<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR101121_14</dcterms:identifier><dcterms:title>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-02-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.brabant.nl/loket/provinciale-bladen/download.aspx?qvi=57707">Provinciaal Blad, 2016, 64</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Ambtenarenwet, art. 125, lid 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-19</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-02-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. A.1, E.12, bijlage 2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>S0311745</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>personeelsbeleid, financieel kader</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 april 2016.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-41922</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Provinciale Staten van Noord-Brabant,</al><al>Overwegende:</al><al>De navolgende Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) wordt
                        vastgesteld:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK A ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel A.1 Definities</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze regeling en haar uitvoeringsregelingen wordt verstaan
                                onder: </al><lijst><li nr="a."><al> ambtenaar: degene die door provinciale staten, de
                                        werkgeverscommissie provinciale staten of gedeputeerde
                                        staten is aangesteld om in de openbare dienst van de
                                        provincie werkzaam te zijn;</al></li><li nr="b."><al> arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
                                        artikel 4 en 5 van de Wet werk en inkomen naar
                                        arbeidsvermogen (WIA) tenzij er sprake is een WAO-uitkering
                                        waarbij sprake is van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
                                        artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO);</al></li><li nr="c."><al> arbodienst: arbodienst zoals bedoeld in artikel 1, 3e lid,
                                        onderdeel j van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="d."><al> beroepsziekte: ziekte die in overwegende mate haar oorzaak
                                        vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen
                                        werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder
                                        deze moesten worden verricht en die niet aan zijn schuld of
                                        onvoorzichtigheid is te wijten;</al></li><li nr="e."><al> bezoldiging: som van het salaris en de toelagen waarop op
                                        basis van de artikelen C.11 tot en met C.15 aanspraak
                                        bestaat;</al></li><li nr="f."><al> CAP: Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                                        Provincies;</al></li><li nr="g."><al> dienstongeval: ongeval dat in overwegende mate zijn oorzaak
                                        vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen
                                        werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder
                                        deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of
                                        onvoorzichtigheid is te wijten;</al></li><li nr="h."><al> functie: samenstel van werkzaamheden dat de ambtenaar is
                                        opgedragen;</al></li><li nr="i."><al> IKB: individueel keuzebudget, een budget in geld, opgebouwd
                                        overeenkomstig artikel C.17;</al></li><li nr="j."><al> IPO: de vereniging het Interprovinciaal Overleg, gevestigd
                                        te ‘s-Gravenhage;</al></li><li nr="k."><al> partner: echtgenoot of echtgenote van de ambtenaar dan wel
                                        de persoon met wie de niet gehuwde ambtenaar samenwoont en,
                                        met het oogmerk duurzaam samen te leven, een
                                        gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een
                                        notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de
                                        wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die
                                        samenwoning en gemeenschappelijke huishouding, alsmede de
                                        geregistreerde partner;</al></li><li nr="l."><al> passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
                                        bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij
                                        aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                                        sociale aard niet van hem kan worden gevergd;</al></li><li nr="m."><al> passende functie: functie die de ambtenaar redelijkerwijs
                                        in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en
                                        de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden
                                        opgedragen;</al></li><li nr="n."><al> pensioenreglement: pensioenreglement van de Stichting
                                        Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="o."><al> reorganisatie: elke wijziging van de organisatiestructuur,
                                        van de omvang van de provinciale organisatie of van de
                                        taakinhoud van de provincie of een onderdeel daarvan -
                                        daaronder begrepen de overdracht van taken van en naar de
                                        provincie - waaraan personele consequenties zijn
                                        verbonden;</al></li><li nr="p."><al> salaris: bedrag dat met inachtneming van paragraaf 2 van
                                        hoofdstuk C en met inachtneming van bijlage 2 van deze
                                        regeling voor de ambtenaar is vastgesteld;</al></li><li nr="q."><al> salaris onderscheidenlijk bezoldiging per uur: 1/156 deel
                                        van het salaris, onderscheidenlijk de bezoldiging bij een
                                        volledige arbeidsduur;</al></li><li nr="r."><al> SPA: Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden, zijnde
                                        het overleg over arbeidsvoorwaarden en andere zaken tussen
                                        het IPO namens de provincies en de daarvoor aangewezen
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling en haar uitvoeringsregelingen
                                worden niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a."><al> de onbezoldigd provincieambtenaar, genoemd in artikel 227a,
                                        tweede lid, onderdelen b, c, d en e, van de
                                        Provinciewet;</al></li><li nr="b."><al> de onbezoldigd provincieambtenaar die toezichthouder is
                                        zonder opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="c."><al> de onbezoldigd provincieambtenaar die toezichthouder is met
                                        opsporingsbevoegdheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel A.2 Wijziging</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling wordt gewijzigd indien het IPO daartoe besluit op
                                grond van in het SPA bereikte overeenstemming. Wijziging vindt
                                plaats met inachtneming van het betreffende besluit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vaststelling en wijziging van besluiten van algemene strekking ter
                                uitvoering van deze regeling vindt slechts plaats in de gevallen
                                waarin deze regeling dat uitdrukkelijk bepaalt en onder de daarbij
                                aangegeven voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel A.3 Bevoegdheid besluitvorming individuele
                                    gevallen</vet></titel></kop><al>Waar in deze regeling en in haar uitvoeringsbesluiten besluitvorming in
                            individuele gevallen is vereist zijn gedeputeerde staten daartoe
                            bevoegd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel A.4 Bijzondere voorziening</vet></titel></kop><al>Indien zich gevallen voordoen waarvoor deze regeling geen voorziening
                            biedt of waarin toepassing van deze regeling naar hun oordeel ernstige
                            bezwaren zou opleveren kunnen gedeputeerde staten daarin, zo nodig onder
                            afwijking van deze regeling, ten voordele van de individuele ambtenaar
                            voorzien.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel A.5 Goed werkgeverschap en goed werknemerschap</vet></titel></kop><al>De provincie en de ambtenaar zijn verplicht zich als een goed werkgever
                            en een goed werknemer te gedragen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel A.6 Bekendmaking</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde staten dragen zorg dat de ambtenaar kennis kan nemen van
                            alle door of vanwege het provinciebestuur vastgestelde algemene regels
                            inzake de ambtelijke rechtspositie.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel A.7 Elektronische berichtgeving</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Berichten inzake het maandelijks in geld vastgestelde loon en de
                                jaaropgave aan de ambtenaar behoeven uitsluitend elektronisch te
                                worden verzonden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen andere berichten inzake de rechtspositie
                                van de ambtenaar dan die bedoeld in het eerste lid, aanwijzen die
                                uitsluitend elektronisch behoeven te worden verzonden nadat hierover
                                overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste en tweede lid bedoelde berichten worden niet
                                uitsluitend elektronisch verzonden: </al><lijst><li nr="a."><al> indien de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te
                                        nemen van een elektronisch bericht;</al></li><li nr="b."><al> bij ontslag of overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al> op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een
                                        zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op een
                                        andere wijze.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK B AANVANG, WIJZIGING EN EINDE ARBEID</titel></kop><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 1 Aanvang arbeid</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.1 Aanstelling</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt aangesteld in dienst van de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Aan een aanstelling voor onbepaalde tijd kan een aanstelling
                                    voor bepaalde tijd op proef, overeen-komstig artikel B.2, zesde
                                    lid, voorafgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.2 Aanstelling voor bepaalde tijd</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege zodra
                                    die tijd is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de aanstelling voor bepaalde tijd na het verstrijken van
                                    die tijd voortduurt wordt de ambtenaar geacht voor dezelfde
                                    tijd, doch ten hoogste voor een jaar, op dezelfde voorwaarden
                                    als daarvoor te zijn aangesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Vanaf de dag dat: </al><lijst><li nr="a."><al> aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen
                                            van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een
                                            periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen,
                                            hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de
                                            laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde
                                            tijd;</al></li><li nr="b."><al> meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar
                                            hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie
                                            maanden geldt de laatste aanstelling als een aanstelling
                                            voor onbepaalde tijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in het derde lid, onderdeel a, is niet van
                                    toepassing op een aanstelling voor bepaalde tijd, aangegaan voor
                                    niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een
                                    aanstelling voor 36 maanden of langer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van het derde lid worden mede in aanmerking
                                    genomen dienstverbanden bij een werkgever waarvan de provincie
                                    ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moet
                                    worden de opvolger te zijn.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Een aanstelling voor bepaalde tijd op proef wordt verleend voor
                                    ten hoogste een jaar, zo nodig met ten hoogste een jaar te
                                    verlengen. Zodra de omstandigheid, die leidde tot de aanstelling
                                    voor bepaalde tijd op proef, zich niet meer voordoet wordt een
                                    aanstelling voor onbepaalde tijd verleend, tenzij daartegen op
                                    andere gronden bezwaar bestaat.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De leidinggevende maakt met de ambtenaar op diens verzoek
                                    afspraken over begeleiding van werk naar werk indien de
                                    aanstelling voor bepaalde tijd na ten minste twee jaar van
                                    rechtswege eindigt. De afspraken worden schriftelijk vastgelegd.
                                    De begeleiding vindt plaats gedurende ten minste de laatste zes
                                    maanden vóór de afloop van het dienstverband. De noodzakelijke
                                    kosten van de begeleiding komen ten laste van de provincie. Het
                                    bepaalde in dit lid geldt niet voor ambtenaren die zijn
                                    aangesteld voor bepaalde tijd op proef.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.3 Eisen van geschiktheid en bekwaamheid</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor aanstelling komt slechts in aanmerking degene die voldoet
                                    aan de gestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ter beoordeling van die bekwaamheid en geschiktheid kan de
                                    kandidaat aan een psychologisch onderzoek en, met inachtneming
                                    van artikel E.2, aan een medische keuring worden
                                    onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld dat de
                                    kandidaat een verklaring omtrent het ge-drag als bedoeld in de
                                    Wet justitiële gegevens overlegt. Gedeputeerde staten kunnen,
                                    nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, een
                                    lijst van functies vaststellen waarvoor de in de eerste volzin
                                    bedoelde verklaring vereist is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Degene die geen Nederlander is kan slechts worden aangesteld
                                    indien hij in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in
                                    artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 en de provincie voor hem
                                    beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de
                                    Wet arbeid vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning
                                    krachtens laatstgenoemde wet niet is vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.4 Informatie bij indiensttreding</vet></titel></kop><al>De ambtenaar ontvangt vóór zijn indiensttreding schriftelijk bericht
                                van zijn aanstelling. Daarin worden, in aanvulling op de gegevens,
                                bedoeld in artikel II, tweede lid, onderdelen a tot en met i, van de
                                Wet van 2 december 1993 (Staatsblad 1993, 635), in elk geval
                                vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al> de geboorteplaats en geboortedatum van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al> indien de aanstelling voor bepaalde tijd geschiedt de reden
                                        van de aanstelling;</al></li><li nr="c."><al> het organisatieonderdeel waarbij hij is geplaatst;</al></li><li nr="d."><al> de periode van benoeming in de functie;</al></li><li nr="e."><al> de salarisschaal en de toelagen die hem zijn
                                        toegekend;</al></li><li nr="f."><al> zijn deelname aan de pensioenregeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.5 Algemene dienst</vet></titel></kop><al>De ambtenaar wordt steeds voor een periode van in de regel ten
                                minste drie jaar en maximaal vijf jaar in een functie benoemd,
                                tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 2 Wijziging arbeid</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.6 Andere functie of werkzaamheden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht na afloop van de periode van
                                    benoeming in een functie als bedoeld in artikel B.5, een hem
                                    aangeboden andere passende functie te aanvaarden. Bij het
                                    aanbieden van een andere passende functie wordt een
                                    aanzegtermijn van ten minste twee maanden in acht genomen. De
                                    ambtenaar kan na afloop van bedoelde periode ook opnieuw in
                                    dezelfde functie worden benoemd. Zolang er na afloop van de in
                                    de eerste volzin bedoelde periode geen passende functie
                                    beschikbaar is en de ambtenaar niet overeenkomstig het vierde
                                    lid tijdelijk is belast met andere werkzaamheden dan wel met de
                                    waarneming van een andere functie, blijft hij zijn functie
                                    vervullen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op zijn aanvraag wordt de ambtenaar in een andere functie
                                    benoemd dan wel tijdelijk met ander werk belast als hij voldoet
                                    aan de daaraan gestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid,
                                    tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht om in het belang van de dienst een
                                    andere passende functie te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden verplicht
                                    om, al dan niet binnen de provinciale organisatie, tijdelijk
                                    niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten dan
                                    wel tijdelijk een andere functie waar te nemen, mits deze
                                    tijdelijke werkzaamheden, onderscheidenlijk tijdelijke
                                    waarneming hem in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden redelijkerwijs kunnen worden opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Als belang van de dienst in de zin van het derde en vierde lid
                                    wordt voor de toepassing van die leden in elk geval aangemerkt
                                    de bevordering van de interne mobiliteit van het personeel.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig
                                    werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats
                                    heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden
                                    te verrichten, tenzij dat naar het oordeel van gedeputeerde
                                    staten met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of
                                    voor de regelmatige functionering van de openbare dienst
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van dit artikel en
                                    ter uitvoering van artikel B.5 nadere regels inzake de
                                    rechtspositie vast nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I
                                    overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                    plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.7 Andere werkzaamheden in bijzondere
                                        omstandigheden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan worden verplicht in tijden van oorlog,
                                    oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere
                                    werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk
                                    verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                                    taak die de provincie in die tijden heeft of zal krijgen dan wel
                                    ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering
                                    van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is te allen tijde
                                    verplicht de opleidingen te volgen en deel te nemen aan
                                    oefeningen die verband houden met zijn in dat lid bedoelde
                                    taak.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.8 Procedure en flankerend beleid
                                        reorganisaties</vet></titel></kop><al>Bij reorganisaties worden de procedures en de hoofdlijnen van het
                                flankerend beleid in acht genomen die zijn vastgelegd in bijlage 1
                                van deze regeling, die er onderdeel van uitmaakt. Gedeputeerde
                                staten kunnen nadere regels vaststellen omtrent de te volgen
                                procedure bij reorganisaties en omtrent de personele gevolgen van
                                reorganisaties.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 3 Einde arbeid</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.9 Ontslaggronden</vet></titel></kop><al>De ambtenaar kan ontslag worden verleend:</al><lijst><li nr="a."><al> op aanvraag, met inachtneming van artikel B.10;</al></li><li nr="b."><al> wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd,
                                        met inachtneming van artikel B.11;</al></li><li nr="c."><al> wegens reorganisatie, met inachtneming van artikel
                                        B.12;</al></li><li nr="d."><al> indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na
                                        afloop van een periode waarin hij krachtens artikel 125c van
                                        de Ambtenarenwet tijdelijk is ontheven van de waarneming van
                                        zijn functie, niet in een passende functie herplaatst kan
                                        worden;</al></li><li nr="e."><al> indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na
                                        afloop van het hem krachtens artikel D.15 verleend langdurig
                                        buitengewoon verlof, niet in een passende functie herplaatst
                                        kan worden;</al></li><li nr="f."><al> wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                                        wegens ziekte, met inachtneming van artikel E.9;</al></li><li nr="g."><al> wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling
                                        van zijn functie uit andere hoofde dan genoemd onder f;</al></li><li nr="h."><al> wegens het verlies van een vereiste bij aanstelling, tenzij
                                        het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie
                                        geldt;</al></li><li nr="i."><al> wegens staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="j."><al> wegens toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="k."><al> wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot
                                        vrijheidsstraf wegens misdrijf of tot
                                        terbeschikkingstelling;</al></li><li nr="l."><al> wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens
                                        bij of in verband met indiensttreding of keuring, zonder
                                        welke handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou
                                        zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat
                                        hij te goeder trouw heeft gehandeld;</al></li><li nr="m."><al> als disciplinaire straf, met inachtneming van artikel
                                        G.4;</al></li><li nr="n."><al> wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval van
                                        ongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te
                                        verrichten of wegens het niet aanvragen van een uitkering op
                                        grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA),
                                        met inachtneming van artikel E.15;</al></li><li nr="o."><al> op andere dan de in dit artikel genoemde gronden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.10 Ontslag op aanvraag</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend met
                                    ingang van de dag waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt
                                    bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het ontslag gaat niet eerder in dan één maand en niet later dan
                                    drie maanden na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Met de
                                    ambtenaar kan in afwijking hiervan een ander tijdstip worden
                                    afgesproken waarop het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ontslagaanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden
                                    aangehouden indien een onderzoek is gestart voor een ontslag op
                                    grond van artikel G.4, eerste lid, onderdeel e.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.11 Ontslag wegens pensionering</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt ontslag verleend met ingang van de dag
                                    waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt op aanvraag ontslag verleend met het oog
                                    op de verkrijging van ABP-keuzepensioen/ouderdomspensioenvóór de
                                    in het eerste lid bedoelde datum op grond van artikel 7.4 van
                                    het pensioenreglement. Op aanvraag van de ambtenaar kan dit
                                    ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende
                                    arbeidsduur worden verleend, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. Het ontslag gaat niet
                                    eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op het
                                    ABP-keuzepensioen/ouderdomspensioen ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.12 Reorganisatie ontslag</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie ontslag
                                    worden verleend met inachtneming van het bepaalde in artikel 2,
                                    tweede lid, van de Regeling begeleiding van werk naar werk bij
                                    reorganisaties.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is
                                    benoemd in een andere functie kan alsnog het ontslag, bedoeld in
                                    het eerste lid worden verleend indien binnen een periode van
                                    uiterlijk een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de functie
                                    hem is opgedragen, blijkt dat de desbetreffende functie niet
                                    passend is voor die ambtenaar en het niet mogelijk is om de
                                    ambtenaar binnen een redelijke termijn op een passende functie
                                    te benoemen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij ontslagverlening op grond van het eerste en tweede lid
                                    wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.13 Voorzieningen in aanvulling op de
                                        Werkloosheidswet</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast
                                inzake voorzieningen bij werkloosheid in aanvulling op de
                                Werkloosheidswet, met inachtneming van de hierover in het SPA
                                gemaakte afspraken.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel B.14 Overlijden ambtenaar</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanstelling eindigt door het overlijden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar wordt over de
                                    periode vanaf de dag na het overlijden tot en met de laatste dag
                                    van de derde maand na die waarin het overlijden plaatsvond, een
                                    bedrag uitgekeerd, gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging,
                                    vermeerderd met het bedrag dat in die periode aan IKB is
                                    opgebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De overlijdensuitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten
                                    betrekking ter zake van het overlijden van de ambtenaar toekomt
                                    krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering of zou zijn toegekomen indien
                                    daarop ten gevolge van het toedoen van de ambtenaar geen
                                    aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten
                                    betrekkingen verstaan de nabestaande partner, van wie de
                                    overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, of, bij
                                    ontbreken van deze, de minderjarige kinderen of, indien ook deze
                                    ontbreken, degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren
                                    van de bezoldiging van de ambtenaar.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK C BEZOLDIGING</titel></kop><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.1 Recht op bezoldiging</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt een bezoldiging toegekend met
                                    inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn
                                    verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten
                                    ontvangt hij geen bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.2 Uitbetaling salaris, toelagen, vergoedingen en
                                        tegemoetkomingen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Tenzij anders bepaald, betalen gedeputeerde staten het salaris
                                    en de toelagen, bedoeld in de artikelen C.11 tot en met C.15,
                                    maandelijks.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tenzij anders bepaald, betalen gedeputeerde staten </al><lijst><li nr="a."><al> de vergoedingen voor overwerk, bedoeld in artikel C.23,
                                            bij de salarisbetalingbinnen drie maanden na
                                            declaratie;</al></li><li nr="b."><al> de vergoedingen van kosten, bedoeld in artikel F.4, bij
                                            de salarisbetaling in de maand na declaratie;</al></li><li nr="c."><al> de werkgeversbijdrage in de levensloopregeling
                                            provincies, bedoeld in artikel D.10, de tegemoetkoming
                                            in de ziektekosten, bedoeld in artikel E.12, en de
                                            doorbetaling van bezoldiging bij ziekte en
                                            arbeidsongeschiktheid op grond van de voorschriften,
                                            bedoeld in artikel E.8, maandelijks bij de
                                            salarisbetaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betalingen, bedoeld in dit artikel, hebben, onverminderd het
                                    bepaalde in artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, plaats zonder dat dit bij beschikking is
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.3 Salaris en toelagen bij gebroken
                                        tijdvakken</vet></titel></kop><al>Wanneer het salaris en de toelagen, bedoeld in de artikelen C.11 tot
                                en met C.15, moeten worden berekend over een gedeelte van een maand
                                wordt het bedrag per dag, tenzij anders is bepaald, vastgesteld door
                                het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die
                                maand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 2 Salaris</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.4 Inrichting salarisgebouw</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het salarisgebouw is vastgelegd in bijlage 2 van deze regeling,
                                    die er onderdeel van uitmaakt. Gedeputeerde staten vervangen
                                    deze bijlage met inachtneming van de hierover in het SPA
                                    gemaakte afspraken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het salarisgebouw bestaat uit 18 salarisschalen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Per salarisschaal is het minimumsalaris en het maximumsalaris
                                    bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.5 Bepaling salarisschaal</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten bepalen de salarisschaal van de ambtenaar
                                    met inachtneming van de zwaarte van de functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De zwaarte van de functie wordt vastgesteld met behulp van een
                                    systeem van methodische functiewaardering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde staten stellen met inachtneming van de hierover in
                                    het SPA gemaakte afspraken algemeen verbindende voorschriften
                                    vast met betrekking tot het systeem van methodische
                                    func-tiewaardering en de procedure van totstandkoming van de
                                    functiewaardering, alsmede een conversietabel aan de hand
                                    waarvan de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    salarisschaal wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Behoudens het bepaalde in het vijfde en zesde lid bepalen
                                    gedeputeerde staten de salarisschaal van de ambtenaar op die
                                    welke ingevolge de in het derde lid bedoelde conversietabel voor
                                    de functie geldt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen de salarisschaal van de ambtenaar
                                    bepalen op die welke direct voorligt aan de salarisschaal die
                                    ingevolge de in het derde lid bedoelde conversietabel voor de
                                    functie geldt, indien de ambtenaar bij benoeming in de functie
                                    nog niet volledig voldoet aan het minimaal noodzakelijke niveau
                                    voor de functie. Na maximaal 12 maanden geldt voor de ambte-naar
                                    de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    salarisschaal tenzij hij blijkens een beoordeling nog niet
                                    volledig voldoet aan het minimaal noodzakelijke niveau voor de
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een
                                    andere functie vervult blijft de voordien voor hem geldende
                                    salarisschaal van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de ambtenaar tijdelijk bij wijze van proef is benoemd in
                                    een andere functie blijft de voor-dien voor hem geldende
                                    salarisschaal van toepassing, tenzij anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.6 Bepaling salaris</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij eerste aanstelling ontvangt de ambtenaar in de regel het
                                    minimumsalaris in de voor hem geldende salarisschaal. Op basis
                                    van elders opgedane relevante kennis, ervaring en vaardigheden
                                    kunnen gedeputeerde staten bij eerste aanstelling een hoger
                                    salaris in de voor hem geldende salarisschaal vaststellen dan
                                    het minimumsalaris.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar ontvangt in de voor hem geldende salarisschaal ten
                                    minste een salaris dat gelijk is aan het maandbedrag van het
                                    minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet
                                    minimumloon en minimum vakantiebijslag geldt voor werknemers van
                                    dezelfde leeftijd als de ambtenaar. Voor de ambtenaar met een
                                    deeltijdfunctie wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd
                                    geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig
                                    deel van het minimumloon in een volledige functie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij benoeming in een andere functie waarvoor dezelfde
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris in de regel bepaald op
                                    hetzelfde salaris als in de oude functie. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude functie
                                    aanspraak zou hebben.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij benoeming in een andere functie waarvoor een hogere
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris in de voor hem geldende
                                    nieuwe salarisschaal opnieuw bepaald. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude functie
                                    aanspraak zou hebben.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij benoeming in een andere functie waarvoor een lagere
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris bepaald op het salaris in
                                    de oude functie, doch maximaal op het maximumsalaris in de
                                    nieuwe salarisschaal. Indien het salaris in de oude functie
                                    hoger is dan het maximumsalaris in de nieuwe salarisschaal wordt
                                    de ambtenaar het verschil bij wijze van toelage toegekend. Deze
                                    toelage wordt als salaris aangemerkt. Het bepaalde in de eerste
                                    en tweede volzin is niet van toepassing indien de daar bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt aansluitend op een tijdelijke benoeming in
                                    een functie waarvoor een hogere salarisschaal gold en de
                                    ambtenaar bij die tijdelijke benoeming is medegedeeld dat de
                                    salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal
                                    gelden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien de in de eerste volzin van het vijfde lid bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt met toepassing van artikel E.7, op grond
                                    van artikel G.4, eerste lid, onderdeel d, of wegens
                                    onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    functie anders dan door ziekte wordt het salaris bepaald op
                                    basis van de nieuwe salarisschaal.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de in de eerste volzin van het vijfde lid bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt op aanvraag van de ambtenaar wordt het
                                    salaris bepaald op basis van de nieuwe salarisschaal. Is de
                                    ambtenaar 55 jaar of ouder en op zijn aanvraag benoemd in een
                                    andere functie waarvoor een lagere salaris-schaal geldt, dan
                                    blijft de pensioenopbouw gebaseerd op het salaris in de oude
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Indien als gevolg van een hernieuwde waardering van de functie
                                    voor de ambtenaar een hogere salarisschaal gaat gelden wordt het
                                    salaris bepaald op een gelijk salaris doch minimaal op het
                                    minimumsalaris in de nieuwe salarisschaal.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Indien als gevolg van een hernieuwde waardering van de functie
                                    voor de ambtenaar een lagere salarisschaal gaat gelden wordt het
                                    salaris bepaald op een gelijk salaris, doch maximaal op het
                                    maximumsalaris in de nieuwe salarisschaal. Indien het
                                    laatstelijk genoten salaris hoger is dan het maximumsalaris in
                                    de nieuwe salarisschaal wordt de ambtenaar het verschil bij
                                    wijze van toelage toegekend. Deze toelage wordt als salaris
                                    aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Indien de voor de ambtenaar geldende salarisschaal met
                                    toepassing van artikel C.5, vijfde lid, tweede volzin, is
                                    bepaald op de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    salaris-schaal wordt het salaris bepaald op het minimumsalaris
                                    in de voor hem geldende nieuwe salarisschaal. Het salaris zal
                                    nooit minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude
                                    salarisschaal aanspraak zou hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.7 Salarisontwikkeling bij duurzame groei in het
                                        functioneren</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten verhogen het op grond van artikel C.6
                                    bepaalde salaris van de ambtenaar die het maximumsalaris van de
                                    voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, met: </al><lijst><li nr="a."><al> 1% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren niet
                                            geheel aan de gestelde eisen voldoet;</al></li><li nr="b."><al> 3% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren aan de
                                            gestelde eisen voldoet;</al></li><li nr="c."><al> 4% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren de
                                            gestelde eisen in ruime mate overtreft;</al></li><li nr="d."><al> 6% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren de
                                            gestelde eisen in uitzonderlijke mate overtreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Is het verschil tussen het salaris van de ambtenaar en het
                                    maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal minder dan
                                    de in het eerste lid genoemde 1%, onderscheidenlijk 3%, 4% en 6%
                                    van het maximumsalaris, dan verhogen gedeputeerde staten het
                                    salaris, indien is voldaan aan de in het eerste lid genoemde
                                    voorwaarden, tot het bedrag van het maximumsalaris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beslissing over verhoging van het salaris op grond van dit
                                    artikel nemen gedeputeerde staten telkens na een periode van in
                                    de regel 12 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.8 Salaris bij deeltijdfuncties</vet></titel></kop><al>Het salaris van de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt
                                vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou
                                gelden bij een volledige functie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.8A Salaris bij aanstelling op grond van de
                                    banenafspraak</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel C.5, eerste en tweede lid, geldt
                                    salarisschaal A in bijlage 2 van deze regeling voor de ambtenaar
                                    die een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet
                                    valt en door beperkingen niet zelfstandig het wettelijk
                                    minimumloon kan verdienen of omdat hij een indicatie heeft op
                                    basis van de Wet Sociale Werkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de in het eerste lid bedoelde ambtenaar geldt dat het
                                    schaalbedrag vermenigvuldigd met de loonwaarde maximaal het
                                    wettelijk minimumloon mag zijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van artikel C.6, eerste lid, geldt voor de
                                    ambtenaar die een aanstelling krijgt omdat hij WAJONG-er is met
                                    arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100%
                                    is vastgesteld, dat hij recht heeft op het door zijn loonwaarde
                                    bepaalde percentage van het salaris.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op het in het derde lid door loonwaarde bepaalde salaris is
                                    artikel C.6, tweede lid niet van toepassing als betrokkene in
                                    aanmerking komt voor loondispensatie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de in dit artikel bedoelde ambtenaar geldt niet de
                                    minimumvakantieuitkering per maand genoemd in bijlage 2 van deze
                                    regeling; deze ambtenaar heeft wel recht op 8% vakantietoeslag
                                    als onderdeel van zijn IKB op grond van artikel C.17.</al><al/><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 3 Variabele beloning</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.9 Incidentele beloning van prestaties</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar kennen gedeputeerde staten, indien zijn
                                    werkresultaten blijkens een beoordeling de gestelde eisen in
                                    ruime, onderscheidenlijk uitzonderlijke mate overtreffen, een
                                    eenmalige uitkering toe van 3%, onderscheidenlijk 7% van het
                                    salaris over de periode waarop de beoordeelde werkresultaten
                                    betrekking hebben. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De beslissing over toekenning van een eenmalige uitkering als
                                    bedoeld in dit artikel wordt telkens genomen na een periode van
                                    in de regel 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder werkresultaten
                                    verstaan resultaten met betrekking tot de werkzaamheden waarover
                                    in het in artikel F.7 bedoelde planningsgesprek afspraken zijn
                                    gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.10 Incidentele beloning van extra inzet</vet></titel></kop><al>Aan de ambtenaar of een groep van ambtenaren kan een eenmalige
                                beloning worden toegekend bij extra inzet of voor het verrichten van
                                niet geplande activiteiten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 4 Toelagen</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.11 Toelage waarneming andere functie</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk in opdracht een andere functie
                                    waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, volledig
                                    waarneemt, ontvangt voor de duur van de waarneming een toelage.
