<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR101127_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsplan 2012 - 2013 Sociale Zaken</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlagtwedde</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlagtwedde</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ter Apeler Courant 26-6-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsplan 2012 - 2013 Sociale Zaken</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Geen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>ZA.11-13522/DB.12-824</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsplan 2012 - 2013 Sociale Zaken</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>INLEIDING</titel></kop><structuurtekst><al>Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand (Wwb)</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers">Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers (Ioaw)</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen">Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (Ioaz)</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=besluit%20bijstandsverlening%20zelfstandigen%202004">Besluit bijstand zelfstandigen (Bbz)</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inburgering">Wet inburgering (Wi),</extref> de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20stimulering%20arbeidsparticipatie">Wet stimulering arbeidsparticipatie (STAP)</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20sociale%20werkvoorziening">Wet sociale werkvoorziening (Wsw)</extref>. Het kabinet heeft de
                            Wet werken naar vermogen (Wwnv) ter besluitvorming naar de Tweede Kamer
                            gestuurd. Door de val van het kabinet is het op dit moment nog niet
                            zeker of de Tweede Kamer de wet gaat behandelen of dat de wet
                            controversieel wordt verklaard. Als dat laatste van toepassing is dan
                            zal niet eerder dan na de verkiezingen van 12 september de wet in de
                            Tweede Kamer behandeld worden. In dat geval is het zeer onwaarschijnlijk
                            dat de wet per 1-1-2013 in werking zal treden. Indien de Wwnv op enig
                            moment wordt aangenomen en van kracht wordt dan moet de Wwb in dit
                            beleidsplan gelezen worden als de Wwnv. Al deze wetten en regelingen
                            zullen in dit beleidsplan verder als ‘de wet’ worden aangehaald. De wet
                            biedt aan de gemeente Vlagtwedde de ruimte om eigen beleid te vormen. De
                            gemeenteraad heeft in verschillende verordeningen de kaders vastgelegd.
                            Het college van burgemeester en wethouders heeft de mogelijkheid nadere
                            beleidsregels vast te stellen voor een adequate uitvoering van de wet en
                            de verordeningen. De beleidsregels zijn opgenomen in het voorliggende
                            Beleidsplan Sociale Zaken 2012-2013. Bij de totstandkoming van dit
                            beleidsplan is rekening gehouden met de voorschriften zoals die
                            voortvloeien vanuit de wet. Dit beleidsplan treedt in werking per 1 juli
                            2012 en vervangt het Beleidsplan Sociale Zaken 2011-2012. Het
                            Beleidsplan Sociale Zaken 2012-2013 is geldig totdat er een nieuw
                            beleidsplan wordt vastgesteld en vormt een leidraad voor alle
                            medewerkers van de afdeling Samenleving. Daarnaast is dit beleidsplan
                            een voorlichtingsdocument voor een ieder die in het beleid van de
                            gemeente geïnteresseerd is.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Visie en doelstellingen</titel></kop><structuurtekst><al>Het beleid van de gemeente is gericht op:</al><lijst><li nr="a."><al>De bevordering van een doelmatige en rechtmatige uitvoering van
                                    de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
                                    van bijstand, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                                    wet.</al></li><li nr="b."><al>Het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoners
                                    van de gemeente met als doel de zelfstandigheid en de
                                    zelfredzaamheid te bevorderen.</al></li><li nr="c."><al>De bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening door
                                    middel van inschakeling van arbeid in dienstbetrekking.</al></li><li nr="d."><al>Het bemiddelen naar maatschappelijk actieve deelname van
                                    inwoners van de gemeente die in eerste instantie niet naar
                                    (reguliere) arbeid kunnen worden toe geleid.</al></li></lijst><al>De gemeente onderschrijft de stelling dat arbeid een basis is voor
                            zelfontplooiing, zelfstandigheid, ontwikkeling van vaardigheden,
                            contacten en van sociale betrokkenheid. De gemeente stimuleert de eigen
                            verantwoordelijkheid van de burger met als doel het bevorderen van de
                            zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De gemeente stelt zich dan ook ten
                            doel om bij de uitvoering van de wet iedere inwoner van de gemeente
                            Vlagtwedde, die niet op eigen kracht een reguliere betaalde baan kan
                            vinden en/of behouden, daarbij te ondersteunen. Concreet is de
                            doelstelling om ondanks de economische crisis het aantal
                            bijstandsgerechtigden van 141 (stand 20-05-2012) terug te brengen naar
                            130 ultimo 2013. Uitgangspunt hierbij is: iedereen aan het werk,
                            regulier betaald werk of als dat nog niet mogelijk is sociaal werk
                            (vrijwilligerswerk) tenzij bepaalde beperkingen zich daar gedeeltelijk
                            of volledig tegen verzetten. Mensen die niet in staat zijn om arbeid te
                            verrichten, kunnen op een andere manier meedoen. Nadruk ligt bij deze
                            groep burgers op het bevorderen van maatschappelijk actieve deelname.
                            Dit is tevens een van de aandachtsvelden van de Wet maatschappelijke
                            ondersteuning (Wmo). In dat opzicht zijn de Wwb en Wmo sterk met elkaar
                            verbonden.</al><al>De gemeente stelt zich ten doel om maatschappelijke uitval van burgers
                            te voorkomen, armoede te bestrijden door middel van
                            participatiebevordering, schuldhulpverlening en ondersteuning van
                            burgers die rond het minimum leven. De gemeente focust zich daarbij
                            primair op de door de Wwb aan haar toegewezen doelgroepen maar stelt
                            haar expertise ter beschikking aan iedere inwoner die ondersteuning
                            nodig heeft.</al><al>Daarnaast presenteert de gemeente zich in de markt als een professionele
                            dienstverlener aan het bedrijfsleven in het algemeen en het MKB in het
                            bijzonder, waarbij de toegevoegde waarde kan worden gevonden in het
                            bieden van werving en selectie van goede arbeidskrachten, een gratis
                            korte kennismakingsperiode, advisering op het gebied van HRM, geen
                            bureaucratie, ondersteuning en scholing van werknemers en toegang tot
                            (Europese) subsidiemogelijkheden.</al><al>De gemeente heeft daarbij voor zichzelf de volgende principes (normen en
                            waarden) geformuleerd:</al><al><cursief>Klantvriendelijkheid</cursief></al><al>Iedere klant, daaronder verstaan: inwoners en werkgevers die een beroep
                            doen op de diensten van de gemeente, alsook interne klanten, zullen door
                            medewerkers van de gemeente steeds naar beste kunnen worden geholpen.
                            Maatwerk, persoonlijk contact, accuraatheid, snelheid van handelen, het
                            principe “afspraak is afspraak” en pro-activiteit zullen hierbij een
                            basishouding van de medewerkers zijn.</al><al><cursief>Transparantie</cursief></al><al>De gemeente maakt haar ambities, processen en resultaten meetbaar,
                            kenbaar en openbaar.</al><al><cursief>Professionaliteit</cursief></al><al>De gemeente hecht aan een professionele, betrokken en flexibele
                            opstelling van alle medewerkers en stelt hoge eisen aan het niveau van
                            dienstverlening aan de klant. Van de medewerkers wordt verwacht dat zij
                            de klant kennen, weten wat er bij de klant leeft, wat diens wensen en
                            (on)mogelijkheden zijn. Deze mogelijkheden staan centraal in de manier
                            waarop zij hun functie vervullen.</al><al><cursief>Maatwerk</cursief></al><al>De gemeente biedt aan iedere klant de 1-2-3-methode aan. Daar waar nodig
                            wordt het aanbod op maat gemaakt om de klant te ondersteunen de hoogst
                            haalbare trede op de participatieladder te bereiken.</al><al><cursief>Resultaatgerichtheid</cursief></al><al>De gemeente stelt kwantitatief meetbare doelen en maakt deze waar.</al><al>Voor de jaren 2012 en 2013 zijn de navolgende meetbare doelstellingen
                            geformuleerd;</al><lijst><li nr="1)"><al>Het terugbrengen van het aantal uitkeringen van 141 naar 130
                                    uitkeringen ultimo 2013;</al></li><li nr="2)"><al>Het realiseren van de taakstelling Wsw;</al></li><li nr="3)"><al>Het realiseren van de taakstelling huisvesting van
                                    statushouders.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 BELEID ALGEMEEN</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Inleiding</onderstreept></al><al>Het streven is om de wet zo rechtmatig en doelmatig mogelijk uit te
                            voeren.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.1 Organisatie</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De afdeling Samenleving is opgedeeld in een aantal functies en
                            werkzaamheden die we onderbrengen in een aantal taakvelden. Dit
                            beleidsplan spitst zich toe op het taakveld Sociale Zaken. Bij het
                            taakveld Sociale Zaken vindt er door verschillende (wets) wijzigingen
                            een continue proces van beleidsontwikkeling en veranderingen plaats.
                            Onderstaande beschrijvingen van functies en taken zijn dan ook
                            indicatief.</al><al>Het taakveld Sociale Zaken bestaat uit verschillende disciplines zoals
                            Inkomen en Zorg, Werk, Inburgering, Huisvesting Statushouders, Volwassen
                            Educatie, Beleid en Administratie.</al><al>De twee Adviseurs Inkomen en Zorg (adviseur IZ) houden zich primair
                            bezig met het beoordelen van de rechtmatigheid van de uitkering en het
                            geven van voorlichting c.q. advies over de voorzieningen in het kader
                            van het minimabeleid. Daarnaast is handhaving een belangrijke taak die
                            bestaat uit het verstrekken van goede en transparante informatie over de
                            rechten en plichten van de uitkering aan de klant, fraudepreventie,
                            fraudebestrijding en het uitvoeren van een streng doch rechtvaardig
                            sanctiebeleid. Daarnaast voert de adviseur IZ een sterke
                            poortwachterfunctie uit, waardoor de instroom wordt beperkt.</al><al>Werk bestaat uit twee werkcoaches die tevens accountmanagers zijn. Beide
                            medewerkers van het taakveld Werk worden ingehuurd middels payrolling en
                            uit het Participatiebudget (Werkdeel Wwb) gefinancierd. Daartoe voeren
                            de medewerkers geen wettelijke taken uit. De wettelijke taken met
                            betrekking tot re-integratie worden uitgevoerd door Beleid. De
                            werkcoaches hebben als primaire taak klanten te begeleiden naar werk
                            inclusief voorafgaande diagnose, verwijzing, inzet van instrumenten,
                            geven van trainingen, presentatie van kandidaten e.d.) en hen te matchen
                            met concrete vacatures (inclusief nazorg aan kandidaten). De
                            werkcoaches/ accountmanagers zijn verantwoordelijk voor de acquisitie
                            van vacatures en stageplaatsen, netwerkbeheer en het maken van afspraken
                            met werkgevers alsook de matching van kandidaten met vacatures. Ook voor
                            de werkcoach is handhaving een belangrijk aspect van de
                            functievervulling, vooral door het uitvoeren van een streng doch
                            rechtvaardig sanctiebeleid. Daartoe geeft de werkcoach signalen door aan
                            taakveld Beleid die de inhoudelijke beoordeling doen en de beschikking
                            opmaken. In samenspel met de Adviseur Inkomen en Zorg heeft de
                            werkcoach, ook wat fraudepreventie / fraudebestrijding aangaat, een
                            signalerende functie.</al><al>Beleid bestaat uit één senior beleidsmedewerker en twee medewerkers
                            beleidsondersteuning. De twee medewerkers beleidsondersteuning houden
                            zich naast Sociale Zaken ook bezig met de Wmo. De senior
                            beleidsmedewerker zorgt voor de ontwikkeling van het beleid. De
                            beleidsondersteuners geven ondersteuning in de uitvoering en
                            ontwikkeling van het vastgestelde beleid. Ze bewaken de kwaliteit en
                            coachen de collega’s om de kwaliteit zo hoog mogelijk te krijgen c.q.
                            houden. Daarnaast verzorgen zij de bezwaar- en beroepszaken van Sociale
                            Zaken als ook de Wmo.</al><al>Inburgering en Huisvesting Statushouders is sinds 1-1-2012 uitbesteedt
                            aan stichting Rzijn. Educatie voor volwassenen is voor 2012 uitbesteed
                            aan het ROC Noorderpoort. Voor 2013 zal gekeken worden welke partij het
                            meest geschikt is om de educatie voor volwassenen uit te voeren.</al><al>Administratie bestaat in de basis uit vier medewerkers, één fulltime
                            medewerker beleidsondersteuning administratie, twee medewerkers die
                            verantwoordelijk zijn voor betaling van uitkeringen en uitbetalingen
                            Wmo, één medewerker voor debiteurenbeheer. De werkzaamheden met
                            betrekking tot terugvordering en verhaal zijn als proef uitbesteedt aan
                            de gemeente Stadskanaal.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.2 Ontwikkelingen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In deze paragraaf zal kort aandacht worden besteed aan de ontwikkelingen
                            die relevant zijn voor het gemeentelijke beleid in het kader van de wet
                            voor de komende jaren. </al><al><cursief>Wet werken naar vermogen</cursief></al><al>Het kabinet heeft de nieuwe wet werken naar vermogen (Wwnv) ter
                            besluitvorming naar de Tweede Kamer gezonden. Door de val van het
                            kabinet is het op dit moment nog niet zeker of de Tweede Kamer de wet
                            gaat behandelen of dat de wet controversieel wordt verklaard. Als dat
                            laatste van toepassing is dan zal niet eerder dan na de verkiezingen van
                            12 september 2012 de wet in de Tweede Kamer behandeld worden. In dat
                            geval is het zeer onwaarschijnlijk dat de wet per 1-1-2013 in werking
                            zal treden. Indien de Wwnv op enig moment wordt aangenomen en van kracht
                            wordt dan moet de Wwb in dit beleidsplan gelezen worden als de Wwnv. De
                            Wwnv komt namelijk in plaats van de Wwb. Verder worden de
                            toelatingseisen van de Wsw en de Wajong aangescherpt, waardoor de
                            toestroom zich zal verplaatsen naar de Wwnv. Alleen mensen die zijn
                            aangewezen op beschut werken komen nog in aanmerking van instroom in de
                            Wsw. De Wajong biedt alleen nog toegang voor die mensen die geen tot
                            nauwelijks arbeidsproductiviteit hebben. Tegelijk wil het kabinet flink
                            bezuinigen op het re-integratiebudget en Wsw. In het ‘Kunduz’ akkoord
                            hebben vijf politieke partijen samen afspraken gemaakt voor de begroting
                            2013. Daarbij wordt de Wsw gespaard en is de bezuiniging voor 2013 van
                            de baan. Het re-integratiebudget blijft vooralsnog op de hoogte van 2012
                            gehandhaafd.</al><al><cursief>Wet werk en bijstand</cursief></al><al>Deze wet vormt de basis voor de re-integratietaak van Vlagtwedde en de
                            budgetten die zij daarvoor van het Rijk ontvangt. De budgetten zijn door
                            het Rijk de laatste jaren sterk verlaagd. Het Inkomensdeel is het budget
                            ter dekking van de uitkeringskosten. Het Werkdeel als onderdeel van het
                            Participatiebudget is het budget ter dekking van de re-integratiekosten.
                            Onderstaande tabel geeft het verloop weer.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Omschrijving</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Omschrijving</al></entry><entry colname="col4"><al>Bedrag</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel 2004</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.829.064</al></entry><entry colname="col3"><al>Werkdeel 2004</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.891.755</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel 2005</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.186.952</al></entry><entry colname="col3"><al>Werkdeel 2005</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.924.195</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel 2006</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.121.587</al></entry><entry colname="col3"><al>Werkdeel 2006</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.763.215</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel 2007</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.857.407</al></entry><entry colname="col3"><al>Werkdeel 2007</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.602.549</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel 2008</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.814.580</al></entry><entry colname="col3"><al>Werkdeel 2008</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.390.009</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel 2009</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.633.123</al></entry><entry colname="col3"><al>Werkdeel 2009</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.205.894</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel 2010</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.168.666</al></entry><entry colname="col3"><al>Werkdeel 2010</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 901.926</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel 2011</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.276.278</al></entry><entry colname="col3"><al>Werkdeel 2011</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 598.722</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel 2012</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.601.299</al></entry><entry colname="col3"><al>Werkdeel 2012</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 398.378</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Wet participatiebudget</cursief></al><al>Vanaf 1-1-2009 is de Wet participatiebudget in werking getreden. Deze
                            wet regelt een bundeling van drie budgetten, het Werkdeel Wwb, de
                            middelen op grond van de Wet Inburgering en de middelen voor
                            volwasseneducatie. De vorming van het participatiebudget biedt de
                            gemeente meer mogelijkheden om burgers te laten participeren. Door de
                            economische situatie en wijzigingen in wet- en regelgeving is de
                            toegezegde ontschotting van de drie verschillende geldstromen uitgesteld
                            tot 1-1-2013.</al><al><cursief>Wet investeren in jongeren (Wij)</cursief></al><al>De Wij is op 1-10-2009 in werking getreden en is per 1-1-2012
                            ingetrokken. Vanaf die datum kunnen jongeren in de leeftijd tot 27 jaar
                            een beroep doen op de Wwb. De jongere die zich meldt voor een uitkering
                            wordt direct middels de 1-2-3-methode ondersteund om terug naar school
                            te gaan, betaald werk te zoeken of een combinatie.</al><al><cursief>Economie</cursief></al><al>Het CBS verwacht dat de economie in 2012 verder krimpt met 0,75%. De
                            vooruitzichten voor 2013 zijn onzeker. Onderzoek wijst uit dat de krimp
                            van het aantal banen in de regio Oost-Groningen groter is dan in andere
                            delen van het land. Door vergrijzing zal op termijn krapte op de
                            arbeidsmarkt ontstaan. Daarbij is de verwachting dat dit vooral in de
                            zorg en technische beroepen zal zijn. Ondanks de vergrijzing blijven de
                            arbeidskansen voor laagopgeleiden, ouderen en langdurig werklozen
                            ongunstig, vanwege het achterwege blijven van laaggeschoolde arbeid.
                            Hier ligt een uitdaging voor Vlagtwedde voor de komende jaren namelijk:
                            zoveel mogelijk scholing stimuleren, bovendien vraag en aanbod goed op
                            elkaar afstemmen. De afdelingen Samenleving en Ruimte (Economische
                            Zaken) werken nauw samen met ondernemers om vacatures binnen het
                            bedrijfsleven of de non-profit sector in de regio te vervullen en nieuwe
                            bedrijven naar Vlagtwedde te halen. Vlagtwedde bemiddelt actief tussen
                            vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Tevens zal er worden ingespeeld op
                            de vervangingsvraag van werkgevers, waardoor kandidaten tijdig geschoold
                            kunnen worden om toekomstige vrije vacatures te vervullen.</al><al><cursief>Huisvesting statushouders</cursief></al><al>Vlagtwedde heeft in 2011 veel energie gestoken in het realiseren van de
                            taakstelling. Dankzij deze inspanningen is een voorsprong op de
                            taakstelling ontstaan van 2. In 2012 en 2013 wordt het beleid voortgezet
                            om de volledige taakstelling te behalen. Daarmee heeft Vlagtwedde in de
                            afgelopen jaren in totaal zo’n 200 statushouders van een huis voorzien.
                            Hoe het er nu naar uitziet wordt de Wet Inburgering per 1-1-2013
                            aangepast, waardoor de gemeente afgezien van maatschappelijke
                            begeleiding, verder geen rol meer heeft in de inburgering. De gemeente
                            Vlagtwedde laat de huisvesting statushouders en de maatschappelijke
                            begeleiding door stichting Rzijn uitvoeren.</al><al><cursief>Wet sociale werkvoorziening</cursief></al><al>Door de modernisering heeft er sinds 2008 een herverdeling plaats
                            gevonden van het aantal <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20sociale%20werkvoorziening%20(Wsw)">WSW</extref> dienstverbanden over alle gemeenten van Nederland.
                            Voor Vlagtwedde heeft de herverdeling negatieve gevolgen, waardoor het
                            aantal toegekende <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20sociale%20werkvoorziening">WSW</extref> dienstverbanden steeds verder daalt. Onderstaande
                            tabel laat de herverdeling zien die per 2008 tot uitdrukking komt en in
                            2012 verder wordt voortgezet.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal SE’s</al></entry><entry colname="col3"><al>Bedrag</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>2008</al></entry><entry colname="col2"><al>362,4</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.181.987</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2009</al></entry><entry colname="col2"><al>351,53</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.519.428</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2010</al></entry><entry colname="col2"><al>335,71</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.091.018</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2011</al></entry><entry colname="col2"><al>328,43</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.459.846</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2012</al></entry><entry colname="col2"><al>316,26</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.146.378</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor 2012 krijgt de gemeente Vlagtwedde nog maar 316,26 SE’s (standaard
                            eenheden: dienstverbanden van 36 uur per week) toegekend ten opzichte
                            van 328,43 SE’s in 2011. Dit zal betekenen dat van 8 full-time
                            dienstverbanden afscheid zal moeten worden genomen door natuurlijk
                            verloop. Het niet verlengen van tijdelijke dienstverbanden is niet meer
                            van toepassing, doordat de gemeenteraad in 2011 er voor heeft gekozen
                            alle tijdelijke contracten om te zetten naar contracten voor onbepaalde
                            tijd. De wachtlijst (70 personen op 1-5-2012) is redelijk stabiel sinds
                            2010 toen er ook 70 mensen op de wachtlijst stonden. Er is een kans dat
                            in 2012 of 2013 door natuurlijk verloop WSW dienstbetrekkingen
                            beschikbaar komen voor mensen met een WSW indicatie die op de wachtlijst
                            staan. Door het college is een voorstel naar de raad gestuurd om een
                            wachtlijstverordening Wsw vast te stellen. Dankzij de
                            wachtlijstverordening Wsw kunnen vacatures die ontstaan in het kader van
                            begeleid werken bij werkgevers ingevuld worden door de meest geschikte
                            kandidaat. Daarmee is er hoop om de wachtlijst te laten dalen.</al><al>Het kabinet is voornemens om de Wsw af te gaan bouwen van landelijk
                            100.000 SE naar 30.000 SE. De daling van 70% zal de komende jaren ook
                            Vlagtwedde treffen. Om een dergelijke afbouw mogelijk te maken heeft het
                            Rijk een herstructureringsfaciliteit in het leven geroepen van 400
                            miljoen euro landelijk. Voor Vlagtwedde gaat het om 1.389.314 euro voor
                            de periode 2012 tot en met 2018. Samen met de andere gemeenten die bij
                            werkvoorzieningschap Wedeka is aangesloten, is een aanvraag ingediend
                            voor de herstructureringsfaciliteit. Door de val van het kabinet is het
                            op dit moment onzeker of de herstructureringsfaciliteit wordt doorgezet
                            of niet. Mocht de herstructureringsfaciliteit wel worden voortgezet dan
                            zal Wedeka met deze middelen de komende jaren omgebouwd worden naar een
                            breed werkleerbedrijf voor het re-integreren van de doelgroepen van de
                            wet en beschut werken van de Wsw. Er zal meer nadruk komen te liggen op
                            ‘Begeleid Werken’ (BW). Bij BW gaan mensen met een WSW indicatie in het
                            reguliere bedrijfsleven aan de slag. Zij hebben een dienstverband bij
                            desbetreffend bedrijf, waarvoor dat bedrijf een loonkostensubsidie
                            krijgt van de gemeente. Doordat bedrijven zelf een deel van de kosten
                            betalen kan de WSW enigszins betaalbaar gemaakt worden. Vlagtwedde voert
                            de WSW-BW in eigen beheer uit. Voor acquisitie en jobcoaching wordt een
                            specialist van Wedeka ingehuurd. Dit levert een extra voordeel op
                            doordat het netwerk van contacten met werkgevers van Wedeka ook ingezet
                            kan worden voor uitplaatsing.</al><al><cursief>Visie en Strategie Vlagtwedde 2020</cursief></al><al>De raad van de gemeente Vlagtwedde heeft een visie op de gemeente tot en
                            met het jaar 2020 vastgesteld. Het toekomstbeeld Vlagtwedde 2020 moet
                            gestalte krijgen door de uitvoering van strategische projecten, waarbij
                            – voor zover relevant – ingezet wordt op</al><lijst><li nr="•"><al>economische kansen voor de zorg;</al></li><li nr="•"><al>een agrocluster met intensieve veehouderij en;</al></li><li nr="•"><al>toerisme.</al></li></lijst><al>Deze drie onderdelen vormen het integrale gemeentelijke beleidskader,
                            hetgeen inhoudt dat beleidsontwikkeling op de diverse afdelingen hierop
                            zal moeten worden afgestemd. Voor de afdeling Samenleving betekent dit
                            in ieder geval dat haar activiteiten binnen deze sectoren – Vlagtwedde
                            beschikt al over een relevant netwerk – zullen worden uitgebreid.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2 RE-INTEGRATIE</titel></kop><structuurtekst><al>De activiteiten die in dit hoofdstuk staan beschreven, worden mede
                            mogelijk gemaakt door financiering vanuit het Europees Sociaal Fonds
                            (ESF). Voor de periode mei 2012 tot november 2013 heeft de gemeente
                            Vlagtwedde een ESF subsidie aangevraagd om de doelgroepen: Niet
                            uitkeringsgerechtigden (NUO’s), arbeidsbelemmerden, gedeeltelijk
                            arbeidsgeschikten en uitkeringsgerechtigden van 55 jaar of ouder te
                            re-integreren. Op grond van de wet heeft de gemeente de
                            verantwoordelijkheid om werkzoekende burgers te ondersteunen bij het
                            (her)vinden van betaald werk. Op grond van de wet heeft de gemeenteraad
                            de kaders vastgelegd in verschillende verordeningen. In dit hoofdstuk
                            zijn de beleidsregels opgenomen op grond van de
                            ‘Re-integratieverordening gemeente Vlagtwedde’, verder te noemen de
                            ‘re-integratieverordening’. De gemeente Vlagtwedde voert de
                            re-integratie zelfstandig uit. De gemeente koopt sinds 2004 geen
                            re-integratietrajecten in bij re-integratiebedrijven, maar werft zelf
                            professionals, stuurt deze aan en koopt instrumenten in die de
                            professionals nodig hebben voor effectieve re-integratie. De gemeente is
                            daarmee zelf verantwoordelijk voor resultaten.</al><al>De gemeente Vlagtwedde is een vooruitstrevende gemeente als het om
                            re-integratie gaat. De gemeente Vlagtwedde heeft zijn eigen methode
                            ontwikkeld: de 1-2-3-methode. Kern van deze methode is een directe
                            inschakeling in arbeid van kandidaten, een directe oplossing van alle
                            relevante belemmeringen, maximale inzet op uitstroom naar regulier werk,
                            een werkweek van 40-uur, trajectbegeleiding vanuit het
                            werkgeversperspectief en maatschappelijke participatie.</al><al>Daarnaast onderscheidt de gemeente Vlagtwedde zich in haar zakelijke
                            werkgeversbenadering. De gemeente beschikt over twee
                            werkcoaches/accountmanagers die in samenwerking met
                            bedrijvencontactfunctionaris van de afdeling economische zaken
                            zorgdragen voor de acquisitie van stageplaatsen en vacatures,
                            netwerkontwikkeling en relatiebeheer. De gemeente ontwikkelt zich
                            daarmee van een dienstverlener aan kandidaten eveneens tot een
                            dienstverlener aan werkgevers.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Doelgroepen</onderstreept><onderstreept>(artikel 2
                                re-integratieverordening)</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De wet bepaalt dat de gemeente verantwoordelijk is voor re-integratie
                            van een zestal doelgroepen:</al><lijst><li nr="1."><al>Inwoners aan wie de gemeente krachtens de Wwb, Ioaw of Ioaz een
                                    uitkering tot levensonderhoud verstrekt:
                                    uitkeringsgerechtigden;</al></li><li nr="2."><al>Inwoners die, zonder recht op een uitkering van de gemeente of
                                    de Uitvoeringsinstelling Werknemers Verzekeringen (Uwv), bij het
                                    UWV werkbedrijf zijn ingeschreven als niet werkende
                                    werkzoekende: NUO’s;</al></li><li nr="3."><al>Inwoners die onder het participatiebudget vallen;</al></li><li nr="4."><al>Inwoners die van de Sociale Verzekeringsbank een uitkering tot
                                    levensonderhoud ontvangen op grond van de Algemene
                                    nabestaandenwet: Anw-ers;</al></li><li nr="5."><al>Inwoners met een dienstverband dat gesubsidieerd wordt op basis
                                    van het Wwb Werkdeel (voorheen de Wiw of het Besluit
                                    ID-banen);</al></li><li nr="6."><al>Inwoners met een Uwv uitkering waarvan het Uwv heeft aangegeven
                                    dat de gemeente een rol kan c.q. mag vervullen in het kader van
                                    re-integratie. In het kader van het ESF project gaat het hierbij
                                    in ieder geval om de doelgroepen: arbeidsbelemmerden,
                                    gedeeltelijk arbeidsgeschikten en uitkeringsgerechtigden van 55
                                    jaar of ouder. De termen kandidaat, klant, cliënt en
                                    werkzoekende hebben dezelfde betekenis. Daarnaast is de gemeente
                                    verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet sociale
                                    werkvoorziening (Wsw). Hieruit komt een zevende doelgroep naar
                                    voren:</al></li><li nr="7."><al>Inwoners die wegens een lichamelijke, psychische en/of
                                    verstandelijke beperking niet tot reguliere arbeid in staat zijn
                                    en aan wie derhalve een beschutte werkplek moet worden geboden:
                                    Wsw-ers.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.1 Uitwerking artikel 3 van de re-integratieverordening</titel></kop><structuurtekst><al>Aan het re-integratiebeleid liggen een aantal uitgangspunten ten
                            grondslag. Onderstaand worden deze uitgangspunten kort genoemd en nader
                            geconcretiseerd. Daarnaast worden waar nodig per doelgroep aanvullende
                            uitgangspunten geformuleerd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.1. Prioriteiten</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Er worden alleen dan voorzieningen aangeboden indien het beschikbare
                            budget dit toelaat. Alle werkzoekenden in de gemeente Vlagtwedde kunnen
                            een beroep doen op de gemeente voor ondersteuning naar (betaald) werk.
                            De eerste prioriteit (inzet van menskracht en financiële middelen) ligt
                            weliswaar bij de groep uitkeringsgerechtigden. Er zal echter (in overleg
                            met de ketenpartners) gekeken worden naar optimalisering van de
                            dienstverlening aan overige inwoners van de gemeente Vlagtwedde. Doel
                            van de trajectbegeleiding voor deze bredere doelgroep is om de instroom
                            in de bijstand te voorkomen en gekwalificeerd aanbod te hebben voor
                            werkgevers.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.2. Snelheid en intensiviteit</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Eén van de belangrijkste uitgangspunten is snelheid, oftewel beperking
                            van onnodig tijdverlies door bureaucratie. Dit uitgangspunt komt onder
                            meer tot uiting in de snelle intake en start van het traject en de
                            snelle inzet van diagnose-instrumenten. Met andere woorden: kandidaten
                            worden binnen afzienbare tijd (enkele werkdagen) naar werk of activering
                            bemiddeld. Iedere klant heeft tijdens de trajectbegeleiding periodiek
                            een persoonlijk gesprek met de werkcoach in samenwerking met de Adviseur
                            Inkomen en Zorg. Uitgangspunten hiervan zijn “Ken je klant en heb
                            hem/haar volledig in beeld”.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.3. Iedereen doet mee</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een minstens zo belangrijk uitgangspunt als snelheid is het opdoen en/of
                            behouden van werkritme en –ervaring gedurende het re-integratietraject.
