<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR101143_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Bloemendaal 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-04-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Kennemerland Zuid d.d. 7 april 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Bloemendaal 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 44, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 44, lid 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 94 t/m 95</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-03-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-04-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011008715</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Bloemendaal 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243; </al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244; </al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders; </al></li><li nr="e."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212; </al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt. 56;
                                </al></li><li nr="g."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                    181; </al></li><li nr="h."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder; </al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet. </al></li><li nr="k."><al>duocommissielid : commissielid als bedoeld in artikel 55 van het
                                    Reglement van Orde van de gemeenteraad en de raadscommissies van
                                    Bloemendaal 2010;</al></li><li nr="l."><al>college : burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="m."><al>Presidium : het Presidium, bedoeld in artikel 3 van het
                                    Reglement van Orde van de gemeenteraad en de raadscommissies van
                                    Bloemendaal 2010.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend die
                                gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste lid een
                                onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld
                                in artikel 2, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden, zoals dat bedrag jaarlijks door de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur vergoed.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten; </al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al> De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                            van reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het
                            raadslid vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij het
                                Presidium. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                vervulling van het raadslidmaatschap. Een vergoeding blijft
                                achterwege als het algemene politieke scholing betreft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden komen één maal per vier jaar in aanmerking voor
                                vergoeding van computerapparatuur met toebehoren, zulks voor de
                                uitoefening van hun functie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het maximale bedrag dat hiervoor per persoon wordt vergoed, wordt
                                door burgemeester en wethouders vastgesteld aan de hand van het
                                beschikbare budget.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betaling vindt plaats door de gemeente na inzending van een op
                                naam van de gemeente gestelde rekening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Betrokkenen dienen zelf een servicecontract met een bedrijf af te
                                sluiten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De afschrijvingstermijn van apparatuur en toebehoren bedraagt vier
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij beëindiging van het raadslidmaatschap binnen de
                                afschrijvingstermijn als bedoeld onder 5 zal terugbetaling dienen
                                plaats te vinden van een evenredig deel van het door de gemeente
                                betaalde bedrag. Bij tussentijdse toetreding is de vergoeding
                                evenredig aan de nog niet verstreken raadsperiode.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De leden 1 t/m 6 van dit artikel zijn ook van toepassing op
                                duocommissieleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al> (vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>Niet overgenomen uit de modelverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><al>Niet overgenomen uit de modelverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                    Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van
                                    die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting. </al></li><li nr="2."><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het
                                    Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt
                                    en de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit
                                    ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><al> 1. Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                            30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad waarneemt,
                            ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in artikel 2
                            bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van de
                            waarneming. </al><al>2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                            onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden is van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven
                                    van toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10
                                    van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap
                                    en bevalling of ziekte, met dien verstande dat de
                                    onkostenvergoeding die dit raadslid op grond van artikel 3,
                                    eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van het bedrag
                                    dat op grond van die bepalingen van toepassing is. </al></li><li nr="2."><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                    lid, en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van
                                    toepassing op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter
                                    vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X10 van de
                                    Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap en
                                    bevalling of ziekte. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al> Aan de wethouder wordt een onkostenvergoeding toegekend voor overige
                            aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten die gelijk is aan het
                            bedrag, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit
                            wethouders, zoals dit bedrag jaarlijks door de minister van Binnenlandse
                            Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al> De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in
                                    artikel 15 vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van
                                    andere dan de in artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de
                                    gemeente gemaakt. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                            taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten; </al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding
                                            als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                            rechtspositie wethouders; </al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs
                                            gemaakte verblijfkosten. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                    wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor
                                    gemeentelijk personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de
                                    eerste volzin is vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de