                                    Geen toelage wordt toegekend bij waarneming vanwege
                                    vakantieverlof, tenzij dit vakantieverlof betreft dat krachtens
                                    een spaarregeling is gespaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De toelage wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, slechts
                                    toegekend wanneer de waarneming een periode van ten minste een
                                    maand heeft geduurd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De toelage bedraagt per maand 6% van het maximumsalaris dat
                                    voor de ambtenaar zou hebben gegolden in de bij de waargenomen
                                    functie behorende salarisschaal en een bedrag naar evenredigheid
                                    daarvan over perioden waarin niet een volle maand is
                                    waargenomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij een gedeeltelijke waarneming in de zin van dit artikel kan
                                    aan de ambtenaar een toelage worden toegekend die in verhouding
                                    staat tot de aard en de omvang van de waargenomen
                                    werkzaamheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.12 Toelage onregelmatige dienst</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar voor wie een lagere salarisschaal geldt dan
                                    salarisschaal 11 en die, anders dan bij wijze van overwerk, in
                                    opdracht regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere
                                    tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18
                                    uur, wordt een toelage toegekend. </al><lijst><li nr="a."><al> 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6
                                            en 8 uur en tussen 18 en 22 uur;</al></li><li nr="b."><al> 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0
                                            en 6 uur en tussen 22 en 24 uur en voor de uren op
                                            zaterdag;</al></li><li nr="c."><al> 65% voor de uren op zondag, de feestdagen, genoemd in
                                            artikel D.1, derde lid, en andere daarmee door
                                            gedeputeerde staten gelijkgestelde dagen; met dien
                                            verstande dat genoemde percentages worden berekend over
                                            ten hoogste het maximumsalaris per uur in salarisschaal
                                            6.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde morgen- en
                                    avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid
                                    is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 19
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid kunnen gedeputeerde staten
                                    bepalen dat voor een groep van ambtenaren de in dat lid genoemde
                                    percentages worden berekend over een voor alle ambtenaren van
                                    deze groep gelijk salarisbedrag per uur.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen gedeputeerde
                                    staten voor de ambtenaar een vaste toelage vaststellen,
                                    onderscheidenlijk voor een groep van ambtenaren een voor alle
                                    ambtenaren van die groep gelijke vaste toelage vaststellen,
                                    zulks rekening houdend met het bepaalde in het tweede, derde en
                                    vierde lid, de geldende werktijdregeling en de mate waarin en de
                                    wijze waarop van die werktijdregeling pleegt te worden
                                    afgeweken. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen
                                    voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van dit artikel
                                    nadere regels nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg
                                    heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor
                                    de ambtenaar geldende salaris per uur en wel</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.13 Afbouw toelage onregelmatige dienst</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten
                                    zijn toedoen beëindigen of ver-minderen van een toelage als
                                    bedoeld in artikel C.12 een blijvende verlaging ondergaat, welke
                                    ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de
                                    toelagen, bedoeld in de artikelen C.14 en C.15, wordt een
                                    aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage,
                                    direct vooraf-gaande aan het tijdstip van vorenbedoelde
                                    beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaren
                                    zonder onderbreking van langer dan 2 maanden heeft genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is, onder gelijke voorwaarden,
                                    ook van toepassing als de in dat lid bedoelde beëindiging of
                                    vermindering het gevolg is van </al><lijst><li nr="a."><al> een medisch advies van de arbodienst;</al></li><li nr="b."><al> vrijwillige benoeming in een andere functie op grond
                                            van de artikelen B.5 en B.6, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al> vrijstelling van continudiensten in de nachturen van
                                            een ambtenaar van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aflopende toelage wordt toegekend voor een periode, gelijk
                                    aan een kwart van die waarin de ambtenaar, direct voorafgaande
                                    aan het tijdstip van de in het eerste lid bedoelde beëindiging
                                    of vermindering, zonder onderbreking van langer dan 2 maanden de
                                    toelage, bedoeld in artikel C.12, heeft genoten. De aldus
                                    berekende periode wordt naar boven afgerond op een maand. De
                                    aflopende toelage wordt toegekend voor een periode van maximaal
                                    3 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De overeenkomstig het derde lid berekende periode wordt in drie
                                    gelijke delen gesplitst waarbij, zo nodig, in de eerste twee
                                    deelperioden afronding naar boven op een maand plaatsvindt,
                                    zonder dat hierdoor de totale periode wordt overschreden.
                                    Gedurende bedoelde drie deelperioden bedraagt de aflopende
                                    toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de
                                    desbetreffende maand van toepassing zijnde, in het vijfde lid
                                    bepaalde berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De berekeningsbasis, bedoeld in het vierde lid, is het bedrag
                                    dat de ambtenaar over de 12 kalendermaanden, voorafgaande aan
                                    het tijdstip van de in het eerste lid bedoelde beëindiging of
                                    ver-mindering, gemiddeld per maand aan toelage op grond van
                                    artikel C.12 heeft genoten, verminderd met het bedrag dat hij
                                    daarna in totaal per maand gaat genieten aan toelage op grond
                                    van artikel C.12 en aan verhoging van de bezoldiging, anders dan
                                    wegens algemene salarisverhogingen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Ingeval er sprake is van een algemene salariswijziging wordt
                                    voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                                    fictieve wijziging van de in het vijfde lid bedoelde bedragen,
                                    zulks tot het percentage van deze algemene
                                    salariswijziging.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De aflopende toelage kan met instemming van de ambtenaar worden
                                    afgekocht door een uitkering ineens.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Aan de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar van 60
                                    jaar of ouder wordt, onder gelijke voorwaarden, een blijvende
                                    toelage toegekend van 100% van de in het vijfde lid bepaalde
                                    berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De aflopende toelage die op grond van dit artikel is toegekend
                                    gaat, zodra de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt, over
                                    in een blijvende toelage als bedoeld in het achtste lid. De in
                                    de vorige volzin bedoelde blijvende toelage bedraagt, in
                                    afwijking van het bepaalde in het achtste lid, het percentage
                                    van de berekeningsbasis dat voor de berekening van de aflopende
                                    toelage ingevolge het vierde lid laatstelijk op hem van
                                    toepassing was.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.14 Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan een ambtenaar of een groep van ambtenaren kan om redenen
                                    van werving of behoud onder nader te bepalen voorwaarden hetzij
                                    een toelage, hetzij een bindingspremie worden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend voor een
                                    tevoren vastgestelde periode van maximaal 3 jaren. Deze periode
                                    kan telkens voor maximaal 3 jaren worden verlengd</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde toelage bedraagt per maand ten
                                    hoogste 10% van zijn salaris doch nooit meer dan het verschil
                                    tussen dit salaris en het maximumsalaris dat hij zou hebben
                                    genoten in de naast hogere salarisschaal. De toelage wordt in de
                                    regel maandelijks uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde bindingspremie wordt toegekend en
                                    uitbetaald na een tevoren vastgestelde periode van ten minste 3
                                    jaren.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde bindingspremie bedraagt ten
                                    hoogste 10% van zijn salaris over de in het vierde lid bedoelde
                                    periode doch nooit meer dan het verschil tussen dit salaris en
                                    het maximumsalaris dat hij over die periode in de naast hogere
                                    salarisschaal zou hebben genoten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat aan de ambtenaar die
                                    niet heeft kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde
                                    voorwaarden door een niet aan hemzelf te wijten oorzaak de
                                    toelage, onderscheidenlijk bindingspremie gedeeltelijk wordt
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel
                                    nadere regels stellen en bepalen de groepen van ambtenaren aan
                                    wie de in het eerste lid bedoelde toelage en bindingspremie kan
                                    worden toegekend nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I
                                    overleg heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.15 Toelage op andere gronden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen aan groepen van ambtenaren op andere
                                    gronden dan die, vermeld in de artikelen C.11 tot en met C.14,
                                    een toelage toekennen overeenkomstig de daartoe door hen vast te
                                    stellen algemeen verbindende voorschriften. Over deze algemeen
                                    verbindende voorschrif-ten vindt overleg plaats met de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel overeenkomstig hoofdstuk
                                    I.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In uitzonderlijke gevallen kan aan de ambtenaar een toelage
                                    worden toegekend op andere gronden dan die, vermeld in de
                                    artikelen C.11 tot en met C.14 en artikel C.15, eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 5 Individueel keuzebudget (IKB)</vet></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel C.16 IKB algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de ambtenaar is er een IKB. Gedeputeerde staten zijn
                                    beheerder van het IKB.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het IKB omvat een in geldwaarde uitgedrukt budget dat de
                                    ambtenaar naar keuze kan aanwenden voor de doelen, genoemd in
                                    artikel C.18, een en ander op de wijze en onder de voorwaarden
                                    als bepaald in deze paragraaf.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.17 Opbouw IKB</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het pensioengevend deel van het IKB wordt per kalendermaand als
                                    volgt opgebouwd: </al><lijst><li nr="a."><al> met 8% van de door de ambtenaar in die maand genoten
                                            bezoldiging, met dien verstande dat dit bedrag niet
                                            lager kan zijn dan de minimumvakantie-uitkering per
                                            maand, genoemd in de in artikel C.4, eerste lid,
                                            bedoelde bijlage 2, onderscheidenlijk dan een bedrag
                                            naar rato hiervan bij een niet volledige arbeidsduur of
                                            bij genot van slechts een deel van de bezoldiging;</al></li><li nr="b."><al> met 8,3% van het door de ambtenaar in die maand genoten
                                            salaris; en</al></li><li nr="c."><al> met 3,4% van het in die maand genoten salaris voor de
                                            ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt die lager is
                                            dan schaal 14 en met 2,85% voor de ambtenaar voor wie
                                            een salarisschaal geldt die gelijk is aan of hoger dan
                                            schaal 14.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het niet pensioengevend deel van het IKB wordt per
                                    kalendermaand opgebouwd met 1,92% van het door de ambtenaar in
                                    die maand genoten salaris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vergoeding voor meer uren werken als bedoeld in artikel 5
                                    van de IKAP-regeling provincies wordt maandelijks opgenomen in
                                    het pensioengevend deel van het IKB op basis van het gemiddelde
                                    aantal meer te werken uren per maand gedurende de periode dat de
                                    ambtenaar meer uren werkt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op aanvraag van de ambtenaar kunnen gedeputeerde staten vaste
                                    maandelijkse toelagen opnemen in het pensioengevend deel van het
                                    IKB.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.18 Aanwending IKB</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan het IKB aanwenden voor één of meer van de
                                    volgende doelen: </al><lijst><li nr="a."><al> voor de bestemmingen, bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                                            van de IKAP-regeling provincies, overeenkomstig het
                                            bepaalde in die regeling;</al></li><li nr="b."><al> voor bruto inkomen in de maand zelf of in de daarop
                                            volgende maand of maanden;</al></li><li nr="c."><al> voor extra verlof overeenkomstig het bepaalde in de
                                            IKAP-regeling provincies;</al></li><li nr="d."><al> voor het sparen in het kader van de Levensloopregeling,
                                            met in acht- neming van het bepaalde in die
                                            regeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Keuzes, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, kan de
                                    ambtenaar maken tot de maandelijkse sluitingsdatum van de
                                    salarisverwerking. Hij heeft voor deze keuzes geen toestemming
                                    nodig.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Keuzes kunnen alleen worden gemaakt voor zover het IKB
                                    toereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Keuzes mogen uitsluitend betrekking hebben op hetzelfde
                                    kalenderjaar. Er mag geen budget uit het IKB worden overgeheveld
                                    naar het volgende kalenderjaar. Het bedrag dat in december van
                                    het kalenderjaar nog in het IKB zit wordt in die maand
                                    uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het extra verlof, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, hoeft
                                    niet in hetzelfde kalenderjaar te worden opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Maakt de ambtenaar vóór de sluitingsdatum van de
                                    salarisverwerking geen keuze dan wordt het niet aangewende deel
                                    van het IKB dezelfde kalendermaand automatisch uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Bedragen die uit het IKB zijn opgenomen kunnen niet meer worden
                                    teruggestort in het IKB.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.19 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer het dienstverband eindigt, wordt het nog beschikbare
                                    budget uit het IKB bij de laatste salarisbetaling aan de
                                    ambtenaar uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij overlijden van de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al> wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel B.14,
                                            tweede lid, het budget uit het IKB waarover nog niet is
                                            beschikt, uitbetaald aan de nagelaten betrekkingen;</al></li><li nr="b."><al> vindt geen verrekening plaats voor zover IKB is ingezet
                                            voor de in artikel C.18, eerste lid, onderdeel a,
                                            bedoelde bestemmingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel C.20 Fiscale en andere wet- en regelgeving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De provincie draagt zorg voor informatie over gevolgen van
                                    keuzes voor in ieder geval de loonheffingen, het pensioen en de
                                    sociale verzekeringen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gevolgen van gemaakte keuzes zijn voor rekening van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien achteraf blijkt dat door onjuiste of onvolledige
                                    informatie vanwege de ambtenaar ten onrechte bij de ambtenaar
                                    geen heffing van loonbelasting en premies volksverzekering heeft
                                    plaatsgevonden, wordt deze verschuldigde heffing, vermeerderd
                                    met eventuele boetes, op de ambtenaar of de gewezen ambtenaar
                                    verhaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien wijziging van fiscale wet- en regelgeving van invloed is
                                    op de inhoud of de werking van de regeling van het IKB zullen
                                    vervallen netto voordelen voor ambtenaren niet worden
                                    gecompenseerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 6 Uitkeringen en gratificaties</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.21 Eenmalige uitkering</vet></titel></kop><al>De ambtenaar kan op grond van afspraken in het SPA een eenmalige
                                uitkering worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.22 Gratificatie ambtsjubileum</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde staten stellen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, algemeen verbindende voorschriften vast inzake het
                                recht op een gratificatie wegens ambtsjubileum.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 7 Vergoedingen voor extra diensten</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.23 Vergoeding voor overwerk</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar voor wie een lagere salarisschaal geldt dan
                                    salarisschaal 11 en die in opdracht overwerk verricht wordt een
                                    vergoeding toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder overwerk wordt verstaan arbeid buiten de voor de
                                    ambtenaar geldende werktijden, voor zover daardoor het voor hem
                                    vastgestelde aantal arbeidsuren wordt overschreden. Arbeid als
                                    bedoeld in de eerste volzin wordt niet als overwerk aangemerkt,
                                    indien die is verricht ter voldoening aan de verplichtingen op
                                    grond van artikel B.7.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur
                                    onmiddellijk voor het begin of onmiddellijk na het einde van de
                                    voor de ambtenaar vastgestelde werktijd wordt verricht wordt
                                    geen vergoeding toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De vergoeding voor overwerk bestaat uit </al><lijst><li nr="a."><al> verlof gedurende een periode, gelijk aan het aantal
                                            uren van het overwerk; en</al></li><li nr="b."><al> een bedrag in geld dat voor elk uur overwerk een
                                            percentage is van het voor de ambtenaar geldende salaris
                                            per uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien naar het oordeel van de leidinggevende het dienstbelang
                                    zich verzet tegen het toekennen van verlof wordt in plaats van
                                    verlof voor ieder uur een bedrag in geld toegekend, gelijk aan
                                    het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het in het vierde lid, onderdeel b, genoemde percentage
                                    bedraagt voor overwerk, verricht op </al><lijst><li nr="a."><al> zondag, de feestdagen, genoemd in artikel D.1, derde
                                            lid, en andere daarmee door gedepu-teerde staten
                                            gelijkgestelde dagen, alsmede op de dag, volgende op een
                                            van voorgaande dagen, tussen 0 en 6 uur: 100%;</al></li><li nr="b."><al> zaterdag tussen 0 en 6 uur en tussen 18 en 24 uur:
                                            75%;</al></li><li nr="c."><al> zaterdag tussen 6 en 18 uur: 50%;</al></li><li nr="d."><al> maandag tot en met vrijdag tussen 20 en 24 uur:
                                            50%;</al></li><li nr="e."><al> dinsdag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur: 50%;</al></li><li nr="f."><al> maandag tot en met vrijdag tussen 6 uur en het
                                            tijdstip, gelegen 2 uur voor het begin van de voor de
                                            ambtenaar geldende werktijd: 50%;</al></li><li nr="g."><al> maandag tot en met vrijdag tussen het tijdstip, gelegen
                                            tussen 2 uur na het einde van de voor de ambtenaar
                                            geldende werktijd en 20 uur: 50%;</al></li><li nr="h."><al> maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 20 uur,
                                            behoudens de uren, bedoeld in de onderdelen f en g:
                                            25%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voor de vaststelling van de duur van het overwerk gelden de
                                    uren waarop verlof is genoten als uren waarop is gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen voor werkzaamheden die ambtenaren
                                    met een verschillende bezoldiging en eventueel verschillende
                                    functies tezamen en gelijktijdig in overwerk moeten verrichten
                                    een gelijke, naar hun oordeel redelijke vergoeding
                                    vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen aan een ambtenaar die regelmatig
                                    overwerk moet verrichten, een vaste vergoeding toekennen.
                                    Gedurende de tijd dat de ambtenaar geen of een gedeelte van zijn
                                    bezoldiging geniet wordt de in de eerste volzin bedoelde
                                    vergoeding niet, onderscheidenlijk naar evenredigheid
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen aan een ambtenaar voor wie een
                                    hogere salarisschaal geldt dan salarisschaal 10, in bijzondere
                                    gevallen voor overwerk een door hen te bepalen vergoeding
                                    toe-kennen, indien en naarmate dit naar hun oordeel, gelet op de
                                    aard of de omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid
                                    daarvan, redelijk is te achten.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel
                                    nadere regels vaststellen nadat hierover overeenkomstig
                                    hoofdstuk I overleg heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties
                                    van overheidspersoneel. Zij kunnen in bijzondere gevallen een
                                    regeling treffen die het bepaalde in dit artikel aanvult of
                                    daarvan afwijkt.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al> De vergoeding in geld voor overwerk is pensioengevend inkomen
                                    in de zin van het pensioenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel C.24 Vergoeding voor andere extra diensten dan
                                        overwerk</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, algemeen verbindende voorschriften vaststellen
                                inzake het recht op een vergoeding voor andere extra diensten dan
                                overwerk.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK D ARBEIDSDUUR, WERKTIJDEN EN VERLOF</titel></kop><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 1 Arbeidsduur en werktijden</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.1 Arbeidsduur.</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten bepalen de arbeidsduur voor de ambtenaar
                                    met inachtneming van de uitkomsten van het overleg met de
                                    organisaties van overheidspersoneel in het SPA.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een volledige
                                    functie is daarbij gelijk aan het aantal kalenderdagen per jaar,
                                    verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op
                                    zaterdag of zondag vallende feestdagen, vermenigvuldigd met 7,2
                                    uur per dag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder feestdagen worden verstaan de nieuwjaarsdag, de tweede
                                    paasdag, hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag, de beide
                                    kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koning wordt
                                    gevierd en - eenmaal in de vijf jaar in lustrumjaren - 5
                                    mei.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een
                                    deeltijdfunctie wordt evenredig aan het deeltijdpercentage
                                    bepaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten, wordt de arbeidsduur van de ambtenaar op aanvraag
                                    bepaald op meer dan die in een volledige functie als bedoeld in
                                    het tweede lid. De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 40 uur per
                                    week. De aanspraken bij of krachtens deze regeling die zijn
                                    gerelateerd aan de arbeidsduur, worden bepaald naar
                                    evenredigheid ten opzichte van de arbeidsduur in een volledige
                                    functie als bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.2 Werktijdenregelingen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten stellen een algemene werktijdenregeling
                                    vast nadat met inachtneming van de bepalingen in en krachtens de
                                    Wet op de ondernemingsraden daarover overleg met de
                                    ondernemingsraad heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde onderdelen van de
                                    organisatie of voor bepaalde functies een bijzondere
                                    werktijdenregeling vaststellen nadat met inachtneming van de
                                    bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden
                                    daarover overleg met de ondernemingsraad heeft
                                    plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen in afwijking van de in het eerste of
                                    tweede lid vastgestelde werktijdenregeling met de ambtenaar een
                                    individuele werktijdenregeling afspreken, daaronder begrepen een
                                    werktijdenregeling voor een langere periode dan één
                                    kalenderjaar, waarbij de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur
                                    wordt berekend naar evenredigheid van de langere periode. De
                                    afgesproken individuele werktijdenregeling wordt schriftelijk
                                    vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De werktijdenregelingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde
                                    lid, worden zodanig vastgesteld, dat een goede bedrijfsvoering
                                    is gewaarborgd en dat, zo mogelijk, wordt rekening gehouden met
                                    de individuele wensen en arbeidsomstandigheden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor
                                            hem geldende werktijden;</al></li><li nr="b."><al> zich buiten de voor hem geldende werktijden ter
                                            beschikking te houden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.3 Aanwijzing collectieve roostervrije dagen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen, nadat met inachtneming van de Wet
                                    op de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad
                                    heeft plaatsgevonden, elk jaar maximaal 7 werkdagen aanwijzen
                                    als collectieve roostervrije dagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is 5 mei een
                                    collectieve roostervrije dag in jaren dat deze op een werkdag
                                    valt en niet op grond van artikel D.1, derde lid, als feestdag
                                    wordt aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.4 Bijzondere bepalingen ten aanzien van de
                                        werktijd van oudere ambtenaren</vet></titel></kop><al>Op zijn aanvraag wordt de ambtenaar van 55 jaar of ouder geheel of
                                gedeeltelijk vrijgesteld van continudiensten in de nachturen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 2 Vakantieverlof</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.5 Aanspraak op vakantieverlof</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft per kalenderjaar aanspraak op 144 uren
                                    vakantieverlof met behoud van de volle bezoldiging. Voor de
                                    ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt de aanspraak op
                                    vakantieverlof bepaald evenredig aan het
                                    deeltijdpercentage.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij aanvang of einde van het dienstverband in de loop van het
                                    kalenderjaar wordt de aanspraak op vakantieverlof vastgesteld
                                    naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in dat
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de arbeidsduur van de ambtenaar wordt gewijzigd wordt de
                                    aanspraak op vakantieverlof over het eventueel resterende deel
                                    van het kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met
                                    de nieuwe arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.6 Vermindering en verval van aanspraak op
                                        vakantieverlof</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking
                                    van de voor hem geldende werktijdregeling geen arbeid,
                                    onderscheidenlijk gedeeltelijk arbeid verricht, heeft hij geen
                                    aanspraak op vakantieverlof, onderscheidenlijk aanspraak op
                                    vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de
                                    werktijd waarop de arbeid volgens de werktijdregeling is
                                    verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing indien geheel of
                                    gedeeltelijk geen arbeid wordt verricht wegens: </al><lijst><li nr="a."><al> genoten vakantieverlof;</al></li><li nr="b."><al> zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in
                                            artikel D.11;</al></li><li nr="d."><al> buitengewoon verlof van korte duur op grond van de
                                            artikelen D12 en D.13 en op grond van de Wet op de
                                            ondernemingsraden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de
                                    ambtenaar over de uren waarop hij met recht op gehele of
                                    gedeeltelijke doorbetaling van bezoldiging wegens ziekte geen
                                    arbeid verricht, aanspraak op vakantieverlof overeenkomstig het
                                    bepaalde in artikel D.5.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De aanspraak op vakantieverlof vervalt 12 maanden na de laatste
                                    dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan, tenzij
                                    de ambtenaar tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat
                                    is geweest om dit vakantieverlof op te nemen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aanspraak op vakantieverlof dat niet ingevolge het vierde
                                    lid vervalt, vervalt na verloop van vijf jaren na de laatste dag
                                    van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.7 Opnemen van het vakantieverlof</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan het vakantieverlof waarop hij aanspraak heeft
                                    opnemen, tenzij hem daarvoor om redenen van dienstbelang geen
                                    toestemming is verleend. De ambtenaar meldt het voornemen om
                                    vakantieverlof op te nemen tijdig.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar neemt het vakantieverlof als regel op in het
                                    kalenderjaar waarop het betrekking heeft en als regel zodanig
                                    dat hij in ieder geval 2 weken aaneengesloten vrij van dienst
                                    is. Niet opgenomen vakantieverlof wordt in het volgende
                                    kalenderjaar opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld per kalenderjaar
                                    het voor dat jaar geldende vakantieverlof op te nemen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar wordt, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten, in de gelegenheid gesteld vakantieverlof op
                                    te nemen op officiële feestdagen die samenhangen met zijn geloof
                                    en/of culturele achtergrond, anders dan de dagen genoemd in
                                    artikel D.1, derde lid, bij het huwelijk en geregistreerd
                                    partnerschap van bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede
                                    graad, bij verhuizing en bij overlijden van bloed- en
                                    aanverwanten in de derde en vierde graad van de ambtenaar of
                                    diens partner.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Wanneer zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen dat
                                    noodzakelijk maken kan de aan de ambtenaar verleende toestemming
                                    om vakantieverlof op te nemen, worden ingetrokken, zowel vóór
                                    als tijdens het vakantieverlof. Indien de ambtenaar ten gevolge
                                    van het intrekken van de toestemming om vakantieverlof op te
                                    nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.8 Vakantieverlof en ziekte</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof
                                    opnemen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar die wegens ziekte gedeeltelijk geen arbeid
                                    verricht worden bij het opnemen van vakantieverlof de uren voor
                                    de gehele arbeidsduur in mindering gebracht op het
                                    vakantieverlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, indien aan
                                    hem geen toestemming zou zijn verleend om vakantieverlof op te
                                    nemen, wegens ziekte op uren van het vakantieverlof verhinderd
                                    zou zijn geweest zijn arbeid te verrichten, worden die uren als
                                    niet opgenomen vakantieverlof aangemerkt..</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.9 Vakantieverlof en einde dienstverband</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor ieder uur vakantieverlof dat de ambtenaar niet heeft
                                    kunnen opnemen op de dag dat het dienstverband anders dan door
                                    overlijden eindigt wordt hem een vergoeding toegekend voor
                                    zoveel het vakantieverlof betreft dat wegens redenen, genoemd in
                                    artikel D.7, vierde lid, derde volzin, onderdelen a tot en met
                                    d, niet kan vervallen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor ieder uur vakantieverlof dat de ambtenaar op de dag van
                                    overlijden niet heeft kunnen opnemen wordt aan de nagelaten
                                    betrekkingen, bedoeld in artikel B.14, vierde lid, een
                                    vergoeding toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, is voor
                                    ieder van die uren vakantieverlof gelijk aan het salaris per uur
                                    van de ambtenaar tot ten hoogste het aantal uren aan jaarlijks
                                    vakantieverlof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien op de dag dat het dienstverband eindigt blijkt dat de
                                    ambtenaar teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder
                                    uur teveel genoten vakantieverlof een bedrag verschuldigd ten
                                    bedrage van het salaris per uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.10 Levensloop</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen overeenkomstig die hierover in het SPA
                                gemaakte afspraken een levensloopregeling vast, met inachtneming van
                                het bepaalde ter zake bij en krachtens de Wet op de Loonbelasting,
                                de Wet arbeid en zorg en de Wet inkomstenbelasting 2001.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><vet>Paragraaf 3 Buitengewoon verlof</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.11 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wet Arbeid en Zorg
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit
                                    verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige
                                    bezoldiging</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar van wie de partner tijdens het bevallingsverlof
                                    overlijdt, heeft op grond van de Wet Arbeid en Zorg recht op het
                                    resterende bevallingsverlof met doorbetaling van de
                                    bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de bezoldiging wordt via een inhouding in mindering gebracht
                                    een bedrag, gelijk aan de uitkering krachtens de Wet arbeid en
                                    zorg waarop de ambtenaar gedurende het zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof recht heeft of gehad zou hebben als tijdig een
                                    aanvraag voor die uitkering zou zijn gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.12 Buitengewoon verlof</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten, recht op verlof van korte duur met behoud
                                    van bezoldiging bij huwelijk en geregistreerd partnerschap van
                                    de ambtenaar voor 1 dag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar behoudt het recht op bezoldiging voor een korte,
                                    naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer hij tengevolge van
                                    een calamiteit verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten.
                                    Desgevraagd dient de ambtenaar aannemelijk te maken dat er
                                    daadwerkelijk sprake was van een calamiteit.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar aan wie op grond van artikel 3:2 van de Wet arbeid
                                    en zorg in verband met de adoptie van een kind of de opname van
                                    een pleegkind als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel
                                    d, van die wet, verlof is verleend behoudt over die
                                    verlofperiode zijn aanspraak op bezoldiging. Op de bezoldiging
                                    wordt via een inhouding in mindering gebracht een bedrag, gelijk
                                    aan de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg waarop hij
                                    gedurende de verlofperiode recht heeft of gehad zou hebben als
                                    tijdig een aanvraag voor die uitkering zou zijn gedaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar aan wie op grond van artikel 5:1 van de Wet arbeid
                                    en zorg kortdurend zorgverlof is verleend, behoudt over die
                                    verlofperiode zijn aanspraak op bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het kort betaald verzuimverlof op grond van artikel 4:1, eerste
                                    lid, juncto tweede lid, onderdeel b, van de Wet arbeid en zorg
                                    duurt bij het overlijden van </al><lijst><li nr="a."><al> de partner en bloed- en aanverwanten in de eerste
                                            graad: vier dagen;</al></li><li nr="b."><al> overige bloed- en aanverwanten in de rechte lijn,
                                            bloed- en aanverwanten in de tweede graad van de zijlijn
                                            en huisgenoten, niet zijnde de partner of genoemde
                                            bloed- en aanverwanten: maximaal twee dagen, of, indien
                                            de ambtenaar is belast met de lijkbezorging, maximaal
                                            vier dagen. (de wijziging van artikel D.12, vijfde lid,
                                            treedt in werking op 24 april 2008)</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.13 Buitengewoon verlof voor activiteiten van
                                        vakorganisaties</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten
                                    worden per kalenderjaar ten hoogste 108 uren buitengewoon verlof
                                    met behoud van de volle bezoldiging verleend voor het bijwonen
                                    van vergaderingen van statutaire organen van de in artikel I.1,
                                    tweede lid, bedoelde vakorgani-saties van overheidspersoneel en
                                    van centrale organisaties en internationale
                                    ambtenarenorga-nisaties, waarbij deze vakorganisaties zijn
                                    aangesloten, mits de ambtenaar hieraan deelneemt: </al><lijst><li nr="a."><al> voor zover het betreft vergaderingen van
                                            vakorganisaties van overheidspersoneel, als bestuurslid
                                            van die vakorganisatie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurslid van een onderdeel daarvan;</al></li><li nr="b."><al> voor zover het betreft vergaderingen van centrale
                                            organisaties, waarbij de vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel zijn aangesloten, als bestuurslid van
                                            die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurslid van bedoelde vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel;</al></li><li nr="c."><al> voor zover het betreft vergaderingen van een
                                            internationale ambtenarenorganisatie, waarbij de
                                            vakorganisaties van overheidspersoneel zijn aangesloten,
                                            als bestuurslid van deze internationale
                                            ambtenarenorganisatie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurslid van bedoelde vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    per kalenderjaar tot ten hoogste 187,2 uren buitengewoon verlof
                                    met behoud van de volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar
                                    die door een van de in artikel I.1, tweede lid, bedoelde
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel is aangewezen om
                                    bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te
                                    ontplooien binnen zijn vakorganisatie dan wel binnen het
                                    provinciaal apparaat. De door de ambtenaar te verrichten
                                    activiteiten dienen de doelstellingen van zijn vakorganisatie
                                    van overheidspersoneel te ondersteunen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                                    wordt buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging
                                    verleend aan de ambtenaar voor het - op uitnodiging van een in
                                    artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidspersoneel - als cursist deelnemen aan een cursus, met
                                    dien verstande dat dit verlof ten hoogste 50,4 uren per 2
                                    kalenderjaren bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het verlof, verleend op grond van het eerste, tweede en derde
                                    lid, bedraagt tezamen ten hoog-ste 216 uren per kalenderjaar,
                                    met dien verstande dat ten hoogste 288 uren verlof per
                                    kalenderjaar worden verleend aan een lid van het hoofdbestuur
                                    van een in artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidspersoneel of van een centrale organisatie waarbij die
                                    vakorganisatie is aangesloten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt het verlof,
                                    bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, bepaald evenredig
                                    aan het deeltijdpercentage.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het verlof, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, wordt
                                    slechts verleend aan de ambtenaar die lid is van een in artikel
                                    I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging verleend
                                    voor deelname aan het in artikel I.1 bedoelde overleg als
                                    vertegenwoordiger van de vakorganisatie van overheidspersoneel
                                    en aan het daartoe noodzakelijke vooroverleg van de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.14 Non-activiteit</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                    Ambtenarenwet, bestaat geen recht op doorbetaling van
                                    bezoldiging, toeslagen, toelagen, uitkeringen en
                                    vergoedingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of
                                    verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, van de
                                    Ambtenarenwet aanspraak heeft op inkomsten - niet zijnde een
                                    onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat
                                    hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een
                                    inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan
                                    worden te ontvangen als inkomsten over de met het verlof
                                    overeenkomende tijd niet te boven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel D.15 Kapstokbepaling buitengewoon verlof</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde staten kunnen, indien daartoe naar hun oordeel termen
                                bestaan, de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof verlenen
                                voor bepaalde of onbepaalde tijd, al dan niet met behoud van volle
                                of gedeeltelijke bezoldiging en op door hen te bepalen wijze.
