<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR101145_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening werkleeraanbod WIJ Bloemendaal 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Kennemerland-Zuid d.d. 8 juli 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening werkleeraanbod WIJ Bloemendaal 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010017043</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule> De raad der gemeente Bloemendaal;gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 mei 2010;gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 12, eerste lid, onderdeel a van de Wet investeren in jongeren;overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen aangaande de inhoud van het werkleeraanbod in het kader van de Wet investeren in jongeren;b e s l u i t:vast te stellen de : VERORDENING WERKLEERAANBOD WIJ BLOEMENDAAL 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>VERORDENING WERKLEERAANBOD WIJ BLOEMENDAAL 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="b."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden; </al></li><li nr="c."><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>college: het college van burgemeester en wethouders</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of één of meerdere voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan het college bepalen dat een werkleeraanbod ook bestaat uit een voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 17, zesde lid van de wet. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden en omstandigheden van de jongere. Het college beziet daarbij tevens in hoeverre de wensen van de jongere bij de invulling van het werkleeraanbod kunnen worden betrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte en beschikbare voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en naar het oordeel van </al><al>het college direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde </al><al>arbeid of ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De voorzieningen</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 4 kan het college jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod, één of meer van de volgende voorzieningen aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of medische zorg;</al></li><li nr="b."><al>ondersteuning bij maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="c."><al>arbeidsactivering en –toeleiding;</al></li><li nr="d."><al>sociale activering;</al></li><li nr="e."><al>stages bij bedrijven of instellingen;</al></li><li nr="f."><al>opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen;</al></li><li nr="g."><al>gesubsidieerd werk;</al></li><li nr="h."><al>nazorg bij arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="i."><al>voorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid; </al></li><li nr="j."><al>diagnose-instrumenten; </al></li><li nr="k."><al>ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang, schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen en taal- en beroepsgerichte scholing;</al></li><li nr="l."><al>Work first trajecten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inzet van de voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt beoogd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur uitvoering werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit te verwijten valt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>3.</nr><titel>SUBSIDIE EN VERGOEDINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een jongere een arbeids- of stageovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming in de loonkosten en in de kosten van voorbereiding op een beoogd dienstverband met de jongere.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist per individu over de duur van de subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een subsidieplafond vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de subsidies bedoeld in dit artikel is de Algemene subsidieverordening van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die kosten verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al>Artikel 13. Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 1 januari 2010. </al><al>Artikel 14. Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening werkleeraanbod WIJ Bloemendaal 2010”. </al></li></lijst><al>Aldus besloten in de openbare vergadering</al><al>van de raad der gemeente Bloemendaal,</al><al>gehouden op 1 juli 2010.</al><al>R.Th.M. Nederveen , voorzitter</al><al>K.A. van der Pas , griffier</al><al>Gepubliceerd in het Weekblad Kennemerland-Zuid d.d. 8 juli 2010.</al><al>In werking (met terugwerkende kracht) : 1 januari 2010 </al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting Verordening werkleeraanbod WIJ Bloemendaal 2010</label></kop><al/><al><vet>De Wet investeren in jongeren en het werkleeraanbod
</vet></al><al>Op  1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking  getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie  in regulier werk van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de  wet een recht op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het  werkleerrecht berust op het uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold  zijn en over voldoende kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het  werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen  voorzien. 