                            Iedereen die een uitkering ontvangt zal zich maximaal moeten inspannen
                            om te re-integreren c.q. zijn/haar perspectief op werk te verbeteren.
                            Werken is daarbij noodzakelijk, of het nou plaatsvindt in het kader van
                            een stage, het opdoen van werkervaring, het voorkomen van lacunes in een
                            cv of sociale activering. Werken tijdens de uitkeringsperiode vergroot
                            de inpasbaarheid in het arbeidsproces en voorkomt sociaal isolement.
                            Tevens is het een onderdeel van de diagnose. Om die reden dient een
                            werkzoekende zich 40 uur per week in te zetten voor het
                            re-integratietraject. Met andere worden: iedereen aan het werk, tenzij
                            bepaalde beperkingen zich daar gedeeltelijk of volledig tegen verzetten.
                            In dat geval zal bij de inzet van het werk rekening worden gehouden met
                            de mogelijkheden c.q. beperkingen en zal het aantal uren per week
                            waarschijnlijk minder zijn dan 40 uur per week. Dit zal op een zo
                            objectief mogelijke manier worden gemotiveerd door bijvoorbeeld een
                            advies van de arbo-arts of een Sociaal Medisch Advies van het Uwv.
                            Mensen die niet in staat zijn om arbeid te verrichten, kunnen op een
                            andere manier meedoen. Nadruk ligt bij deze groep burgers op het
                            bevorderen van maatschappelijk actieve deelname en het voorkomen van
                            sociale uitsluiting. Een intensief traject biedt ook de mogelijkheid om
                            zo de klant echt te leren kennen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.4. Eigen initiatief</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De rol van de gemeente is die van ondersteuner. Het vinden en behouden
                            van een reguliere baan is primair de verantwoordelijkheid van de
                            werkzoekende. Afhankelijkheid van de behoeften van de individuele klant
                            kan de ondersteuning door de gemeente minder vergaand zijn
                            (ondersteuning bij sollicitaties) of juist uiterst vergaand zijn
                            (bemiddeling, het vinden van een baan).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.5. Werk boven inkomen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De klant zal maximaal worden geprikkeld om uit te stromen naar regulier
                            werk. Deze prikkels zijn onder meer:</al><lijst><li nr="a."><al>een streng sanctiebeleid: iedere weigering c.q. wanprestatie van
                                    de klant zal – na waarschuwing door de werkcoach, worden
                                    bestraft met een verlaging (afstemming) die kan oplopen tot 100%
                                    van de bijstand. De duur en hoogte van deze afstemming wordt
                                    bepaald aan de hand van de afstemmingverordening van de
                                    gemeente. Daarnaast zal worden onderzocht of en in hoeverre,
                                    indien een re-integratietraject door het handelen of nalaten van
                                    de klant wordt stopgezet, de door de gemeente tot dan toe
                                    verschuldigde trajectkosten volledig van de klant kunnen worden
                                    teruggevorderd.</al></li><li nr="b."><al>een strikte toepassing van het begrip algemeen geaccepteerde
                                    arbeid. Dit betekent dat een klant alle arbeid moet aanvaarden,
                                    behalve arbeid die in strijd is met de wet of de goede zeden. De
                                    klant zal zich tevreden moeten stellen met alle arbeid die
                                    voorhanden is c.q. binnen de termijn van het
                                    re-integratietraject zal worden gevraagd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.6. Grenzen van investeringen artikel 3 lid 2
                                re-integratieverordening</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De re-integratieactiviteiten gericht op bemiddeling naar een reguliere
                            baan zullen te allen tijde ten doel hebben de klant in een zo kort
                            mogelijke tijd en met zo min mogelijk kosten blijvend toe te laten
                            treden tot de reguliere arbeidsmarkt op een minimaal voor de klant
                            bereikbaar niveau. Uitgangspunt hierbij is dat de re-integratie zich
                            voornamelijk richt op de kortste weg naar werk en/of maatschappelijke
                            participatie en sociale zelfredzaamheid. Kansen voor duurzame uitstroom
                            worden zoveel mogelijk benut en bevorderd middels scholing, stages en
                            opleidingscoaches in te zetten. De werkzoekende kan geen eisen stellen
                            aan de investering die de gemeente doet. Als het participatiebudget
                            besteed is, is de gemeente gerechtigd om alle voorzieningen te staken,
                            zoals reiskostenvergoeding, premies, etc.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.2 Uitwerking artikel 4 van de re-integratieverordening</titel></kop><structuurtekst><al>Alle algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aanvaard, zie artikel 4
                            lid 1 re-integratieverordening. Het college van B&amp;W, bepaalt in
                            eerste instantie de reikwijdte van dit begrip en de toepassing van de
                            criteria in individuele situaties. Bij deze beoordeling kunnen
                            gewetensbezwaren (bijvoorbeeld uit geloofsovertuiging) een rol spelen,
                            maar dan alleen als onderdeel van een complex van afwegingen, waarbij
                            tevens gekeken wordt naar bijkomende omstandigheden, zoals de
                            inspanningen die betrokkene heeft gedaan om werkloosheid te vermijden of
                            een andere baan te vinden. Ook zal over het algemeen bekeken worden
                            hoeveel mogelijkheden iemand heeft om op korte termijn een andere,
                            algemeen geaccepteerde baan te vinden. Met andere woorden, "het
                            werkloosheidsrisico" vormt een belangrijk criterium. Bovendien kan een
                            beroep op gewetensbezwaren alleen, wanneer deze een zodanig conflict met
                            de te verrichten arbeid oplevert, dat die arbeid in het geheel niet meer
                            verricht kan worden. Waar het in de kern om gaat is dat iemand de
                            financiële gevolgen van de eigen keuzes niet mag afwentelen op de
                            maatschappij door afhankelijk te blijven van een uitkering wanneer
                            betaald werk voorhanden is.</al><al>Artikel 4 lid 2 re-integratieverordening biedt de werkzoekende de
                            mogelijkheid om ondersteuning te krijgen van de gemeente bij
                            arbeidsinschakeling. Vlagtwedde doet dit door het toepassen van de
                            1-2-3-methode. De 1-2-3-methode is sinds 2004 door Vlagtwedde ontwikkeld
                            en houdt het volgende in:</al><al><vet>Dag 1:</vet> Voor de jongere tot 27 jaar geldt de baanzoekplicht
                            van 4 weken zoals beschreven onder punt 2.2.10. De werkzoekende van 27
                            jaar of ouder meldt zich bij het Uwv-werkbedrijf als werkzoekende. De
                            gemeente Vlagtwedde ontvangt via het Uwv de aanmelding en nodigt de
                            werkzoekende schriftelijk uit met het verzoek om alle ontbrekende
                            documenten in te leveren tijdens de werkintake op dag 2. De werkzoekende
                            dient zelf en op eigen kosten te zorgen voor vervoer en kinderopvang
                            voor zowel dag 1 als dag 2. Indien de werkzoekende op dag 2 niet
                            verschijnt wordt de aanvraag per beschikking buiten behandeling gesteld.
                            Als de werkzoekende alsnog in aanmerking wil komen voor een
                            bijstandsuitkering, zal deze zich opnieuw moeten melden bij het Uwv. Het
                            niet hebben van vervoer of kinderopvang zijn geen geldende redenen om
                            niet op dag 2 bij de werkintake te verschijnen.</al><al><vet>Dag 2:</vet> de werkzoekende ontvangt bij de werkintake informatie
                            over de wet en het beleid van de gemeente (de 1-2-3-methode). De wensen
                            en (on)mogelijkheden van de werkzoekende worden besproken. Er worden
                            afspraken gemaakt over de re-integratie en vastgelegd in het
                            re-integratieplan. Voor jongeren in de leeftijd tot 27 jaar en
                            alleenstaande ouders worden de gemaakte afspraken omtrent de
                            re-integratie vastgelegd in het plan van aanpak. Het plan wordt door de
                            werkzoekende en de gemeente ondertekend. De gemeente bevestigd de
                            gemaakte afspraken door middel van een beschikking die separaat wordt
                            toegestuurd.</al><al><vet>Dag 3:</vet> De werkzoekende gaat aan de slag met de afspraken die
                            in het re-integratieplan zijn vastgelegd.</al><al>Op grond van artikel 4 lid 3 re-integratieverordening is de
                            1-2-3-methode voor alle bijstandsgerechtigden een verplicht onderdeel
                            waar volledige medewerking aan verleend moet worden. Binnen de
                            1-2-3-methode gelden de volgende uitgangspunten:</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.1. Huisregels en agressie</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Kandidaten dienen zich te houden aan de huisregels zoals beschreven in
                            bijlage 2. Agressie wordt niet getolereerd. Mocht er op enigerlei wijze
                            sprake zijn van agressie dan wordt het agressieprotocol van de gemeente
                            gevolgd. Op grond van de Afstemmingsverordening Wwb kan dit leiden tot
                            een verlaging van de uitkering.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.2. Arbeidstraining / Stage</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Iedere uitkeringsgerechtigde klant zal zo spoedig mogelijk na aanmelding
                            worden bemiddeld naar een stageplaats of arbeidstraining. In combinatie
                            met de workshops van de gemeente en persoonlijke begeleiding door de
                            werkcoach is de tijdsbelasting 40 uur per week, tenzij dit door
                            beperkingen niet mogelijk is. In dat geval is het aantal uren per week
                            leidend wat het hoogst haalbare is. Dit aantal uren zal zo objectief
                            mogelijk vastgesteld worden door een arbo-arts of een Sociaal Medisch
                            Advies (SMA) van het Uwv. In dit verband onderhoudt en vergroot de
                            gemeente een netwerk van werkgevers. Op een stageplaats c.q.
                            arbeidstrai-ningsplaats wordt de klant aangestuurd door de betreffende
                            organisatie, maar onder regie van de werkcoach. De stage dient steeds
                            een specifiek doel, met name arbeidsritme en het opdoen van
                            werknemersvaardigheden. De werkcoach zal bij selectie van de stageplaats
                            zoveel mogelijk rekening houden met het bemiddelingsberoep of de
                            bemiddelingsrichting van de klant.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.3. Arbodienst</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Waar gewerkt wordt, dient een arbodienst aanwezig te zijn, zowel in het
                            belang van de klant (arbeidsomstandigheden, ziekteverzuimbegeleiding)
                            als in het belang van de gemeente (verzuimpreventie). Concreet komt deze
                            dienstverlening erop neer dat een klant die van mening is dat hij
                            vanwege ziekte niet in staat is zijn of haar trajectverplichtingen na te
                            komen, dat dient te melden bij zijn arbeidstrainingsplaats/stageplaats
                            én de werkcoach. De klant dient zich aan het verzuimprotocol te houden,
                            zoals beschreven in bijlage 1. De werkcoach registreert deze ziekmelding
                            in het online meldingssysteem en vraagt aan de arbodienst– afhankelijk
                            van de concrete situatie – daaraan een passend vervolg te geven. De
                            gemeente zal in veel voorkomende gevallen ook een verzuimmedewerker
                            inzetten om door huisbezoek vast te stellen dat iemand ziek thuis is. De
                            zieke dient in alle gevallen bereikbaar te zijn voor de gemeente en is
                            zelf verantwoordelijk om bij de gemeente aan te geven hoe en op welke
                            wijze de zieke bereikbaar is. In ieder geval geldt daarbij als
                            uitgangspunt dat de contactfrequentie van de Wet Poortwachter, die
                            overigens niet van toepassing is, wordt nagestreefd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.4. Verlof/vakantie</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In de Wwb is vakantie alleen toegestaan mits dit de arbeidsinschakeling
                            niet belemmert. Een werknemer in Nederland heeft gemiddeld 24
                            vakantiedagen per jaar bij een veertig urige werkweek. Kandidaten bouwen
                            per ingezet uur 6 minuten verlof op, bij een inzet van 40 uur per week,
                            heeft iemand na 4 weken in totaal 2 verlofdagen van 8 uur opgebouwd.
                            Verlof kan pas worden opgenomen indien het verlof ook daadwerkelijk is
                            opgebouwd en onder de voorwaarde dat er maximaal vier weken aansluitend
                            vakantie mag worden genomen. Het opgebouwde verlof kan nooit omgezet
                            worden in geld en daarmee nooit tot uitbetaling in geld leiden. Indien
                            een klant aan de start van een traject staat, zal vakantie als
                            belemmerend worden beschouwd en niet worden toegestaan, tenzij de
                            werkcoach individuele omstandigheden en/of dringende redenen constateert
                            waardoor van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Om zo nauw mogelijk
                            aan te sluiten bij een werksituatie, is er voor gekozen dat kandidaten
                            via het klant re-integratiesysteem (KRS) digitaal een verzoek tot verlof
                            dienen te doen bij de werkcoach. De werkcoach beoordeelt of het opnemen
                            van de vrije dagen/ vakantie niet belemmerend werkt voor de voortgang
                            van het traject. Een reden om het verzoek tot verlof af te keuren is als
                            de kandidaat het regelmatig laat af weten op de werkplek en/of zich
                            onvoldoende inzet op de werkplek, dan wel een arbeidshouding heeft die
                            verbetering behoeft. Als het verlof c.q. vakantie door de werkcoach
                            wordt goedgekeurd en door de kandidaat wordt opgenomen, dient deze het
                            verlof wel te vermelden op het maandelijkse
                            rechtmatigheidsonderzoeks-formulier (ROF). Ieder opgebouwd verlof
                            vervalt aan het einde van het traject. Tijdens ziekte bouwt de klant
                            geen verlof op.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.5. Diagnose-instrumenten</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De werkcoach heeft de beschikking om – in geval van vermeende
                            lichamelijke, psychische of verstandelijke beperkingen – aanvullende
                            diagnose-instrumenten in te zetten, zoals sociaal-medisch, arbeidskundig
                            of psychologisch onderzoek. Ieder van deze onderzoeken heeft ten doel
                            beperkingen te signaleren, alsmede de resterende belastbaarheid en
                            daarbij behorende beroepen. Daarnaast zijn ook instrumenten als
                            beroepsinteresse- en intelligentietesten beschikbaar. Onderzoeken vinden
                            binnen twee werkdagen na aanmelding plaats en rapportage wordt binnen
                            twee werkdagen na onderzoek aangeleverd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.6. Werkgeversperspectief</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Hoewel de verhouding tussen de gemeente en kandidaten geen formele
                            werkgevers-werknemersrelatie is, zal de periode in de uitkering zoveel
                            mogelijk aansluiten bij de beoogde werksituatie. Dit om de overgang naar
                            de werksituatie zo optimaal mogelijk vorm te kunnen geven. Dit betekent
                            onder meer dat ieder traject van kandidaten:</al><al>Ø Een tijdsinvestering van 40 uur per week zal vergen tenzij dit door
                            omstandigheden niet mogelijk is;</al><al>Ø Een arbodienst ziekteverzuimbegeleiding en risico-inventarisaties zal
                            verzorgen;</al><al>Ø Concrete situaties en vraagstukken vanuit een werkgeversperspectief
                            zullen worden benaderd;</al><al>Ø Als uitgangspunt heeft, dat de kandidaat als een normale werknemer
                            wordt behandeld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.7. Onafhankelijkheid</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente is volledig verantwoordelijk voor de re-integratie van de
                            doelgroep en wordt daar ook financieel op afgerekend. Dit betekent dat
                            de gemeente en de partners die in dit proces zijn betrokken optimaal
                            moeten presteren. De gemeente zal waar mogelijk hierop sturen. Daarbij
                            zal zoveel mogelijk worden samengewerkt met de ketenpartners, zoals het
                            UWV WERKBEDRIJF.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.8. Scholing</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Scholing kan deel uitmaken van het re-integratietraject indien de
                            gemeente van mening is dat de scholing bijdraagt aan de
                            arbeidsinschakeling. Scholing is geen recht waar de klant zich op kan
                            beroepen. In principe worden alleen vakgerichte scholingen ingezet zoals
                            VCA, heftruckcertificaat, etc. indien dit aansluit bij het kunnen laten
                            werken van de werkzoekende. De kosten van reguliere scholing als Bol en
                            Bbl dient de klant zelf te voldoen om rechtsongelijkheid met
                            medestudenten te voorkomen die geen vergoeding van de gemeente kunnen
                            krijgen. Alleen als dit tot onbillijkheden van overwegende aard zou
                            leiden kan het college hiervan afwijken. Alleenstaande ouders met
                            kinderen tot 5 jaar kunnen ontheffing aanvragen van de
                            re-integratieplicht voor de duur van maximaal 5 jaar, maar dan staat er
                            een scholingsplicht tegenover. In dat geval zal de gemeente Vlagtwedde
                            een scholingsaanbod aan de alleenstaande ouder doen en is een vergoeding
                            vanuit de gemeente mogelijk. De inkoop van scholing zal steeds door de
                            werkcoach worden gemotiveerd en is uitsluitend mogelijk indien en voor
                            zover een relatie bestaat met reële beroepskansen na afronding.
                            Financiering van de scholing en toestemming voor de kandidaten om
                            scholing te starten met behoud van uitkering, vindt alleen dan plaats,
                            indien er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening
                            zoals bijvoorbeeld studiefinanciering. Daarnaast wordt ingezet op het
                            stimuleren van duurzame uitstroom door het in kaart brengen van de
                            vervangingsvraag en opleidingsbehoeften bij werkgevers door de
                            werkcoaches/ accountmanagers en dit te koppelen aan de werkzoekenden.
                            Door werkzoekenden die werken met behoud van uitkering op te leiden naar
                            de vraag van werkgevers, is de kans op duurzame arbeid groter. De kans
                            van terugval op de bijstand is kleiner.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.9. Bereikbaarheid</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De werkzoekende is zelf verantwoordelijk om op eigen kosten telefonisch
                            bereikbaar te zijn. Het niet hebben van voldoende financiële middelen is
                            geen argument, omdat een deel van de bijstandsuitkering hiervoor is
                            bedoeld. Als de werkcoach een vacature heeft, dient de werkcoach
                            bereikbaar te zijn op werkdagen van 8.00 uur tot 17.00 uur. De
                            werkzoekende is verantwoordelijk om wijziging van telefoonnummer dan wel
                            bereikbaarheid aan de werkcoach door te geven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.10. Baanzoekplicht jongeren tot 27
                                jaar</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De jongere tot 27 jaar die zich meldt bij het Uwv voor een
                            bijstandsuitkering, moet eerst 4 weken zeer intensief zoeken naar
                            betaald werk of een opleiding die valt onder de studiefinanciering. Deze
                            4 weken wordt ook wel de ‘baanzoekplicht’ genoemd. De gemeente
                            Vlagtwedde verstaat onder de baanzoekplicht in ieder geval dat de
                            jongere zich laat inschrijven bij 5 uitzendbureaus en elke werkdag
                            minimaal 1 concrete sollicitatie op werkelijke vacatures verricht. In 4
                            weken zijn dat dus 20 aantoonbare sollicitaties. Open sollicitaties
                            vallen daar niet onder. De jongere die binnen de 4 weken geen betaald
                            werk of studie heeft gevonden kan een aanvraag indienen voor een
                            bijstandsuitkering. Bij de werkintake dient de jongere een overzicht in
                            te leveren van de 5 inschrijvingen bij uitzendbureaus en van 20
                            verrichte sollicitaties. De werkcoach beoordeelt vervolgens de
                            inspanningsverplichting. Als uit de houding en gedragingen van de
                            jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij of zij de verplichtingen, bedoeld
                            in artikel 9, lid 1 Wwb, of artikel 55 Wwb niet wil nakomen, door
                            bijvoorbeeld maar bij 1 uitzendbureau in te schrijven en enkele
                            sollicitaties te hebben verricht, dan wordt dat door de gemeente
                            beoordeeld als niet voldaan aan de inspanningsverplichting. In dat geval
                            zal de aanvraag in principe worden afgewezen. Indien de jongere alsnog
                            voor een uitkering in aanmerking wil komen, zal deze een nieuwe aanvraag
                            bij het Uwv moeten indienen. Indien de jongere gedeeltelijk aan de
                            baanzoekplicht heeft voldaan door bij meer dan 1 uitzendbureau
                            ingeschreven te staan en meer dan 3 concrete sollicitaties te
                            verrichten, dan wordt er conform artikel 3 derde lid sub c en artikel 4
                            lid 1 sub c van de afstemmingsverordening Wwb een verlaging van 30% op
                            de uitkering toegepast.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.3 Uitwerking artikel 5 re-integratieverordening NUO’s en
                            ANW-ers</titel></kop><structuurtekst><al>Niet uitkeringsgerechtigden ofwel niet uitkering ontvangers (NUO’s) en
                            ANW-ers, komen in aanmerking voor ondersteuning van de
                            werkcoaches/accountmanagers in de vorm van persoonlijke begeleiding,
                            trainingen, workshops en gesprekken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.3.1. Geen recht</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>NUO’s en ANW-ers komen niet in aanmerking voor reiskostenvergoeding,
                            premies, subsidiebanen, loonkostensubsidie en scholing, tenzij deze
                            gekoppeld is aan betaald werk en naar het oordeel van de gemeente de
                            investering rechtvaardigen. NUO’s en ANW-ers met een bruto inkomen boven
                            de 115% van de voor hen geldende bijstandsnorm komen niet in aanmerking
                            voor de inzet van overige voorzieningen, zoals scholing en voorzieningen
                            die de gemeente geld kosten anders dan de personele inzet van
                            werkcoaches/accountmanagers. Alleen als dit tot onbillijkheden van
                            overwegende aard zou leiden kan het college hiervan afwijken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.3.2. Eigen bijdrage</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 8 lid 4 re-integratieverordening kan de gemeente
                            ten alle tijden een eigen bijdrage eisen van de NUO’s en ANW-ers. Op
                            grond van het mandaatbesluit kan de manager afdeling Samenleving daar
                            nadere invulling aan geven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.4 Uitwerking artikel 6 van de re-integratieverordening
                            ontheffingen</titel></kop><structuurtekst><al>Volledige ontheffing van alle Wwb arbeidsverplichtingen op grond van
                            artikel 9 lid 1 sub a en sub b Wwb is alleen mogelijk indien iemand een
                            indicatie heeft op grond van de wet sociale werkvoorziening (WSW) of een
                            Wajong uitkering heeft. De verplichting voor het leveren van een
                            tegenprestatie zoals benoemd in artikel 9 lid 1 sub c Wwb is wel op
                            voorgenoemde doelgroepen van toepassing. Hoofdstuk 3 gaat nader in op
                            het leveren van de tegenprestatie en wat de gemeente Vlagtwedde daar
                            onder verstaat.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.4.1. Volledige ontheffing is niet
                                mogelijk</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Voor de Wwb-gerechtigden zonder WSW-indicatie is volledige ontheffing
                            van alle Wwb arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9 lid 1 Wwb niet
                            mogelijk. De verplichting die altijd van toepassing is en blijft is de
                            plicht om te participeren en sociaal actief te zijn in de mate waarin
                            dat voor de Wwb-gerechtigde mogelijk is. Zelfs in de situatie dat een
                            klant allerlei beperkingen heeft, is de klant niet ontheven van de
                            plicht van sociale activering. De plicht om mee te werken aan een
                            onderzoek naar arbeidsinschakeling blijft ook ten alle tijden van
                            toepassing. Een gedeeltelijke ontheffing van de verplichtingen is wel
                            mogelijk op grond van artikel 9 Wwb, lid 2 en 4. De gedeeltelijke
                            ontheffing zal middels een beschikking aan de klant kenbaar worden
                            gemaakt. De gedeeltelijke ontheffing is altijd voor bepaalde tijd. In
                            beginsel nooit langer dan één jaar.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.5 Uitwerking artikel 7 van de re-integratieverordening
                            voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze paragraaf wordt het re-integratieproces en de keuzes die daarin
                            moeten worden gemaakt, zo concreet mogelijk weergegeven en moet gezien
                            worden als een voorziening op grond van artikel 7 lid 1 van de
                            re-integratieverordening. In feite vormt deze paragraaf het
                            belangrijkste onderdeel van dit beleidsplan: het beleid in
                            uitvoering.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.1. Melding, Intake en Traject
                                (1-2-3-methodiek)</onderstreept></titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.1.1 Melding (dag 1)</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het proces begint op het moment dat een tot de doelgroep behorende klant
                            zich meldt bij het UWV WERKBEDRIJF voor een uitkering of een traject op
                            grond van de Wwb of via internet een aanvraag Wwb doet. Voor de jongere
                            tot 27 jaar geldt de baanzoekplicht zoals beschreven onder punt 2.2.10.
                            Na 4 weken meldt de jongere zich weer bij het Uwv. De melding komt
                            binnen bij het UWV WERKBEDRIJF die de aanvraag doorzet naar de gemeente
                            Vlagtwedde, met daarin de naw-gegevens van de nieuwe klant, alsmede zijn
                            of haar telefoonnummer. De werkzoekende wordt uitgenodigd voor een
                            werkintake en diagnose met de werkcoach bij de gemeente Vlagtwedde op
                            dag 2. De werkzoekende dient zelf en op eigen kosten te zorgen voor
                            vervoer en kinderopvang voor zowel dag 1 als dag 2. Indien de
                            werkzoekende op dag 2 niet verschijnt wordt de aanvraag buiten
                            behandeling gesteld en zal de werkzoekende zich opnieuw moeten melden
                            voor de aanvraag van een bijstandsuitkering. De ingangsdatum van de
                            bijstandsuitkering zal in die situatie niet langer de meldingsdatum zijn
                            bij het Uwv, maar de datum wanneer de werkintake horende bij de
                            bijstandsaanvraag daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het niet hebben
                            van vervoer of kinderopvang zijn geen geldende redenen om niet op dag 2
                            bij de werkintake te verschijnen.</al></structuurtekst><afdeling><kop><titel><onderstreept>2.5.1.2 Intake en diagnose (dag
                                2)</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De klant meldt zich voor een werkintakegesprek met de werkcoach. De
                                klant wordt informatie verstrekt over de re-integratiemethode van
                                Vlagtwedde, ontvangt een werkmap met het verzuimprotocol, het
                                digitale KRS systeem via www.ons-werk.nl wordt uitgelegd, de klant
                                overhandigt aan de werkcoach een curriculum Vitae (CV) en
                                motivatiebrief. Tijdens het gesprek stelt de werkcoach een diagnose
                                en vormt een belangrijk onderdeel van het proces. Op basis van deze
                                diagnose worden voor de klant en de gemeente verstrekkende besluiten
                                genomen. Voor de klant, omdat bepaald wordt naar welk van de twee
                                voorlopig bereikbare doelen zal worden toegewerkt.[1] Voor de
                                gemeente, omdat een verkeerde keuze direct financiële consequenties
                                heeft. Een goede voorbereiding, een zorgvuldige gespreksvoering en
                                intensieve evaluatie zijn derhalve voor beide partijen noodzakelijk.
                                Het diagnosegesprek heeft ten doel te bepalen wat het voor de klant
                                bereikbare doel is en welk traject c.q. welke instrumenten zullen
                                worden ingezet om dat doel te bereiken. Er wordt naar gestreefd om
                                het traject, dat tot het gekozen doel zal moeten leiden, te starten
                                op uiterlijk de eerstvolgende werkdag. De keuzes die – op
                                hoofdlijnen – kunnen worden gemaakt, zijn de volgende:</al><al><vet>A. Regulier werk</vet></al><lijst><li nr=""><al>a. Directe bemiddeling (maximaal drie maanden)</al></li><li nr=""><al>b. Kortdurend toeleidingstraject (maximaal zes maanden)</al></li><li nr=""><al>c. Langdurig toeleidingstraject (maximaal drie jaar)</al></li></lijst><al><vet>B. Sociale activering</vet></al><lijst><li nr=""><al>a. Activering</al></li><li nr=""><al>b. Toeleiding sociale werkvoorziening</al></li><li nr=""><al>c. Flankerende maatregelen</al></li></lijst><al>Treden 1,2 en 3 vallen onder keuze B (zorg, sociale activering,
                                vrijwilligerswerk). Onderstaande figuur laat de 6 treden van de
                                participatieladder zien: (nb: het is technisch niet mogelijk het
                                figuur hier in te voegen.</al><al>Trede 1 is geïsoleerd,</al><al>trede 2 is sociale contacten buitenshuis,</al><al>trede 3 is deelname georganiseerde activiteiten,</al><al>trede 4 is onbetaald werk,</al><al>trede 5 is betaald werk met ondersteuning,</al><al>trede 6 is betaald werk).</al><al>De procedure om tot de bovenstaande doelen te komen zal hierna op
                                hoofdlijnen worden weergegeven. Essentieel is dat steeds een
                                vervolgafspraak wordt gemaakt, zodat de klant in beeld blijft.</al><al><vet>1.2.1</vet> De werkcoach gaat na of de klant redelijkerwijs
                                binnen maximaal drie maanden een reguliere baan kan vinden. De klant
                                wordt dan aangemerkt als “direct bemiddelbaar” of “hot cliënt”. Als
                                dat zo is en de klant geen belemmeringen van betekenis aanvoert, zal
                                de klant op de volgende werkdag starten met een intensief
                                bemiddelingstraject, dat wordt uitgevoerd door de werkcoaches en een
                                intensief arbeidstrainingstraject van in totaal 40 uur per week.