                                Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar ook anders dan op aanvraag
                                buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging
                                verlenen als daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.16 Langdurend onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan gedeputeerde staten verzoeken om onbetaald
                                    verlof te verlenen voor de volledige arbeidsduur of voor een
                                    deel daarvan. Het verlof wordt ten minste drie maanden tevoren
                                    aangevraagd. De aanvraag bevat in ieder geval de datum waarop
                                    het verlof ingaat, het aantal op te nemen uren verlof en de
                                    verdeling daarvan over de weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het verlof bedraagt minimaal acht aaneengesloten weken. De
                                    maximumduur wordt in overleg tussen de ambtenaar en zijn
                                    leidinggevende vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde staten kennen het aangevraagde verlof toe, tenzij
                                    de belangen van de dienst zich daartegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de ambtenaar
                                    besluiten dat het verlof op grond van onvoorziene omstandigheden
                                    niet wordt opgenomen of niet wordt voortgezet. Zij kunnen het
                                    verzoek afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of
                                    dienstbelang zich hiertegen verzet. Aan dit verzoek hoeft niet
                                    eerder gevolg gegeven te worden dan vier weken na het verzoek.
                                    In het geval dat het verlof met toepassing van de eerste volzin
                                    na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet,
                                    vervalt het recht op het overige deel van het verlof.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het verlof wordt bij samenloop voor de duur van het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof opgeschort.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie
                                    die hij bij aanvang van dat verlof vervulde.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het bepaalde in het vierde en zesde lid is niet van toepassing
                                    op de ambtenaar aan wie onbetaald verlof is verleend, direct
                                    voorafgaand aan pensionering met het oog op vervroegde
                                    uittreding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel D.17 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Over de opgenomen uren van het in artikel D.16 bedoelde
                                    onbetaald verlof heeft geen opbouw van vakantieverlof en van IKB
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van onbetaald verlof als bedoeld in
                                    artikel D.16 behoudt de ambtenaar zijn aanspraak op een
                                    tegemoetkoming in de ziektekosten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde
                                    tegemoetkoming bestaat over de uren van onbetaald verlof geen
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging, toeslagen, toelagen,
                                    uitkeringen en vergoedingen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De op grond van het pensioenreglement verschuldigde
                                    pensioenpremie over de periode van onbetaald verlof komt
                                    gedurende de eerste zes maanden voor rekening van de provincie
                                    en de ambtenaar overeenkomstig de standaardverdeling van de
                                    pensioenpremie tussen werkgever en werknemer en daarna volledig
                                    voor rekening van de ambtenaar. Bij onbetaald verlof, direct
                                    voorafgaand aan: </al><lijst><li nr="a."><al> ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                            leeftijd, of</al></li><li nr="b."><al> volledig ontslag voorafgaand aan ABP-keuzepensioen, </al><al/><al> komt de verschuldigde pensioenpremie vanaf het begin
                                            van dit verlof volledig voor rekening van de
                                            ambtenaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid, eerste
                                    volzin, is van overeenkomstige toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al> onbetaald ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6
                                            van de Wet arbeid en zorg;</al></li><li nr="b."><al> onbetaald langdurend zorgverlof als bedoeld in afdeling
                                            2 van hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en zorg.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>HOOFDSTUK E GEZONDHEID EN ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN</vet></titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.1 Algemene bepalingen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten sluiten een overeenkomst met een
                                arbodienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde staten stellen, nadat met inachtneming van de
                                bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover
                                overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, regels met
                                betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                                begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen inzake ziek- en
                                hersteldmelding daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige
                                begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.2 Keuring bij aanstelling of functiewijziging</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten stellen, nadat met inachtneming van de
                                bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover
                                overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, een lijst vast
                                met functies, waarvoor op grond van bijzondere eisen op het punt van
                                medische geschiktheid een medische keuring bij aanstelling of
                                functiewijziging is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de medische keuring, bedoeld in het eerste lid is
                                tevens van toepassing het Protocol Aanstellingskeuringen van de
                                Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der
                                Geneeskunst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.3 Verplichte periodieke functiegerichte
                                    arbeidsgezondheidskundige onderzoeken</vet></titel></kop><al>Een ambtenaar die is belast met een functie, vermeld op de lijst,
                            bedoeld in het eerste lid van artikel E.2, ondergaat periodiek een
                            gericht arbeidsgezondheidskundig onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.4 Individueel gerichte arbeidsgezondheidskundige
                                    onderzoeken</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar verplichten een
                            arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:</al><lijst><li nr="a."><al> indien naar hun oordeel gegronde redenen bestaan voor twijfel
                                    aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al> indien zij gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de
                                    volledige geschiktheid van de ambtenaar voor het verrichten van
                                    zijn arbeid, teneinde na te gaan of hiervoor medische oorzaken
                                    aanwezig zijn en, zo ja, of de ambtenaar geschikt kan worden
                                    geacht voor de vervulling van een andere functie;</al></li><li nr="c."><al> indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft
                                    gestaan met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor
                                    ingevolge de Wet publieke gezondheid een nominatieve
                                    aangifteplicht geldt;</al></li><li nr="d."><al> ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het
                                    tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te
                                    verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag
                                    verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt
                                    geacht;</al></li><li nr="e."><al> om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld
                                    in het eerste lid, onderdelen a en b van artikel E.9;</al></li><li nr="f."><al> om te beoordelen of een ambtenaar die wegens ziekte volledig
                                    ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag
                                    hervatten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.5 Medisch advies</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De arbodienst brengt naar aanleiding van een
                                arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen E.3
                                en E.4 een medisch advies uit aan gedeputeerde staten. De ambtenaar
                                ontvangt zo spoedig mogelijk een afschrift van het medisch
                                advies.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar het niet eens is met het medische advies kan
                                hij het UWV verzoeken ter zake een oordeel te geven als bedoeld in
                                artikel 32, eerste lid en derde lid, onderdelen a en b, van de Wet
                                structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.6 Buitendienststelling</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar op advies van de arbodienst
                                buiten dienst stellen, indien na een onderzoek als bedoeld in de
                                artikelen E.3 en E.4 blijkt, dat de ambtenaar lichamelijk of
                                geestelijk in een zodanige toestand verkeert, dat hij zijn eigen
                                belangen, de belangen van de dienst of van derden die bij het
                                verrichten van de arbeid zijn betrokken, schaadt door zijn arbeid te
                                blijven verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die overeenkomstig het eerste lid buiten dienst wordt
                                gesteld, wordt geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het
                                verrichten van arbeid, in welk geval het bepaalde in en krachtens de
                                artikelen E.7, E.8 en E.9 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.7 Re-integratie van zieke ambtenaren</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten bevorderen ten aanzien van de ambtenaar, die in
                                verband met onge-schiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is
                                zijn arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid binnen de
                                provinciale organisatie. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet
                                meer kan worden verricht en binnen de provinciale organisatie geen
                                andere passende arbeid voorhanden is, bevorderen gedeputeerde staten
                                gedurende het tijdvak waarin de ambtenaar jegens de provincie recht
                                op bezoldiging heeft op grond van de vierde afdeling van de
                                Ziektewet, artikel 71a, negende lid, van de WAO of artikel 25,
                                negende lid, van de WIA de inschakeling van de ambtenaar in voor hem
                                passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Uit hoofde van de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde
                                taak treffen gedeputeerde staten zo tijdig mogelijk zodanige
                                maatregelen en verstrekken zij zo tijdig mogelijk aanwijzingen als
                                redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met
                                ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te
                                verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende
                                arbeid te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Uit hoofde van de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde
                                taak stellen gedeputeerde staten in overeenstemming met de ambtenaar
                                een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van
                                de WAO dan wel artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van
                                aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd
                                en zo nodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al> gevolg te geven aan door gedeputeerde staten of een door
                                        hen aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en
                                        mee te werken aan door gedeputeerde staten of een door hen
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in
                                        het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al> zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren
                                        en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in het
                                        derde lid;</al></li><li nr="c."><al> passende arbeid te verrichten waartoe gedeputeerde staten
                                        hem in de gelegenheid stellen;</al></li><li nr="d."><al> de eigen arbeid te verrichten onder andere voorwaarden die
                                        in verband met de arbeidson-geschiktheid noodzakelijk
                                        zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.8 Aanspraken bij ziekte en
                                    arbeidsongeschiktheid</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast met
                            betrekking tot de aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar
                            bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, de daarbij in acht te nemen
                            verplichtingen en de sancties bij het niet nakomen van die
                            verplichtingen, met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte
                            afspraken.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.9 Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan ontslag worden verleend op grond van
                                ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte,
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al> er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van
                                        twee jaar;</al></li><li nr="b."><al> herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes
                                        maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar
                                        is te verwachten en</al></li><li nr="c."><al> het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken
                                        om de ambtenaar binnen de or-ganisatie van de provincie
                                        andere passende arbeid aan te bieden, dan wel indien de
                                        ambtenaar geweigerd heeft andere passende arbeid te
                                        aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar als bedoeld in het
                                eerste lid, onderdeel a, wordt niet in aanmerking genomen
                                afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens door de
                                zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf
                                het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het
                                bevallingsverlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor het bepalen van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het
                                verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld: </al><lijst><li nr="a."><al> indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
                                        weken opvolgen; of</al></li><li nr="b."><al> indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door
                                        zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode
                                        vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van
                                        het bevallingsverlof; of</al></li><li nr="c."><al> indien een in onderdeel b bedoelde afwezigheid wordt
                                        voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van
                                        arbeidsgeschiktheid die in totaal minder dan vier weken
                                        bedraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
                                wordt verlengd met de duur van: </al><lijst><li nr="a."><al> de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64,
                                        eerste lid, van de WIA later wordt gedaan dan in of op grond
                                        van dat artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al> de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon
                                        of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de
                                        WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd,
                                        bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO; en</al></li><li nr="c."><al> het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA dan wel artikel 71a, negende lid, van de
                                        WAO, heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij het onderzoek ter beoordeling van de vraag of er sprake is van
                                een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
                                betrekken gedeputeerde staten de uitslag van de claimbeoordeling op
                                grond van de WIA en een eventueel door gedeputeerde staten of de
                                ambtenaar aangevraagd deskundigenoordeel door het UWV.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die door het UWV in het kader van de uitvoering van de
                                WIA voor meer dan 65% arbeidsgeschikt is verklaard wordt na afloop
                                van de in het eerste lid bedoelde termijn geen ontslag verleend op
                                grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                ziekte, tenzij sprake is van een zwaarwegend dienstbelang. Ontslag
                                als bedoeld in de eerste volzin, kan niet eerder worden verleend dan
                                na één jaar na de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde periode
                                van twee jaar.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar die door het UWV arbeidsgeschikt is verklaard voor
                                minder dan het aantal uren waarvoor hij is aangesteld en die bij de
                                provincie zijn arbeid blijft of andere passende arbeid gaat
                                verrichten voor minder uren kan ontslag op grond van dit artikel
                                slechts worden verleend voor het aantal uren dat het verschil vormt
                                tussen de oude en de nieuwe arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.10 Infectieziekten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar, die in contact staat of kort geleden heeft gestaan
                                met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
                                krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve
                                aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen
                                toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen tenzij de
                                arbodienst daartoe toestemming heeft verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, die verkeert in de in het eerste lid omschreven
                                situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste mededeling te doen aan
                                de Arbo-dienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of
                                vanwege de Arbo-dienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig
                                onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar geniet over de tijd gedurende welke het hem
                                overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie
                                te vervullen, zijn volledige bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.11 Collectieve overeenkomst zorgverzekering</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten sluiten met een of meer zorgverzekeraars ten
                                behoeve van de ambtenaar en zijn gezinsleden een overeenkomst als
                                bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde overeenkomst regelt in ieder geval
                                het geldelijk voordeel voor de op grond van de Zorgverzekeringswet
                                verplichte zorgverzekering en voor de aanvullende
                                zorgverzekering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde overeenkomst kan mede betrekking
                                hebben op de gewezen ambtenaar aan wie ontslag uit provinciale
                                dienst is verleend met recht </al><lijst><li nr="a."><al> op een wettelijke uitkering wegens volledige en duurzame
                                        arbeidsongeschiktheid; of</al></li><li nr="b."><al> op ouderdomspensioen ten laste van het ABP dan wel een
                                        FPU-uitkering; </al><al/><al> en op de gezinsleden van de onder a en b bedoelde gewezen
                                        ambtenaar </al><al/><al> (De wijziging van artikel E.11, derde lid, treedt in
                                        werking op 24 april 2008)</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.12 Tegemoetkoming in de ziektekosten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming in
                                de ziektekosten. De tegemoetkoming bedraagt voor de ambtenaar voor
                                wie een salarisschaal geldt </al><lijst><li nr="a."><al> die lager is dan salarisschaal 7: € 25,46 per maand;</al></li><li nr="b."><al> die gelijk is aan of hoger dan salarisschaal 7: € 16,37 per
                                        maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het salaris van het provinciepersoneel een algemene
                                wijziging ondergaat worden de bedragen van de tegemoetkoming,
                                bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, overeenkomstig
                                gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.13 Inhouding premie zorgverzekering</vet></titel></kop><al>Vervallen (met ingang van 1 januari 2009)</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.13 Ziektekosten bij dienstongeval of
                                    beroepsziekte</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ingeval van dienstongevallen of beroepsziekten worden de ambtenaar
                                vergoed te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van gedeputeerde
                                staten noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of
                                verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor vergoeding komen, tenzij gedeputeerde staten in bijzondere
                                gevallen anders bepalen, niet in aanmerking, de kosten die ten laste
                                van de ambtenaar blijven vanwege de aanvaarding van een eigen risico
                                in de op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte
                                zorgverzekering;</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.14 Borstvoeding</vet></titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar die een borstkind heeft wordt de
                            gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te
                            kolven.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel E.15 Ontslag wegens het niet meewerken aan
                                    re-integratie ingeval van ongeschiktheid ten gevolge van ziekte
                                    zijn arbeid te verrichten of wegens het niet aanvragen van een
                                    uitkering op grond van de WIA</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan ontslag worden
                                verleend indien hij zonder deugdelijke grond weigert of nalaat: </al><lijst><li nr="a."><al> gevolg te geven aan door gedeputeerde staten of een door
                                        hen aangewezen deskundige ge-geven redelijke voorschriften
                                        en mee te werken aan door gedeputeerde staten of een door
                                        hen aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in
                                        staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te
                                        verrichten;</al></li><li nr="b."><al> zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren
                                        en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        25, tweede lid, van de WIA dan wel artikel 71a, tweede lid,
                                        van de WAO;</al></li><li nr="c."><al> passende arbeid te verrichten waartoe gedeputeerde staten
                                        hem in de gelegenheid stellen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Alvorens een besluit tot ontslag op grond van het eerste lid te
                                nemen wordt het UWV verzocht een oordeel te geven als bedoeld in
                                artikel 30, eerste lid, onderdelen f en g, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Aan de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan na afloop van de
                                in artikel E.9, eerste lid, bedoelde termijn ontslag worden verleend
                                indien hij zonder deugdelijke grond heeft geweigerd of nagelaten een
                                uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK F OVERIGE RECHTEN EN PLICHTEN</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.1 Integriteit</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht aan gedeputeerde staten opgave te doen
                                van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan
                                verrichten die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband
                                staan met zijn functievervulling, kunnen raken. De gedane opgaven
                                worden door gedeputeerde staten geregistreerd. Van iedere ambtenaar
                                afzonderlijk die een functie vervult waarvoor een hogere
                                salarisschaal geldt dan salarisschaal 13 worden de ingevolge de
                                eerste volzin gemelde nevenwerkzaamheden openbaar gemaakt, met
                                vermelding van eventueel door gedeputeerde staten aan het verrichten
                                van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                waardoor de goede vervul-ling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar die in opdracht van gedeputeerde staten
                                nevenwerkzaamheden verricht die ver-band houden met de vervulling
                                van zijn functie, is verplicht de voor die werkzaamheden anders dan
                                uit de provinciale kas ontvangen vergoeding in de provinciale kas te
                                storten, tenzij gedeputeerde staten uitdrukkelijk anders hebben
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                nemen aan aannemingen of leveringen ten behoeve van de provincie,
                                tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. De ambtenaar
                                is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald
                                omtrent aannemin-gen of leveringen ten behoeve van anderen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden in verband met zijn functie enige
                                bevoordeling te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij
                                daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. Het aannemen van
                                steekpenningen is onvoorwaardelijk verboden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden ten eigen bate of ten bate van derden: </al><lijst><li nr="-"><al> diensten te laten verrichten door personen in dienst van de
                                        provincie;</al></li><li nr="-"><al> aan de provincie toebehorende eigendommen te
                                        gebruiken;</al></li><li nr="-"><al> gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn
                                        functie ter kennis is gekomen; tenzij daarvoor schriftelijk
                                        toestemming is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht bij zijn aanstelling de eed of belofte af
                                te leggen. Gedeputeerde staten stellen het formulier van de eed en
                                belofte vast. Indien de ambtenaar daartoe aan zijn godsdien-stige
                                gezindheid de plicht ontleent, kan hij de eed afleggen op een wijze
                                die in overeenstemming is met zijn godsdienstige gezindheid.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Gedeputeerde staten wijzen de ambtenaren aan die werkzaamheden
                                verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                koersgevoelige informatie is verbonden. De aangewezen ambtenaar
                                meldt gedeputeerde staten financiële belangen, alsmede het bezit van
                                en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover
                                deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.
                                Gedeputeerde staten voeren een registratie van op grond van de
                                tweede volzin gedane meldingen. De ambtenaar verstrekt nadere
                                informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen
                                of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor
                                naar het oordeel van gedeputeerde staten aanleiding bestaat op grond
                                van de melding of na de melding gebleken feiten of
                                omstandigheden.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                                effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor
                                de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de
                                openbare dienst, voor zover dit in verband staat met zijn
                                functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, nadere regels stellen ter uitvoering van het
                                bepaalde in het eerste tot en met negende lid.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen, met inachtneming van de hierover in
                                het SPA gemaakte afspraken, een procedure vast voor het omgaan met
                                vermoedens van misstanden in de provinciale organisatie, die leven
                                bij personen die bij de provincie werkzaam zijn of zijn geweest. Zij
                                regelen de bescherming van de ambtenaar bij melding van vermoedens
                                van misstanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.2 Dienstkleding en onderscheidingstekens</vet></titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de voor
                            die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding en
                            onderscheidingstekens te dragen en zich te houden aan de ter zake
                            vastgestelde voorschriften.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.3 Schadevergoeding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die bij de uitoefening van de hem opgedragen
                                werkzaamheden schade toebrengt aan de provincie of aan een derde
                                jegens wie de provincie tot vergoeding van schade gehouden is, is
                                hiervoor niet jegens de provincie aansprakelijk, tenzij de schade
                                een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de
                                omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de hem
                                opgedragen werkzaamheden, anders voortvloeien dan in de eerste
                                volzin is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen naar billijkheid de ambtenaar schade
                                vergoeden aan hem toebe-horende kleding en uitrusting, geen
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen zijnde, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid
                                lijdt ten gevolge van de uitoefening van de hem opgedragen
                                werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Aan de ambtenaar kan naar billijkheid schade worden vergoed aan een
                                hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij lijdt ten
                                gevolge van de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden,
                                tenzij </al><lijst><li nr="a."><al> de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid
                                        van de ambtenaar; of</al></li><li nr="b."><al> de ambtenaar dienstreizen met bedoeld motorrijtuig maakt
                                        over een totale afstand van 10.000 of meer kilometers
                                        gemiddeld per jaar en per kilometer een vergoeding ontvangt
                                        gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per
                                        kilometer; of</al></li><li nr="c."><al> hem geen toestemming is verleend voor het gebruik van
                                        bedoeld motorrijtuig.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.4 Kostenvergoedingen</vet></titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Gedeputeerde staten stellen regels inzake vergoeding van reis-
                                    en verblijfkosten wegens dienst-reizen met inachtneming van de
                                    hierover in het SPA gemaakte afspraken.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde staten stellen regels inzake vergoeding van
                                    verhuiskosten en pensionkosten met inachtneming van de hierover
                                    in het SPA gemaakte afspraken.</al></li><li nr="3."><al> Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig
                                    hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, regels vaststellen
                                    inzake vergoeding van kosten voor dienstkleding en
                                    onderscheidingstekens.</al></li><li nr="4."><al> Aan de ambtenaar die in verband met zijn functievervulling
                                    andere dan in het eerste, tweede en derde lid bedoelde kosten
                                    heeft moeten maken, kan vergoeding in die kosten worden verleend
                                    met inachtneming van door gedeputeerde staten te stellen regels
                                    waarover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                    plaatsgevonden.</al></li></lijst><al><vet>P.M. Voorzieningen woon/werk</vet></al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.5 Woonplaats</vet></titel></kop><al>De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen nabij de
                            plaats van tewerkstelling, indien dit naar het oordeel van gedeputeerde
                            staten noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van de
                            functie.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.6 Dienstwoning</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien dit voor de goede vervulling van de functie nodig is kan de
                                ambtenaar worden verplicht te gaan wonen in de dienstwoning die hem
                                is aangewezen. De ambtenaar dient zich te gedragen naar de
                                voorschriften die ter zake van de bewoning en het gebruik zijn
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij draagt de onderhoudskosten van de dienstwoning die volgens de
                                wet en het plaatselijk gebruik normaal voor rekening van de huurder
                                zijn, tenzij met hem andere afspraken zijn gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Opzegging van de dienstwoning geschiedt ten minste drie maanden
                                tevoren. Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen hiervan
                                afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.7 Jaargesprekken (planning, voortgang, evaluatie en
                                    beoordeling)</vet></titel></kop><al>Met de ambtenaar wordt periodiek een planningsgesprek, een
                            voortgangsgesprek en een evaluatie- en beoordelingsgesprek gehouden.
                            Gedeputeerde staten stellen daartoe algemeen verbindende voorschriften
                            vast met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte
                            afspraken.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.8 Aanzuivering tekorten</vet></titel></kop><al>De rekenplichtige ambtenaar is verplicht een tekort geheel of
                            gedeeltelijk aan te zuiveren, indien hem ter zake van dat tekort een
                            ernstig verwijt kan worden gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.9 Verplichte opleiding</vet></titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht de opleidingen te volgen die gedeputeerde
                            staten voor hem noodzakelijk achten in het belang van de dienst. De
                            kosten die zijn verbonden aan het volgen van de in de eerste volzin
                            bedoelde opleidingen komen ten laste van de provincie. Voor het bijwonen
                            van de lessen en het deelnemen aan (deel)examens en tentamens in
                            werktijd wordt de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend.
                            Gedeputeerde staten regelen de faciliteiten ingeval de lessen buiten de
                            werktijd plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.10 Opleiding en ontwikkeling</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ten minste een keer per drie jaren maken de leidinggevende en de
                                ambtenaar in het planningsgesprek, bedoeld in artikel F.7, afspraken
                                over de loopbaanontwikkeling, de daartoe benodigde competenties en
                                de in dat kader te volgen opleidingen en te ondernemen andere
                                activiteiten. De afspraken worden vastgelegd in een persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De afspraken in het persoonlijk ontwikkelingsplan moeten passen in
                                de doelstellingen, criteria en budgettaire en andere voorwaarden van
                                het provinciaal opleidingsbeleid en het op basis daar-van voor het
                                betrokken provinciaal personeel vastgestelde algemene
                                opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde staten vergoeden de kosten van de opleiding en andere
                                activiteiten die de amb-tenaar maakt ter uitvoering van het
                                persoonlijk ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan leggen de leidinggevende en de
                                ambtenaar afspraken vast over de voorzieningen, daaronder begrepen
                                de eventuele toekenning van verlof, die de ambtenaar in staat moeten
                                stellen uitvoering te geven aan het ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan leggen de leidinggevende en de
                                ambtenaar ook afspraken vast met betrekking tot in ieder geval een
                                of meer van de volgende onderwerpen: </al><lijst><li nr="a."><al> de keuze van opleidingsvorm of instituut en de
                                        redelijkerwijs te maken kosten;</al></li><li nr="b."><al> de studieperiode;</al></li><li nr="c."><al> de minimaal te behalen resultaten en de te maken
                                        voortgang;</al></li><li nr="d."><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie,
                                        onderscheidenlijk bij het verlaten van de provinciale dienst
                                        binnen een te bepalen periode na afronding van de
                                        studie;</al></li><li nr="e."><al> andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                        uitvoering van het ontwikkelingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.11 Bescherming</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat de ambtenaar die
                            activiteiten vervult waarvoor hij op grond van het bepaalde in artikel
                            D.13 als lid van één van de vakorganisaties van overheidspersoneel
                            buitengewoon verlof kan genieten, niet wegens zijn lidmaatschap van of
                            activiteiten voor die vakorganisaties wordt benadeeld in zijn positie in
                            de provinciale organisatie.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.12 Individuele keuzemogelijkheden
                                    arbeidsvoorwaarden</vet></titel></kop><al>Gedeputeerde staten stellen, met inachtneming van de hierover in het SPA
                            gemaakte afspraken, algemeen verbindende voorschriften vast waarin de
                            ambtenaar individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket
                            worden geboden.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel F.13 Tegemoetkoming kosten kinderopvang</vet></titel></kop><al>Vervallen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK G ORDE- EN STRAFMAATREGELEN</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel G.1 Maatregelen van orde</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
                                orde die ten aanzien van het verblijf in dienstlokalen,
                                dienstgebouwen of op het werk zijn vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar kan de toegang tot de dienstlokalen,
                                dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden
                                ontzegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel G.2 Schorsing</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan voor bepaalde tijd worden geschorst, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf tegen hem
                                        wordt ingesteld;</al></li><li nr="b."><al> hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                                        ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is
                                        opgelegd;</al></li><li nr="c."><al> tegen hem volgens de ter zake geldende bepalingen van het
                                        Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                        uitvoer gelegd of</al></li><li nr="d."><al> het belang van de dienst dit verlangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Behoudens bij schorsing op grond van het eerste lid, onderdeel d,
                                kan tijdens de schorsing de bezoldiging geheel of gedeeltelijk
                                worden ingehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan
                                aan de ambtenaar wor-den uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel G.3 Plichtsverzuim</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichting niet nakomt of zich
                                overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan om die reden
                                disciplinair gestraft worden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als
                                het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
                                omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel G.4 Disciplinaire straffen</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd zijn </al><lijst><li nr="a."><al> schriftelijke berisping;;</al></li><li nr="b."><al> geldboete tot ten hoogste 10% van twaalf maal het bedrag
                                        van zijn salaris;</al></li><li nr="c."><al> benoeming in een andere functie;</al></li><li nr="d."><al> ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij het opleggen van de straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
                                uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een
                                vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk
                                plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan
                                enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan daarbij
                                eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel G.5 Tenuitvoerlegging</vet></titel></kop><al>Het besluit tot strafoplegging wordt onmiddellijk ten uitvoer gelegd,
                            tenzij anders is bepaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK H DIENSTVERBAND OP ARBEIDSOVEREENKOMST</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.1 Definities</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk
                                aangehaalde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wordt verstaan
                                onder: </al><lijst><li nr="a."><al> werknemer: degene die op arbeidsovereenkomst naar
                                        burgerlijk recht door gedeputeerde staten in dienst van de
                                        provincie is genomen;</al></li><li nr="b."><al> oproepkracht: de werknemer die in dienst is genomen voor
                                        het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard
                                        of omvang wisselend karakter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Namens de provincie treden gedeputeerde staten op als werkgever
                                voor de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk
                                aangehaalde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.2 Gronden voor indienstneming op
                                    arbeidsovereenkomst</vet></titel></kop><al>Indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan slechts
                            plaatsvinden:</al><lijst><li nr="a."><al> voor tijdelijke aanpassing van het personeelsbestand aan een
                                    wisselende behoefte;</al></li><li nr="b."><al> indien betrokkene blijkens de bewoordingen van de
                                    arbeidsovereenkomst hoofdzakelijk in dienst is genomen ten
                                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of
                                    vorming;</al></li><li nr="c."><al> voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door
                                    de overheid getroffen rege-ling, die het karakter draagt door
                                    een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces
                                    te bevorderen van personen die behoren tot een of meer bepaalde
                                    groepen van werklozen;</al></li><li nr="d."><al> voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in
                                    aard of omvang wisselend karakter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.3 Vaststelling arbeidsovereenkomst</vet></titel></kop><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                            opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.4 Duur arbeidsovereenkomst</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel a, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel b, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste de tijd die
                                noodzakelijk is voor de in dat onderdeel bedoelde wetenschappelijke
                                of praktische opleiding of vorming.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel c, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste de tijd dat de in dat
                                onderdeel bedoelde regeling op de werknemer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.5 Loon</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De werkgever bepaalt volgens welke van de hierna genoemde
                                regelingen de loonbetaling zal plaatshebben: </al><lijst><li nr="a."><al> volgens de regelingen voor de ambtenaren;</al></li><li nr="b."><al> volgens de loonregeling voor de groep waarvan de werknemer
                                        deel uitmaakt, die de werkgever heeft vastgesteld nadat
                                        hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden;
                                        of</al></li><li nr="c."><al> op een bedrag, voor elk geval of voor elke te verrichten
                                        dienst afzonderlijk vast te stellen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in en krachtens hoofdstuk C is voor zoveel mogelijk
                                van overeenkomstige toepassing, voor zover met toepassing van het
                                eerste lid, onderdelen b en c, niet anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.6 Toepasselijkheid bepalingen Burgerlijk
                                    Wetboek</vet></titel></kop><al>De bepalingen van Boek 7, Titel 10, afdelingen 1 tot en met 9, van het
                            Burgerlijk Wetboek zijn, voorzover in dit hoofdstuk niet anders is
                            bepaald, van toepassing op de arbeidsovereenkomst.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.7 Toepasselijkheid bepalingen in en krachtens deze
                                    regeling</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In aanvulling op artikel H.6 is het bepaalde ten aanzien van
                                ambtenaren in en krachtens de artikelen A.4, A.6, B.3, B.6, derde
                                tot en met zesde lid, B.7, B.14, tweede, derde en vierde lid,
                                hoofdstuk D, de artikelen E.1 tot en met E.8, E.10 tot en met E.12
                                en E.14, alsmede de hoofdstukken F - met uitzondering van artikel
                                F.3, eerste en tweede lid - en G voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing op de arbeidsovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de werknemer die deelnemer is in de zin van het
                                pensioenreglement is het bepaalde in en krachtens B.13 en E.9 voor
                                zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de
                                arbeidsovereenkomst.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.8 Einde arbeidsovereenkomst bij verlies
                                    verblijfstitel vreemdelingen</vet></titel></kop><al>De arbeidsovereenkomst van de werknemer die geen Nederlander is kan te
                            allen tijde zonder opzeggingstermijn worden beëindigd indien hij niet
                            langer in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8
                            van de Vreemdelingenwet 2000 of de provincie voor hem niet langer
                            beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid
                            vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens
                            laatstgenoemde wet niet is vereist..</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.9 Oproepkrachten</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De werkgever is verplicht, indien zich werkzaamheden voordoen die
                                een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het
                                verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De oproepkracht is in beginsel verplicht de werkzaamheden - na
                                daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een oproep tot arbeid kan door de werkgever worden afgezegd en door
                                de oproepkracht worden geweigerd tot uiterlijk twaalf uur vóór de
                                aanvang van de feitelijke werkzaamheden. In geval van niet tijdige
                                afzegging door de werkgever bestaat aanspraak op loon als ware de
                                werkzaamheden feitelijk vervuld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel H.10 Doorwerking wijzigingen</vet></titel></kop><al>Een wijziging van het bepaalde bij of krachtens deze regeling geldt,
                            voorzover het tegendeel niet is bepaald, ook voor de werknemer die bij
                            het in werking treden van die wijziging al op arbeidsovereenkomst in
                            dienst van de provincie is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK I OVERLEG</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel I.1 Overleg met vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met vakorganisaties van overheidspersoneel wordt overleg gevoerd
                                over de onderwerpen die zijn genoemd in artikel I.2.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt gevoerd tussen een
                                door gedeputeerde staten aangewezen delegatie en vertegenwoordigers
                                van: </al><lijst><li nr="a."><al> FNV;</al></li><li nr="b."><al> CNV Connectief en</al></li><li nr="c."><al> andere vakorganisaties van overheidspersoneel, indien
                                        gedeputeerde staten hen, onder meer gelet op het aantal
                                        ambtenaren dat zij in de provincie vertegenwoordigen, als
                                        representatief voor de provincie hebben aangemerkt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel I.2 Onderwerpen van overleg</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Overleg vindt plaats over: </al><lijst><li nr="a."><al> de regeling van de rechtstoestand van de ambtenaar waar dat
                                        overleg in de onderscheiden hoofdstukken is voorgeschreven
                                        en overigens, als het overleg daarover niet is voorbehouden
                                        aan het SPA, indien en voorzover dat in het SPA is
                                        overeengekomen;</al></li><li nr="b."><al> de vaststelling van regels omtrent de te volgen procedure
                                        bij reorganisaties en omtrent de personele gevolgen van
                                        reorganisaties als bedoeld in artikel B.8, daaronder
                                        begrepen de vaststelling van sociale beleidskaders;</al></li><li nr="c."><al> werkgelegenheid, voor zover daarover geen overleg
                                        plaatsvindt in het SPA;</al></li><li nr="d."><al> de nadere uitwerking van in het SPA gemaakte afspraken,
                                        indien dat in het SPA is overeengekomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In geval van een reorganisatie waarbij de positie van minder dan 10
                                personen is betrokken kan overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten minste eenmaal per jaar vindt overleg plaats over de algemene
                                gang van zaken in de provincie welke van belang is voor de
                                ambtenaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel I.3 Wijze van overleg</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het overleg wordt voorgezeten door de portefeuillehouder voor
                                personeelsaangelegenheden uit het midden van gedeputeerde staten.
