<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR101606_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening afvoer hemelwater en grondwater</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-05-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">KernPUNTEN, 31-05-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de afvoer van hemelwater en grondwater</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet milieubeheer, artikel 10.32a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-03-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-12-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14-02-2011, nummer 24</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>milieu</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>nvt</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening afvoer hemelwater en grondwater</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Dalfsen</al><al/><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 februari
                        2011;</al><al/><al>Gelet op artikel 10.32a van de Wet milieubeheer;</al><al/><al>B e s l u i t : </al><al/><al>vast te stellen de <vet>"Verordening afvoer hemelwater en
                        grondwater"</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren.</al></li><li nr="b."><al>beheerder van het openbaar riool: het college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Plicht tot afkoppelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beheerder van het openbaar riool kan een gebied aanwijzen
                                waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoerleiding aan te
                                sluiten of aangesloten te houden op het openbaar vuilwaterriool.
                                Eenzelfde gebiedsaanwijzing kan door genoemde beheerder worden
                                gedaan ten aanzien van het vrijkomende grondwater bij drainage,
                                oppompen of andere vormen van onttrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beheerder kan de wijze bepalen waarop het afkoppelen
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gebiedsaanwijzing heeft geen betrekking op inrichtingen in de zin
                                van de Wet milieubeheer en op de openbare weg.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van
                                het openbaar riool rekening met het gemeentelijk
                                rioleringsplan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gebiedsaanwijzing treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                na de dag waarop zij bekend is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De beheerder kan ontheffing verlenen van de verplichting tot
                                afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedsaanwijzing, indien van de
                                eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen
                                andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3:4 van de
                                Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het krachtens artikel 2 bepaalde en de daarbij gegeven
                            voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van de bepalingen bij of krachtens deze
                            verordening gesteld zijn belast de bij besluit van het college aan te
                            wijzen personen of groep van personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de datum van haar
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening op de afvoer van
                            hemelwater en grondwater.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn openbare
                        vergadering van </ondertekening><ondertekening>28 maart 2011.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. H.C.P. Noten N. IJnema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de Wet Gemeentelijke Watertaken per 1 januari 2008
                    is o.a. de Wet milieubeheer gewijzigd. In artikel 10.32a van de Wet milieubeheer
                    is opgenomen dat gemeenteraden een nieuwe bevoegdheid hebben en in het belang
                    van de bescherming van het milieu bij verordening regels kunnen stellen aan het
                    lozen van afvalwater op de riolering. Hiermee hebben gemeenten een nieuw
                    instrument gekregen om de gemeentelijke watertaken (zorgplichten) vorm te geven.
                    De wet geeft een bevoegdheid. Dit betekent dat gemeenten niet verplicht zijn een
                    verordening voor het lozen van afvalwater op de riolering te hebben. Het
                    rioleringsbeleid is neergelegd in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP).</al><al>Over de riolering en de aansluiting van bouwwerken op de openbare riolering
                    staan voorschriften in het Bouwbesluit 2003 (BB) en de (Model-)bouwverordening
                    (MBV). De onderhavige verordening is aanvullend en komt niet in strijd met
                    plichten die elders zijn vastgelegd. Bij strijd zou de hogere regeling – het
                    Bouwbesluit – voorgaan.</al><al>Situatie I: Nieuwbouw in een bestaand bebouwd gebied waar een gebiedsaanwijzing
                    geldt (art. 2 van deze verordening).</al><al>Voor nieuwbouw bestaat niet de plicht – wel een kunnen – om de afvoer van
                    hemelwater aan te sluiten op de openbare riolering (art. 3.43, lid 2 BB). Zodra
                    een aanwijzingsbesluit geldt met de bepaling dat het riool uitsluitend is
                    bestemd voor afvalwater en fecaliën waarop geen hemelwater mag worden geloosd,
                    is het ‘kunnen’ feitelijk niet meer aanwezig. De wijze waarop het hemelwater
                    wordt afgevoerd dient te voldoen aan het doelvoorschrift van art. 3.41, lid 1
                    BB: een voor de gezondheid nadelige situatie wordt voorkomen.</al><al>In art. 2.7.4 MBV is dit verwerkt met alternatieven voor gemengd en gescheiden
                    rioolstelsel.</al><al>Situatie II: Bestaande bouw is aangesloten op het openbaar gemengd rioolstelsel
                    in een gebied waar een gebiedsaanwijzing geldt (art.2 van deze
                    verordening).</al><al>Voor de bestaande bouw geldt enkel een plicht de aansluiting aan het riool
                    aanwezig te hebben en te houden voor de afvoer van afvalwater en fecaliën (art.