                                    reiskosten voor de zakelijke reizen van de wethouder plaats
                                    overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling binnenland,
                                    artikel 2a van de Reisregeling buitenland en artikel 13a van de
                                    krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                    Verplaatsingskostenregeling 1989. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan voor reizen ten behoeve van de gemeente geen
                                gebruik maken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder
                                dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan
                                een door de gemeente ingehuurde auto.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de wethouder evenmin
                                worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling en voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de
                                wethouder vervult uit hoofde van zijn ambt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al> (vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                    Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                    reis- en verblijfkosten vergoed. </al></li><li nr="2."><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                    zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf
                                    toestemming van het college vereist. Het college kan aan deze
                                    toestemming voorwaarden verbinden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij het
                                college. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                uitoefening van het ambt van wethouder. Een vergoeding blijft
                                achterwege als het algemene politieke scholing betreft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Computer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wethouders komen één maal per vier jaar in aanmerking voor
                                vergoeding van computerapparatuur met toebehoren, zulks voor de
                                uitoefening van hun functie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het maximale bedrag dat hiervoor per persoon wordt vergoed, wordt
                                door burgemeester en wethouders vastgesteld aan de hand van het
                                beschikbare budget.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betaling vindt plaats door de gemeente na inzending van een op
                                naam van de gemeente gestelde rekening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Betrokkenen dienen zelf een servicecontract met een bedrijf af te
                                sluiten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De afschrijvingstermijn van apparatuur en toebehoren bedraagt vier
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij beëindiging van het wethouderschap binnen de
                                afschrijvingstermijn als bedoeld onder 5 zal terugbetaling dienen
                                plaats te vinden van een evenredig deel van het door de gemeente
                                betaalde bedrag. Bij tussentijdse toetreding is de vergoeding
                                evenredig aan de nog niet verstreken zittingsperiode.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van
                                zijn ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de wethouder worden de kosten van gesprekken voor
                                privé-doeleinden in rekening gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><al>Niet overgenomen uit de modelverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt, heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van: </al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders; </al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al> (vervallen) </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lid van een raadscommissie, zoals een duocommissielid, ontvangt
                                voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie en haar
                                subcommissies per bijgewoonde vergadering een vergoeding die gelijk
                                is aan het bedrag, vermeld in artikel 13 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie </al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder; </al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd; </al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden van de commissie van advies voor de Bezwaar- en
                                Beroepschriften ontvangen een vergoeding per bijgewoonde
                                vergadering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De fungerende voorzitter van de commissie van advies voor de
                                Bezwaar- en Beroepschriften ontvangt een vergoeding per bijgewoonde
                                vergadering.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De leden van de VAC Bloemendaal ontvangen een vergoeding per
                                bijgewoonde vergadering.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De leden van de commissie voor ruimtelijke kwaliteit (welstands- en
                                monumentencommissie) ontvangen een vergoeding conform het jaarlijks
                                geadviseerde BNA-uurtarief. De vergoeding is maximaal drie maal het
                                uurtarief per bijgewoonde vergadering.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De vergoedingen als bedoeld in de leden 4 t/m 6 worden, ingaande 1
                                januari 2011, door het college vastgesteld en jaarlijks, ingaande 1
                                januari 2012, aangepast met hetzelfde percentage als waarmee de
                                vergoeding voor werkzaamheden van raadscommissieleden, als bedoeld
                                in lid 1, wordt aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd, worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie vergoed. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                Regeling rechtspositie wethouders. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een raadscommissie toestemming verlenen voor een
                                excursie of reis naar het buitenland. De gemeenteraad kan aan de
                                toestemming voorwaarden verbinden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al> Niet overgenomen uit de modelverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Computer</titel></kop><al> Niet overgenomen uit de modelverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of </al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19, 20 en
                                24 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><al>Niet overgenomen uit de modelverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al> De verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                            Bloemendaal 2007 wordt ingetrokken per de datum dat de thans
                            vastgestelde verordening in werking treedt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de
                            publicatiedatum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden Bloemendaal 2011. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad der gemeente Bloemendaal,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 24 maart 2011.</ondertekening><ondertekening>R.Th.M. Nederveen , voorzitter</ondertekening><ondertekening>K.A. van der Pas , griffier</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in het Weekblad Kennemerland Zuid d.d. 7 april 2011.</ondertekening><ondertekening>In werking: 8 april 2011.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/></kop><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al><vet>Wettelijke regelingen </vet></al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is
                    aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads-
                    en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn aan die voor
                    Rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in verschillende regelingen waren
                    opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen
                    sinds 1 januari 2004 opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling
                    rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is
                    in beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen.