                                Hij wordt ondersteund door een door hem aan te wijzen
                                secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De door gedeputeerde staten aangewezen delegatie en de
                                vertegenwoordigers van de vakorganisaties van overheidspersoneel
                                kunnen zich in het overleg laten bijstaan door deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het overleg vindt plaats indien de door gedeputeerde staten
                                aangewezen delegatie dan wel één of meer van de in artikel I.1,
                                tweede lid, bedoelde vakorganisaties van overheidspersoneel dat
                                noodzakelijk achten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De uitnodiging voor het overleg gaat uit van de secretaris. Deze
                                stelt de vakorganisaties van overheidspersoneel tevoren in de
                                gelegenheid om hun wensen met betrekking tot de te bespreken
                                onderwerpen kenbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel nadere afspraken maken over de wijze van
                                overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel I.4 Overeenstemmingvereiste</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het overleg betrekking heeft op de invoering, wijziging of
                                intrekking van een regeling met rechten of verplichtingen van
                                individuele ambtenaren moet hierover overeenstemming worden bereikt
                                met een meerderheid van de in dat overleg vertegenwoordigde
                                vakorganisaties van overheidspersoneel. Elk van de vertegenwoordigde
                                vakorganisaties van overheidspersoneel brengt daarbij zoveel stemmen
                                uit als deze leden heeft in de provincie, met dien verstande dat het
                                aantal stemmen van één vakorganisatie van overheidspersoneel nooit
                                meer kan zijn dan het aantal stemmen van de overige
                                vakorganisatie(s) van overheidspersoneel tezamen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien overeenstemming is bereikt met niet de meerderheid van de
                                vakorganisaties van over-heidspersoneel worden de voorstellen alleen
                                doorgevoerd als de voorzitter van het overleg heeft geconstateerd
                                dat hiervoor voldoende draagvlak is. Een zodanig draagvlak is in elk
                                geval niet aanwezig als het aantal uitgebrachte stemmen van de
                                vakorganisatie(s) waarmee overeenstemming is bereikt, minder is dan
                                de helft van het totaal aantal uitgebrachte stemmen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien en zolang de in het eerste lid bedoelde overeenstemming niet
                                wordt bereikt blijft de invoe-ring, wijziging of intrekking van de
                                daar bedoelde regelingen achterwege. In dat geval worden ad hoc
                                nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop verder zal worden
                                gehandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel I.5 Advies en arbitrage bij geschillen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                        provinciebestuur en de vertegenwoordigers van de
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel, genoemd in artikel
                                        I.1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al> advies- en arbitragecommissie: de advies- en
                                        arbitragecommissie, ingesteld door het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit artikel is van toepassing op geschillen inzake de
                                aangelegenheden, bedoeld in artikel I.4, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het
                                overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot
                                een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg
                                zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij
                                daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis
                                van de overige deelnemers aan het overleg.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in het derde lid,
                                schrijft de voorzitter een overlegvergadering met de vakorganisaties
                                van overheidspersoneel uit. De vergadering moet worden gehouden
                                binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven. Tenzij de deelnemers
                                aan het overleg besluiten het overleg voort te zetten dan wel te
                                beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeen- stemming
                                bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil
                                zijn en of een oplossing van het geschil zal worden gezocht door
                                middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                                ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door
                                onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die
                                commissie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Tot het inwinnen van advies zijn – ieder voor zich – de
                                vertegenwoordiging van het provinciebestuur en een meerderheid van
                                de in het overleg vertegenwoordigde vakorganisaties van
                                overheidspersoneel bevoegd. Voor onderwerping van het geschil aan
                                arbitrage is overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het
                                overleg.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in het vierde lid,
                                wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter
                                van de advies- en arbitrage- commissie. Het verzoek wordt
                                ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor
                                inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het
                                onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering,
                                bedoeld in het vierde lid, geen overeenstemming is bereikt tussen
                                alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en
                                de inhoud van het geschil zijn, brengen de overige deelnemers aan
                                het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil
                                eveneens binnen zes dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis
                                van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in het vierde lid,
                                wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter
                                van de advies- en arbitrage- commissie. Het verzoek daartoe wordt
                                ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste
                                te bevatten: </al><lijst><li nr="a."><al> het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al> de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                                        onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg
                                over het geschil voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                                bindende kracht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK J SLOTBEPALING</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel J.1 Citeertitel</vet></titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als Collectieve
                            Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>OVERGANGSRECHT INVOERING CAP</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel II</vet> (vervallen van
                                rechtspositieregelingen)</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel III</vet> (wijziging van
                                rechtspositieregelingen)</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel IV</vet> (juridische grondslag voor regelingen die
                                niet of nog niet vervallen)</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel V Individueel overgangsrecht</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die direct voorafgaand aan de in artikel VI, eerste
                                lid, genoemde datum hetzij een aanstelling in vaste dienst van de
                                provincie heeft hetzij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde
                                tijd, is met ingang van de in artikel VI, eerste lid, genoemde datum
                                aangesteld voor onbepaalde tijd in dienst van de provincie als
                                bedoeld in artikel B.2, tweede lid , van de Collectieve
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies. Rechten en plichten die
                                verband houden met de aanstelling in vaste dienst, onderscheidenlijk
                                de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd zijn vanaf de in
                                artikel VI, eerste lid, genoemde datum rechten en plichten die
                                verband houden met de aanstelling voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bepalingen inzake de aanstelling in tijdelijke dienst voor
                                bepaalde tijd zoals die luidden vóór de in artikel VI, eerste lid,
                                genoemde datum blijven van toepassing op een aanstelling in
                                tijdelijke dienst die op de in artikel VI, eerste lid, genoemde
                                datum niet is afgelopen. De aanstelling in tijdelijke dienst geldt
                                voor de toepassing van artikel B.3, derde tot en met vijfde lid ,
                                van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies vanaf de in
                                artikel VI, eerste lid, genoemde datum als een aanstelling voor
                                bepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in artikel E.11, tweede lid, van de
                                Collectieve Arbeidsvoorwaarden regeling Provincies, voor wie direct
                                voorafgaand aan de in artikel VI, eerste lid, genoemde datum ten
                                laste van de provincie een regeling geldt inzake tegemoetkoming in
                                de kosten van een parti-culiere ziektekostenverzekering, is het
                                bepaalde in artikel E.13, tweede lid, van de Collectieve
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst die vóór de in artikel VI,
                                eerste lid, genoemde datum is aangegaan op een andere dan de in
                                artikel H.2 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies
                                genoemde grond of voor een langere dan de in artikel H.4 van de
                                Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies voorgeschreven
                                maximale duur blijft de overeengekomen grond, onderscheidenlijk de
                                overeengekomen duur van de arbeidsovereenkomst gehandhaafd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel VI Inwerkingtreding</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met uitzondering van de artikelen B.6, B.7, B.16 en D.3 van de
                                Collectieve Arbeidsvoorwaar-denregeling Provincies treedt dit
                                besluit in werking, na uitgifte van het provinciaal blad waarin het
                                is geplaatst, op 1 oktober 2000.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De artikelen B.16 en D.3 van de Collectieve
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies treden, na uitgifte van het
                                provinciaal blad waarin ze zijn geplaatst, in werking op 1 januari
                                2001.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De artikelen B.6 en B.7 van de Collectieve
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies treden, na uitgifte van het
                                provinciaal blad waarin ze zijn geplaatst, in werking op een nader
                                door gedeputeerde staten te bepalen datum, nadat over de datum van
                                invoering overeenkomstig hoofdstuk I van de Collectieve
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies overleg met de vakorganisaties
                                van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, doch uiterlijk met
                                ingang van 1 januari 2002. Daarbij worden in acht genomen de
                                afspraken die daarover in bijlage 5b van het SPA-akkoord 2000/2001
                                zijn gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in de artikelen
                                B.14, derde lid , en E.8, onder-scheidenlijk artikel B.16 van de
                                Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies, treden in werking
                                op de in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, genoemde datum
                                met inachtneming van de in die algemeen verbindende voorschriften
                                opgenomen overgangs- en slotbepalingen. In die overgangs- en
                                slotbepalingen is tevens vastgesteld dat gedeputeerde staten de
                                datum bepa-len waarop de wachtgeldregeling en de uitkeringsregeling
                                bij werkloosheid vervallen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>OVERGANGSRECHT EN INWERKINGTREDING SECTORALE VERLOFREGELING
                            (invoeging artikelen D.5 t/m D.19 en aanpassing artikelen B.11,
                            onderdeel f, F.10 en H.7 van de CAP)</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel II (sectoraal overgangsrecht</vet>)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op personeel dat vóór 1 april 2000 in dienst is van de provincie is
                                de garantieregeling van toe-passing die is overeengekomen in
                                onderdeel 4 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenovereen-komst
                                sector provincies 2000/2001 ingeval de daarin vastgelegde
                                verlofafspraken per saldo een achteruitgang betekenen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op provinciaal personeel dat op 31 december 2000 ouderschapsverlof
                                geniet op grond van de op die datum geldende provinciale
                                rechtspositieregelingen, is vanaf 1 januari 2001 het bepaalde in
                                artikel D.17 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                                Provincies van toepassing, tenzij het vóór 1 januari 2001 te kennen
                                heeft gegeven te kiezen voor voortzetting van het ouder-schapsverlof
                                overeenkomstig de tot 1 januari 2001 geldende provinciale regeling
                                van het ouder-schapsverlof, in welk geval die regeling vanaf 1
                                januari 2001 voor de resterende duur van het ouderschapsverlof van
                                toepassing blijft. De in de eerste volzin bedoelde keuzemogelijkheid
                                is eenmalig.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel III</vet> (lokaal overgangsrecht)</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel IV</vet></titel></kop><al>Dit besluit treedt in werking, na uitgifte van het provinciaal blad
                            waarin het is geplaatst, op 1 januari 2001.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>OVERGANGSRECHT BIJ INVOERING HOOFDSTUK C BEZOLDIGING</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel II sectoraal overgangsrecht</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt met ingang van 1 januari 2005 ingepast in de
                                salarisschaal die voor hem krachtens artikel C.5 van de Collectieve
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies is bepaald, op het salaris
                                waarop hij op grond van de oude regeling op die datum aanspraak zou
                                hebben ge-had.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het salaris waarop de ambtenaar op grond van de oude
                                regeling op 1 januari 2005 aan-spraak zou hebben gehad ligt boven
                                het maximumsalaris van de salarisschaal die voor hem krachtens het
                                eerste lid is bepaald, wordt hij op die datum ingepast op dit
                                maximumsalaris en ontvangt hij in aanvulling hierop een
                                garantietoelage ter grootte van het verschil tussen bedoeld salaris
                                en dit maximumsalaris. Deze garantietoelage wordt aangemerkt als
                                salaris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het salaris waarop de ambtenaar op grond van de oude
                                regeling op 1 januari 2005 aanspraak zou hebben gehad ligt onder het
                                minimumsalaris van de salarisschaal die voor hem krachtens het
                                eerste lid is bepaald, wordt hij op die datum ingepast op dit
                                minimumsalaris.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien voor de ambtenaar op grond van de oude regeling voor de
                                toekenning van een periodieke salarisverhoging een wachttijd geldt
                                van langer dan een jaar en er op 1 januari 2005 van die wachttijd
                                een jaar of meer is verstreken, wordt hij op die datum in de
                                salarisschaal die krachtens het eerste lid voor hem is bepaald,
                                ingepast op het salaris waarop hij op grond van de oude regeling
                                aanspraak zou hebben gehad na afloop van genoemde wachttijd. Is van
                                die wachttijd op 1 januari 2005 nog geen jaar verstreken dan wordt
                                de ambtenaar op het in de eerste volzin bedoelde salaris ingepast
                                met ingang van de dag waarop van die wachttijd een jaar is
                                verstreken en met ingang van 1 januari 2005 op het salaris waarop
                                hij op die datum op grond van de oude regeling aanspraak zou hebben
                                gehad.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien voor de ambtenaar op grond van de oude regeling een
                                salarisschaal geldt met een hoger maximumsalaris dan het
                                maximumsalaris in de salarisschaal die voor hem krachtens het eerste
                                lid is bepaald, behoudt hij het perspectief op eerst genoemd
                                maximumsalaris. Hij zal dit maximumsalaris bij normaal goed
                                functioneren nooit later bereiken dan op het tijdstip waarop hij dit
                                op grond van de oude regeling zou hebben bereikt. Voor de toepassing
                                van dit lid wordt het op grond van de oude regeling geldende
                                maximumsalaris telkens aangepast aan de algemene
                                salariswijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die op 1 januari 2002 in provinciale dienst is in een
                                functie waarin hij, te rekenen vanaf de datum waarop de
                                uitloopregeling vervalt, op grond van de oude regeling binnen
                                maxi-maal drie jaar uitzicht heeft op de bij die functie behorende
                                uitloop behoudt het perspectief op die uitloop. Plaatsing in de
                                uitloop is alleen mogelijk als de ambtenaar blijkens een volwaardige
                                beoordeling voldoet aan alle criteria die zijn gesteld voor
                                toekenning van die uitloop.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ambtenaar verstaan
                                degene die op 31 december 2004 als ambtenaar of werknemer in de zin
                                van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies in
                                provinciale dienst is en dat op 1 januari 2005 ook is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel III</vet> lokaal overgangsrecht (p.m.)</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel IV</vet> inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit besluit treedt in werking, na uitgifte van het provinciaal blad
                            waarin het is geplaatst, op 1 januari 2005.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>OVERGANGSRECHT BIJ WIJZIGING ARTIKEL F.14 CAP (SCHRAPPING PC ALS DOEL
                            IKAP)</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Artikel III</vet></titel></kop><al>[Vervallen.]</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Gedeputeerde Staten voornoemd,</ondertekening><ondertekening>Voorzitter </ondertekening><ondertekening>Sercretaris </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 1, BEDOELD IN ARTIKEL B.8 VAN DE COLLECTIEVE
                        AR-BEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES (Spelregels en flankerend beleid bij
                        reorganisaties)</titel></kop><al><vet>A. PROCEDURELE KADERS BIJ REORGANISATIES</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De provincie maakt met de vakorganisaties van overheidspersoneel
                            afspraken over de spelre-gels die bij reorganisaties in acht genomen
                            moeten worden. Voorzover die afspraken betrekking hebben op de rol van
                            de ondernemingsraad worden zij niet gemaakt dan nadat hierover overleg
                            met die ondernemingsraad heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="2."><al> Bij de afweging of tot reorganisatie moet worden overgegaan en bij de
                            afweging omtrent de omvang (ingrijpendheid) van de reorganisatie spelen
                            de personele aspecten een volwaardige rol naast organisatorische,
                            financiële en andere overwegingen.</al></li><li nr="3."><al> Voorafgaande aan elke reorganisatie moet helder zijn wie de
                            opdrachtgever is, wie bevoegd is (zijn) de terzake noodzakelijke
                            besluiten te nemen en wie overigens verantwoordelijk is (zijn) voor de
                            uitvoering.</al></li><li nr="4."><al> De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de te
                            onderscheiden fasen in het reor-ganisatieproces en een (globale)
                            opsomming van de te ondernemen activiteiten in elk van die fasen. Het
                            aantal fasen en de daarin te onderscheiden activiteiten kunnen variëren
                            naar gelang de omvang en de consequenties van die reorganisatie.</al></li><li nr="5."><al> De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de algemene
                            personele en rechtspositionele randvoorwaarden die bij reorganisaties in
                            acht genomen moeten worden.</al></li><li nr="6."><al> De spelregels bij reorganisaties geven aan wat de (wettelijke) taken en
                            bevoegdheden van de ondernemingsraad en die van de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel zijn in de verschillen-de fasen van het
                            reorganisatieproces. Globaal geldt daarbij de volgende taakafbakening.
                            De ondernemingsraad overlegt en adviseert, met inachtneming van het in
                            artikel 46d, onderdeel b, van de WOR geformuleerde politiek primaat,
                            over reorganisaties als zodanig op basis van met name artikel 25, eerste
                            lid, onderdelen c, d, e en m, van de WOR. Met de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel worden afspraken gemaakt over de personele, in het
                            bijzonder de rechts-positionele randvoorwaarden die bij de reorganisatie
                            in acht genomen worden.</al></li><li nr="7."><al> De ondernemingsraad en de vakorganisaties van overheidspersoneel zullen
                            om hun taken goed te kunnen vervullen steeds tijdig en adequaat worden
                            geïnformeerd. Voor de ondernemingsraad zijn daarbij in het bijzonder de
                            artikelen 31 en 31a van de WOR van belang. Het voornemen tot
                            reorganisatie wordt de ondernemingsraad en de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel tijdig gemeld.</al></li><li nr="8."><al> In de spelregels bij reorganisaties wordt vastgelegd op welke wijze het
                            personeel wordt betrok-ken bij de reorganisatie en wie daarvoor
                            verantwoordelijk is. Daarbij gaat het in elk geval om: </al><lijst><li nr="-"><al> tijdige en adequate informatie over de reorganisatie en de
                                    personele gevolgen daarvan;</al></li><li nr="-"><al> de mogelijkheden om te participeren in het
                                    reorganisatieproces.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>B. GEMEENSCHAPPELIJK KADER FLANKEREND BELEID PROVINCIES</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Hoofddoel van het flankerend beleid is onvrijwillige werkloosheid te
                            voorkomen. Hoge prioriteit ligt hier bij werknemers met een kwetsbare
                            positie op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al> Daartoe leveren de provincie en de werknemers wier functie wordt
                            bedreigd een gezamenlijke en actieve inspanning tot herplaatsing. Als
                            provinciale taken aan een andere of nieuwe werkgever wor-den uitbesteed
                            of overgedragen worden daartoe afspraken gemaakt over overname van
                            werkne-mers en over de condities van overgang van deze werknemers. Bij
                            herplaatsing geldt het beginsel dat de werknemer, waar mogelijk, zijn
                            taak volgt.</al></li><li nr="3."><al> Waar nodig treft de provincie aanvullende voorzieningen die de
                            herplaatsingmogelijkheden vergro-ten of belemmeringen wegnemen.</al></li><li nr="4."><al> De werknemer is verplicht ander passend werk te aanvaarden en zijn
                            medewerking te verlenen aan maatregelen ter bevordering van zijn
                            herplaatsingmogelijkheden. Het begrip "passend" moet in het licht van de
                            inspanning onvrijwillige werkloosheid te voorkomen ruim gedefinieerd
                            worden.</al></li><li nr="5."><al> De provincie spant zich in om werknemers die niet kunnen worden
                            herplaatst elders in de omgeving aan het werk te krijgen.</al></li><li nr="6."><al> Een goed sociaal vangnet voor hen die onvrijwillig werkloos worden is
                            van groot belang. Daartoe zijn in het SPA afspraken gemaakt in de vorm
                            van een voor alle provincies gelijke bovenwettelijke
                            werkloosheidsregeling.</al></li><li nr="7."><al> Waar onvrijwillige werkloosheid onvermijdelijk is bepaalt de provincie
                            in overleg met de vakorganisa-ties van overheidspersoneel de
                            ontslagvolgorde. Zij houdt daarbij rekening met de arbeidsmarktpo-sitie
                            van betrokkenen en de voor hen geldende wettelijke en bovenwettelijke
                            werkloosheidsvoorzie-ningen. Anderzijds moeten de ontslagen ook een
                            zekere afspiegeling van het personeelsbestand vormen. De geschiktheid
                            van ambtenaren kan aanleiding zijn in een concrete situatie af te wijken
                            van de ontslagvolgorde. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin de
                            ambtenaar op grond van bijzondere kennis of bekwaamheden bezwaarlijk kan
                            worden gemist of om ambtenaren in sleutel-functies die van zodanig
                            belang zijn voor de provinciale organisatie dat voor de vervulling van
                            die functies de kwaliteit van de ambtenaar een zwaarwegende rol moet
                            spelen.</al></li><li nr="8."><al> De provincie bevordert in geval van gedwongen ontslagen een spoedige
                            reïntegratie in het arbeids-proces. Zij treft voorzieningen die de
                            arbeidsmobiliteit bevorderen en belemmeringen wegnemen.</al></li></lijst><al><vet>C. INSTRUMENTEN FLANKEREND BELEID</vet></al><al>Hieronder is een opsomming gegeven van instrumenten van een flankerend beleid,
                    gericht op behoud of herstel van werk.</al><lijst><li nr="1."><al> Instrumenten t.b.v. interne herplaatsing </al><lijst><li nr="a."><al> Gerichte, individuele loopbaanbegeleiding op basis van
                                    bekwaamheden, belangstelling en aanbod van functies in de
                                    toekomst.</al></li><li nr="b."><al> Toepassen van beloningsdifferentiatie bij positieve horizontale
                                    of neerwaartse herplaatsing.</al></li><li nr="c."><al> Om-, her- en bijscholing.</al></li><li nr="d."><al> Wegnemen c.q. vermindering van financiële belemmeringen voor
                                    herplaatsing, zoals garanties t.a.v. salaris(schaal), afbouw van
                                    wegvallende of teruglopende (secundaire) emolumenten en
                                    tegemoet-komingen in extra kosten (bijv. verhuiskosten, extra
                                    reiskosten woon/werk).</al></li><li nr="e."><al> Stimulering van interne mobiliteit via bijv.
                                    mobiliteitspremies, detacheringen, proefplaatsingen en/of
                                    spijtoptantenregelingen.</al></li><li nr="f."><al> Verlening van een voorkeurspositie bij interne
                                    vacaturevervulling.</al></li><li nr="g."><al> Tijdelijke plaatsing boven de formatie (in het concrete
                                    vooruitzicht van een definitieve herplaatsing).</al></li><li nr="h."><al> Sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat tijdens de
                                    werkloosheidsuitkering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Instrumenten ter bevordering van de (externe) arbeidsmobiliteit </al><lijst><li nr="a."><al> Tijdelijke arbeidsbemiddeling (bijv. via outplacement)</al></li><li nr="b."><al> Begeleiding en ondersteuning bij sollicitaties
                                    (sollicitatiecursus, beroepskeuzetests, voorlichting over
                                    vacatures e.d.).</al></li><li nr="c."><al> Afspraken met overheden en relevante instellingen in de
                                    omgeving en buurprovincies over bijv. vacature-uitwisseling,
                                    sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat, detacheringen
                                    en andere vor-men van collegiale doorlening.</al></li><li nr="d."><al> Vertrekpremies en/of loonsuppletieregelingen ter bevordering
                                    van de arbeidsmobiliteit.</al></li><li nr="e."><al> Faciliteiten bij de opbouw van een eigen bedrijf (bijv. via
                                    afkoop van de bovenwettelijke werkloos-heidsuitkering,
                                    tijdelijke non-activiteit met terugkeermogelijkheid).</al></li><li nr="f."><al> Om-, her- en bijscholing.</al></li><li nr="g."><al> Wegnemen van belemmeringen van de arbeidsmobiliteit
                                    (sollicitatieverlof, flexibele opzegtermijn, ontheffing
                                    terugbetalingsplicht studie- en verhuiskosten,
                                    verhuiskostenvergoeding e.d.).</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 2, BEDOELD IN ARTIKEL C.4, EERSTE LID, VAN DE COLLECTIEVE
                        ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Noord-Brabant/i271645.pdf">salarisgebouw provincies en minimumvakantie-uitkering per 1 juli 2015</extref></al></bijlage><nota-toelichting><al>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Formele basis Wijziging van de
                    Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) Uitvoeringsregels
                    Instructies Andere regelgeving Artikelgewijze toelichting Artikel A.1 Definities
                    Artikel A.2 Wijziging Artikel A.4 Bijzondere voorziening Artikel A.5 Goed
                    werkgeverschap en goed werknemerschap Artikel A.6 Bekendmaking</al><al>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten De aanstelling Het ontslag
                    Artikelgewijze toelichting Artikel B.1 Aanstelling Artikel B.2 Aanstelling voor
                    bepaalde tijd Artikel B.3 Eisen van geschiktheid en bekwaamheid Artikel B.4
                    Informatie bij indiensttreding Artikel B.5 Algemene dienst en artikel B.6 Andere
                    functie of werkzaamheden Artikel B.7 Andere werkzaamheden in bijzondere
                    omstandigheden Artikel B.8 Spelregels en flankerend beleid reorganisaties
                    Artikel B.9 Ontslaggronden Artikel B.13 Reorganisatieontslag Artikel B.14
                    Voorzieningen in aanvulling op de Werkloosheidswet (WW) Artikel B.15 Uitkering
                    bij overlijden</al><al>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Artikelgewijze toelichting Artikel
                    C.1. Recht op bezoldiging Artikel C.2 Uitbetaling salaris en toelagen Artikel
                    C.3 Salaris en toelagen bij gebroken tijdvakken Artikel C.4 Inrichting
                    salarisgebouw Artikel C.5 Bepaling salarisschaal Artikel C.6 Bepaling salaris
                    Artikel C.7 Salarisontwikkeling bij duurzame groei in het functioneren Artikel
                    C.8 Salaris bij deeltijdfuncties Artikelen C.9 en C.10 Incidentele beloning van
                    prestaties en extra inzet Artikel C.11 Toelage waarneming andere functie Artikel
                    C.12 Toelage onregelmatige dienst Artikel C.13 Afbouw toelage onregelmatige
                    dienst Artikel C.14 Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie Artikel C.15 Toelage
                    op andere gronden Artikel C.16 Vakantie-uitkering Artikel C.17
                    Eindejaarsuitkering Artikel C.18 Eenmalige uitkering Artikel C.20 Vergoeding
                    voor overwerk Artikel C.21 Vergoeding voor andere extra diensten dan
                    overwerk</al><al>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten. Arbeidsduur en werktijden
                    Algemeen en buitengewoon verlof Wet arbeid en zorg Artikelgewijze toelichting
                    Artikel D.1 Arbeidsduur Artikel D.2 Werktijdenregelingen Artikel D.3 Aanwijzing
                    collectieve roostervrije dagen Artikel D.4 Werktijdvermindering oudere
                    ambtenaren Artikel D.5 Aanspraak op vakantieverlof Artikel D.6 Verminderde
                    aanspraak op vakantieverlof Artikel D.7 Opnemen van het vakantieverlof Artikel
                    D.8 Vakantieverlof en ziekte Artikel D.9 Vakantieverlof en einde dienstverband
                    Artikel D.10 Sparen van vakantieverlof Artikel D.11 Zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof Artikelen D.12, D.13 en D.17 Buitengewoon verlof Artikel D.14
                    Non-activiteit Artikel D.15 Ouderschapsverlof Artikel D.16 Financiering
                    loopbaanonderbreking</al><al>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Artikel E.1 Algemene bepalingen
                    Artikel E.2 Keuring bij aanstelling of functiewijziging Artikel E.3 Verplichte
                    periodieke functiegerichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken Artikel E.4
                    Individueel gerichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken Artikel E.5 Medisch
                    advies, hernieuwd onderzoek Artikel E.6 Buitendienststelling Artikel E.7
                    Reïntegratie van zieke ambtenaren Artikel E.8 Aanspraken bij ziekte en
                    arbeidsongeschiktheid Artikel E.9 Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid Artikel
                    E.11 IZA-deelnemerschap Artikel E.12 1%-regeling ziektekosten Artikel E.13
                    Bijzondere tegemoetkoming ziektekostenverzekering</al><al>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Artikelgewijze toelichting Artikel
                    F.1 Integriteit Artikel F.3 Schadevergoeding Artikel F.4 Kostenvergoedingen
                    Artikel F.5 Woonplaats Artikel F.6 Dienstwoning Artikel F.7 Jaargesprekken
                    (planning, voortgang, evaluatie en beoordeling) Artikel F.8 Aanzuivering tekort
                    Artikel F.9 Verplichte opleiding</al><al>Artikel F.10 Opleiding en ontwikkeling Artikel F.11 Bescherming
                    vakbondskaderleden Artikel F.12 Spaarloonregeling Artikel F.13 Tegemoetkoming
                    kosten kinderopvang Artikel F.14 Individuele keuzemogelijkheden
                    arbeidsvoorwaarden</al><al>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Artikelgewijze toelichting Artikel
                    G.1 Maatregelen van orde Artikel G.2 Schorsing Artikel G.4 Disciplinaire
                    straffen Artikel G.5 Tenuitvoerlegging</al><al>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Artikelgewijze toelichting Artikel
                    H.1 Definities Artikel H.2 Gronden voor indienstneming op arbeidsovereenkomst
                    Artikel H.4 Duur arbeidsovereenkomst Artikel H.5 Loon Artikelen H.6, H.8 en H.10
                    Toepasselijkheid BW, einde arbeidsovereenkomst vreemdelingen en doorwerking
                    wijzigingen Artikel H.7 Toepasselijkheid CAP en uitvoeringsregelingen Artikel
                    H.9 Oproepkrachten</al><al>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten Het overleg met de vakorganisaties
                    van overheidspersoneel in het SPA Het overleg op plaatselijk niveau met de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel Het overleg op plaatselijk niveau met de
                    OR De regierol van het SPA Artikelgewijze toelichting Artikel I.1 Overleg met
                    vakorganisaties van overheidspersoneel Artikel I.2 Onderwerpen van overleg
                    Artikel I.3 Wijze van overleg Artikel I.4 Overeenstemmingsvereiste</al><al>Artikel III Wijziging van rechtspositieregelingen (lokale regeling)</al><al>Artikel IV Juridische grondslag voor regelingen die (nog) niet vervallen (lokale
                    regeling)</al><al>Artikel V Individueel overgangsrecht</al><al>Artikel VI Inwerkingtreding</al><al>Artikel II (sectoraal overgangsrecht)</al><al>Bij de harmonisatie van de provinciale verlofregelingen is in het SPA-akkoord
                    2000/2001 een garantieregeling afgesproken. Die geldt voor personeel dat vóór 1
                    april 2000 in dienst is en als gevolg van de harmonisatieafspraken er per saldo
                    op achteruit gaat.</al><al>Artikel III (lokaal overgangsrecht)</al><al>Artikel IV (inwerkingtreding)</al><tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK A</tussenkop><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al><vet>Formele basis</vet></al><al>De Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) heeft een getrapte
                    formele basis. De wettelijke basis zijn de artikelen 125, tweede lid, en 134,
                    tweede lid, van de Ambtenarenwet. In het overlegprotocol dat het
                    Interprovinciaal Overleg (IPO) en de vakorganisaties van overheidspersoneel zijn
                    overeengekomen is vastgelegd dat er over de arbeidsvoorwaarden voor de
                    provinciale ambtenaren overeenstemming moet zijn bereikt in het Sectoroverleg
                    Provinciale Arbeidsvoorwaarden (SPA). Het IPO treedt op voor de
                    provinciebesturen. Zijn bevoegdheid daartoe is gebaseerd op de artikelen 9,
                    eerste lid, en 15 van de statuten van de vereniging het Interprovinciaal
                    Overleg. De bevoegdheid als zodanig is een civielrechtelijke volmacht.</al><al>De bevoegdheid houdt niet in het zelf vaststellen van de arbeidsvoorwaarden. Zij
                    beperkt zich tot de mogelijkheid om de provincies, en dus niet de provinciale
                    ambtenaren, te binden jegens de vakorganisaties van overheidspersoneel. De
                    provinciale ambtenaren worden pas gebonden door vaststelling van de
                    arbeidsvoorwaarden via algemeen verbindende voorschriften in de provincies. Die
                    vaststelling moet gezien worden als het nakomen van de verplichting jegens de
                    vakorganisaties om de met hen overeengekomen arbeidsvoorwaarden op te nemen in
                    een vorm die ook voor de provinciale ambtenaren rechten en verplichtingen
                    meebrengt.</al><al><vet>Wijziging van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies
                        (CAP)</vet></al><al>De tekst van de CAP kan gewijzigd worden, maar ook dat zal gebeuren
                    overeenkomstig de SPA-akkoorden tussen het IPO en de vakorganisaties van
                    overheidspersoneel. Voor de provinciebesturen zelf is wijziging dus niet meer de
                    vaststelling van nieuw beleid, maar de formalisering daarvan.</al><al><vet>Uitvoeringsregels</vet></al><al>In de CAP wordt op diverse plaatsen aan gedeputeerde staten opgedragen
                    uitvoeringsregels vast te stellen. Ook voor deze regels gelden de SPA-akkoorden.