</al><al>De  WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van  alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe  moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. </al><al>Evenals  in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De  gemeente is onder bepaalde voorwaarden verplicht een werkleeraanbod en  eventueel een inkomensvoorziening aan te bieden. De jongere is verplicht  zich te houden aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen  geschonden, dan kan het werkleeraanbod worden ingetrokken en dient de  inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41, eerste lid WIJ). Die  verlaging geschiedt conform de regels die in een gemeentelijke  verordening moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste lid onderdeel b  WIJ). Dat is de Maatregelverordening Wet investeren in jongeren.</al><al><vet>Duurzame arbeidsparticipatie</vet></al><al>Voor  jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar ontstaat onder de  voorwaarden die in de WIJ zijn genoemd, een individueel recht op een  werkleeraanbod. Dat is meer dan een recht op een eenmalige voorziening.  Zo nodig is het een recht op een reeks voorzieningen gericht op de  kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie. Langs welke route die weg  verloopt, is een individueel gegeven dat wordt bepaald door de afstand  van de jongere tot de arbeidsmarkt en de beschikbaarheid van  voorzieningen. Onder duurzame arbeidsparticipatie wordt verstaan de  arbeidsinschakeling waarbij jongeren gedurende langere tijd en op eigen  kracht aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en arbeid verrichten die  past bij hun kennis en vaardigheden of deze kennis en vaardigheden  bevordert (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 11). Tot dat  punt is bereikt is de gemeente verplicht de jongere (bij herhaling) een  werkleeraanbod te doen gericht op arbeidsinschakeling. Er is  nadrukkelijk voor gekozen om niet bij voorbaat te bepalen hoe lang de  algemeen geaccepteerde arbeid zou moeten duren voordat over ‘duurzame  arbeidsparticipatie’ kan worden gesproken (Handelingen TK 2008-2009, nr.  76, p. 6006). De jongere dient op het punt gebracht te worden dat hij  geen ondersteuning van het college meer nodig heeft. </al><al><vet>Inhoud werkleeraanbod</vet></al><al>Het  begrip ‘werkleeraanbod’ moet ruim worden uitgelegd. Het werkleeraanbod  kan allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’ baan tot  vakgerichte scholing of een combinatie van beide. Een werkleeraanbod kan  ook bestaan uit voorzieningen die nodig worden geacht op weg naar  arbeidsinschakeling, zoals een sollicitatietraining, een cursus gericht  op de ontwikkeling van werknemersvaardigheden, een stageplaats,  schuldhulpverlening, sociale activering, nazorg en gesubsidieerde  arbeid. Afgezien van participatieplaatsen kan het gehele instrumentarium  dat de regiogemeenten hebben ontwikkeld voor de re-integratie in het  kader van de WWB, ook op jongeren toegepast worden. Participatieplaatsen  zijn uitgezonderd. Bij jongeren zal de situatie waarin de afstand tot  de arbeidsmarkt dusdanig groot is dat die alleen met de maximale drie  jaar additionele arbeid te overbruggen is zich niet in die mate voordoen  dat de regering participatieplaatsen in de vorm van artikel 10a WWB  noodzakelijk acht. Ook uitgezonderd is het reguliere onderwijs dat door  het Rijk wordt bekostigd (zie ook artikel 23, eerste lid, onderdeel a  WIJ). Het college kan de jongere weliswaar adviseren een dergelijke vorm  van onderwijs te volgen of weer te gaan volgen als dit zinvol wordt  geacht, maar het is geen voorziening die de gemeente kan inzetten om  vorm te geven aan het werkleeraanbod. Een premie voor de  arbeidsinschakeling past niet bij het uitgangspunt dat jongeren die  daartoe in staat zijn moeten leren of werken. Daarom is er geen  aanleiding om werken en/of leren te belonen met een financiële  vrijlating van inkomsten uit deeltijdarbeid of van een premie i.v.m.  arbeidsinschakeling bij de inkomensvoorziening. Dat geldt evenzeer voor  een onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk, tenzij deze bestemd is  voor aantoonbaar gemaakte kosten.</al><al>Het  college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor de  vraag of het accent komt te liggen op werken of leren. Gelet op de  duurzame arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken de hoogste  prioriteit hebben als de jongere daartoe in staat is. Zijn er echter  belemmeringen op de weg daar naartoe, dan kunnen allerlei voorzieningen  worden ingezet om dat einddoel te bereiken. Van belang daarbij is dat de  startkwalificatie binnen het werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat  deze in belangrijke mate kan bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie.  Het is aan de gemeenten overgelaten om te beoordelen in hoeverre de  jongere in staat moet worden gesteld een dergelijke kwalificatie te  behalen of anderszins scholing te ontvangen die de toegang tot de  arbeidsmarkt bevordert.</al><al><vet>Maatwerk</vet></al><al>Uitgangspunt  is dat maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod wordt afgestemd  op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de jongere (artikel  18, eerste lid WIJ). De wensen van jongeren worden betrokken bij het  vormgeven van het werkleeraanbod (artikel 14, eerste lid WIJ). Het  college is verplicht die wensen vast te leggen in de rapportage die ten  grondslag ligt aan het werkleeraanbod en dient daarbij tevens aan te  geven op welke wijze die wensen bij het werkleeraanbod betrokken zijn.