<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR101286_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels bijzondere bijstand "Meetlat voor Maatwerk 1 januari 2013"</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oldambt</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oldambt</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.gemeente-oldambt.nl/index.php?mediumid=37&amp;pagid=2681&amp;rubriek_id=2837&amp;stukid=29427">Streekblad en website gemeente</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/geldigheidsdatum_10-12-2012">Wet werk en bijstand, artikel 5, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/geldigheidsdatum_10-12-2012">Awb, artikelen 1:3, vierde lid, 3:42 titel 4.3 en titel 4.4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Vernieuwde regelgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Vernieuwde regelgeving</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels bijzondere bijstand "Meetlat voor Maatwerk 1 januari 2013"</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt;</al><al>Gelezen het collegevoorstel van de Afdeling Werk en Inkomen d.d. 27 november
                        2012;</al><al>Gelet op de artikelen 5, 35 en 36 van de Wet werk en bijstand (WWB) en de
                        artikelen 1:3, vierde lid, 3:42 titel 4:3 en titel 4:4 van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb);</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Nieuw Afdeling</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan
                                    onder:</al><al>a. wet: de Wet werk en bijstand (hierna te noemen WWB);</al><al>b. bijstand: de bijstand ter voorziening in bijzondere
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan;</al><al>c. vermogen: het vermogen als bedoeld in de wet met uitzondering
                                    van het vermogen genoemd in artikel 34, tweede lid van de
                                    wet;</al><al>d. inkomen: het inkomen als bedoeld in de wet met uitzondering
                                    van de inkomensbestanddelen genoemd in artikel 31, tweede lid en
                                    artikel 36 van de wet;</al><al>e. draagkracht: het deel van het vermogen en inkomen dat in
                                    aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van de aanvraag om
                                    bijzondere bijstand;</al><al>f. categoriale bijzondere bijstand: de bijstand ter voorziening
                                    in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan voor
                                    personen behorend tot een bepaalde categorie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de overige begripsbepalingen wordt verwezen naar het
                                    genoemde in de WWB.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>DE WIJZE VAN VERSTREKKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vaststelling draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het verlenen van bijstand moet rekening worden gehouden met
                                    de aanwezige draagkracht in het eigen inkomen.</al></lid><lid><lidnr>2a</lidnr><al>De draagkracht in het eigen inkomen wordt bij individuele
                                    bijzondere bijstand, voor zover dit inkomen niet meer bedraagt
                                    dan 115% van het totaal van de met de gezinsituatie
                                    vergelijkbare bijstandsnorm, inclusief verhoging of verlaging op
                                    grond van de gemeentelijke Toeslagenverordening (één en ander op
                                    basis van paragraaf 3.2 en 3.3 van de WWB), vastgesteld op
                                    nihil.</al></lid><lid><lidnr>2b</lidnr><al>De draagkracht in het inkomen wordt bij categoriale bijzondere
                                    bijstand, voor zover dit inkomen niet meer bedraagt dan 110% van
                                    het totaal van de met de gezinssituatie vergelijkbare
                                    bijstandsnorm, inclusief verhoging of verlaging op grond van de
                                    gemeentelijke Toeslagenverordening(één en ander op basis van
                                    paragraaf 3.2 en 3.3 van de WWB) vastgesteld op nihil.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De draagkracht in het eigen inkomen wordt, voor zover dit
                                    inkomen meer bedraagt dan 110% van het totaal van de met de
                                    gezinsituatie vergelijkbare bijstandsnorm, inclusief verhoging
                                    of verlaging op grond van de gemeentelijke Toeslagenverordening
                                    (één en ander op basis van paragraaf 3.2 en 3.3 van de WWB),
                                    vastgesteld op 35% van dat meerinkomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de vergelijking (zie punt 1 en 2) tussen het eigen inkomen
                                    en de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief verhoging of
                                    verlaging op grond van de gemeentelijke Toeslagenverordening,
                                    wordt geen rekening gehouden met de component
                                    vakantie-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het gestelde in lid 1, 2 en 3 van dit artikel is niet van
                                    toepassing bij het bijstand verlenen voor kosten welke behoren
                                    tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zoals
                                    woonkosten, bijzondere verwervingskosten en periodieke bijstand
                                    voor levensonderhoud aan jongeren van 18 tot en met 20 jaar. In
                                    dergelijke situaties wordt de draagkracht in het eigen inkomen,
                                    voor zover dit inkomen meer bedraagt dan de met de
                                    gezinssituatie vergelijkbare bijstandsnorm, inclusief verhoging
                                    of verlaging op grond van de gemeentelijke Toeslagenverordening
                                    (één en ander op basis van paragraaf 3.2 en 3.3 van de WWB),
                                    vastgesteld op 100% van dat meerinkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vermogen</titel></kop><al>Voor alle bijstandsgerechtigden gelden de vermogensvrijlatingen
                                zoals genoemd in de artikel 34 van de WWB. Daarnaast wordt als
                                gemeentelijk beleid vastgesteld dat er ten aanzien van een
                                uitvaartverzekering of levensverzekering een extra vrijlating
                                gehanteerd wordt van € 10.000,00 en ten aanzien van één auto,
                                caravan of motor wordt de eerste € 4.550,00 als vermogen
                                vrijgelaten. Het vermogen dat niet buiten beschouwing wordt gelaten,
                                wordt volledig als financiële draagkracht aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Draagkrachtperiode</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De draagkracht wordt telkens vastgesteld voor een periode van 12
                                    maanden, beginnend op de eerste dag van de maand waarin de
                                    bijstandsaanvraag wordt ingediend;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij periodieke bijzondere kosten kan de draagkracht naar
                                    evenredigheid worden toegerekend aan de maanden van het jaar,
                                    waarop deze kosten betrekking hebben;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De draagkracht wordt binnen de vastgestelde periode van een jaar
                                    herzien, indien wijziging van de omstandigheden daartoe
                                    aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij het vaststellen van het draagkrachtjaar dient bezien te
                                    worden of aanvrager voorafgaand aan het vastgestelde
                                    draagkrachtjaar nog bijzonder noodzakelijke kosten van het
                                    bestaan heeft gemaakt. Bij de verlening van bijstand kan
                                    maximaal één draagkrachtjaar terug worden gegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Krediethypotheek</titel></kop><al>De bijstand wordt verstrekt in de vorm van een geldlening onder
                                verband van hypotheek, wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden
                                genoemd in de separate beleidsnotitie “Krediethypotheek en Pandrecht
                                bijstand”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Geldlening</titel></kop><al>Bijstand kan worden verstrekt in de vorm van een geldlening wanneer
                                het betreft bijstand voor:</al><al>a. duurzame gebruiksgoederen (indien borgtocht niet mogelijk
                                is);</al><al>b. levensonderhoud, waarbij er op korte termijn aanspraak is op
                                voldoende middelen betreffende dezelfde periode;</al><al>c. kosten waarbij de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is
                                van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan;</al><al>d. een waarborgsom;</al><al>e. schulden (indien borgtocht niet mogelijk is).</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Geldlening voor duurzame gebruiksgoederen</titel></kop><al>Indien bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de
                                vorm van een geldlening,</al><al>vindt verstrekking plaats met inachtneming van de navolgende
                                bepalingen:</al><al>1. de geldlening wordt afgelost met een bedrag gelijk aan tenminste
                                6% van de met de gezinssituatie vergelijkbare bijstandsnorm,
                                vermeerderd of verminderd met de toeslag als bedoeld in de
                                gemeentelijke Toeslagenverordening en inclusief vakantie-uitkering
                                (één en ander op basis van paragraaf 3.2 en 3.3 van de WWB);</al><al>2. indien het eigen inkomen uitgaat boven deze van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm (inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                                vakantie-uitkering), wordt het overeenkomstig punt 1 bepaalde
                                aflossingsbedrag verhoogd met 35% van dat meerinkomen;</al><al>3. de aflossingstermijn wordt gesteld op maximaal 36 maanden, tenzij
                                er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bijstand om niet voor duurzame gebruiksgoederen</titel></kop><al>Bijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in een
                                bedrag om niet indien individueel bepaalde bijzondere omstandigheden
                                dit noodzakelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8a</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><al>De gemeente Oldambt hanteert geen drempelbedrag (zoals bedoeld in
                                artikel 35, lid 2 van de wet) voor bijzondere bijstand.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>INCIDENTELE- EN PERIODIEKE BIJSTAND</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Buitengewone verwervingskosten</titel></kop><al>Bijstand voor buitengewone verwervingskosten (zijnde reis- en
                                oppaskosten) kan worden verstrekt indien de inkomsten uit arbeid
                                minder bedragen dan de met de gezinsituatie vergelijkbare
                                bijstandsnorm vermeerderd of verminderd met de toeslag of verlaging
                                op grond van de gemeentelijke Toeslagverordening en inclusief
                                vakantie-uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Woonkostentoeslag - huurwoning</titel></kop><al>Een woonkostentoeslag kan verleend worden indien:</al><al>a. een huurwoning wordt bewoond waarvan de huurkosten niet meer
                                bedragen dan de maximale huurgrens genoemd in de Wet op de
                                huurtoeslag en</al><al>b. één of meerdere inwonende niet ten laste komende kinderen
                                inwonend zijn en op grond daarvan</al><al>c. zowel een lagere toeslag (op grond van paragraaf 3.3 van de WWB
                                en nader uitgewerkt in de gemeentelijke Toeslagenverordening) wordt
                                ontvangen alsmede</al><al>d. geen huurtoeslag wordt ontvangen. </al><al>Deze toeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die wel zou
                                worden ontvangen indien het gestelde onder punt c en d niet aan de
                                orde zou zijn. De hoogte van deze woonkostentoeslag wordt per 1 juli
                                van het kalenderjaar aangepast conform de aanpassingen in de
                                tabellen van de Wet op de huurtoeslag.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Woonkostentoeslag – eigen woning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, waarvan de woonkosten
                                    niet hoger zijn dan de maximale huurgrens genoemd in de Wet op
                                    de huurtoeslag, kan een woonkostentoeslag worden verstrekt
                                    gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag, die volgens de Wet op
                                    de huurtoeslag (bij een inkomen op bijstandsniveau) voor de
                                    woonkosten per maand zou worden ontvan¬gen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De bepaling genoemd onder lid 1 is niet van toepassing indien de
                                    betreffende woning wordt aangekocht op het moment dat ter
                                    voorziening in de kosten van levensonderhoud reeds een
                                    periodieke bijstandsuitkering wordt ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale huur inge¬volge
                                    de Wet op de huurtoeslag, wordt gedu¬rende maximaal één jaar een
                                    woonkostentoeslag verleend gelijk aan het bedrag van de
                                    woonkosten, vermin¬derd met het maxima¬le bedrag dat voor
                                    betrokkene' s eigen rekening zou komen volgens de Wet op de
                                    huurtoeslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De onder lid 3 genoemde toeslag kan telkens ten hoogste met één
                                    jaar worden verlengd, indien betrokkene nog niet kan beschikken
                                    over huisvesting, waarvan de woonkosten lager zijn dan het in de
                                    Wet op de huurtoeslag genoemde maximum huurbedrag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Aan de onder lid 3 en 4 genoemde toeslagen wordt de verplichting
                                    verbonden tot het aanvaarden van woonruimte welke dan op de
                                    omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin is
                                    afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien de onder lid 5 genoemde verplichting wordt opgelegd,
                                    wordt bijstand om niet verleend in de noodzakelijke kosten van
                                    verhuizing (transport) en de noodzakelijke kosten van
                                    stoffering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Medische kosten</titel></kop><al>Ten aanzien van medische kosten worden de Zorgverzekeringswet (Zvw)
                                en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) als passende en
                                toereikende voorliggende voorzieningen aangemerkt, wat betekent dat
                                alle noodzakelijke medische kosten hierin zijn opgenomen. Dit brengt
                                met zich mee dat voor kosten die in deze voorzieningen zijn
                                opgenomen geen bijzondere bijstand kan en zal worden verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Noodzakelijke kosten, niet medisch van aard</titel></kop><al>Bijstand kan worden verleend voor kosten die voortvloeien uit
                                bijzondere omstandigheden indien wordt voldaan aan de voorwaarden
                                uit Hoofdstuk 2 van deze Beleidsregels. Het gaat hierbij om
                                omstandigheden die niet voor iedereen gelden. Deze verschillen van
                                geval tot geval, zodat hierbij sprake is van individueel maatwerk.