                    Er kan zijn overeengekomen dat zij binnen bepaalde kaders of dat zij in het
                    decentrale overleg moeten of kunnen worden vastgesteld. De verplichting is
                    aangegeven in artikel 2, tweede lid.</al><al><vet>Instructies</vet></al><al>De CAP heeft geen betrekking op instructies. Die moeten worden gezien als
                    algemene dienstopdrachten. Zij betreffen dus niet de rechtspositie, bedoeld in
                    de Ambtenarenwet.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Artikel A.1 Definities</vet></tussenkop><al/><al>De definities gelden ook voor de (lokale) uitvoeringsregelingen- en besluiten.
                    Zij hoeven daarin dus niet meer te worden herhaald.</al><al>Lid 1 Voor de definitie van het begrip "ambtenaar" is de terminologie van de
                    Ambtenarenwet gevolgd. Het gaat hier om de ambtenaren die door gedeputeerde
                    staten zijn aangesteld en voor wie gedeputeerde staten het bevoegde
                    bestuursorgaan zijn. Voor de griffier van provinciale staten en zijn
                    griffieambtenaren (en de provinciaal inspecteur der archieven) zijn provinciale
                    staten het bevoegde bestuursorgaan en regelen provinciale staten de
                    rechtspositie. Op hen zijn de bepalingen van de CAP en zijn uitvoeringsregels
                    van overeenkomstige toepassing verklaard.</al><al>In de CAP worden de begrippen salaris en bezoldiging onderscheiden. Onder
                    salaris wordt verstaan het kale (bruto) maandbedrag zonder toelagen en
                    vergoedingen waarop i.v.m. de arbeid aanspraak bestaat. In bijlage 2 van de CAP
                    is van elke salarisschaal aangegeven wat het minimumsalaris en het
                    maximumsalaris is.</al><al>Bezoldiging is ruimer dan salaris. Het omvat het salaris met de toelagen die
                    zijn genoemd in de artikelen C.11 t/m C.15. Dat zijn de toelage waarneming
                    andere functie, de toelage onregelmatige dienst, de afbouwtoelage onregelmatige
                    dienst, de arbeidsmarkttoelage en de toelage op andere gronden.</al><al>Daarnaast zijn er nog emolumenten die als inkomsten uit arbeid zijn aan te
                    merken, maar die niet tot het salaris of de bezoldiging behoren. Dat zijn
                    bijvoorbeeld de incidentele beloning van prestaties en van extra inzet
                    (artikelen C.9 en C.10), de bindingspremie (artikel C.14), de eenmalige
                    uitkering van artikel C.21, de gratificatie ambtsjubileum (artikel C.22), de
                    overwerkvergoeding (artikel C.23) en de vergoeding voor andere extra diensten
                    (artikel C.24).</al><al>Tenslotte zijn er voorzieningen die dienen ter compensatie van gemaakte kosten.
                    Te denken valt hier aan vergoedingen van reis- en verblijfkosten ingeval van
                    dienstreizen, verhuiskostenvergoedingen e.d. Ook deze behoren niet tot het
                    salaris of de bezoldiging.</al><al>Bij een aantal rechtspositionele voorzieningen is de hoogte uitgedrukt in een
                    percentage van het salaris of van de bezoldiging. Het onderscheid tussen salaris
                    en bezoldiging is hier dus van belang. Zo is voor de incidentele beloning van
                    prestaties, de toelage waarneming andere functie, de toelage onregelmatige
                    dienst en de overwerkvergoeding het salaris de grondslag en voor de uitkering
                    bij ziekte de bezoldiging.</al><al>Lid 2 Op grond van artikel 227a Provinciewet moet de provincie personen
                    aanwijzen die zijn belast met de heffing en invordering van provinciale
                    belastingen en met de functie van belastingdeurwaarder. Voorgeschreven is dat
                    zij ambtenaar zijn in provinciale dienst. Op grond van (milieu)wetgeving moet de
                    provincie ook toezichthouders (met en zonder opsporingsbevoegdheid) als
                    ambtenaar in dienst hebben. Het is niet ongebruikelijk dat de provincie voor
                    hier genoemde functies personen van buiten inhuurt. Deze personen vallen onder
                    een eigen rechtspositie. In dit lid is geregeld dat voor deze ambtenaren de CAP
                    en zijn uitvoeringsregelingen buiten toepassing blijven.</al><tussenkop><vet>Artikel A.2 Wijziging</vet></tussenkop><al>Eerste lid. In het algemeen gedeelte van deze toelichting is aangegeven dat de
                    bevoegdheid tot vaststelling van de inhoud van deze verordening, en dus ook van
                    haar wijzigingen, is gebonden aan de SPA-akkoorden, zijnde overeenkomsten tussen
                    het IWV, namens de provincies, en de vakorganisaties van overheidspersoneel. Dit
                    lid bevestigt dat.</al><al>Tweede lid. Zoals in het algemeen gedeelte, onder Uitvoeringsregels, is
                    aangegeven, zijn ook de uitvoeringsregels bij deze?verordening gebonden aan de
                    overeenkomsten tussen het IPO en de vakorganisaties van overheidspersoneel. Die
                    overeenkomsten kunnen overigens aan gedeputeerde staten meer of minder ruimte
                    laten. Als zij bepaalde kaders inhouden, zijn die aangegeven in deze verordening
                    op de betreffende plaatsen. Het gaat om uitvoeringsregels van algemene
                    strekking, dus in de eerste plaats om de algemeen verbindende voorschriften,
                    maar ook om eventuele beleidsregels. Het gaat niet om individuele
                    beschikkingen.</al><tussenkop><vet>Artikel A.4 Bijzondere voorziening</vet></tussenkop><al>Hierin is een algemene hardheidsclausule opgenomen?die gedeputeerde staten de
                    ruimte biedt voor individueel maatwerk. Het betreffen bijzondere voorzieningen
                    ten voordele van de ambtenaar als de verordening geen voorziening kent of deze
                    voorziening in de concrete individuele situatie tot kenne-lijk onredelijke
                    uitkomsten leidt.</al><tussenkop><vet>Artikel A.5 Goed werkgeverschap en goed werknemerschap</vet></tussenkop><al>Aangesloten is bij de vergelijkbare bepaling in het Burgerlijk Wetboek, i.c.
                    artikel 7:611. Het goed werkgeverschap zal zijn toetsing vinden in de beginselen
                    van behoorlijk bestuur van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><tussenkop><vet>Artikel A.6 Bekendmaking</vet></tussenkop><al>Het is wenselijk dat iedere ambtenaar een direct inzicht kan hebben in alle
                    rechtspositionele regelingen die hem aangaan. Dat kan worden gerealiseerd door
                    op diverse plaatsen in de organisatie geactualiseerde bundels te plaatsen of
                    door de doorlopende teksten elektronisch ter inzage te geven. Deze verplichting
                    geldt echter alleen voor de provinciale regels, niet voor rechtspositionele
                    wetten of algemene maatregelen van bestuur of regels van derden, zoals het
                    ABP.</al><tussenkop>Artikel A.7 Elektronische berichtgeving</tussenkop><al>Artikel 125, tweede lid, juncto eerste lid, aanhef en onderdeel n, van de
                    Ambtenarenwet bepaalt dat het bevoegd gezag van provincies voorschriften
                    vaststelt betreffende de gevallen waarin berichten inzake de rechtspositie van
                    de ambtenaar uitsluitend elektronisch verzonden behoeven te worden en
                    betreffende de voorwaarden die daarbij in acht worden genomen. Dit besluit
                    strekt hiertoe. De bepaling in de Ambtenarenwet wijkt af van de Algemene wet
                    bestuursrecht dat bepaalt dat een bestuursorgaan een bericht slechts
                    elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat
                    hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Elektronische berichtgeving kan via
                    email of bijvoorbeeld door plaatsing op intranet. Het bericht zal kunnen
                    inhouden dat de loonstrook/jaaropgave via het personeelsinformatiesysteem
                    beschikbaar is.</al><al>De bevoegdheid tot uitsluitend elektronische verzending richt zich op de
                    maandelijkse loonstrook en de jaaropgave. In de praktijk worden die in (bijna
                    alle) provincies al aan vrijwel niemand meer per post verzonden. In het nieuwe
                    artikel A.7 van de CAP wordt hieraan nu een rechtspositionele grondslag
                    gegeven.Van belang is dat in het derde lid van artikel A.7 nu eenduidig wordt
                    geregeld in welke gevallen elektronische verzending achterwege blijft. De in
                    onderdeel a opgenomen uitzondering ziet op de situatie waarin de ambtenaar geen
                    mogelijkheid heeft om kennis te nemen van de inhoud van het bericht. Dit kan
                    zich voordoen omdat de ambtenaar op zijn werkplek geen toegang heeft tot de
                    digitale loonstrook en geen persoonlijk emailadres heeft op zijn werk. In een
                    dergelijk geval zal de ambtenaar de loonstrook op papier krijgen. Dit is ook het
                    geval indien een ambtenaar wordt ontslagen of komt te overlijden (onderdeel
                    b).</al><al>Bij onderdeel c moet gedacht worden aan situaties waarin de betrokkene er een
                    zwaarwegend belang bij heeft dat een loonstrook of jaaropgave incidenteel op
                    papier wordt verstrekt. Daarvan kan sprake zijn indien door een instantie of in
                    een procedure dit wordt gevraagd.</al><al>Uiteraard zijn er meer individuele rechtspositionele berichten die zich lenen
                    voor (uitsluitend) elektronisch verzending aan de ambtenaar. Daaraan bestaat
                    tussen provincies verschillende behoefte. Provincies zijn in verschillende fasen
                    wat betreft de ontwikkeling van EHRM. Het tweede lid van het nieuwe artikel A.7
                    biedt provincies de mogelijkheid om- naar gelang de behoefte en op het moment
                    dat zij dat willen – een beslissing te nemen over de aanwijzing van andere
                    rechtspositionele berichten die uitsluitend elektronisch aan de ambtenaar
                    behoeven te worden gestuurd. Daarover zullen dan afspraken moeten worden gemaakt
                    met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg.</al><al>Andere documenten die voor (uitsluitend) elektronische verzending in aanmerking
                    kunnen komen zijn bijvoorbeeld genomen besluiten als gevolg van individuele
                    keuzes in arbeidsvoorwaarden, zoals reiskostenvergoedingen, wijzigingen in
                    arbeidsduur en het ruilen van arbeidsvoorwaarden via de IKAP (en straks het
                    Individueel Keuzebudget).Een aantal documenten zullen echter in alle gevallen op
                    papier aan de ambtenaar gestuurd blijven worden. Daarbij moet gedacht worden aan
                    besluiten over aanstelling, beëindiging van het dienstverband, disciplinaire
                    straffen en ordemaatregelen zoals schorsing en buitendienststelling.</al><al>Elektronische berichtgeving kan via email of bijvoorbeeld door plaatsing op
                    intranet. Het elektronisch bericht zal kunnen inhouden dat de
                    loonstrook/jaaropgave via het personeelsinformatiesysteem beschikbaar is.</al><al>Elektronische verzending van rechtspositionele berichten is aan te merken als
                    een geautomatiseerde verwerking in de zin van de Wet bescherming
                    persoonsgegevens. Daarvoor gelden de bestaande beveiligingsmaatregelen in
                    provincies die in overleg met de ondernemingsraad zijn getroffen. Het gaat hier
                    om bijvoorbeeld juiste en nauwkeurige verwerking van persoonsgegevens en
                    maatregelen ter voorkoming van verlies of onrechtmatige verwerking.</al><tussenkop><vet>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK B EN SPELREGELS EN FLANKEREND BELEID BIJ
                        REORGANISATIES</vet></tussenkop><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Hoofdstuk B bevat voorschriften over de aanstelling (paragraaf 1, artikelen B.1
                    t/m B.5), de wijzigingen in de arbeid (paragraaf 2, artikelen B.6 t/m B.8) en
                    over het ontslag met daarbij behorende gevolgen (paragraaf 3, artikelen B.9 t/m
                    B.14).</al><al><vet>De aanstelling</vet></al><al>Wat betreft de aanstelling is gekozen voor een open stelsel dat aansluit op dat
                    in de marktsector. Dit marktconforme open stelsel geeft het management meer
                    speelruimte voor aanstellingen voor bepaalde tijd en biedt anderzijds
                    provinciale ambtenaren dezelfde waarborgen als zijn collegae in de marktsector.
                    Het is met andere woorden een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid.
                    In navolging van het civiele arbeidsrecht is een onderscheid gemaakt tussen een
                    dienstverband voor bepaalde tijd en een dienstverband voor onbepaalde tijd. Dus
                    er is niet langer een onderscheid tussen een vaste aanstelling en een tijdelijke
                    aanstelling en bij een tijdelijke aanstelling tussen die voor (vast) bepaalde
                    tijd en voor onbepaalde tijd.</al><al>Gezien de directe samenhang zijn in paragraaf 1 tevens de bepalingen inzake
                    afloop van de aanstellingen voor bepaalde tijd opgenomen. Analoog aan het
                    civiele arbeidsrecht is, zoals gezegd, afgestapt van een gesloten stelsel voor
                    de aanstelling voor bepaalde tijd. Wel is voorgeschreven dat de reden voor de
                    aanstelling voor bepaalde tijd schriftelijk wordt medegedeeld. Evenmin als in
                    het civiele arbeidsrecht is een maximumduur voor de aanstelling voor bepaalde
                    tijd vastgelegd. Wel zijn de beperkingen t.a.v. opvolgende dienstverbanden voor
                    bepaalde tijd uit de Wet Flexibiliteit en Zekerheid overgenomen. Die houden in
                    dat bij overtreding van die bepalingen het laatste dienstverband voor bepaalde
                    tijd wordt aangemerkt als een dienstverband voor onbepaalde tijd. In dat geval
                    eindigt de laatste aanstelling voor bepaalde tijd na afloop van die periode dus
                    niet van rechtswege, maar kan ontslag alleen plaatsvinden op basis van de
                    bestaande ontslaggronden.</al><al>Tussentijdse beëindiging van aanstellingen voor bepaalde tijd kan? ook alleen op
                    basis van de bestaande ontslaggronden.</al><al>Analoog aan het civiele arbeidsrecht bestaat er geen (geclausuleerd) recht op
                    een aanstelling voor onbepaalde tijd na afloop van de aanstelling voor bepaalde
                    tijd. Daarvan?is alleen nog sprake bij een aanstelling voor bepaalde tijd op
                    proef, die kan voorafgaan aan een aanstelling voor onbepaalde tijd. Aanspraak op
                    een automatische aanstelling voor onbepaalde tijd bestaat evenmin voor hen die
                    solli-citeren vanuit een vaste aanstelling bij een andere overheidswerkgever.
                    Partijen kunnen daarover gezamenlijk afspraken maken tijdens de
                    sollicitatie.</al><al>Vastgehouden is aan de aanstelling op proef voor één tot twee jaar. Er is niet
                    gekozen voor invoering van de regels inzake de proeftijd uit het civiele
                    arbeidsrecht, omdat het ontslagstelsel niet aan-sluit op dat in de marktsector.
                    Anders dan nu wordt de aanstelling voor bepaalde tijd bij feitelijke
                    voortzetting verlengd voor dezelfde duur, doch voor ten hoogste een jaar en
                    vindt dus geen omzet-ting plaats in een (tijdelijke) aanstelling voor onbepaalde
                    tijd.</al><al><vet>Het ontslag</vet></al><al/><al>Wat betreft het ontslag geldt een gesloten stelsel, in de vorm van een
                    limitatieve opsomming van de ontslaggronden. Binnen het gesloten ontslagstelsel
                    is er een uitgebreid aantal ontslaggronden dat een optimaal juridisch
                    instrumentarium biedt. De mogelijke ontslaggronden zijn overzichtelijk in één
                    afzonderlijke bepaling opgesomd (artikel B.9) en waar nodig in afzonderlijke
                    bepalingen nader uitgewerkt. Het gesloten ontslagstelsel houdt in dat een
                    ambtenaar alleen kan worden ontslagen op één van de met name (in artikel B.9)
                    genoemde gronden. Hieruit volgt ook dat de ontslagbescherming zoals die in het
                    civiele arbeidsrecht in de opzegverboden is neergelegd, niet nodig is. De
                    ontslaggronden kunnen worden onderscheiden in imperatieve en facultatieve
                    ontslaggronden. Bij de imperatieve gronden moet, mits aan de gestelde
                    voorwaarden is voldaan, het ontslag verleend worden. Voorbeelden zijn het
                    ontslag op aanvraag (artikel B.10) en ontslag wegens pensionering (artikel
                    B.11). Hier hebben gedeputeerde staten geen discretionaire bevoegdheid. Alle
                    overige ontslaggronden zijn facultatieve ontslaggronden, waarbij het ontslag kan
                    worden verleend. Hier zal steeds een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt
                    tussen het belang van de organisatie en dat van de individuele ambtenaar. Aan de
                    verschillende ontslaggronden is geen kwalificatie gegeven in de vorm van
                    “eervol” of “oneervol”, zoals die in veel ambtelijke ontslagregelingen voorkomt.
                    Er zijn geen voorschriften opgenomen over de inhoud van het ontslagbesluit of
                    over de ontslagprocedure. De Awb biedt hier al voldoende waarborgen. Op grond
                    van deze wet en de jurisprudentie zal bijvoorbeeld elk ontslagbesluit op schrift
                    gesteld moeten worden en de ingangsdatum en de ontslaggrond moeten bevatten.
                    Verder kunnen worden genoemd de mogelijkheid van bedenkingen (artikel 4:8 Awb)
                    en het recht van de ambtenaar zich door een raadsman te laten bijstaan (artikel
                    2:1 Awb).</al><al/><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Artikel B.1 Aanstelling</vet></tussenkop><al>De aanstelling is bij de provincie en dus niet bij een organisatieonderdeel van
                    de provincie. De aanstelling gaat gepaard met de (tijdelijke) benoeming in een
                    functie en de (tijdelijke) plaatsing bij een organisatieonderdeel. Een
                    aanstelling is voor bepaalde of onbepaalde tijd. Een aanstelling is voor
                    bepaalde tijd als een concrete einddatum is aangegeven of als die objectief
                    bepaalbaar is. Een voor-beeld van het laatste is een aanstelling ter vervanging
                    van een zieke ambtenaar. De einddatum is niet concreet genoemd, maar wel
                    objectief bepaalbaar, t.w. de datum van herstel van de zieke ambtenaar.
                    Uitgaande van volwassen arbeidsverhoudingen maken werkgever en sollicitant samen
                    af-spraken over een eventuele aanstelling op proef. De aanstelling op proef is
                    derhalve geen automa-tisme.</al><tussenkop><vet>Artikel B.2 Aanstelling voor bepaalde tijd</vet></tussenkop><al>Analoog aan de Wet Flexibiliteit en Zekerheid mogen maximaal drie aanstellingen
                    voor bepaalde tijd achtereen worden verleend die elk van rechtswege eindigen. De
                    verlengde aanstelling voor bepaalde tijd op grond van het eerste lid (bij
                    stilzwijgende voortzetting na afloop) telt mee voor de bepaling van die drie
                    aanstellingen voor bepaalde tijd. De totale periode van elkaar opvolgende
                    aanstellingen voor bepaalde tijd mag echter niet 36 maanden of langer zijn. Voor
                    het bepalen van die tijdsduur van 36 maanden tellen onderbrekingen van drie
                    maanden of minder tussen twee opeenvolgende aan-stellingen voor bepaalde tijd
                    mee. Meer dan drie opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd of een periode
                    van aanstellingen voor bepaalde tijd van 36 maanden of langer betekent
                    automatisch een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al><al>Een aanste ling voor onbepaalde tijd ontstaat dus in de volgende situaties: -
                    bij meer dan drie opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd; of - als de
                    totale periode van opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd 36 maanden of
                    langer is, onderbrekingen van drie maanden of minder meegerekend.</al><al>De aanstelling voor onbepaalde tijd vangt in die gevallen aan bij aanvang van de
                    vierde aanstelling voor bepaalde tijd (a), onderscheidenlijk vanaf de dag van
                    overschrijding van de 36 maanden (b). Bij een onderbreking van langer dan drie
                    maanden begint de telling van de schakels en de duur van de periode
                    opnieuw.</al><al>Een aanstelling voor 36 maanden of langer is mogelijk. Deze kan eenmalig worden
                    verlengd met drie maanden zonder dat dit leidt tot een aanstelling voor
                    onbepaalde tijd (lid 4).</al><al>Het vijfde lid?is een vertaling van het verbod van de zogenaamde
                    draaideurconstructie in de Wet Flexibiliteit en Zekerheid. Hiervan zal
                    bijvoorbeeld sprake zijn als een uitzendkracht bij de provincie recht-streeks in
                    dienst treedt van de provincie en daar dezelfde werkzaamheden blijft verrichten.
                    Het vijfde lid regelt dat in een dergelijke situatie de uitzendtijd in dezelfde
                    arbeid meetelt.</al><tussenkop><vet>Artikel B.3 Eisen van geschiktheid en bekwaamheid</vet></tussenkop><al>Dit artikel bevat de eisen van geschiktheid en bekwaamheid voor
                    indiensttreding.</al><al>Die moeten uiteraard vooraf zijn bepaald. De eisen van bekwaamheid en
                    geschiktheid zijn niet rechtstreeks gekoppeld aan een concrete functie. Dat
                    biedt de ruimte voor een beoordeling in het licht van een bredere inzetbaarheid.
                    Het is mogelijk om personen aan te stellen die bij indiensttreding nog niet
                    volledig voldoen aan alle eisen voor de concrete functie waarin zij worden
                    benoemd. Er is ruimte om, gezien de te verwachten groei, de eisen van
                    geschiktheid en bekwaamheid bij aanvang in voorkomende gevallen wat lager te
                    stellen.</al><al>Het vierde lid bevat een verbod tot indienstneming van vreemdelingen die geen
                    rechtmatig verblijf in Nederland hebben en voor wie de provincie geen
                    tewerkstellingsvergunning heeft. Niet altijd is een tewerkstellingsvergunning
                    voor arbeid van vreemdelingen echter vereist. Die is bijvoorbeeld niet nodig
                    voor onderdanen uit lidstaten van de Europese Unie. Het vrije verkeer van
                    werknemers uit de lidstaten brengt mee dat deze steeds in aanmerking komen voor
                    rechtmatig verblijf in Nederland met een verblijftitel die het verrichten van
                    arbeid mogelijk maakt. Als een vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf in
                    Nederland heeft kan dat leiden tot ontslag wegens verlies van een vereiste bij
                    aanstelling (artikel B.9, onderdeel i).</al><al>De verplichting een verklaring omtrent het gedrag over te leggen is geen
                    automatisme.</al><al>Voor de medische keuring bij aanstelling wordt verwezen naar de toelichting op
                    artikel E.2.</al><tussenkop><vet>Artikel B.4 Informatie bij indiensttreding</vet></tussenkop><al>In dit artikel is geregeld welke gegevens in aanvulling op de wettelijke
                    informatieplicht bij indiensttreding zullen worden verstrekt. De verplichte
                    informatie over deelname aan de pensioenregeling is geheel in lijn met de nieuwe
                    pensioenregeling vanaf 1996. Die gaat immers uit van een pensioentoe-zegging
                    door de werkgever. De ambtenaar zal het schriftelijk bericht van zijn
                    aanstelling uiteraard vóór zijn indiensttreding moeten ontvangen.</al><al>Op grond van de Wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635) is de werkgever
                    verplicht binnen een maand na aanvang van de werkzaamheden in elk geval de
                    volgende schriftelijke informatie te verstrekken:</al><lijst><li nr="-"><al> de identiteit van de werkgever, de plaats van diens vestiging en naam
                            en woonplaats van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al> de plaats(en) van tewerkstelling;</al></li><li nr="-"><al> de functie van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al> de datum van indiensttreding;</al></li><li nr="-"><al> indien de aanstelling voor bepaalde tijd geldt, de duur daarvan;</al></li><li nr="-"><al> de aanspraak op vakantieverlof of de wijze van berekening van de
                            aanspraak;</al></li><li nr="-"><al> de duur van de door de werkgever respectievelijk werknemer in acht te
                            nemen ontslag/opzegtermijnen of de wijze waarop die termijnen worden
                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al> het salaris en de termijn van uitbetaling;</al></li><li nr="-"><al> de gemiddelde dagelijkse of wekelijkse arbeidsduur;</al></li><li nr="-"><al> de toepasselijke rechtspositieregelingen. Wijzigingen in die gegevens
                            moeten ook binnen een maand schriftelijk worden medegedeeld.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel B.5 Algemene dienst en artikel B.6 Andere functie of
                        werkzaamheden</vet></tussenkop><al>Deze artikelen geven de rechtspositionele basis voor de aanstelling in algemene
                    dienst in de vorm van benoemingen in functies voor 3 tot 5 jaar. Daarbij gaat
                    het om zowel lijnfuncties als functies in (tijdelijke) projecten. Uitgangspunt
                    is een plicht tot mobiliteit in het dienstbelang (artikelen B.5 en B.6, eerste
                    en derde tot en met vijfde lid) en het recht op mobiliteit als keerzijde
                    (artikel B.6, tweede lid). Van belang is dat mobiliteit wordt erkend als een
                    dienstbelang. Artikel B.6 maakt het mogelijk ambtenaren ook tijdelijk bij andere
                    werkgevers te detacheren. Aanstelling in algemene dienst moet zijn ingebed in
                    een goed scholings-, loopbaan- en mobiliteitsbeleid met als uitgangspunt een
                    evenwichtige afweging van belangen van de ambtenaar en de organisatie. De
                    afspraken hierover met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het
                    Georganiseerd Overleg zijn een invulling van een in het SPA overeengekomen
                    gemeenschappelijk kader ter zake. Daarnaast zijn er tussen gedeputeerde staten
                    en de vakorga-nisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd nadere
                    afspraken over de rechtspositionele aspecten, zoals de consequenties voor
                    toelagen en vergoedingen e.d. Daarmee zijn de voorwaarden geschapen voor een
                    effectief en slagvaardig mobiliteitsbeleid met waarborgen voor de
                    zorgvuldigheid. Daarbij staat voor op dat normaal goed functionerende ambtenaren
                    niet tussen wal en schip mogen raken en zonder functie komen te zitten doordat
                    de tijdelijke benoeming in de ene functie afloopt (zonder dat die functie als
                    zodanig verdwijnt) en er geen andere passende functie voorhanden is. In dat
                    geval zal betrokkene tijdelijk worden belast met passende werkzaamheden in
                    afwachting van benoeming in een andere passende functie. Zolang dat niet
                    mogelijk is blijft hij zijn oude functie vervullen.</al><al>De eisen van zorgvuldigheid zoals die ook voortvloeien uit de Awb, brengen met
                    zich mee dat de betrokken ambtenaar vooraf wordt gehoord over de aangeboden
                    functie en dat hem voldoende tijd wordt gegeven om zich te informeren en te
                    beraden over deze nieuwe functie. Er geldt hierbij een aanzeg-termijn van ten
                    minste twee maanden.</al><al>Benoemingen in andere functies vinden niet altijd plaats vanuit de algemene
                    mobiliteitswens. Denk in dit geval aan een benoeming in een andere functie
                    vanwege disfunctioneren van een individuele ambtenaar. Artikel B.7 geldt ook
                    voor een dergelijk geval. Voor benoeming van gedeeltelijke arbeidsonge-schikte
                    ambtenaren in een andere functie gelden echter bijzondere bepalingen (zie
                    artikel E.7).</al><tussenkop><vet>Artikel B.7 Andere werkzaamheden in bijzondere omstandigheden</vet></tussenkop><al>Bij taken in (andere) buitengewone omstandigheden kan gedacht worden aan
                    provinciale taken in het kader van de Wet rampen en zware ongevallen.</al><tussenkop><vet>Artikel B.8 Spelregels en flankerend beleid reorganisaties</vet></tussenkop><al>Provincies zijn dynamische organisaties die snel en adequaat moeten kunnen
                    inspelen op maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen. Er zullen zich naar
                    verwachting dan ook regelmatig wijzigingen voordoen in de organisatiestructuur,
                    de omvang van de organisatie of de taakinhoud van de provincie.</al><al>Het kan zinvol zijn vaste procedures vast te stellen voor de totstandkoming van
                    reorganisaties en vaste algemene regels te stellen m.b.t. de personele
                    consequenties daarvan. Die kunnen worden vastgelegd in spelregels bij
                    organisatieverandering en sociale plannen of statuten. Er kan ook voor worden
                    gekozen om bij elke afzonderlijke reorganisatie concrete procedures vast te
                    stellen en regels te stellen m.b.t. de personele gevolgen. Artikel B.8 biedt de
                    rechtspositionele basis voor de procedures en regels voor herplaatsing van
                    medewerkers bij reorganisaties. Daarbij moeten de in het SPA afgesproken globale
                    procedurele kaders in acht genomen worden Onder reorganisatie wordt in dit
                    verband overigens ver-staan: elke wijziging van de organisatiestructuur, de
                    omvang van de provinciale organisatie of de taak-inhoud van de provincie of een
                    onderdeel daarvan, daaronder begrepen de overdracht van taken van en naar de
                    provincie waaraan personele consequenties zijn verbonden.</al><al>Bovendien is geregeld dat het in het SPA overeengekomen globale kader voor het
                    flankerend beleid bij reorganisaties in acht genomen wordt. In het SPA-akkoord
                    1994/1997 is vastgesteld dat het flankerend beleid bij reorganisaties de
                    verantwoordelijkheid is van de afzonderlijke provincies. Wel is toen bij wijze
                    van handreiking aan de provincies een globaal kader voor een dergelijk lokaal
                    flankerend beleid overeengekomen, waarbij ook een groot aantal concrete
                    instrumenten is aangereikt. Het flankerend beleid zal zich primair moeten
                    richten op voorkoming van onvrijwillige werkloosheid en, waar dit onvermijdelijk
                    is, op bevordering van een spoedige reïntegratie in het arbeidsproces.