                                Hij/zij zal in deze 40 uur arbeidstraining doorlopen voor het behoud
                                van arbeidsritme en eventueel opdoen van werkervaring, daarnaast is
                                hij/zij tijdens de werkweek op uitnodiging in het gemeentehuis
                                aanwezig voor het coachen en stimuleren en het volgen van een
                                training of workshops dan wel naar het werkplein en uitzendbureaus
                                op zoek naar werk.</al><al><vet>1.2.2</vet> Tijdens het gesprek met de werkcoach/accountmanager
                                zal deze een goed beeld proberen te krijgen van de klant om deze
                                zorgvuldig te bemiddelen naar een werkgever.</al><al><vet>1.2.3</vet> Indien een klant belemmeringen van betekenis
                                aanvoert (zoals medische klachten, financiële problemen of een
                                gebrek aan kinderopvang), lost de werkcoach dit in samenwerking met
                                de Adviseur Inkomen en Zorg en de klant zoveel mogelijk ter plekke
                                op. Hieronder zijn de verschillende mogelijkheden opgesomd:</al><lijst><li nr="a."><al>De klant voert medische (lichamelijke, psychische en/of
                                        verstandelijke) belemmeringen aan. De werkcoach maakt,
                                        indien wenselijk, tijdens het gesprek telefonisch een
                                        afspraak voor de klant bij een keuringsarts,
                                        arbeidsdeskundige of psycholoog. De keuring bij het Uwv voor
                                        een Sociaal Medisch Advies (SMA) vindt doorgaans plaats
                                        binnen tien werkdagen, de rapportage wordt binnen twee
                                        werkdagen daarna aangeleverd. De werkcoach maakt in het
                                        gesprek een vervolgafspraak voor na ontvangst van de
                                        rapportage. Ook wordt de afspraak gemaakt om de eerst
                                        volgende werkdag met een intensief bemiddelingstraject te
                                        starten, zoals beschreven onder punt 1. Belemmeringen en
                                        eventueel benodigde aanpassing van de werkplek worden
                                        doorgegeven aan de begeleider van de werkplek. Het
                                        functioneren op de werkplek wordt meegenomen bij de verdere
                                        diagnose.</al></li><li nr="b."><al>De klant voert praktische belemmeringen aan, zoals het
                                        ontbreken van kinderopvang of vervoersproblemen. De
                                        werkcoach gaat in geval van kinderopvang na of de klant dit
                                        zelf kan opvangen (gastouderopvang). Als dit niet mogelijk
                                        is, verwijst de werkcoach in het gesprek de klant naar de
                                        kinderopvanginstelling(en) om zo spoedig mogelijk
                                        kinderopvang te regelen. Dit is de proimaire
                                        verantwoordelijkheid van de klant. Voor vervoersproblemen is
                                        de klant zelf en op eigen kosten verantwoordelijk voor de
                                        aanschaf van een OV-chipkaart. De reiskosten van het verdere
                                        re-integratietrajct kunnen onder bepaalde voorwaarden worden
                                        vergoedt door de gemeente. Over het algemeen heeft de
                                        gemeente bussen aanwezig waar de klant gebruik van kan
                                        maken. Reizen binnen 10 kilometer van het huis van de klant
                                        worden niet vergoedt indien de klant in staat is de afstand
                                        per fiets af te leggen. Beschikt de klant niet over een
                                        fiets, dan kan de gemeente een leenfiets beschikbaar
                                        stellen. Ook wordt de afspraak gemaakt om met een intensief
                                        bemiddelingstraject te starten, zoals beschreven onder punt
                                        1, wanneer de kinderopvang en vervoer geregeld zijn.</al></li></lijst><al><vet>1.2.4</vet> Indien de klant niet direct bemiddelbaar is,
                                bepaalt de werkcoach wat het hoogst haalbare einddoel voor de klant
                                is: regulier werk of uitsluitend een uitkering met sociale
                                activering c.q. werken met behoud van uitkering
                                (participatieplaats).</al><al><vet>1.2.5</vet> De werkcoach stelt een uitstroomgericht
                                re-integratieplan dan wel plan van aanpak op, zie artikel 3 lid 4 en
                                lid 5 van de re-integratieverordening. De werkcoach is regievoerder
                                en de klant is verantwoordelijk voor de uitvoering van het traject.
                                De werkcoach koopt waar nodig externe re-integratieproducten
                                in.</al><al><vet>1.2.6</vet> Indien de werkcoach tot de conclusie komt dat
                                regulier werk niet haalbaar is, maar de klant wel de capaciteiten
                                heeft om regelmatige loonvormende arbeid te verrichten, leidt de
                                werkcoach de klant toe naar een activeringstraject. Daarnaast zal de
                                klant die geconfronteerd wordt met ingrijpende problemen (schulden,
                                psychische problemen, verslaving, etc.) in het gesprek worden
                                doorverwezen naar budgetbegeleiding en/of de daarvoor bestaande
                                hulpverleningsinstanties. De werkcoach blijft het traject bewaken en
                                regiseren.</al><al><vet>1.2.7</vet> Indien de klant niet in staat is tot enige vorm van
                                loonvormende arbeid, kan aan de klant een individuele vrijstelling
                                voor bepaalde duur worden verleend voor solliciteren naar betaald
                                werk. Er vindt geen vrijstelling plaats voor sociale activering.
                                Verlening van een vrijstelling vindt steeds plaats op basis van
                                individuele omstandigheden maar in ieder geval:</al><lijst><li nr="-"><al>Indien de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van
                                        zorg en voorziening niet mogelijk is voor alleenstaande
                                        ouders voor maximaal de duur van deze onmogelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>Indien kandidaten om psychische dan wel medische redenen
                                        niet in staat zijn om te werken voor de duur van de periode
                                        van ontheffing en in de mate waarin zij niet in staat zijn
                                        tot werken of tot maatschappelijke participatie.</al></li></lijst><al>De onder het eerste aandachtsstreepje genoemde uitzonderingsgrond
                                kan ook in individuele gevallen worden toegepast voor anderen dan
                                alleenstaande ouders, waaronder pleegouders.</al><al><vet>1.2.8</vet> Voor jongeren geldt een bijzondere procedure op
                                grond van de wet. De jongere is namelijk verplicht om de eerste 4
                                weken na melding bij het Uwv alles te doen om betaald werk te vinden
                                of scholing die valt onder studiefinanciering. Deze 4 weken wordt
                                ook wel de ‘baanzoekplicht’ genoemd. De gemeente Vlagtwedde verstaat
                                onder de baanzoekplicht in ieder geval dat de jongere zich laat
                                inschrijven bij 5 uitzendbureaus en elke werkdag minimaal 1 concrete
                                sollicitatie op werkelijk bestaande vacatures verricht. In 4 weken
                                zijn dat dus 20 aantoonbare sollicitaties. Open sollicitaties vallen
                                daar niet onder. De jongere die binnen de 4 weken geen betaald werk
                                of studie heeft gevonden kan een aanvraag indienen voor een
                                bijstandsuitkering. Bij de werkintake dient de jongere bij de
                                werkcoach een overzicht in te leveren van de 5 inschrijvingen bij
                                uitzendbureaus en van 20 verrichte sollicitaties. De werkcoach
                                beoordeelt vervolgens de inspanningsverplichting. Indien de jongere
                                niks of nagenoeg niks heeft gedaan door bijvoorbeeld maar bij 1
                                uitzendbureau ingeschreven en 2 of 3 sollicitaties heeft gedaan, dan
                                wordt dat door de gemeente beoordeelt als niet voldaan aan de
                                inspanningsverplichting. In dat geval zal een nieuwe baanzoekplicht
                                van 4 weken intreden en verschuift de eerst mogelijke ingangsdatum
                                van de wwb uitkering naar de datum dat de tweede termijn van de
                                baanzoekplicht is ingegaan. Indien de jongere gedeeltelijk aan de
                                baanzoekplicht heeft voldaan door bij meer dan 1 uitzendbureau
                                ingeschreven te staan en meer dan 3 concrete sollicitaties te
                                verrichten, dan wordt er conform artikel 3 derde lid sub c en
                                artikel 4 lid 1 sub c van de afstemmingsverordening Wwb een
                                verlaging van 30% op de uitkering toegepast. De werkcoach gaat
                                vervolgens met de jongere een plan van aanpak maken. Voor een
                                jongere zonder startkwalificatie geldt als uitgangspunt: terug naar
                                school. De werkcoach zal dit in het intakegesprek als eerste
                                onderzoeken. Tot de uitstroom uit de bijstand is gerealiseerd is een
                                intensief traject van 40 uur per week van toepassing op de jongere
                                met arbeidstraining, sollicitatiebegeleiding en gesprekken met de
                                werkcoach. Het traject voor een jongere behelst voor zover mogelijk
                                steeds het gebruikmaken van de mogelijkheden van
                                studiefinanciering.</al><al>Aan het eind van het gesprek stelt de werkcoach samen met de klant
                                een re-integratieplan of plan van aanpak op, waarin de uitkomst van
                                het gesprek wordt vastgelegd in termen van einddoel, traject /
                                instrumenten, arbeidstraining en (vervolg)afspraken. Hierna vangt
                                het traject daadwerkelijk aan. Indien de klant tijdens het gesprek
                                heeft aangegeven van een uitkering af te zien, wordt hiervan een
                                verklaring ingevuld.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet><onderstreept>2.5.1.3 Intensieve
                            coaching</onderstreept></vet></titel></kop><structuurtekst><al>Iedere klant wordt gedurende zijn re-integratietraject gecoacht door een
                            vaste werkcoach. De intensiteit van deze coaching is afhankelijk van de
                            specifieke aandachtspunten van de klant en vindt periodiek plaats. Bij
                            ieder contact worden de acties van klant en werkcoach steeds aan het
                            plan getoetst en vindt waar nodig bijsturing plaats. Noemenswaardige
                            notities worden in het logboek van het klant re-integratiesysteem (KRS)
                            vastgelegd. Het is in principe niet mogelijk dat een klant op eigen
                            verzoek van werkcoach kan wisselen. In het bedrijfsleven zal de klant
                            ook met persoonlijkheden te maken krijgen die hem of haar niet zo
                            liggen. Het kunnen omgaan met een werkcoach hoort daarom bij de training
                            van de klant.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.1.4 Het traject</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De invulling van deze fase vloeit voort uit de keuzes die in de eerste
                            fase zijn gemaakt. In de meeste gevallen zal sprake zijn van een
                            re-integratietraject met als onderdeel arbeidstraining en
                            (sollicitatie)begeleiding in de trainingsruimte van de gemeente met een
                            tijdsbelasting van 40 uur per week. Voor alle kandidaten geldt dat zij
                            in ruil voor hun uitkering alles in het werk zullen moeten stellen om
                            terug te keren in het arbeidsproces. Dit betekent dat iemand met een
                            uitkering in principe gedurende 40 uur per week
                            re-integratieactiviteiten zal moeten verrichten. De aard van deze
                            activiteiten is afhankelijk van de afstand tot de arbeidsmarkt en de
                            specifieke belemmeringen die moeten worden opgelost. Bij ieder traject
                            is sprake van individueel maatwerk. De klant dient alle activiteiten in
                            het klant re-integratiesysteem (KRS) bij te houden. Met de 40 urige
                            ‘werk’week is aansluiting gezocht bij banen in het bedrijfsleven. Die
                            zijn over het algemeen ook 40 uur per week. Een belasting van 40 uur per
                            week is bedoeld om te voorkomen dat werkzoekenden moeilijkheden gaan
                            ervaren met gewenning, uithoudingsvermogen en ritme, wanneer men
                            ‘ineens’ wel 40 uur per week gaat werken. Indien de klant uiteindelijk
                            met minder dan 40 uren onafhankelijk kan worden van de bijstand, dan
                            treedt er eerder een positief effect op dan negatief. Om die reden is in
                            het kader van artikel 7 lid 2 van de re-integratieverordening gekozen
                            voor een verplichte 40 urige inzet voor arbeidstraining,
                            sollicitatiebegeleiding en gesprekken met de werkcoach.</al><al>De werkcoach voert samen met de klant het traject uit, bewaakt de met de
                            klant gemaakte afspraken en stuurt bij waar nodig. Uitgangspunt bij de
                            begeleiding en coaching zal het motto “Ken je klant” zijn. Dit wordt
                            vooral bereikt door de ervaringen uit de 40 urige ‘werk’week van de
                            klant. Persoonlijk contact en inzicht in motivatie, capaciteit en het
                            netwerk van de klant zijn noodzakelijk om de klant optimaal te kunnen
                            coachen. Nauwe samenwerking tussen de verschillende partijen waar de
                            klant mee te maken heeft, is dan ook absolute noodzaak. Dit vraagt van
                            de werkcoach en de Adviseur Inkomen en Zorg een sterke regiefunctie, een
                            hoge mate van flexibiliteit, een pro-actieve houding, handelen volgens
                            het principe “afspraak is afspraak” en een nauwkeurige vastlegging van
                            contactmoment en gespreksverslagen in het logboek van de klant.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.1.5 Bemiddeling</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Deze fase komt in feite alleen aan de orde in trajecten voor kandidaten
                            met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt, de zogehete ‘hot cliënts’.
                            Direct bemiddelbare kandidaten kunnen daardoor meeliften op het netwerk
                            van de gemeente naast hun eigen sollicitatieactiviteiten en vinden
                            daardoor sneller een regulier betaalde baan. Bij kandidaten die meer
                            moeite hebben met het vinden van een reguliere baan, zal de
                            ondersteuning door de gemeente een verdergaand karakter hebben. De
                            acquisitie van werkervaringsplaatsen/stages, subsidiebanen en reguliere
                            banen is in handen van de werkcoach/accountmanagers.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.1.7 Instrumenten</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Bij het re-integratieproces staan de werkcoach en de klant verschillende
                            instrumenten ter beschikking. Gaandeweg kan een behoefte ontstaan aan
                            nieuwe instrumenten. Deze kunnen dan onder toepassing van het
                            gemeentelijke inkoopbeleid door de werkcoach middels een mandaatadvies
                            worden ingekocht na akkoord van de medewerker beleid. Als deze nieuwe
                            instrumenten een structureel karakter krijgen, zullen zij worden
                            beschreven in het beleidsplan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.1.7.1 Ondersteunende
                            instrumenten</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente stelt zich ten doel kandidaten zo optimaal mogelijk te
                            steunen bij het vinden van een reguliere baan en het uitvoeren van een
                            traject. Dit betekent dat de gemeente, afhankelijk van het traject,
                            bepaalde ondersteunende instrumenten kan inzetten. Het gaat daarbij
                            voornamelijk om de financiering van zaken als:</al><lijst><li nr="- "><al>Reiskosten die een klant maakt in het kader van zijn traject,
                                    daaronder begrepen het frequent bezoeken van de
                                    arbeidstrainingsplek en het gemeentehuis in het kader van het
                                    traject, mits de vergoeding is vastgelegd in het
                                    re-integratieplan. Reiskosten voor reizen binnen de 10 kilometer
                                    enkele reis worden niet vergoed. De vergoeding bedraagt de
                                    werkelijke kosten van het Openbaar Vervoer (2<sup>de </sup>klas)
                                    of, mits met eigen vervoer wordt gereisd, 0,19 euro per
                                    kilometer en kan achteraf digitaal bij de gemeente worden
                                    gedeclareerd middels het Klant reïntegratiesysteem (KRS) via
                                    www.ons-werk.nl. De klant is zelf verantwoordelijk voor het
                                    indienen van de reiskostendeclaraties. Reiskostendeclaraties
                                    voor reizen ouder dan 2 maanden op de datum van indiening worden
                                    niet vergoed. Indien de gemeente zelf vervoer geregeld heeft,
                                    bestaat geen recht op reiskostenvergoeding. Nug-ers hebben geen
                                    recht op reiskostenvergoeding. De klant heeft geen recht op
                                    vergoeding voor het bezoek aan het UWV werkbedrijf en de
                                    gemeente als het niet in het kader is van het
                                    re-integratietraject. De klant heeft geen recht op
                                    reiskostenvergoeding voor overige reizen die niet in het kader
                                    van het re-integratietraject worden gemaakt;</al></li><li nr="- "><al>Brommer of fiets. Aan kandidaten die in het kader van
                                    re-integratie grote afstanden moeten reizen dan wel de
                                    reisafstand niet of onvoldoende adequaat met het openbaar
                                    vervoer kunnen afleggen en over onvoldoende middelen beschikken
                                    om daar zelf adequaat in te voorzien, kan een brommer of een
                                    fiets in bruikleen worden verstrekt. Dit ter beoordeling van de
                                    werkcoach;</al></li><li nr="- "><al>Kleding en persoonlijke verzorging. Aan kandidaten die in het
                                    kader van re-integratie kleding en persoonlijke verzorging nodig
                                    hebben ten behoeve van sollicitatie-activiteiten, een stage of
                                    anderszins en over onvoldoende middelen beschikken om daar zelf
                                    adequaat in te voorzien, kan representatieve kleding en
                                    voorzieningen in het kader van persoonlijke verzorging worden
                                    verstrekt. Dit ter beoordeling van de werkcoach;</al></li><li nr="- "><al>Computer. Aan kandidaten die niet of in beperkte mate met een
                                    computer overweg kunnen en daardoor bij het vinden van een
                                    reguliere baan of andere vormen van maatschappelijke
                                    participatie in een achterstandspositie verkeren, kan computer-
                                    onderwijs worden gegeven. Hiervoor heeft de gemeente Vlagtwedde
                                    op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs afspraken gemaakt
                                    met het regionaal opleidingscentrum (ROC). Indien de klant thuis
                                    niet over een computer beschikt, kan een vergoeding van maximaal
                                    450 euro worden verstrekt in de tegemoetkoming van de kosten.
                                    Een voorwaarde is wel dat dit een noodzakelijkheid in het
                                    re-integratietraject is;</al></li><li nr="- "><al>Advisering en hulpverlening bij financiële problemen. Aan
                                    kandidaten met beginnende of vergevorderde schuldenproblematiek
                                    wordt coaching van hun bestedingspatroon, hulpverlening bij
                                    schuldsanering en/of budgetcursus aangeboden met als doel: een
                                    financieel gezonde huishouding. Dit is zowel preventief als
                                    regressief gericht. Hierin werkt de gemeente samen met
                                    eerdergenoemde ROC.</al></li></lijst><al>Indien de klant zich onvoldoende inzet voor het re-integratietraject,
                            dan kunnen, op grond van artikel 10 lid 1 van de
                            re-integratieverordening, de verstrekte vergoedingen – afhankelijk van
                            de verwijtbaarheid van de klant – worden teruggevorderd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.1.7.2 Flankerende
                            dienstverlening</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In een traject kan het voorkomen dat bepaalde beperkingen de start of
                            voortzetting van een traject onmogelijk maken. Het kan dan gaan om
                            bijvoorbeeld verslaving, psychische problemen etc. De gemeente kan in
                            deze gevallen – buiten de bestaande kanalen – experts inschakelen die
                            deze problemen samen met de klant gaan oplossen. Het gaat daarbij onder
                            meer om:</al><lijst><li nr=" -"><al>Psychologische of psychiatrische hulpverlening</al></li><li nr=" -"><al>Verslavingszorg</al></li><li nr=" -"><al>Gezinscoaching</al></li></lijst><al><onderstreept>2.5.1.7.3 Werkgeversdienstverlening</onderstreept></al><al>Vlagtwedde presenteert zich als dienstverlener aan bedrijven in de regio
                            Oost-Groningen.</al><al>Vlagtwedde biedt in deze markt concreet de volgende producten:</al><lijst><li nr="-"><al>Arbeidskrachten;</al></li><li nr="-"><al>Gratis korte kennismakings- c.q. inwerkperiode / proeftijd;</al></li><li nr="-"><al>Flexibele arbeidsverhoudingen;</al></li><li nr="-"><al>Gratis scholing en training van (potentiële) medewerkers;</al></li><li nr="-"><al>Advies en maatwerkoplossingen op het gebied van HRM;</al></li><li nr="-"><al>Een laagdrempelige toegang tot overige gemeentelijke
                                    diensten.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><titel><onderstreept>2.5.1.7.4 Inkoop</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente voert de re-integratie zoveel mogelijk in eigen beheer
                                in en koopt bij de uitvoering van haar re-integratietaak desgewenst
                                instrumenten in. Deze inkoop vindt plaats conform de regels die het
                                Europese, nationale aanbestedingsrecht en het gemeentelijke inkoop-
                                en aanbestedingsbeleid stelt.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet><onderstreept>2.5.1.7.5 Interne
                            training</onderstreept></vet></titel></kop><structuurtekst><al>Vanaf de eerste dag van het traject zal de klant geplaatst worden in de
                            training ook wel persoonlijke begeleiding genoemd.</al><al>Deze training heeft een aantal doelen namelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>begeleiding bij solliciteren;</al></li><li nr="b."><al>klant in beeld krijgen c.q. hebben;</al></li><li nr="c."><al>arbeidsritme opdoen c.q. behouden;</al></li><li nr="d."><al>veranderings- en leerproces op gang brengen bij de klant;</al></li><li nr="e."><al>uitstroom realiseren.</al></li></lijst><al>a. Actieve begeleiding, ondersteuning bij het solliciteren. De klant
                            wordt gewezen op vacatures, heeft toegang tot internet om te
                            solliciteren, heeft de beschikking over gratis postzegels voor het
                            versturen van sollicitatiebrieven, kan gratis zijn/haar brief kopiëren,
                            heeft de beschikking over enveloppen, krijgt indien nodig training in
                            het solliciteren, communiceren, presenteren, etc.</al><al>b. De klant is in beeld. De klant volgt een 40 urige trajectweek waarvan
                            een aantal uren per week training. De training werkt tevens als diagnose
                            instrument (qua gedrag, motivatie en opstelling) en heeft een
                            signaalfunctie qua eventuele nevenactiviteiten. Het motto “ken je klant”
                            komt ten volle tot uiting met als subdoel dat je ook als werkcoaches
                            elkaars klanten leert kennen.</al><al>c. Zie b.</al><al>d. Veranderingsproces. De klant wordt gecoacht op mentaliteit, houding
                            en mogelijkheden. Tevens wordt hij/zij gestimuleerd om maatschappelijk
                            te participeren indien werk (nog) niet haalbaar is. Er zal veel aandacht
                            zijn voor kernkwaliteiten, communicatie, uiterlijke presentatie, normen
                            en waarden.</al><al>e. Plaatsing op regulier, gesubsidieerd of sociaal werk.</al><al>Naast de persoonlijke begeleiding zijn er ook workshops waarbij een
                            professionele acteur wordt ingehuurd om rollenspellen te oefenen, zodat
                            de klant beter toegerust is om zich te presenteren tijdens een
                            sollicitatiegesprek.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.5.2. Overige voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Naast de voorzieningen die onder punt 1 zijn benoemd, staan in artikel 7
                            van de re-integratieverordening nog enkele mogelijkheden benoemd. Hierna
                            volgen de beleidsregels hieromtrent.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.2.1 Subsidiebaan artikel 7 lid 5 en 6
                                re-integratieverordening</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Wegens zeer beperkte middelen in het participatiebudget, maakt de
                            gemeente Vlagtwedde slechts in de grootst mogelijke uitzondering gebruik
                            van subsidiebanen of loonkostensubsidies. Indien dit wordt ingezet zal
                            dit veelal middels een mandaatadvies duidelijk beargumenteerd worden.
                            Uitzondering hierop is het aflopende 60+ project ‘Oud is Goud’ waar
                            loonkostensubsidie aan wordt verstrekt zolang het project loopt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.2.2 Eigen bedrijf of zelfstandig beroep artikel 7
                                lid 8 re-integratieverordening</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Primaire richting van een re-integratietraject naar werk zal een
                            dienstbetrekking in loondienst zijn. Gedurende het traject kan de
                            werkcoach op grond van de individuele omstandigheden van de klant tot de
                            conclusie komen dat het vinden van een regulier dienstverband zeer
                            moeizaam of niet realiseerbaar zal zijn, maar dat het starten van een
                            eigen bedrijf meer kans van slagen heeft.</al><al>Mocht de klant op enig moment aangeven aan de werkcoach of Adviseur
                            Inkomen en Zorg zelfstandige te willen worden, dan zal de werkcoach
                            volgens een stappenplan te werk. Het stappenplan is zeer intensief met
                            een werkbelasting van 40 uur per week en wordt in een zo kort mogelijke
                            termijn doorlopen. Stappen 1 tot en met 4 binnen 2 weken, stappen 5 tot
                            en met 7 in 6 maanden.</al><al>Dit is nodig omdat niet iedereen het in zich heeft om een zelfstandige
                            ondernemer te zijn. Indien de aspirant ondernemer het niet op kan
                            brengen om 40 uur per week met het traject bezig te zijn, zich niet aan
                            afspraken kan houden en de opdrachten niet goed vervult dan ontbreekt
                            het naar mening van de gemeente Vlagtwedde aan capaciteiten om een
                            zelfstandige ondernemer te zijn. Dit wordt dan ook al op voorhand bij
                            stap 1 duidelijk besproken.</al><al>Als op enig moment duidelijk wordt dat het eigen bedrijf geen kans van
                            slagen heeft, wordt de klant direct opgenomen in de
                            (sollicitatie)begeleiding om te solliciteren naar banen in
                            loondienst.</al><al><cursief>Stap 1</cursief> is erop gericht om de klant op weg te helpen.
                            Door middel van een intakegesprek wordt informatie verstrekt en een
                            trajectplan opgesteld met opdrachten die de klant gaat vervullen
                            zoals:</al><al>- Korte beschrijving van het ondernemersplan</al><al>- Vervolgafspraak</al><al>- Werkervaring op doen in het werk waar de beoogd zelfstandig ondernemer
                            een eigenbedrijf wil starten.</al><al><cursief>Stap 2</cursief> Bespreken korte ondernemersplan</al><al><cursief>Stap 3</cursief> Competentietest zelfstandig ondernemer bij het
                            UWV WERKBEDRIJF</al><al><cursief>Stap 4</cursief> Bespreken uitslag competentietest en diagnose
                            wel of geen haalbaarheid. Indien niet, dan wordt de klant ingedeeld in
                            de (sollicitatie)begeleiding om te solliciteren naar banen in
                            loondienst. Indien wel, dan wordt het trajectplan bijgesteld met de
                            vervolgstappen.</al><al><cursief>Stap 5</cursief> Opstellen uitgebreid ondernemersplan. De klant
                            wordt daar waar nodig intensief gecoacht door het ROI of een een
                            jobcoach. Hier hoort ook het bezoeken van de Kamer van Koophandel bij,
                            banken, verzekeringskantoren, marktonderzoek, etc.</al><al><cursief>Stap 6</cursief> Aanvraag BBZ (inclusief onderzoek
                            levensvatbaarheid door IMK).</al><al><cursief>Stap 7</cursief> Start Bbz, coaching en nazorg.</al><al>Naast alle stappen blijft het opdoen van werkervaring in het werk waar
                            de beoogd zelfstandig ondernemer een eigenbedrijf wil starten, een
                            belangrijk onderdeel van het traject met een tijdsbelasting van 40 uur
                            per week.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.2.3 Sociale activering</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Sociale activering is maatwerk en één van de stappen van re-integratie.
                            Zeker indien de kandidaat nog te veel beperkingen heeft om regulier aan
                            het werk te gaan. Ook voor kandidaten die vooralsnog geen uitzicht
                            hebben op regulier werk is sociale activering noodzakelijk en heeft ten
                            doel de betrokken klant maatschappelijk te laten participeren om een
                            sociaal isolement of de dreiging daarvan op te heffen. Het instrument is
                            daarom ook niet in aard en omvang beperkt (behoudens financiële
                            grenzen).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.5.2.4 Wet sociale werkvoorziening
                                (Wsw)</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Inwoners van de gemeente die vanwege lichamelijke, psychische of
                            verstandelijke beperkingen niet in staat zijn een reguliere baan te
                            aanvaarden, kunnen in aanmerking komen voor een dienstbetrekking in de
                            sociale werkvoorziening. Daartoe moeten zij een aanvraag indienen bij
                            het UWV WERKBEDRIJF[2]. Het UWV WERKBEDRIJF zal op deze aanvraag binnen
                            16 weken een besluit nemen. Voor kandidaten die tot de doelgroep van de
                            gemeente behoren, zal de werkcoach de klant indien gewenst ondersteunen
                            bij zijn aanvraag.</al><al>Bij een besluit tot toelating wordt de klant overgedragen aan de
                            gemeente, bij een besluit tot afwijzing wordt de betrokkene doorverwezen
                            naar de instantie die een vervolgtraject zal moeten uitzetten
                            (werkgever, Uwv, gemeente, zorginstelling). De gemeente is
                            verantwoordelijk voor plaatsing in de sociale werkvoorziening (beschut
                            werken) en uitvoering van begeleid werken. Zie ook beleidsregel 2.4 lid
                            1.</al></structuurtekst><afdeling><kop><titel><onderstreept>2.5.2.5 Verantwoording</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Met ingang van het verantwoordingsjaar 2006 is ten aanzien van een
                                aantal specifieke uitkeringen het principe “single information
                                singel audit (“sisa”) ingevoerd. Eén van deze specifieke uitkeringen
                                is de Wwb. Basisidee bij het principe “sisa” is dat het Rijk bij het
                                vragen van informatie zoveel mogelijk aansluit bij de
                                informatiebehoeften en verantwoordingsmomenten van de medeoverheden
                                zelf. De gemeente hoeft niet speciaal meer een aparte verantwoording
                                voor het rijk op te stellen, maar kan het eigen jaarverslag
                                gebruiken. In een bijlage bij de jaarrekening wordt de
                                verantwoordingsinformatie opgenomen over specifieke uitkeringen die
                                het Rijk nodig heeft om de uitkeringen te kunnen beoordelen. “Sisa”
                                betekent voor de gemeente;</al><lijst><li nr="Ø"><al>Verantwoording via toelichting op de jaarrekening. Beperkte
                                        verantwoording.</al></li><li nr="Ø"><al>Geen afzonderlijke accountantsverklaring per specifieke
                                        uitkering maar een jaarrekening inclusief
                                        accountantsverklaring is voldoende.</al></li><li nr="Ø"><al>Eén verantwoordingsmoment (uiterlijk 15 juli) aan het CBS
                                        namens het ministerie van BZK.</al></li><li nr="Ø"><al>Minder intensieve controle: reguliere jaarrekeningcontrole +
                                        enige extra controle voor Algemene Rekenkamer.</al></li><li nr="Ø"><al>Controleprotocollen vervallen. In plaats daarvan
                                        jaarrekeningcontrolevoorschriften.</al></li><li nr="Ø"><al>Rapport van bevindingen per jaarrekening volstaat +
                                        rapporten over kleinere fouten en onzekerheden in plaats van
                                        rapport per specifieke uitkering.</al></li></lijst><al>Tot slot levert de gemeente aan het CBS statistische gegevens in het
                                kader van de SRG-monitor, Statistiek Re-integratie Gemeenten en aan
                                het inlichtingenbureau inzake het digitaal klantdossier (DKD).
                                Belangrijkste gegevens die hierin worden verantwoord zijn het aantal
                                kandidaten dat wordt bediend, het aantal kandidaten dat uitstroomt
                                naar regulier werk en de frequentie en gemiddelde duur van de inzet
                                van het instrument gesubsidieerde arbeid.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel><onderstreept>2.5.2.6 Budgetplafond</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De hoogte van het SZW deel in het participatiebudget is leidend voor
                                de inzet van voorzieningen. Er worden alleen dan voorzieningen
                                aangeboden indien het beschikbare budget dit toelaat.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.6 Uitwerking artikel 11 re-integratieverordening
                            beëindiging</titel></kop><structuurtekst><al>Indien de voorziening, bedoeld in beleidsregel 2.5, beëindigd wordt op
                            grond van artikel 11 lid 1 van de re-integratieverordening, dan bepaalt
                            de werkcoach voor welke periode de voorziening niet wordt aangeboden.