</al><al><vet>Werken en leren niet direct mogelijk</vet></al><al>Wanneer  het doen van een werkleeraanbod bestaande uit werken en/of leren niet  direct mogelijk is, dient een aanbod gedaan te worden dat op termijn  perspectief biedt op arbeidsinschakeling. Dat kan betekenen dat  voorzieningen worden ingezet in de vorm van zorg- of hulpverlening,  waarbij ook aandacht kan worden besteed aan belemmerende factoren, zoals  psychische, sociale en cognitieve problemen. Het werkleeraanbod omvat  immers het geheel van re-integratievoorzieningen, dat gericht is op  duurzame arbeidsparticipatie. Is de jongere naar het oordeel van het  college in het geheel niet in staat dat om redenen van lichamelijk,  sociale of psychische aard uitvoering wordt gegeven aan een  werkleeraanbod, dan kan daarvan vooralsnog tijdelijk worden afgezien  (artikel 17, tweede lid WIJ). Zorgtaken kunnen worden aangemerkt als  reden van sociale aard, voor zover daarmee geen rekening kan worden  gehouden door middel van een voorziening. </al><al><vet>Alleenstaande ouders</vet></al><al>Bij  de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht  besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijke  medische en/of fysieke beperkingen. Daarom geldt voor alleenstaande  ouders met een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat het  werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of  opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een  dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven  gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). </al><al>Daarmee  loopt deze regeling parallel met de WWB (artikel 9a WWB). Anders dan in  de WWB echter is uit oogpunt van deregulering afgezien van een maximale  termijn van zes jaar. Dit omdat gezien de maximale duur van het  werkleerrecht (van 18 tot 27 jaar) deze maximale termijn in de meeste  gevallen al in de werkleerperiode zal zijn geïncorporeerd.</al><al><vet>Zelfstandigen</vet></al><al>Besloten  is om zelfstandigen uit te zonderen van het recht op een werkleeraanbod  en van het recht op inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid,  onderdeel e jo. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen  een beroep doen op algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de  behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f van de WWB, zodat  de (jongere) zelfstandige zich geheel kan richten op zijn bestaan als  zelfstandige. In het zesde lid van artikel 17 WIJ wordt evenwel bepaald  dat het college de mogelijkheid (niet de verplichting) heeft om aan de  jongere die als zelfstandige wil beginnen een werkleeraanbod te doen dat  bestaat uit een voorbereidingsperiode op het bestaan als zelfstandige.  Dit werkleeraanbod duurt maximaal twaalf maanden en kan slechts worden  aangeboden op verzoek van de jongere.</al><al><vet>Gehandicapten</vet></al><al>Voor  de groep jongeren met een medische beperking (die niet behoren tot de  doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het aanbod aansluit bij  hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het werkleerrecht  zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand van de  individuele situatie zal beoordeeld moeten worden welk aanbod past bij  de jongere gelet op zijn/haar mogelijkheden en beperkingen. Het  werkleeraanbod moet aansluiten bij de individuele mogelijkheden van de  persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Maatwerk betekent  een zorgvuldige op de persoon toegesneden afweging bij de uiteindelijke  keuze van een traject. Voor de groep jongeren die weinig perspectief  heeft op arbeidsinschakeling behoort sociale activering tot  mogelijkheden. Als een werkleeraanbod vanwege de medische situatie in  het geheel niet mogelijk is, wordt de gehandicapte geen aanbod gedaan.  Wel kan aanspraak op een inkomensvoorziening bestaan.</al><al><vet>Relatie met re-integratieverordening WWB</vet></al><al>Het  instrumentarium dat al beschikbaar is voor de re-integratie in het  kader van de WWB kan, uitgezonderd participatieplaatsen,  stimuleringspremies en vrijlating van inkomsten uit arbeid, geheel  worden ingezet voor de vormgeving van het werkleeraanbod. </al><al><vet>Relatie met Maatregelenverordening</vet></al><al>De  verordening Werkleeraanbod en de Maatregelenverordening vormen twee  kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college plicht op  om jongeren een werkleeraanbod te doen. Anderzijds staat daar wel wat  tegenover. De jongere is verplicht het aanbod te aanvaarden en  verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven.  Komt de jongere die verplichtingen niet na, dan vormt dat een grond voor  verlaging van de inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus  op elkaar aan. In verband daarmee is in de verordening Werkleeraanbod  herhaald dat onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ het  werkleeraanbod ingetrokken kan worden.</al><al>Omdat  met deze intrekking tevens het recht op inkomensvoorziening vervalt, is  het van belang dat wordt afgebakend wanneer de inkomensvoorziening  verlaagd en wanneer deze ingetrokken wordt. Uitgangspunt van de wetgever  is daarbij geweest dat bij schending van verplichtingen primair een  maatregel aangewezen is en pas in tweede instantie intrekking van het  werkleeraanbod en daarmee tevens van de inkomensvoorziening aan de orde  komt. Het opleggen van een maatregel is daarom regel, het intrekken van  het werkleeraanbod uitzondering. </al><al><vet>Staatssteun  