                    Uitgangspunt moet zijn een gezamenlijke en actieve inspanning tot herplaatsing
                    van zowel de provincie als de ambtenaar wiens functie wordt bedreigd. Waar
                    ontslagen onvermijdelijk zijn zal een ontslagvolgorde moeten worden vastgesteld.
                    Daarbij moet rekening worden gehouden met de arbeidsmarktpositie van betrokkene
                    en het voor hem geldende sociale vangnet. De geschiktheid van de ambtenaar kan
                    een argument zijn om in een concrete situatie af te wijken van de
                    ontslagvolgorde. Anderzijds moeten de ontslagen ook een zekere afspiegeling van
                    het personeelsbestand vormen.</al><tussenkop><vet>Artikel B.9 Ontslaggronden</vet></tussenkop><al>Een aantal van de in dit artikel vermelde ontslaggronden is in hoofdstuk B
                    geregeld (artikelen B.10 t/m B.12) en een aantal andere in hoofdstuk E
                    (artikelen E.9 en E.16) en in hoofdstuk G (artikel G.4).</al><al>Voor een ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan wegens
                    ziekte (onderdeel g) is nodig dat er sprake is van gedragingen of handelingen of
                    van eigenschappen van karakter, geest of gemoed (= ongeschikt), of van gebreken
                    in de wijze van opstelling in het werk of van gebreken in de kennis, kunde of
                    het niveau (= onbekwaam) van de ambtenaar op grond waarvan de conclusie
                    gerechtvaardigd is dat hij niet meer geschikt is tot uitoefening van zijn
                    functie. De ongeschiktheid moet van voldoende gewicht zijn om het ontslag te
                    rechtvaardigen.</al><al>Het komt voor dat een ambtenaar langdurig volledig verlof wordt verleend voor de
                    vervulling van een politiek ambt of om andere redenen (bijvoorbeeld een
                    langdurige detachering). In dat geval wordt betrokkene ontheven uit zijn functie
                    en zal de werkgever zich inspannen een passende functie voor hem te vinden na
                    afloop van het langdurig verlof. Is geen passende functie voorhanden dan kan
                    ontslag worden verleend op grond van artikel B.9, onderdeel d (bij politiek
                    verlof), onderscheidenlijk onderdeel e (in andere gevallen).</al><al>Bij ontslag wegens verlies van een vereiste bij aanstelling (onderdeel h) gaat
                    het om verlies van specifieke vereisten voor de benoembaarheid, zoals van een
                    geldig rijbewijs voor een ambtenaar die chauffeur van beroep is of van een
                    geldige verblijfstitel welke arbeid in dienstverband niet uitsluit, voor een
                    ambtenaar die vreemdeling is.</al><al>Ondercuratelestelling en lijfsdwang zijn aparte ontslaggronden (onderdelen i en
                    j). Ondercuratelestelling kan wegens geestelijke stoornis, verkwisting en
                    gewoonte van drankmisbruik waardoor betrokkene zijn belangen niet behoorlijk kan
                    waarnemen, in het openbaar aanstoot geeft of eigen veiligheid of die van anderen
                    in gevaar brengt. In een dergelijk geval bestaat minstens het vermoeden dat
                    betrokkene ook niet als ambtenaar in staat zal zijn om zijn functie naar behoren
                    uit te oefenen. Lijfsdwang is een dwangmiddel waarbij iemand door middel van
                    vrijheidsbeneming gedwongen kan worden tot nakoming van een verbintenis.
                    Lijfsdwang is alleen mogelijk in de door de wet genoemde gevallen. Om tot
                    lijfsdwang over te gaan is een rechterlijk vonnis nodig.</al><al>Ontslag wegens een onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                    misdrijf of tot terbeschikkingstelling (onderdeel k) is pas mogelijk als er geen
                    rechtsmiddel tegen de rechterlijke veroordeling meer openstaat. Ontslag is niet
                    mogelijk bij (onherroepelijke) rechterlijke veroordeling wegens een overtreding.
                    Een veroordeling kan niet automatisch tot ontslag op deze grond leiden.
                    Gedeputeerde staten zullen eerst een zorgvuldige afweging moeten maken op grond
                    van de feiten. Relevante elementen zijn hier onder meer de aard en de ernst van
                    het delict, de strafmaat, de gevolgen van het delict en de strafoplegging voor
                    de functievervulling en voor de organisatie, de schade voor de organisatie als
                    gevolg van delict en veroordeling en de gevolgen voor de betreffende ambtenaar
                    zelf, waaronder ook zijn belang bij handhaving van het dienstverband. Ontslag
                    wegens het verstrekken van onjuiste gegevens bij aanstelling (onderdeel l) heeft
                    voor wat betreft medische gegevens alleen betekenis voor de functies waarvoor
                    nog een medische keuring is vereist. Andere aspecten waarop deze
                    ontslagmogelijkheid betrekking kan hebben zijn gegevens omtrent opleiding (ten
                    onrechte vermelden van diploma”s of rijbewijs) of vereiste relevante
                    werkervaring. Van belang is dat het gaat om essentiële gegevens; het moet gaan
                    om informatie op grond waarvan, als deze wel bekend was geweest, de aanstelling
                    achterwege zou zijn gebleven.</al><al>Het ontslag op andere gronden (onderdeel o) heeft een aanvullend karakter. Van
                    deze grond wordt gebruik gemaakt als er sprake is van onverenigbaarheid van
                    karakters, ook wel “incompatibilité d’humeurs” genoemd of verstoorde
                    arbeidsverhoudingen. Eerst zal onderzocht moeten worden of een andere
                    ontslaggrond zou moeten worden toegepast.</al><tussenkop><vet>Artikel B.12 Reorganisatieontslag</vet></tussenkop><al>Ontslag kan worden verleend bij reorganisaties. In artikel A.1 onderdeel o is
                    gedefinieerd wat onder reorganisatie moet worden verstaan. Ontslag zal in de
                    volgende situaties aan de orde kunnen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al> de opheffing van de eigen functie;</al></li><li nr="-"><al> een verminderde behoefte aan arbeidskrachten;</al></li><li nr="-"><al> een verandering in de inrichting van een of meer
                            organisatieonderdelen.</al></li></lijst><al> Artikel B.12 moet in relatie worden gebracht met artikel B.8. Op basis van deze
                    bepaling zijn kaders voor spelregels en flankerend beleid bij reorganisaties
                    vastgesteld die van belang kunnen zijn voor het ontslag. Van belang is dat niet
                    zomaar tot reorganisatieontslag kan worden overgegaan. Er moet uit een
                    zorgvuldig onderzoek zijn gebleken dat benoeming in een passende functie niet
                    mogelijk is. </al><tussenkop><vet>Artikel B.13 Voorzieningen in aanvulling op de Werkloosheidswet (WW)</vet></tussenkop><al/><al>Onder voorwaarden bestaat na ontslag recht op een WW-uitkering. Op basis van
                    artikel B.13 is een bovenwettelijke werkloosheidsregeling vastgesteld (Regeling
                    aanvullende voorzieningen bij werkloosheid) voor ambtenaren die aanspraak hebben
                    op een loongerelateerde WW-uitkering. Deze bovenwettelijke voorziening blijft
                    beperkt tot ambtenaren aan wie reorganisatieontslag of ontslag wegens
                    gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is verleend. De regeling voorziet in een
                    aanvullende uitkering (bovenop de WW-uitkering gedurende de WW-periode) en in
                    een nawettelijke uitkering na afloop van de WW-periode. Laatstbedoelde uitkering
                    blijft beperkt tot hen aan wie reorganisatieontslag is verleend. De duur van de
                    nawettelijke uitkering wordt bepaald op basis van leeftijd en diensttijd. In
                    aanvulling hierop bestaat bij ontslag op andere gronden (artikel B.9, onderdeel
                    o) recht op een (aanvullende c.q. nawettelijke) uitkering die minstens gelijk is
                    aan die in geval van reorganisatieontslag (zie Regeling aanvullende
                    voorzieningen bij werkloosheid).</al><al/><tussenkop><vet>Artikel B.14 Uitkering bij overlijden</vet></tussenkop><al>Deze regeling staat naast andere voorzieningen bij overlijden, zoals de Algemene
                    nabestaandenwet en het partnerpensioen van het ABP.</al><tussenkop><vet>Artikel B.15 Uitkering bij overlijden</vet></tussenkop><al>[Vervallen.]</al><tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK C</tussenkop><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Sedert 1 januari 2005 kennen de provincies een uniform beloningssysteem. Het
                    betreft een samenhangend systeem van beloning, beoordeling en functiewaardering.
                    De doelstelling van dit systeem is de bevordering van de kwaliteit van het
                    provinciale apparaat. Belangrijke elementen zijn daarin de vergroting van de
                    mogelijkheden tot bewust en gedifferentieerd belonen van ambtenaren (vergroting
                    sturingsmogelijkheden voor het management, meer outputgerichte beloning,
                    vereenvoudiging en doorbreking van automatismen) en bijstelling van het
                    loongebouw (geen aparte jeugdsalarissen, geen wachtjaren voor
                    diensttijduitlopen, aantal stappen in de schaal).</al><al>Het beloningssysteem kent vier beloningsgrondslagen, te weten functiezwaarte,
                    structurele groei in ontwikkeling, werkresultaten en marktwaarde. De marktwaarde
                    vindt zijn vertaling in het generieke salarisniveau en in specifieke
                    voorzieningen ter verbetering van de arbeidsmarktpositie. Het beloningssysteem
                    is in 2008 geëvalueerd en in 2010 aangepast door vervanging van een
                    driepuntschaal door een vijfpuntschaal van beoordelen en belonen. Zie daarvoor
                    meer in de volgende alinea en in de toelichting op de artikelen C.7 en C.9.</al><al>Op hoofdlijnen ziet het beloningssysteem er als volgt uit. Iedere ambtenaar
                    wordt ingedeeld in een van de 18 salarisschalen. De salarisschaal is afhankelijk
                    van de functiezwaarte die wordt bepaald met behulp van functiewaardering. Een
                    conversietabel vertaalt de uitkomst van de functiewaardering naar de
                    salarisschaal die bij de functie hoort. Uitgangspunt is bewust belonen, steeds
                    op basis van een beoordeling, waardoor automatismen worden doorbroken. Vooraf
                    worden afspraken gemaakt over de te behalen werkresultaten en over de
                    structurele groei in ontwikkeling. Deze afspraken worden tussentijds getoetst en
                    eventueel bijgesteld en achteraf beoordeeld en beloond. Het betreft een systeem
                    van jaargesprekken waarvan de basis wordt gevormd door een individueel werkplan
                    dat als afgeleide van het jaarplan van de werkeenheid, de concrete afspraken
                    vastlegt tussen leidinggevende en ambtenaar. In deze gesprekken komen ook andere
                    zaken aan de orde, zoals opleiding, loopbaanperspectief, werktijden,
                    arbeidsomstandigheden en de ondersteuning door de leidinggevende De structurele
                    groei in ontwikkeling wordt gemeten met behulp van competenties die voor een
                    goede vervulling van de functie noodzakelijk zijn. Daartoe is een systeem van
                    compe-tenties ontwikkeld. Een normaal goede beoordeling van de structurele groei
                    in ontwikkeling leidt tot een salarisverhoging van 3% (van het maximumsalaris)
                    in de voor betrokkene geldende salaris-schaal, tot het maximumsalaris in die
                    schaal is bereikt. Een zeer goede, onderscheidenlijk uitstekende beoordeling van
                    de structurele groei in functioneren (door competentieontwikkeling)leidt tot een
                    salarisverhoging van 4%, onderscheidenlijk 6%. Een matige beoordeling leidt tot
                    een salarisverhoging van slechts 1%.Het salaris wordt niet verhoogd bij een
                    slechte beoordeling. Een zeer goede, onderscheidenlijk uitstekende beoordeling
                    van de werkresultaten leidt tot een incidentele outputbeloning van 3%,
                    onderscheidenlijk 7% van het salaris over de beoordelingsperiode (van in de
                    regel 1 jaar). Behalve de werkresultaten kan ook extra inzet van de ambtenaar
                    incidenteel extra worden beloond. De automatische periodiek bestaat niet. Er is
                    geen uitloopschaal, geen functioneringstoelage en een aanloopschaal geldt in
                    uitzonderingsgevallen voor maximaal 1 jaar. Het hier geschetste beloningssysteem
                    is te vinden in de artikelen C.4 t/m C.7, C.9 en C.10.</al><al>In hoofdstuk C zijn ook andere onderwerpen geregeld. Genoemd kunnen worden:</al><lijst><li nr="-"><al> de waarnemingstoelage (artikel C.11);</al></li><li nr="-"><al> de toelage onregelmatige dienst (artikelen C.12en C.13);</al></li><li nr="-"><al> de arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie (artikel C.14);</al></li><li nr="-"><al> de toelage op andere gronden (artikel C.15);</al></li><li nr="-"><al> het IKB (artikelen C.16 tot en met C.20);</al></li><li nr="-"><al> de eenmalige uitkering (artikel C. 21);</al></li><li nr="-"><al> de gratificatie ambtsjubileum (artikel C. 22)</al></li><li nr="-"><al> de overwerkvergoeding (artikel C.23)</al></li><li nr="-"><al> de vergoeding voor andere extra diensten dan overwerk (artikel
                            C.21).</al></li></lijst><al>Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichtingen op de betreffende
                    artikelen.</al><al>Beslissingen die op grond van hoofdstuk C worden genomen zijn van groot belang
                    voor de ambte-naar. Zij hebben immers directe betekenis voor zijn inkomen. Bij
                    dergelijke beslissingen zullen van-zelfsprekend zorgvuldigheid,
                    rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en rechtsbescherming gewaarborgd moeten zijn.
                    Om die reden is het dan ook van grote betekenis dat aan beloningsbeslissingen
                    waarbij het functioneren van de ambtenaar een rol speelt, steeds een beoordeling
                    ten grondslag moet lig-gen. Het beoordelingssysteem bevat immers waarborgen voor
                    de zorgvuldigheid en de objectieve onderbouwing van dergelijke
                    beloningsbeslissingen. Daarnaast biedt uiteraard de Algemene wet bestuursrecht
                    de ambtenaar tal van waarborgen. Tegen beloningsbeslissingen – maar ook tegen de
                    daaraan ten grondslag liggende beoordeling – kan betrokkene op grond van deze
                    wet bezwaar aan-tekenen bij gedeputeerde staten en vervolgens, als hij het met
                    die beslissing niet eens is, bij de rechter in beroep gaan.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Artikel C.1. Recht op bezoldiging</vet></tussenkop><al>In dit artikel is het recht op bezoldiging vastgelegd. In artikel A.1, onderdeel
                    e, is gedefinieerd wat onder bezoldiging wordt verstaan. De ambtenaar ontvangt
                    bezoldiging voor de dienst die hij voor de provincie verricht. In het tweede lid
                    ligt het principe “geen werk, geen loon” verankerd. Dat geldt als de ambtenaar
                    opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, in strijd met zijn
                    verplichtingen.</al><tussenkop><vet>Artikel C.2 Uitbetaling salaris, toelagen, vergoedingen en
                        tegemoetkomingen</vet></tussenkop><al>In dit artikel is de betalingstermijn geregeld van de belangrijkste betalingen
                    van de provinciale werkgever aan zijn ambtenaren. Het betreffen, zoals in het
                    derde lid is aangegeven, betalingen die kunnen worden gedaan zonder dat daarvoor
                    een afzonderlijke beschikking moet worden genomen. Artikel C.2 spoort met
                    hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht is voorgeschreven ten aanzien van
                    betaling en invordering van geldschulden waarbij een bestuursorgaan is
                    betrokken. Op grond van artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet
                    bestuursrecht zal een beschikking alsnog worden afgegeven als de belanghebbende
                    ambtenaar hierom verzoekt.</al><tussenkop><vet>Artikel C.3 Salaris en toelagen bij gebroken tijdvakken</vet></tussenkop><al>Het salaris per dag wordt dus niet bepaald door het maandbedrag te delen door
                    het aantal werkdagen in die maand.</al><tussenkop><vet>Artikel C.4 Inrichting salarisgebouw</vet></tussenkop><al>Er zijn 18 salarisschalen. Van alle salarisschalen is slechts de bandbreedte
                    aangegeven: alleen het minimumsalaris en het maximumsalaris zijn vastgelegd. Het
                    minimumsalaris is in de salarisschalen 1 en 2 79% en in de overige
                    salarisschalen 70% van het maximumsalaris Het salarisgebouw is opge-nomen in
                    bijlage 2 van de CAP. De daarin opgenomen salarisbedragen zullen telkens worden
                    aangepast aan de algemene salarisverhogingen die partijen in het SPA in de CAO
                    afspreken. Gedepu-teerde staten vervangen dan de oude bijlage door een
                    nieuwe.</al><tussenkop><vet>Artikel C.5 Bepaling salarisschaal</vet></tussenkop><al>Eerst wordt vastgesteld welke salarisschaal voor de ambtenaar geldt. Vervolgens
                    wordt op grond van artikel C.6 het salaris van de ambtenaar bepaald. Het salaris
                    moet passen binnen de bandbreed-te van zijn salarisschaal. De verdere
                    salarisontwikkeling is tenslotte geregeld in artikel C.7.</al><al>De salarisschaal van de ambtenaar wordt bepaald door de zwaarte van de functie.
                    Die wordt vastge-steld met behulp van een systeem van methodische
                    functiewaardering. De provincies hanteren voor de functiewaardering FUWAPROV.
                    Dat is een provinciale vertaling van FUWASYS dat voor het rijkspersoneel geldt.
                    Op basis van het derde lid hebben gedeputeerde staten de Procedureregeling
                    methodische functiewaardering vastgesteld. Met behulp van de conversietabel die
                    hoort bij de Procedureregeling methodische functiewaardering wordt de uitkomst
                    van de functiewaardering vertaald naar een van de 18 salarisschalen. Bij elke
                    functie hoort dus een salarisschaal.Die noemen we de functieschaal. De ambtenaar
                    wordt ingepast in de functieschaal. Wordt de ambtenaar nadien in een lichtere of
                    zwaardere functie benoemd of komt de functie bij herwaardering hoger of lager
                    uit dan leidt dit tot een andere salarisschaal voor de ambtenaar. Daarbij hoort
                    dan een hernieuwde salarisinpassing overeenkomstig artikel C.6.</al><al>Bij uitzondering kan de ambtenaar in een aanloopschaal worden geplaatst. Dat is
                    geregeld in het vijfde lid. Het is alleen mogelijk als de ambtenaar nog niet
                    volledig voldoet aan het minimaal noodza-kelijke niveau voor de functie. Het
                    betreft steeds de direct aan de functieschaal voorliggende salaris-schaal.
                    Plaatsing in de aanloopschaal kan voor maximaal 1 jaar. Daarna wordt de
                    ambtenaar in de functieschaal geplaatst tenzij uit een beoordeling blijkt dat
                    hij nog steeds niet aan de minimale vereis-ten voor de functie voldoet.</al><al>Het komt voor dat een ambtenaar tijdelijk een andere functie waarneemt,
                    bijvoorbeeld omdat een collega of leidinggevende voor een langere periode ziek
                    is. In dat geval wordt de ambtenaar niet geplaatst in de salarisschaal die hoort
                    bij de waargenomen functie maar blijft hij in zijn salarisschaal. Dat is
                    geregeld in het zesde lid. Wel kan onder voorwaarden een toelage worden
                    toegekend als hij een hoger gewaardeerde functie waarneemt (zie artikel C.11).
                    Het komt ook voor dat een ambtenaar voor een proefperiode in een zwaardere
                    functie wordt benoemd. In dat geval zal als regel worden bepaald dat de
                    ambtenaar in zijn oude salarisschaal blijft. Als regel: de leidinggevende kan
                    ook met de ambtenaar afspreken dat hij gelijk al in de hogere salarisschaal
                    wordt geplaatst. Mislukt de proef-plaatsing dan keert de ambtenaar doorgaans
                    terug in zijn oude functie. Er zijn dan geen gevolgen voor de salarisschaal als
                    hij in de oude salarisschaal is gebleven. Wordt de ambtenaar na de proefperiode
                    definitief in de zwaardere functie benoemd dan zal hij alsnog in de daarbij
                    behorende hogere salarisschaal worden geplaatst als dat niet al gelijk is
                    gebeurd, eventueel met terugwerkende kracht tot (uiterlijk) het moment van
                    aanvang van zijn proefplaatsing.</al><tussenkop><vet>Artikel C.6 Bepaling salaris</vet></tussenkop><al>Nadat de salarisschaal is vastgesteld wordt op grond van artikel C.6 het salaris
                    in die salarisschaal bepaald. Dat kan in beginsel elk salaris zijn binnen de
                    bandbreedte van de salarisschaal. Bij eerste aanstelling is dat in de regel het
                    minimumsalaris in de salarisschaal. Afhankelijk van de relevante kennis,
                    ervaring en vaardigheden kan dat meer zijn. Het salaris bedraagt in ieder geval
                    het bedrag van het wettelijk minimumloon dat geldt voor werknemers van dezelfde
                    leeftijd als de ambtenaar. Omdat de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag
                    formeel niet geldt voor overheidspersoneel is dit geregeld in het tweede lid.
                    Een dergelijke situatie zal zich overigens, gezien het salarisgebouw van de
                    provincie, vrijwel nooit voordoen. Het derde tot en met zevende lid bevatten
                    salarisbepalingen bij latere benoemingen in andere functies.</al><al>Betreft het een benoeming in een gelijk of hoger gewaardeerde functie dan mag
                    het nieuwe salaris nooit minder zijn dan het salaris in de oude functie. Daarbij
                    moet ook in de gaten worden gehouden de salarisontwikkeling die de ambtenaar in
                    de oude functie zou doormaken. Zou hij in de oude func-tie bijvoorbeeld met
                    toepassing van artikel C.7 een half jaar later in aanmerking zijn gekomen voor
                    een salarisverhoging van 3% dan zal daarmee rekening gehouden moeten worden bij
                    de bepaling van het salaris in de nieuwe functie. Is bij benoeming in een
                    functie van gelijk niveau “horizontale inpassing” in de nieuwe salarisschaal
                    (derhalve op een gelijk salarisniveau) het uitgangspunt, bij benoeming in een
                    hoger gewaardeerde functie zal doorgaans een hoger salaris worden vastgesteld.
                    Gebruikelijk is om bij promoties het salaris in de oude functie te verhogen met
                    3% van het maximum-salaris in de nieuwe functie. Er is echter ruimte om,
                    afhankelijk van het geval, meer of minder te doen. Een horizontale overgang ligt
                    in de rede als bijvoorbeeld een hoger salaris afhankelijk wordt gesteld van de
                    afronding van een voor de nieuwe functie noodzakelijke opleiding. Uiteraard zal
                    het nieuwe salaris steeds binnen de bandbreedte van de nieuwe salarisschaal
                    moeten liggen. Het salaris zal dus altijd minimaal het minimumsalaris van die
                    salarisschaal bedragen.</al><al>Het kan voorkomen dat een ambtenaar wordt benoemd in een andere, lager
                    gewaardeerde functie. Dat is niet gebruikelijk maar soms is dat onvermijdelijk.
                    Dat kan spelen bij reorganisaties waarin voor een ambtenaar slechts een passende
                    andere functie in de nieuwe organisatie beschikbaar blijkt op een lager niveau.
                    In dat geval zal de ambtenaar worden ingepast in de bij de nieuwe functie
                    behorende lagere salarisschaal op hetzelfde salaris als in de oude functie. Dat
                    is geregeld in het vijfde lid. Is het oude salaris hoger dan het maximumsalaris
                    van de nieuwe salarisschaal dan wordt betrokkene op het maximumsalaris ingepast
                    en wordt het verschil tussen oude en nieuwe salaris gegarandeerd door toekenning
                    van een toelage. Die toelage wordt als salaris aangemerkt wat onder meer
                    betekent dat de toelage de algemene salarisontwikkeling volgt en (mede)
                    grondslag vormt voor het IKB en aan het salaris gerelateerde toelagen en
                    vergoedingen. De spelregels bij reorganisaties die tussen de provincie en de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel zijn afgesproken bevatten aanvullende
                    personele en rechtspositionele garanties en randvoorwaarden.</al><al>Niet in alle gevallen zijn er garanties dat bij benoeming in een andere, lager
                    gewaardeerde functie het oude salaris gehandhaafd blijft. Dat is geregeld in het
                    vijfde lid, vierde volzin, en in het zesde en zevende lid. Vanzelfsprekend is
                    een dergelijke garantie afwezig in het geval dat de ambtenaar bij wijze van
                    disciplinaire maatregel (met toepassing van artikel G.4, eerste lid, onderdeel
                    d) is benoemd in een lager gewaardeerde functie. Voor gevallen van
                    inkomensverlies bij re-integratie van een zieke ambtenaar in een lager betaalde
                    functie (met toepassing van artikel E.7) gelden bijzondere (tijdelijke)
                    voorzieningen op grond van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte
                    en arbeidsongeschiktheid. Bij benoeming in een andere, lager gewaardeerde
                    functie die het gevolg is van disfunctioneren in de oude functie ligt de zaak
                    genuanceerd. Een algemeen recht op een salarisgarantie is er niet. Of het
                    redelijk is zo’n garantie te geven is afhankelijk van o.a. de mate van
                    disfunctioneren en eventuele eigen schuld aan het disfunctioneren.</al><al>Indien bijvoorbeeld verwijtbaar disfunctioneren van een zodanige aard is dat
                    betrokkene op grond daarvan ontslag kan worden verleend op grond van artikel
                    B.9, onderdeel h, wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid en om humanitaire
                    redenen wordt gekozen voor benoeming in een andere, lager gewaardeerde functie,
                    dan ligt een salarisgarantie niet in de rede.</al><al>Een vierde situatie waarin een salarisgarantie niet hoeft te worden gegeven
                    betreft de terugkeer in de oude functie na een tijdelijke benoeming in een hoger
                    gewaardeerde functie. Het zal in de praktijk voorkomen dat een ambtenaar uit de
                    lijnorganisatie wordt gehaald om als projectleider een bepaald project te
                    trekken. Het leiden van een dergelijk project kan voor de ambtenaar een
                    interessante stap zijn in zijn loopbaan bij de provincie, maar ook een
                    salarisverbetering betekenen als die tijdelijke functie zwaarder is. De
                    eventuele salarisverbetering is uiteraard ook van tijdelijke aard. Mocht de
                    ambtenaar na afloop van het project weer terugkeren in zijn oude functie dan zal
                    hij opnieuw in zijn oude salarisschaal worden ingepast en is er voor hem geen
                    garantie dat hij ten minste het salaris houdt dat hij in de tijdelijke functie
                    ontving. Het spreekt voor zich dat deze consequenties vooraf aan de betrokken
                    ambtenaar moeten zijn duidelijk gemaakt.</al><al>Recht op een salarisgarantie is tenslotte evenmin aan de orde indien de
                    ambtenaar zelf verzoekt om benoeming in een andere, lager gewaardeerde functie,
                    bijvoorbeeld omdat hij het wat rustiger aan wil doen. Als onderdeel van het
                    provinciale seniorenbeleid is in de tweede volzin van het zevende lid een
                    demotieregeling voor de oudere ambtenaar opgenomen. Deze regeling houdt in dat
                    de ambtenaar van 55 jaar of ouder, die een stapje terug doet door over te
                    stappen op een lichtere functie, daarvan geen nadelige gevolgen in het pensioen
                    zal ondervinden. Artikel 3.5 van het pensioenreglement ABP biedt hiertoe de
                    mogelijkheid. De pensioenopbouw zal gebaseerd blijven op de oude inschaling. Op
                    het salaris in de oude functie dat voor de pensioenopbouw van de ambtenaar
                    blijft gelden, worden de algemene salarisverhogingen voor het provinciepersoneel
                    toegepast. De pensioengaranties gelden niet voor taakverlichting van oudere
                    ambtenaren via vermindering van de formele arbeidsduur. In dat geval blijft de
                    pensioengrondslag ongewijzigd omdat de ambtenaar geen lager betaalde functie
                    gaat vervullen.Er zijn dan geen gevolgen voor al opgebouwde pensioenrech-ten,
                    maar op de nog op te bouwen pensioenjaren zal de deeltijdfactor worden
                    losgelaten.</al><al>In het achtste en negende lid is geregeld wat de salarisconsequenties zijn van
                    een herwaardering van de functie. Komt de functiewaardering hoger uit dan zal de
                    ambtenaar horizontaal worden inge-past in de nieuwe salarisschaal. Is het oude
                    salaris lager dan het minimumsalaris van de nieuwe salarisschaal dan wordt hij
                    op dit minimumsalaris ingepast. Bij een lagere functiewaardering wordt het oude
                    salaris gegarandeerd, eventueel via een toeslag boven het maximumsalaris in de
                    nieuwe salarisschaal.</al><al>Zit een ambtenaar in de aanloopschaal en wordt hij in de functieschaal geplaatst
                    omdat hij inmiddels wel aan de minimale vereisten voor de functie voldoet dan
                    zal hij in de functieschaal op het mini-mumsalaris worden ingepast. Mocht de
                    ambtenaar in de aanloopschaal al een hoger salaris ontvangen dan wordt hij
                    horizontaal in de functieschaal ingepast. Een en ander is geregeld in het tiende
                    lid.</al><tussenkop><vet>Artikel C.7 Salarisontwikkeling bij duurzame groei in het
                        functioneren</vet></tussenkop><al>Zolang de ambtenaar in de voor hem geldende salarisschaal niet op het
                    maximumsalaris zit kan hij een groei in salarisontwikkeling doormaken. Daarvoor
                    is een duurzame groei in het functioneren vereist. Om structureel meer te gaan
                    verdienen moet men immers ook structureel beter functioneren. Die duurzame groei
                    in functioneren moet blijken uit een door de leidinggevende vastgestelde
                    beoordeling. Er is een systeem van jaargesprekken waarbij in beginsel jaarlijks
                    tussen leidinggevende en ambtenaar afspraken worden gemaakt over de duurzame
                    groei in het functioneren en in verband hiermee over de ontwikkeling van de
                    daartoe benodigde competenties. Deze afspraken worden in hun totaliteit in
                    beginsel jaarlijks door de leidinggevende en de ambtenaar gezamenlijk
                    geëvalueerd en door de leidinggevende formeel beoordeeld. Voor de beoordeling
                    van de duurzame groei in func-tioneren is het oordeel over de werkresultaten
                    overigens mede van belang. De ontwikkelingsafspraken met de ambtenaar zijn
                    immers uiteindelijk gericht op betere prestaties. Voor een nadere be-schouwing
                    over de relatie tussen ontwikkeling en prestaties wordt verwezen naar de
                    toelichting op de Regeling jaargesprekken. Aan de hand van de beoordeling wordt
                    vervolgens een beslissing genomen over de salarisontwikkeling in de
                    salarisschaal. Daarvoor zijn in artikel C.7 regels vastgesteld. Bij een normaal
                    goede beoordeling zal het salaris na genoemde periode van een jaar worden
                    verhoogd met 3% van het maximumsalaris en bij een zeer goede, onderscheidenlijk
                    uitstekende beoordeling met 4%, onderscheidenlijk 6%. Bij een matige beoordeling
                    zal het salaris nog wel beperkt stijgen (met 1% van het maximumsalaris), maar
                    bij een slechte beoordeling niet. Uitgaande van de noodzakelijke ingroeitijd
                    (bij een normale ontwikkeling) bedraagt het aantal stappen (van 3%) van minimum
                    tot maximum zeven in de salarisschalen 1 en 2 en tien in de salarisschalen 3 tot
                    en met 18. In de situatie dat elk jaar het salaris op deze wijze met 3% wordt
                    verhoogd zal de ambtenaar die op het minimumsalaris binnenkomt en een normale
                    groei in het func-tioneren doormaakt in zeven jaar (salarisschalen 1 en 2) resp.
