidieverlening laat de Provincie concreet zien hoezeer zij aanwezig is in het
                    dagelijks leven van de burgers in Gelderland.</al><al><vet>Toelichting artikelsgewijs</vet></al><al>Artikel 1.1, aanhef en onder i</al><al>Bio-based economy is een internationaal erkend begrip dat onder meer wordt
                    gebruikt door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, maar ook
                    in de wetenschap en het bedrijfsleven.</al><al>Artikel 1.2, eerste lid</al><al>Deze bevoegdheid strekt tevens tot handelingen die samenhangen met besluiten tot
                    verstrekking van subsidies., zoals het verdagen van beslistermijnen.</al><al>Artikel 1.3, tweede lid</al><al>Deze verordening is primair bedoeld om incidentele subsidies te verstrekken.
                    Daarom wordt in deze bepaling geregeld dat subsidie voor dezelfde activiteit
                    slechts eenmaal wordt verstrekt. Hiervan kan eenmalig worden afgeweken ten
                    behoeve van in het derde lid genoemde gevallen. Voor dit absolute maximum van
                    twee keer is gekozen om niet onder de werking van artikel 4:51 van de Algemene
                    wet bestuursrecht te vallen. Activiteiten kunnen als dezelfde worden aangemerkt
                    indien zij strekken tot realisatie van hetzelfde doel. Daarbij is van belang dat
                    dit doel wordt bezien in het licht van het met de subsidiebepaling te dienen
                    doel. Wordt bijvoorbeeld subsidie aangevraagd voor het aanbrengen van
                    dakisolatie en een jaar later voor de installatie van zonnepanelen, dan zou op
                    voorhand gesteld kunnen worden dat met beide activiteiten een ander doel wordt
                    nagestreefd. De eerste activiteit strekt namelijk tot energiebesparing terwijl
                    de tweede activiteit tot de opwekking van duurzame energie. Indien echter op
                    grond van de regeling subsidie dient te worden verstrekt ten behoeve van de
                    verduurzaming van woningen, dan moet worden geconcludeerd dat beide activiteiten
                    hetzelfde doel hebben. Beide activiteiten strekken immers tot verwezenlijking
                    van een duurzame woning.</al><al>Artikel 1.3, vijfde lid</al><al>De zogenaamde vermogenstoets van artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder c, van
                    de AsG wordt buiten toepassing verklaard voor deze regeling. Deze bepaling dient
                    niet verward te worden met de inkomstentoets uit artikel 1.4, aanhef en onder e.
                    Bij de vermogenstoets wordt bekeken of een aanvrager zelf reeds over voldoende
                    middelen beschikt om het project te kunnen uitvoeren. Is dit het geval dan komt
                    aanvrager niet in aanmerking voor subsidie. Op grond van de inkomstentoets
                    worden inkomsten die met de subsidiabele activiteit verband houden in mindering
                    gebracht op de totale subsidiabele kosten.</al><al>De vermogenstoets is niet van toepassing verklaard in de Subsidieverordening
                    vitaal Gelderland 2011 om de werking van de regeling als stimuleringsinstrument
                    niet te frustreren.</al><al>Artikel 1.4, aanhef en onder b</al><al>De hoofdregel is dat alleen kosten die na de ontvangstdatum van de aanvraag zijn
                    gemaakt subsidiabel zijn. Echter uit de praktijk blijkt een grotere behoefte
                    voor flexibiliteit. Daarom zijn kosten die gemaakt zijn voorafgaand aan de
                    ontvangstdatum van de aanvraag subsidiabel vanaf het moment de aanvrager zijn
                    voornemen tot uitvoering van de activiteiten aantoonbaar heeft kenbaar gemaakt.