</vet></al><al>Ondanks  het feit dat gemeenten beleidsvrijheid hebben met betrekking tot de  inrichting van het beleid omtrent hun werkleeraanbod, worden zij toch  gebonden aan de regels die de Europese Unie stelt.</al><al>Van  belang is dat per 1 januari 2009 de Europese vrijstellingsverordening  werkgelegenheidssteun (Nr. 2204/2002) is komen te vervallen. Wel van  toepassing zijn de Verordening de minimis-steun (Verordening (EG) Nr.  69/2001) en de Algemene groepsvrijstellingsverordening (nr. 800/2008). </al><al>De  Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de  mogelijkheden voor het gemeentelijke re-integratiebeleid opleveren.  Aangezien in deze werkleerverordening niet op voorhand bepaalde  bedrijven of groepen van bedrijven of sectoren expliciet worden  uitgesloten van subsidiëring, is met deze verordening sprake van een  generieke regeling en worden de subsidies niet aangemerkt als  staatssteun. De bepalingen uit de EG-verordeningen zijn niet van  toepassing.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting
</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen 
</vet></al><al>Begrippen  die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in  de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals ‘werkleeraanbod’,  ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw gedefinieerd. Wel  gedefinieerd zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en ‘algemeen  geaccepteerde arbeid’, omdat deze in de WIJ niet nader zijn omschreven.  Het begrip ‘startkwalificatie’ is afkomstig uit de Wet educatie en  beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB gedefinieerd (art. 6, eerste  lid, onderdeel d WWB). De omschrijving van ‘algemeen geaccepteerde  arbeid’ is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het verslag  (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28).</al><al><vet>Artikel 2. Opdracht college streven naar starkwalificatie 
</vet></al><al>In  het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze  voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ.  Hoewel deze opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en  artikel 5, eerste lid, WIJ kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt  van duidelijkheid voor gekozen de opdracht aan het college nader te  omschrijven. In het tweede lid is tevens verduidelijkt dat het  werkleeraanbod ook samengesteld kan zijn uit een combinatie van algemeen  geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij arbeidsinschakeling en één of  meerdere voorzieningen. Onder voorziening wordt verstaan een instrument  dat wordt ingezet om de jongere dichterbij de arbeidsmarkt te brengen.  Dit kan zoals gezegd allerlei vormen hebben, variërend van  schuldhulpverlening tot training van werknemersvaardigheden.</al><al>In  het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan uit  ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep of  bedrijf. Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een oogpunt  van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang dat  gehecht wordt aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk, is  deze bepaling opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een  zgn. ‘kan’-bepaling is: het college kan bepalen dat het zinvol is de  jongere een aanbod te doen gericht op ondersteuning richting zelfstandig  bedrijf of beroep. </al><al>Het  vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ. Wederom  uit een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op  het belang van maatwerk bij het vaststellen van het werkleeraanbod, is  dit artikel opgenomen. Toegevoegd is de gemeentelijke onderzoeksplicht  en de plicht om de wensen van de jongere bij de invulling te betrekken.  Met het oog op motivering en kansbenutting zal het college daarmee  rekening dienen te houden. Daarmee is niet gezegd dat de jongere recht  heeft op een bepaalde specifieke voorziening en deze kan opeisen. De  uiteindelijke invulling van de aard en de samenstelling van het aanbod  is voorbehouden aan het college.</al><al><vet>Artikel 3. Aanspraak op ondersteuning 
</vet></al><al>Jongeren  die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking voor  ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voorzieningen. Dit vloeit al  voort uit artikel 13, eerste lid, WIJ maar is omwille van de  herkenbaarheid en eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. Wat de vorm  van de ondersteuning is, bepaalt het college zelf (bijv. Kamerstukken II  2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 22). </al><al>Voor  de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet gaan  die recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere ‘jongere’ in  de zin van de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want daaronder wordt  verstaan de jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar. Artikel 13,  eerste lid, WIJ kadert de doelgroep af.</al><al>In  het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene  aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld zijn voor het  aanbieden van een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen naar de  verordening waarin criteria zijn uitgewerkt. </al><al><vet>Artikel 4. Arbeidsinschakeling 
</vet></al><al>Het  staat het college vrij om bij het werkleeraanbod aan de jongere een  keuze te maken tussen het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid,  ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en een voorziening gericht op  arbeidsinschakeling. Deze zijn nevengeschikt. De kortste weg naar  duurzame arbeidsparticipatie is echter het doel van het in te zetten  werkleeraanbod. In dat verband is in de verordening opgenomen dat  jongeren die direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in beginsel  algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangeboden, of ondersteuning bij de  arbeidsinschakeling, als bijv. arbeid niet direct beschikbaar is. Van  belang is dat bij de beoordeling van het direct inzetbaar zijn van een  jongere, het bezitten van een startkwalificatie een ijkpunt is. Het  blijft uiteraard een kwestie van maatwerk of daar in het concrete geval  ook toe besloten wordt. De woorden ‘in beginsel’ moeten in die context  worden gelezen.