                    tien jaar (overige salarisschalen) het maximumsalaris in zijn salarisschaal
                    kunnen bereiken. Aannemende dat de ambtenaar dan nog steeds dezelfde functie
                    vervult en niet al eerder in het kader van zijn loopbaan in een andere functie
                    is benoemd.</al><al>Zoals hierboven aangegeven gaat het systeem van jaargesprekken uit van een
                    jaarcyclus waarbij aan het begin van die jaarcyclus de afspraken worden gemaakt
                    over de voor de salarisontwikkeling relevante duurzame groei in het functioneren
                    en aan het eind van die jaarcyclus de gemaakte af-spraken worden geëvalueerd en
                    beoordeeld. De besluitvorming over de consequenties voor de sala-risontwikkeling
                    sluit daarop aan. In het derde lid is daarom bepaald dat de salarisverhoging
                    (indien is voldaan aan de gestelde voorwaarden) telkens na in de regel 12
                    maanden plaatsvindt. De toevoe-ging “in de regel” wil zeggen dat een
                    salarisverhoging ook eerder of later dan na 12 maanden kan plaatsvinden. Dat
                    moet wel een uitzondering zijn. Als bijvoorbeeld de ambtenaar tussentijds in een
                    andere functie wordt benoemd kan er aanleiding zijn voordien een afsluitende
                    beoordeling uit te brengen over het functioneren in de oude functie. Daaraan
                    kunnen eventueel ook eerder dan na ommekomst van de periode van 12 maanden
                    consequenties voor het salaris worden verbonden. Omgekeerd kunnen er ook
                    omstandigheden zijn waardoor het onmogelijk is om een verantwoord oordeel te
                    geven over de duurzame groei in het functioneren. Daarvan zal sprake kunnen zijn
                    bij langdurige afwezigheid, bijvoorbeeld wegens ziekte. Het moge duidelijk zijn
                    dat ingeval van afwezigheid gedurende de hele (of nagenoeg de hele) periode van
                    12 maanden er geen duurzame groei in functioneren kan worden geconstateerd en er
                    dus ook geen grondslag is voor welke salarisverhoging dan ook. Salarisverhoging
                    op grond van artikel C.7 zal in dat geval pas weer aan de orde zijn na afloop
                    van de nieuwe jaarcyclus. Het kan ook voorkomen dat de ambtenaar een
                    (substantieel) deel van de 12 maanden wel aanwezig is geweest maar die periode
                    te kort is om een verantwoord oordeel te geven over de duurzame groei in het
                    functioneren. In dat geval kan worden besloten een beslissing over een
                    salarisverhoging en de daarvoor noodzakelijke beoordeling te verschuiven naar
                    een later tijdstip dan het einde van de reguliere periode van 12 maanden. In een
                    dergelijk geval kan er aanleiding zijn om op basis van die latere beoordeling,
                    als die positief uitvalt, te bepalen dat de daaraan verbonden salarisverhoging
                    terugwerkt tot aan de datum waarop de normale periode van 12 maanden is
                    verstreken.</al><al>De omvang van de salarisverhoging bij duurzame groei in functioneren is niet een
                    volledig vrije keus van de leidinggevende maar is, afhankelijk van de uitkomst
                    van de beoordeling, 1%, 3%, 4% of 6% van het maximumsalaris in de salarisschaal.
                    Het gaat dus om vaste stappen in de salarisschaal. Als een ambtenaar bij aanvang
                    niet op het minimumsalaris is ingepast zal de laatste stap naar het
                    maximumsalaris niet 1%, 3%, 4% of 6% kunnen zijn, maar op een lager bedrag
                    uitkomen.</al><tussenkop><vet>Artikel C.8 Salaris bij deeltijdfuncties</vet></tussenkop><al>Het salaris wordt bepaald naar evenredigheid van de formele arbeidsduur.
                    Bedraagt de formele ar-beidsduur (tijdelijk) 40 uur per week dan is het salaris
                    40/36 (artikel D.1, vijfde lid).</al><tussenkop><vet>Artikel C.8A Salaris bij aanstelling op grond van de banenafspraak</vet></tussenkop><al>De medewerkers bedoeld in dit artikel hebben zoals alle ambtenaren bij de
                    provincie een functieomschrijving op basis van FUWAPROV. De medewerkers bedoeld
                    in lid 1 worden echter ingeschaald in schaal A in plaats van in de schaal die op
                    basis van de functieomschrijving zou gelden. De medewerkers bedoeld in lid 3
                    hebben de inschaling die hoort bij hun functieomschrijving.</al><al>Omdat de medewerker bedoeld in lid 1 niet zelfstandig het minimumloon kan
                    verdienen, is lid 2 opgenomen. Een voorbeeld ter toelichting: een medewerker
                    heeft een loonwaarde van 85%. Als zijn schaalbedrag hoger zou worden dan 118%
                    (118*0,85=100) zou hij zelfstandig meer dan het minimumloon kunnen verdienen.
                    Deze bepaling is alleen van belang voor medewerkers met een loonwaarde van 83%
                    of meer (alleen dan is het maximum schaalbedrag maal de loonwaarde hoger dan het
                    WML).</al><al>Alle overige bepalingen in de CAP en haar uitvoeringsregelingen waarop in dit
                    artikel geen uitzondering wordt gemaakt, zijn van toepassing. </al><tussenkop><vet>Artikelen C.9 en C.10 Incidentele beloning van prestaties en extra
                        inzet</vet></tussenkop><al>Naast de structurele beloning kent het beloningssysteem de variabele beloning.
                    Die kan worden gegeven voor extra prestaties of voor extra inzet van ambtenaren.
                    In het eerste geval gaat het om output. In het tweede geval om beloning van
                    input. Beide beloningsvormen hebben een incidenteel karakter. Naar de aard zal
                    de inputbeloning in belangrijke mate gericht zijn op ambtenaren in de lagere
                    salarisschalen. De outputbeloning komt op alle functieniveaus voor maar zal meer
                    betekenis hebben voor de hogere salarisschalen omdat zij meer bijdragen aan de
                    realisering van de organisatiedoelstelling waarvoor de outputbeloning wordt
                    gegeven. Het geheel aan maatregelen voor variabel belonen heeft daarmee een
                    evenwichtige spreiding over alle functieniveaus.</al><al>Bij de outputbeloning, die is geregeld in artikel C.9, zijn uitgangspunten het
                    motiveren, stimuleren en waarderen van ambtenaren om te komen tot extra
                    prestaties door het toekennen van flexibele incidentele beloningselementen. Met
                    de ambtenaar worden in het planningsgesprek afspraken gemaakt over het
                    realiseren van vooraf vastgelegde, concrete en zoveel mogelijk kwantificeerbare
                    werkresul-taten op in beginsel het hele werkveld van de ambtenaar. Variabele
                    beloning is een outputbeloning die alleen wordt gegeven bij zeer goede of
                    uitstekende werkresultaten. Na afloop van de periode waarover in het
                    planningsgesprek werkresultaten zijn afgesproken worden de behaalde
                    werkresultaten geëvalueerd en beoordeeld. Op basis van de uitgebrachte
                    beoordeling wordt vervolgens een beslissing genomen over de toekenning van een
                    incidentele outputbeloning. Die zal worden toegekend als de werkresultaten
                    waarover in het planningsgesprek afspraken zijn gemaakt, de gestelde eisen in
                    ruime dan wel uitzonderlijke mate overtreffen. De besluitvorming over de
                    outputbeloning sluit dus aan op de jaarcyclus van het systeem van
                    jaarge-sprekken en zal dus telkens na in de regel 12 maanden plaatsvinden. Wat
                    betreft de periode van 12 maanden geldt hetzelfde als wat daarover is opgemerkt
                    ten aanzien van de periodieke salarisverhoging: besluitvorming over een
                    outputbeloning en een daaraan voorafgaande beoordeling kunnen bij uitzondering
                    ook eerder of later dan na 12 maanden plaatsvinden. Kortheidshalve wordt
                    verwezen naar de betreffende passage in de toelichting op artikel C.7.</al><al>De outputbeloning heeft een incidenteel karakter en is bij zeer goede
                    werkresultaten 3% en bij uitstekende werkresultaten 7% van het salaris over de
                    periode waarop de beoordeelde werkresultaten betrekking hebben, derhalve in de
                    regel 3%, onderscheidenlijk 7% van het salaris over 12 maanden.</al><al>Naast de beloning die past bij de jaarcyclus is er bij managers behoefte aan het
                    toekennen van een beloning bij extra inzet of voor het verrichten van niet
                    geplande activiteiten. Artikel C.10 biedt daar-voor de grondslag.</al><al>Gedacht kan worden aan gratificaties, theaterbonnen, een diner voor twee, een
                    werkgeversbijdrage in sabbatverlof en andere blijken van waardering voor
                    individuele ambtenaren of voor een team van ambtenaren. Het gaat hier om
                    incidentele beloningen die direct kunnen worden verstrekt (boter bij de vis). De
                    uitwerking in concreet beleid en in de ontwikkeling van instrumenten is een
                    lokale verantwoordelijkheid, af te spreken met de ondernemingsraad.</al><tussenkop><vet>Artikel C.11 Toelage waarneming andere functie</vet></tussenkop><al>Op grond van dit artikel heeft de ambtenaar recht op een toelage bij volledige
                    waarneming, gedurende minimaal een maand, van een hoger gewaardeerde functie. De
                    toelage bedraagt per maand 6% van het maximumsalaris in de voor de waargenomen
                    functie geldende salarisschaal en een bedrag naar evenredigheid daarvan over
                    perioden waarin niet een volle maand is waargenomen. Het salaris met de toelage
                    komt daarmee uit op het salaris bij een horizontale inpassing in die hogere
                    salarisschaal, vermeerderd met 2 normale stappen van 3% van het maximumsalaris
                    van die schaal.</al><al>Dat leidt ertoe dat de toelage hoger zal zijn naarmate de waargenomen functie
                    zwaarder is. Het betekent voorts dat de toelage niet is gerelateerd aan het
                    salaris in de eigen functie. Voor alle ambtenaren is de toelage bij volledige
                    waarneming van een functie met een zelfde hoger functieniveau dus dezelfde.</al><al>In andere gevallen van waarneming is er geen recht op een toelage. Als de
                    ambtenaar een hoger gewaardeerde functie slechts gedeeltelijk waarneemt kan hij
                    daarvoor een toelage naar evenredigheid ontvangen. De hoogte daarvan is
                    afhankelijk van de aard en de omvang van de waargenomen werkzaamheden. Er is
                    geen recht op de toelage als de waarneming geen zwaardere functie betreft of
                    (behoudens bijzondere omstandigheden) korter dan een maand duurt. Recht op de
                    toelage bestaat evenmin als de waarneming plaatsvindt vanwege vakantieverlof van
                    een collega (ook al betreft het een hoger gewaardeerde functie), tenzij het
                    gespaard vakantieverlof betreft. Dan gaat het om vakantieverlof dat op grond van
                    afspraken tussen die collega en zijn leidinggevende is gespaard. Indien een
                    ambtenaar niet in aanmerking komt voor een waarnemingstoelage kan er onder
                    omstandigheden wel aanleiding zijn om hem een eenmalige beloning te geven op
                    grond van artikel C.10 wegens extra inzet of het verrichten van niet geplande
                    activiteiten.</al><tussenkop><vet>Artikel C.12 Toelage onregelmatige dienst</vet></tussenkop><al>Bij de beloning wordt ervan uitgegaan dat de ambtenaar zijn arbeid in de regel
                    verricht op maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur. Als de ambtenaar in
                    opdracht regelmatig of vrij regelmatig op andere tijden doordeweeks of in het
                    weekend of op feestdagen werkt dan heeft hij recht op een toe-lage op grond van
                    dit artikel. Daarbij gaat het niet om arbeid die in overwerk wordt verricht, dus
                    bo-ven op de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur. In dat geval heeft hij
                    recht op een overwerkver-goeding op grond van artikel C.23. Bij arbeid op
                    onregelmatige tijden binnen de voor hem geldende arbeidsduur komt de ambtenaar
                    in aanmerking voor een toelage die per uur een percentage be-draagt van zijn
                    uursalaris. Het percentage wordt berekend over ten hoogste het maximumsalaris
                    per uur van salarisschaal 6. De hoogte van het percentage is afhankelijk van het
                    tijdstip dat de onregel-matige dienst wordt verricht. De toelage maakt onderdeel
                    uit van de bezoldiging. Het is mogelijk om voor een groep ambtenaren uit te gaan
                    van een voor ieder gelijk (gemiddeld) uursalaris. Het is ook mogelijk om een
                    vaste maandelijkse toelage toe te kennen. Geen recht op de toelage bestaat als
                    de ambtenaar is ingeschaald in salarisschaal 11 of hoger.</al><tussenkop><vet>Artikel C.13 Afbouw toelage onregelmatige dienst</vet></tussenkop><al>De toelage onregelmatige dienst wordt toegekend voor zolang de ambtenaar die
                    onregelmatige dienst verricht. Als de onregelmatige dienst eindigt of minder
                    wordt dan leidt dat in beginsel tot be-eindiging of vermindering van de toelage.
                    Artikel C.13 biedt een voorziening in situaties waarin als gevolg van
                    beëindiging of vermindering van de onregelmatige dienst buiten toedoen van de
                    ambte-naar een blijvende en substantiële inkomensvermindering plaatsvindt en de
                    toelage onregelmatige dienst gedurende een redelijke periode is genoten. De
                    voorziening geldt onder dezelfde voorwaar-den ook als de beëindiging of
                    vermindering van de toelage onregelmatige dienst het gevolg is van een medisch
                    advies van de arbodienst, van een vrijwillige benoeming in het kader van de
                    algemene dienst of van vrijstelling van continudienst in de nachturen vanaf 55
                    jaar. De inkomensdaling moet minimaal 3% zijn en de toelage moet minimaal 2 jaar
                    zijn genoten. In dat geval heeft de ambtenaar recht op een aflopende toelage
                    gedurende minimaal 6 maanden ( te weten een kwart van de vereiste minimumperiode
                    van 2 jaar dat de toelage moet zijn genoten) en maximaal 3 jaar.</al><al>De toelage onregelmatige dienst wordt in drie gelijke perioden afgebouwd. Als de
                    afbouwperiode 3 jaar is dan ontvangt de ambtenaar het eerste jaar 75%, het
                    tweede jaar 50% en het derde jaar 25%. Verhogingen in de bezoldiging nadien,
                    anders dan ten gevolge van algemene salarisverhogingen, worden daarop in
                    mindering gebracht. In het vierde tot en met zesde lid is dat uitgewerkt. Een
                    voor-beeld ter illustratie. Ambtenaar A heeft een salaris van € 2.000 per maand,
                    zijnde het maximumsala-ris in zijn salarisschaal, en een toelage onregelmatige
                    dienst van € 200 per maand. Die € 200 is ook het gemiddelde over de laatste 12
                    maanden, hetgeen van belang is, omdat die de grondslag vormt voor de aflopende
                    toelage. Als gevolg van een (blijvende) vermindering van de onregelmatige dienst
                    daalt de toelage tot € 100 per maand. Ambtenaar A heeft, gezien de periode dat
                    hij de onregelmatige dienst heeft verricht, aanspraak op een aflopende toelage
                    gedurende de maximumperiode van 3 jaar. De aflopende toelage bedraagt het eerste
                    jaar (€ 200 - € 100 =) € 100 x 75% = € 75 per maand. Het tweede en derde jaar
                    bedraagt zij € 50 resp. € 25 per maand. Als de ambtenaar in het eerste jaar een
                    stap van 3% van het maximumsalaris maakt (= € 60 per maand) op grond van een
                    normaal goede beoordeling dan bedraagt de aflopende toelage in het eerste jaar
                    75% van € 200 minus € 100 en minus € 60, ofwel € 30 per maand. Vindt er in
                    plaats daarvan een algemene salarisverhoging van 2% plaats dan wordt ook de
                    aflopende toelage met dat percentage verhoogd. Die komt dus uit op € 76, 50. Dat
                    gebeurt op grond van het zesde lid op de volgende wijze: (€ 200 x 102% =) € 204
                    minus (€ 100 x 102% =) € 102 = €102 x 75% = € 76,50.</al><al>Vanaf 60 jaar kan onder voorwaarden een blijvende toelage worden toegekend. Deze
                    bedraagt steeds 100%. Is er voordien een aflopende toelage toegekend die nog
                    voortduurt op de 60-jarige leeftijd dan wordt die aflopende toelage op het dan
                    geldende niveau omgezet in een blijvende toela-ge. Als de aflopende toelage op
                    dat moment 50% bedraagt dan bedraagt ook de blijvende toelage vanaf 60 jaar 50%.
                    Zowel de aflopende toelage als de blijvende toelage op grond van dit artikel
                    maken onderdeel uit van de bezoldiging.</al><tussenkop><vet>Artikel C.14 Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie</vet></tussenkop><al>Om kwalitatief goed en gemotiveerd personeel te hebben en te houden is het voor
                    de provincie van belang zich als een aantrekkelijke werkgever op de arbeidsmarkt
                    te positioneren. Uit onderzoek blijkt dat de aantrekkelijkheid van de werkgever
                    bij de overheid in sterke mate wordt bepaald door de inhoud van het werk en de
                    loopbaanperspectieven. Ook het salaris en andere arbeidsvoorwaarden zijn
                    belangrijk. Zoals hierboven al geconstateerd vormt de marktwaarde een van de
                    vier grondslagen van het beloningssysteem. Die marktwaarde vindt zijn vertaling
                    in het generieke salarisniveau. Soms zijn er specifieke voorzieningen nodig om
                    de arbeidsmarktpositie te verbeteren.</al><al>In de beloningssfeer kan daarbij worden gedacht aan de toekenning van een
                    arbeidsmarkttoelage of een bindingspremie. Die voorzieningen zijn opgenomen in
                    artikel C.14. Zij kunnen worden gericht op specifieke beroepsgroepen, voor de
                    vervulling van functies die, gelet op de schaarste op de ar-beidsmarkt, moeilijk
                    vervulbaar zijn en op het behoud van gekwalificeerd personeel in dergelijke
                    functies. De arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie zullen daarom doorgaans
                    worden toegekend aan een groep van ambtenaren die door gedeputeerde staten is
                    aangewezen. Daarover maken zij afspraken met de vakorganisaties in het
                    Georganiseerd Overleg. Artikel C.14 biedt daarnaast de ruimte voor individueel
                    maatwerk. Ook aan een individuele ambtenaar kan, als daartoe op grond van
                    arbeidsmarktoverwegingen aanleiding bestaat, een arbeidsmarkttoelage of een
                    bindingspremie wor-den toegekend.</al><al>De arbeidsmarkttoelage wordt toegekend in aanvulling op het salaris en wordt dus
                    in de regel maan-delijks betaald voor een tevoren bepaalde periode. De
                    bindingspremie is een eenmalige uitkering die wordt toegekend na afloop van een
                    vooraf bepaalde periode. Als de betrokken ambtenaar korter blijft krijgt hij in
                    beginsel niets. De periode waarvoor de ambtenaar zich bindt moet, om in
                    aanmerking te komen voor een bindingspremie, ten minste 3 jaar zijn.</al><al>De bindingspremie is geen toelage en is dan ook geen onderdeel van de
                    bezoldiging. De arbeids-markttoelage is wel onderdeel van de bezoldiging. Zij
                    kan voor maximaal 3 jaar worden toegekend. Als de arbeidsmarkt daartoe
                    aanleiding geeft kan de toelage worden verlengd, telkens voor maximaal 3 jaar.
                    De arbeidsmarkttoelage bedraagt maximaal 10% van het salaris. Het salaris met de
                    toelage mag echter nooit uitkomen boven het maximumsalaris van de naast hogere
                    salarisschaal. Een soortgelijke maximering geldt ook voor de
                    bindingspremie.</al><al>Aan de arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie kunnen gedeputeerde staten
                    nadere voorwaar-den verbinden. Daartoe kunnen ze nadere regels vaststellen in
                    overleg met de vakorganisaties in het Georganiseerd Overleg. Gedacht kan worden
                    aan gronden voor intrekking van de toelage en premie, bijvoorbeeld bij
                    aanvaarding van een andere functie, aan een terugbetalingsplicht van de toelage
                    bij tussentijds vertrek of aan tijdelijke opschorting van de toelage bij
                    langdurig verlof e.d. Het zesde lid biedt ruimte om toch de toelage of premie
                    gedeeltelijk te betalen, als de ambtenaar buiten zijn schuld niet aan alle
                    nadere voorwaarden heeft kunnen voldoen.</al><tussenkop><vet>Artikel C.15 Toelage op andere gronden</vet></tussenkop><al>De artikelen C.11 t/m C.14 geven een opsomming van toelagen die kunnen worden
                    verstrekt. Artikel C.15 is een kapstokbepaling die het mogelijk maakt om ook op
                    andere gronden een toelage toe te kennen. Dat kan zowel een toelage aan een
                    individuele ambtenaar zijn als aan een groep van amb-tenaren. In het laatste
                    geval stellen gedeputeerde staten daarvoor een regeling vast. Daarover ma-ken
                    zij afspraken met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd
                    Overleg. Te denken valt hier aan een toelage P.M. (inconveniënten,
                    bereikbaarheidsdiensten). Een persoonlijke toelage op grond van het (goede)
                    functioneren van de ambtenaar (functioneringstoelage) is op grond van dit
                    artikel uiteraard niet mogelijk. Daarvoor biedt het in de artikelen C.4 t/m C.7,
                    C.9 en C.10 uitgewerkte beloningssysteem immers een uitputtende
                    voorziening.</al><tussenkop><vet>Artikel C.16 t/m C.20 Individueel Keuzebudget</vet></tussenkop><al/><al>In de artikelen C.16 t/m C.20 is het Individueel Keuzebudget (IKB) geregeld. Het
                    IKB is een in geldwaarde uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar keuze kan
                    aanwenden voor een aantal doelen. Met het IKB krijgen werknemers meer
                    verantwoordelijkheid voor en zeggenschap over de inhoud van hun
                    arbeidsvoorwaardenpakket. Zij kunnen hierdoor beter keuzes maken die aansluiten
                    bij hun levensfase en/of hun persoonlijke omstandigheden.</al><al/><al>Het IKB is opgebouwd uit een aantal collectieve voorzieningen die voor alle
                    ambtenaren gelden. In het IKB zijn opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al> de eindejaarsuitkering van 8,3%</al></li><li nr="-"><al> de vakantie-uitkering van 8%</al></li><li nr="-"><al> de werkgeversbijdrage levensloop van 3,4% (schalen 1 t/m 13) resp.
                            2,85% (schalen 14 en hoger).</al></li></lijst><al> Ook het bovenwettelijk vakantieverlof (36 uur voor voltijdwerkers) is,
                    uitgedrukt in geld, aan het IKB toegevoegd. Dit bedraagt 1,92%. Alles bij elkaar
                    opgeteld is het IKB per 1 januari 2016 13,62% resp. 13,07% van het salaris plus
                    8% van de bezoldiging. De ambtenaar kan er voor kiezen meer uren te gaan werken.
                    Het extra geld dat hij of zij daarmee verdient wordt dan in het IKB gestort. De
                    werknemer krijgt ook de mogelijkheid om geld dat hij of zij uit bepaalde vaste,
                    specifiek voor hem geldende (individuele) voorzieningen verdient, in het IKB te
                    storten. Bij de start van het IKB blijft die mogelijkheid beperkt tot de vaste,
                    maandelijkse toelagen, zoals garantietoelagen, arbeidsmarkttoelagen e.d.</al><al>Het IKB wordt berekend over het salaris. Alleen de vakantie-uitkering in het IKB
                    wordt (net als nu) berekend over de bezoldiging (salaris plus toelagen). Daarbij
                    geldt een wettelijk vastgestelde minimumvakantie-uitkering. Omdat het IKB is
                    berekend over het salaris resp. de bezoldiging hebben ziekte, onbetaald verlof
                    en salarisverhoging invloed op de hoogte daarvan. Bij ziekte die langer dan een
                    jaar duurt vermindert dus de opbouw van het IKB. Een salarisverhoging leidt tot
                    een hoger IKB. Het IKB is grotendeels pensioengevend. Alleen de waarde van het
                    bovenwettelijk vakantieverlof in het IKB is niet pensioengevend. Het budget
                    wordt maandelijks opgebouwd en bedraagt dus elke maand 1/12 deel.</al><al>De ambtenaar kan het IKB laten uitbetalen als brutoloon in de maand van opbouw
                    of later in het kalenderjaar of aanwenden voor extra verlof (voor voltijdwerkers
                    maximaal 144 uur per kalenderjaar) dan wel voor levensloop-sparen (als hij onder
                    het overgangsrecht van de Levensloopregeling valt). Hij kan het IKB tenslotte
                    ook gebruiken voor de IKAP-doelen. Zie daarvoor ook de toelichting op de
                    IKAP-regeling. Hij of zij kan niet meer uit het IKB opnemen dan op dat moment is
                    opgebouwd. Het beschikbare geld kan uiteraard maar één keer worden uitgegeven.
                    En het moet in hetzelfde kalenderjaar zijn besteed. Dat ligt anders wanneer IKB
                    wordt gebruikt voor extra verlof. Dat verlof kan ook later worden opgenomen. Is
                    eenmaal een bedrag opgenomen dan kan dit niet meer worden teruggestort in het
                    IKB. Als de werknemer geen keuze maakt, wordt het opgebouwde deel van het IKB in
                    dezelfde kalendermaand automatisch als brutoloon uitbetaald. De aanvraag voor
                    meer of minder werken kan eenmaal per jaar worden gedaan en eenmaal worden
                    herzien. De andere keuzes kunnen maandelijks worden gemaakt vóór de
                    sluitingsdatum van de salarisverwerking.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel C.21 Eenmalige uitkering</vet></tussenkop><al>In het kader van de CAO-onderhandelingen in het SPA worden soms ook afspraken
                    gemaakt over een eenmalige uitkering voor het provinciepersoneel. Artikel C.21
                    biedt hiervoor de grondslag in de CAP.</al><tussenkop><vet>Artikel C.23 Vergoeding voor overwerk</vet></tussenkop><al>Aan de ambtenaar kan een vergoeding voor overwerk worden toegekend. Wat onder
                    overwerk wordt verstaan is vastgelegd in het tweede lid. Het moet wel gaan om
                    overwerk dat de ambtenaar is opge-dragen. Van overwerkvergoeding zijn
                    uitgesloten ambtenaren in de salarisschalen 11 en hoger. Op grond van het tiende
                    lid kan aan deze hoger betaalden in bijzondere omstandigheden wel een bijzondere
                    vergoeding worden verstrekt. De overwerkvergoeding bestaat uit verlof voor de
                    duur van het overwerk en een toeslag in geld, uitgedrukt in een percentage van
                    het salaris. Als het dienstbe-lang zich tegen vergoeding in tijd verzet wordt de
                    overwerkvergoeding geheel in geld uitbetaald. De toeslag is afhankelijk van het
                    tijdstip waarop het overwerk wordt verricht en varieert van 25% voor overwerk op
                    doordeweekse dagen tussen 6 en 20 uur tot 100% op zon- en feestdagen. Daarbij
                    wordt geen onderscheid gemaakt tussen deeltijders en voltijdwerkers.?De
                    overwerkvergoeding is geen onderdeel van de bezoldiging, maar wel
                    pensioeninkomen waarover dus volgens de gebruikelijke verdeling pensioenpremie
                    wordt betaald. Het is mogelijk voor een groep ambtenaren die samen gelijktijdig
                    overwerk verricht een gelijke overwerkvergoeding toe te kennen, ook al worden
                    zij verschillend bezoldigd en vervullen zij verschillende functies. Ook is het
                    mogelijk aan een ambtenaar een vaste vergoeding te verstrekken als hij
                    regelmatig overwerk verricht. Ter uitvoering van dit artikel kunnen gedeputeerde
                    staten nadere regels vaststellen. Zij kunnen zo nodig in bijzondere gevallen een
                    regeling treffen die dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.</al><tussenkop><vet>Artikel C.24 Vergoeding voor andere extra diensten dan overwerk</vet></tussenkop><al>Het kan voorkomen dat een ambtenaar extra diensten verricht die niet zijn
                    verdisconteerd in de be-zoldiging (of geacht kunnen worden daarin te zijn
                    verdisconteerd). Overwerk is daarvan een voor-beeld. In dat geval kan er reden
                    zijn daarvoor een specifieke vergoeding te verstrekken.</al><al>Voor het overwerk is dat geregeld in artikel C.24. Te denken valt daarnaast aan
                    P.M. (bereikbaar-heidsdiensten, gladheidbestrijding, rampenbestrijding,
                    bedrijfshulpverlening). Daarvoor kunnen ge-deputeerde staten een
                    vergoedingsregeling vaststellen. Over deze regeling maken zij afspraken met de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg.</al><tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK D</tussenkop><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten.</vet></al><al><vet>Arbeidsduur en werktijden</vet></al><al>In opdracht van het bevoegd gezag van de provincie is het ambtelijk kader belast
                    met de invulling van de op sectoraal niveau vastgestelde arbeidsduur voor het
                    lokaal niveau. Het gaat erom, dat de arbeidstijden door het leidinggevende kader
                    worden gemanaged, een vorm van arbeidstijden-management derhalve.</al><al>Als het gaat om arbeidsduur en werktijden voor het provinciaal personeel dan
                    zijn organisatiebe-lang en individueel belang nadrukkelijk in beeld. Een
                    evenwichtige benadering van beide belangen is noodzakelijk. Het
                    organisatiebelang vereist primair een goede bedrijfsvoering, waarbij werkaanbod
                    en beschikbare tijd goed op elkaar zijn afgestemd. Het individueel belang
                    vereist een adequate zorg voor de arbeidsomstandigheden en de individuele
                    wensen. Te denken valt vooral aan het scheppen van faciliteiten die een
                    combinatie van zorg en arbeid mogelijk maken. De 36-urige werkweek heeft het
                    kader geschapen om in de individuele sfeer te zorgen voor een betere combinatie
                    van zorg en arbeid.</al><al>De regeling van de arbeidsduur en de daarbinnen gehanteerde werktijden vereisen
                    een adequate verantwoordelijkheidsverdeling tussen het centrale (sectorale) en
                    lokale bevoegde gezag.</al><al>In de CAP zijn uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al> de arbeidsduur;</al></li><li nr="b."><al> de opdracht aan het lokale gezag tot vaststelling van de
                            werktijdenregelingen en de belang-rijkste randvoorwaarden daarbij
                            (kaderstellend);</al></li></lijst><al>Per provincie vindt vaststelling van de concrete werktijdenregelingen plaats. De
                    werktijdenregelingen maken immers bij uitstek deel uit van de bedrijfsvoering,
                    die een lokale verantwoordelijkheid is.</al><al>In de CAP worden slechts randvoorwaarden aangegeven, waardoor in de lokale
                    uitwerkingsrege-ling ruimte voor individueel maatwerk overblijft (te denken is
                    aan individuele werktijdenregeling met spaarmogelijkheid).Gelet op de
                    ontwikkelingen in het overlegrecht is lokaal de ondernemings-raad (OR)
                    gesprekspartner bij de vaststelling of wijziging van de
                    werktijdenregelingen.</al><al><vet>Vakantieverlof en buitengewoon verlof</vet></al><al>In de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk D van de CAP is een rechtspositionele
                    regeling van het verlof opgenomen. Daarin is een onderscheid aangebracht tussen
                    vakantieverlof en buiten-gewoon verlof. Eerstgenoemd verlof is steeds (volledig)
                    betaald verlof. Buitengewoon verlof kan slechts om bijzondere redenen worden
                    verleend en kan ook onbetaald of gedeeltelijk betaald verlof zijn. De
                    verlofregeling regelt de verloffaciliteiten in hun onderlinge samenhang en geeft
                    de ambtenaar aanspraken op verlof met inachtneming van een aantal restricties
                    met het oog op de bedrijfsvoering. De regeling biedt daarmee een goed evenwicht
                    tussen de belangen van de individuele ambtenaar en die van de organisatie. De
                    ambtenaar heeft met deze regeling goede mogelijkheden om arbeid en privé-leven
                    met elkaar te combineren, enerzijds door een ruim aantal uren vakantieverlof
                    waarover hij binnen de grenzen van het dienstbelang vrij kan beschikken en
                    anderzijds door een aantal specifieke bepalingen van buitengewoon verlof.