                    Dit kan tot een maximum van 10% van de totale subsidiabele kosten. De bewijslast
                    voor het aantonen van het moment van het kenbaar maken ligt bij aanvrager.</al><al>Aanvragers die beginnen met de uitvoering van activiteiten voordat er een
                    besluit tot subsidieverstrekking is genomen lopen risico. Indien de aanvraag
                    (gedeeltelijk) wordt afgewezen dan zullen de kosten (gedeeltelijk) voor eigen
                    rekening van de aanvrager komen.</al><al>Uitzondering: Subsidieverstrekking door de Provincie dient in lijn te zijn met
                    de staatssteunregels van de Europese Unie. Hiertoe maakt de Provincie geregeld
                    gebruik van Europese vrijstellingsbepalingen. Deze vrijstellingen vereisen
                    normaliter een stimulerend effect. Dit betekent doorgaans dat met de uitvoering
                    van de activiteit pas mag worden gestart na indiening van de aanvraag. Dat
                    betekent dat alle kosten voorafgaand aan de aanvraag niet subsidiabel zijn.</al><al>Artikel 1.4, aanhef en onder j</al><al>Met subsidies wordt getracht activiteiten mogelijk te maken die in het algemeen
                    belang zijn. Met de beperkt beschikbare middelen wenst de provincie zoveel
                    mogelijke activiteiten te kunnen ondersteunen. Om dit te realiseren subsidieert
                    de provincie enkel kosten die in een redelijke verhouding staan tot de te
                    subsidiëren activiteit. Kosten die niet noodzakelijk dan wel bovenmatig zijn,
                    worden niet gesubsidieerd. Een voorbeeld hiervan is een rechtspersoon die
                    subsidie aanvraagt voor een activiteit die zij naar eigen zeggen niet zelf kan
                    realiseren. Hierdoor zal een andere rechtspersoon moeten worden ingehuurd. Dit
                    heeft tot gevolg dat het subsidiebedrag omhoog moet, omdat tarieven voor inhuur
                    doorgaans hoger zijn dan tarieven voor inzet van eigen personeel. Op zich is dit
                    toegestaan. Van een aanvrager kan immers niet verwacht worden dat hij alle
                    expertises zelf in huis heeft. Dit wordt anders als de aanvragende rechtspersoon
                    verbonden is met de in te huren rechtspersoon. In dit geval worden de kosten
                    zonder noodzaak omhoog gedreven. Een ander voorbeeld is een rechtspersoon die
                    een simpele gemeenschapsvoorziening wil aanleggen, maar deze vervolgens zeer
                    luxe aankleedt. Deze kosten staan niet in verhouding met het doel van de
                    subsidie en zijn derhalve bovenmatig.</al><al>Artikel 1.5, tweede lid</al><al>De aanvrager geeft in de toelichting bij de kostenbegroting aan voor welke
                    methode is gekozen. De op basis van methoden genoemd onder a en b berekende
                    uurtarieven hoeven niet nader te worden onderbouwd. Uurtarieven berekend op
                    basis van de methode genoemd onder c worden wel onderbouwd door aanvrager.</al><al>Hoofdstuk 2 Procedurele Bepalingen</al><al>Subsidieaanvragen worden bij voorkeur digitaal ingediend via <extref doc="http://www.gelderland.nl/subsidies" struct="INTERNET">www.gelderland.nl/subsidies</extref>. Digitaal indienen heeft als voordeel
                    dat de ontvangst van de aanvraag direct per e-mail wordt bevestigd en de
                    aanvraag sneller in behandeling kan worden genomen.</al><al>Artikel 2.1, eerste lid</al><al>De aanvrager heeft zijn voornemen tot uitvoering van activiteiten aantoonbaar
                    kenbaar gemaakt zodra hij deze voldoende concreet te kennen heeft gegeven aan
                    het betreffende bestuursorgaan. Dit kan mondeling maar gezien het feit dat de
                    bewijslast bij aanvrager ligt is het verstandig dit schriftelijk dan wel per
                    e-mail te doen. Met het indienen van een aanvraag is ook voldaan aan deze
                    voorwaarde.</al><al>Door te beginnen met de uitvoering van de activiteiten vóórdat een besluit tot
                    subsidieverstrekking is genomen loopt de aanvrager een risico. De aanvrager
                    maakt immers kosten zonder een toezegging op subsidie. Indien de aanvraag wordt
                    afgewezen zal aanvrager zelf moeten voorzien in de (reeds gemaakte) kosten van
                    het project.</al><al>Deze bepaling is nauw verbonden met artikel 1.4, aanhef en onder b. Deze
                    bepaling regelt vanaf welk moment kosten gemaakt kunnen worden. Dit zal
                    doorgaans ook het moment zijn waarop met de activiteiten wordt gestart. Dit
                    hoeft echter niet altijd het geval te zijn. Daarom wordt in artikel 2.1