                            Tevens bepaalt de werkcoach of en in welke mate de werkzoekende in
                            tweede aanleg in aanmerking komt voor een voorziening.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.7 Uitwerking artikel 12 en 12A re-integratieverordening premie wet
                            STAP</titel></kop><structuurtekst><al>In het kader van artikel 12 en 12A Wet stimuleren arbeidsparticipatie
                            (STAP) van de re-integratieverordening wordt het instrument premie
                            ingezet in combinatie met ‘euro-banen’. Euro-banen zijn gecreëerde
                            alternatieve werkplekken bij werkgevers waar bijstandsgerechtigden met
                            behoud van uitkering aan het werk gaan. De werkgever betaald in dat
                            geval een bijdrage in de kosten van re-integratie in de vorm van een
                            inleenvergoeding. Bij een 3 eurobaan is de inleenvergoeding die de
                            werkgever betaald 3 euro per uur, bij een 5 eurobaan 5 euro per uur,
                            etc. De hoogte van de eurobaan is een zaak tussen de
                            werkcoach/accountmanager en de werkgever en heeft tot doel om de
                            werkgevers zoveel mogelijk bij te laten dragen in de kosten van
                            re-integratie, omdat de werkgevers uiteindelijk ook belang hebben bij
                            goed personeel. Als het werken met behoud van uitkering gedurende
                            minimaal zes maanden naar behoren wordt vervuld, wordt aan de klant een
                            premie uitgekeerd van maximaal het bedrag dat in de
                            re-integratieverordening artikel 12A is opgenomen. Indien de
                            bijstandgerechtigde met behoud van uitkering aan het werk gaat in een
                            zogeheten eurobaan wordt dit gezien als participatieplaats op grond van
                            de wet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.7.1. Voorwaarden premie</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Naast hetgeen in artikel 12A van de re-integratieverordening is gesteld,
                            zijn op grond van artikel 12A lid 7 re-integratieverordening de volgende
                            beleidsregels van toepassing:</al><al>- de klant doet een verzoek van de premie aan de werkcoach;</al><al>- de premie wordt alleen dan aan de klant uitgekeerd indien er een
                            getekende overeenkomst aanwezig is met een werkgever waarin het werken
                            met behoud van uitkering in verband met een eurobaan is vastgelegd;</al><al>- alleen de uren die in het Klant re-integratiesysteem (KRS) via
                            www.ons-werk.nl door de klant zijn geregistreerd én in het kader van
                            werken met behoud van uitkering zijn gewerkt tellen mee voor de
                            premie.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 Beleid aangaande de tegenprestatie</titel></kop><structuurtekst><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikel 9, lid 1 sub c van de Wet werk en bijstand (Wwb)</extref>
                            en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=37">artikel 37, lid 1 onder f Ioaw respectievelijk Ioaz</extref> is de
                            wettelijke basis vastgelegd voor de tegenprestatie die iedere
                            bijstandsgerechtigde verplicht is te leveren. Deze plicht tot
                            tegenprestatie geldt ook voor de Wsw en Wajong geïndiceerden. In dit
                            hoofdstuk worden de beleidsregels beschreven die betrekking hebben op de
                            tegenprestatie.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 1 Doelstelling</titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente Vlagtwedde is van mening dat mensen die een
                            bijstandsuitkering op grond van de Wwb, Ioaw of Ioaz krijgen of hebben
                            aangevraagd de plicht hebben om daarvoor naar vermogen bepaalde
                            onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten te verrichten. De
                            werkzaamheden worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                            en mogen niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Men noemt dit
                            de plicht tot het leveren van een tegenprestatie naar vermogen.</al><al>Het doel van de verplichting is om een tegenprestatie te verlangen voor
                            het beroep op de solidariteit van de samenleving.</al><al>Beleidsregel 2 Eisen werkzaamheden</al><al>De werkzaamheden die de gemeente oplegt voldoen aan de volgende
                            eisen:</al><lijst><li nr="1."><al>onbeloond;</al></li><li nr="2."><al>maatschappelijk nuttig;</al></li><li nr="3."><al>geen belemmering voor het accepteren van werk;</al></li><li nr="4."><al>geen belemmering voor de re-integratie;</al></li><li nr="5."><al>beperkt in omvang;</al></li><li nr="6."><al>beperkt in tijdsduur;</al></li><li nr="7."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid;</al></li><li nr="8."><al>leiden niet tot verdringing op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="9."><al>de bijstandsgerechtigde moet in staat zijn ze te
                                    verrichten;</al></li><li nr="10."><al>de bijstandsgerechtigde is verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid
                                    en aansprakelijkheid.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 3 Samenloop met arbeidsplicht en re-integratie</titel></kop><structuurtekst><al>De plicht tot het leveren van een tegenprestatie staat in principe los
                            van de arbeidsplicht en het re-integratietraject. Het is niet bedoeld
                            als re-integratie-instrument.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 4 Opleggen verplichting</titel></kop><structuurtekst><al>De werkcoach/accountmanager bepaalt aan de hand van de individuele
                            omstandigheden en de beschikbare onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            activiteiten, de aard duur een omvang van de tegenprestatie. Deze worden
                            vastgelegd in een rapport en een beschikking.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 5 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het opleggen van de verplichting tot het leveren van een
                            tegenprestatie hanteert de gemeente de algemene beginselen van
                            behoorlijk bestuur. Dit betekent dat de werkcoach altijd het volgende
                            moet doen:</al><lijst><li nr="1."><al>Onderzoeken of de bijstandsgerechtigde in staat is om de
                                    werkzaamheden te verrichten (zorgvuldige voorbereiding). De
                                    werkcoach zal indien nodig (medisch) advies moeten inwinnen bij
                                    derden. Het gaat immers om een tegenprestatie naar
                                    vermogen.</al></li><li nr="2."><al>Aannemelijk maken in de beschikking dat de werkzaamheden voldoen
                                    aan de daaraan gestelde eisen (motiveringsplicht).</al></li><li nr="3."><al>De plicht niet zo maar aan iemand opleggen (verbod van
                                    willekeur). Om die reden geldt de plicht tot tegenprestatie voor
                                    alle bijstandsgerechtigden.</al></li><li nr="4."><al>In vergelijkbare gevallen dezelfde soort verplichting tot het
                                    leveren van een tegenprestatie opleggen
                                    (gelijkheidsbeginsel).</al></li><li nr="5."><al>De verplichting niet opleggen met een ander doel dan het
                                    verlangen van een tegenprestatie voor de bijstand (verbod van
                                    détournement de pouvoir). De gemeente zal de verplichting dus
                                    niet opleggen om iemand te straffen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 6 Verzekering en aansprakelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>De partij waar de tegenprestatie wordt verricht, zorgt dat de
                            bijstandsgerechtigde tijdens het verrichten van de werkzaamheden
                            verzekerd is. Het gaat daarbij om het afdekken van de risico's van
                            arbeidsongeschiktheid en aansprakelijkheid. De gemeente is niet
                            aansprakelijk als het werk leidt tot arbeidsongeschiktheid van de
                            bijstandsgerechtigde of tot schade bij derden. De gemeente is niet
                            aansprakelijk voor een vergoeding of loon voor de verrichte
                            tegenprestatie als de bijstand achteraf wordt teruggevorderd over een
                            periode waarin de verplichting tot tegenprestatie is opgelegd, Bij de
                            aanvraag voor een bijstandsuitkering dient de bijstandsgerechtigde zich
                            te realiseren dat aan de aanvraag het verrichten van een tegenprestatie
                            is gekoppeld ook al blijkt de aanvraag niet tot een bijstandsuitkering
                            te leiden of dat de bijstandsuitkering om wat voor reden dan ook later
                            wordt teruggevorderd. De tegenprestatie kan in geen enkel opzicht gezien
                            worden als het verrichten van reguliere betaalde werkzaamheden, waardoor
                            de gemeente niet aansprakelijk gesteld kan worden voor loon of een
                            vergoeding.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 7 Combinatie met zorg voor gezinslid met
                            AWBZ-indicatie</titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente zal bij het opleggen van de verplichting tot tegenprestatie
                            aan iemand die een gezinslid met een AWBZ-indicatie verzorgt, nagaan of
                            die zorg te combineren is met de tegenprestatie. Daarbij is niet
                            relevant of de gemeente het gezinslid met AWBZ-indicatie voor de WWB als
                            alleenstaande of gezinslid beschouwt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 8 Aanvullende regels</titel></kop><structuurtekst><al>De werkcoach/accountmanager kan aanvullende regels stellen ten aanzien
                            van het opleggen van de verplichting tot het leveren van een
                            tegenprestatie naar vermogen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 9 Gevolgen niet nakomen verplichting</titel></kop><structuurtekst><al>Als een bijstandsgerechtigde de opgelegde verplichting tot het leveren
                            van een tegenprestatie niet nakomt, kan de gemeente de
                            bijstandsuitkering tijdelijk verlagen conform de afstemmingsverordening
                            Wwb.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 10 Verschil met participatieplaats</titel></kop><structuurtekst><al>De relatie tussen de tegenprestatie en de participatieplaats is dat het
                            gaat om twee verschillende instrumenten die gemeenten tot hun
                            beschikking hebben. Beide instrumenten richten zich op het verrichten
                            van werkzaamheden met behoud van uitkering waarbij het karakter van de
                            werkzaamheden additioneel is. Beide instrumenten zijn ook duidelijk van
                            elkaar te onderscheiden. De werkzaamheden op een participatieplaats
                            dienen primair nuttig te zijn voor de ontwikkeling van betrokkene
                            richting de arbeidsmarkt. De werkzaamheden in het kader van de
                            tegenprestatie worden daarentegen verricht omdat van de
                            uitkeringsgerechtigden een tegenprestatie wordt verwacht voor de
                            uitkering die nuttig is voor de samenleving. In het verlengde hiervan is
                            aan de tegenprestatie geen scholing of een opleiding gekoppeld. Dit
                            instrument is immers niet bedoeld als re-integratie instrument. Verder
                            zal het leveren van een tegenprestatie vaak werkzaamheden van korte duur
                            omvatten, terwijl een participatieplaats voorziet in werken voor een
                            langere periode van maximaal twee jaar met, onder omstandigheden, een
                            verlengingsmogelijkheid. Een laatste verschil is dat voor het werken op
                            een participatieplaats de gemeente een premie (eurobaan) zal toekennen
                            aan de uitkeringsgerechtigde indien hij voldoende heeft meegewerkt aan
                            het vergroten van zijn kans op arbeidsinschakeling, terwijl dat niet het
                            geval is bij het verrichten van een tegenprestatie.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel 12 Hardheidsclausule</titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen
                            genoemd in dit hoofdstuk, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>HOOFDSTUK 4 RICHTLIJNEN BEHANDELING AANVRAGEN EN
                                TOEPASSING WWB, IOAW EN IOAZ</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Ingevolge de Wwb, Ioaw en Ioaz moet onder andere vorm worden gegeven aan
                            een gerichte aanpak van de fraudebestrijding. Hiervoor is een
                            handhavingsverordening opgesteld. Daarnaast is er deze beleidsnota. In
                            deze beleidsnota is de aantoonplicht van de belanghebbende omschreven.
                            Wie aanspraak wil maken op bijstand of een uitkering op grond van de
                            Wwb, Ioaw/Ioaz moet dus aan bepaalde eisen voldoen. Tevens is de
                            verificatie van de verstrekte gegevens door de gemeente (de zogenaamde
                            poortwachterfunctie) geregeld. In deze beleidsnota is tevens de
                            onderzoeksplicht van de gemeente geregeld.</al></structuurtekst><afdeling><kop><titel><onderstreept>Algemeen beleid</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Om het vermogen bij aanvang en tijdens de periode van
                                bijstandsverlening te kunnen vaststellen zijn in deze paragraaf
                                richtlijnen vastgesteld.</al><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=34">artikel 34 en 50 Wwb</extref> zijn de bepalingen opgenomen over
                                het recht op bijstand voor belanghebbenden die eigenaar zijn van de
                                door hem of zijn gezin bewoonde woning. In de Wwb zijn geen echter
                                bepalingen meer opgenomen omtrent de verlening van bijstand in de
                                vorm van een krediethypotheek. In de Wwb is alleen opgenomen dat de
                                bijstand in de vorm van de geldlening wordt verstrekt wanneer de
                                hoogte van de algemene bijstand over de periode van een jaar naar
                                verwachting meer zal gaan bedragen dan het wettelijke minimumloon en
                                het vermogen gebonden in de woning meer bedraagt dan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=34">artikel 34, lid 2, sub d Wwb</extref>. Toch is in het kader van
                                bijstandsverlening wenselijk om bijstand in de vorm van een
                                hypotheek te verlenen ter zekerheidstelling van de geldlening.</al><al>Vermogen</al><al>Voor de toepassing van de Wet werk en bijstand wordt op grond van
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand">artikel 34 Wwb</extref> onder vermogen verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>De waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of
                                        het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
                                        verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van
                                        bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het
                                        economische verkeer bij vrije oplevering;</al></li><li nr="-"><al>Middelen die worden ontvangen in de periode waarover
                                        algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen
                                        inkomsten betreffen als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=32">artikelen 32 en 33</extref>.</al></li></lijst><al>Bij de bepaling van het vermogen ten aanzien van banksaldi rekening
                                worden gehouden met het normale uitgavenpatroon van de
                                belanghebbende. Toevallige schommelingen in het positieve saldo
                                moeten gedeeltelijk of geheel buiten de berekening van het vermogen
                                blijven. Zo zal een kort voor de aanvang van de bijstand
                                bijgeschreven uitkering of loon, niet betrekking hebbend op de
                                lopende bijstandsperiode, buiten beschouwing blijven mits deze
                                inkomsten niet meer bedragen dan de voor belanghebbende van
                                toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief de vakantietoeslag) en
                                het rekeningnummer waarop het inkomen is bijgeschreven een positief
                                saldo heeft. Van enkele vermogensbestanddelen is het ongewenst of
                                onbillijk om deze als vermogen in aanmerking te nemen en van de
                                aanvrager te vergen deze in te zetten voor het levensonderhoud. Deze
                                bestanddelen zijn limitatief opgesomd in artikel 34, tweede en
                                vierde lid Wwb. Ook de langdurigheidstoeslag dient te worden
                                vrijgelaten, voor zover van toepassing.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><cursief>Algemeen gebruikelijke bezittingen</cursief></titel></kop><structuurtekst><al>Bezittingen in natura worden niet in aanmerking genomen als vermogen,
                            indien deze naar aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn.</al><al><onderstreept>Antiek</onderstreept></al><al>Op grond van voorgenoemde regel wordt gebruikelijke woninginrichting
                            buiten beschouwing gelaten; een antieke kast die een aanzienlijke waarde
                            vertegenwoordigt niet. Dit geldt evenzeer voor sieraden. Hoewel zeker
                            niet doorslaggevend voor een te maken beoordeling, kan een eerste toets
                            op het (on)gebruikelijke karakter van huisraad of sieraden zijn het al
                            dan niet afgesloten hebben van een afzonderlijke
                            kostbaarhedenverzekering.</al><al><onderstreept>Auto</onderstreept></al><al>De auto kan zonder meer worden beschouwd als een naar aard algemeen
                            gebruikelijke bezitting, maar niet iedere auto kan uit oogpunt van
                            waarde als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Bij welke waarde de
                            auto het algemeen gebruikelijk karakter wordt ontzegd, moet nader worden
                            bepaald.</al><al>Uitgangspunt is dat het wettelijk criterium "algemeen gebruikelijk naar
                            aard en waarde" niet onderscheidt naar inkomensniveau. Het gaat dus niet
                            om de waarde van auto's waarover uitkeringsgerechtigden plegen te
                            beschikken. Er is geen aanleiding om van een andere waarde uit te gaan
                            dan die van de algemeen gebruikelijke auto voor privé gebruik.</al><al>Vooral in een gebied als de gemeente Vlagtwedde, een behoorlijk
                            uitgestrekt gebied waarin het openbaar vervoer niet optimaal is, is een
                            auto bijna onmisbaar. De meeste huishoudens in de gemeente Vlagtwedde
                            bezitten een auto. Ook veel huishoudens met een bijstandsuitkering
                            bezitten een auto. Tevens dient te worden bedacht dat ook in het kader
                            van uitstroom steeds hogere eisen aan de mobiliteit van mensen worden
                            gesteld.</al><al><vet>De waarde van een algemeen gebruikelijke auto kan worden bepaald op
                                € 5.500,=.</vet></al><al>Voor zover de waarde van de auto - inkoopprijs volgens ANWB
                            internetkoerslijst – (dan wel en andere vorm van waardebepaling)
                            uitstijgt boven de vermelde grenswaarde, wordt het meerdere als vermogen
                            in aanmerking genomen. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee
                            dat de met de auto verbonden schuld niet volledig in aanmerking wordt
                            genomen bij de vaststelling van het vermogen.</al><al>Onder omstandigheden kan het voorkomen dat de belanghebbende vóór het
                            moment waarop bijstand wordt gevraagd aanwezig vermogen, dat naar omvang
                            in beginsel een beletsel is voor bijstand, besteedt aan de aanschaf van
                            algemeen gebruikelijke bezittingen, die in beginsel buiten beschouwing
                            blijven bij de middelentoets. Weliswaar staat het een ieder vrij naar
                            eigen goeddunken zijn vermogen te besteden, mits de voorziening in de
                            kosten van het bestaan daarbij is gewaarborgd. Het behoort tot de eigen
                            verantwoordelijkheid van de belanghebbende om zich niet eerder dan nodig
                            afhankelijk te maken van bijstand. Er is dan ook reden om, als de
                            aanvrager een zodanig verwijt valt te maken, niet aan het in de auto
                            opgesloten vermogen voorbij te gaan, dan wel van de aanvrager te vergen
                            het vermogen te gelde te maken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Boot/caravan/motor en auto als tweede
                                vervoermiddel</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een boot en caravan kunnen niet worden gezien als een algemeen
                            gebruikelijke bezitting in natura. Aan de waarde daarvan kan niet worden
                            voorbijgegaan.</al><al>Ook kan niet aan de waarde van een motor voorbij worden gegaan wanneer
                            de belanghebbende ook in het bezit is van een auto met een waarde die
                            lager is dan algemeen gebruikelijk. Wanneer de belanghebbende in het
                            bezit is van twee of meer auto’s wordt de auto die hoogste waarde
                            aangemerkt als eerste auto. Tot een waarde van € 5.500,00 zal deze auto
                            niet tot het vermogen worden gerekend. De overige auto’s worden volledig
                            tot het vermogen gerekend.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Niet algemeen gebruikelijke, maar wel noodzakelijke
                                bezittingen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Niet naar aard en waarde algemeen gebruikelijke zaken worden als
                            vermogen aangemerkt, tenzij het gebruik daarvan noodzakelijk is. Te
                            denken valt aan duurdere, aan een handicap aangepaste
                            vervoermiddelen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 1 - Begripsbepalingen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsnota verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>Aanvrager</onderstreept>: De persoon, die voor
                                    zichzelf of voor zijn gezin een uitkering op grond van de Wwb,
                                    Bbz2004, Ioaw/Ioaz vraagt;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>Echtgenoot</onderstreept>: Als gehuwd of als
                                    echtgenoot/partner wordt mede aangemerkt de gehuwde die in
                                    gezinsverband leeft met de persoon met wie hij gehuwd is,
                                    alsmede de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke
                                    huishouding voert, zoals bedoeld in de Wet werk en Bijstand
                                    (Wwb), de Wet inkomensvoorziening voor oudere- en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet
                                    inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz),</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>Wet</onderstreept>: De Wet werk en bijstand en/of
                                    de Wet inkomensvoorziening voor oudere- en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers en/of de Wet
                                    inkomensvoorziening voor oudere- en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,</al></li><li nr="d."><al>UWV werkbedrijf Het UWV werkbedrijf te Stadskanaal.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 2 – Bevoegde instantie</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van
                                    het bestaan, (ingevolge de Wwb en Ioaw), wordt schriftelijk
                                    ingediend bij het UWV door middel van een daartoe uitgereikt
                                    aanvraagformulier (behoudens de in de wet genoemde
                                    uitzonderingen).</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen anders dan bedoeld in het eerste lid worden
                                    schriftelijk ingediend bij de afdeling samenleving door middel
                                    van een daartoe uitgereikt aanvraagformulier.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 3 – Indiening van de aanvraag</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het aanvraagformulier wordt door aanvrager zelf volledig
                                    ingevuld en ondertekend. Wanneer er een partner is, ondertekent
                                    deze het aanvraagformulier eveneens.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag geschiedt door de echtgenoten gezamenlijk, dan wel
                                    door een van hen met schriftelijke toestemming van de
                                    ander.</al></li><li nr="3."><al>Indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, wordt de
                                    bijstand, of uitkering op grond van de Ioaw/Ioaz ambtshalve
                                    vastgesteld.</al></li><li nr="4."><al>Aanvrager en diens partner worden in de gelegenheid gesteld de
                                    aanvraag mondeling toe te lichten c.q. hun zienswijze over de
                                    aanvraag naar voren te brengen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 4 – Voorlichting</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Onder meer door het verstrekken van de zogenaamde werkmap aan de
                                    aanvrager en diens partner bij de indiening van de aanvraag
                                    wordt voorlichting verstrekt over het gemeentelijk beleid.
                                    Hierin zit een globale inhoudelijke toelichting op de wetgeving
                                    en de belangrijkste verplichtingen van de
                                    uitkeringsgerechtigden.</al></li><li nr="2."><al>De inhoud van de folder/brochure, zoals vermeld in lid 1, wordt
                                    uitgelegd en aanvrager en diens partner tekenen een verklaring
                                    voor ontvangst van het informatiemateriaal en kennisneming
                                    daarvan.</al></li><li nr="3."><al>Zonodig kan de verklaring, als bedoeld in lid 2, met relevante
                                    gegevens, welke van toepassing zijn op de specifieke situatie
                                    van aanvrager en diens partner, worden aangevuld. Deze
                                    informatie wordt afzonderlijk ondertekend, door zowel klant als
                                    diens partner.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 5 - Onderzoek</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De identiteit van aanvrager en diens partner wordt vastgesteld
                                    aan de hand van een geldig document als bedoeld in artikel 1 van
                                    de Wet op de identificatieplicht, welke daartoe dient te worden
                                    getoond. Van dit document wordt een fotokopie gemaakt, waaruit
                                    aard en nummer blijkt.</al></li><li nr="2."><al>Aanvrager en diens partner maken voor de verstrekking van
                                    gegevens o.a. gebruik van een inlichtingenformulier, dat bij de
                                    aanvraag wordt verstrekt. Indien de aanvraag volgt binnen drie
                                    maanden na beëindiging van het recht op bijstand, kan gebruik
                                    gemaakt worden van een verkort inlichtingenformulier.</al></li><li nr="3."><al>Indien aanvrager en diens partner reeds een periodieke uitkering
                                    ingevolge de Wwb ontvangen, kan bij het indienen van een
                                    aanvraag om bijzondere bijstand worden volstaan met het invullen
                                    van een aanvraagformulier.</al></li><li nr="4."><al>Het formulier wordt door aanvrager en diens partner zelf
                                    volledig ingevuld en ondertekend.</al></li><li nr="5."><al>De besstukken zoals vermeld in bijlage I dienen – voor zover van
                                    toepassing - mede ter verifiëring van hetgeen op het aanvraag-
                                    en inlichtingenformulier is gesteld door aanvrager en diens
                                    partner bij het formulier ter inzage te worden verstrekt.</al></li><li nr="6."><al>Aanvrager en diens partner zijn verplicht aan de afdeling
                                    samenleving inzage te verstrekken in alle overige bescheiden,
                                    die van belang zijn voor de verlening van bijstand of uitkering,
                                    ter verificatie van hetgeen op het aanvraag- en het
                                    inlichtingenformulier is gesteld en/of mondeling ter toelichting
                                    op de aanvraag naar voren is gebracht.</al></li><li nr="7."><al>Aanvrager en diens partner doen op verzoek of uit eigener
                                    beweging onverwijld, d.w.z. bij de eerstvolgende Rechtmatigheids
                                    onderzoeksformulier (ROF) mededeling van alle feiten en
                                    omstandigheden waarvan hem/haar redelijkerwijs duidelijk moet
                                    zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering,
                                    het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de
                                    duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan
                                    hem/haar wordt betaald.</al></li><li nr="8."><al>De afdeling samenleving en het UWV winnen inlichtingen in
                                    betreffende de verblijfplaats, de burgerlijke staat van de
                                    aanvrager en - indien deze in gezinsverband leeft - ook over de
                                    samenstelling van diens gezin, door raadpleging van het
                                    bevolkingsregister. Er wordt tevens een uitdraai gemaakt met
                                    daarop vermeld de persoonsgegevens, adres en woonplaats en
                                    eventuele inwonenden.</al></li><li nr="9."><al>Verificatie van de benodigde gegevens heeft plaats bij: </al><lijst><li nr="a."><al>de klant, eventueel door middel van huisbezoek;</al></li><li nr="b."><al>de in de artikelen 63 en 64 Wwb, artikel 45 Ioaw/Ioaz
                                            genoemde personen, instellingen en instanties;</al></li><li nr="c."><al>derden, voorzover er sprake is van informatie
                                            (verklaringen en tips), die van daadwerkelijke invloed
                                            is op de uitkering/inkomensvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de Adviseur Inkomen en Zorg, aan de hand van de
                                            waarnemingen van deze functionaris in de contacten met
                                            de klant.</al></li><li nr="e."><al>Het inlichtingenbureau</al></li><li nr="f."><al>SUWI-net</al></li></lijst></li></lijst><al>Indien bij verificatie blijkt dat de verstrekte informatie onjuist of
                            onvolledig is, worden aanvrager en diens partner in de gelegenheid
                            gesteld dit verzuim te herstellen binnen een door burgemeester en
                            wethouders te stellen termijn. Tot het verzuim hersteld is, worden in
                            beginsel geen voorschotten verstrekt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 6 - Huisbezoek</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Huisbezoek is mogelijk indien daar een redelijke grond voor
                                    bestaat. Van een redelijke grond is sprake indien op basis van
                                    concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan
                                    worden getwijfeld aan de juistheid van de door betrokkene over
                                    zijn of haar woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer er twijfel blijft bestaan ten aanzien van de juistheid
                                    en volledigheid van de verstrekte informatie en de overige
                                    mogelijkheden om deze gegevens op waarheid te verifiëren
                                    volledig zijn benut, vindt aangekondigd huisbezoek plaats door
                                    de Adviseur Inkomen en Zorg. Wanneer de omstandigheden daartoe
                                    aanleiding geven, kan huisbezoek onaangekondigd
                                    plaatsvinden.</al></li><li nr="3."><al>Bij onduidelijkheid over de woon- of leefsituatie wordt meteen
                                    overgegaan tot huisbezoek.</al></li><li nr="4."><al>Bij weigering van huisbezoek wordt niet tot (verdere)
                                    bijstandsverlening overgegaan. Hierbij wordt het ”informed
                                    consent” gehanteerd, zoals in de uitspraken van de Crvb van
                                    11-4-2007.</al></li><li nr="5."><al>In geval van een huisbezoek als bedoeld in lid 1, legitimeert de
                                    Adviseur Inkomen en Zorg zich met een hiertoe door burgemeester
                                    en wethouders afgegeven identiteitsbewijs.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> Artikel 7 - Het horen van derden</titel></kop><structuurtekst><al>De afdeling Samenleving geeft aan een derde, die bij de aanvraag om
                            bijstand betrokken kan zijn, op zijn verzoek gelegenheid daarover te
                            worden gehoord.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 8 - Onvolledige informatie</titel></kop><structuurtekst><al>Indien aanvrager of diens partner niet heeft voldaan aan enig wettelijk
                            voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of indien de
                            verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling
                            van de aanvraag, wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen,
                            tenzij aanvrager van de geboden gelegenheid gebruik maakt de aanvraag
                            binnen de gestelde termijn aan te vullen. Het gestelde in artikel 4:5
                            van de Algemene wet bestuursrecht blijft onverkort van toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Verificatie van gegevens</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De afdeling samenleving en het UWV hebben op grond van de Wwb (artikel
                            53a) de verplichting de voor de aanvraag relevante klantgegevens te
                            controleren.</al><al>De controle kan op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>Verzamelen van gegevens op SUWI-net;</al></li><li nr="2."><al>Verificatie van gegevens door controle van documenten en
                                    bewijsstukken van de klant;</al></li><li nr="3."><al>Validering door bij externe instanties zekerheid te verkrijgen
                                    over de volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen.
                                    Dit kunnen ook digitale gegevens zijn.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt</al><lijst><li nr="-"><al>De gemeente is op grond van de Wet Eenmalige Uitvraag gegevens
                                    (WEU) verantwoordelijk voor het verzamelen van alle reeds
                                    beschikbare informatie in de SUWI-keten van de klant ten aanzien
                                    van de rechtmatigheid van desbetreffende uitkering;</al></li><li nr="-"><al>De klant is verantwoordelijk voor het leveren van bewijsstukken
                                    die de gemeente niet zelf kan krijgen. Hierbij wordt rekening
                                    gehouden dan de gegevens die in de SUWI-keten reeds zijn
                                    gevraagd niet nogmaals worden gevraagd (wet éénmalige
                                    gegevensuitvraag)</al></li><li nr="-"><al>Als de klant de bewijsstukken niet kan leveren, of er getwijfeld
                                    wordt over de juistheid, dan zal de afdeling Samenleving zelf
                                    externe bronnen raadplegen (validering).</al></li></lijst><al>Welke gegevens?</al><al>De te verifiëren gegevens corresponderen met de gegevens die op het
                            gebruikte aanvraag en/of eventuele inlichtingenformulier worden
                            gevraagd. Daarnaast kunnen aanvullende gegevens nodig zijn. De gegevens
                            die nodig zijn voor het aanvraagformulier verstrekkingenboekje staan
                            vermeld in het bijbehorende verstrekkingenboekje.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel
                                10</onderstreept><onderstreept>.</onderstreept><onderstreept>de
                                schuifregeling</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 44 eerste lid Wwb gaat het recht op bijstand niet
                            eerder in dan de dag waarop men zich heeft gemeld bij het UWV. In
                            gevallen van verwijzing door- of afwijzende beschikking van een sociale
                            verzekeringsinstelling, ligt de meldingsdatum voor een Wwb uitkering
                            vaak ver na de eerste werkloosheidsdag, cq. de datum waarop de
                            veronderstelde voorliggende voorziening in zou gaan. Daarmee zou de
                            ingangsdatum van de Wwb uitkering onredelijk ver van het moment van
                            laatste inkomsten liggen. Van betrokkene wordt echter wel de nodige
                            voortvarendheid verwacht. In onderstaande “Schuifregeling” is opgenomen
                            hoe in dergelijke gevallen de ingangsdatum van de uitkering te bepalen.