</al><al><vet>Artikel 5. De voorzieningen 
</vet></al><al>Naast  het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning bij de  arbeidsinschakeling kan het college voorzieningen aanbieden. Die  voorzieningen zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct  inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt, maar kan in een krimpende  arbeidsmarkt ook worden aangeboden aan jongeren zonder direct  aanwijsbare belemmeringen. </al><al>In  dit artikel zijn de voorzieningen opgesomd die het college ter  beschikking staan. Het is denkbaar dat de beschikbare voorzieningen in  de verordening nog nader worden geduid, in die zin, dat tevens  aangegeven wordt wat de concrete inhoud is van de betreffende  voorzieningen, wie de feitelijke aanbieders zijn (opleidingsinstituten,  re-integratiebedrijven e.d.) en het aantal trajecten dat beschikbaar is.  Daarbij kan ook per voorziening worden aangegeven welk budget daarvoor  beschikbaar wordt gesteld en of er een budgetplafond van toepassing is.  Het college kan niet gedwongen worden om in een concreet geval een  specifieke voorziening aan te bieden. Het staat het college in beginsel  vrij om het werkleeraanbod zelf invulling te geven en daarbij ook te  betrekken de mate waarin voorzieningen noodzakelijk geacht worden en  feitelijk beschikbaar zijn.</al><al>Aandachtspunt  is wel dat een nadere concretisering (welke voorzieningen door welke  aanbieders) uitgelegd zou kunnen worden als een vorm van staatssteun.  Ter zake wordt verwezen naar wat daarover in de Algemene toelichting is  gesteld.
</al><al><vet>Artikel 6. Inzet van de voorzieningen 
</vet></al><al>In  het eerste lid is het maatwerk-principe gerelateerd aan de inzet van  voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat  en toereikend middel zijn om het doel te bereiken. In het tweede lid is  het doel van de inzet van voorzieningen verwoord. Afhankelijk van de  aard van de voorziening zal sprake zijn van één van de aangegeven  (tussen)doelen, met als eindbestemming de duurzame arbeidsparticipatie.
</al><al><vet>Artikel 7. Verplichtingen van de jongere 
</vet></al><al>In  de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het recht  op een werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is  toegevoegd dat de jongere de verplichtingen dient na te komen die  voortvloeien uit de verordening of die in concreto aan een voorziening  zijn verbonden. Dit kunnen verplichtingen van uiteenlopende aard zijn,  die een concretisering vormen van de in de WIJ opgenomen verplichtingen.  Zo kan bepaald worden dat een jongere gedurende het traject op gezette  tijden met de consulent de voortgang bespreekt. </al><al><vet>Artikel 8. Intrekking werkleeraanbod 
</vet></al><al>Dit  artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van  opname van deze bepaling in de Verordening werkleeraanbod is gelegen in  de overweging dat intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan  het voeren van beleid m.b.t. de invulling het werkleeraanbod. Daar waar  het recht op werkleeraanbod wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook  worden ingetrokken, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met  betrekking tot intrekking van het werkleeraanbod in verband met  schending van de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod, wordt  het aan het college overgelaten om te bepalen onder welke voorwaarden  daartoe kan worden besloten. Het is niet aan de gemeenteraad om daarover  voorschriften te geven, niettemin dient het intrekken van het  werkleeraanbod met terughoudendheid plaats te vinden, zoals al in de  algemene toelichting is opgemerkt. Intrekking is in wezen slechts aan de  orde als er een situatie is ontstaan dat niet langer kan worden gevergd  dat het werkleeraanbod wordt voortgezet en een andere invulling (via  gedeeltelijke herziening) evenmin soelaas biedt. Gedacht kan worden aan  herhaalde misdragingen tegen andere jongeren of begeleiders op de  werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij kunnen bijv. ook een rol  spelen de positie van gemotiveerde jongeren die wachten op een  werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van de  voorziening. Het verdient aanbeveling als het college bij de invulling  van het gemeentelijke beleid met deze kaders rekening houdt en slechts  tot intrekking besluit nadat de individuele situatie zorgvuldig  afgewogen is.</al><al><vet>Artikel 9. Budgetplafonds 