                    aangegeven op welk moment met de activiteiten een begin kan worden gemaakt.</al><al>Artikel 2.1, tweede lid</al><al>Gedeputeerde Staten kunnen krachtens wet of verordening de bevoegdheid worden
                    gedelegeerd middelen die ten behoeve van een bepaalde beleidsdoel beschikbaar
                    zijn gesteld, te verdelen over potentiele projecten. Een voorbeeld hiervan is de
                    brede doel uitkering verkeer en vervoer. Op grond van artikel 6 van de Wet BDU
                    verkeer en vervoer stelt Gedeputeerde Staten een bestedingsplan vast ten behoeve
                    van de besteding van de uitkering die door het Rijk beschikbaar is gesteld. Het
                    document waarin Gedeputeerde Staten de verdeling vaststelt, in de Wet BDU
                    verkeer en vervoer aangemerkt als bestedingsplan, wordt in deze verordening
                    aangeduid als verdeelplan.</al><al>Aanvragen moeten uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld
                    worden ingediend. Gedeputeerde Staten kunnen bij de vaststelling van het
                    verdeelplan een andere termijn bepalen.</al><al>Artikel 2.2</al><al>Indien de aanvraag aangevuld moet worden wordt de beslistermijn op grond van
                    artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht opgeschort met ingang van de dag
                    waarop het verzoek tot aanvulling wordt gedaan tot de dag waarop de aanvraag is
                    aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is gelaten.</al><al>Artikel 2.3</al><al>Onder subsidieverstrekking wordt verstaan een besluit tot subsidieverlening dan
                    wel een besluit tot vaststelling zonder voorafgaand besluit tot
                    subsidieverlening.</al><al>Artikel 2.4</al><al>Voor het opstellen van betrouwbare rapportages is het van belang dat de
                    aanvrager een administratie opzet. Hoe de aanvrager de administratie inricht is
                    een eigen keuze. Wel dient de administratie die informatie op te leveren, welke
                    is genoemd in dit artikel. Daarnaast dienen de vastleggingen in de
                    administraties gebaseerd te zijn op primaire registraties. Een primaire
                    registratie is een document met bewijskracht dat de gedane boeking ondersteunt.
                    Primair betekent dit dat het originele stukken moeten zijn en geen afgeleiden
                    daarvan. Ook dient de administratie zodanig opgezet te zijn dat het
                    ‘controlespoor’ gewaarborgd is. Dat betekent dat de verantwoording stapsgewijs
                    herleid kan worden naar de stukken die daaraan ten grondslag liggen.</al><al>Het is van belang dat de bewijsstukken, zoals facturen geadresseerd zijn aan de
                    aanvrager. Als de aanvrager de uitvoering en administratie laat voeren door een
                    derde blijft de aanvrager aansprakelijk voor de administratie en het voldoen aan
                    de voorwaarden. Als de bewijsstukken niet op naam van de aanvrager zijn gesteld,
                    dan dient in de administratie een overeenkomst of bevestiging opgenomen te zijn
                    waaruit blijkt dat deze derde met toestemming van de aanvrager de uitvoering,
                    administratie en verantwoording voor haar rekening neemt.</al><al>De facturen moeten voldoen aan de normale vereisten, zoals die in Nederland,
                    onder meer door de belastingdienst, aan facturen worden gesteld. Daarbij dient
                    de factuur minimaal aan te geven welke leveringen zijn gedaan, of welke diensten
                    zijn verricht en tegen welke prijs. Verwijzing naar een offerte waaruit dit
                    blijkt is ook voldoende. Een factuur met de omschrijving: “Voor u geleverde
                    diensten”, of “Detachering maand x” zonder verdere specificatie is niet
                    voldoende. Hieruit is immers niet af te leiden of de kosten betrekking hebben op
                    de subsidiabele activiteiten en hoeveel prestaties en tegen welke prijs deze
                    zijn verricht.</al><al>Als gewerkte uren worden verantwoord moet in ieder geval een urenregistratie ten
                    behoeve van het gesubsidieerde project worden bijgehouden. Deze registratie moet
                    op het niveau van de medewerker inzicht geven in wie, waarvoor, in een bepaald
                    tijdvak uren heeft besteed aan het project. Het is aan te bevelen met
                    weekverantwoordingen te werken en in ieder geval geen langere registratieperiode
                    te hanteren dan een maand. Om de betrouwbaarheid van de registraties te verhogen
                    kunnen de registraties door een tweede persoon gecontroleerd worden en voor