                                Een limitatieve opsomming van alle mogelijke kostensoorten die voor
                                bijstandsverlening in aanmerking zouden kunnen komen is dan ook niet
                                aan de orde. Wel wordt onderstaand ten aanzien van een aantal veel
                                voorkomende kostensoorten een uiteenzetting gegeven van de
                                mogelijkheden.</al><al>a. Huishoudelijke- en gezinshulp</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de kosten van huishoudelijke- en
                                gezinshulp indien hieraan een indicatie op grond van de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning (WMO) ten grondslag ligt.</al><al>Het gaat hierbij om de eigen bijdrage van de kosten.</al><al>b. Maaltijdvoorziening</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de meerkosten van een
                                maaltijdvoorziening (zijnde geen dieetkosten). Aan een dergelijk
                                verzoek behoeft, tenzij er twijfels zijn over de noodzaak, geen
                                medische of sociale indicatie ten grondslag liggen. Als meerkosten
                                worden aangemerkt die kosten die boven het belastbaar deel
                                maaltijdvergoeding werkgever / werknemer uitgaan (bron:
                                belastinggids).</al><al>c. Eigen bijdrage kosten zorg met verblijf</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de kosten van verblijf indien
                                sprake is van het opgenomen zijn in een AWBZ erkende
                                inrichting.</al><al>d. Bewindvoering en beredderingskosten</al><al>De kosten van bewindvoering in verband met onder curatele stelling
                                komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. Tevens kan bijstand
                                worden verleend voor de zogenaamde beredderingskosten (zijnde de
                                kosten die de bewindvoerder maakt in verband met de inventarisatie
                                van de aanwezige boedel). De bewindvoerder dient deze kosten
                                aannemelijk te maken middels het overleggen van een beschikking van
                                de rechter.</al><al>e. Kosten kinderopvang</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de kosten van kinderopvang voor
                                zover geen beroep kan worden gedaan op de Wet Kinderopvang, de Wet
                                Participatiebudget of de (gemeentelijke) Regeling vergoeding kosten
                                kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie (SMI) en de
                                individuele situatie dit noodzakelijk maakt.</al><al>f. Bijdragen ouders en kinderen voor jeugdhulpverlening</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de inkomensonafhankelijke
                                ouderbijdrage die door het LBIO wordt opgelegd inzake verblijf van
                                hun kind(eren) in een instelling voor dagopvang. De hoogte van de
                                bijdrage is afhankelijk van de leeftijd van het kind en de vorm van
                                hulpverlening, te weten: residentieel of semiresidentieel. Indien de
                                bijdrageplichtige ouder aantoont dat hij/zij een periodieke
                                bijstandsuitkering ter voorziening in de kosten van levensonderhoud
                                ontvangt naar de norm voor een alleenstaande, kan de bijdrage door
                                het LBIO op nihil gesteld worden.</al><al>g. Overbrugging levensonderhoud</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de kosten van levensonderhoud
                                indien daar individueel bepaalde omstandigheden aan ten grondslag
                                liggen. Hierbij kan gedacht worden aan verlaten mannen/vrouwen en
                                ex-gedetineerden. Uitgangspunt is dat de bijstand niet meer mag
                                bedragen dan de toepasselijke bijstandsnorm (inclusief gemeentelijke
                                toeslagen en eventuele verlagingen) exclusief vakantietoelage. De
                                bijstand kan worden verleend over de periode van aanvang uitkering
                                tot de datum van eerste reguliere uitbetaling van de periodieke
                                uitkering. Bij het niet beschikken over eigen huisvesting wordt de
                                bijstand gesteld op maximaal 50% van de hierboven berekende
                                bijstand.</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak tot bijstandsverlening dient
                                evenwel volledig rekening te worden gehouden met de aanwezige eigen
                                middelen (tenzij de baten van het vrij maken van deze gelden de
                                hierbij te maken kosten te boven gaan). De middelen van de ten laste
                                komende inwonende minderjarige kinderen worden pas meegenomen indien
                                een bedrag van € 450,00 per kind wordt overschreden. Indien een
                                beroep wordt gedaan op dit artikel als gevolg van verlies
                                portemonnee c.q. contant geld, wordt de bijstand verleend in de vorm
                                van een lening (zoals bedoeld in artikel 6) en vervolgens met de
                                eerstvolgende reguliere uitbetaling van de periodieke uitkering
                                volledig verrekend.</al><al>h. Reiskosten</al><al>Bijstand kan worden verleend voor reiskosten indien die reiskosten
                                (niet zijnde buitengewone verwervingskosten) als noodzakelijk worden
                                aangemerkt. De tegemoetkoming is gelijk aan de hoogte van de
                                onbelaste vergoeding reiskosten, zoals wordt gehanteerd door de
                                belastingdienst.</al><al>i. Uitvaartkosten (begrafenis/crematie)</al><al>Indien het ongedekte deel van uitvaartkosten niet uit de
                                nalatenschap kan worden voldaan, kan bijstand worden verleend aan de
                                wettelijke erfgenamen van de overledene wiens middelen ontoereikend
                                zijn om hun aandeel in deze kosten te voldoen. De kosten dienen
                                binnen redelijke grenzen te blijven. De prijzengids Nibud kan als
                                leidraad dienen.</al><al>j. Rechtsbijstand en griffiekosten</al><al>Indien de Raad voor de Rechtsbijstand positief heeft besloten op een
                                aanvraag voor gefinancierde rechtskundige bijstand, kan voor de
                                verschuldigde eigen bijdrage bijstand worden verleend. De bijstand
                                kan alleen worden verstrekt ter verkrijging van inkomen en vermogen
                                uit andere bronnen, waardoor het beroep op bijstand teniet wordt
                                gedaan of wordt verminderd. Tevens kan in een dergelijke situatie
                                bijstand worden verleend voor de te maken griffiekosten en eventuele
                                legeskosten.</al><al>k. Toeslag aflossing noodzakelijke lening</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de aflossing van een noodzakelijk
                                afgesloten geldlening bij de Volkskredietbank, dit in verband met
                                het aanschaffen c.q. vervangen van duurzame gebruiksgoederen. De
                                bijstand bedraagt het verschil tussen de eigen aflossingscapaciteit
                                (zijnde 6% van de toepasselijke bijstandsnorm) en de feitelijke
                                aflossing van de geldlening waarbij de aflossingduur maximaal 36
                                maanden betreft. De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand
                                wordt eenmaal vastgesteld en gedurende de looptijd van de lening (36
                                maanden) niet meer aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Toeslagen voor jongeren van 18 t/m 20 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een toeslag op grond van de bijstand kan slechts worden verleend
                                    aan een persoon van 18, 19 of 20 jaar met inachtneming van de
                                    bepalingen ingevolge artikel 12 van de WWB.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Van de omstandigheid bedoeld in artikel 12 , sub b van de WWB is
                                    in ieder geval sprake indien:</al><al>a. de ouder of ouders zijn overleden of in het buitenland
                                    wonen;</al><al>b. belanghebbende in het kader van de Wet op de
                                    jeugdhulpverlening buiten het gezinsverband van zijn ouder of
                                    ouders is geplaatst;</al><al/></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>3. De in lid 1 genoemde toeslag bedraagt voor de jongere, die
                                    niet meer in het gezinsverband van zijn ouder of ouders leeft,
                                    het verschil tussen de norm voor een 21-jarige (incl.