                            Deze regeling kan ook worden toegepast bij de Ioaw/Ioaz.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>artikel 10.1 definities</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In deze regeling wordt aangemerkt als:</al><lijst><li nr="a."><al>kalenderdag: dag, waaronder ook begrepen zon- en feestdagen, als
                                    mede dagen waarop UWV werkbedrijf is gesloten;</al></li><li nr="b."><al>werkdag: een dag waarop het UWV werkbedrijf te Stadskanaal
                                    geopend is;</al></li><li nr="c."><al>tijdig: binnen 3 werkdagen na doorverwijzing of afwijzing door
                                    de sociale verzekeringsinstelling;</al></li><li nr="d."><al>niet tijdig: 3 doch ten hoogste 15 dagen werkdagen, na
                                    doorverwijzing, of afwijzing door de sociale
                                    verzekeringsinstelling.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 10.2 Tijdige melding</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In geval van tijdige melding bij het UWV werkbedrijf wordt de
                            ingangsdatum van de Wwb uitkering bepaald op de datum melding, of
                            aanvraag, voor de sociale verzekering, dan wel de datum waarop het
                            eerdere inkomen is beëindigd, als deze datum ligt na de
                            meldingsdatum.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 10.3 Niet tijdige
                            melding</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De ingangsdatum Wwb wordt bepaald door:</al><al>[datum dat de belanghebbende zich bij de voorliggende voorziening heeft
                            gemeld of de dag dat de voorliggende voorziening van kracht zou zijn] +
                            [het verschil in kalenderdagen tussen (dus zonder) de datum van de
                            verwijzing- / afwijzingsbeschikking van de voorliggende voorziening en
                            (dus inclusief) de datum van de melding bij het UWV-werkbedrijf te
                            Stadskanaal)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 10.4 Uitsluiting</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De schuifregeling is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>Wwb aanvragen volgend op de maximale uitkeringsduur van een
                                    sociale verzekering;</al></li><li nr="b."><al>Wwb meldingen later dan bedoeld in artikel 10.1. sub d.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting Schuifregeling</titel></kop><structuurtekst><al>Voorbeeld: Klant heeft zich op 19 april bij het UWV gemeld. Dit zou de
                            ingangsdatum zijn van de voorliggende voorziening. Klant ontvangt een
                            afwijzingsbeschikking, gedateerd 28 mei.</al><al>Op 8 juni meldt hij zich bij het UWV werkbedrijf voor een Wwb
                            aanvraag.</al><al>Klant heeft zich niet binnen drie werkdagen na de afwijzende beschikking
                            gemeld bij het UWV werkbedrijf. Hij is met 11 kalenderdagen te laat (van
                            29 mei tot en met 8 juni).</al><al>Deze 11 dagen moeten bij de eerste meldingsdatum bij UWV werkbedrijf of
                            de sociale verzekeringsinstelling opgeteld worden.</al><al>Dus vanaf (inclusief) 19 april 11 kalenderdagen. De ingangsdatum wordt
                            29 april.</al><al>Als een aanvrager zich te laat voor een Wwb uitkering meldt, in het
                            geval zijn WW-uitkering is verstreken, dan kan de bijstand pas ingaan
                            per datum melding. Het UWV verzendt namelijk voorafgaand aan de
                            beëindigingsbeschikking (‘max-bericht’) ook een voorlopig max-bericht,
                            zodat het tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager behoort
                            zich tijdig te melden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>HOOFDSTUK 5 HERONDERZOEKSPLAN</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In deze nota vindt u de uitwerking van de bevoegdheid van de gemeente om
                            onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de
                            verstrekte gegevens in het kader van toekenning en voortzetting van een
                            uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, IOAW en IOAZ. Het
                            heronderzoeksplan heeft betrekking op uitkeringsgerechtigden, die een
                            periodieke uitkering ontvangen, alsmede ex-klanten, die nog lopende
                            verplichtingen dienen na te komen (debiteuren). Op basis van de vorming
                            van deze doelgroepen is het heronderzoeksplan opgedeeld in twee
                            hoofdstukken:</al><lijst><li nr="1."><al>heronderzoeken</al></li><li nr="2."><al>debiteuren heronderzoeken</al></li></lijst><al>Het beleid van de gemeente is onder meer gericht op de bevordering van
                            een doelmatige en rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de
                            bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand, alsmede van
                            misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet. en het stimuleren van de
                            eigen verantwoordelijkheid van de inwoners van de gemeente met als doel
                            de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid te bevorderen. Het heronderzoek
                            is in eerste instantie dan ook bedoeld om de juistheid en volledigheid
                            van de verkregen gegevens in een voorliggende periode vast te stellen.
                            Hiermee kan de rechtmatigheid van een verstrekte uitkering worden
                            vastgesteld. Daarnaast kan worden vastgesteld of een uitkering dient te
                            worden gecontinueerd of beëindigd.</al><al>Ten aanzien van het terugbrengen van het aantal uitkeringen, is het
                            noodzaak om middels heronderzoeken onterecht gebruik van de bijstand
                            tegen te gaan. Het tweede en belangrijke doel van het heronderzoek is om
                            onderzoek te doen naar (niet) gebruik van voorzieningen en in
                            aansluiting daarop de uitkeringsgerechtigden te informeren over de
                            bestaande voorzieningen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Wet eenmalige gegevensuitvraag
                            (Weu)</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De Wet eenmalige gegevensuitvraag regelt dat gegevens van burgers die al
                            eens gevraagd zijn vanaf 1 januari 2008 niet nogmaals aan de burger
                            mogen worden gevraagd (niet naar de bekende weg vragen). Het vragen van
                            gegevens uitkeringsgerechtigden die via het Digitaal Klantdossier (DKD)
                            bij Uwv, gemeenten, LRD (persoonsgegevens) en RDW kunnen worden
                            geraadpleegd moeten dan worden ‘hergebruikt’ en mogen niet opnieuw aan
                            de klant worden gevraagd. Dit vergt een andere manier van werken voor
                            wat betreft de heronderzoeken. De gegevens uit Suwi (DKD) zullen de
                            basis vormen van het onderzoek. De relevante stukken die niet uit Suwi
                            te verkrijgen zijn, kunnen nog bij de klant worden opgevraagd.</al><al>Veel gegevens staan op bankafschriften, zodat wij bij aanvragen
                            bijzondere bijstand veelal volstaan met het inleveren van deze
                            afschriften. Dit in het kader van de klantvriendelijkheid. Worden deze
                            gegevens niet vertrouwd dan kan aanvullend onderzoek worden
                            verricht.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.1.1 - Algemeen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente Vlagtwedde heeft een actief re-integratiebeleid waarbij alle
                            klanten een zo intensief mogelijk traject doorlopen gericht op werk dan
                            wel sociale activering. Tijdens het re-integratietraject kunnen er
                            signalen naar voren komen die aanleiding geven om een heronderzoek c.q.
                            deelonderzoek in te stellen. Het hanteren van vaste
                            heronderzoekstermijnen wordt losgelaten, niet om geen heronderzoeken
                            meer te doen, maar om meer maatwerk te leveren. De Adviseur inkomen en
                            zorg schat zelf in na welke termijn een heronderzoek wenselijk is en
                            laat deze opboeken door de uitkeringsadministratie. Er kan worden
                            gekozen voor een verdere splitsing en verfijning, waarin middels
                            meerdere deelonderzoeken steeds onderdelen van recht- en doelmatigheid
                            worden getoetst.</al><al>Nauwgezette controle blijft plaatsvinden van de maandelijks in te
                            leveren rechtmatigheids onderzoeksformulieren (Rof’s) en daar waar nodig
                            zullen signalen (bijvoorbeeld van het inlichtingenbureau) worden
                            opgepakt en doorgegeven naar de betreffende medewerker. Op deze wijze
                            kunnen risico's van eventuele terugvordering e.d., over een periode,
                            worden beperkt.</al><al>Voorts zal onderzoek naar specifieke voorwaarden worden uitgevoerd
                            middels deelonderzoeken naar specifieke facetten. Termijn en aard zijn
                            daarbij afhankelijk van de individuele situatie.</al><al>Door de intensivering van ons re-integratiebeleid hebben wij de
                            bijstandsgerechtigden veel beter in beeld dan voorheen. Volledige
                            vrijstelling van de arbeidsverplichtingen is niet mogelijk, de
                            bijstandsgerechtigde heeft altijd minimaal de plicht tot sociale
                            activering. Voor mensen die nieuw in de bijstand instromen, kan het
                            wenselijk zijn om een heronderzoek in te plannen bijvoorbeeld 12 maanden
                            na instroom. Dit is echter geen verplichting.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.2.1
                                -</onderstreept><onderstreept>Deelonderzoeken</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Uitgangspunt is dat bij het reguliere heronderzoek een volledig
                            onderzoek plaats vindt naar de rechtmatigheid van de uitkering.
                            Daarnaast blijft het echter mogelijk dat - los van vorenstaande
                            termijnen - naar aanleiding van bijv. Rof-jes; signalen van
                            vermoedelijke fraude, specifieke opgelegde voorwaarden die aan termijnen
                            zijn gebonden, ingeschatte risicofactoren etc, deelonderzoeken plaats
                            hebben. Deze staan echter los van de reguliere heronderzoeken en de
                            termijn hiervan wordt bepaald door de individuele omstandigheden van het
                            de uitkeringsgerechtigde.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.2.2 - Voorbereidende
                            werkzaamheden</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="-"><al>Maandelijks wordt middels een selectie op de revisiedatum -door
                                    de geautomatiseerde klantenregistatie- een lijst met de voor de
                                    desbetreffende maand te verrichten heronderzoeken aangemaakt
                                    door de uitkeringsadministratie;</al></li><li nr="-"><al>De daartoe aangewezen adviseur inkomen en zorg raadpleegt de
                                    klantendossiers op bijzonderheden en aandachtspunten (o.a.
                                    gestelde voorwaarden), die in het heronderzoek aandacht
                                    behoeven;</al></li><li nr="-"><al>Er wordt een uitdraai gemaakt van uit het bevolkingssysteem met
                                    daarop vermeld persoonsgegevens, adres en woonplaats en
                                    eventuele inwonenden;</al></li><li nr="-"><al>Er wordt een heronderzoeksformulier opgesteld met de door de
                                    gemeente beschikbare gegevens over de klant en aan de klant ter
                                    controle toegestuurd;</al></li><li nr="-"><al>De desbetreffende klant en diens eventuele partner worden
                                    vervolgens schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek in het
                                    gemeentehuis of wordt, indien de klant niet naar het
                                    gemeentehuis toe kan komen, thuis bezocht. In de uitnodiging
                                    wordt vermeld welke bescheiden klant dient mee te nemen/gereed
                                    te leggen. Daarnaast kan het heronderzoek ook schriftelijk
                                    plaatsvinden.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.2.3 -
                            Gegevensverzameling/verificatie</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>1. Het persoonlijke gesprek</al><lijst><li nr="•"><al>De klant brengt het heronderzoeksformulier mee;</al></li><li nr="•"><al>De adviseur inkomen en zorg vraagt de klant of de gegevens
                                    correct en volledig zijn;</al></li><li nr="•"><al>Indien de gegevens volgens de klant niet correct en volledig
                                    zijn, vult de klant het formulier aan met de juiste
                                    gegevens;</al></li><li nr="•"><al>De klant ondertekent het formulier, hetgeen ook geldt voor een
                                    eventuele partner;</al></li><li nr="•"><al>Desgevraagd wordt klant door de adviseur inkomen en zorg de
                                    helpende hand geboden bij het invullen van het
                                    inlichtingenformulier. Hiervan wordt mededeling gedaan op het
                                    desbetreffende formulier, onder vermelding van de reden(en).
                                    Deze verklaring wordt afzonderlijk ondertekend door klant en de
                                    eventuele partner;</al></li><li nr="•"><al>Er worden – voor zover nog niet in het dossier aanwezig – door
                                    adviseur inkomen en zorg fotokopieën gemaakt van gegevens met
                                    betrekking tot de identiteit, inkomsten, vermogenssituatie,
                                    huurcontract, en zorgverzekering;</al></li><li nr="•"><al>In het persoonlijk gesprek met de klant wordt door de adviseur
                                    inkomen en zorg voorlichting c.q. advies gegeven over
                                    flankerende voorzieningen en regelingen;</al></li><li nr="•"><al>In het persoonlijke gesprek met de klant en de adviseur inkomen
                                    en zorg kan, indien van toepassing, ook ingegaan worden op
                                    schuldenproblematiek en re-integratieactiviteiten;</al></li><li nr="•"><al>Indien er twijfel bestaat dan wel blijft bestaan t.a.v. de
                                    juistheid en volledigheid van de door klant verstrekte gegevens
                                    en de overige mogelijkheden om deze gegevens op waarheid te
                                    verifiëren volledig zijn benut, vindt huisbezoek plaats.</al></li></lijst><al>2. Verificatie van de benodigde en verstrekte gegevens vindt plaats
                            bij:</al><lijst><li nr="•"><al>SUWI-net;</al></li><li nr="•"><al>De klant, eventueel d.m.v. huisbezoek (zie hiervoor);</al></li><li nr="•"><al>De in de artikelen 63 en 64 WWB, artikel 45 Ioaw/Ioaz genoemde
                                    personen, instellingen en instanties;</al></li><li nr="•"><al>Derden, voorzover er sprake is van informatie (verklaring of
                                    tip), die van daadwerkelijke invloed is op de
                                    bijstandsuitkering;</al></li><li nr="•"><al>De collega adviseurs inkomen en zorg aan de hand van de
                                    waarnemingen van deze functionarissen in de contacten met de
                                    klant;</al></li><li nr="•"><al>Het IB-systeem van het Inlichtingenbureau;</al></li><li nr="•"><al>Het kentekenregistratiesysteem.</al></li></lijst><al>3. Afrondende werkzaamheden van het heronderzoek</al><lijst><li nr="•"><al>Middels steekproeven kan de kwaliteit worden getoetst;</al></li><li nr="•"><al>Aan de hand van raadpleging van het dossier worden alle gegevens
                                    die een rol hebben gespeeld bij de toekenning van de uitkering
                                    weer onderzocht;</al></li><li nr="•"><al>Het heronderzoek sluit tevens aan bij het vorige (her)onderzoek.
                                    De adviseur inkomen en zorg controleert de in de tussenliggende
                                    periode verkregen gegevens op juistheid en volledigheid;</al></li><li nr="•"><al>Onderzocht wordt of de uitkering juist is berekend en uitbetaald
                                    (norm, verrekening inkomsten en doorvoeren
                                    kortingen/toeslagen/inhoudingen);</al></li><li nr="•"><al>Onderzocht wordt of en welke verplichtingen (voorwaarden en
                                    vorderingen) er zijn en of deze juist worden nagekomen dan wel
                                    dat hierin verandering dient te komen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.2.4 - Rapportage</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De adviseur inkomen en zorg rapporteert volgens een model, waarin
                            verslag wordt gedaan van de bevindingen en adviseert omtrent eventuele
                            continuering van de uitkering, alsmede omtrent eventueel te stellen
                            voorwaarden en/of door te voeren wijzigingen. De adviseur inkomen en
                            zorg maakt tevens een beschikking.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.2.5 - Toetsing</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Doordat het mandaat bij de adviseur inkomen en zorg ligt worden
                            rapportages en beschikkingen met betrekking tot heronderzoeken en
                            deelonderzoeken niet vooraf getoetst door de kwaliteits- medewerker of
                            juridisch medewerker. Deze kan achteraf steekproefsgewijs de rapportages
                            en beschikkingen toetsen en adviseert de adviseurs inkomen en zorg daar
                            waar nodig om de kwaliteit te verbeteren ten einde de rechtmatigheid te
                            waarborgen. De adviseur inkomen en zorg heeft wel de mogelijkheid om de
                            rapportage in overleg vooraf ter toetsing voor te leggen aan de
                            kwaliteitsmedewerker/ juridisch medewerker.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.2.6 – Besluitvorming</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Besluitvorming vindt plaats conform het mandaatbesluit, waarbij voor het
                            gros van de besluiten de adviseur inkomen en zorg (voorheen casemanager
                            of bijstandsconsulent) beslissingsbevoegd is. De besluiten worden
                            maandelijks op een besluitenlijst vermeld en ter vaststelling en
                            ondertekening aan het college van burgemeester en wethouders
                            voorgelegd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.2.7 - Beschikking</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>- Bij elk besluit n.a.v. een heronderzoek wordt een definitieve
                            beschikking gemaakt t.b.v. de klant;</al><al>- Ondertekening van de beschikking is gemandateerd aan de adviseur
                            inkomen en zorg.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>1.2.8 - Administratieve
                            verwerking</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een afschrift van de beschikking, het besluit en zonodig andere
                            bijbehorende bescheiden, worden voor administratieve verwerking
                            overgedragen aan de financiële uitkeringsadministratie.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>DEBITEUREN HERONDERZOEK</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van de Handhavingsverordening Wwb moeten nadere beleidsregels
                            worden vastgesteld betreffende debiteuren heronderzoeken.
                            Debiteurenonderzoeken zijn noodzakelijk om de voortgang van de
                            invordering te kunnen bewaken en eventueel maatregelen te kunnen nemen
                            wanneer de invordering niet goed verloopt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1 Algemeen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In een debiteurenonderzoek wordt onder meer aandacht besteed aan de
                            vastgestelde verplichting, de daarop verrichtte aflossingen en de
                            actualisering van de betalingscapaciteit van de debiteur. De gemeente is
                            vrij om termijnen te bepalen waarbinnen de heronderzoeken plaats kunnen
                            vinden. Hiertoe zijn beleidsregels opgesteld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.1 Uitgangspunten</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Er wordt geen heronderzoek uitgevoerd indien een schuld aan de
                                    gemeente naar verwachting binnen een periode van vijf jaar na de
                                    datum van het ontstaan van de vordering zal zijn afgelost,
                                    tenzij belanghebbende zijn verplichtingen niet nakomt.
                                    Voorwaarde is wel dat het maandelijkse aflossingsbedrag ten
                                    minste zo groot is als het bedrag dat voor de aflossing van
                                    leenbijstand zou gelden, als genoemd in artikel 6; hoofdstuk 1
                                    van ons participatieplan.</al></li><li nr="2."><al>Een verzoek aan de daartoe bevoegde rechter om een verhoging van
                                    de onderhoudsbijdrage af te dwingen zal pas worden ingediend als
                                    uit de voorliggende financiële bescheiden blijkt dat er sprake
                                    is van tenminste een verschil van € 45,00 per maand tussen de
                                    nieuwe berekening en het aflossingsbedrag c.q. de bijdrage en
                                    hierover op basis van vrijwilligheid geen overeenstemming kan
                                    worden bereikt.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.2 Criteria</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van onderstaande criteria zal differentiatie plaatsvinden naar
                            de categorieën van vorderingen en van personen:</al><lijst><li nr="a."><al>De aard van de vordering;</al></li><li nr="b."><al>Debiteur ontvangt wel of geen periodieke uitkering van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="c."><al>Het naar verwachting binnen 5 jaar aflossen van de
                                    vordering;</al></li><li nr="d."><al>Het naar verwachting wel of niet veranderen van de
                                    draagkracht;</al></li><li nr="e."><al>De inningsmogelijkheden.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Ad a.: <onderstreept>de aard van de vordering</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Hierbij kunnen de volgende vorderingen worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>Terugvorderingen Wwb-sec: vorderingen op de (ex-)klant zelf
                                    ontstaan uit de wet zelf.</al></li><li nr="b."><al>Terugvordering Wwb-besluiten: vorderingen op de (ex-)klant zelf
                                    ontstaan uit het Beleidsregels krediethypotheek bijstand
                                    gemeente Vlagtwedde of Bijstandsverlening aan
                                    zelfstandigen.</al></li><li nr="c."><al>Verhaal: vorderingen op derden, m.n. onderhoudsplichtigen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Ad b.: <onderstreept>debiteur ontvangt wel of geen periodieke
                                uitkering van de gemeente</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Bij terugvordering worden de volgende categorieën onderscheiden:</al><al>a. Personen met een lopende periodieke uitkering van deze gemeente.</al><al>b. Personen waarvan de uitkering is beëindigd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>ad c.: <onderstreept>het naar verwachting binnen 5 jaar aflossen van
                                de vordering</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het algemene uitgangspunt is dat een vordering ineens wordt voldaan,
                            tenzij op grond van wet- en regelgeving of een overeenkomst anders is
                            bepaald. Wanneer betaling ineens niet mogelijk blijkt, kan een
                            betalingsregeling worden getroffen. Als de vordering op grond van de
                            door debiteur voorgestelde regeling naar verwachting binnen 5 jaar na
                            het ontstaan van de vordering wordt voldaan, zal geen financieel
                            onderzoek uitgevoerd worden naar zijn aflossingscapaciteit, mits aan de
                            betalingsverplichting wordt voldaan. Er wordt een heronderzoek
                            uitgevoerd binnen 10 tot 12 maanden na de vermoedelijke einddatum van de
                            vordering.</al><al>Duurt aflossing naar verwachting langer dan 5 jaar, dan zal de
                            aflossingscapaciteit worden bepaald aan de hand van een financieel
                            onderzoek. Er wordt in elk geval een heronderzoek uitgevoerd binnen 10
                            tot 12 maanden na de vermoedelijke einddatum.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Ad d.: <onderstreept>het naar verwachting wel of niet veranderen van
                                de draagkracht</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De verwachtingen t.a.v. de financiële situatie van de klant bepalen
                            eveneens de heronderzoeksfrequentie. Er wordt onderscheid gemaakt
                            tussen:</al><al>a. Financiële situaties die zich naar verwachting zullen wijzigen;</al><al>b. Financiële situaties die zich naar verwachting niet zullen
                            wijzigen.</al><al>Aan de hand van de omstandigheden van de klant zal een conclusie door
                            overwegingen en argumenten dienen te worden onderbouwd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Ad e.: <onderstreept>de inningsmogelijkheden</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Als er geen inningsmogelijkheden zijn, omdat bijvoorbeeld het adres of
                            de inkomstenbron van de debiteur onbekend zijn, wordt een heronderzoek
                            uitgevoerd na 10 tot 12 maanden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.3 Termijnen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Als frequentie voor een debiteurenonderzoek wordt uitgegaan van de
                            volgende termijnen:</al><lijst><li nr="1."><al>Debiteurenonderzoek als onderdeel van het heronderzoek
                                    periodieke uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Onderzoekstermijn van 10 tot 13 maanden</al></li><li nr="3."><al>Onderzoekstermijn van 22 tot 25 maanden</al></li><li nr="4."><al>Onderzoekstermijn van 34 tot 37 maanden</al></li><li nr="5."><al>Geen heronderzoek.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.1.4 Groepskenmerken</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In onderstaand schema zijn op basis van vorenstaande uitgangspunten de
                            navolgende categorieën debiteuren onderscheiden. Termijnen en omvang van
                            de categorieën zijn eveneens aangegeven.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bep. afloss. capaciteit</al></entry><entry colname="col3"><al>Debiteurenonderzoek</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>TERUGVORDERING ALGEMEEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Personen met periodieke uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Geen: in reguliere heronderzoek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Personen zonder periodieke uitkering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-vordering voldaan &lt; 5 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>10 - 13 mnd na einddatum</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-vordering voldaan &gt; 5 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>naar verwachting wel wijzigingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>na 10 – 13 mnd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>naar verwachting geen wijzigingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>na 22 – 25 mnd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Geen inningsmogelijkheden</al></entry><entry colname="col2"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col3"><al>na 10 – 13 mnd</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>TERUGVORDERING Wwb- BESLUITEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Krediethypotheek (Wwb)</al></entry><entry colname="col2"><al> Ja/Nee*) </al></entry><entry colname="col3"><al>na 10 – 13 mnd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BZ/Bbz</al></entry><entry colname="col2"><al> Ja/Nee*) </al></entry><entry colname="col3"><al>na 10 – 13 mnd</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>VERHAAL bij betalingsachterstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naar verwachting wel wijzigingen</al></entry><entry colname="col2"><al>--</al></entry><entry colname="col3"><al>10 - 13 mnd na financieel onderzoek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naar verwachting geen wijzigingen</al></entry><entry colname="col2"><al>--</al></entry><entry colname="col3"><al>34 - 37 mnd na financieel onderzoek</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><sup>*)</sup> Bij een krediethypotheek en BZ/Bbz leningen wordt
                            uitsluitend een onderzoek naar de aflossingscapaciteit gedaan daar waar
                            de aflossing door de gemeente te bepalen is. Dus niet als de aflossing
                            wordt bepaald door regelgeving of een overeenkomst.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.2 Organisatie, werkwijze en hieraan te stellen eisen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.1 Algemeen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De verplichtingen van debiteuren met een periodieke uitkering van deze
                            gemeente worden behandeld bij het periodieke heronderzoek zie paragraaf
                            1.2.3.</al><al>Onderstaande heeft daarom betrekking op overige debiteuren: die geen
                            uitkering meer ontvangen en onderhoudsplichtigen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.2 Voorbereidende
                            werkzaamheden</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Maandelijks wordt middels een selectie op revisiedatum een lijst
                            uitgedraaid met de voor desbetreffende maand te verrichten
                            debiteurenonderzoeken.</al><al>De daartoe aangewezen administratief juridisch medewerker raadpleegt de
                            klantendossiers op bijzonderheden en aandachtspunten.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.3
                            Gegevensverzameling/verificatie</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De ex-klant of onderhoudsplichtige ontvangt een inlichtingenformulier,
                            waarbij wordt vermeld welke bescheiden (in afschrift) dienen te worden
                            overgelegd.</al><al>De ex-klant of onderhoudsplichtige dient het formulier volledig in te
                            vullen en te ondertekenen.</al><al>Indien er twijfel bestaat t.a.v. de juistheid en volledigheid van de
                            verstrekte gegevens worden inlichtingen ingewonnen bij de in artikel 64
                            Wwb genoemde instanties, dan wel de instanties waarvoor de betrokkene
                            een machtiging heeft afgegeven middels ondertekening van het
                            formulier.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.4 Rapportage</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Er wordt gerapporteerd of al dan niet een wijziging in de verplichtingen
                            plaats dient te hebben. Tevens wordt beoordeeld of en in hoeverre aan de
                            opgelegde verplichtingen is voldaan en of hierop juist en tijdig is
                            gereageerd door deze gemeente (aanmaningen, verzoekschrift
                            kantonrechter/rechtbank etc.).</al><al>Bij onderhoudsplichtigen wordt de bijdrage bepaald aan de hand van de
                            zgn. Trema-normen, middels het kennissysteem MRE-verhaal.</al><al>Bij de overige debiteuren wordt het aflossingsbedrag in beginsel bepaald
                            door het bedrag boven de zogenaamde beslagvrije voet, als bedoeld in
                            artikel 475d van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering.</al><al>De aflossing van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening ten
                            behoeve van duurzame gebruiksgoederen (zogenaamde leenbijstand) vormt
                            hierop een uitzondering. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de
                            richtlijnen voor bijzondere bijstand.</al><al>De rapportage mondt uit in een advies omtrent het al dan niet wijzigen
                            van de termijnbedragen, het treffen van incassomaatregelen of het
                            starten van een verzoekschriftenprocedure of rechtbank (verhaal).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.5 - Toetsing</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="-"><al>De aangewezen juridisch medewerker toetst vorengenoemde
                                    rapportage en bijbehorende bescheiden op volledigheid en recht-
                                    en doelmatigheid;</al></li><li nr="-"><al>Bij onvolkomenheden of verschil van mening vindt hieromtrent
                                    nader overleg plaats met de administratief juridisch medewerker,
                                    waarna laatstgenoemde een en ander zonodig herstelt;</al></li><li nr="-"><al>Indien er omtrent de advisering geen consensus mogelijk is,
                                    voegt de juridisch medewerker zijn bevindingen toe aan de
                                    rapportage en legt deze voor aan de manager afdeling Samenleving
                                    voor definitieve standpuntbepaling inzake de advisering aan het
                                    college van B. en W.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.6 - Besluitvorming</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Besluitvorming is gemandateerd aan de Juridisch medewerker; zulks met
                            inachtneming van de terzake gestelde regels/voorschriften;</al><al>De besluiten worden maandelijks op een besluitenlijst vermeld, die ter
                            vaststelling en ondertekening aan het college van burgemeester en
                            wethouders wordt voorgelegd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.7 -
                            Beschikking/verzoekschriften</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Bij besluiten naar aanleiding van een debiteurenonderzoek, wordt (in
                            dien nodig) door de juridisch medewerker een beschikking gemaakt;</al><al>De verzoekschriften voor de rechtbank of kantonrechter worden eveneens
                            opgesteld door de juridisch medewerker;</al><al>Ondertekening van de beschikking is gemandateerd aan het manager
                            Samenleving, onder overlegging van de bijbehorende bescheiden;</al><al>Ondertekening van vorengenoemde verzoekschriften geschiedt door de
                            burgemeester.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>2.2.8 - Administratieve
                            verwerking</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Besluit en beschikking worden voor administratieve verwerking
                            overgedragen aan de financiële uitkeringsadministratie.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 FRAUDEBEHEERSPLAN EN HANDHAVING</titel></kop><structuurtekst><al>De Wet Werk en Bijstand (Wwb) bepaalt dat de gemeenteraad een
                            verordening vaststelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
                            van bijstand, alsmede van misbruik van de wet. Dit is ook gebeurd,
                            eveneens voor de Ioaw/Ioaz. Fraudebestrijding zorgt voor een belangrijk
                            deel voor het draagvlak van de sociale zekerheid. Handhaving moet
                            derhalve een belangrijke plaats innemen binnen het beleid van de
                            afdeling Samenleving. Fraudebeleid staat niet op zich, maar hangt voor
                            een groot deel samen met andere beleidsterreinen zoals sociale
                            activering, uitstroombeleid en armoedebestrijding. Bij handhaving gaat
                            het om activiteiten die er zorg voor dragen dat mensen zich spontaan aan
                            de wet- en regelgeving houden. Het gaat erom de spontane
                            nalevingsbereidheid van (potentiële) klanten te bevorderen. Het oogmerk
                            is dat deze uit eigener beweging tijdig de volledige en juiste gegevens
                            verstrekt op basis waarvan de afdeling samenleving het recht op
                            uitkering kan bepalen. De afdeling Samenleving richt zich om dit doel zo
                            veel mogelijk te realiseren, op de navolgende elementen:</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Voorkoming van fraude
                            (preventie)</onderstreept>:</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1. Vroegtijdige voorlichting aan klanten en inwoners</titel></kop><structuurtekst><al>Hoewel de wet zelf voorschrijft dat iedereen zichzelf van wet- en
                            regelgeving op de hoogte moet stellen, blijkt dat in de praktijk soms
                            heel anders uit te pakken. Klanten zijn lang niet altijd op de hoogte
                            van zowel hun rechten als plichten. Belanghebbenden moeten goed
                            geïnformeerd zijn met betrekking tot de regelgeving van de Wwb,
                            Ioaw/Ioaz. Het vroegtijdig informeren van de klant is een belangrijk
                            element. Voorkomen moet worden dat fraude door onwetendheid ontstaat.
                            Mensen kunnen door slecht geïnformeerd te zijn een verkeerd
                            verwachtingspatroon opbouwen. Elke klant moet zoveel en zo vroeg
                            mogelijk geïnformeerd worden over zowel zijn rechten als zijn plichten.
                            Juiste beeldvorming is een noodzakelijke voorwaarde voor spontane
                            nalevingsbereidheid.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2. Optimalisering dienstverlening</titel></kop><structuurtekst><al>De afdeling Samenleving moet zo min mogelijk organisatorische of
                            procedurele drempels opwerpen, zodat betrokkenen de regelgeving en de
                            controlepraktijk die eruit voortvloeien in zijn aard accepteren.