                    3.36 BB). Een plicht tot het afkoppelen van het hemelwater als bedoeld in deze
                    verordening komt hiermee niet in strijd.</al><al>De wijze waarop het hemelwater wordt afgevoerd nadat dit is afgekoppeld, dient
                    te voldoen aan het doelvoorschrift van art. 3.36, lid 1 BB: een voor de
                    gezondheid nadelige situatie wordt voorkomen.</al><al>Art. 5.3.4 MBV verwijst naar art. 3.36 BB en is enkel van toepassing op de
                    daarin verplicht gestelde voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Bouwwerk</al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Wet milieubeheer niet, de VNG
                    houdt in de model bouwverordening (MBV) een in de jurisprudentie aanvaarde
                    definitie aan:</al><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                    materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                    grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                    bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Deze omschrijving is in deze verordening overgenomen. De plicht een bouwwerk aan
                    te sluiten aan het openbaar riool staat in de MBV (art. 2.7.4 en 5.3.4).</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk: 1)
                    constructie, 2) van enige omvang, 3) met de grond verbonden, 4) bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren, wordt bepaald op een object een bouwwerk is of
                    niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. Een uitgebreide opsomming van
                    jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de Model-bouwverordening van
                    de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al>-beheerder openbaar riool</al><al>De in artikel 2 genoemde beheerder van het openbaar riool is het college van
                    burgemeester en wethouders.</al><al>Een begripsbepaling voor open erf en terrein is niet opgenomen. Met het besluit
                    tot gebiedsaanwijzing en de bijbehorende kaart heeft het college voldoende
                    mogelijkheden om open erven en terreinen al dan niet onder de werking van het
                    besluit en daarmee de plicht tot afkoppelen te brengen.</al><tussenkop>Artikel 2 Plicht tot afkoppelen</tussenkop><al>Inleiding</al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om een eigenaar van een bouwwerk, die niet uit
                    vrije wil meewerkt aan de uitvoering van een rioleringsplan, te dwingen de
                    hemelwaterafvoer los te koppelen van het vuilwaterriool. Een dergelijke
                    verplichting voor bestaande bouwwerken is enkel mogelijk indien een andere wijze
                    van afvoeren of verwerken van hemelwater redelijk is. Een afweging tussen de
                    kosten van het afkoppelen en het treffen van voorzieningen die daarmee verband
                    houden in relatie tot de voordelen die hiervan worden verwacht (o.a. het
                    milieurendement en mogelijke reductie van wateroverlast) en de relatie met de
                    ouderdom van het bouwwerk waarin of waaraan de voorzieningen worden getroffen,
                    dient plaats te vinden en inzichtelijk te worden gemaakt bij het effectief maken
                    van de bedoelde verplichting.</al><al>Voor grondwater dat vrijkomt bij drainage, oppompen of andere vormen van
                    onttrekkingen of ontwateren geldt een gelijke situatie. Ook hier kan het
                    wenselijk zijn dat het water op een andere wijze wordt afgevoerd dan via het
                    vuilwaterriool.</al><al>Het artikel werkt pas nadat met betrekking tot de riolering in een bepaalde
                    kern, buurt, wijk of straat een situatie is ingetreden, waardoor het naar het
                    oordeel van de beheerder van het rioleringsstelsel nodig wordt het loskoppelen
                    en het op andere wijze afvoeren van het hemelwater te verlangen. Meestal zal dit
                    zijn na een renovatie, groot onderhoud, geheel vernieuwen van het rioolstelsel,
                    waarbij hetzij een gemengd stelsel wordt vervangen door een gescheiden
                    rioolstelsel, hetzij een mogelijkheid bestaat af te voeren op andere wijze. Het
                    is echter ook mogelijk het afkoppelen op te leggen zonder renovatie of aanleg
                    van een gescheiden openbaar rioolstelsel, bijvoorbeeld in geval van
                    wateroverlast als gevolg van een beperkte capaciteit van de riolering.</al><al>Het kunnen beschikken over dit nieuwe artikel is van belang voor het handhaven
                    van de plicht tot afkoppelen bij huishoudens.</al><al>De gemeenteraad is verplicht een gemeentelijk rioleringsplan (GRP) vast te
                    stellen ingevolge artikel 4.22 Wet milieubeheer. Dit plan bevat beleid en
                    normering voor het rioleringsstelsel in de gemeente en geeft aan wanneer
                    vernieuwing en onderhoud plaatsvindt. Daarnaast zal de gemeente uiterlijk voor
                    eind 2012 de zorgplichten voor het afvalwater, hemelwater en grondwater in het
                    (verbreed) GRP moeten hebben geformuleerd. De basis voor de verplichting tot
                    afkoppeling – inclusief de afweging van de redelijkheid en de kosten – ligt in
                    het GRP. Indien het GRP geen beleidsvoornemen bevat over het afkoppelen, kan dit
                    artikel niet worden toegepast.</al><al> Redelijkheid</al><al>Art. 10.32a, tweede lid Wet milieubeheer luidt: Van de mogelijkheid, bedoeld in
                    het eerste lid, onderdeel b, wordt geen gebruikgemaakt, indien van degene bij
                    wie afvloeiend hemelwater of grondwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere
                    wijze van afvoer van dat water kan worden gevergd.</al><al>Dit legt een beperking op aan de toepassing van de bevoegdheid uit art. 5.3.4A,
                    en geeft een plicht tot een motivering over de redelijkheid van het opleggen of
                    althans het effectueren van de verplichting. De redelijkheid tot het invoeren
                    van een plicht tot afkoppelen in een bepaald gebied wordt overwogen en
                    gemotiveerd bij het opstellen van het GRP. Daarnaast is voor gevallen waarin de
                    plicht onredelijk uitwerkt een mogelijkheid tot ontheffing opgenomen.</al><al>Ontluchting</al><al>De ontluchting van het rioleringsstelsel verdient bijzondere aandacht.
                    Gebruikelijk is de ontluchting van de riolering te doen plaatsvinden via een
                    bovendakse uitmonding. Er kunnen zich situaties voordoen dat het afkoppelen van
                    de hemelwaterafvoer leidt tot het niet of minder effectief ontluchten. Indien
                    valt te voorzien dat ontluchtingsproblemen ontstaan in het hoofdriool ten
                    gevolge van het afkoppelen en er geen goede oplossing beschikbaar is dan wel
                    deze onevenredig hoge kosten veroorzaakt, is de gebiedsaanwijzing niet mogelijk.
                    In het GRP dient aandacht te worden besteed aan deze problematiek.</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid geeft de plicht tot afkoppelen van de hemelwaterafvoerleiding van
                    het openbaar vuilwaterriool of voorzover nog geen aansluiting aan het openbaar
                    vuilwaterriool bestaat, deze niet aan te brengen. Het gaat hier zowel om de
                    afvoerleidingen die direct zijn aangesloten op het openbaar vuilwaterriool
                    alsmede leidingen die op het perceel of binnen de woning/het gebouw zijn
                    aangesloten op een gemengde leiding die op het openbaar vuilwaterriool is
                    aangesloten. De plicht tot afkoppelen geldt voor alle eigenaren van bouwwerken,
                    open erven en terreinen, voor zover deze zijn gelegen binnen de
                    gebiedsaanwijzing en het desbetreffende besluit geen uitzondering bevat.