                    Voor secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming in
                    de kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij aftreden als
                    raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te
                    treffen. Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In de verordening zijn bepalingen
                    opgenomen inzake de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet
                    en genoemde rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet
                    is toegekend genieten de wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm
                    dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 44 van de Gemeentewet). Dit betekent
                    dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende wethouders uitsluitend te
                    vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit
                    wethouders, de Regeling rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen
                    hun aanspraak op een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers. Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads-
                    en commissieleden opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede lid van
                    die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en
                    commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en
                    tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van
                    gedeputeerde staten vereist. De rechtspositionele aanspraken voor raads- en
                    commissieleden zijn dan ook uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de
                    Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de
                    plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden. </al><al/><al>De verordening bevat bepalingen inzake: </al><al>· </al><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden (artikelen 2 en
                    26), waarbij is op te merken dat voor wethouders niets is opgenomen omdat hun
                    bezoldiging uitputtend is geregeld in het Rechtspositiebesluit wethouders; </al><al>· </al><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden (artikelen 3
                    en 14); </al><al>· </al><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden, waarbij voor
                    wethouders een onderscheid is gemaakt tussen woon-werkverkeer en zakelijke
                    reizen (artikelen 5, 6, 15 t/m 19, 27 en 28); </al><al>· </al><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming verhuisplichtige
                    wethouder (artikel 24) - beschikbaarstelling van computer- en
                    communicatieapparatuur aan wethouders en raadsleden (artikelen 8, 21 en 22) en
                    faciliteiten in de vorm van deelname van wethouders en raadsleden aan cursussen,
                    congressen e.d. (artikelen 7 en 20); </al><al>· </al><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan wethouders,
                    raads- en commissieleden (artikelen 8, 21, 22 en 30) en faciliteiten in de vorm
                    van deelname van wethouders, raads- en commissieleden aan cursussen, congressen
                    e.d. (artikelen 7, 20 en 29); </al><al>· </al><al>een aantal secundaire voorzieningen voor wethouders nl. de spaarloonregeling of
                    levensloopregeling (artikel 23).</al><al>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid Raadsleden zijn niet in
                    dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat
                    betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet
                    vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en
                    WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht op
                    vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding verschuldigde
                    inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering. Als gevolg
                    van een wijziging van artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden van 6 december 2006 (Stb. 2006, 660) kan de raad echter bij
                    verordening wel een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                    worden toegekend. Daardoor is tegemoet gekomen aan de inhouding van de
                    inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is
                    vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun
                    inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid
                    opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap
                    (zie hieronder). Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur
                    ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst
                    aangesteld en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het
                    materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op
                    wethouders. Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door
                    specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de
                    toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding
                    die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct
                    onder de werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de
                    dualisering van het gemeentebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of
                    niet voor de loonbelasting te opteren. Wethouders vallen niet onder de werking
                    van de Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen is voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering. De loon- en
                    inkomstenbelastingOpting in regeling Raadsleden kunnen opteren voor de
                    loonbelasting. Het raadslid kan met de gemeente overeenkomen dat deze
                    loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in regeling” genoemd. De administratie
                    van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde
                    wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het
                    raadslid aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                    gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente
                    de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen
                    werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                    raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden
                    over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De
                    inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen
                    administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                    onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                    stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de
                    zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die
                    niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd
                    toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                    resteert. Het meest duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan
                    raadsleden die gekozen hebben voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt
                    verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen
                    een lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto
                    vergoeding. Fiscale standaardpositie Als niet voor de loonbelasting wordt
                    geopteerd dan geldt voor het raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting
                    2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van
                    toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan
                    de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben
                    voor de standaard regeling zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als
                    onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan
                    de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan
                    onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap. Betrokkenen kunnen bij de
                    aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke beroepskosten, met inachtneming van
                    een aantal wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen op hun
                    belastbaar inkomen (belastbare resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle
                    betalingen en verstrekkingen op grond van deze verordening aan de
                    Belastingdienst te melden door middel van een opgave IB47. Verstrekkingen moeten
                    naar de waarde in het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk
                    zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste
                    kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel of niet heeft
                    geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de toelichting op
                    artikel 3). Eénmalige keuze per zittingsperiode Zoals hierboven naar voren is
                    gekomen, kan de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het
                    raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te
                    opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor
                    de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen
                    op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting
                    hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende
                    de zittingsperiode voor de resterende periode. De vergoedingssystematiek Voor de
                    uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen inkomen
                    hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van belang.