                                    gemeentelijke toeslag) en de voor de jongere zelf van toepassing
                                    zijnde bijstandsnorm;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in lid 1 genoemde toeslag bedraagt voor de samenwonende
                                    jongeren het verschil tussen van de gezinsnorm van 21 jaar en
                                    ouder (artikel 21 onder c WWB) en de voor hen van toepassing
                                    zijnde bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 20 WWB;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De in lid 1 genoemde toeslag wordt verhaald overeenkomstig het
                                    gesteld in artikel 61 WWB</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels
                                    bijzondere bijstand “Meetlat voor Maatwerk 2013”</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze beleidsregels treden – na behoorlijk te zijn bekend gemaakt
                                    – in werking op 1 januari 2013.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze richtlijnen worden
                                    de beleidsregels bijzondere bijstand “Meetlat voor Maatwerk 1
                                    januari 2012”. ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen besluiten – ten gunste van de
                                aanvrager – af te wijken van de bepalingen van deze beleidsregels,
                                indien toepassing van deze beleidsregels leiden tot onbillijkheden
                                van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Afwijking regels</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist
                                het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Reeds toegekende bijstand, verleend op grond van de vóór 1
                                    januari 2013 geldende beleidsregels “Meetlat voor Maatwerk 1
                                    januari 2012”, blijft van kracht tot het einde van het reeds
                                    vastgestelde draagkrachtjaar. Na afloop van dit draagkrachtjaar
                                    treden de nieuwe beleidsregels in werking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toepassing van de onder lid 1 genoemde beleidsregels eindigt
                                    eveneens zodra een wijziging in de omstandigheden van de persoon
                                    of het gezin optreedt die leidt tot een nieuw besluit inzake
                                    verdere verlening van bijzondere bijstand voor dezelfde
                                    kosten.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Oldambt d.d. 27 november 2012</ondertekening><ondertekening>De secretaris </ondertekening><ondertekening>H.J.J. Groothuis</ondertekening><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P. Smit.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>De Wet werk en bijstand (WWB) maakt het mogelijk om, naast de algemene bijstand,
                    bijzondere bijstand te verstrekken. Bijzondere bijstand kan worden verstrekt
                    indien bijzondere omstandigheden in een individueel geval leiden tot
                    noodzakelijke kosten waarin de algemene bijstand niet voorziet en waarvoor men
                    zelf onvoldoende draagkracht heeft. Artikel 5, 35 en 36 van de WWB bieden de
                    wettelijke basis voor de verlening van bijzondere bijstand.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt is
                    verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand en dus ook voor
                    het bijzondere bijstandsbeleid. Het verstrekken van bijzondere bijstand is
                    primair maatwerk. Desondanks is er toch behoefte aan het opstellen van de nodige
                    beleidsregels. Dit levert voor de inwoners van de gemeente Oldambt ook de nodige
                    rechtszekerheid op.</al><al>De mogelijkheden tot het verlenen van bijzondere bijstand worden dan ook
                    vastgelegd in beleidsregels. Laatstelijk heeft het college van Burgemeester en
                    Wethouders van de gemeente Oldambt op 27 maart 2012 dergelijke beleidsregels
                    vastgesteld, dit onder de titel “Meetlat voor Maatwerk”, versie 1 januari 2012
                    (dit document wordt periodiek aangepast aan nieuwe wet- en regelgeving en aan de
                    eigen gemeentelijke wensen op het gebied van bijzondere bijstandsbeleid).</al><al>Aanleiding voor de huidige aanpassing is het document “kader voor de
                    bezuinigingsdiscussie in de raad op 23 mei 2012” welke op 11 juli 2012 door de
                    raad is vastgesteld. Op donderdag 8 november 2012 heeft de raad de begroting
                    voor het kalenderjaar 2013 vastgesteld. Voor programma 8 (Werk &amp; Inkomen)
                    heeft dit een aantal consequenties, namelijk:</al><al>1. Er dient een bezuiniging te worden aangebracht in kader van het bijzondere
                    bijstandsbeleid via het aanscherpen van de beleidsregels en of het versoberen
                    van de vergoedingen. De bezuiniging dient structureel € 100.000,- per jaar te
                    bedragen.</al><al>2. Vanaf 2013 wordt geen separaat budget meer beschikbaar gesteld voor de
                    Reserveringstoeslag 65+ (in 2011 en 2012 werd hier jaarlijks € 60.000,- voor
                    beschikbaar gesteld).</al><al>Aanscherpen mogelijkheden</al><al>De gemeente Oldambt heeft tot en met 2012 gekozen voor een zeer ruimhartig
                    vergoedingenbeleid. Deze keuze is één waarbij de gemeente meer (medische) kosten
                    vergoedt dan de wetgever strikt genomen heeft voorgestaan. Formeel-juridisch
                    gezien is hier overigens geen sprake van bijzondere bijstand, aangezien hiervoor
                    geen wettelijke basis bestaat. ‘Bijzondere bijstand’ wordt binnen deze keuze
                    verleend voor méér kostensoorten dan waarop strikt genomen recht bestaat op
                    grond van de Wwb. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) noemt dit ‘buitenwettelijk
                    begunstigend beleid’ (zie CRvB, 28 november 2006, nrs. 05/6277 Wwb en 06/3512
                    Wwb). De gemeente heeft dus veel ruimte om hieraan naar eigen inzicht invulling
                    te geven.</al><al>Een oplossing voor de taakstellende bezuiniging kan alleen worden verkregen
                    indien hiervoor een afdoende juridische onderbouwing aanwezig is. De
                    mogelijkheid bestaat om terug te keren naar hetgeen de wetgever destijds heeft
                    bedoeld. Daarbij moet dan worden aangesloten bij de lijn die in de rechtspraak
                    wordt aangehouden. De CRvB is consequent in zijn uitspraken: de
                    Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
                    worden als passende en toereikende voorliggende voorzieningen aangemerkt, wat
                    betekent dat alle noodzakelijke medische kosten hierin zijn opgenomen. Dit
                    brengt met zich mee dat voor kosten die in deze voorzieningen zijn opgenomen
                    geen bijzondere bijstand kan worden verleend. Er is immers een voorliggende
                    voorziening voorhanden waarop belanghebbende een beroep toekomt. Kosten buiten
                    Zvw en AWBZ worden door de CRvB geacht niet noodzakelijk te zijn, zodat
                    verlening van bijzondere bijstand voor dergelijke kosten niet verplicht is.
                    Juridisch gezien is dit de belangrijkste maatregel om te komen tot een
                    substantiële daling van de uitgaven. Met een dergelijke beleidskeuze kunnen de
                    uitgaven beperkt worden met een bedrag van € 65.000,- (dit op basis van de
                    uitgaven in 2012).</al><al>Versobering vergoedingen</al><al>Sinds 2011 zijn in de Beleidsregel “Meetlat voor Maatwerk” een tweetal nieuwe
                    vergoedingen opgenomen, namelijk de reserveringstoeslag (artikel 23) en de
                    aanschaf van een computer in de thuissituatie (artikel 24). Zoals in de
                    inleiding reeds is gesteld, was er voor de reserveringstoeslag een separaat
                    bedrag begroot. Met de afschaffing hiervan wordt voor de post bijzondere
                    bijstand sec dan ook geen bezuiniging behaald (deze mogelijkheid zal wel uit de
                    bestaande beleidsregels gehaald moeten worden per 2013). Wel kan de mogelijkheid
                    voor het vergoeden van een computer in de thuissituatie (maximaal € 600,-) en
                    een bijbehorende cursus (vergoeding maximaal € 100,-) opnieuw in heroverweging
                    worden genomen. Bij de invoering van deze mogelijkheid werd gesteld dat er
                    sprake moet zijn van een noodzakelijke aanschaf, het inwonend zijn van
                    schoolgaande kinderen en dat er in de thuissituatie nog geen computer aanwezig
                    is. In de praktijk blijkt dat een zuivere controle van deze laatste voorwaarde
                    niet doende is. Tevens kan heden ten dage worden gesteld dat het bezit van een
                    computer in nagenoeg iedere huishouding wel aanwezig kan worden geacht. Met de
                    keuze om deze mogelijkheid tot vergoeding te laten vervallen, kan een beperking
                    van de uitgaven worden gerealiseerd van € 15.000,- op jaarbasis.</al><al>Onderbenutting budget</al><al>Voor 2012 is vermoedelijk sprake van een onderbenutting van het beschikbare
                    budget met een bedrag van € 84.429,- (in 2011 was hier geen sprake van). De
                    uitvoerende medewerkers geven aan dat in 2012 al een wat strengere lijn is
                    ingezet bij de beoordeling of er sprake is van noodzakelijk te maken kosten. Er
                    mag dan ook worden uitgegaan dat dit voor 2013 ook consequenties zal hebben.