                    Eenzelfde situatie geldt voor het grondwater.</al><al>Een gebiedsaanwijzing is een besluit van algemene strekking. Dit is een besluit
                    in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bij het vaststellen van de
                    gebiedsaanwijzing houdt de beheerder van het openbaar riool rekening met het
                    gemeentelijk rioleringsplan. De beheerder van het openbaar vuilwaterriool is de
                    gemeente, vertegenwoordigd door het college.</al><al>De plicht tot afkoppelen is niet beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook open
                    erf of terrein Bedoeld is zowel het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van
                    een bouwwerk en via een dakgoot, regenpijp, afvoerbuis enz. het openbaar
                    vuilwaterriool bereikt als het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een
                    open erf of terrein en via goten, putten, afvoerbuis enz. het openbaar
                    vuilwaterriool bereikt te omvatten. Een open erf of terrein waarin goten en
                    putten zijn aangebracht is onder meer een terras, een oprit, een parkeerterrein,
                    een laad- en losperron.</al><al>Het is mogelijk in de gebiedsaanwijzing een onderscheid te maken in het
                    afkoppelen van de aansluiting die zich bevindt aan de voorkant (wegzijde) van
                    het bouwwerk en de achterkant. Dit is een gevolg van het redelijkheidscriterium
                    uit het tweede lid van art. 10.32a Wm. Dit zal meestal voor een hele straat of
                    een rij woningen hetzelfde zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Evenals bij de eerste aansluiting aan het riool (art. 2.7.4 Model
                    Bouwverordening) is ook in dit artikel opgenomen dat door of vanwege de
                    beheerder de wijze van (technisch) aansluiten wordt aangegeven. Ten aanzien van
                    het afkoppelen kan eveneens worden aangegeven op welke wijze dit (technisch)
                    moet gebeuren.</al><al>Indien na het afkoppelen de hemelwaterafvoerleiding moet worden aangesloten aan
                    het openbaar schoonwaterriool, biedt de bouwverordening de mogelijkheid aan te
                    geven op welke wijze deze aansluiting (technisch) moet plaatsvinden.</al><al>Lid 3</al><al>Aan een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer kunnen via de
                    milieuvergunning of de direct werkende (maatwerk)voorschriften eisen worden
                    gesteld. Deze kunnen betrekking hebben op het afkoppelen van de hemelwaterafvoer
                    van het vuilwaterriool. Daarom zijn deze inrichtingen uitgezonderd van de
                    gebiedsaanwijzing over het afkoppelen. Bedrijven, werkplaatsen, scholen, winkels
                    enz die niet vallen onder de Wm, vallen wel onder de verplichting van dit
                    artikel. Dit betekent dat ook scholen, buurthuizen e.d.. onder de verordening
                    vallen, waardoor eventuele kosten van het afkoppelen voor de gemeenten zelf
                    zijn.</al><al>Een redelijke uitvoering van dit artikel brengt met zich mee, dat in het geval
                    woningen en bedrijven onder één dak zijn gelegen en een gezamenlijke
                    hemelwaterafvoer bezitten, het besluit omtrent de gebiedsaanzijzing betrekking
                    heeft op het hele bouwwerk en op alle (deel-/appartements-) eigenaren.</al><al>De openbare weg waarin zich normaliter goten en putten voor de afvoer van
                    hemelwater bevinden, is uitgesloten van de plicht tot afkoppelen. Dit komt pas
                    aan de orde wanneer de riolering in de straat wordt gesplitst in een
                    vuilwaterriool en een schoonwaterriool. Indien aan de voorzijde van een bouwwerk
                    het hemelwater wordt afgekoppeld van het vuilwaterriool en niet afzonderlijk
                    wordt opgevangen of afgevoerd, komt dit vanzelf op de straat en vandaar in het
                    vuilwaterriool. Dan heeft afkoppelen geen zin.</al><al>Bij het vaststellen van de verordening kan een gemeenteraad besluiten de
                    uitzondering in dit artikellid voor inrichtingen Wet milieubeheer weg te laten.
                    Het gevolg hiervan is dat in een gebied waarvoor een gebiedsaanwijzing geldt als
                    bedoeld in het eerste lid de plicht tot afkopppelen eveneens geldt voor
                    bedrijven.</al><al>Lid 4</al><al>In het vierde lid is een relatie gelegd met het gemeentelijk rioleringsplan. Dit
                    plan bezit een wettelijke basis en is in elke gemeente aanwezig, omdat de Wet
                    milieubeheer dit in artikel 4.22 verplicht stelt. Andere plannen, waarin
                    mogelijk ook beleidsvoornemens staan over de riolering, hebben niet deze status,
                    tenzij deze zijn vastgesteld door de gemeenteraad als onderdeel van het
                    gemeentelijk rioleringsplan.</al><al>Lid 5</al><al>Artikel 10.32a Wm geeft aan dat de termijn waarbinnen de lozing van het
                    hemelwater moet zijn beeindigd in de verordening wordt genoemd. Hieraan is in
                    het derde lid voldaan. De nog in te vullen termijn dient voldoende ruimte te
                    laten voor de eventuele bezwaarfase tegen de gebiedsaanwijzing en dient
                    voldoende ruimte te laten voor de aannemer om planmatig in het bedoelde gebied –
                    na verkregen opdracht van de individuele eigenaren – de werkzaamheden te kunnen
                    verrichten.</al><al>Lid 6</al><al>Er is behoefte aan een ontheffing die kan worden toegepast in
                    uitzonderingssituaties waarin toepassing van gebiedsaanwijzing een bijzondere
                    onbillijkheid met zich brengt die niet behoort tot de normaal beoogde gevolgen
                    van het de gebiedsaanwijzing. Enig nadeel is aanvaardbaar. Aan een ontheffing
                    kunnen voorschriften worden verbonden. Een voorschrift kan betrekking hebben op
                    onder meer een uitstel van de plicht tot afkoppelen en op het treffen van een
                    alternatieve (tijdelijke) voorziening.</al><al> Lid 7</al><al>De uniforme openbare voorbereidingsprocedure, afdeling 3.4 Awb, is van
                    toepassing verklaard. De voorbereiding van een besluit duurt iets langer. Daar
                    staat tegenover dat de bezwaarschriftenfase na het nemen van het besluit
                    vervalt.</al><tussenkop>Artikel 3 Strafbepaling</tussenkop><al>De Wet milieubeheer kent geen strafbepaling voor overtreding van een verordening
                    als bedoeld in artikel 10.32a. Deze wet bevat een uitgebreid systeem van
                    bestuurlijke boete, maar dit is niet gekoppeld aan art.10.32a. Daarom is in deze
                    verordening een zelfstandige strafbepaling opgenomen, gekoppeld aan de
                    geldboetecategorieën van art. 23 Wetboek van Strafrecht. Gekozen is voor de
                    geldboete van de tweede categorie als bedoeld in art. 23 Wetboek van Strafrecht.
                    Momenteel bedraagt de geldboete van de tweede categorie max € 2250,- (voor een
                    rechtspersoon 4500,-)</al><al>Voor het handhaven van gemeentelijke verordeningen geldt altijd de mogelijkheid
                    van dwangsom en bestuursdwang. De dwangsom komt voor dit type overtreding het
                    eerst in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4 Toezicht op de naleving</tussenkop><al>In artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt aangegeven dat
                    onder toezichthouder wordt verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of
                    krachtens een wettelijk voorschrift is belast met het houden van toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Een
                    persoon die aangewezen is als toezichthouder beschikt in beginsel over alle in
                    afdeling 5.2 van de Awb opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de
                    Awb kunnen deze bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college
                    worden beperkt. In dit verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van belang.