                    Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn
                    met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen vooruit
                    betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen
                    moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft
                    het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                    mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen, zal echter behoefte blijven
                    bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van
                    redeneren: </al><al>· </al><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering en
                    bestuurskosten); </al><al>· </al><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt, maar
                    zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie; </al><al>· </al><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden aangeboden
                    (indien de loonbelasting geldt); </al><al>· </al><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een (bruto)
                    vergoeding worden verstrekt. </al><al> Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende. </al><al>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering </al><al>· </al><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur; </al><al>· </al><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s; </al><al>· </al><al>deelname aan cursussen en congressen e.d. </al><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer. Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar
                    onbelast kunnen worden vergoed Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis-
                    en verblijfkosten, blijft het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven
                    aan de wethouder of het raadslid op basis van declaratie worden vergoed. Deze
                    kunnen, als is voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed.
                    Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen
                    worden vergoed Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)
                    kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is
                    aangegeven om welke beroepskosten het gaat. Voor raadsleden die niet voor de
                    loonbelasting hebben geopteerd, geldt dezelfde systematiek maar zijn de fiscale
                    gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde
                    in het economische verkeer als opbrengst te verantwoorden. Omdat zij hun
                    werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen, worden hun vergoedingen
                    niet gebruteerd toegekend. Controle en verantwoording Voor de bestuurlijke
                    uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere publieke middelen -
                    transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en
                    richtlijnen die voor het vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en
                    anderzijds een duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze
                    wijze kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het
                    gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders en over
                    de eventueel verschuldigde belasting. Dat is ook in hun belang omdat zij hun
                    functie moeten kunnen uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden
                    omtrent de financiering van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er
                    een zodanig sluitende financiële en administratieve organisatie is ingericht dat
                    er vertrouwen kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de
                    uitgaven. In hoofdstuk V is in verband hiermee een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven en declaratie
                    van vooruit betaalde kosten. Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten
                    heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van computer- en
                    communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening van de
                    politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode ontwikkeld en
                    vastgesteld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder
                    meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor
                    bespreking en zo nodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook
                    het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden
                    opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven over
                    de afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling
                    van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of
                    meningsverschillen. </al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid </vet></al><al> In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In
                    artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De
                    gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister
                    vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren: </al><al>· </al><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een percentage
                    tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde maximum; </al><al>· </al><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald als
                    presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding zijn.</al><al>· </al><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast. </al><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor
                    alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is
                    geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                    indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is aangegeven dat de
                    raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                    percentage daarvan. Raadsleden die een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                    ontvangen, kunnen sinds 1 januari 2006 verzoeken hun raadsvergoeding te
                    verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een lagere
                    arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid moet bij
                    verordening worden toegestaan en is opgenomen in artikel 11 van deze
                    verordening. </al><al><vet>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding </vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    de volgende kostencomponenten: </al><al>· </al><al>representatie </al><al>· </al><al>vakliteratuur </al><al>· </al><al>contributies, lidmaatschappen</al><al>· </al><al>telefoonkosten </al><al>· </al><al>bureaukosten, porti </al><al>· </al><al>zakelijke giften </al><al>· </al><al>bijdrage aan fractiekosten </al><al>· </al><al>ontvangsten thuis </al><al>· </al><al>excursies. </al><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                    voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 20 en 21). De onkostenvergoeding
                    is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts bijgesteld. De vaste
                    kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden verstrekt.
                    Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is het bedrag
                    gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft echter geen
                    betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het loonbelastingregime.