                    Voor 2013 kan worden uitgegaan van minimaal een beperking van de uitgaven van €
                    20.000,-.</al><al>Met deze 3 maatregelen wordt de voorgenomen beperking van de uitgaven met €
                    100.000,- beoogd.</al><al>Volledigheidshalve wordt nog vermeld dat de toekenning van een
                    langdurigheidtoeslag separaat is geregeld in een gemeentelijke verordening
                    (hiervoor wordt ook een apart budget voor beschikbaar gesteld), reden waarom in
                    deze beleidsregel hier geen aandacht aan wordt besteed.</al><al>De in deze (hernieuwde) notitie gestelde beleidsregels zijn bedoeld als algemeen
                    uitgangspunt. De bijzondere individuele situatie waarin iemand verkeert is
                    steeds bepalend voor het recht op en de hoogte van de bijzondere bijstand.</al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>HOOFDSTUK I – ALGEMENE BEPALINGEN</al><al>Artikel 1 - Algemene Bepalingen</al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard. De definities komen overeen
                    met die in de Wet werk en bijstand (WWB), met uitzondering van de begrippen
                    inkomen en vermogen. </al><al>In afwijking van artikel 35 worden ook de inkomens- en vermogensbestanddelen
                    buiten beschouwing gelaten die bij de algemene bijstandsverlening buiten
                    beschouwing blijven.</al><al>Een uitzondering vormt het vermogen ontstaan als gevolg van een immateriële
                    schadevergoeding. Of dat in aanmerking wordt genomen, wordt individueel
                    bepaald.</al><al>HOOFDSTUK II - DE WIJZE VAN VERSTREKKEN</al><al>Artikel 2 – Vaststelling draagkracht</al><al>Artikel 35, eerste lid WWB bepaalt dat recht bestaat op (…) bijzondere bijstand
                    voor zover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende
                    kinderen of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
                    bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en
                    deze kosten(…) niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de
                    langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt
                    dan de bijstandsnorm (…). Het college bepaalt het begin en de duur van de
                    periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.</al><al>De inkomstenbestanddelen als bedoeld in artikel 31 lid 2 WWB en 36 WWB worden
                    niet in aanmerking genomen bij de bijzondere bijstandsverlening. Hiermee worden
                    met name de doeluitkeringen als kinderbijslag, kinderkorting e.d. niet tot het
                    inkomen gerekend. Ook de langdurigheidtoeslag wordt niet tot het inkomen
                    gerekend.</al><al>Ter bepaling van de eigen financiële draagkracht bij een inkomen boven de
                    bijstandsnorm wordt een percentage van 35% gehanteerd.</al><al>Bij bijzondere bijstandsverlening voor kosten die eigenlijk tot de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan behoren, zoals woonkosten (artikel 10 en
                    11), bijzondere verwervingskosten (artikel 9) en periodieke bijstand
                    levensonderhoud jongeren tot 21 jaar (artikel 22) geldt een
                    draagkrachtpercentage van 100%.</al><al>Bij het vaststellen van de draagkracht moet rekening worden gehouden met hogere
                    woonlasten die iemand heeft in verhouding met iemand met een minimuminkomen.
                    Deze hogere woonlasten kunnen op de draagkracht in mindering worden
                    gebracht.</al><al>Draagkrachtberekening:</al><al>toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantie uitkering € per maand</al><al>vermeerderd met 10 of 15% ------------------- </al><al>draagkrachtloos inkomen € per maand</al><al>minus : eigen inkomsten, exclusief vakantie uitkering € per maand
                    -------------------</al><al>draagkracht in inkomen € per maand</al><al>(eventueel correctie hoge woonlasten)</al><al>---&gt; eigen financiële draagkracht = draagkracht in inkomen x 12 maanden x
                    35%</al><al>Artikel 3 – Vermogen</al><al>Op grond van artikel 35 WWB worden bij de bijzondere bijstandsverlening
                    vermogensbestanddelen in aanmerking genomen die bij de algemene
                    bijstandsverlening buiten beschouwing blijven. Het gaat daarbij om de
                    vermogensbestanddelen genoemd in artikel 34 tweede lid WWB, namelijk:</al><al>a. Algemeen gebruikelijke goederen;</al><al>b. Het vrij te laten bescheiden vermogen van € 5685,00 en € 11.370,00 (niveau
                    2012);</al><al>c. Tijdens de bijstandsverlening opgebouwd vermogen;</al><al>d. In de eigen woning gebonden vermogen minder dan € 48.000,00 (niveau
                    2012);</al><al>e. Vergoedingen voor immateriële schade vergoeding en </al><al>f. Voorziening levensloop.</al><al>De onderdelen a. tot en met d. worden vrijgelaten bij de vaststelling van het
                    vermogen, omdat het uit oogpunt van armoedebeleid niet wenselijk wordt geacht
                    dat deze “bescheiden” vermogensbestanddelen worden aangewend voor het bestrijden
                    van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het
                    bestaan. De vraag of de vergoeding voor immateriële schadevergoeding wel of niet
                    meegenomen moet worden bij het vaststellen van het vermogen, zal per individuele
                    situatie beoordeeld moeten worden. Naast bovenstaande wettelijke mogelijkheden
                    wordt op basis van gemeentelijk beleid nog het volgende bepaald:</al><al>g. Saldo rekening</al><al>Van het saldo op de lopende rekening wordt bij de aanvraag om bijstand en
                    heronderzoeken geen bedrag vrijgelaten in verband met lopende uitgaven. Een
                    negatief saldo op de lopende rekening moet als schuld worden aangemerkt en telt
                    daarom mee bij de vaststelling van het vermogen.</al><al>h. Uitvaartverzekering/Levensverzekering bedoeld voor uitvaart </al><al>Bij de vaststelling van het vermogen wordt de waarde van een uitvaartverzekering
                    vrijgelaten. Hier hoeft niet de afkoopwaarde van de verzekering te worden
                    opgevraagd. Ook een levensverzekering bedoeld voor de uitvaart wordt
                    vrijgelaten. Hiervoor geldt echter wel een maximale vrijlating van € 10.000,--.
                    Natuurlijk moet bij de levensverzekering wel duidelijk zijn dat de verzekering
                    daadwerkelijk is afgesloten ter dekking van de kosten van de uitvaart.</al><al>i. Algemeen gebruikelijke goederen </al><al>Op grond van artikel 34, lid 2 onderdeel a WWB worden niet alleen bezittingen in
                    natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn,
                    niet als vermogen aangemerkt, maar ook bezittingen in natura die naar hun aard
                    en waarde algemeen gebruikelijk zijn. De gemeente Oldambt vindt één auto of
                    motor met een waarde tot maximaal €4.550,00 algemeen gebruikelijk. Indien de
                    waarde meer bedraagt dan € 4.550,00 wordt het meerdere in aanmerking genomen als
                    vermogen. </al><al>Voor de vaststelling van de waarde van de auto's, motoren en caravans (inclusief
                    btw) wordt in beginsel uitgegaan van de verkoopprijzen zoals vermeld in de
                    koerslijsten van de ANWB (de ANWB koerslijst op de website is alleen
                    toegankelijk voor ANWB leden), zijnde de in aanmerking te nemen waarde in het
                    economisch verkeer (artikel 34, lid 1 onderdeel a WWB). Van deze goederen die
                    wegens hun leeftijd (doorgaans 7 à 8 jaar of ouder) niet meer in deze
                    koerslijsten zijn opgenomen, wordt aangenomen dat hun waarde nihil is.</al><al>Van deze uitgangspunten wordt afgeweken indien er aantoonbare verschillen zijn
                    tussen het goed en de uitgangspunten van de koerslijsten, bijvoorbeeld enerzijds
                    een schadeauto en anderzijds een oldtimer of een exclusieve auto. Indien er
                    meerdere auto’s, caravans of motoren in bezit zijn, dan valt slechts 1 onder
                    deze vrijlating en de van de overige wordt de waarde volledig meegenomen.</al><al>Vermogen dat het bescheiden vermogen te boven gaat wordt volledig als
                    draagkracht aangemerkt.</al><al>Artikel 4 - Draagkrachtperiode</al><al>Artikel 35 WWB stelt: “Het college bepaalt het begin en de duur van de periode
                    waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.”</al><al>Voor incidentele verstrekkingen wordt de draagkrachtperiode in alle gevallen
                    vastgesteld op één jaar, te rekenen vanaf de eerste van de maand van aanvraag.
                    De draagkracht wordt dan ineens verrekend. Ook voor periodieke bijzondere kosten
                    wordt de draagkracht eveneens voor één jaar vastgesteld. Deze kosten spreiden
                    zich echter over meerdere of alle maanden van het jaar uit. Het is daarom aan te
                    bevelen de draag¬kracht dan eveneens gespreid over deze maanden te verrekenen.