                    Hierin staat beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te
                    vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                    identificatieplicht. Het college wijst in de regel een gemeentelijke afdeling of
                    dienst aan waarvan de ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van
                    de verordening. Voorts kan het college (in termen van de komende Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht: bevoegd gezag) ambtenaren aanwijzen van andere
                    afdelingen of diensten. Aanwijzing betekent niet dat zij tevens opsporingbevoegd
                    zijn.</al><al>Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd
                    met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in
                    artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering,
                    is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar zijn belast de personen die bij verordeningen zijn belast
                    met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten
                    betreft en de personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren
                    hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere
                    regeling niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder is de grondslag voor de
                    aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de
                    buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij
                    toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van het Besluit buitengewoon
                    opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid te voldoen
                    en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.</al><tussenkop>Artikel 5 Inwerkingtreding</tussenkop><al>De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                    bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan een ander
                    tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of burgemeester en
                    wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de inwerkingtreding van de
                    verordening op een nader tijdstip te bepalen.</al><tussenkop>Artikel 6 Citeertitel</tussenkop><al>De tekst van artikel 10.32a Wet milieubeheer geeft de verordening geen naam. De
                    naamgeving staat dus vrij.</al><al>De naam waterverordening lijkt minder geschikt, omdat in sommige provincies een
                    waterverordening – met geheel andere inhoud – bestaat. De naam Verordening op de
                    afvoer van hemelwater en grondwater geeft het beste aan waarover de verordening
                    gaat.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Overgangsrecht is niet nodig, omdat niet eerder en dergelijke verplichting tot
                    het afkoppelen bestond. In gemeenten waar dit wel het geval is, kan bij het
                    nemen van een gebiedsaanwijzing ingevolge art. 2 van deze verordening (= een
                    besluit van algemene strekking) hiermee rekening worden gehouden. De
                    gebiedsaanwijzing betreft dan niet die gebieden, bouwwerken, erven en terreinen
                    waarvoor eerder een soortgelijke verplichting is gegeven.</al><al/><al/><tussenkop>Bijlage 1: Toelichting achtergronden en gebruik modelverordening voor de
                    afvoer van hemelwater en grondwater</tussenkop><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wet Gemeentelijke Watertaken per 1 januari 2008
                    is o.a. de Wet milieubeheer (Wm) gewijzigd. In de wet is opgenomen dat gemeenten
                    een nieuwe bevoegdheid hebben en in het belang van de bescherming van het milieu
                    bij verordening regels kunnen stellen aan het lozen van hemelwater en grondwater
                    op de riolering en op of in de bodem. Hiermee hebben gemeenten een nieuw
                    instrument gekregen om de gemeentelijke watertaken (zorgplichten) vorm te geven.
                    De verordeningbevoegdheid is facultatief. Dat betekent dat gemeenten niet
                    verplicht zijn een verordening voor het lozen van afvalwater op de riolering te
                    hebben.</al><al>De inwerkingtreding van de Wet Gemeentelijke Watertaken in 2008 staat niet op
                    zichzelf, maar past in een bredere context van veranderende wetgeving. Hierbij
                    zijn vooral de Waterwet en de algemene regels (AMvB’s) voor het lozen van
                    afvalwater van belang. Het verbreed gemeentelijke rioleringsplan speelt een
                    belangrijke rol bij het formuleren van de gemeentelijke zorgplichten en bij het
                    formuleren van de uitgangspunten voor lozingen van stedelijk afvalwater.</al><al>Over de directe consequenties van de Waterwet voor gemeenten wordt u dit najaar
                    in een aparte ledenbrief geïnformeerd. Deze toelichting gaat dus niet expliciet
                    in op de Waterwet, wel wordt de relatie gelegd met de algemene regels voor het
                    lozen van afvalwater (AMvB’s).</al><al/><al>De zorgplichten en het scheiden van schoon en vuil water</al><al>Gemeenten hebben met de nieuwe zorgplichten voor hemelwater en grondwater veel
                    beleidsvrijheid gekregen. Bij het maken van de verschillende beleidskeuzes ligt
                    afstemming met het waterschap voor de hand.</al><al>Een belangrijk uitgangspunt is dat de zorgplichten beginnen bij de burger. De
                    gemeente bepaalt, zo nodig in overleg met het waterschap, wat redelijkerwijs van
                    de burger kan worden verwacht en op welke manier de gemeentelijke zorgplichten
                    worden ingevuld (1).</al><al>Bij de zorgplicht hemelwater kan de gemeente ervoor kiezen om hemelwater wel of
                    bewust niet aan te sluiten op de riolering. Vervolgens kiest de gemeente met
                    welke voorziening het verwerken en transporteren plaats vindt (o.a. gemengd of
                    gescheiden riolering, IBA e.d.).</al><al>Er bestaat dus niet zoiets als een wettelijke plicht tot afkoppelen voor
                    gemeenten, juist om ruimte te geven aan een lokale afweging. De gemeente zal een
                    keuze moeten maken in welke gebieden zij wel of niet gaat afkoppelen en deze
                    keuze zal goed moeten worden onderbouwd. Een belangrijke peiler van deze
                    onderbouwing is doelmatigheid: hoe verhouden de kosten van het afkoppelen zich
                    tot het behaalde milieurendement van het scheiden van schoon en vuilwater en/of
                    de reductie van overlast bij hevige regenval.</al><al/><al>Wel of niet afkoppelen?</al><al>In de Wet milieubeheer (Wm, artikel 10.29a) is een voorkeursvolgorde opgenomen
                    voor het omgaan met o.a. hemelwater. De voorkeursvolgorde beschrijft een
                    algemene voorkeur voor omgaan met hemelwater en afvalwater aan de bron. Bij
                    hemelwater geldt dat lokale lozing van hemelwater in het milieu (al dan niet via
                    een gemeentelijk hemelwatersysteem) de voorkeur geniet boven lozing op een
                    gemengd stelsel. Lozing op oppervlaktewater is gelijkwaardig aan lozing op de
                    bodem. De voorkeursvolgorde luidt:</al><lijst><li nr="a."><al>het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt</al></li><li nr="b."><al>verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt</al></li><li nr="c."><al>afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet-gescheiden
                            houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van
                            afvalwater</al></li><li nr="d."><al>huishoudelijk afvalwater en daarmee vergelijkbaar afvalwater wordt
                            ingezameld en naar een rioolwaterzuiveringinstallatie (RWZI)
                            getransporteerd</al></li><li nr="e."><al>ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d wordt hergebruikt (zo nodig
                            na zuivering bij de bron)</al></li><li nr="f."><al>ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d (in de praktijk dus met name
                            hemelwater) wordt lokaal in het milieu teruggebracht (zo nodig na
                            zuivering bij de bron)</al></li><li nr="g."><al>ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d wordt als stedelijk
                            afvalwater ingezameld en naar een RWZI getransporteerd.</al></li></lijst><al>De voorkeursvolgorde geeft richting aan de beleidsmatige afwegingen die
                    gemeenten maken bij het omgaan met hemelwater en ander afvalwater bij de bron.