                    Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het
                    resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding
                    zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen,
                    blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog
                    worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting. De hoogte van de
                    kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in de
                    rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale bedrag van de
                    kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 14 is de hoogte van de
                    kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook de onkostenvergoeding kan
                    door de raad op een lager bedrag worden bepaald, dat echter niet lager mag zijn
                    dan 80% van het door de minister vastgestelde maximum. Het bedrag van de
                    kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan
                    de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is aangegeven of de
                    onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                    percentage daarvan. </al><al><vet>Artikel 5,6 en 27 reis- en verblijfkosten raads- en
                    commissieleden</vet></al><al> De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur. Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste
                    lid, van de Gemeentewet echter wel een vergoeding worden gegeven voor de reis-
                    en verblijfkosten in verband met reizen binnen de gemeente. Tot 2004 werd in de
                    rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de Reisregeling binnenland
                    en de Reisregeling buitenland zoals die voor de sector Rijk zijn vastgesteld.
                    Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de ‘Regeling rechtspositie wethouders’
                    en voor burgemeesters de ‘Regeling rechtspositie burgemeesters’ ingevoerd. De
                    vergoedingen in deze regelingen zijn in principe dezelfde als in de genoemde
                    reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties heeft door deze specifieke regelingen voor politieke
                    ambtsdragers de mogelijkheid meer op het ambt toegespitste vergoedingen vast te
                    stellen. De huidige regelingen voor burgemeesters en wethouders kennen in
                    beginsel dezelfde bedragen als de Rijksregeling. De vergoeding voor
                    noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet nader ingevuld.
                    Daarmee is dit een lokale aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een voor
                    de wethouders door het college en voor de raadsleden door de raad vast te
                    stellen uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting gezocht kan worden
                    bij de Rijksregelingen. Het is aan te bevelen de lokale uitvoeringsregelingen op
                    elkaar af te stemmen. Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    geen eigen vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 5, tweede lid,
                    onderdeel b, aansluiting gezocht bij de vergoedingsregeling voor wethouders,
                    die, zoals gezegd, overeenkomt met de vergoedingen in de Reisregeling
                    binnenland. Daardoor wordt het aantal regelingen waarnaar verwezen zou kunnen
                    worden, beperkt. De vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt
                    verblijfkosten is ook voor raads- en commissieleden een lokale aangelegenheid
                    die kan worden vastgelegd in een door de raad vast te stellen
                    uitvoeringsregeling, waarbij aansluiting gezocht kan worden bij de
                    uitvoeringsregeling voor de wethouders. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de verstrekte vergoedingen bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord. De
                    reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                    beroepskosten worden opgevoerd. Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar
                    vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals
                    die voor het Rijkspersoneel geldt De vergoeding van de reiskosten met het
                    openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast,
                    ongeacht het gebruikte vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2007 wordt
                    over de kilometervergoeding opgemerkt: <cursief>Vergoedingen voor reiskosten die
                        u naast de € 0,19 per kilometer betaalt, zijn ook loon. Dat zijn
                        bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor (extra)
                        afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een carkit of
                        navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                        aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer-
                        en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                        eindheffing. </cursief> Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn
                    voor dat hogere deel belast. </al><al><vet>Artikelen 7 en 20 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></al><al>Zoals hierboven al aangegeven, is deze voorziening in de bedrijfsvoering
                    gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn
                    in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is
                    gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de gemeente in het
                    gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan het
                    individuele raadslid in verband met de vervulling van het raadslidmaatschap op
                    eigen initiatief deelneemt. Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste
                    van de gemeente worden gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het
                    algemeen belang van de cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er
                    aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het
                    congres en een kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol
                    spelen. In het aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter
                    de aanvraag ondersteunt. De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen
                    hebben een zakelijk karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de
                    vergoeding c.q. verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden
                    die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                    verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                    inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte
                    kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen
                    worden opgevoerd. </al><al><vet>Artikel 8 en 21 Computer </vet></al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                    onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien deze geheel
                    of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. Er wordt veelal van uitgegaan dat
                    wethouders en raadsleden (en duocommissieleden) de computer niet geheel of
                    nagenoeg geheel zakelijk zullen gebruiken. Dat betekent dan dat zowel de
                    vergoeding, de verstrekking als de terbeschikkingstelling van computerapparatuur
                    en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming zal worden belast. In Bloemendaal wordt
                    dit, overeenkomstig de praktijk, opgelost door de raadsleden, schaduwleden en
                    wethouders schriftelijk te laten verklaren dat zij de computer geheel of
                    nagenoeg geheel voor gemeentedoeleinden gebruiken.</al><al><vet>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid
                    </vet></al><al> In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In de arbeidsongeschikt-heidswetgeving geldt het algemene principe
                    dat indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot
                    verlaging of intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit
                    omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                    arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor
                    raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door
                    een raadsvergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte van de
                    wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                    anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van