                    akkoord mede-ondertekend worden.</al><al>Artikel 2.9</al><al>De provincie zal een vergoeding eisen bij overname van de activiteiten door een
                    ander, tenzij aan alle drie de genoemde vereisten wordt voldaan.</al><al>Bijzondere bepalingen subsidieverstrekking</al><al>Artikel 3.2.2, eerste lid (artikel 6.2.3)</al><al>Op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de AsG worden subsidies tot te hoogste
                    € 25.000,-- vastgesteld zonder voorafgaand besluit tot subsidieverlening. Op
                    grond van artikel 3.2.2, eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten, voorzover de
                    aard van de activiteiten hierom vragen, ook bij bedragen boven de € 25.000,--
                    besluiten de subsidie ineens vast te stellen.</al><al>Artikel 5.1.1</al><al>Met het meerjarenbeleidskader wordt bedoeld het in artikel 1.3, eerste lid, van
                    de Verordening voor Welzijn, Zorg en Cultuur 2005 bedoelde beleidskader.</al><al>Artikel 5.2.1</al><al>Met het Belvoir-beleidskader wordt bedoeld het in artikel 1, aanhef en onder h,
                    van de Verordening Cultuurhistorie Gelderland bedoelde Belvoir-programma.</al><al>Artikel 5.2.5, tweede lid</al><al>Bij de uitvoering van activiteiten op het gebied van onderhoud en restauratie
                    kunnen nieuwe inzichten ontstaan die tot een nieuw bestek moeten leiden. Deze
                    gewijzigde inzichten zullen tot een aanvraag tot wijziging van de
                    subsidieverlening moeten leiden. Deze bepaling brengt met zich mee, dat ook in
                    dit geval pas met de gewijzigde uitvoering kan worden begonnen, als Gedeputeerde
                    Staten met deze gewijzigde uitvoering hebben ingestemd. Er is dan sprake van een
                    van een gewijzigde aanvraag en een herzieningsbesluit.</al><al>Artikel 5.5.1</al><al>Bij sociale cohesie moet gedacht worden aan het stimuleren van activiteiten die
                    tot doel hebben om op een voor Gelderland nieuwe wijze te werken aan het
                    bevorderen van de sociale samenhang op het platteland. Ook mensen op het
                    platteland leven steeds individualistischer en sluiten zich minder aan bij
                    sociale structuren als verenigingen. De bedoeling van dit onderdeel is om nieuwe
                    vormen van sociale samenhang tot ontwikkeling te brengen.</al><al>Artikel 5.5.2</al><al>Als bebouwde kom wordt beschouwd het gebied dat op grond van artikel 27, tweede
                    lid, van de Wegenwet als zodanig is aangewezen. Activiteiten in de kleine kernen
                    of het buitengebied van de in dit artikel genoemde gemeenten komen voor subsidie
                    in aanmerking.</al><al>Artikel 5.6.3</al><al>Bij de verdeling van de beschikbare middelen wordt zoveel mogelijk rekening
                    gehouden met een gelijkmatige spreiding hiervan binnen de provincie. Daarbij
                    wordt evenwel rekening gehouden met de kwaliteit van de aanvragen.</al><al>Artikel 6.1.1</al><al>De minister van Economische Zaken heeft het Besluit EFRO doelstelling 2
                    programmaperiode 2007-2013 vastgesteld. Dit besluit ziet op de uitvoering van de
                    rijksfinanciering en Europese financiering voor EFRO programma's 2007-2013 voor
                    doelstelling 2. Dit artikel regelt de besteding van provinciale
                    cofinancieringsmiddelen voor de uitvoering van de EFRO doelstelling 2
                    programmaperiode 2007-2013.</al><al>Artikel 6.2.1</al><al>Dit artikel regelt de besteding van provinciale cofinancieringsmiddelen voor de
                    uitvoering van activiteiten ter uitvoering van het Operationeel Programma in het
                    kader van Europese Territoriale Samenwerking, gefinancierd uit de
                    structuurfondsen. De subsidie wordt verstrekt aan de beheersautoriteit of aan de
                    diverse Euregio’s. Deze zijn ten opzichte van de Europese Commissie
                    verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma.</al><al>Kostensoorten</al><al>De aanvrager kan in de projectbegroting op het subsidieaanvraagformulier de
                    onderstaande kostensoorten onderscheiden.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>Kostensoort</vet></al></entry><entry><al><vet>Toelichting</vet></al></entry></row><row><entry><al>Advies en onderzoek</al></entry><entry><al> kosten verbonden aan ten behoeve van het project
                                        uitgevoerde adviesdiensten en onderzoeken, zoals
                                        bodemonderzoek, geluidsonderzoek, haalbaarheidsstudies. Het
                                        gaat hierbij uitsluitend om <vet>externe</vet> inzet.