</vet></al><al>De  gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de  verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan  echter nooit een reden zijn om geen werkleeraanbod te doen. De  verplichting daartoe is immers vastgelegd in artikel 13, eerste lid WIJ.  Wel kan de invulling van het werkleeraanbod beïnvloed worden door  budgettaire beperkingen. Zijn er vanwege die beperkingen voor bepaalde  voorzieningen geen middelen meer dan dient te worden nagegaan welke  andere instrumenten beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen  algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per  voorziening een plafond wordt ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open  dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken om tot duurzame  arbeidsparticipatie te komen. </al><al>Op  het moment van vaststellen van deze verordening is er nog geen  aanleiding om plafonds in te stellen. De situatie kan zich echter in de  toekomst voordoen, zodat het nodig is van deze mogelijkheid gebruik te  maken. </al><al><vet>Artikel 10. Subsidies 
</vet></al><al>Het  werkleeraanbod kan worden ingevuld met gesubsidieerde arbeid. Dit kan  ook als voorziening worden aangemerkt. In het eerste lid is vastgelegd  dat de subsidie aan de werkgever kan bestaan in een tegemoetkoming in de  loonkosten of andere bijkomende kosten. Deze subsidie vormt als zodanig  een noodzakelijke voorwaarde voor de voorziening. Voor het verstrekken  van een subsidie is een wettelijke grondslag vereist (artikel 4:23,  eerste lid Awb). Om die reden is een specifiek artikel opgenomen dat  deze grondslag biedt. In het eerste lid worden loonkostensubsidies en  subsidies ter voorbereiding van een dienstverband van een grondslag  voorzien. </al><al>Op  grond van het tweede lid stelt het college op basis van maatwerk de  subsidiëring vast. Met de bedoelde subsidies moet een werkgever worden  ‘verleid’ om de jongeren een reguliere baan aan te bieden. </al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, subsidieplafonds vaststellen. </al><al>Om  subsidies te kunnen weigeren bij ontbrekende middelen is het een  vereiste dat een dergelijk plafond is ingesteld, zie ook artikel 4:24  e.v. Awb. In lid 3 is de bevoegdheid van het college vastgesteld om  plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van  de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in  de begroting voor de verschillende soorten subsidie worden  gereserveerd. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór  de periode waarvoor deze geldt (artikel 4:27 lid 1 Awb). Op het moment  van vaststellen van deze verordening is er nog geen aanleiding om  plafonds in te stellen. De situatie kan zich echter in de toekomst  voordoen, zodat het nodig is van deze mogelijkheid gebruik te maken.</al><al><vet>Artikel 11. Vergoedingen 
</vet></al><al>Kosten  die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het  werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht  kan bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de  voorliggende voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet.  Ook noodzakelijke reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor  verplichte kleding of schoeisel, kunnen voor vergoeding in aanmerking  komen, mits de kosten aantoonbaar en noodzakelijk zijn en er geen andere  voorzieningen zijn. Ten aanzien van reiskosten wordt een vergoeding op  basis van de kosten van het openbaar vervoer verstrekt als de afstand  tussen de woning van de jongere en de plaats waar het leerwerkaanbod  wordt uitgevoerd meer bedraagt dan 10 kilometer. De kosten kunnen ten  laste worden gebracht van het participatiebudget.</al><al><vet>Artikel 12. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule 
</vet></al><al>In  de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat de  gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening  uitgewerkt. Het college is belast met de uitvoering van dat beleid en op  sommige onderdelen, met de nadere uitwerking daarvan. Doen zich  situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing  van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van overwegende  aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin  recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het  gemeentelijke beleid en anderzijds het individuele belang van de  jongere. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden  genomen die afwijken van deze verordening. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>