                    een raadszetel of bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op
                    grond van artikel 12 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    kunnen gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel
                    11 van de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid een
                    lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de
                    anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al><vet> Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet></al><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                    raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren
                    dat het UWV voor het raadslidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden
                    zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                    geregeld in artikel 12 van de verordening. </al><al><vet>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de gemeenteraad
                    </vet></al><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                    gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                    waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                    raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In overeenstemming
                    met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in artikel 13 van de
                    verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen
                    het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag
                    van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de vaste
                    onkostenvergoeding. Artikel 13a Ziektekostenvoorziening Ongeacht of een raadslid
                    gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of de status van fiscaal
                    zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding een inkomensafhankelijke
                    bijdrage worden betaald van 4,4%. Bij degenen die hebben gekozen voor het
                    fictieve werknemerschap wordt deze door de gemeente ingehouden; zelfstandigen
                    betalen deze via de inkomstenbelasting. Na afloop van het belastingjaar zal aan
                    de hand van de vaststelling van het maximum inkomen waarover de bijdrage wordt
                    geheven (dus alle belastbare inkomsten die in welke hoedanigheid dan ook zijn
                    ontvangen) worden vastgesteld of te veel is ingehouden resp. betaald. In dat
                    geval zal dat door de Belastingdienst worden terugbetaald, te beginnen bij de
                    inhoudingen van 4,4%. Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op
                    grond van artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    besluiten dat deze tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening
                    worden bepaald. Deze tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot stand
                    gekomen op verzoek van een groot aantal gemeenten als reactie op de inhouding
                    van de inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto raadsvergoeding
                    vermindert. De tegemoetkoming kan worden gezien als een compensatie hiervoor.
                    Artikel 13b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                    of ziekte Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                    bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen in
                    de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In de
                    vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er is
                    steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het tijdelijk
                    ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van vervanging is het niet
                    nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt over de duur van de
                    vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16
                    weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging
                    nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een
                    tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat verzoek, is opnieuw sprake van een
                    periode van 16 weken. In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de
                    voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum
                    van ingang en beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige
                    dan wel behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De
                    benoeming van de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van
                    het einde van het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor
                    korter zijn dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder
                    enig verzoek of besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de
                    hervatting van het raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk
                    raadslidmaatschap als de rechtspositionele aspecten daarvan. </al><al><vet>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en zakelijke reiskosten </vet></al><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. Bij
                    gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding in 2010 € 0,15 per
                    afgelegde kilometer. Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien
                    gemaakt met het openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in
                    redelijkheid gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto in 2010 € 0,37
                    per afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt
                    dan € 0,19, belast. Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de
                    kilometers voor het woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste
                    vergoeding worden verleend van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het
                    gebruikte vervoermiddel. Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere
                    deel belast. In het Handboek loonheffingen wordt over de kilometervergoeding
                    opgemerkt: Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                    betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                    tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen
                    van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik
                    van een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-,
                    veer- en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                    eindheffing. De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende
                    doeleinden te salderen. Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte
                    reiskostenvergoeding voor dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk
                    vastgestelde belastingvrije vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer een
                    verstrekte lagere vergoeding dan € 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in
                    mindering mag worden gebracht. Die salderingsmogelijkheid moet wel in een
                    formele vergoedingsregeling zijn vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 16,
                    tweede lid. Indien voor het gemeentelijk personeel een salderingsregeling geldt
                    wordt daarbij aangesloten. Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt in ieder
                    geval de salderingsregeling voor het rijkspersoneel. Reiskostenvergoedingen
                    mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers die betrekking hebben op
                    het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in geld is ontvangen,
                    alsmede kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat sprake is van
                    vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor een vergoeding
                    heeft ontvangen, mogen eveneens bij de saldering worden betrokken. Saldering,
                    respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel dat na saldering
                    overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op basis van
                    saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient uiterlijk plaats
                    te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar. Saldering na afloop
                    van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel kalenderjaar is mogelijk
                    zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In verband daarmee wordt de
                    reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van voorschot uitbetaald.