                    Het in aanmerking nemen van de draagkracht over alleen die maanden waarop de
                    kosten betrekking hebben, leidt tot een grote onbillijkheid ten opzichte van de
                    incidentele kosten. Indien wijziging van omstandigheden daartoe aanleiding
                    geeft, zal herziening van de draagkracht plaatsvinden.</al><al>In de praktijk komt het voor dat voorafgaand aan de datum waarop een aanvraag om
                    bijstand wordt ingediend ook bijzondere kosten zijn gemaakt. In beginsel wordt
                    bijstand niet met </al><al>terugwerkende kracht verstrekt. Indien bijzondere omstandigheden daartoe
                    aanleiding geven, kan van dit beginsel worden afgeweken. Hierbij kan dan
                    maximaal één draagkrachtjaar “terug” worden gegaan (draagkracht over dat jaar
                    vaststellen).</al><al>Artikel 5 – Krediethypotheek</al><al>Voor het in de eigen woning gebonden vermogen worden de richtlijnen gevolgd
                    zoals is aangegeven in de separate nota “Krediethypotheek en Pandrecht
                    bijstand”, laatstelijk vastgesteld in 2004.</al><al>Dit betekent dat: </al><al>a. de bijstand moet over de periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag
                    waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer zal bedragen dan de
                    hoogte van het netto minimumloon (1 x de maanduitkering inclusief
                    vakantietoeslag voor gehuwden);</al><al>b. rekening moet worden gehouden met de extra vermogensvrijlating voor vermogen,
                    gebonden in de zelfbewoonde woning met bijbehorend erf.</al><al>Er is de laatste jaren nagenoeg geen gebruik van deze mogelijkheid van
                    bijstandsverlening gemaakt.</al><al>Artikel 6 - Geldlening</al><al>Artikel 51 WWB stelt dat "Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke
                    duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of
                    borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet".</al><al>Artikel 48 lid 2 WWB geeft aan dat de bijstand kan worden verleend in de vorm
                    van een geldlening of borgtocht als:</al><al>a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn
                    over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de
                    noodzake¬lijk kosten van het bestaan te voorzien;</al><al>b. de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;</al><al>c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft; dan
                    wel als</al><al>d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast
                    betreft.</al><al>Met betrekking tot duurzame gebruiksgoederen wordt er in het algemeen van
                    uitgegaan dat deze kosten gerekend worden te behoren tot de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan welke uit het eigen inkomen en vermogen
                    dienen te worden bestreden. In de bijstandsnorm is een bedrag opgenomen, dat kan
                    worden aangewend voor reservering vooraf dan wel gespreide betaling
                    achteraf.</al><al>Een lening bij een regulier kredietverlenende instelling is voor veel mensen
                    niet mogelijk. </al><al>Daarom wordt in eerste instantie gewezen op de mogelijkheid een lening aan te
                    vragen bij de Volkskredietbank te Appingedam. Een lening bij de Volkskredietbank
                    geldt als een voorliggende voorziening. Als een lening bij de Volkskredietbank
                    niet mogelijk is (dit moet blijken uit een schrijven van die bank met daarin
                    opgenomen de reden van afwijzing), kan bijstand worden verleend in de vorm van
                    een geldlening voor duurzame gebruiksgoede¬ren.</al><al>Indien redelijkerwijs kan worden aangenomen (bijvoorbeeld vanwege het bestaan
                    van een aanspraak) dat de belanghebbende op korte termijn ten aanzien van de
                    periode waarover hij bijstand voor de kosten van levensonderhoud vraagt alsnog
                    voldoende middelen tot zijn beschikking krijgt, kan er aanleiding zijn voor het
                    verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening. Ook als de
                    bijstandsaanvraag is te wijten aan het feit dat betrokkene blijk heeft gegeven
                    van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                    het bestaan, ligt het in de rede de bijstand in de vorm van een geldlening te
                    verstrekken.</al><al>Indien de gevraagde bijstand betrekking heeft op een waarborgsom is een
                    geldlening eveneens de aangewezen vorm, aangezien belanghebbende de waarborgsom
                    op een later moment weer terug ontvangt.</al><al>De artikelen 13, eerste lid sub f WWB en artikel 48, eerste en tweede lid WWB
                    hebben onder andere betrekking op de vraag in welke gevallen, op welke wijze en
                    in welke vorm, bijstand kan worden verleend voor schulden. Uitgangspunt is dat -
                    bijzondere omstandig¬heden daargelaten - geen bijstand wordt verleend voor
                    schulden. De schulden¬last hoeft niet altijd voort te vloeien uit
                    tekort¬schietend besef van verantwoordelijk¬heid voor de voorziening in het
                    bestaan. </al><al>Bijstandsverle¬ning "om niet" voor schulden wordt door de wetgever onge¬wenst
                    geacht. Een ieder draagt immers de verantwoorde¬lijk¬heid voor de eigen
                    schulden. Aan de gemeentelij¬ke verantwoordelijkheid en de maatwerkgedachte
                    wordt echter meer recht gedaan, als ter beoordeling aan de gemeente zelf wordt
                    gelaten of bijstand dient te worden verleend, alsmede de vorm waarin dit zou
                    moeten. Om deze reden is onderdeel d. in artikel 48 WWB opgenomen, waarin het
                    mogelijk is gemaakt bijstand voor schulden te verlenen in de vorm van een
                    geldlening of borgtocht, indien de gemeente daarvoor aanleiding ziet.</al><al>Artikel 7 - Geldlening voor duurzame gebruiksgoederen</al><al>Een geldlening voor duurzame gebruiksgoederen kan worden verstrekt indien deze
                    goederen aan vervanging toe zijn, terwijl belanghebbenden nog niet voldoende
                    hebben gereser¬veerd. Hierbij dient vast te staan dat de benodigde geldlening
                    niet kan worden verkregen via de normale kredietverlenende instanties. </al><al>Artikel 51, tweede lid WWB stelt:" Indien een geldlening als bedoeld in het
                    eerste lid wordt verstrekt stemmen burgemeester en wethouders de
                    aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. </al><al>De aflossingsbedragen worden zodanig vastgesteld dat belanghebbende blijft
                    beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel
                    475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De te maken keuzes richten
                    zich derhalve op:</al><al>a. inzet middelen (meerinkomen en vermogen);</al><al>b. aflossingsduur;</al><al>c. aflossingsbedragen</al><al>De aflossingscapaciteit in verband met het verstrekken van bijstand in de vorm
                    van een geldlening, is gebaseerd op 6% van de van toepassing zijnde
                    bijstandsnorm (inclusief vakantie-uitkering) vermeerderd of verminderd met
                    toeslag als bedoeld in de gemeentelijke Toeslagenverordening. De
                    aflossingstermijn wordt in principe gesteld op 36 maanden.</al><al>Aflossingsbedragen en duur van de aflossing dienen mede te worden afgestemd op
                    de omstandigheden van persoon en gezin. Dit betekent dat in individuele gevallen
                    kan worden afgeweken van de hiervoor genoemde richtlijn.</al><al>Bij meerinkomen (boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en gemeentelijke
                    toeslag) of verhoging van het inkomen gedurende de aflossingsperiode, kan het
                    aflos¬singsbedrag worden verhoogd. Voor vaststelling van het bedrag dat extra
                    kan worden afgelost, wordt aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 2
                    zodat 35% van het meerinkomen aangewend moet worden voor aflossing.</al><al>Artikel 8 - Bijstand om niet voor duurzame gebruiksgoederen</al><al>De mogelijkheden van bijstand in de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen
                    (woning-</al><al>inrichting, zogenaamde bruin- en witgoed etc.) is geregeld in artikel 6. Een
                    lening bij de Volkskredietbank is een voorliggende voorziening. Indien het
                    afsluiten van een lening bij de Volkskredietbank niet mogelijk is (bijvoorbeeld
                    omdat er een omvangrijke schuldenlast is) kan bijstand in de vorm van een
                    geldlening worden verleend.</al><al>De aflossing van zowel een lening bij de Volkskredietbank als bijstand in de
                    vorm van een geldlening wordt gesteld op tenminste 6% van de van toepassing
                    zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) vermeerderd met de
                    gemeentelijke toeslag als bedoeld in de Toeslagenverordening. Bijstand “om niet”
                    kan een oplossing zijn op basis van het individualiseringsprincipe. Bijstand kan
                    worden verleend voor de duurzame gebruiksgoederen in een bedrag om niet
                    indien:</al><al>1. de aanschaf van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen niet voorzienbaar
                    waren (geen reservering vooraf mogelijk);</al><al>2. er sprake is van een noodzakelijke verhuizing op medische en/of sociale
                    gronden binnen een termijn van 5 jaar (voor iedere maand dat de verhuizing was
                    te voorzien wordt de aanvrager geacht 1/60 deel van de toepasselijke kosten te
                    hebben gereserveerd);</al><al>3. er schulden zijn aangegaan voor de aanschaf van (andere dan waarvoor bijstand
                    wordt gevraagd) noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen (huisraad e.d.).