                    Gemeenten kunnen van de voorkeursvolgorde afwijken.</al><al/><al>Het afkoppelen van verhard oppervlak van het openbare vuilwaterriool kan een
                    bijdrage leveren aan verminderen van wateroverlast en riooloverstorten bij
                    hevige regenval en het verbeteren van het zuiveringsrendement van de
                    rioolwaterzuivering. Daarnaast kan door het afkoppelen de capaciteit van de
                    zuivering worden beperkt (lagere kosten exploitatie en nieuwbouw) en kunnen
                    investeringen in randvoorzieningen in de riolering mogelijk achterwege
                    blijven.</al><al/><al>Een belangrijk aandachtspunt bij het afkoppelen van verhard oppervlak is de
                    kwaliteit van het afgekoppelde regenwater. Is het afstromend regenwater schoon
                    genoeg om al dan niet via een gescheiden stelsel in het oppervlaktewater te
                    lozen? Ook de capaciteit van het hemelwaterstelsel en het risico op foutieve
                    aansluiting speelt een belangrijke rol in de afweging om wel of niet af te
                    koppelen.</al><al/><al>Bij een besluit tot afkoppelen van het verhard oppervak kan een gemeente
                    besluiten om op particulier terrein af te koppelen. Hierin bestaan feitelijk
                    twee varianten:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeente kan de particuliere gebouw- en terreineigenaar dwingen om
                            het hemelwater (en grondwater) gescheiden aan te leveren of</al></li><li nr="2."><al>de gemeente kan de particuliere gebouw- en terreineigenaar dwingen het
                            hemelwater (en grondwater) op eigen terrein te verwerken.</al></li></lijst><al/><al>De lokale situatie en beleidsmatige voorkeuren van de gemeente bepalen de keuze
                    voor het al dan niet afkoppelen op particulier terrein. Hierbij is de motivering
                    van groot belang: wat zijn de te verwachte kosten? Wat is het rendement van het
                    afkoppelen voor de reductie van wateroverlast en het milieu? Bij het afkoppelen
                    van particulier terrein of bebouwing bepaalt de gemeente of dat alleen
                    vrijwillig gebeurt of dat zij dit daadwerkelijk wil afdwingen. Voor het
                    afdwingen van het afkoppelen is de verordening het instrument.</al><al/><al/><al>Afkoppelen op particulier terrein?</al><al/><al>Bij de afweging van gemeenten over het afkoppelen van particulier terrein spelen
                    veel aspecten een rol. Naast de fysieke situatie (o.a. effectiviteit reductie
                    wateroverlast, milieurendement, type bebouwing, verharding, bodemopbouw) spelen
                    tenminste ook de volgende aspecten een rol:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Kosten voor particuliere eigenaar</al><al>De kosten voor eigenaren van gebouwen en terrein voor het afkoppelen
                            zijn sterk afhankelijk van de situatie. De Leidraad Riolering module
                            D1100 van de stichting RIONED gaat uitgebreid in op gemiddelde
                            kostenkentallen van de rioleringszorg. Hierbij komen ook kentallen aan
                            bod voor het gescheiden aanbieden van schoon en vuilwater voor
                            aansluiting op de openbare riolering. Ook komen de kosten voor
                            verschillende voorzieningen aan bod, zoals o.a. infiltratie- en
                            drainagevoorzieningen, infiltratiekratten, vegetatiedaken, regenton
                            e.d.</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/><al>Onderdeel</al></entry><entry><al/><al>Kostenkental *</al></entry><entry><al/><al>Uitgangspunten</al></entry></row><row><entry><al>vervanging perceelaansluitleiding</al></entry><entry><al>€ 400 per stuk</al></entry><entry><al>vervanging gelijktijdig met rioolwerkzaamheden openbare
                                        weg</al></entry></row><row><entry><al>aanleg perceelaansluitleiding</al></entry><entry><al>€ 230 per stuk</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>afkoppelen dakoppervlak</al><al>voorzijde woning</al></entry><entry><al>€ 20 per m2 dakoppervlak</al></entry><entry><al>Inclusief bladvanger</al></entry></row><row><entry><al>aanleg en onderhoud infiltratieveld</al></entry><entry><al>€ 4,5 per m2 aangesloten</al><al>verhard oppervlak</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>aanleg grindkoffer</al></entry><entry><al>€ 5,2 per m2 aangesloten</al><al>verhard oppervlak</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>aanleg vegetatiedaken (sedum)</al></entry><entry><al>€ 40 per m2</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>aanleg vegetatiedaken (gras)</al></entry><entry><al>€ 40 per m2</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>regenton</al></entry><entry><al>€ 40 per stuk</al></entry><entry><al>Volume 150 tot 200 liter</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Kosten voor gemiddelde situatie zoals vermeld in Leidraad Riolering D1100</al><al/><lijst><li nr="2."><al>Ontluchting rioolstelsel</al><al>Een rioolstelsel heeft voorzieningen voor beluchting en ontluchting. In
                            Nederland vindt ontluchting van het openbare vuilwaterriool in veel
                            gevallen plaats via de gemengde huisaansluitingen (regenpijp bovendaks).