                            Drempels die onnodig irritaties oproepen verkleinen de kans op spontane
                            naleving. Door begrip te kweken voor de gang van zaken en het niveau van
                            dienstverlening wordt de kans op spontane naleving vergroot.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Aanpak van fraude (repressie):</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>1. Vroegtijdig constateren en afhandelen van
                                overtredingen/fraudesitiuaties<onderstreept>.</onderstreept></al><al>In geval van overtreding van de regels moet de gevoelsmatige pakkans
                            voldoende hoog zijn. Dit dient plaats te vinden via toepassing van het
                            ‘controle-op-maat’ principe in plaats van de standaardcontrole. Controle
                            op maat houdt in: hoe meer risico, hoe intensiever de benodigde
                            controle. Bij vroegtijdige detectie treedt immers geen, of slechts
                            beperkte schade op. Zo worden klanten ervoor behoed onnodig in een
                            strafrechttraject terecht te komen, doordat de gemeente verzuimde
                            adequaat te controleren. Instrumenten die daarbij gebruikt zijn de
                            elektronische bronnen Suwinet en Inlichtingenbureau, waarmee witte
                            fraude binnen enkele maanden aan het licht komt.</al><al>In het verlengde van een administratief vooronderzoek voor bepaalde
                            groepen is inhoudelijke controle, gespreksvoering en huisbezoek nodig om
                            vast te stellen of de gepresenteerde papieren werkelijkheid inderdaad
                            ook de feitelijke is. Ook kan steekproefsgewijs op risicogebieden door
                            alle soorten klanten heen intensieve nacontrole plaatsvinden.</al><al>2. Daadwerkelijke sanctionering in geval van geconstateerde fraude.</al><al>Een opgelegde en uitgevoerde straf moet proportioneel maar ook voldoende
                            afschrikwekkend zijn. Wie fraudeert, wordt gestraft. Feitelijk moeten de
                            ten onrechte gemaakte kosten van uitkering terugbetaald worden. De
                            Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) kan soms ingeschakeld
                            worden. De voorwaarden waarbij dit mogelijk is staan op de website.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Doelstelling/verantwoordelijkheid</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente is verantwoordelijk voor een wetsconforme en doelmatige
                            uitvoering. Misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet- en regelgeving
                            dienen te worden voorkomen en bestreden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Voorkoming misbruik/oneigenlijk
                            gebruik</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Voorlichting vormt een belangrijk middel om de burger te informeren
                            omtrent de rechten en verplichtingen, die gekoppeld zijn aan de
                            indiening van een aanvraag en eventuele toekenning van een sociale
                            uitkering. Deze voorlichting kan worden onderverdeeld in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>Algemene voorlichting, geïnitieerd door rijksoverheid en
                                    gemeente, onder andere via kranten en huis-aan-huis bladen;</al></li><li nr=""><al>Ontwikkeling van een algemeen voorlichtingsbeleid biedt de
                                    mogelijkheid de afzonderlijke onderdelen, waar de gemeente in de
                                    uitvoering van haar beleid aandacht aan besteedt en waar de
                                    (potentiële) klant in directe zin mee heeft (krijgt) te maken,
                                    onder de aandacht van de burger te brengen. De onderscheidene te
                                    publiceren onderwerpen zullen zijn terug te vinden in folder(s)
                                    en/of brochure(s);</al></li><li nr="b."><al>Klant-gerichte voorlichting, middels folder(s) en/of
                                    informatiebrochure(s);</al></li><li nr=""><al>Folders en brochures kunnen bijdragen aan versterking van de op
                                    de (potentiële) klant gerichte voorlichting. Deze voorlichting
                                    zal naast een inhoudelijke toelichting op de wetgeving zich
                                    tevens richten op de 'spelregels', waarmee de klant te maken
                                    krijgt en waaraan hij zich heeft te houden. Uitreiking van dit
                                    voorlichtingsmateriaal maakt deel uit van de procedure die
                                    doorlopen wordt bij de indiening van de aanvraag.
                                    Zekerheidshalve zal de klant een verklaring ondertekenen waarin
                                    staat vermeld dat hij het genoemde voorlichtingsmateriaal heeft
                                    ontvangen en kennis heeft genomen van de inhoud hiervan. Wanneer
                                    de omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de te
                                    ondertekenen verklaring worden aangevuld met gegevens die door
                                    de aanvrager en/of Adviseur Inkomen en Zorg als relevant worden
                                    ervaren;</al></li><li nr="c."><al>Politie-voorlichting, omtrent opsporing van fraude.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel 1</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Middels informatiefolder(s) die in de werkmap komen die onze klanten
                            uitgereikt krijgen i.v.m. de intensieve re-integratie worden ze
                            voorgelicht over de verplichtingen die aan de bijstand zijn
                            verbonden.</al><lijst><li nr="a."><al>Bij de indiening van de aanvraag wordt voorlichtingsmateriaal
                                    overhandigd (in de werkmap).</al></li><li nr="b."><al>De klant tekent een verklaring voor de ontvangst van dit
                                    informatiemateriaal en kennisneming hiervan. Zonodig kan de
                                    verklaring met relevante gegevens worden aangevuld.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel</onderstreept><onderstreept>2</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Elke burger die een uitkering aanvraagt, dient zich te identificeren met
                            een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            Identificatieplicht. Ingeval van een huwelijk of samenwoning geldt dit
                            ook voor de partner tenzij het gaat om een niet rechthebbende partner.
                            Deze identificatieplicht is eveneens van toepassing bij heronderzoeken
                            andere situaties, waar sprake is van een vorm van controle.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel</onderstreept><onderstreept>3</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>Het aanvraag- en (indien van toepassing) inlichtingenformulier
                                    wordt door de aanvrager zelf ondertekend. Wanneer er een partner
                                    is ondertekent deze de formulieren eveneens.</al></li><li nr="b."><al>Indien er wordt over gegaan tot het gebruik van
                                    heronderzoekformulieren die al zijn ingevuld door de Adviseur
                                    Inkomen en Zorg, op basis van de bekende gegevens, vult de
                                    belanghebbende zelf de ontbrekende gegevens in en ondertekent
                                    deze formulieren.</al></li><li nr="c."><al>Indien van het gestelde onder a. wordt afgeweken wordt hiervan
                                    gemotiveerd mededeling gedaan in een verklaring. Deze verklaring
                                    wordt afzonderlijk ondertekend door de klant en partner.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel 4</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Verificatie van de voor de uitkering benodigde gegevens vindt plaats
                            bij:</al><lijst><li nr="a."><al>Suwinet;</al></li><li nr="b."><al>De in de artikelen 63 en 64 Wwb, artikel 45 Ioaw/Ioaz genoemde
                                    personen, instellingen en instanties;</al></li><li nr="c."><al>Derden, voor zover er sprake is van informatie (verklaringen en
                                    tips), die van daadwerkelijke invloed is op de
                                    bijstandsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>De klant, eventueel door middel van huisbezoek;</al></li><li nr="e."><al>De Adviseur Inkomen en Zorg aan de hand van de waarnemingen van
                                    deze functionaris in de contacten met de klant.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel</onderstreept><onderstreept>5</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Voor het vaststellen van het recht op een uitkering kan het in bepaalde
                            gevallen nodig zijn een huisbezoek af te leggen, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>bij onduidelijkheid over de woon- of de leefsituatie;</al></li><li nr="-"><al>indien er aanwijzingen zijn dat er arbeid wordt verricht die
                                    niet aan de gemeente werd gemeld (dit kan zowel het geval zijn
                                    bij het entreeonderzoek als bij het heronderzoek of in geval er
                                    externe of interne signalen zijn ontvangen van mogelijk
                                    misbruik);</al></li><li nr="-"><al>in geval van een aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van
                                    een geldlening voor woninginrichting of vervanging van duurzame
                                    gebruiksgoederen.</al></li></lijst><al>Een huisbezoek vindt plaats wanneer er twijfel blijft bestaan ten
                            aanzien van de juistheid en volledigheid van de door klant verstrekte
                            gegevens en de overige mogelijkheden om deze gegevens op waarheid te
                            verifiëren volledig zijn benut. In geval van onduidelijkheid over de
                            woon- of leefsituatie wordt meteen overgegaan tot huisbezoek. Een
                            huisbezoek kan zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel</onderstreept><onderstreept>6</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Na toekenning van een periodieke uitkering dienen klanten maandelijks
                            een rechtmatigheidsonderzoeksformulier (ROF)in te vullen en in te
                            leveren. Aan de hand hiervan wordt de te verlenen uitkering berekend.
                            ROF’s dienen te voldoen aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>Volledige invulling van het ROF, waarbij het openlaten van
                                    antwoorden en/of het plaatsen van streepjes niet wordt
                                    geaccepteerd;</al></li><li nr="b."><al>Juiste vermelding van de datum en ondertekening door de klant en
                                    eventuele partner;</al></li><li nr="c."><al>Gegevens omtrent inkomen dienen met bewijsstukken te zijn
                                    onderbouwd;</al></li><li nr="d."><al>ROF’s dienen over elke maand waarover uitkering is toegekend te
                                    worden ingeleverd uiterlijk op de 10e van elke direct daarop
                                    volgende maand;</al></li><li nr="e."><al>Bij het niet tijdig voldoen aan het gestelde in lid d, wordt een
                                    termijn van orde geboden;</al></li><li nr="f."><al>Bij het niet tijdig voldoen aan het gestelde in lid e, wordt een
                                    hersteltermijn geboden;</al></li><li nr="g."><al>Het niet tijdig voldoen aan het gestelde in lid f, wordt
                                    aangemerkt als een verwijtbare gedraging, op grond waarvan een
                                    afstemming of een maatregel kan worden opgelegd conform de
                                    verordeningen;</al></li><li nr="h."><al>Het <onderstreept>niet</onderstreept> voldoen aan het gestelde
                                    in lid f, wordt de uitkering ingetrokken en wordt eveneens
                                    aangemerkt als een verwijtbare gedraging op grond waarvan een
                                    afstemming of een maatregel kan worden opgelegd conform de
                                    verordeningen.</al></li></lijst><al>Indien invulling en/of ondertekening van een ROF door een derde plaats
                            vindt dient dit met redenen omkleed op het formulier vermeld te
                            worden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel</onderstreept><onderstreept>7</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Heronderzoeken met betrekking tot periodieke uitkeringen (ook
                            inkomensvoorzieningen) vinden periodiek plaats aan de hand van een
                            heronderzoeksplan. Met betrekking tot debiteuren vindt eveneens
                            periodiek heronderzoek plaats op grond van het Heronderzoeksplan
                            gemeente Vlagtwedde.</al><al>Een heronderzoek kan tevens plaats vinden op grond van wijzigingen in de
                            woon-, leef- inkomens- en vermogensituatie, die bekend worden via (ROF),
                            documenten of anderszins. Het heronderzoek is gericht op vaststelling
                            van de rechtmatigheid van een uitkering en zal aan een aantal
                            voorwaarden dienen te voldoen.</al><al>Het heronderzoek voldoet aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>De invulling en ondertekening van het heronderzoeksformulier
                                    voldoet aan de eisen als gesteld onder beleidsregel 4;</al></li><li nr="b."><al>Het heronderzoek sluit aan bij het vorige (her)onderzoek en
                                    controleert de in de tussenliggende periode verkregen gegevens
                                    (via rechtmatigheidsonderzoeksformulieren en andere
                                    informatiebronnen) op juistheid en volledigheid;</al></li><li nr="c."><al>Een persoonlijk gesprek met de klant maakt bij voorkeur deel uit
                                    van het heronderzoek. Wanneer er sprake is van een partner neemt
                                    deze eveneens deel aan het gesprek, behoudens
                                    uitzonderingen;</al></li><li nr="d."><al>Huisbezoek vindt plaats conform beleidsregel 5;</al></li></lijst><al>Bij het verlenen van onvoldoende medewerking, het niet tijdig of
                            onvolledig vertrekken van gegevens of gevorderde bewijsstukken is het
                            gestelde in artikel 54 Wwb, dan wel artikel 17 Ioaw of Ioaz.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel 8.</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>Er vindt ad hoc overleg plaats tussen Adviseur Inkomen en Zorg
                                    en een juridisch medewerker over de klanten, in behandeling bij
                                    de Adviseur Inkomen en Zorg, waarover vermoedens van fraude
                                    bestaan. Dit overleg kenmerkt zich door een
                                    consult-functie;</al></li><li nr="b."><al>De Adviseur Inkomen en Zorg doen zelf een onderzoek naar
                                    aanleiding van de fraudevermoedens;</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel</onderstreept><onderstreept>9</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het rapport van een beeindigingsonderzoek voldoet aan de volgende
                            eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>De verkregen gegevens tussen het voorlaatste
                                    (her)onderzoeksrapport en de datum van beëindiging worden op
                                    juistheid en volledigheid gecontroleerd;</al></li><li nr="b."><al>De reden van beëindiging van de uitkering en de juistheid van de
                                    opgegeven datum worden geverifieerd. De beëindigingsdatum wordt
                                    (zoveel mogelijk) door een bewijsstuk onderbouwd;</al></li><li nr="c."><al>Er wordt gerapporteerd over de eventuele vordering van
                                    belanghebbende bij de afdeling Samenleving de ter zake te nemen
                                    maatregelen;</al></li><li nr="d."><al>Het recht op uitkering van belanghebbende wordt - met
                                    inachtneming van de gegevens genoemd onder a en b - eventueel
                                    opnieuw vastgesteld indien deze gegevens tijdig beschikbaar
                                    zijn.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Beleidsregel
                                1</onderstreept><onderstreept>0</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Met betrekking tot fraude en het opmaken van proces-verbaal worden de
                            richtlijnen van het Openbaar Ministerie ter zake gevolgd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 7 REGELING KREDIETHYPOTHEEK BIJSTAND</titel></kop><structuurtekst><al>In artikel 50 Wwb is geregeld dat ook een belanghebbende die eigenaar is
                            van de door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning recht heeft op
                            bijstand. Er is voorts bepaald dat de bijstand in de vorm van de
                            geldlening wordt verstrekt wanneer:</al><lijst><li nr="-"><al>het vermogen gebonden in de woning meer bedraagt dan € 48.000,--
                                    (1-1-2012) én</al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de algemene bijstand over de periode van een jaar
                                    naar verwachting meer zal gaan bedragen dan het wettelijke
                                    minimummaandloon.</al></li></lijst><al>Ter zekerheidstelling van de geldlening is het wenselijk deze lening te
                            verstrekken in de vorm van een hypotheek. Daartoe zijn de bepalingen in
                            de Wwb echter onvoldoende en is specifiek gemeentelijk beleid
                            noodzakelijk. Regels daaromtrent zijn in opgenomen in onderstaande
                            Regeling Krediethypotheek Bijstand.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 1 Kader en definities</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Deze regeling is een nadere invulling van de artikelen 50 tweede lid en
                            48 derde lid van de Wet werk en bijstand (Wwb) en verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Belanghebbende: de bijstandsgerechtigde woningbezitter als
                                    bedoeld in artikel 50 eerste lid;</al></li><li nr="b."><al>College: het college van Burgemeester en Wethouders van
                                    Vlagtwedde;</al></li><li nr="c."><al>Woning: de door belanghebbende en eventuele gezin zelf bewoonde
                                    eigen woning, woonboot of woonwagen;</al></li><li nr="d."><al>Waarde van de woning: waarde in het economisch verkeer bij vrije
                                    oplevering;</al></li><li nr="e."><al>Geldlening: lening als bedoeld in artikel 50 tweede lid;</al></li><li nr="f."><al>Krediethypotheek: geldlening onder verband van hypotheek;</al></li><li nr="g."><al>Inkomen: het inkomen bedoeld in artikel 32 Wwb;</al></li><li nr="h."><al>Relevante norm: de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm en
                                    toeslag c.q. verlaging als bedoeld in § 3.3 en § 3.4 Wwb.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 2 Taxatie</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie
                                    plaats door een erkend taxateur voor onroerende zaken die door
                                    het college in overeenstemming met de belanghebbende wordt
                                    aangewezen, of door een gemeentelijk taxateur.</al></li><li nr="2."><al>De kosten verbonden aan taxatie, vestiging van de hypotheek,
                                    alsmede bijkomende kosten, komen ten laste van belanghebbende.
                                    De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene
                                    bijstand, tenzij aan de belanghebbende uitsluitend bijzondere
                                    bijstand wordt verleend.</al></li><li nr="3."><al>Indien bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening
                                    wordt daartoe mede gerekend de eventuele bijstand in de kosten
                                    genoemd in het tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Indien uit de taxatie van de woning blijkt dat er geen
                                    krediethypotheek hoeft te worden gevestigd, kan voor de
                                    taxatiekosten bijzondere bijstand worden verleend.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 3 Lening</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De geldlening bedraagt ten hoogste de waarde van de woning,
                                    verminderd met de daarop rustende schulden en met het vrij te
                                    laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid sub d
                                    Wwb.</al></li><li nr="2."><al>Ter zekerstelling van rente- en aflossingsverplichtingen ten
                                    aanzien van de geldlening, wordt op de woning een hypotheek
                                    gevestigd ten gunste van het college tot het bedrag bedoeld in
                                    het eerste lid;</al></li><li nr="3."><al>In de hypotheekakte worden de gebruikelijke bedingen opgenomen,
                                    alsmede de voorwaarden verbonden aan deze regeling, doch in elk
                                    geval de voorwaarden genoemd in de artikelen 4 en 5.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 4 Aflossing</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Aflossing van de geldlening vindt in beginsel plaats gedurende
                                    tien jaar.</al></li><li nr="2."><al>De aflossing in maandelijkse termijnen vangt aan op het moment
                                    van beëindiging van de bijstandverlening (of de
                                    inkomensvoorziening)</al></li><li nr="3."><al>De maandelijkse aflossingsverplichting wordt telkens voor een
                                    periode van een jaar vastgesteld.</al></li><li nr="4."><al>Over het inkomen dat de relevante norm niet te boven gaat wordt
                                    geen aflossing gevergd. Tevens wordt geen aflossing gevergd
                                    indien belanghebbende een uitkering op grond van de Wet
                                    inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) ontvangt.</al></li><li nr="5."><al>Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het
                                    college, zo nodig tussentijds, aflossingsverplichting lager, dan
                                    wel hoger vast.</al></li><li nr="6."><al>Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het
                                    vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen
                                    rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten.
                                    Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.</al></li><li nr="7."><al>Indien belanghebbende schuldig nalatig is in het voldoen van de
                                    aflossingsverplichting, is het nog niet afgeloste deel van de
                                    geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de
                                    wettelijke rente verschuldigd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 5 Rente</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Indien door toepassing van artikel 4 vierde tot en met zesde lid
                                    na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de
                                    geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks
                                    rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de
                                    geldlening.</al></li><li nr="2."><al>De rente, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de wettelijke
                                    rente, verminderd met drie procent.</al></li><li nr="3."><al>Indien het door het college vast gestelde bedrag op grond van
                                    artikel 4 derde lid onvoldoende is om zowel rente als aflossing
                                    te dekken, gaat de betaling van de rente voor de aflossing. Dit
                                    is ook van toepassing indien betrokkene niet volledig aan de
                                    betalingsverplichting voldoet.</al></li><li nr="4."><al>Indien belanghebbende, naar het oordeel van het college, geen
                                    rente kan betalen, wordt de verschuldigde rente bijgeschreven
                                    bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.</al></li><li nr="5."><al>Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente
                                    verschuldigd.</al></li><li nr="6."><al>Indien belanghebbende schuldig nalatig is in het voldoen van de
                                    verschuldigde rente, is het nog niet afgeloste deel van de
                                    geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de
                                    wettelijke rente verschuldigd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 6 Verkoop van de woning</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Bij verkoop, of vererving van de woning aan een ander dan de
                                    langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van
                                    de geldlening, alsmede de op grond van artikel 5 bijgeschreven
                                    rente, terstond afgelost.</al></li><li nr="2."><al>Bij verkoop van de woning kan het college besluiten tot het
                                    verlenen van een nieuwe geldlening onder verband van hypotheek
                                    tot ten hoogste het bedrag bedoeld in het eerste lid, voor de
                                    aankoop van een andere woning, indien er sprake is van: </al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard
                                            van belanghebbende</al></li><li nr="b."><al>werkaanvaarding elders door belanghebbende.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is slechts van toepassing indien belanghebbende
                                    het na aflossing vrijgekomen vermogen volledig inzet voor de
                                    aankoop van de andere woning.</al></li><li nr="4."><al>Indien de waarde van de woning in het economisch verkeer bij
                                    vrije oplevering lager is dan het resterende bedrag van de
                                    geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil
                                    kwijtgescholden.</al></li><li nr="5."><al>Kwijtschelding als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats
                                    indien waardevermindering van de woning naar het oordeel van het
                                    college het gevolg is van opzettelijk of nalatig handelen van
                                    belanghebbende zelf.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 7 Herhaalde
                            bijstandsverlening</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Indien na beëindiging van de bijstandverlening onder verband van
                            krediethypotheek wederom recht op bijstand ontstaat, wordt deze bijstand
                            verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek indien:</al><lijst><li nr="-"><al>De bijstandverlening aanvangt binnen twee jaar na beëindiging
                                    van het eerdere recht én</al></li><li nr="-"><al>De destijds voor de bepaling van het recht op bijstand gebruikte
                                    taxatie van de woning niet ouder is dan vijf jaar.</al></li></lijst><al>Voor de duidelijkheid, dit geldt ook voor bijzondere bijstand.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 8 Hertaxatie</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Indien de bijstandverlening om niet wordt verleend, wordt de
                                    woning van de belanghebbende elke vijf jaar opnieuw getaxeerd,
                                    gerekend vanaf de datum van de taxatie.</al></li><li nr="2."><al>Indien bijstandsverlening plaatsvindt in de vorm van een
                                    krediethypotheek vindt hertaxatie van de woning plaats vijf jaar
                                    nadat de hypotheek is volgelopen.</al></li><li nr="3."><al>Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de WOZ waarde binnen
                                    de termijn van 5 jaar met meer dan 10% is gestegen. In dat geval
                                    kan de gemeente eerder een hertaxatie uitvoeren ten einde de
                                    krediethypotheek te verhogen.</al></li><li nr="4."><al>Ten aanzien van de taxatiekosten is artikel 2 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 9 Jaaropgave</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een
                            opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de
                            rentevorderingen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 8 BELEIDSREGELS TERUG- EN INVORDERING</titel></kop><structuurtekst><al>De wet werk en bijstand (Wwb) is per 1 januari 2004 in werking getreden.
                            Het terugvorderen van ten onrechte verstrekte bijstand is een
                            bevoegdheid op grond van de Wwb waarvan het College van B &amp; W van
                            Vlagtwedde gebruik maakt. Met ingang van 1 januari 2012 is de Wwb
                            gewijzigd en is de Wet investeren in Jongeren (WIJ) komen te vervallen.
                            De WIJ is onderdeel geworden van de Wwb. Het beleid ten aanzien van
                            terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand is aangepast aan de
                            nieuwe Wwb 2012. In onderstaande beleidsregels zijn de rechten en
                            plichten van burgers van de gemeente Vlagtwedde weergegeven voor wat
                            betreft de Wwb en de Inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijke
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Inkomensvoorziening
                            voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                            (Ioaz).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 1 Wettelijke bevoegdheid</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het college van de gemeente Vlagtwedde (hierna te noemen “college”)
                            maakt gebruik van:</al><lijst><li nr="a"><al>de bevoegdheid tot het herzien of intrekken van het
                                    toekenningbesluit ingevolge artikel 54 van de Wet werk en
                                    bijstand (Wwb), artikel 17 Inkomensvoorziening voor oudere en
                                    gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en
                                    artikel 17 Inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz).</al></li><li nr="b"><al>de bevoegdheid tot het terugvorderen van ten onrechte verstrekte
                                    bijstand zoals bedoeld in de artikelen 58 tot en met 60 van de
                                    Wwb, artikel 25 en 26 Ioaw en artikel 25 en 26 Ioaz.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 2 Herziening of intrekking van het
                                toekenningbesluit</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een herziening of intrekking van het toekenningbesluit zoals bedoeld
                            onder artikel 1a wordt genomen indien:</al><lijst><li nr="a"><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen zoals
                                    bedoeld in artikel 17 lid 1 van de Wwb, artikel 13 lid 1 en 2
                                    Ioaw en artikel 13 lid 1 en 2 Ioaz heeft geleid tot ten
                                    onterechte of te hoog verstrekte bijstand of</al></li><li nr="b"><al>indien er op een andere wijze dan artikel 2a onterecht teveel
                                    bijstand is verstrekt.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 3 Terugvordering van te veel verstrekte
                                bijstand</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a"><al>Indien er sprake is van teveel verstrekte bijstand zoals bedoeld
                                    onder artikel 1b dan zal de bijstand worden teruggevorderd.
                                    Uitgangspunt is dat het gehele bedrag van de terugvordering
                                    wordt terugbetaald.</al></li><li nr="b"><al>de verplichting tot terugbetaling van de teveel verstrekte
                                    bijstand wordt bij beschikking vastgesteld.</al></li><li nr="c"><al>de betalingstermijn wordt vastgesteld op 6 weken na bekendmaking
                                    van de beschikking. Indien er in individuele gevallen aanleiding
                                    bestaat om een andere betalingstermijn te hanteren dan wordt dat
                                    in de beschikking vermeld.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 4 Terugvordering van
                            gezinsleden</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>Onverminderd het bepaalde onder artikel 3 worden kosten van
                                    bijstand, als de bijstand aan een gezin of alleenstaande ouder
                                    met zijn ten laste komende kinderen wordt verleend, van alle
                                    gezinsleden respectievelijk van de ten laste komende kinderen
                                    van de alleenstaande ouder teruggevorderd.</al></li><li nr="b."><al>Als de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verleend,
                                    maar dit achterwege is gebleven omdat belanghebbenden
                                    verplichtingen niet of niet behoorlijk zijn nagekomen, kunnen de
                                    kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de
                                    gezinsleden met wiens middelen bij de verlening van bijstand
                                    rekening had moeten worden gehouden.</al></li><li nr="c."><al>De onder lid 1 en lid 2 genoemde personen zijn hoofdelijk
                                    aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand
                                    die worden teruggevorderd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 5</onderstreept><onderstreept>Afzien van het
                                nemen van een terugvorderingbesluit</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan afzien van het nemen van een terugvorderingbesluit
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het terug te vorderen bedrag lager is dan 150 euro en de
                                    vordering niet is ontstaan door fraude (verwijtbaar gedrag).
                                    Fraude mag immers niet lonen;</al></li><li nr="b."><al>indien er een termijn van 6 maanden is verstreken nadat gegevens
                                    bekend zijn geworden die hadden moeten leiden tot beëindiging of
                                    wijziging van de bijstand (zes maandenjurisprudentie) Indien
                                    belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden geldt de
                                    zesmaanden jurisprudentie niet;</al></li><li nr="c."><al>er naar oordeel van het college sprake is van zeer dringende
                                    redenen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 6</onderstreept><onderstreept>Kwijtschelding
                                wegens schuldenproblematiek</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van
                            teruggevorderde bijstand, uitkering of inkomensvoorziening indien:</al><lijst><li nr="a"><al>een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen niet tot
                                    stand zal komen zonder een zodanig besluit. Voor
                                    fraudevorderingen (verwijtbaar gedrag) en vorderingen die worden
                                    gedekt door pand of hypotheek op een onroerend goed of andere
                                    goederen geldt deze bepaling niet, tenzij de vordering op deze
                                    goederen verhaald kan worden.</al></li><li nr="b"><al>de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand of
                                    inkomensvoorziening zal worden voldaan naar evenredigheid met de
                                    vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</al></li><li nr="c"><al>leenbijstand vorderingen die korter dan een half jaar voor datum
                                    1<sup>e</sup> melding bij de schuldhulp-verleningsinstantie zijn
                                    ontstaan komen niet voor kwijtschelding in aanmerking.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 7</onderstreept><onderstreept>Inwerkingtreding
                                kwijtschelding schuldenproblematiek</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een besluit tot afzien van (gedeeltelijke) terugvordering treedt pas in
                            werking als er daadwerkelijk een schuldregeling tussen het college en/of
                            schuldeisers en belanghebbende tot stand is gekomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 8 Intrekking kwijtscheldingsbesluit
                                schuldenproblematiek</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het
                            gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering als bedoeld in artikel 6
                            wordt ingetrokken of gewijzigd indien:</al><lijst><li nr="a"><al>niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt,
                                    een schuldregeling tot stand is gekomen</al></li><li nr="b"><al>de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet
                                    overeenkomstig de schuldregeling voldoet</al></li><li nr="c"><al>onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander
                                    besluit zou hebben geleid.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 9 Kwijtschelding wegens voldoen aan de
                                betalingsverplichting</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan besluiten af te zien van verdere terugvordering indien
                            belanghebbende:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende 60 maanden volledig aan de betalingsverplichting heeft
                                    voldaan en minstens 75% van de oorspronkelijke vordering heeft
                                    afgelost en de vordering niet is ontstaan als gevolg van
                                    verwijtbaar gedrag.</al></li><li nr="b"><al>de onder a genoemde termijn minder is dan 60 maanden maar wel
                                    75% van de vordering is afgelost. Hierbij geldt dat er sprake
                                    moet zijn van aflossing naar draagkracht (minimaal 6% van de
                                    bijstandsnorm) en de vordering niet is ontstaan wegens
                                    verwijtbaar gedrag.</al></li><li nr="c"><al>onder niet verwijtbare vorderingen wordt verstaan: </al><lijst><li nr="-"><al>leenbijstandvorderingen</al></li><li nr="-"><al>onverschuldigde bedragen</al></li><li nr="-"><al>verstrekte voorschotten</al></li></lijst></li><li nr="d"><al>vorderingen waarvoor zekerheid is gesteld (hypotheek of pand) en
                                    B(b)z-vorderingen komen niet voor kwijtschelding in
                                    aanmerking.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 10 Verkorting van de periode van voldoen aan
                                betalingsverplichting</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De in artikel 9 genoemde termijn is 36 maanden indien het de aflossing
                            van leenbijstand betreft, met uitzondering de leenbijstand ten behoeve
                            van schulden. Indien tenminste gedurende 36 maandelijkse termijnen
                            volledig aan de aflossingsverplichtingen is voldaan voor een
                            leenbijstand vordering dan wordt het resterende bedrag van de lening
                            omgezet in bijstand om niet tenzij bijzondere omstandigheden dit in de
                            weg staan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 11 Kwijtschelding na aanvaarden regulier
                                werk</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>a. indien belanghebbende wegens aanvaarding van regulier werk meer dan 1
                            jaar bijstandsonafhankelijk wordt kan een niet verwijtbare vordering
                            zoals genoemd in artikel 9c voor kwijtschelding in aanmerking
                            komen.</al><al>b. de kwijtschelding als onder a is maximaal 50% van de oorspronkelijke
                            vordering met een maximum van 1.000 euro.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 12 Kwijtschelding van
                                fraudevorderingen</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een fraudevordering (verwijtbaar gedrag) komt niet voor kwijtschelding
                            in aanmerking tenzij:</al><lijst><li nr="a"><al>een bedrag in één keer wordt betaald, dat inclusief eventuele
                                    eerdere betalingen overeenkomt met tenminste 75% van de
                                    oorspronkelijke vordering, indien er vrijwel zeker vaststaat dat
                                    de reguliere wijze van invordering minder oplevert dan datgene
                                    dat met de afkoop van 75% wordt geïnd.</al></li><li nr="b"><al>het college kan in geval van zeer bijzondere individuele
                                    omstandigheden besluiten het onder a genoemde percentage van 75%
                                    te verlagen. Dit mag echter nooit minder zijn 50% van de
                                    oorspronkelijke vordering.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel
                                13</onderstreept><onderstreept>Terugvorderingbesluit
                                (betalingsbeschikking)</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In het terugvorderingbesluit (betalingsbeschikking) delen burgemeester
                            en wethouders aan de belanghebbende mede:</al><lijst><li nr="a."><al>tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen
                                    bijstand of inkomensvoorziening wordt teruggevorderd.</al></li><li nr="b."><al>de betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op
                                    de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking
                                    een andere betalingstermijn vermeldt.</al></li><li nr="c."><al>de betaling geschiedt bij voorkeur giraal. Indien de debiteur
                                    niet beschikt over een bankrekening dan kan hiervan afgeweken
                                    worden.</al></li></lijst><al>Invordering van teruggevorderde bijstand.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 14 Het vaststellen van de
                                betalingsverplichting</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het aflossingsbedrag, zoals mede gedeeld in het terugvorderingbesluit,
                            geldt als een opgelegde betalingsverplichting.</al><lijst><li nr="a"><al>binnen twee weken na de datum van bekendmaking van het besluit,
                                    kan de belanghebbende een schriftelijk verzoek indienen tot het
                                    treffen van een betalingsregeling. Belanghebbende dient onder
                                    bijvoeging van bewijsstukken het verzoek in te dienen.</al></li><li nr="b"><al>het college neemt binnen vier weken na ontvangst van het verzoek
                                    een besluit over een eventuele betalingsregeling. Indien er
                                    ingestemd wordt met een termijnbetaling, dan wordt bepaald hoe
                                    hoog de maandelijkse betalingsverplichting is, in hoeveel
                                    termijnen de vordering moet worden afgelost alsmede de
                                    rechtsgevolgen die intreden bij het niet nakomen van de
                                    betalingsverplichting.</al></li><li nr="c"><al>indien belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen een
                                    terugvorderingbesluit of tegen de vastgestelde
                                    betalingsverplichting dan heeft dit geen schorsende werking,
                                    tenzij uit een eerste onderzoek van het bezwaarschrift blijkt
                                    dat de terugvordering en/of de betalingsverplichting in zijn
                                    geheel niet juist is.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 15 Bepaling van de hoogte van de
                                betalingsverplichting</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In beginsel wordt er vanuit gegaan dat de vordering in één keer wordt
                            terugbetaald. Indien het inkomen van de debiteur dit niet toelaat wordt
                            er een betalingsregeling getroffen onder de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>indien belanghebbende een uitkering of inkomensvoorziening
                                    ontvangt in het kader van de Wwb, Ioaw of Ioaz dan bedraagt de
                                    aflossing 10% van de van toepassing zijnde norm inclusief
                                    vakantietoeslag (conform de beslagvrije voet die van toepassing
                                    is zoals vermeld in artikel 475d Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering. In beginsel wordt uitgegaan van 10% van de
                                    bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag en gemeentelijke
                                    verhoging of verlaging.</al></li><li nr="b"><al>het onder a genoemde percentage van 10% is niet van toepassing
                                    indien er sprake is van een niet verwijtbare vordering zoals
                                    bedoeld onder artikel 9 lid c. Dan kan volstaan worden met een
                                    aflossing van 6% van de van toepassing zijnde
                                    bijstandsnorm.</al></li><li nr="c"><al>indien er sprake is van meerkosten die belanghebbende heeft
                                    boven op de algemeen noodzakelijke bestaanskosten dan kan met
                                    deze kosten rekening worden gehouden bij het bepalen van de
                                    aflossingscapaciteit. Te denken valt aan extra woonkosten en
                                    premie ziektekostenverzekering.</al></li><li nr="d"><al>indien belanghebbende een inkomen heeft dat meer bedraagt dan
                                    onder lid a, dan bedraagt voor verwijtbare vorderingen van het
                                    meerdere inkomen 100% tot het aflossingsbedrag en voor niet
                                    verwijtbare vorderingen 50%.</al></li><li nr="e"><al>indien belanghebbende geen bijstand, uitkering of
                                    inkomensvoorziening meer ontvangt zoals bedoeld in lid a dan zal
                                    er jaarlijks een heronderzoek worden uitgevoerd naar de
                                    draagkracht. Indien de aflossingsverplichting minder dan 10%
                                    afwijkt van de eerder vastgestelde aflossingsverplichting zal
                                    worden afgezien van het wijzigen van de betalingsregeling.