                    Vorderingen wegens fraude, aanschaf luxe artikelen e.d. vallen hier dus
                    buiten.</al><al>Uiteraard zal een individuele beoordeling hieraan steeds ten grondslag moeten
                    liggen.</al><al>Artikel 8 a – Drempelbedrag</al><al>De Wet biedt de mogelijkheid om bij het verlenen van bijzondere bijstand een
                    zogenaamd drempelbedrag te hanteren. Bij gebruikmaking hierbij wordt slechts
                    bijstand verleend indien de noodzakelijke kosten het drempelbedrag
                    overschrijden. Van deze mogelijkheid maakt de gemeente Oldambt geen
                    gebruik.</al><al>HOOFDSTUK III – INCIDENTELE- EN PERIODIEKE BIJSTAND</al><al>Artikel 9 - Buitengewone verwervingskosten</al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid bijzondere bijstand te verstrekken voor
                    buitengewone verwervingskosten in gevallen dat de werkgever daarin niet, of
                    onvoldoende voorziet.</al><al>Het gaat hierbij dan om situaties waarbij het om kosten gaat die noodzakelijk
                    zijn en die niet uit een inkomen op bijstandsniveau voldaan kunnen worden. Het
                    gaat hierbij om de kosten van reizen en de eventuele kosten van kinderopvang
                    waardoor het verrichten van arbeid mogelijk is. Bijstandsverlening kan hierbij
                    alleen als noodzakelijk worden aangemerkt indien de inkomsten uit arbeid lager
                    zijn dan de van toepassing zijnde landelijke bijstandsnorm inclusief
                    gemeentelijke toeslag of verlaging.</al><al>Artikel 10 – Woonkostentoeslag, huurwoning</al><al>Sinds 1 januari 2006 is de Wet individuele huursubsidie vervangen door de Wet op
                    de huurtoeslag. Huurtoeslag kan worden aangevraagd bij de Belastingdienst. De
                    huurtoeslag wordt – in tegenstelling tot de voormalige huursubsidie – gebaseerd
                    op het actuele inkomen. Dat betekent dat in principe altijd het juiste bedrag
                    aan huurtoeslag wordt verleend welke past bij het inkomen en de hoogte van de
                    huurlasten. Aanvullende bijstand voor woonlasten is dan ook niet meer aan de
                    orde. Een uitzondering wordt echter gemaakt voor situaties van echtparen /
                    ongehuwd samenwonenden en éénoudergezinnen die op grond van inwonende niet ten
                    laste komende kinderen reeds een lagere gemeentelijke toeslag (op de
                    bijstandsnorm) ontvangen en daardoor tevens geen huurtoeslag ontvangen. Ter
                    voorkoming van het 2 maal financieel treffen voor hetzelfde feit, bestaat voor
                    deze doelgroep de mogelijkheid een woonkostentoeslag aan te vragen. Deze kan in
                    principe verleend worden totdat de betreffende omstandigheden zich niet meer
                    voordoen.</al><al>Artikel 11 – Woonkostentoeslag, eigen woning</al><al>Als er sprake is van een eigen woning kan- mits de woonkosten lager zijn dan de
                    maximaal subsidiabele huur op grond van de Wet op de huurtoeslag- een
                    woonkostentoeslag worden verleend . De hoogte van de woonkostentoeslag is gelijk
                    aan de huurtoeslag, waarop een huurder met dezelfde woonlasten aanspraak kan
                    maken (bij een inkomen op bijstandsniveau). </al><al>Met de aansluiting van de woonkostentoeslagen bij het sys¬teem van
                    huurtoeslagen, wordt tot uitdrukking gebracht dat woonlasten die boven de
                    subsidiegrenzen uitgaan, voor bijstandsgerechtigden niet verantwoord worden
                    geacht. Indien de bijstandsverlening een langdurig karakter krijgt, wordt een
                    meer bij het inkomen passende huisvesting aangewezen geacht (verhuisplicht). In
                    bepaalde gevallen wordt bijstandsverlening echter noodzakelijk geacht,
                    bijvoorbeeld bij sterke terugval in het inkomen. Het gaat dan wel om een
                    woonkostentoeslag met een tijdelijk karakter. Ter zake geldt een
                    verhuisverplichting, waarbij de woonkostentoeslag na een jaar slechts zal worden
                    verlengd, indien niet, ondanks serieuze pogingen, over andere passende
                    (goedkopere) woonruimte kan worden beschikt.</al><al>Cliënten aan wie de verhuisverplichting is opgelegd, worden echter
                    geconfronteerd met verhuis- en stofferingkosten. Deze kunnen de bereidwilligheid
                    om te verhuizen belemmeren. In deze gevallen wordt bijstand om niet verstrekt in
                    de noodzakelijke kosten van verhuizing (transport) en stoffering. Deze kosten
                    zijn eenmalig en doen zich zeer incidenteel voor, waardoor ze beheersbaar
                    zijn.</al><al>De verschuldigde hypotheekrente kan van het eigen inkomen worden afgetrokken
                    middels een voorlopige teruggave van de Belastingdienst. Dit leidt tot een hoger
                    netto inkomen.</al><al>De aanvrager zal gestimuleerd worden een dergelijke teruggave aan te vragen
                    zodat het verlenen van (aanvullende) bijstand tot een minimum beperkt kan
                    worden.</al><al>De woonlasten van de eigen woningbezitter bestaan uit: </al><al>- de hypotheekrente;</al><al>- het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting;</al><al>- de opstalverzekering;</al><al>- de erfpachtcanon;</al><al>- de waterschapslasten;</al><al>- een vast bedrag voor de kosten van onderhoud van de woning en de centrale </al><al>verwarmingsinstallatie (indien aanwezig).</al><al>Er wordt een verplichting opgelegd dat aangifte dient te worden gedaan bij de
                    belastingdienst en dat eventueel belastingteruggave in verband met een negatieve
                    opbrengst van de woning ter verrekening met de woonkostentoeslag dient te worden
                    aangewend. Terugvordering zal plaatsvinden ingevolge artikel 58 WWB.</al><al>Artikel 12 – Medische kosten (inclusief verschuldigde eigen bijdragen)</al><al>De financiële taakstelling maakt het noodzakelijk om vanaf 2013 een beperking
                    aan te brengen in de uitgaven en dus ook ten aanzien van de mogelijkheden tot
                    het verstrekken van bijstand. Hierbij is de keuze gemaakt om terug te keren naar
                    hetgeen de wetgever destijds heeft bedoeld. Daarbij wordt aangesloten bij de
                    lijn die in de rechtspraak wordt aangehouden. De Centrale Raad van Beroep is
                    consequent in zijn uitspraken: de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) worden als passende en toereikende voorliggende
                    voorzieningen aangemerkt, wat betekent dat alle noodzakelijke medische kosten
                    hierin zijn opgenomen. Dit brengt met zich mee dat voor kosten die in deze
                    voorzieningen zijn opgenomen geen bijzondere bijstand kan worden verleend. Er is
                    immers een voorliggende voorziening voorhanden waarop belanghebbende een beroep
                    toekomt. Kosten buiten Zvw en AWBZ worden door de CRvB geacht niet noodzakelijk
                    te zijn, zodat verlening van bijzondere bijstand voor dergelijke kosten niet
                    verplicht is. Juridisch gezien is dit de belangrijkste keuze om te komen tot een
                    substantiële daling van de uitgaven.</al><al>Tot en met 2012,werd bijstand verleend voor (de eigen bijdragen van) het
                    aanschaffen van een bril, contactlenzen, tandheelkundige en orthodontistische
                    hulp, kraamhulp, verloskundige hulp, kraampakket, batterijen hoortoestel,
                    aangepast schoeisel (geen limitatieve opsomming maar een weergave van veel
                    voorkomende kostensoorten). Vanaf 2013 is dit dus niet meer mogelijk.</al><al>Artikel 13 – Noodzakelijke kosten, niet medisch van aard</al><al>De Wet werk en bijstand (Wwb) stelt een aantal eisen waaraan voldaan moet worden
                    voordat verlening van bijzondere bijstand aan de orde kan zijn:</al><al>• Artikel 35 lid 1 Wwb geeft aan dat sprake moet zijn van een gebrek aan
                    middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
                    noodzakelijke kosten van het bestaan. </al><al>• Deze kosten moeten naar het oordeel van het College van B&amp;W niet kunnen
                    worden voldaan uit de aanwezige draagkracht. </al><al>• Daarnaast heeft het College de mogelijkheid pas bijzondere bijstand te
                    verlenen voor kosten wanneer zij meer bedragen dan een drempelbedrag. </al><al>In Hoofdstuk 2 van deze beleidsregels is invulling gegeven aan bovenstaande
                    criteria.</al><al>De kosten moeten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Hierbij gaat het om
                    omstandigheden die niet voor alle Nederlanders gelden. Deze verschillen van
                    geval tot geval, zodat hierbij sprake is van individueel maatwerk. Een
                    limitatieve opsomming van alle mogelijke kostensoorten die voor
                    bijstandsverlening in aanmerking zouden kunnen komen is dan ook niet aan de
                    orde. Wel wordt onderstaand ten aanzien van een aantal veel voorkomende
                    kostensoorten een uiteenzetting gegeven van de mogelijkheden.</al><al>Kenmerkend voor de Wwb is dat vergoeding plaatsvindt via de meest goedkope en
                    adequate oplossing. Onderstaand wordt ingegaan op een aantal veel voorkomende
                    kostensoorten.</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de kosten van huishoudelijke- en gezinshulp
                    indien hieraan een indicatie op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                    (WMO) ten grondslag ligt.</al><al>Het gaat hierbij om de eigen bijdrage van de kosten.</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de meerkosten van een maaltijdvoorziening
                    (zijnde geen dieetkosten). Aan een dergelijk verzoek behoeft, tenzij er twijfels
                    zijn over de noodzaak, geen medische of sociale indicatie ten grondslag liggen.
                    Als meerkosten worden aangemerkt die kosten die boven het belastbaar deel
                    maaltijdvergoeding werkgever / werknemer uitgaan (bron: belastinggids).</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de kosten van verblijf indien sprake is van
                    het opgenomen zijn in een AWBZ erkende inrichting (eigen bijdrage kosten zorg
                    met verblijf).</al><al>Het zich "onder bewindvoering gaan bevinden" kan worden aangemerkt als
                    bijzondere omstandigheden. De kosten van bewindvoering in verband met onder
                    curatele stelling komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. Bewindvoering
                    wordt door de rechter ingesteld middels het afgeven van een beschikking.
                    Gelijktijdig met het instellen van het bewind, benoemt de rechter een zogenaamde
                    bewindvoerder. Deze bewindvoerder heeft recht op een beloning. De praktijk is
                    dat bewindvoerders standaard een vergoeding aanvragen bij de rechter volgens de
                    “Taken- en tarievenlijst beroepsbewindvoerders” die door het Landelijk Overleg
                    van Coördinerend Kantonrechters (LOK) is vastgesteld. Dit heeft tot gevolg dat
                    er voor kosten van bewindvoering in principe altijd bijstand kan worden
                    toegekend als de kosten met een nota worden gespecificeerd. De kosten moeten
                    uiteraard wel overeenkomen met de zogenaamde LOK tarieven. Op grond van
                    bijzondere omstandigheden kan de rechter ambtshalve of op verzoek voor bepaalde
                    of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling van het
                    bewind is aangegeven (dit dient uiteraard middels een door de rechter afgegeven
                    beschikking blijken). Als de rechter hiertoe overgaat mag in alle redelijkheid
                    worden aangenomen dat het voor de bijzondere bijstand betreft, om bijzonder
                    noodzakelijke (meer)kosten van het bestaan gaat.</al><al>Naast bovenstaande kosten kunnen ook nog zogenaamde beredderingskosten in
                    rekening worden gebracht. Na afgifte van een beschikking tot onder curatele
                    stelling gaat de bewindvoerder over tot een eerste inventarisatie van de
                    "boedel". De hierbij te maken kosten worden beredderingskosten genoemd. Voor
                    deze kosten kan niet zondermeer bijzondere bijstand worden verstrekt. Ook
                    hiervoor geldt dat door de bewindvoerder aan de rechter kan worden verzocht deze
                    aan de onder bewindgestelde in rekening te brengen. Als de rechter die
                    toestemming geeft (middels afgifte beschikking), kan worden overgegaan tot
                    verlening van bijzondere bijstand.</al><al>Bijstand kan worden verleend voor de te maken kosten van kinderopvang voor zover
                    geen beroep kan worden gedaan op de Wet Kinderopvang of de Regeling vergoeding
                    kosten kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie (SMI) en de
                    individuele situatie dit noodzakelijk maakt. Kosten van kinderopvang die gemaakt
                    moeten worden in kader van een ingezet traject richting (reguliere)
                    arbeidsmarkt, worden vergoed uit het Participatiebudget.</al><al>Op grond van de Wet Jeugdhulpverlening is het mogelijk dat kinderen -al dan niet
                    gedurende de gehele week- in een instelling voor dagopvang verblijven. Er wordt
                    door het LBIO aan de ouders een inkomensonafhankelijke onderhoudsbijdrage
                    opgelegd. De hoogte van de bijdrage is afhankelijk van de leeftijd van het kind
                    en de vorm van hulpverlening, te weten residentieel dan wel semiresidentieel.