                            Bij aanpassen van een gemengde huisaansluiting naar alleen een
                            aansluiting voor het vuilwater op het openbare vuilwaterriool kan het
                            voorkomen dat ontluchtingsvoorzieningen voor het openbaar vuilwaterriool
                            verdwijnen. Hierdoor kan stankoverlast optreden. Bij afkoppelen kan dus
                            sprake zijn van een risico op stankoverlast. Module B2600 van de
                            Leidraad Riolering gaat hier nader op in. De module gaat ook in op
                            mogelijke oplossingen. Stankoverlast en ontluchting staan centraal
                            tijdens een van de minicursussen die de stichting RIONED in september
                            2009 organiseert. Voor meer informatie zie ook www.riool.net.</al></li><li nr="3."><al>Asbestdaken</al><al>Verweerde asbestdaken kunnen een gevaar opleveren voor mensen in de
                            omgeving. Zonder goede afwatering van hemelwater op de riolering, kunnen
                            asbestvezels op de grond terechtkomen en vervolgens in woningen door de
                            inloop van mensen. Bij een afwatering en verwerking van hemelwater in de
                            bodem kan een verontreiniging van bodem en grondwater plaatsvinden.
                            Asbestdaken komen vooral voor bij stallen en schuren in de
                            buitengebieden, maar ook in de bebouwde omgeving worden asbestdaken
                            aangetroffen. De constatering over asbestdaken geldt feitelijk breder en
                            ook voor andere uitloogbare bouwmaterialen (zie ook tekstkader onderzoek
                            RIVM afspoeling bouwmetalen).</al></li></lijst><al/><al>De nieuwe verordeningsbevoegdheid voor gemeenten</al><al/><al>In artikel 10.32a van de Wet milieubeheer is opgenomen dat gemeenten bij
                    verordening regels kunnen stellen aan het lozen van hemelwater en grondwater op
                    de riolering en op of in de bodem. In het artikel is opgenomen dat de
                    gemeenteraad bij verordening kan bepalen dat:</al><lijst><li nr="*"><al>bij het brengen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de
                            bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van
                            afvalwater, wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels,
                            en</al></li><li nr="*"><al>het brengen van afvloeiend hemelwater of van grondwater in een
                            voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater
                            binnen een in die verordening aangegeven termijn wordt beëindigd.</al></li></lijst><al>Met andere woorden: gemeenten kunnen regels stellen aan de kwantiteit en
                    kwaliteit van hemelwater en grondwater dat door burgers en bedrijven wordt
                    aangeboden voor lozing op de riolering. Hierbij is opgenomen dat van deze
                    mogelijkheid kan worden afgeweken als van degene bij wie afvloeiend hemelwater
                    of grondwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water
                    kan worden gevergd.</al><al/><al>Wat regelt de modelverordening?</al><al>De modelverordening regelt dat een gemeente een gebied kan aanwijzen, waarbinnen
                    het niet is toegestaan hemelwater of grondwater te lozen op het openbaar
                    vuilwaterriool. Hierbij zal de gemeente een redelijke termijn moeten
                    hanteren.</al><al>Het is mogelijk om in de zogenaamde gebiedsaanwijzing een onderscheid te maken
                    in het afkoppelen van de aansluiting die zich bevindt aan de voorzijde van een
                    gebouw en de achterkant.</al><al>Het aanwijzen van een gebied behoeft uiteraard een gedegen beleidsmatige
                    onderbouwing en zal moeten volgen uit het (verbreed) gemeentelijk rioleringsplan
                    (GRP)3. Het plan zal moeten motiveren dat het gevraagde voor de meeste mensen in
                    die situatie redelijk is. Maar ook moet duidelijk zijn wat concreet gevraagd
                    wordt en daarvan de (financiële) consequenties zijn. Gaat het bijvoorbeeld om
                    het gescheiden aanbieden van afval- en hemelwater? Of moet het hemelwater worden
                    verwerkt op het eigen terrein (infiltratie)? Geldt gescheiden aanleveren voor de
                    daken en de voorzijde van de woning? Of ook de achterkant? Op welk moment vindt
                    het scheiden plaats: op het moment dat het openbare rioolstelsel door de
                    gemeenten wordt vernieuwd?</al><al>De verordening staat dus niet op zichzelf, maar heeft een belangrijke relatie
                    met het gemeentelijke beleid. Het formuleren van de zorgplichten voor het
                    grondwater en hemelwater en de afweging van wat redelijkerwijs van de eigenaar
                    kan worden verwacht wordt niet in de verordening gemaakt. De verordening is een
                    instrument om het beleid uit te voeren. Als de gemeente in het gemeentelijk
                    rioleringsplan duidelijk heeft vastgelegd wat zij wil en dat goed onderbouwd,
                    dan kan de verordening worden ingezet. De VNG adviseert om het gemeentelijk
                    rioleringsplan en de verordening in goed overleg met het waterschap uit te
                    werken.</al><al/><al>Hoe werkt het in de praktijk?</al><al>Het gebruik van de verordening hemelwater en grondwater begint dus bij het goed
                    onderbouwd formuleren van de zorgplichten voor het hemelwater en het grondwater
                    in het gemeentelijk rioleringsplan (stap A). Vervolgens kan de verordening met
                    regels voor het lozen van hemelwater en grondwater voor het totale grondgebied
                    van de gemeenten worden opgesteld (stap B). Tenslotte kan de gemeente met de
                    gebiedsaanwijzing specifieke gebieden benoemen, waarvoor de regels gelden en
                    hierbij zonodig nadere specificaties geven (stap C).</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Stap A</al></entry><entry><al>Beleidskeuzes in Gemeentelijk Rioleringsplan</al></entry></row><row><entry><al>Stap B</al></entry><entry><al>Verordening met regels lozen hemelwater en grondwater</al></entry></row><row><entry><al>Stap C</al></entry><entry><al>Gebiedsaanwijzing</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Figuur 1: Werkwijze gemeente bij totstandkoming zorgplicht en gebruik
                    verordening</al><al/><al>Het toepassen van de door de gemeenteraad vastgestelde verordening in de
                    praktijk begint met een besluit van B en W om een gebied aan te wijzen,
                    waarbinnen het verbod op het lozen op het openbaar vuilwaterriool van toepassing
                    is. Op basis van de zogenaamde gebiedsaanwijzing kan de gemeente aan de
                    betrokken burgers een brief sturen, waarin staat aan welke verplichting zij (op
                    termijn) moeten voldoen. Daarbij zal het voor een aantal burgers niet redelijk
                    zijn om aan het gevraagde te voldoen. Bijvoorbeeld als iemand geen tuin heeft en
                    niet aan oppervlaktewater grenst, is het verwerken op eigen terrein vrijwel
                    onmogelijk. Voor deze mensen kan een gemeente ontheffing van de
                    gebiedsaanwijzing verlenen. De ontheffing gaat over een individueel geval.