                                        Eventuele inzet van eigen uren dienen onder de kostensoort
                                        "loonkosten" vermeld te worden.</al></entry></row><row><entry><al>Exploitatiekosten</al></entry><entry><al> Uitsluitend exploitatiekosten die verband houden met de
                                        aanloopfase van een activiteit komen voor subsidie in
                                        aanmerking, bijvoorbeeld tijdelijke huur ruimte of opslag
                                        tijdens uitvoering van het project.</al></entry></row><row><entry><al>Grond- en bouwwerken</al></entry><entry><al> Kosten voor het (ver)bouwen van opstallen, het verrichten
                                        van grond-, civieltechnische en cultuurtechnische werken,
                                        inclusief het aanbrengen van technische installaties.</al></entry></row><row><entry><al>Inrichtingskosten</al></entry><entry><al> Inrichtingskosten van gebouwen en terreinen zoals aanleg en
                                        onderhoud van beplantingen, bebording, bankjes, etc.</al></entry></row><row><entry><al>Investering in productiemiddelen</al></entry><entry><al> Kosten voor aanschaf (koop of lease) van productiemiddelen,
                                        zoals machines, inventaris, computers en opleidingen, die
                                        een directe relatie met de uitvoering van het project
                                        hebben</al></entry></row><row><entry><al>Kantoorkosten</al></entry><entry><al> Daadwerkelijk gemaakte kosten voor huisvesting,
                                        kantoorbenodigdheden, postverzending, telefoonkosten,
                                        etc.</al></entry></row><row><entry><al>Kosten van aankoop gebouwen</al></entry><entry><al> Kosten voor aankoop van gebouwen die rechtstreeks
                                        samenhangen met het project (incl. notaris-, kadaster- en
                                        taxatiekosten).</al></entry></row><row><entry><al>Kosten van aankoop grond</al></entry><entry><al> Kosten voor aankoop van grond (incl. notaris-, kadaster- en
                                        taxatiekosten) gebaseerd op de werkelijke kostprijs voor
                                        zover die niet afwijkt van de marktwaarde.</al></entry></row><row><entry><al>Loonkosten (intern)</al></entry><entry><al> Kosten van inzet van<vet> interne uren </vet>van de
                                        aanvrager/aanvragende organisatie, die rechtstreeks aan het
                                        project zijn toe te rekenen (urenadministratie
                                        vereist).</al></entry></row><row><entry><al>Niet-verrekenbare BTW</al></entry><entry><al> Op grond van artikel 1.4 sub c komen alleen BTW-kosten die
                                        de aanvrager niet kan verrekenen met de belastingdienst of
                                        die gemeenten <vet>niet </vet>kunnen compenseren uit het
                                        BTW-compensatiefonds voor subsidie in aanmerking.</al></entry></row><row><entry><al>Ontwerp, voorbereiding en toezicht op bestek</al></entry><entry><al> Betreft inzet van <vet>externe</vet> uren voor ontwerp,
                                        planvorming, voorbereiding en toezicht op bestek. Onder deze
                                        post kunnen ook kosten ter voorbereiding van het project
                                        worden opgevoerd.</al></entry></row><row><entry><al>Projectmanagement</al></entry><entry><al> Betreft inzet van <vet>externe</vet> uren voor
                                        projectmanagement, zoals projectadministratie en
                                        projectleiding.</al></entry></row><row><entry><al>Promotie en publiciteit</al></entry><entry><al> Direct aan het project toe te rekenen kosten voor
                                        communicatie een voorlichting, waaronder het maken van
                                        folders, persberichten, website, voorlichtingsbijeenkomsten,
                                        openingsfestiviteit etc.</al></entry></row><row><entry><al>Reis- en verblijfskosten</al></entry><entry><al> Direct aan het project toe te rekenen reis- en
                                        verblijfskosten.</al></entry></row><row><entry><al>Uitvoeringskosten</al></entry><entry><al> Kosten die direct bijdragen aan de activiteiten van het
                                        project, niet zijnde investeringskosten en
                                        exploitatiekosten. Voorbeeld: belastingen of leges, die
                                        gemaakt worden in het kader van de uitvoering van het
                                        project.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>