                    Alleen wanneer de bijdrageplichtige ouder aantoont, dat hij of zij een
                    bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ontvangt, wordt de
                    bijdrage op nihil gesteld. Een kopie van de laatste uitkeringsspecificatie kan
                    bij het verzoek om nihilstelling worden gevoegd. Ouders die niet tot de
                    bovengenoemde categorie behoren en problemen hebben met de betaling, kunnen een
                    betalingsregeling treffen. Gekeken wordt naar de hoogte van de schuld en
                    aflossingsmogelijkheid. De aflossingperiode mag niet langer zijn dan 3 jaar.
                    Indien de bijdrageplichtige geen kinderbijslag ontvangt voor het uit huis
                    geplaatst kind, kan het LBIO afwijken van de periode van drie jaar.</al><al>In een aantal situaties komt het voor dat, om te kunnen voorzien in de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan, aanvrager niet kan wachten tot de eerste
                    reguliere uitbetaling van de periodieke uitkering. Hierbij kan gedacht worden
                    aan situaties waarbij het beroep op bijstand niet direct voorzienbaar was.
                    Hierbij kan gedacht worden aan verlaten mannen/vrouwen en ex-gedetineerden. In
                    dergelijke situaties kan niet vooraf gereserveerd worden om de periode tot de
                    eerste uitbetaling te overbruggen. De maximale periode van overbrugging bedraagt
                    één maand. Indien de noodzaak aanwezig is, kan bijstand worden verleend voor de
                    overbruggingsperiode van maximaal één maand. De hoogte van de overbrugging wordt
                    bepaald door eventueel aanwezige eigen middelen (inkomen en vermogen) en kan
                    maximaal één maandnorm, exclusief vakantietoelage en inclusief gemeentelijke
                    toeslag of verlaging, bedragen.</al><al>Indien sprake is van inwonende ten laste komende kinderen, zullen hun middelen
                    in de berekening mee worden genomen indien deze een bedrag van € 450,00 per kind
                    overschrijden. Indien niet kan worden beschikt over eigen woonruimte,
                    bijvoorbeeld de situatie van inwonend zijn of kostganger, wordt het bedrag van
                    de overbrugging gesteld op maximaal 50% van de hierboven berekende
                    overbrugging.</al><al>Bijstand voor reiskosten kan worden verstrekt indien de reiskosten als
                    noodzakelijk kunnen worden aangemerkt. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden
                    aan reiskosten in verband met het bezoeken van een echtgenoot, kind of ouder,
                    die is opgenomen in het ziekenhuis of in detentie verblijft e.d. De
                    tegemoetkoming is gelijk aan de hoogte van de onbelaste vergoeding reiskosten.
                    Bron: belastingdienst. De noodzakelijke reiskosten tot 10 kilometer enkele reis
                    blijven voor eigen rekening van aanvrager. In iedere situatie zal de noodzaak
                    van het moeten reizen worden vastgesteld aan de hand van de individuele
                    situatie.</al><al>Nabestaan¬den zijn gezien het gestelde in het Burgerlijk wetboek aansprakelijk
                    voor de kosten van de begrafenis of de crematie. De aansprake¬lijkheid strekt
                    zich uit tot de huwe¬lijkspartner van de overledene, dan wel de familieleden in
                    de eerste graad. Indien de nabestaan¬den in gebreke blijven of wanneer er geen
                    nabe¬staanden zijn, zal in de begrafenis of crematie worden voorzien door middel
                    van een beroep op de Wet op de Lijkbe¬zorging.</al><al>Voor de bijstandsverlening gelden geen normbedragen. In de praktijk deden zich
                    slechts enkele situaties voor waarbij een beroep op de bijstandswet werd gedaan.
                    De meeste cliënten hebben namelijk een uitvaart¬verzekering afgeslo¬ten. Uit
                    jurisprudentie valt af te leiden dat wordt uitgegaan van een begrafenis "op de
                    meest eenvoudige wijze" of "de minst kostbare doch acceptabele
                    uitvoerings¬wijze". De eventueel te verstrekken bijstand kan uiteraard enkel
                    worden verleend aan de nabestaanden. Eventuele voorliggende voorzieningen,
                    waaronder de mogelijkheid tot het afsluiten van een betalingsregeling met de
                    uitvaartverzorger, zullen moeten worden onderzocht.</al><al>Voor het eigen aandeel in de kosten van rechtsbijstand en de verschuldigde
                    griffiekosten wordt in het algemeen geen bijzondere bijstand verleend.</al><al>In principe zijn hiervoor namelijk een tweetal voorliggende voorzieningen
                    aanwezig, namelijk:</al><al>1. een rechtsbijstandsverzekering </al><al>De rechtsbijstandsverzekering kan een voorliggende voorziening zijn. De
                    belanghebbende moet dan wel over zo’n verzekering beschikken. Het feit dat de
                    belanghebbende geen rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten is geen grond om
                    een verzoek om bijstand af te wijzen.</al><al>2. de Wet op de Rechtsbijstand</al><al>Via deze wet kan de burger in aanmerking komen voor de volgende
                    voorzieningen:</al><al>• rechtsbijstand tijdens een spreekuur. </al><al>Hieraan zijn geen kosten verbonden indien de burger beschikt over een inkomen op
                    het sociaal minimum.</al><al>• voor verdergaande rechtsbijstand kan een verzoek ingediend worden om in
                    aanmerking te komen voor een zogenaamde “toevoeging”. </al><al>Hiervoor dient een zogeheten “Verklaring omtrent Inkomen en Vermogen” ingevuld
                    te worden. De Raad voor de Rechtsbijstand neemt vervolgens een besluit op dit
                    verzoek. Indien deze wordt toegekend, dient nog wel een eigen bijdrage te worden
                    voldaan. Mogelijk moeten ook nog griffierechten en leges (bijvoorbeeld de kosten
                    voor het opvragen van een uittreksel uit het bevolkingregister) worden voldaan.
                    Voor deze eigen bijdrage, de griffiekosten en de leges kan bijstand worden
                    verleend. Indien het verzoek wordt afgewezen betekent dat, dat de Raad voor de
                    Rechtsbijstand de procedure als niet noodzakelijk heeft aangemerkt. Dat betekent
                    dat voor de kosten dan ook geen bijstand kan worden verleend.</al><al>Per 1 juli 2011 heeft er een wijziging plaatsgevonden in het besluit eigen
                    bijdrage rechtsbijstand. De wijziging houdt in dat de eigen bijdrage voor de
                    verlening van rechtsbijstand door een advocaat wordt verlaagd met € 50,00 indien
                    de belanghebbende eerst (gratis) rechtshulp vraagt aan het juridisch loket,
                    voordat hij naar een advocaat gaat.</al><al>Om in aanmerking te komen voor de verlaging van de eigen bijdrage is het nodig
                    dat het Juridisch Loket aan de belanghebbende rechtshulp heeft verleend en dat
                    belanghebbende een diagnosedocument van het Juridisch loket heeft
                    ontvangen.</al><al>Wanneer een belanghebbende niet eerst rechtshulp vraagt aan het Juridisch Loket
                    en als gevolg daarvan wordt geconfronteerd met een hogere eigen bijdrage, dan
                    kan de bijzondere bijstand worden afgestemd met € 50,00 in verband met het niet
                    (tijdig) aanvragen van een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 WWB.