                    Indien de gemeente geen ontheffing verleent en een burger blijft weigeren kan de
                    gemeente bestuursdwang of een dwangsom toepassen.</al><al/><al>De relatie met bouwregelgeving</al><al>In de bestaande VNG-modelbouwverordening staan regels voor het lozen van
                    afvalwater op de riolering. Voor bestaande gebouwen is een aansluitplicht voor
                    afvalwater op de riolering opgenomen. Deze plicht geldt niet voor de situatie
                    als het afvalwater uitsluitend hemelwater betreft. Voor nieuwe gebouwen kent de
                    modelbouwverordening twee alternatieven voor de aansluitplicht: één voor het
                    gemengd aanleveren van afvalwater en één voor het gescheiden aanleveren van
                    afvalwater en hemelwater. Voor nieuwe gebouwen geldt dus dat een gemeente op
                    basis van de bouwverordening een eigenaar kan verplichten het hemelwater
                    gescheiden aan te laten bieden voor een aansluiting op de riolering. Voor
                    bestaande gebouwen en voor bestaande en nieuwe open erven en terreinen kan dit
                    zonder de nu uitgewerkte verordening niet.</al><al/><al>Technische randvoorwaarden aansluiting riolering</al><al>Technische randvoorwaarden voor een aansluiting op de riolering zijn niet
                    opgenomen in de verordening. Naar analogie van de Model-bouwverordening (artikel
                    2.7.4, lid 2) is in de modelverordening afvoer hemelwater en grondwater in
                    artikel 2, lid 2 vastgelegd op welke wijze het afkoppelen (technisch)
                    plaatsvindt. De Leidraad Riolering module A3100 van de stichting RIONED gaat
                    nader in op de technische randvoorwaarden voor de (gescheiden) aansluiting op de
                    riolering.</al><al/><al>De relatie met algemene regels voor het lozen van afvalwater</al><al>Met de invoering van het "Besluit lozing afvalwater huishoudens" in 2008 heeft
                    de gemeente de mogelijkheid gekregen om individuele eigenaren met een zogenaamd
                    maatwerkvoorschrift de plicht op te leggen de hemelwaterafvoer af te koppelen
                    van het openbaar vuilwaterriool en via een gescheiden stelsel of op een andere
                    wijze het hemelwater af te voeren. Het gaat hier om een besluit per bouwwerk,
                    waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. De gemeente kan dus ook zonder
                    verordening voor individuele gevallen met een maatwerkvoorschrift regels stellen
                    aan het lozen van hemelwater (en/of grondwater) op de riolering. Voor veel
                    bedrijven kan dit met een maatwerkvoorschrift op basis van het
                    Activiteitenbesluit en eventueel in een milieuvergunning.</al><al/><al>Het voordeel van het instrument verordening is dat het een collectieve aanpak
                    mogelijk maakt en een praktisch middel is dat geschikt is voor specifieke
                    gebieden (wijken / straten). Hiermee wordt voorkomen dat voor iedere eigenaar
                    een maatwerkvoorschrift moeten worden gehanteerd.</al><al/><al>In de modelverordening is opgenomen dat inrichtingen in de zin van de Wet
                    milieubeheer zijn uitgesloten. Voor lozingen op de riolering vanuit inrichtingen
                    kan de gemeente op individuele basis via een maatwerkvoorschrift op grond van
                    het activiteitenbesluit nadere regels stellen. Daarnaast geldt voor een deel van
                    de inrichtingen een vergunningplicht. Juridisch gezien is het dus niet nodig om
                    inrichtingen onder de verordening te laten vallen, maar in de praktijk zou het
                    wel meerwaarde kunnen hebben. Bijvoorbeeld voor kleinere bedrijven met een
                    vergelijkbaar lozingengedrag als dat van huishoudens in een woonwijk (bv.
                    winkels en horeca). Gemeenten kunnen er voor kiezen om een categorie van
                    bedrijven te benoemen in de verordening. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van
                    de indeling naar type A, B of C conform het Activiteitenbesluit.</al><al/><al>Omdat het in algemene zin niet mogelijk is om categorieën van bedrijven te
                    benoemen die onder de verordening vallen, is de uitsluiting van inrichtingen in
                    de modelverordening opgenomen. Als blijkt dat dit voor de eigen gemeente wel
                    mogelijk is, kan lid 3 van artikel 2 worden aangepast. De keuze om een categorie
                    van bedrijven onder de werking van de verordening te brengen, moet voldoende
                    zijn gemotiveerd.</al><al/><al>Meer informatie over de algemene regels op het gebied van afvalwater vindt u op
                    www.infomil.nl (onderdeel afvalwater).</al><al/><al>Op welke situaties zijn de artikelen van toepassing?</al><al>De modelverordening voorziet in de volgende situaties:</al><al/><al>Hemelwater</al><lijst><li nr="1."><al>Rioolvervanging en de overgang van een gemengd naar gescheiden stelsel
                            in een straat/wijk met bestaande bouw</al><lijst><li nr="• "><al>Eigenaren van bouwwerken (niet zijnde inrichtingen Wm) mogen het
                                    hemelwater alleen gescheiden aanbieden voor aansluiting op de
                                    afzonderlijke stelsels voor afvalwater en hemelwater;</al></li><li nr="• "><al>Eigenaren van bouwwerken (niet zijnde inrichtingen Wm) mogen het
                                    hemelwater niet lozen op het openbaar vuilwaterriool en alleen
                                    op het eigen terrein verwerken (o.a. infiltreren in de bodem) of
                                    lozen op oppervlaktewater</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Water-op-straat bij hevige regenval in een wijk/straat met bestaande
                            bouw als gevolg van de capaciteit van het gemengde stelsel </al><lijst><li nr="•"><al>Eigenaren van bouwwerken (niet zijnde inrichtingen Wm) mogen het
                                    hemelwater niet (direct) lozen op het openbaar vuilwaterriool en
                                    alleen op het eigen terrein verwerken (o.a. infiltreren in de
                                    bodem of tijdelijke berging) of lozen op oppervlaktewater</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het inrichten van een nieuwe wijk/straat of het aansluiten van nieuwe
                            gebouwen </al><lijst><li nr="•"><al>Eigenaren van bouwwerken (niet zijnde inrichtingen Wm) mogen het
                                    hemelwater alleen gescheiden aanbieden voor aansluiting op de
                                    afzonderlijke stelsels voor afvalwater en hemelwater</al></li><li nr="•"><al>Eigenaren van bouwwerken (niet zijnde inrichtingen Wm) mogen het
                                    hemelwater niet (direct) lozen op het openbaar vuilwaterriool en
                                    alleen op het eigen terrein verwerken (o.a. infiltreren in de
                                    bodem of tijdelijke berging) of lozen in oppervlaktewater</al></li></lijst></li></lijst><al>Grondwater</al><lijst><li nr="1."><al>Drainage van particuliere voorzieningen in
                            grondwaterprobleemgebieden</al><lijst><li nr="•"><al>Eigenaren van bouwwerken (niet zijnde inrichtingen Wm) mogen het
                                    grondwater alleen gescheiden aanbieden voor aansluiting op de
                                    afzonderlijke stelsels voor hemelwater en/of grondwater</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>Aanpak diffuse bronnen</al><al>De aanpak van diffuse belasting uit uitloogbare materialen wordt met de
                    uitgewerkte verordening niet geregeld. Daarmee blijft een belangrijk thema dus
                    buiten de modelverordening. In juridische zin kan met een gemeentelijke
                    verordening het toepassen van (uitloogbare) materialen niet worden verboden.