                    Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig deel van de in een
                    gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te worden uitgegaan van
                    alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd met de daadwerkelijk
                    afgelegde woon/werkkilometers. </al><al><vet>Artikel 17 Dienstauto </vet></al><al> Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de gemeente een dienstauto met of
                    zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan wethouders. In
                    Bloemendaal is dit niet gebruikelijk en daarom in dit artikel uitgesloten.</al><al><vet>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis</vet></al><al> Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de
                    wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden
                    vergoed. De tarieven in het voor het Rijkspersoneel geldende Reisbesluit
                    buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn
                    nadere gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming
                    in het college over buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten
                    van derden. Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf
                    (zowel inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het
                    combineren van een dienstreis met een (direct voorafgaande of aansluitende)
                    privé-reis. Ook raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang
                    excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van wethouders geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse
                    excursies en reizen van raadscommissies. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd. </al><al><vet>Artikel 22 mobiele telefoon</vet></al><al> Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen van een
                    mobiele telefoon geheel onbelast als het zakelijk gebruik meer dan 10% bedraagt.
                    In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten opgenomen. Voor
                    deeltijdwethouders is dat 12% van de onkostenvergoeding en voor voltijd
                    wethouders 9%. Bij het verstrekken van een mobiele telefoon kan sprake zijn van
                    overbedéling. De component telefoonkosten kan om die reden verminderd worden.
                    Anderzijds is ook bij wethouders sprake van gebruik van de privé telefoon voor
                    zakelijke doeleinden. Lid 4 vermeldt dat de kosten van privé-gesprekken aan de
                    wethouder in rekening worden gebracht.</al><al><vet>Artikel 23 Spaarloonregeling/levensloopregeling</vet></al><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                    spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Als de wethouder gebruik maakt
                    van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan een
                    levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. Wanneer opbouw van
                    de levensloopvoorziening geschiedt, mag dit uitsluitend ten laste van de
                    wethouderswedde plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is het
                    slechts mogelijk dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het
                    wethouderschap wordt meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling
                    ineens plaatsvindt. </al><al><vet>Artikel 24 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</vet></al><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet, behoudens door
                    de raad verleende vrijstelling voor steeds één jaar, verplicht om te gaan wonen
                    in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 24 is geregeld dat
                    zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast. </al><al><vet>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</vet> In
                    dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn ten slotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient. De hoogte van het presentiegeld wordt bij
                    gemeentelijke verordening bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1 januari het herziene bedrag vast aan
                    de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. In artikel 26, eerste lid, is er
                    voor gekozen de hoogte van de vergoeding te bepalen op het door de minister
                    vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager bedrag vaststellen. Het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de mogelijkheid
                    om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een hoger
                    bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde maximumbedrag.
                    Dat is geregeld in artikel 26, 4<sup>e</sup> t/m 7<sup>e</sup> lid, van de
                    verordening. </al><al><vet>Artikelen 31 t/m 33 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 31 zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 32 en
                    33 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde
                    is en welke procedurevoorschriften in acht genomen moeten worden. </al><al><vet>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</vet></al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten: </al><lijst><li nr="·"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden; </al></li><li nr="·"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="·"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders;
                        </al></li><li nr="·"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten; </al></li><li nr="·"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies </al></li></lijst><al><vet>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</vet></al><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen: </al><lijst><li nr="·"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden
                            en wethouders; </al></li><li nr="·"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders; </al></li><li nr="·"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten; </al></li><li nr="·"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders.
                        </al></li></lijst><al> Artikelen 35 t/m 37 Citeertitel en inwerkingtreding Spreken voor zich. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>