                                    Indien op basis van de huidige betalingsregeling een vordering
                                    binnen een jaar wordt afgelost wordt afgezien van het uitvoeren
                                    van het heronderzoek.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel</onderstreept><onderstreept>16 Uitstel van
                                betaling</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>Op verzoek van de belanghebbende of ambtshalve kan uitstel van
                                    betaling worden verleend indien het uitstel naar het oordeel van
                                    het college bijdraagt tot: </al><lijst><li nr="-"><al>sociale activering</al></li><li nr="-"><al>arbeidsinschakeling</al></li><li nr="-"><al>een oplossing van een schuldenproblematiek</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Voorts kan uitstel van betaling worden verleend indien er sprake
                                    is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk
                                    maken.</al></li><li nr="c."><al>Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of
                                    ingevorderd.</al></li><li nr="d."><al>De bevoegdheid tot verrekening blijft wel bestaan.</al></li><li nr="e."><al>De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in een
                                    beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking
                                    kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling
                                    of een verplichting tot het stellen van zekerheid.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 17 Weigeren uitstel van
                            betaling</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een verzoek tot uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen
                            als:</al><lijst><li nr="a."><al>de medewerking van de verzoeker naar het oordeel van het college
                                    onvoldoende is</al></li><li nr="b."><al>onjuiste gegevens worden verstrekt</al></li><li nr="c."><al>de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde
                                    termijn zijn verstrekt</al></li><li nr="d."><al>de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld</al></li><li nr="e."><al>de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kunnen
                                    worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde vordering te
                                    betalen</al></li><li nr="f."><al>de berekende aflossingscapaciteit zodanig is dat de schuld
                                    direct voldaan kan worden</al></li><li nr="g."><al>de betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn
                                    uitstrekt</al></li><li nr="h."><al>de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling
                                    geen uitkomst zal bieden</al></li><li nr="i."><al>de schuldenaar reeds eerder een regeling heeft genoten, maar
                                    deze niet is nagekomen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 18 Volgorde aflossing</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a"><al>aflossing geschiedt ten eerste op eventueel in rekening
                                    gebrachte invorderingskosten en wettelijke rente, daarna op de
                                    hoofdsom.</al></li><li nr="b"><al>aflossing vindt plaats op de vordering die het eerst is ontstaan
                                    (de oudste vordering). Indien de debiteur anders wenst dan kan
                                    hij dit schriftelijk aangeven. Het College kan de wijze van
                                    volgorde van aflossing wijzigen indien dit geen nadelige
                                    gevolgen heeft voor de gemeente.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 19 Procedure bij niet nakoming van de
                                betalingsverplichting</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a"><al>indien belanghebbende de betalingsverplichting niet nakomt en
                                    ook niet bereid is tot het treffen van een minnelijke
                                    betalingsregeling dan wordt belanghebbende éénmalig aangemaand
                                    met het verzoek om alsnog binnen 14 dagen over te gaan tot
                                    betaling.</al></li><li nr="b"><al>het college maakt gebruik van de mogelijkheid om een vergoeding
                                    in rekening te brengen conform artikel 4:113 Awb (kosten
                                    aanmaning).</al></li><li nr="c"><al>indien belanghebbende niet aan zijn betalingsverplichting
                                    voldoet binnen de termijn van twee weken na bekendmaking van de
                                    aanmaning zal er een dwangbevel worden uitgevaardigd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 20 Het Dwangbevel</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a"><al>indien niet (volledig) binnen de aanmaningstermijn is betaald,
                                    vaardigt het college een dwangbevel uit.</al></li><li nr="b"><al>het dwangbevel vermeldt naast hetgeen bepaald is in artikel
                                    4:122 van de Awb ook de mogelijkheden van tenuitvoerlegging en
                                    de mogelijkheid van verzet.</al></li><li nr="c."><al>er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid het
                                    dwangbevel per post te betekenen, met het bevel tot betaling
                                    over te gaan binnen twee dagen.</al></li><li nr="d."><al>indien betekening als bedoeld in het vorige lid niet mogelijk of
                                    wenselijk is, bijvoorbeeld omdat beslag op goederen of beslag op
                                    een bankrekening de voorkeur geniet, wordt de betekening
                                    overgelaten aan de deurwaarder zoals bedoeld in artikel 4:123
                                    van de Awb.</al></li><li nr="e."><al>verzending van het voor de schuldenaar bestemde afschrift van
                                    het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de
                                    administratie van de gemeente bekende adres van de
                                    schuldenaar.</al></li><li nr="f."><al>ten aanzien van personen zonder vaste of bekende woon- of
                                    verblijfplaats, die niet beschikken over een postbusadres, wordt
                                    het dwangbevel betekend door publicatie in het gebruikelijke
                                    huis-aan-huisblad.</al></li><li nr="g."><al>de invorderingkosten van het dwangbevel worden bij het
                                    dwangbevel ingevorderd.</al></li><li nr="h."><al>indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een
                                    dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel
                                    mogelijk in één dwangbevel gebundeld.</al></li><li nr="i."><al>het dwangbevel levert een executoriale titel op.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel</onderstreept><onderstreept>21 Beslag en
                                Interne Verrekening</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Indien niet tot een minnelijke regeling kan worden gekomen wordt
                                    tot verrekening overgegaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon van wie kosten van bijstand, uitkering
                                            of inkomensvoorziening als bedoeld in artikelen 1b wordt
                                            teruggevorderd, algemene bijstand of een uitkering op
                                            grond van de Wwb, Ioaw, Ioaz, Bbz 2004 ontvangt, wordt
                                            tot verrekening van die kosten met de algemene bijstand
                                            of die uitkering overgegaan</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon aan wie bijstand in de vorm van een
                                            geldlening wordt verleend algemene bijstand of een
                                            uitkeringen als bedoeld in artikel 48, vijfde lid van de
                                            WWB ontvangt, wordt de geldlening verrekend met die
                                            algemene bijstand of die uitkering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de verrekening worden de navolgende regels
                                    gehanteerd: </al><lijst><li nr="a."><al>er wordt niet tot verrekening overgegaan indien de
                                            middelen van de schuldenaar afdoende zijn om de
                                            vordering in één keer te betalen;</al></li><li nr="b."><al>de schuldenaar wordt schriftelijk in kennis gesteld dat
                                            een vordering op grond van een terugvorderingbesluit ex
                                            artikel 1b en artikel 48, vijfde lid van de WWB met zijn
                                            of haar algemene bijstand of uitkering wordt verrekend,
                                            alsmede van de hoogte van de verrekening;</al></li><li nr="c."><al>de schuldenaar dient door verrekening nimmer te
                                            beschikken over een inkomen dat minder is dan de voor
                                            hem of haar geldende beslagvrije voet;</al></li><li nr="d."><al>een verleend uitstel van betaling staat verrekening niet
                                            in de weg;</al></li><li nr="e."><al>het gereserveerde vakantiegeld wordt verrekend met de
                                            vordering, tenzij de vordering de schuldenaar niet te
                                            verwijten valt. Indien er sprake is van een opgelegde
                                            afstemming/maatregel dan deze ook worden toepast op het
                                            gereserveerde vakantietoeslag.</al></li><li nr="f."><al>tot verrekening wordt niet eerder overgegaan dan tot zes
                                            weken nadat het terugvorderingbesluit op de
                                            voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Indien bij
                                            beëindiging van de uitkering blijkt dat er sprake is van
                                            een terugvordering en er staat ook nog een bedrag aan
                                            vakantietoeslag gereserveerd dan kan besloten worden de
                                            vakantietoeslag direct te verrekenen met de
                                            terugvordering. De betalingstermijn van 6 weken is dan
                                            niet van toepassing.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 22 Invorderingskosten en wettelijke
                                rente</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a"><al>indien er moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld
                                    in artikel 21 dan zal de vordering worden verhoogd met
                                    invorderingskosten.</al></li><li nr="b"><al>de invorderingskosten bedragen 10% van de hoofdsom en wordt in
                                    rekening gebracht vanaf het moment dat er wordt overgegaan tot
                                    beslaglegging. Indien interne verrekening plaats kan vinden
                                    wordt afgezien van het in rekening brengen van
                                    invorderingskosten. Het bedrag aan invorderingskosten bedraagt
                                    minimaal € 50,00 en heeft een maximum van € 500,00.</al></li><li nr="c"><al>het college maakt gebruik van de mogelijkheid om wettelijke
                                    rente in rekening te brengen (artikel 4:98 Awb).</al></li><li nr="d"><al>indien de vordering wordt overgedragen aan een derde (b.v.
                                    deurwaarder) dan zullen de kosten die door deze derde met de
                                    invordering verband houden verhaald worden op belanghebbende.
                                    Dit komt dan bovenop de invorderingskosten die het college in
                                    rekening brengt.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 23 Procedure invordering door
                                deurwaarder</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a"><al>indien belanghebbende niet voldoet aan een minnelijke
                                    betalingsregeling en er geen mogelijkheden zijn tot interne
                                    verrekening of beslag dan worden de incasso mogelijkheden
                                    gedurende 24 maanden na ontstaansdatum vordering bewaakt door de
                                    debiteurenadministratie.</al></li><li nr="b"><al>indien de periode genoemd onder a verstreken is en het niet de
                                    verwachting is dat de vordering in de toekomst zelfstandig geïnd
                                    kan worden dan kan het college besluiten de vordering in handen
                                    te leggen van de deurwaarder.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel</onderstreept><onderstreept>24
                                Buiteninvordering stellen van de vordering wegens
                                oninbaarheid</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan besluiten vorderingen buiten invordering te stellen
                            indien vijf jaar na ontstaansdatum van de vordering alle
                            incassomogelijkheden zijn aangesproken maar dit niet geleid heeft tot
                            betaling.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 25 Brutering van de
                            vordering</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a"><al>netto vorderingen die niet (volledig) worden afgelost binnen het
                                    kalenderjaar waarin het is ontstaan zullen worden gebruteerd.
                                    Dit houdt in dat de vordering zal worden verhoogd met
                                    loonheffing die wordt afgedragen aan de belastingdienst.</al></li><li nr="b"><al>indien de bekendmaking van de netto vordering in de laatste
                                    maand van het jaar aan belanghebbende bekend wordt gemaakt zal
                                    de vordering niet worden gebruteerd indien de vordering binnen
                                    zes weken na bekendmaking van de vordering is afgelost.</al></li><li nr="c"><al>indien de vordering in zijn geheel niet is te wijten is aan
                                    handelen van belanghebbende, bijvoorbeeld als er sprake is van
                                    een foute berekening of verrekening van de gemeente dan zal de
                                    vordering niet worden gebruteerd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 26 Saldobiljet</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Jaarlijks zal aan de debiteur in de eerste maanden van het nieuwe jaar
                            over het voorgaande jaar een overzicht worden gestuurd waarin alle
                            mutaties, ontvangsten, het actuele saldo e.d. van de vordering zijn
                            vermeld, het saldobiljet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting op de artikelen die een toelichting behoeven</titel></kop><structuurtekst><al>Volgens de Wet werk en bijstand (Wwb) is het terugvorderen van ten
                            onrechte verstrekte bijstand een algehele bevoegdheid van burgemeester
                            en wethouders. Met onderhavige beleidsregels is een basis gecreëerd om
                            het bestaande terugvorderingbeleid uit te voeren. Gelet op de financiële
                            verantwoordelijkheid voor de kosten van de bijstand achten burgemeester
                            en wethouders het van groot belang dat de bijstand alleen terecht komt
                            bij die burgers die hierop recht hebben. Bovendien hebben de ontvangsten
                            voortvloeiend uit de terugvordering een gunstig effect op het
                            beschikbare budget binnen het inkomensdeel van de Wwb. Daarnaast is een
                            belangrijk uitgangspunt dat het plegen van fraude onder geen enkele
                            voorwaarde mag worden beloond door de ten onrechte verstrekte bijstand
                            niet terug te vorderen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 1 Wettelijke bevoegdheid</titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van de Wwb, Ioaw en Ioaz maken burgemeester en wethouders
                            gebruik van de bevoegdheid om bijstand terug te vorderen. Zij doen dat
                            in de gevallen en op de manier zoals bepaald in deze beleidsregels.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 2 Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>Bepaalt dat het bijstandsrecht naar het verleden toe wordt
                                    gecorrigeerd naar de juiste situatie, indien als gevolg van het
                                    niet nakomen van de inlichtingenverplichting van de
                                    belanghebbende ten onrechte bijstand is verleend. Er is dan
                                    sprake van fraude.</al></li><li nr="b."><al>Doelt op andere situaties dan het herzien wegens schending van
                                    de inlichtingenplicht. De bijstand moet weliswaar worden
                                    herzien, maar niet als gevolg van een verwijtbare gedraging.
                                    Bijvoorbeeld wijzigingen met terugwerkende kracht vanwege de
                                    verrekening van inkomsten of wijziging van de samenstelling van
                                    het huishouden. Bij vierwekelijkse inkomsten bijvoorbeeld, wordt
                                    na het verstrijken van het kalenderjaar een herberekening
                                    gemaakt om tot een juiste inkomstenverrekening over het hele
                                    jaar te komen. De bijstand die als gevolg daarvan tot een te
                                    hoog bedrag is verstrekt, kan alleen worden teruggevorderd als
                                    betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij te veel bijstand
                                    heeft ontvangen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 3 Terugvordering van teveel verstrekte bijstand</titel></kop><structuurtekst><al>De betalingstermijn wordt normaliter vastgesteld op 6 weken na datum van
                            bekendmaking van de beschikking. Indien het in individuele situaties
                            wenselijk is om een andere betalingstermijn te hanteren</al><al>dan wordt dit in de beschikking vermeldt. Te denken valt bijvoorbeeld
                            aan een situatie waarbij er sprake is van een debiteur waarbij beslag op
                            snel verhandelbare goederen dit noodzakelijk maakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 4 Terugvordering van gezinsleden</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>Gezinsbijstand kan van alle gezinsleden of alleenstaande ouder
                                    met ten laste komende kinderen worden teruggevorderd. Geen van
                                    de in de gezinsbijstand begrepen personen kan zich daarbij
                                    beroepen op onbekendheid met de activiteiten van een ander
                                    gezinslid die tot de terugvordering hebben geleid. Alle
                                    gezinsleden worden voor de terugvordering als belanghebbende
                                    aangemerkt, ook</al></li><li nr=""><al>belanghebbenden die wegens schending van de inlichtingenplicht
                                    niet zijn opgenomen binnen de gezinsbijstand, maar gezien de
                                    omschrijving uit artikel 4, eerste lid onder c, tweede lid en
                                    vijfde lid WWB wel tot het gezin behoren.</al></li><li nr="b."><al>Burgemeester en wethouders maken gebruik van hun bevoegdheid om
                                    in alle gevallen waarin bijstand die als gevolg van schending
                                    van de inlichtingenplicht niet als gezinsbijstand is verleend,
                                    maar wel als gezinsbijstand verleend had moeten worden, tevens
                                    terug te vorderen van degene met wiens middelen rekening had
                                    moeten worden gehouden. Bijvoorbeeld: bijstand die aan een
                                    alleenstaande is verleend, die achteraf een gezamenlijke
                                    huishouding blijkt te voeren, wordt tevens van de verzwegen
                                    partner of het inwonend meerderjarig kind teruggevorderd.</al></li></lijst><al>Duidelijk moet zijn dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de bijstandsontvanger het voeren van een gezamenlijke
                                    huishouding met deze partner, of het leven in gezins-verband met
                                    deze gezinsleden, zoals bedoeld in artikel 4 eerste lid onder c
                                    van de wet, heeft verzwegen én</al></li><li nr="-"><al>er sprake is van schending van de inlichtingenplicht.</al></li></lijst><al>De ten laste komende kinderen hebben geen zelfstandig opeisbaar recht op
                            een deel van die bijstand. In die zin hebben zij geen rechtstreeks maar
                            een indirect belang bij een besluit omtrent de verlening van bijstand.
                            Op grond van artikel 59 van de wet kan van hen teruggevorderd worden.
                            Burgemeester en wethouders maken alleen gebruik van deze bevoegdheid
                            indien de terugvordering het gevolg is van de middelen van deze ten
                            laste komende kinderen.</al><lijst><li nr="c."><al>De personen van wie kan worden teruggevorderd zijn op grond van
                                    artikel 59 lid 3 WWB allen hoofdelijk aansprakelijk voor de
                                    terugbetaling. Vanwege deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan
                                    bij elk van de aansprakelijk te stellen personen het volledige
                                    terugvorderingbedrag worden ingevorderd, met dien verstande dat
                                    er in totaal maar één keer behoeft te worden betaald. Heeft een
                                    van de gezinsleden het gehele bedrag of meer dan zijn aandeel
                                    terugbetaald, dan kan hij of zij voor hetgeen teveel is betaald
                                    bij de burgerlijke rechter een vordering instellen op de overige
                                    gezinsleden. Dit is echter een kwestie waar de gemeente buiten
                                    staat.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 5 Afzien van het nemen van een terugvorderingbesluit</titel></kop><structuurtekst><al>Indien er sprake is van ten onrechte verstrekt bijstand welke lager is
                            dan € 150,-- en er geen sprake is van een fraude vordering kan worden
                            afgezien van het nemen van een terugvorderingbesluit. Fraude mag immers
                            niet lonen. De kosten die zich met de terugvordering meebrengen zijn in
                            bovenstaande situaties hoger dan de baten. We hebben het hierbij over
                            “kruimelbedragen”.Indien de gemeente een terugvorderingbesluit niet
                            binnen 6 maanden heeft genomen nadat het de gemeente bekend is geworden
                            van een gegeven dat had moeten leiden tot wijzing of beëindiging van een
                            bijstandsuitkering wordt afgezien van terugvordering. De gemeente dient
                            dus voortvarend te handelen bij de verwerking van informatie. Indien de
                            gemeente niet adequaat optreedt kan dit betekenen dat de gemeente de
                            bijstand over de periode na die 6 maanden niet meer kan terugvorderen.
                            Dit geldt alleen indien er geen sprake is van schending van de
                            inlichtingenplicht.Indien er in individuele gevallen sprake is van een
                            dringende reden kan worden afgezien van het nemen van een
                            terugvorderingbesluit. Te denken valt aan situaties waarbij de vordering
                            is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende, en hem geen enkel verwijt
                            kan worden gemaakt. Bij het beoordelen van dringende redenen moeten
                            onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van de
                            belanghebbende worden meegewogen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 6 tot en met 8 Kwijtschelding wegens
                            schuldenproblematiek</titel></kop><structuurtekst><al>Indien er een terugvorderingbesluit is genomen kan er worden overgegaan
                            tot kwijtschelding zoals omschreven in de artikelen 6 tot en met 8. Dit
                            geldt echter niet voor fraudevorderingen. Tenzij er sprake is van een
                            situatie zoals genoemd in artikel 12.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 9 Kwijtschelding wegens voldoen aan de
                            betalingverplichting</titel></kop><structuurtekst><al>Dit artikel behoeft verder geen toelichting</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 10 Verkorting van de periode van voldoen aan
                            betalingsverplichting</titel></kop><structuurtekst><al>Hiermee wordt aangesloten bij het beleid conform het Participatieplan
                            gemeente Vlagtwedde 2012-2013.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 11 Kwijtschelding na aanvaarden regulier werk</titel></kop><structuurtekst><al>Naast kwijtschelding wegens schuldenproblematiek is het ook mogelijk om
                            op andere gronden een schuld kwijt te schelden. Bij het succesvol
                            afronden van een re-integratie traject waarbij de belanghebbende
                            minimaal een jaar duurzaam bijstandsonafhankelijk wordt kan maximaal 50%
                            van de oorspronkelijke vordering worden kwijtgescholden met een maximum
                            van € 1.000,00. Het moet daarbij wel gaan om een niet verwijtbare
                            vordering zoals genoemd in artikel 9 sub c. Dit kan fungeren als prikkel
                            tot het aanvaarden van betaalde arbeid of het deelnemen aan scholing en
                            sociale activering.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 12 Kwijtschelding van fraudevorderingen</titel></kop><structuurtekst><al>Indien het duidelijk is dat de reguliere wijze van invordering minder
                            oplevert dan een afkoop van 75% ineens kan het college besluiten tot het
                            kwijtschelden van de restant fraudevordering. In bijzondere individuele
                            situaties kan het college besluiten om dit percentage te verlagen. Dit
                            mag echter nooit meer zijn 50% van de oorspronkelijke vordering. Dit zou
                            in uitzonderlijke situaties voor kunnen komen, bijvoorbeeld als er
                            gedurende meerdere jaren geen inkomen bekend is, beslaglegging daarom
                            niet mogelijk is en debiteur zelf met een voorstel tot afkoop komt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikelen 13 en 14 behoeven verder geen toelichting.</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 15 Bepaling van de hoogte van de
                            betalingsverplichting</titel></kop><structuurtekst><al>In beginsel moet worden uitgegaan van betaling ineens van de volledige
                            vordering. Echter de praktijk leert dat dit vaak niet realistisch is.
                            Indien betaling ineens niet realistisch is gezien de draagkracht van
                            belanghebbende dient er een betalingsregeling te worden getroffen die er
                            in voorziet dat de vordering in één jaar wordt afgelost. Is de vordering
                            dusdanig hoog en de draagkracht niet toereikend om dit in één jaar af te
                            lossen dan kan een langere betalingsregeling worden afgesproken. Indien
                            er sprake is van een verwijtbare vordering dient in beginsel te worden
                            uitgegaan van aflossing van het volledige meerdere inkomen boven de voor
                            belanghebbende geldende beslagvrije voet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikelen 16 en 17 behoeven verder geen toelichting.</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 18 Volgorde aflossing</titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente vordert de oudste vordering als eerste in om verjaring te
                            voorkomen. Indien een belanghebbende een schriftelijk verzoek indient om
                            af te lossen op een jongere vordering dan neemt de gemeente dit verzoek
                            in overweging.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 19 Procedure bij niet nakoming van de
                            betalingsverplichting</titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente maakt gebruik van de mogelijkheid om kosten in rekening te
                            brengen voor het verzenden van een aanmaning (conform artikel 4:113 Awb)
                            indien belanghebbende niet aan de betalingverplichting voldoet. De reden
                            hiervoor is om belanghebbende hierdoor een stok achter de deur heeft om
                            tijdig tot betaling over te gaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikelen 20 en 21 behoeven verder geen toelichting.</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 22 Invorderingskosten en wettelijke rente</titel></kop><structuurtekst><al>Indien de debiteur nalatig is in de betaling en er over wordt gegaan tot
                            het leggen van beslag op het inkomen dan zullen invorderingkosten in
                            rekening worden gebracht. Dit ook als stok achter de deur om de debiteur
                            tijdig te laten betalen. Indien kan worden overgegaan tot verrekening
                            met de uitkering dan wordt afgezien van invorderingkosten, dit met name
                            omdat de hiermee gepaard gaande kosten lager zijn. Indien belanghebbende
                            nalatig is in de betaling en er wordt overgegaan tot beslaglegging dan
                            zal wettelijke rente in rekening worden gebracht met ingang van de datum
                            waarop de betalingstermijn is verstreken. Indien de vordering niet
                            zelfstandig kan worden geïnd en in handen wordt gelegd van een
                            deurwaarder dan zullen alle hiermee gepaard gaande kosten worden
                            verhaald op de debiteur.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 23 Procedure invordering door deurwaarder</titel></kop><structuurtekst><al>Indien het na een periode van 24 maanden niet is gelukt om zelfstandig
                            een vordering te innen en het ook niet de verwachting is dat dit in de
                            toekomst wel zal lukken kan besloten worden de vordering in handen te
                            leggen van een deurwaarder.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 24 Buiteninvordering stellen van de vordering wegens
                            oninbaarheid</titel></kop><structuurtekst><al>Indien vijf jaar na ontstaansdatum van de vordering alle
                            incassomogelijkheden zijn aangesproken maar dit niet geleid heeft tot
                            betaling kan worden overgegaan tot buiteninvordering.. De afweging voor
                            buiten invordering stelling dient gemaakt te worden op basis van de
                            verwachtingen de vordering in de toekomst te kunnen innen. Indien de
                            kans bijna nihil is kan worden overgegaan tot afboeking van de
                            vordering. Te denken valt aan situaties waarin de debiteur woonachtig is
                            in het buitenland en debiteuren waarvan geen verblijfadres bekend is.
                            Voor debiteuren waarvan bekend is dat men in het buitenland verblijft
                            dient het Internationaal Bureau Fraude Informatie verzocht te worden om
                            uit te zoeken of er sprake is van inkomen en/of vermogen in dat land.
                            Indien daar sprake van is kan overwogen worden een incassoprocedure te
                            starten in het buitenland.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 25 Brutering van de vordering</titel></kop><structuurtekst><al>In de Wwb is het bruteren van de vordering, over het algemeen aan het
                            einde van het kalenderjaar, als bevoegdheid geformuleerd (artikel 58 lid
                            4). De gemeente zal alle vorderingen die niet binnen het kalenderjaar
                            worden terugbetaald bruteren De reden hiervoor is dat de gemeente deze
                            belasting, premies en vergoeding niet kan verrekenen met de door het
                            college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en
                            vergoeding. Een uitzondering wordt gemaakt voor vorderingen waarvan
                            belanghebbende niet tijdig op de hoogte wordt gesteld de netto vordering
                            voor 1 januari van het volgende jaar te betalen. Dit zijn netto
                            vorderingen die in de maand december kenbaar worden gemaakt. Indien deze
                            vorderingen wel binnen de betalingstermijn van 6 weken worden voldaan
                            maar de aflossing plaatsvindt in het nieuwe jaar dan zal worden afgezien
                            van brutering. Indien na 6 weken niet aan de betalingsverplichting wordt
                            voldaan zal alsnog de vordering worden gebruteerd. Indien elke
                            verwijtbaarheid ontbreekt dan zal worden afgezien van brutering.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 26 Saldobiljet</titel></kop><structuurtekst><al>Om belanghebbende jaarlijks op de hoogte te stellen van mutaties van de
                            vordering, zal aan de debiteur in de eerste maanden van het nieuwe jaar
                            over het voorgaande jaar een overzicht worden gestuurd waarin alle
                            mutaties, ontvangsten, het actuele saldo e.d. van de vordering zijn
                            vermeld, het saldobiljet.</al><al>Het saldobiljet heeft een stuitende werking, hiermee wordt voorkomen dat
                            de vordering verjaard en de vordering teniet gaat.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 9 BELEIDSREGELS VERHAAL WET WERK EN BIJSTAND</titel></kop><structuurtekst><al>De wet werk en bijstand (Wwb) is per 1 januari 2004 in werking getreden.
                            Het verhalen van kosten van bijstand is sinds de invoering van de Wwb
                            een bevoegdheid geworden waarvan het College van B &amp; W van
                            Vlagtwedde gebruik maakt. Met ingang van 1 januari 2012 is de Wwb
                            gewijzigd en is de Wet investeren in Jongeren (WIJ) komen te vervallen.