                    Het is dan aan belanghebbende zelf te wijten dat hij een hogere eigen bijdrage
                    moet betalen. </al><al>Voor zover belanghebbende geen verwijt kan worden gemaakt dat hij niet eerst
                    langs het Juridisch Loket is geweest dient het bedrag van € 50,00 niet in
                    mindering te worden gebracht.</al><al>De bijstand kan alleen worden verstrekt ter verkrijging van inkomen en vermogen
                    uit andere bronnen, waardoor het beroep op bijstand teniet wordt gedaan of wordt
                    verminderd.</al><al>De kosten van het aanschaffen c.q. vervangen van noodzakelijke duurzame
                    gebruiksgoederen dienen in principe te worden voldaan uit het eigen beschikbare
                    inkomen, middels reservering vooraf (sparen) dan wel achteraf (afsluiten
                    lening). Indien reservering niet mogelijk is geweest, vindt verwijzing plaats
                    naar de Volkskredietbank Noord Oost Groningen te Appingedam voor het aanvragen
                    van een geldlening.</al><al>Als de Volkskredietbank een lening verstrekt wordt het aflossingsbedrag zodanig
                    vastgesteld dat het bruto leenbedrag (netto bedrag plus kosten) in 36 maanden
                    wordt afgelost. </al><al>Dit kan problemen geven voor mensen met een minimuminkomen, omdat zij slechts
                    worden geacht een aflossing aan te kunnen van 6% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm.</al><al>Wanneer voor noodzakelijke kosten (bijvoorbeeld voor inrichtingskosten van een
                    woning) een hogere lening noodzakelijk is, met een hoger aflossingsbedrag dan
                    vanuit de bijstandsnorm mogelijk is, wordt voor het verschil gedurende maximaal
                    36 maanden een toeslag verstrekt vanuit de bijzondere bijstand.</al><al>De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand wordt eenmaal vastgesteld en
                    gedurende de looptijd van de lening (36 maanden) niet meer aangepast. De reden
                    hiervoor is dat de kosten die het met zich meebrengt om aanpassingen van dit
                    bedrag te onderzoeken en/of uit te voeren, niet opwegen tegen de extra inkomsten
                    uit aflossing die dat met zich mee brengt.</al><al>HOOFDSTUK IV - TOESLAGEN VOOR LEVENSONDERHOUD</al><al>Artikel 14 - Toeslagen voor jongeren van 18 t/m 20 jaar</al><al>De bijzondere bijstandsverlening aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    van 18 t/m 20 jaar mag ingevolge artikel 12 WWB aan deze categorie slechts
                    plaats hebben voor zover de noodza¬kelijke kosten van het bestaan uitgaan boven
                    de toepasselijke bijstands¬norm en voor deze kosten geen beroep kan worden
                    gedaan op de ouders, omdat:</al><al>a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of</al><al>b. het onderhoudsrecht jegens de ouders redelijkerwijs niet te gelde kan worden
                    gemaakt.</al><al>De toeslagen voor uitkeringsgerechtigden vanaf 21 jaar zijn geregeld in de door
                    de gemeenten vastgestelde Toeslagenverordening. In deze verordening bestaat geen
                    ruimte om de toeslagen voor jongeren van 18 t/m 20 jaar op te nemen. Eventuele
                    toeslagen voor uitkeringsgerechtigden van 18 tot 21 jaar zijn daarom gebaseerd
                    op artikel 12 WWB en vinden plaats in de vorm van bijzondere bijstand. De hoogte
                    van de bijstandsuitkering voor jongeren van 18 t/m 20 jaar is afgestemd op het
                    bedrag aan kinderbij¬slag. Voor de alleen¬staande ouder en gehuw¬den in deze
                    leeftijdscatego¬rie gelden aange¬paste normen. Indien de norm niet voldoen¬de
                    is, kan de jongere een beroep doen op de ouderlijke onderhouds¬plicht (de ouders
                    zijn op grond van het Burgerlijk Wetboek onderhoudsplichtig tot het kind 21 jaar
                    oud is). Hoewel het hier gaat om een aanvul¬ling die ertoe moet leiden dat de
                    jongere in de algemeen noodzake¬lijke kosten van het bestaan kan voorzien, heeft
                    de wetgever ervoor gekozen om deze aanvulling onder de bijzondere bijstand te
                    brengen. Het is in het algemeen ongewenst dat de bijstandsuitkering op een hoger
                    niveau ligt dan het wettelijk minimumloon, zodat het voor betrokkene niet zou
                    lonen om te werken. Bij de beantwoording van de vraag of aanvullende bijstand
                    dient te worden verleend, dient eerst een oordeel gevormd te worden over de
                    hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten. "Daarbij kan de gemeente onder
                    andere in aanmerking nemen of voor de betrokkene zelfstandige huisvesting
                    noodzakelijk is". Er kan eveneens aanvullende bijstand worden verleend als de
                    ouders welis¬waar financieel in staat zijn om de bestaanskosten van het kind op
                    zich te nemen, maar de betrokkene redelijker¬wijs geen beroep op de ouders kan
                    doen. Daarbij gaat het vooral om de situaties waarin de onderlin¬ge verhouding
                    ernstig verstoord is. Met het begrip "redelij¬kerwijs" wordt tot uitdrukking
                    gebracht dat de gemeente van geval tot geval dient te beoordelen of hiervan
                    inderdaad in die mate sprake is, dat de verlening van bijstand gerechtvaardigd
                    is. Om geen afbreuk te doen aan de ouderlijke onderhoudsplicht, wordt in zo'n
                    situatie de bijstand verhaald op de ouders". Bovenstaande moet dan wel, met het
                    oog op de zorgvuldig¬heid, worden onder¬bouwd met een indicatiestel¬ling,
                    vergelijkbaar met een indicatiestelling tot uithuis¬plaatsing, van
                    Maat¬schap¬pelijk werk, GGZ of SPD. Voor de hoogte van de toeslag is uitgegaan
                    van het uitgangspunt dat de toeslag het mogelijk moet maken dat de noodzake¬lijk
                    uitwonende jongere van 18 tot 21 jaar op dezelfde wijze in zijn onderhoud kan
                    voorzien als de 21-jarige. Dit houdt in dat de toeslag het verschil bedraagt
                    tussen de norm voor een 21-jarige en de voor de jongere van toepassing zijnde
                    norm incl. gemeentelijke toeslag.</al><al>Indien de jongere van 18 tot 21 jaar in een inrichting verblijft ontstaat een
                    andere situatie. Algemene bijstandsverlening is ingevolge artikel 13, lid 2, sub
                    a van de WWB uitgesloten. Dit artikel vermeldt: "Geen recht op algemene bijstand
                    heeft degene van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft". Bij
                    personen in deze leeftijdscate¬gorie wordt van de ouders over het algemeen een
                    bijdrage gevraagd in de kosten van het verblijf in de inrichting. De bijstand
                    die, rekening houdend met deze onderhoudsplicht, moet worden verleend, zal in
                    voorko¬mende gevallen minder bedragen dan het voorgestel¬de landelijke
                    normbedrag (voor personen vanaf 21 jaar).</al><al>Een juiste aansluiting op de bestaanskosten van de betrokkene en de ouderlijke
                    onderhoudsplicht kan dus alleen maar worden bereikt door de hoogte van de
                    bijstand geheel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    betrokkene, rekening houdend met de ouderlijke onderhoudsplicht. Daarvoor vormt
                    de bijzondere bijstand het aangewe¬zen instrument. </al><al>Bij dergelijke aanvragen dient te worden bedacht dat de noodzaak van het
                    verblijf in een inrichting vast moet staan, hetgeen kan worden afgeleid uit een
                    medische of sociale indicatie. Er dient dan tevens te worden bezien of er sprake
                    is van een voorliggende voorziening. Meestal zullen de kosten van verblijf in de
                    inrichting betaald worden via een andere regeling (bijv. de AWBZ). De medische
                    noodzaak is dan al op grond van de voorliggende voorziening vastgesteld. In het
                    algemeen zal de gevraagde bijstand derhalve betrekking hebben op de bijkomende
                    kosten, zoals premie ziektekostenverzekering en persoonlijke uitgaven (vgl. zak-
                    en kleedgeld).</al><al>HOOFDSTUK V - SLOTBEPALINGEN</al><al>Artikel 15 – Citeertitel en inwerkingtreding</al><al>Dit artikel geeft de citeertitel van de nota en geeft aan wanneer de
                    beleidsregels in werking treden.</al><al>Artikel 16 - Hardheidsclausule</al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid aan het college om af te wijken van de
                    beleidsregels, dit ten gunste van de aanvrager.</al><al>Artikel 17 – Afwijking regels</al><al>In die situaties waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het
                    college.</al><al>Artikel 18 - Overgangsrecht</al><al>Het recht op bijstand - zoals vastgesteld op grond van de vorige beleidsregels
                    “Meetlat voor Maatwerk 2012” blijft bestaan tot afloop van het reeds
                    vastgestelde draagkrachtjaar of totdat gewijzigde omstandigheden aanleiding
                    geven omtrent de kosten waarvoor reeds bijstand was verleend een nieuw besluit
                    te nemen.</al></nota-toelichting><bijlage><al>Bijlage prijzen / vergoedingen</al><al>Kostensoort maximale vergoeding Artikel Bron</al><al>Inrichtingskosten alleenstaande € 2.363,90 7 en 8</al><al>gezin, 2 personen € 3.996,00</al><al>gezin, 3 personen € 4.496,66</al><al>gezin, 4 personen € 5.027,22</al><al>ieder persoon meer € 493,79</al><al>Bij kamerbewoning individueel beoordelen</al><al>met als maximum de helft van </al><al>Bovenstaande bedragen.</al><al>Reiskosten per kilometer € 0,19 9 Bel. dienst</al><al>(verwervingskosten)</al><al>Verhuiskosten de werkelijke kosten huur 11</al><al>aanhanger of busje plus </al><al>kosten brandstof.</al><al>Stofferingkosten de werkelijke kosten behang, 11 Nibud</al><al>verf en vloerbedekking</al><al>Maaltijden eigen bijdrage per € 4,30 13 St. Oosterlengte</al><al>maaltijd Tafeltje Dekje</al><al>Bewindvoering alleenstaande p/jr € 1.205,47 13 Bewindvoering</al><al>gezin p/jr € 1.368,55 Zuidlaren</al><al>beredderingskosten € 456,42 13</al><al>Jeugdhulpverlening residentiële hulpverlening p/mnd 13 LBIO</al><al>Kind 0 t/m 5 jr. € 71,68 </al><al>Kind 6 t/m 11 jr. € 98,56</al><al>Kind 12 t/m 20 jr. € 125,43</al><al>semi residentiële hulpverlening</al><al>50% van genoemde bedragen.</al><al>Uitvaartkosten op basis van gegevens Nibud 13 Nibud</al><al/><al>De genoemde bedragen worden periodiek aangepast.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>