                    Hogere regelgeving (Bouwbesluit en Woningwet) biedt hiervoor geen grondslag. Wat
                    gemeenten met de nieuwe verordenende bevoegdheid in de Wet milieubeheer wel
                    kunnen, is regels stellen aan de kwaliteit van te lozen afvalwater. Al is het
                    handhaven van deze regels in de praktijk vaak niet eenvoudig.</al><al>De VNG heeft hier in de verordening niet voor gekozen. De belangrijkste reden
                    hiervoor is dat op dit moment op initiatief van het ministerie van VROM een
                    beleidsontwikkelingtraject loopt voor brongericht beleid om emissie van zware
                    metalen naar bodem en water tegen te gaan (zie ook tekstkader afspoeling
                    bouwmetalen). De resultaten van dit traject zijn bepalend voor de wijze waarop
                    gemeenten regels zouden kunnen opnemen in de verordening. Zodra er duidelijkheid
                    is over de (on)mogelijkheden van nationaal brongericht beleid, zal de VNG de
                    afweging maken om hier alsnog in de vorm van artikelen in de modelverordening in
                    te voorzien.</al><al/><al>Onderzoek RIVM naar afspoeling van bouwmetalen</al><al>Het RIVM heeft de milieurisico's van emissies van zink, koper en lood in de bouw
                    berekend. Zink, koper en lood lossen op in regenwater dat langs bouwmaterialen
                    loopt, waarin deze metalen zijn verwerkt (afspoelen). De milieurisico's hangen
                    sterk af van de omstandigheden: de hoeveelheid water die langs de bouwmaterialen
                    stroomt en de manier waarop dat water wordt afgevoerd, hebben grote invloed op
                    de hoeveelheid metalen die in het milieu terechtkomen. De grootste risico's zijn
                    situaties met zogeheten afgekoppelde hemelwatersystemen, waarbij regenwater met
                    de metalen direct in de bodem infiltreert.</al><al>Voor reguliere toepassingen, zoals zinken dakgoten, zinken vangrails en
                    loodslabben, heeft het RIVM indicaties van maximaal toelaatbare emissies
                    voorgesteld. Deze vorm van normstelling is via maatregelen te realiseren. Voor
                    toepassingen die minder vaak voorkomen, zoals koper en zink in gevels en daken,
                    is een algemene normstelling minder effectief. Hierbij is het belangrijk de
                    afspoeling te beperken door de toepassing af te stemmen op de lokale
                    omstandigheden, zoals de hoeveelheid bouwmetaal en de manier waarop de
                    afwatering is geregeld.</al><al/><al>De verordening als één van de beleidsinstrumenten.</al><al>Het verplichten van de eigenaar om het hemelwater en grondwater gescheiden aan
                    te bieden of het hemelwater te verwerken op het eigen terrein met het instrument
                    van de gemeentelijke verordening is zeker niet het enige middel om het
                    gemeentelijk beleid vorm te geven. De VNG adviseert om de mogelijkheid van de
                    verordening te plaatsen in een bredere context. Werk hierbij in de juiste
                    volgorde. Eerst zal de gemeente het eigen beleid moeten formuleren. Met andere
                    woorden: wat kan redelijkerwijs van de eigenaar worden verwacht. Dit kan in het
                    gemeentelijk rioleringsplan. De tweede stap is dan de doorwerking van het beleid
                    in de verordening.</al><al/><al>De verordening kan een onderdeel zijn van een gebiedsgerichte aanpak, waarbij de
                    gemeente verschillende instrumenten inzet. Bijvoorbeeld: voorlichting en
                    informatievoorzieningen, afkoppelen op basis van vrijwilligheid, stimuleren van
                    afkoppelen door subsidie e.d.</al><al/><al>De gemeentelijke verordening is feitelijk het laatste middel om niet meewerkende
                    eigenaren te verplichten mee te werken aan een gebiedsgerichte aanpak.</al><al/><al/><al/><lijst><li nr=""><al>(1) Over de invoering van de Wet Gemeentelijke Watertaken en de
                            zorgplichten hemelwater en grondwater heeft VNG een brochure
                            uitgebracht: Van Rioleringszaak naar Gemeentelijke Watertaak. De
                            brochure is te downloaden op: <extref doc="http://www.vng.nl/water">www.vng.nl/water</extref></al></li></lijst><al/><lijst><li nr=""><al>(2) Op 10 juni 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank in
                            Middelburg een uitspraak gedaan in een zaak tussen gemeente en
                            particulier over schade door afstromend regenwater. Bij deze uitspraak
                            is ook de zorgplicht hemelwater betrokken in de onderbouwing van het
                            vonnis. De gemeente is veroordeeld tot het treffen van maatregelen om de
                            schade te voorkomen.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr=""><al>(3) Een beleidsmatige onderbouwing kan ook plaatsvinden in o.a. een
                            ander gemeentelijk beleidsplan (o.a. afkoppelplan, grondwaterplan of
                            stedelijk waterplan). Hierbij is het wel van belang dat deze
                            beleidsplannen door de gemeenteraad zijn vastgesteld als onderdeel van
                            het GRP en dat het GRP zelf een verwijzing bevat naar het betreffende
                            beleidsplan.</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>