                            De WIJ is onderdeel geworden van de Wwb. Het beleid ten aanzien van
                            verhaal van kosten van bijstand is opgenomen in deze gewijzigde
                            beleidsregels. In de Wwb is verhaal van bijstand opgenomen in de
                            artikelen 61 en 62 Wwb en de artikelen 4:81 en 4:84 van de Algemene wet
                            Bestuursrecht (Awb). De wet geeft de uiterste grens aan. Het college kan
                            binnen die grens zelf bepalen wanneer wordt verhaald. In de onderstaande
                            beleidsregels zijn de rechten en plichten van de burgers
                            weergegeven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 1 Verhaal van uitkering</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot het
                            verhalen van kosten van uitkering (bijstand):</al><lijst><li nr="a."><al>tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van
                                    de het Burgerlijk Wetboek: op degene die bij het ontbreken van
                                    gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of
                                    minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het
                                    minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders
                                    niet of niet behoorlijk nakomt;</al></li><li nr="b."><al>tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van
                                    de het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht
                                    na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van
                                    tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;</al></li><li nr="c."><al>tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van
                                    de het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht
                                    op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
                                    niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan
                                    wie bijzondere uitkering is verleend;</al></li><li nr="d."><al>op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft
                                    ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit
                                    op de uitkeringsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou
                                    zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden,
                                    tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de
                                    schen-ker ten tijde van de schenking de noodzaak van
                                    uitkeringsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen
                                    voorzien</al></li><li nr="e."><al>op de nalatenschap van de persoon indien: </al><lijst><li nr="1°"><al>aan die persoon ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                            bijstand is verleend of anderszins onverschuldigd is
                                            betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs
                                            had kunnen begrijpen en voor zover voor het overlijden
                                            nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="2°"><al>bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als
                                            gevolg van borgtocht.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>behoudens in de gevallen als bedoeld in onderdeel e, ten tweede,
                                    worden kosten van de uitkering die meer dan vijf jaar vóór de
                                    datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt,
                                    niet verhaald.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 2 Limitering</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Beperking van toepassing van verhaal geschiedt op 2 gronden</al><lijst><li nr="1."><al>Op grond van de verhaalsnovelle is aansluiting gevonden bij de
                                    Wet limitering die bepaalt dat de onderhoudsverplichting ten
                                    behoeve van de ex-echtgenoot, beperkt is tot 12 jaar te rekenen
                                    vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de
                                    registers van de burgerlijke stand.</al></li><li nr="2."><al>Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf
                                    jaren en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren, eindigt de
                                    verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het
                                    verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het
                                    huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de
                                    echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 3 Geheel of gedeeltelijk afzien van een
                                verhaalsbesluit</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het invorderen van een
                            verhaalsbesluit indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 45 per maand</al></li><li nr="b."><al>daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal
                                    wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft
                                    ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 4 Kwijtschelding wegens
                                schuldenproblematiek</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>In afwijking van beleidsregel 1 kunnen burgemeester en wethouders, op
                            verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten gedeeltelijk af te
                            zien van verhaal van kosten van de uitkering voor zover het betreft
                            verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit
                            opeisbaar zijn, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald
                                    niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn
                                    schulden;</al></li><li nr="b."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met
                                    betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers
                                    zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen. De
                                    schuldenregeling moet tot stand worden gebracht door een erkend
                                    schuldhulpverleningbureau. Het verzoek tot kwijtschelding moet
                                    namens de onderhoudsplichtige door dit bureau worden
                                    gedaan;</al></li><li nr="c."><al>de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten
                                    minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen
                                    van de schuldeisers van gelijke rang.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 5 Inwerkingtreding van het besluit tot afzien
                                van verhaal wegens schuldenproblematiek</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in
                            werking voordat een schuldregeling als bedoeld in beleidsregel 4 onder
                            b. tot stand is gekomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 6 Intrekking van het besluit tot afzien van
                                verhaal wegens schuldenproblematiek</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of
                            ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt,
                                    een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen
                                    bedoeld in de beleidsregel 4 genoemde voorwaarden a, b en
                                    c;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet
                                    overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of</al></li><li nr="c."><al>onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander
                                    besluit zou hebben geleid.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 7 Ambtshalve
                            kwijtschelding</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan in onderstaande situaties besluiten ambtshalve
                            kwijtschelding te verlenen van een door de rechtbank bekrachtigde
                            vordering aan onderhoudsbijdrage:</al><lijst><li nr="a."><al>De belanghebbende heeft gedurende vijf jaar geen betalingen
                                    verricht en het is niet aannemelijk dat er op enig moment in de
                                    toekomst betaald zal worden;</al></li><li nr="b."><al>Ingestelde incassomaatregelen hebben gedurende vijf jaar niet
                                    geleid tot het ontvangen van aflossingen, en het is niet
                                    aannemelijk dat incasso op enig moment in de toekomst wel tot
                                    ontvangsten zal leiden;</al></li><li nr="c."><al>Bij een onderzoek naar de aflossingscapaciteit blijkt dat er op
                                    dat moment geen aflossingscapaciteit is én dat het niet
                                    aannemelijk is dat er op enig moment in de toekomst wel een
                                    aflossing kan worden gevraagd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 8 Beoordeling
                            onderhoudsplicht</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De bijdrage wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>vastgesteld aan de hand van de Trema-normen en op basis van de
                                    gegevens betreffende de inkomsten en uitgaven;</al></li><li nr="b."><al>ambtshalve vastgesteld op de netto uitkering indien de
                                    onderhoudsplichtige verzuimt gegevens te verstrekken betreffende
                                    inkomsten en uitgaven.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 9 Verhaal op grond van een rechterlijke
                                uitspraak</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud
                            verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar
                            is, niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze
                            uitspraak.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 10 Wijziging door de rechter vastgestelde
                                onderhoudsbijdrage</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente verzoekt de rechter het verhaalsbedrag in afwijking van een
                            rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd
                            krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen, indien de
                            rechter:</al><lijst><li nr="a."><al>deze uitspraak zou kunnen wijzigen op de gronden genoemd in de
                                    artikelen 157 en 401 van dat boek;</al></li><li nr="b."><al>geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken
                                    beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden
                                    betreffende beide partijen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 11 Het verhaalsbesluit</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Een besluit tot verhaal op grond van beleidsregel 1 wordt door het
                            college aan degene op wie verhaal wordt gezocht medegedeeld. Het besluit
                            vermeldt de ingangsdatum, het bedrag of de bedragen waarvan, evenals de
                            termijn of termijnen waarbinnen, betaling wordt verlangd. Bij verhaal op
                            de nalatenschap kan de mededeling worden gericht tot de langstlevende
                            echtgenoot of een der erfgenamen die geacht kan worden bij de
                            afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 12 Verhaal in rechte</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>Indien de belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is de
                                    verlangde gelden aan de gemeente te betalen dan wel niet of niet
                                    tijdig tot betaling daarvan overgaat, besluiten burgemeester en
                                    wethouders tot verhaal in rechte.</al></li><li nr="b."><al>Burgemeester en wethouders zien af van verhaal in rechte indien
                                    het te verhalen bedrag een bedrag van € 540,00 niet te boven
                                    gaat.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Heronderzoek</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 13 Onderzoek naar
                            draagkracht</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Tenminste één keer per 24 maanden of, indien nodig eerder verrichten
                            burgemeester en wethouders onderzoek naar de draagkracht voor het
                            voldoen van een verhaalsbijdrage. Indien gewijzigde omstandigheden
                            daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de
                            betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.</al><al>Er wordt niet overgegaan tot het gewijzigd vaststellen van een
                            betalingsverplichting indien de draagkracht niet meer blijkt te zijn
                            vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek dan met € € 45,00 per
                            maand of blijkt te zijn verminderd met niet meer dan een bedrag van
                            minimaal € €5,00 per maand.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Invordering</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 14 Vereenvoudigd
                            derdenbeslag</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Indien de belanghebbende niet bereid blijkt de door de rechter
                            vastgestelde bijdrage voor levensonderhoud of de op verzoek van de
                            gemeente vastgestelde bijdrage te voldoen dan wordt die uitspraak
                            tenuitvoergelegd door middel van executoriaal beslag overeenkomstig de
                            artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het
                            Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Indien de belanghebbende in het
                            buitenland woont, en weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek
                            naar de vaststelling van de draagkracht wordt eveneens executoriaal
                            beslag gelegd. In het buitenland geld de beslagvrijevoet niet. Om ervoor
                            te zorgdragen dat de persoon wel met het inkomen in zijn/haar
                            levensonderhoud kan blijven voorzien leggen B&amp;W beslag op het
                            inkomen, maar niet tot 90% van de beslagvrijevoet zoals in Nederland,
                            maar tot 80%.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 15 Preferentie</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Vorderingen op grond van de Wwb zijn preferent. Bij de invordering heeft
                            dat tot gevolg dat de aanwezige betalingsruimte voor concurrente
                            vorderingen wordt ingenomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Overige bepalingen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 16 Kosten</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging als
                            bedoeld in artikel 61 Wwb, dan wordt de vordering verhoogd met
                            invorderingkosten.</al><lijst><li nr="a."><al>de invorderingskosten bedragen 10% van de hoofdsom en wordt in
                                    rekening gebracht vanaf het moment dat er wordt overgegaan tot
                                    beslaglegging. Indien interne verrekening plaats kan vinden
                                    wordt afgezien van het in rekening brengen van
                                    invorderingskosten. Het bedrag aan invorderingskosten bedraagt
                                    minimaal € 50,00 en heeft een maximum van € 500,00.</al></li><li nr="b."><al>het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid om wettelijke
                                    rente in rekening te brengen (artikel 4:98 Awb).</al></li><li nr="c."><al>indien de vordering wordt overgedragen aan een derde (b.v.
                                    deurwaarder) dan zullen de kosten die door deze derde met de
                                    invordering verband houden verhaald worden op belanghebbende.
                                    Dit komt dan bovenop de invorderingskosten die het college in
                                    rekening brengt.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 17 Aflossing achterstand verschuldigde
                                verhaalsbijdrage</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>Voor de berekening van de aflossingscapaciteit van een
                                    onderhoudsplichtige wordt gebruik gemaakt van de
                                    berekeningsmethode voor aflossingsbedragen bij terugvordering
                                    van bijstandsuitkeringen.</al></li><li nr="b."><al>Indien de aflossing binnen 1 jaar kan plaatsvinden zal een
                                    berekening van de aflossingscapaciteit achterwege blijven.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Artikel 18 Indexering
                            verhaalsbijdrage</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>De bij rechterlijke uitspraak vastgestelde verhaalsbijdrage
                                    wordt jaarlijks met ingang van 1 januari van rechtswege
                                    gewijzigd met op grond van artikel 402a BW vast te stellen
                                    percentage.</al></li><li nr="b."><al>De toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de
                                    wijziging van rechtswege bij rechterlijke uitspraak is
                                    uitgesloten.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting op de artikelen die een toelichting behoeven</titel></kop><structuurtekst><al>Toelichting algemeen</al><al>Het betreft hier beleidsregels om vast te stellen dat de gemeente
                            gebruik maakt van de in de wet genoemde mogelijkheid kosten van de
                            bijstand te verhalen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 1 Verhaal van bijstand</titel></kop><structuurtekst><al>Onder a. en b. worden de verhaalsmogelijkheden op de (ex)echtgenoot (en
                            daarmee gelijkgesteld de geregistreerd partner) bedoeld t.a.v. zijn
                            onderhoudsplicht jegens zijn (ex) echtgenoot en/of minderjarige
                            kinderen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 2 Limitering</titel></kop><structuurtekst><al>Hierbij wordt benadrukt dat de uitkering uitsluitend wordt verhaald in
                            de in beleidsregel 1 vastgelegde gevallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 3 Afzien van een verhaalsbesluit</titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van een eerdere circulaire (Uitvoeringsaspecten van de nieuwe
                            verhaalswetgeving, SZW 30 september 1992) kan een kruimelbedrag worden
                            gehanteerd. Aanleiding kan bestaan de in die circulaire genoemde
                            bedragen, gegeven de bevoegdheid verhaal toe te passen, opnieuw en
                            logisch te normeren. Verwezen wordt ook naar de voorbeeldbedragen
                            genoemd in beleidsregel 13.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 8 Beoordeling onderhoudsplicht</titel></kop><structuurtekst><al>Het betreft hier de uitvoering van de zogeheten trema-normen. Dit zijn
                            de normen die door de rechtbank worden gehanteerd bij de vaststelling
                            van de alimentatie die voorzien in zowel een zgn. netto- als een
                            brutoberekening.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 13 Onderzoek naar draagkracht</titel></kop><structuurtekst><al>Het hier genoemde bedrag kan worden herleid uit de onder de toelichting
                            bij beleidsregel 3 genoemde bedrag van € 45,- per maand. Op grond van
                            praktische redenen wordt voorgesteld een beperkter bedrag op te nemen
                            bij verlaging van de draagkracht. Op verzoek van belanghebbende bestaat
                            de mogelijkheid om herziening te vragen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 18 Aflossing achterstand verschuldigde
                            verhaalsbijdrage</titel></kop><structuurtekst><al>Voor het berekenen van de aflossingscapaciteit wordt verwezen naar de
                            beleidsregels terugvordering. Berekening van de draagkracht van een
                            onderhoudsplichtige geschiedt aan de hand van de TREMA normen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Artikel 43 Indexering</titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek worden bedragen
                            voor levensonderhoud jaarlijks per 1 januari van rechtswege geïndexeerd,
                            voor zover het door de rechter vastgestelde bedragen zijn dan wel
                            bedragen die partijen bij overeenkomst hebben vastgelegd, tenzij door de
                            rechter anders is bepaald of bij overeenkomst anders is vastgelegd
                            (artikel 1:402a BW). De Minister van Veiligheid en Justitie stelt het
                            indexeringspercentage jaarlijks vast.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 10 MINIMABELEID</titel></kop><structuurtekst><al>Het minimabeleid is uitgewerkt in het Participatieplan 2012-2013 Wet
                            werk en bijstand.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 11 SAMENVATTING, DOELSTELLINGEN EN BESLISPUNTEN</titel></kop><structuurtekst><al>In dit hoofdstuk wordt een korte samenvatting gegeven van de beschreven
                            beleidsontwikkeling in dit beleidsplan. De doelstellingen zijn bondig op
                            een rij gezet en tot slot een opsomming van de beslispunten die
                            voortvloeien uit dit beleidsplan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Samenvatting</titel></kop><structuurtekst><al>Dit beleidsplan is vooral gericht op het laten participeren van alle
                            burgers aan onze maatschappij. De Wet maatschappelijke ontwikkeling
                            (Wmo) herbergt eenzelfde doelstelling in zich. Op die manier komen de
                            Wmo en Wwb samen en wordt synergievoordeel behaald. De gemeente is op
                            grond van de Wet werk en bijstand (Wwb), Inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw),
                            Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen (Ioaz), de Wet inburgering (Wi) en de Wet sociale
                            werkvoorziening (Wsw), verantwoordelijk voor de uitvoering van deze
                            wetten (‘de wet’). De wet biedt aan de gemeente Vlagtwedde de ruimte om
                            eigen beleid te vormen. De gemeenteraad heeft in verschillende
                            verordeningen de kaders vastgelegd. Het college van burgemeester en
                            wethouders heeft nadere beleidsregels vastgelegd in dit beleidsplan
                            2012-2013 Sociale Zaken om voor een adequate uitvoering van de wet en de
                            verordeningen zorg te kunnen dragen. Dit beleidsplan treedt in werking
                            per 1 juli 2012, is geldig tot het moment dat een nieuw beleidsplan
                            wordt vastgesteld en vormt een leidraad voor alle medewerkers van de
                            afdeling Samenleving belast met de dagelijkse uitvoering.</al><al>De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen van het beleidsplan 2012-2013
                            ten opzichte van 2011 zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Geactualiseerd aan de huidige wet en regelgeving</al></li><li nr=""><al>De Wet investeren in jongeren (WIJ) is per 1-1-2012 afgeschaft
                                    en verwerkt in het beleidsplan.</al></li><li nr="-"><al>Re-integratie</al></li><li nr=""><al>Door de ervaringen van alle dag wordt het re-integratiebeleid
                                    continue op kleine punten bijgesteld om zo optimaal mogelijk te
                                    kunnen re-integreren. De lijn die vanaf 2004 is ingezet geldt nu
                                    nog en werkt in 2012 en 2013 door: re-integratie zelf uitvoeren,
                                    snelheid, intensief, werkgeversbenadering, werknemersbenadering,
                                    streng en rechtvaardig handhaven, etc.</al></li><li nr="-"><al>Ambitie voor 2012-2013 is het aantal bijstandsgerechtigden terug
                                    te brengen naar 130 én de werkloosheid in z’n geheel aan te
                                    pakken door ook werkzoekenden uit Vlagtwedde die geen
                                    bijstandsuitkering hebben te re-integreren naar
                                    (betaald)werk.</al></li><li nr="-"><al>Plicht tot tegenprestatie en gesubsidieerde arbeid</al></li><li nr=""><al>Hoofdstuk 3 was in het vorige beleidsplan gewijd aan
                                    gesubsidieerde arbeid. Door grote bezuinigingen van het Rijk op
                                    het Werkdeel is er weinig tot geen budget meer beschikbaar voor
                                    gesubsidieerde arbeid. Om die reden zal gesubsidieerd arbeid
                                    zeer spaarzaam worden ingezet. Per 1-1-2012 is wel de plicht tot
                                    het leveren van een tegenprestatie opgenomen in de wet. Om die
                                    reden zijn de beleidsregels omtrent de plicht tot het leveren
                                    van een tegenprestatie opgenomen in hoofdstuk 3 van het
                                    beleidsplan Sociale Zaken 2012-2013.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> Doelstellingen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1)"><al>Het terugbrengen van het aantal uitkeringen van 141 naar 130
                                    uitkeringen eind 2013;</al></li><li nr="2)"><al>Het realiseren van de taakstelling Wsw;</al></li><li nr="3)"><al>Het realiseren van de taakstelling huisvesting van
                                    statushouders.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beslispunten</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1)"><al>Werk is dé manier om mensen te laten participeren;</al></li><li nr="2)"><al>De ‘1-2-3-Methode’ wordt in 2012 en 2013 verder voortgezet en
                                    verfijnd waar nodig;</al></li><li nr="3)"><al>Werken met behoud van uitkering is een belangrijk onderdeel om
                                    te re-integreren;</al></li><li nr="4)"><al>Het beleidsplan Sociale Zaken 2012-2013 uitvoeren met de
                                    middelen die in de reguliere begroting van de gemeente
                                    Vlagtwedde daarvoor zijn opgenomen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><onderstreept>Financiën:</onderstreept></titel></kop><structuurtekst><al>Voor de uitvoering van het beleidsplan 2012-2013 Sociale Zaken zijn in
                            de reguliere begroting van de gemeente Vlagtwedde de volgende middelen
                            beschikbaar:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Omschrijving</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestemming</al></entry><entry colname="col3"><al>Beschikbaar</al></entry><entry colname="col4"><al>Benodigd</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>Werkdeel</al></entry><entry colname="col2"><al>Re-integratie</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 400.000</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 400.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkdeel</al></entry><entry colname="col2"><al>Loonkostensubsidies</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 0</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkdeel</al></entry><entry colname="col2"><al>Innovatieve projecten</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 0</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 400.000</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 400.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Reguliere begroting</al></entry><entry colname="col2"><al>Kosten die buiten het werkdeel vallen</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 10.000</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 10.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensdeel</al></entry><entry colname="col2"><al>Uitkeringslasten</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.600.000</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.600.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het werkdeel en inkomensdeel zijn doeluitkeringen van het rijk.
                            Overschotten van het Werkdeel dienen te worden terugbetaald. Voor de
                            uitvoering van het beleidsplan 2012-2013 Sociale Zaken zijn alle te
                            ontvangen doeluitkeringen en benodigde middelen reeds opgenomen in de
                            reguliere begroting. Naast de middelen die al in de begroting staan
                            opgenomen, zijn geen extra middelen nodig.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>BIJLAGE 1 VERZUIMPROTOCOL WWB/IOAW/IOAZ GEMEENTE VLAGTWEDDE</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Wat dient u te doen als u niet aan uw traject, afspraakof werk kunt
                            deelnemen?</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Verlof</titel></kop><structuurtekst><al>Het opnemen van verlof dient u ruim van te voren via www.ons-werk.nl
                            digitaal aan te vragen bij uw werkcoach. Deze zal uw verlofaanvraag
                            beoordelen. Pas na goedkeuring kunt u het verlof opnemen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Verhinderd op de dag van de afspraak?</titel></kop><structuurtekst><al>Indien u niet in de gelegenheid bent om op uw afspraak te komen, aan uw
                            traject deel te nemen of aan het werk te gaan, meldt u zich
                            (telefonisch) uiterlijk 15 minuten vóór aanvang van uw
                            werkzaamheden/afspraak, of direct zodra u verwacht dat u niet op een
                            afspraak kunt komen, met redenen omkleed bij:</al><lijst><li nr="•"><al>Degene bij wie u in het kader van uw re-integratietraject
                                    activiteiten uitvoert of een gesprek heeft; én</al></li><li nr="•"><al>de werkcoach van de gemeente Vlagtwedde.</al></li></lijst><al>Van u wordt verwacht dat u zelf contact opneemt en niet door een derde.
                            Het melden van uw afwezigheid bij de telefoniste van de gemeente is niet
                            voldoende. Bij afwezigheid van de werkcoach dient u op een later
                            tijdstip of zo vaak als nodig contact te zoeken, totdat u de werkcoach
                            persoonlijk hebt bereikt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Wat dient u te doen als u door ziekte niet aan uw traject of werk
                            kunt deelnemen?</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Ziekmelding</titel></kop><structuurtekst><al>Bij ziekte meldt u zich (telefonisch) uiterlijk 15 minuten vóór aanvang
                            van uw werkzaamheden, of direct zodra u verwacht dat u door ziekte niet
                            op een afspraak kunt komen, of direct als u gedurende de dag ziek wordt,
                            ziek bij:</al><lijst><li nr="•"><al>Degene bij wie u in het kader van uw re-integratietraject
                                    activiteiten uitvoert of een gesprek heeft; én</al></li><li nr="•"><al>uw werkcoach.</al></li></lijst><al>Van u wordt verwacht dat u zich zelf ziek meldt, tenzij de situatie zo
                            ernstig is dat u echt niet in staat bent om zelf te bellen.</al><al>Bij de ziekmelding geeft u bovendien de volgende informatie aan de
                            werkcoach:</al><lijst><li nr="•"><al>de beperkingen die u heeft bij het verrichten van de
                                    trajectactiviteiten;</al></li><li nr="•"><al>de mogelijkheden die u ziet voor een aangepast of ander
                                    traject;</al></li><li nr="•"><al>de vermoedelijke duur van het ziekteverzuim;</al></li><li nr="•"><al>het verblijf- of verpleegadres, als dat anders is dan uw
                                    huisadres.</al></li></lijst><al>U bent niet verplicht om de werkcoach informatie te geven over aard en
                            ernst van de ziekte.</al><al>De werkcoach meldt u direct aan bij de Arbo-dienst. De Arbo-dienst kan u
                            bellen, bezoeken en/of oproepen voor spreekuur om u te begeleiden
                            gedurende de ziekteverzuimperiode. U bent verplicht om hier medewerking
                            aan te verlenen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bereikbaarheid</titel></kop><structuurtekst><al>Gedurende de periode van uw ziekteverzuim moet u van 8.00 uur tot 17.00
                            uur thuis aanwezig zijn en waar mogelijk telefonisch bereikbaar zijn. In
                            deze periode kan – soms onaangekondigd – contact met u worden gezocht
                            door de werkcoach en/of arbo medewerkers (bedrijfsarts,
                            verzuimconsulent, administratief ondersteunend personeel). Dit contact
                            kan bestaan uit een telefoongesprek maar ook uit een bezoek aan uw huis-
                            of verpleegadres. Indien het verpleegadres afwijkt van uw huisadres
                            dient u dit van te voren door te geven aan uw werkcoach.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Spreekuur bedrijfsarts</titel></kop><structuurtekst><al>Uiterlijk drie weken na uw ziekmelding wordt u uitgenodigd voor het
                            spreekuur van de bedrijfsarts. U bent verplicht gehoor te geven aan deze
                            oproep. Bent u verhinderd, dan laat u dit uiterlijk 48 uur vóór de
                            afspraak weten aan de werkcoach. Ook vertelt u waarom u niet kunt komen.
                            Als u later afzegt dan 48 uur voor de afspraak, dan kan de gemeente de
                            kosten van de bedrijfsarts aan u doorberekenen.</al><al>De bedrijfsarts beoordeelt uw arbeids(on)geschiktheid en geeft een
                            advies over uw mogelijkheden om op een verantwoorde wijze weer aan uw
                            traject deel te nemen</al><al>Voor de beoordeling van uw arbeids(on)geschiktheid is het van belang dat
                            de bedrijfsarts beschikt over zoveel mogelijk (medisch relevante)
                            informatie. Van u wordt dan ook verwacht dat u medisch onderzoek
                            toestaat en dat u toestemming verleent voor het inwinnen van medische
                            informatie bij uw behandelaars. Al deze informatie valt onder het
                            medisch geheim. Dat betekent dat de bedrijfsarts deze informatie niet
                            aan de werkgever of aan de werkcoach doorgeeft.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Second opinion</titel></kop><structuurtekst><al>Als u het niet eens bent met de medische beoordeling of de
                            werkhervattingadviezen van de bedrijfsarts, dan kunt u zelf op eigen
                            kosten een zogeheten ‘second opinion’ uit laten voren. Het oordeel van
                            deze deskundige weegt weliswaar zwaar bij de belangenafweging in een
                            eventuele bezwaarprocedure, maar is niet bindend.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Raadpleeg uw (huis)arts</titel></kop><structuurtekst><al>Bij ziekte moet u binnen een redelijke termijn naar uw (huis)arts gaan
                            (uiterlijk na 1 week ziekte) en zijn voorschriften opvolgen. Uw
                            (huis)arts behandelt u en begeleidt u bij uw ziekte en klachten, maar
                            beoordeelt niet uw arbeids(on)geschiktheid en geeft u geen adviezen over
                            de hervatting van uw traject.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Belemmer uw genezing niet</titel></kop><structuurtekst><al>Vermijd elk gedrag dat uw genezing denbelemmert, dan wel een (medische)
                            behandeling of begeleiding onnodig verlengt. Van u wordt verwacht dat u
                            medewerking verleent aan iedere begeleiding die gericht is op een zo
                            spoedig mogelijke werkhervatting.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vakantie</titel></kop><structuurtekst><al>Tijdens uw ziekteverzuimperiode kunt u op vakantie gaan als:</al><lijst><li nr="•"><al>het uw genezing niet belemmert,én;</al></li><li nr="•"><al>het een (medische) behandeling of begeleiding niet onnodig
                                    verlengt,én;</al></li><li nr="•"><al>u toestemming krijgt van de werkcoach.</al></li></lijst><al>Zo nodig wordt de bedrijfsarts om een medisch oordeel gevraagd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Veranderingen doorgeven</titel></kop><structuurtekst><al>U dient alle informatie door te geven wat van invloed kan zijn op de
                            arbeids(on)geschiktheids-beoordeling. In ieder geval brengt u de
                            werkcoach op de hoogte als:</al><lijst><li nr="•"><al>uw gezondheidstoestand verandert en/of;</al></li><li nr="•"><al>u wordt opgenomen in of ontslagen uit een inrichting voor
                                    verpleging of verzorging en/of;</al></li><li nr="•"><al>u weer beter bent.</al></li></lijst><al>Betermelden</al><al>U dient zich op de dag dat u weer beter bent, dit te melden bij:</al><lijst><li nr="•"><al>Degene bij wie u in het kader van uw re-integratietraject
                                    activiteiten uitvoert; én</al></li><li nr="•"><al>uw werkcoach.</al></li></lijst><al>Wanneer u op het spreekuur bent geweest bij de bedrijfsarts en hij geeft
                            aan dat er geen medische belemmeringen zijn om uw traject te hervatten,
                            dient u dit door te geven aan uw werkcoach. Verder dient u uw traject te
                            hervatten.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>BIJLAGE 2 HUISREGELS WWB/IOAW/IOAZ GEMEENTE VLAGTWEDDE</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="-"><al>Wanneer u niet aanwezig kan zijn bij de training, om wat voor
                                    reden dan ook, dient u ruim van te voren aan te geven bij de
                                    gemeente. Bij ziekte dient u zich in elk geval af te melden vóór
                                    09.00 uur en conform het verzuimprotocol in bijlage 1.</al></li><li nr="-"><al>U hebt recht op vakantie- c.q. verlofdagen, per ingezet uur
                                    bouwt u 6 minuten verlof op. Bij een inzet van 40 uur per week
                                    bouwt u per maand 2 dagen verlof op (24 verlofdagen per jaar).
                                    Voor het opnemen van deze dagen dient u dit ruim van te voren
                                    digitaal aan te vragen bij de gemeente via www.ons-werk.nl.</al></li><li nr="-"><al>Het nuttigen van ontbijt, tussendoortjes of lunch dient u niet
                                    achter het bureau te doen.</al></li><li nr="-"><al>Geen drinken bij de apparaten neerzetten of op uw bureau,
                                    behalve afsluitbare drinkflessen.</al></li><li nr="-"><al>Houd rekening met de andere deelnemers, praat niet te hard en
                                    zorg er voor dat uw gedrag andere mensen niet stoort.</al></li><li nr="-"><al>Bellen met uw mobiel kan uitsluitend in de wachtruimte.</al></li><li nr="-"><al>In de oefenruimte mag niet gerookt worden, dit gebeurt
                                    uitsluitend buiten ver genoeg weg van de ingang van het
                                    gemeentehuis. </al></li><li nr="-"><al>Rookpauzes worden in overleg met de werkcoach bepaald.</al></li><li nr="-"><al>Breng gebruikte materialen terug, op de plaats waar ze thuis
                                    horen.</al></li><li nr="-"><al>Houd de ruimte schoon, dat is voor u en anderen prettig!</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Computer- en internetgebruik</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="-"><al>De computer is ervoor om u te ondersteunen bij het verkrijgen
                                    van werk. Gebruik de computer daarom voor het doel waarvoor deze
                                    is bestemd.</al></li><li nr="-"><al>Het is niet toegestaan op de pc’s andere dan de door de gemeente
                                    beschikbaar gestelde software te gebruiken. Indien noodzakelijk,
                                    dient u dit te overleggen met de gemeente.</al></li><li nr="-"><al>Het is niet toegestaan om pornosites, datingsites of chatsites
                                    te bezoeken. Gebruik van Internet voor andere doeleinden dan
                                    sollicitaties of testen worden niet toegestaan.</al></li><li nr="-"><al>Bij gebruik van een zoekmachine mogen alleen normale
                                    woorden</al></li><li nr="-"><al>(zoektermen) worden gebruikt. Woorden die te maken hebben met
                                    grof</al></li><li nr="-"><al>woordgebruik, racisme, discriminatie, seks of geweld mogen niet
                                    worden gebruikt.</al></li><li nr="-"><al>Alle sites die worden bezocht worden geregistreerd.</al></li><li nr="-"><al>Het downloaden van bestanden is alleen toegestaan met
                                    toestemming van de gemeente.</al></li><li nr="-"><al>Printen is alleen toegestaan met toestemming van de
                                    gemeente.</al></li><li nr="-"><al>Het veranderen van instellingen of screensavers is alleen
                                    toegestaan met toestemming van de gemeente.</al></li><li nr="-"><al>De trainer c.q. casemanager treedt op als vertegenwoordiger van
                                    de gemeente.</al></li></lijst><al>Bij voorbaat dank dat u bovengenoemde huisregels toepast. BELANGRIJK:
                            het niet aan de benoemde huisregels houden kan consequenties hebben voor
                            de uitkering.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>