                    Daarnaast zijn er binnen randvoorwaarden enkele keuzemogelijkheden via de
                    IKAP-regeling krachtens artikel F.14, te weten de uitruil van vakantieverlof
                    voor extra salaris, extra levensloopsaldo of voor fiscaal gefaciliteerde doelen
                    (vakbondscontributie, fiets en reiskosten openbaar vervoer voor
                    woon/werkverkeer). De ambtenaar heeft met deze regeling goede mogelijkheden om
                    arbeid en privéleven met elkaar te combineren, enerzijds door vakantieverlof
                    waarover hij binnen de grenzen van het dienstbelang vrij kan beschikken en
                    anderzijds door een aantal specifieke bepalingen van buitengewoon verlof.
                    Daarnaast zijn er binnen randvoorwaarden keuzemogelijkheden om meer of minder te
                    gaan werken.</al><al>Hij is echter tevens verantwoordelijk voor een zodanige sturing van de verlofop-
                    name dat de continuïteit van de werkzaamheden is gewaarborgd en dat
                    verlofstuwme-ren worden voorkomen. De regeling biedt het management in samenhang
                    met andere P&amp;O-instrumenten de middelen voor een planmatige aanpak.</al><al><vet>Wet arbeid en zorg</vet></al><al>Sinds 1 december 2001 geldt de Wet arbeid en zorg voor alle werknemers bij de
                    overheid en in de marktsector. Deze wet bevat een samenhangend systeem van
                    verlofregelingen met de daarbij behorende financiering. In deze wet zijn onder
                    meer de volgende verlofregelingen opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al> (gedeeltelijk) betaald kortdurend zorgverlof en onbetaald langdurend
                            zorgverlof</al></li><li nr="-"><al> onbetaald ouderschapsverlof</al></li><li nr="-"><al> betaald zwangerschaps- en bevallingsverlof</al></li><li nr="-"><al> betaald adoptieverlof</al></li><li nr="-"><al> betaald calamiteiten- en ander kort verzuimverlof</al></li></lijst><al>Naast deze wettelijke bepalingen zijn er ook (rechtspositionele)
                    verlofbepalingen opgenomen in paragraaf 3 van hoofdstuk D van de CAP. Het is van
                    belang dat er helderheid bestaat over de verhouding tussen de wettelijke en
                    rechtspositionele verlofregelingen. Daarop wordt hieronder ingegaan.</al><al>Zorgverlof De Wet arbeid en zorg kent twee vormen van zorgverlof, te weten het
                    kortdurend en het langdurend zorgverlof.</al><al>Er bestaat een (geclausuleerd) recht op verlof voor de noodzakelijke verzorging
                    i.v.m. ziekte van de levenspartner, (inwonende) kinderen en andere
                    bloedverwanten in de eerste graad. Het verlof geldt voor een periode van
                    maximaal 2 werkweken. In die verlofperiode bestaat het wettelijke recht op
                    doorbetaling van 70% van het (maximumdag)loon, maar ten minste op het
                    minimumloon. Op grond van artikel D.12, vierde lid, van de CAP wordt dit
                    aangevuld tot 100% van de bezoldiging. Het kortdurend zorgverlof mag alleen
                    worden geweigerd als er een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is dat
                    het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en
                    billijkheid moet wijken.</al><al>Recht op langdurend zorgverlof bestaat voor de verzorging van zijn of haar
                    levenspartner, kinderen en bloedverwanten in de eerste graad die
                    levensbedreigend ziek zijn. Het gaat hier om onbetaald deeltijdverlof van
                    maximaal de helft van de arbeidsduur per week over maximaal 12 weken. Voor een
                    voltijdwerker bedraagt het onbetaald langdurend zorgverlof derhalve maximaal 216
                    uur. Het verlof kan op verzoek van de werknemer worden gespreid over een kortere
                    of langere periode, maar maximaal over een periode van 18 weken. Ook dit verlof
                    kan alleen worden geweigerd als daartegen een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang bestaat dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven
                    van redelijkheid en billijkheid moet wijken.</al><al>Ouderschapsverlof Voor kinderen tot 8 jaar heeft de werknemer als ouder op grond
                    van de Wet arbeid en zorg recht op ouderschapsverlof. Het betreft hier onbetaald
                    deeltijdverlof van ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week over
                    maximaal twaalf maanden. Voor een voltijdwerker bedraagt het ouderschapsverlof
                    derhalve maximaal 936 uur. Het verlof kan op verzoek van de werknemer in overleg
                    met de leidinggevende over een langere of een kortere periode worden gespreid.
                    Het ouderschapsverlof kan desgewenst in maximaal zes delen worden opgenomen. Op
                    grond van de levensloopregeling kan voor het onbetaald ouderschapsverlof
                    levensloopsaldo worden opgenomen.</al><al>Zwangerschaps- en bevallingsverlof De regeling van artikel D.11 van de CAP is
                    volledig afgestemd op de wettelijke regeling. Het extra t.o.v. de wettelijke
                    regeling is dat de wettelijke uitkering (het dagloon) wordt aangevuld tot 100%
                    van de bezoldiging. Dat is van belang als de bezoldiging uitkomt boven het
                    maximum dagloon.</al><al>Adoptieverlof De in artikel D.12, derde lid, van de CAP opgenomen regeling is
                    een aanvulling op het wettelijk adoptieverlof in die zin dat wordt geregeld dat
                    de wettelijke uitkering bij het adoptieverlof (het dagloon) steeds wordt
                    aangevuld tot 100% van de bezoldiging. Dat is van belang als de bezoldiging
                    uitkomt boven het maximum dagloon.</al><al>Calamiteiten- en kort verzuimverlof In de Wet arbeid en zorg is het recht
                    geregeld op kort betaald verlof wegens uitoefening van het actief kiesrecht, ter
                    voldoening aan een wettelijke verplichting, bij overlijden van bloed- en
                    aanverwanten en bij bevalling van de levenspartner (de dag van de bevalling en
                    twee dagen kraamverlof). In aanvulling hierop is in artikel D.12 van de CAP
                    geregeld: kort betaald calamiteitenverlof en verlof (1 dag) voor het eigen
                    huwelijk/geregistreerd partnerschap. Ook is in artikel D.12 van de CAP het
                    verlof bij overlijden nader ingevuld (4 resp. 2 dagen).</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Artikel D.1 Arbeidsduur</vet></tussenkop><al>Dit artikel bevat de verplichting voor gedeputeerde staten om de arbeidsduur per
                    jaar voor het personeel vast te stellen aan de hand van het actuele SPA-akkoord.
                    Met ingang van 1 oktober 1997 is de voltijd arbeidsduur per jaar vastgesteld
                    volgens de formule: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het aantal
                    zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag val-lende feestdagen,
                    vermenigvuldigd met 7,2 (arbeidsduur per dag). De gemiddelde werkweek is hiermee
                    rekenkundig van 38 uur teruggebracht tot 36 uur. In het derde lid is aangegeven
                    welke dagen als feestdagen worden aangemerkt. De 5e mei is dat eens in de vijf
                    jaar, in lustrumjaren. Het SPA-akkoord is bindend voor alle provincies. De
                    berekening van de arbeidsduur moet voor elk kalenderjaar opnieuw plaatsvinden.
                    Feitelijk is de arbeidsduur niet elk jaar gelijk. Dat komt doordat het aantal
                    feestdagen, dat op een doordeweekse dag valt, jaarlijks kan verschillen en als
                    gevolg van de vierjaarlijkse schrikkeldag.</al><al>De arbeidsduur van deeltijders wordt naar rato vastgesteld. Deeltijders met een
                    zelfde deeltijdfactor zullen op jaarbasis ook een gelijke arbeidsduur moeten
                    hebben. Of dat ook daadwerkelijk zo is, is mede afhankelijk van de dagen waarop
                    wordt gewerkt. Zo zullen bijvoorbeeld deeltijders die op maandag werken
                    profiteren van feestdagen als tweede paasdag en tweede pinksterdag. Deeltijders
                    die op maandag niet werken profiteren daarvan niet. Uit een oogpunt van gelijke
                    rechtsbe-deling zal gezorgd moeten worden voor een zodanige vastlegging van de
                    concrete werktijden in een kalenderjaar dat deeltijders per saldo ook
                    daadwerkelijk evenveel arbeidsuren hebben.</al><al>In het vijfde lid is geregeld dat de individuele (zittende of nieuw in dienst
                    tredende) ambtenaar en zijn leidinggevende kunnen afspreken dat de ambtenaar
                    meer dan gemiddeld 36 uur per week gaat werken. Daarbij geldt een bovengrens van
                    40 uur per week. De normwerkweek van 36 uur blijft ongewijzigd. De afspraken om
                    meer dan gemiddeld 36 uur per week te werken kunnen voor een bepaalde periode
                    worden gemaakt, maar ook voor onbepaalde tijd. Het betreft een geclausuleerd
                    recht van de ambtenaar: een verzoek om meer dan gemiddeld 36 uur per week te
                    werken wordt ingewilligd als er geen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen
                    zijn die zich daartegen verzetten. Er is sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang als een en ander leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr=""><al>van financiële of organisatorische aard;</al></li><li nr=""><al>wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk; of</al></li><li nr=""><al>omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe
                            ontoereikend is.</al></li></lijst><al>Het betreft hier geen limitatieve opsomming. Ook ernstige schade aan andere
                    economische, technische of operationele belangen kan reden zijn om een
                    arbeidsduur van meer dan gemiddeld 36 uur per week niet toe te staan.
                    Voorbeelden van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zijn ook:</al><lijst><li nr=""><al>schadelijkheid voor de gezondheid (bijv. bij een hoge
                            verzuimfrequentie);</al></li><li nr=""><al>bij oneigenlijk gebruik (bijv. wanneer de ambtenaar gedeeltelijk of
                            volledig arbeidsongeschikt is);</al></li><li nr=""><al>bij disfunctioneren van de ambtenaar, waarbij voorwaarde is dat
                            betrokkene op de hoogte is van de ontevredenheid over zijn functioneren
                            en daarover een behoorlijk gedocumenteerd dossier is bijgehouden.</al></li></lijst><al>In het vijfde lid is geregeld dat de individuele (zittende of nieuw in dienst
                    tredende) ambtenaar en zijn leidinggevende kunnen afspreken dat de ambtenaar
                    meer dan gemiddeld 36 uur per week gaat werken. Daarbij geldt een bovengrens van
                    40 uur per week. De normwerkweek van 36 uur blijft ongewijzigd. De afspraken om
                    meer dan gemiddeld 36 uur per week te werken kunnen voor een bepaalde periode
                    worden gemaakt, maar ook voor onbepaalde tijd. Het betreft een geclausuleerd
                    recht van de ambtenaar: een verzoek om meer dan gemiddeld 36 uur per week te
                    werken wordt ingewilligd als er geen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen
                    zijn die zich daartegen verzetten. Er is sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang als een en ander leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="-"><al> van financiële of organisatorische aard;</al></li><li nr="-"><al> wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk; of</al></li><li nr="-"><al> omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe
                            ontoereikend is.</al></li></lijst><al>Het betreft hier geen limitatieve opsomming. Ook ernstige schade aan andere
                    economische, technische of operationele belangen kan reden zijn om een
                    arbeidsduur van meer dan gemiddeld 36 uur per week niet toe te staan.
                    Voorbeelden van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zijn ook -
                    schadelijkheid voor de gezondheid (bijv. bij een hoge verzuimfrequentie)</al><lijst><li nr="-"><al> bij oneigenlijk gebruik (bijv. wanneer de ambtenaar gedeeltelijk of
                            volledig arbeidsongeschikt is);</al></li><li nr="-"><al> bij disfunctioneren van de ambtenaar, waarbij voorwaarde is dat
                            betrokkene op de hoogte is van de ontevredenheid over zijn functioneren
                            en daarover een behoorlijk gedocumenteerd dossier is bijgehouden.</al></li></lijst><al>De uitbreiding van de arbeidsduur leidt tot een verhoging naar rato van een
                    aantal rechtspositionele voorzieningen. Daarbij gaat het om voorzieningen
                    waarvan het niveau afhankelijk is van de arbeidsduur, dus in alle gevallen
                    waarin ook de voorzieningen van deeltijders naar rato zijn bepaald. Te noemen
                    zijn o.a. het salaris, en het IKB, maar ook de loondoorbetaling bij ziekte. Er
                    zijn ook gevolgen voor de toepassing van de sociale verzekeringswetten zoals de
                    Werkloosheidswet en de WIA. Voor het pensioen wordt betrokkene gezien als een
                    deeltijder met een deeltijdfactor groter dan 1. Dat leidt tot een evenredige
                    verhoging van het pensioen en van de verschuldigde premie daarvoor</al><tussenkop><vet>Artikel D.2 Werktijdenregelingen.</vet></tussenkop><al>Elke ambtenaar werkt volgens een werktijdenregeling. De CAP bepaalt dat
                    gedeputeerde staten werktijdenregelingen vaststellen. De concrete invulling
                    daarvan is een lokale aangelegenheid, omdat het hier gaat om de bedrijfsvoering
                    van de lokale organisatie. Wel is in het eerste tot en met derde lid aangegeven,
                    dat het moet gaan om minimaal een algemene werktijdenregeling (vast te stellen
                    door gedeputeerde staten, nadat de bestuurder de vereiste instemming van de OR
                    heeft verkregen) en dat daarnaast de mogelijkheid bestaat om voor bepaalde
                    organisatieonderde-len en bepaalde groepen functies een bijzondere
                    werktijdenregeling te treffen. Tenslotte kan voor iedere ambtenaar afzonderlijk
                    desgewenst een individuele werktijdenregeling worden getroffen.</al><al>Deze laatste kan dan het kenmerk van een spaarregeling hebben, waarbij de voor
                    de desbetref-fende ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar wordt overschreden en
                    de extra arbeidsduur in daarop volgende jaren in verlof wordt opgenomen.</al><al>Het vierde lid stelt als randvoorwaarde bij de werktijdenregelingen, dat een
                    zorgvuldige afweging van organisatiebelang en individueel belang plaatsvindt aan
                    de hand van de gegeven criteria. Het organisatiebelang kan soms eisen dat de
                    ambtenaar tijdelijk arbeid verricht buiten het individueel bepaalde
                    arbeidspatroon of zich dan beschikbaar houdt voor arbeid. Dat is geregeld in het
                    vijfde lid.</al><al>In de Arbeidstijdenwet en de ter uitvoering daarvan vastgestelde regelingen zijn
                    de wettelijke grenzen van de werk- en rusttijden dwingendrechtelijk geregeld.
                    Bovendien is in deze wet afdoende geregeld, dat de uitoefening van bepaalde
                    grondrechten die in relatie staan tot het werk (bijvoorbeeld het voldoen aan
                    godsdienstige verplichtingen tijdens het werk) ongestoord kan plaatsvinden.</al><tussenkop><vet>Artikel D.3 Aanwijzing collectieve roostervrije dagen</vet></tussenkop><al>Het provinciebestuur bepaalt of en wanneer de provinciale dienst collectief
                    gesloten is. Met instemming van de OR kunnen maximaal 7 collectieve roostervrije
                    dagen voor rekening van de ambtenaar worden aangewezen.</al><al>In het tweede lid is geregeld dat 5 mei (zonder nadere aanwijzing door het
                    provinciebestuur) van rechtswege in alle provincies een collectieve roostervrije
                    dag is voor rekening van de amb-tenaar. Uiteraard voor zover 5 mei op een
                    werkdag valt. En niet eens in de 5 jaren is aangemerkt als feestdag (zie artikel
                    D.1, derde lid). Over deze collectieve roostervrije dag hoeft geen overleg met
                    de OR te worden gevoerd. Op deze wijze is geregeld dat 5 mei altijd een vrije
                    dag is: hetzij een vrije dag in het weekend, hetzij een (doordeweekse) feestdag
                    voor rekening van de werkgever, hetzij een (doordeweekse) collectieve
                    roostervrije dag voor rekening van de ambtenaar. Het tweede lid is een
                    aanvulling op het eerste lid: ook in jaren dat 5 mei een collectieve
                    roostervrije dag voor rekening van de ambtenaar is kunnen gedeputeerde staten
                    maximaal 7 (andere) werkdagen als collectieve roostervrije dag aanwijzen. Het
                    totaal aantal collectieve roostervrije dagen kan in die jaren dan maximaal 8
                    werkdagen bedragen (7 dagen, aangewezen op grond van het eerste lid, en 5 mei
                    als 8e dag van rechtswege ingevolge het tweede lid).</al><al>De collectieve roostervrije dagen kunnen niet ten laste van het vakantieverlof
                    worden gebracht.</al><tussenkop><vet>Artikel D.4 Werktijdvermindering oudere ambtenaren</vet></tussenkop><al>Dit lid bevat een (ongeclausuleerd) recht voor de oudere ambtenaar (vanaf de
                    leeftijd van 55 jaar) om te worden vrijgesteld van continudiensten in de
                    nachturen. Betrokkene heeft in dat geval recht op de afbouwregeling toelage
                    onregelmatige dienst die is opgenomen in artikel C.13.</al><tussenkop><vet>Artikel D.5 Aanspraak op vakantieverlof</vet></tussenkop><al>In artikel D.5 is het recht op vakantieverlof geregeld. Het vakantieverlof is
                    uitgedrukt in uren en bedraagt voor iedere fulltime ambtenaar 144 uren per
                    kalenderjaar. Leeftijd en salaris van de ambtenaar zijn daarbij niet relevant.
                    De omvang van het dienstverband is wel relevant: het vakantieverlof van
                    deeltijdwerkers wordt naar rato bepaald. Aanstelling of ontslag halverwege het
                    kalenderjaar heeft uiteraard gevolgen voor de berekening van de aanspraken. Die
                    worden bepaald naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in het
                    betreffende kalenderjaar. Als de arbeidsduur van de ambtenaar wordt aangepast
                    worden de aanspraken op vakantieverlof evenzo aangepast. Daarbij blijven de
                    bestaande aanspraken over de daaraan voorafgaande periode vanzelfsprekend
                    gehandhaafd. Alleen over het resterende deel van het kalenderjaar vindt in dat
                    geval een herberekening plaats.</al><al>Het vakantieverlof is gelijk aan het wettelijk minimum aan vakantieverlof dat
                    voor werknemers in de marktsector is geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Dat is
                    4 weken, namelijk viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week, ofwel voor
                    fulltimers bij de provincies (4 x 36 =) 144 uren per kalenderjaar. Uit het IKB
                    kan de ambtenaar extra vakantieverlof kopen (voor fulltimers maximaal 144 uren
                    per kalenderjaar). Op dit extravakantieverlof zijn de bepalingen inzake
                    vakantieverlof (artikelen D.5 t/m D.9) van overeenkomstige toepassing, met
                    uitzondering van de bepaling over het vervallen van niet opgenomen
                    vakantieverlof (zie toelichting bij artikel D.6).</al><al>Arbeidsomstandighedenwet</al><tussenkop><vet>Artikel D.6 Vermindering en verval van aanspraak op vakantie verlof</vet></tussenkop><al>Het vakantieverlof wordt gedurende het kalenderjaar opgebouwd. Dit opbouwsysteem
                    houdt in dat in beginsel uitsluitend vakantieverlof wordt opgebouwd over
                    gewerkte tijd. Over kalendermaanden waarin de ambtenaar geen arbeid verricht
                    heeft hij geen recht op vakantieverlof. Over kalendermaanden waarin gedeeltelijk
                    arbeid wordt verricht bestaat slechts aanspraak op vakantieverlof naar
                    evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop daadwerkelijk arbeid is
                    verricht. Dit betekent dat indien geheel of gedeeltelijk geen arbeid is
                    verricht, bijvoorbeeld wegens non-activiteit, ouderschapsverlof of schorsing, de
                    aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid wordt verminderd. Deze hoofdregel
                    is neergelegd in het eerste lid. Het tweede lid bevat de uitzonderingen op de
                    hoofdregel.</al><al>Zieke ambtenaren bouwen evenveel vakantieverlof op als gezonde ambtenaren. Zij
                    krijgen daardoor, overeenkomstig de Europese jurisprudentie, ook het recht op
                    minimaal 4 weken vakantieverlof. Anders is dat ten aanzien van het aanvullend
                    vakantieverlof. De opbouw daarvan wordt na 26 weken van verhindering wegens
                    ziekte stopgezet.</al><al>Het vierde lid bevat een vervaltermijn van 12 maanden voor het vakantieverlof.
                    Die moet ervoor zorgen dat alle ambtenaren binnen 12 maanden na afloop van het
                    kalenderjaar waarin de vakantieaanspraak is ontstaan, hun (resterende)
                    vakantieaanspraken effectueren. De vervaltermijn van 12 maanden beperkt zich tot
                    het vakantieverlof. Deze vervaltermijn bevordert dat alle ambtenaren in het
                    belang van hun veiligheid en gezondheid daadwerkelijk met regelmaat en tijdig
                    recupereren door elk jaar weer minimaal 4 weken vrij te zijn. De vervaltermijn
                    geldt ook voor (langdurig) zieke ambtenaren. Ook voor hen heeft opname van
                    vakantieverlof een recuperatiefunctie, namelijk herstellen of uitrusten van de
                    activiteiten die hun re-integratieplicht met zich brengt.</al><al>Er zijn situaties denkbaar dat de ambtenaar redelijkerwijs niet in staat is
                    geweest om het vakantieverlof op te nemen. Dat kan zijn door toedoen van de
                    werkgever, in het belang van de dienst. Bij een zieke ambtenaar zal dat
                    bijvoorbeeld spelen als die om medische redenen niet in staat is geweest tot
                    re-integratie-activiteiten. De vervaltermijn van 12 maanden geldt in die
                    situaties niet. Het vijfde lid bevat een vervaltermijn van 5 jaren. Die geldt
                    voor het aanvullend vakantieverlof en voor het vakantieverlof dat de ambtenaar
                    redelijkerwijs niet heeft kunnen opnemen binnen 12 maanden na afloop van het
                    kalenderjaar waarin het is ontstaan.</al><tussenkop><vet>Artikel D.7 Opnemen van het vakantieverlof</vet></tussenkop><al>De ambtenaar mag zoveel mogelijk naar eigen wens beschikken over zijn
                    vakantieverlof. Er geldt de algemene restrictie dat het dienstbelang zich kan
                    verzetten tegen opname van vakantieverlof.</al><al>In samenhang met de vervaltermijn van 12 maanden geldt de verplichting voor de
                    werkgever om de ambtenaar in de gelegenheid te stellen in ieder geval steeds in
                    het betreffende jaar zijn vakantieverlof op te nemen. Dat is in het derde lid
                    geregeld. Die verplichting geldt zowel jegens gezonde als zieke ambtenaren. Er
                    ligt ook een eigen verantwoordelijkheid bij de ambtenaar om het vakantieverlof
                    steeds tijdig op te nemen. Die is terug te vinden in het tweede lid.</al><al>Als er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zijn is het mogelijk reeds
                    toegekend vakantieverlof in te trekken, eventueel zelfs tijdens de vakantie. In
                    dat geval moet geleden geldelijke schade worden vergoed.</al><tussenkop><vet>Artikel D.8 Vakantieverlof en ziekte</vet></tussenkop><al>In het eerste lid is nog eens duidelijk vastgelegd dat ook zieke ambtenaren het
                    recht hebben om vakantieverlof op te nemen. Dat speelt uiteraard alleen in
                    situaties waarin zij medisch gezien daartoe redelijkerwijs in staat zijn. Dat
                    zal bijvoorbeeld het geval zijn bij zieke ambtenaren die in een
                    re-integratietraject zitten. Vakantieverlof betekent in dat geval dat de
                    ambtenaar in de vakantieperiode is vrijgesteld van de afgesproken
                    re-integratieactiviteiten. De ambtenaar die wegens ziekte gedeeltelijk werkt zal
                    voor de volle arbeidsduur vakantieverlof moet opnemen. De ambtenaar die
                    bijvoorbeeld in de ochtend werkt en in de middag wegens ziekte niet werkt zal
                    een volle dag vakantieverlof moeten opnemen.</al><al>In het derde lid is vastgelegd dat de ambtenaar die aannemelijk kan maken dat
                    hij tijdens vakantieverlof ziek was, de uren van vakantieverlof waarin hij ziek
                    was terugkrijgt.</al><tussenkop><vet>Artikel D.9 Vakantieverlof en einde dienstverband</vet></tussenkop><al>In dit artikel is de afkoop geregeld bij einde van het dienstverband. Afkoop
                    geldt voor vakantieverlof dat de ambtenaar niet heeft kunnen opnemen. Hoofdregel
                    is dat het verlof vóór de datum van ontslag wordt opgenomen. Kan dat niet dan
                    kan dit verlof worden afgekocht. Betreft het afkoop van vakantieverlof ingeval
                    van overlijden dan wordt het afkoopbedrag uitbetaald aan de nagelaten
                    betrekkingen. Tegenover de uitbetaling van vakantieverlof staat dat de ambtenaar
                    een vergoeding verschuldigd is voor teveel genoten vakantieverlof. Dat is
                    geregeld in het vierde lid.</al><tussenkop><vet>Artikel D.10 Levensloopregeling</vet></tussenkop><al>In artikel D.10 is de grondslag opgenomen voor de levensloopregeling die vanaf 1
                    januari 2006 is vastgesteld.</al><tussenkop><vet>Artikel D.11 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</vet></tussenkop><al>In de Wet Arbeid en Zorg is een wettelijk recht op (overdracht van)
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geregeld. De bepaling van artikel D.11 van de
                    CAP is hiermee in overeenstemming. De Wet arbeid en zorg geeft de vrouwelijke
                    ambtenaar een wettelijk recht op een uitkering gedurende het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Die uitkering bedraagt 100% van het (gemaximeerde) dagloon.
                    Artikel D.11 van de CAP geeft daarnaast de vrouwelijke werknemer recht op
                    doorbetaling van de volle bezoldiging gedurende het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. In artikel D.11, derde lid, van de CAP is een
                    anticumulatiebepaling opgenomen: de uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg
                    wordt in mindering gebracht op de bezoldiging. Als de ambtenaar tijdens het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geen uitkering op grond van de Wet arbeid en
                    zorg geniet omdat ze heeft nagelaten die (tijdig) aan te vragen wordt de
                    fictieve uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht. Het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof wordt voor de toepassing van de rechtspositieregelingen niet
                    gelijkgesteld met verhindering wegens ziekte.</al><tussenkop><vet>Artikelen D.12, D.13 en D.15 Buitengewoon verlof</vet></tussenkop><al>In de artikelen D.12 en D.13 is het kortdurend buitengewoon verlof geregeld voor
                    vakbondsactiviteiten en om andere redenen. Het betreft betaald verlof dat wordt
                    verleend tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. Op het kortdurend
                    zorgverlof (lid 2 van artikel D.12) zijn verder de bepalingen in de Wet Arbeid
                    en Zorg van toepassing. Op het verlof zoals bedoeld in lid 3 van artikel D.12
                    zijn verder de bepalingen in de Wet Arbeid en Zorg van toepassing.’</al><tussenkop><vet>Artikel D.14 Non-activiteit</vet></tussenkop><al>De non-activiteit c.q. het verlof zelf is in de Ambtenarenwet geregeld. In dit
                    artikel worden de gevolgen voor het inkomen geregeld.</al><tussenkop><vet>Artikelen D.16 en D.17 Onbetaald verlof</vet></tussenkop><al>In de artikelen D.16 en D.17 is het recht op langdurend onbetaald verlof
                    opgenomen. Het betreft een geclausuleerd recht op onbetaald volledig verlof of
                    onbetaald deeltijdverlof. Het verlof is niet doelgebonden en heeft een tijdelijk
                    karakter. Het kan worden geweigerd als het belang van de dienst zich daartegen
                    verzet. Voor het onbetaald ouderschapsverlof en het onbetaald langdurend
                    zorgverlof gelden de bepalingen ter zake in de Wet arbeid en zorg.</al><al>De aanvraag dient met het oog op te treffen organisatorische maatregelen
                    minimaal drie maanden tevoren worden ingediend. Bij ziekte en andere onvoorziene
                    omstandigheden wordt, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet,
                    op verzoek van de ambtenaar het verlof niet opgenomen of vanaf vier weken na het
                    verzoek niet voortgezet als het verlof al is aangevangen. Het resterende verlof
                    vervalt in dat geval. Een vergelijkbare bepaling komt voor in de Wet arbeid en
                    zorg. Deze mogelijkheid bestaat niet bij onbetaald verlof, direct voorafgaand
                    aan pensionering met het oog op vervroegde uittreding. Bij samenloop met
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt het onbetaald verlof opgeschort.</al><al>De periode van de eerste 6 maanden van onbetaald verlof zoals bedoeld in het
                    vierde lid van artikel D.17 hoeft niet aaneengesloten te zijn en kan over de
                    jaargrens heenlopen. Het gaat daarbij om de periode(s) die binnen een periode
                    van 12 maanden na start van de eerste periode vallen.</al><tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK E</tussenkop><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Gezondheid en arbeidsomstandigheden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een
                    doeltreffend ziekteverzuimbeleid begint met een goed (preventief)
                    arbeidsomstandighedenbeleid.</al><al>De provinciale werkgever is voor het beleid met betrekking tot
                    arbeidsomstandigheden gebonden aan de doelstellingen en verplichtingen, die zijn
                    geformuleerd in de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit,
                    de Arbeidsomstandighedenregeling en de Beleidsregels
                    Arbeidsomstandighedenwetgeving.</al><al>Het Arbeidsomstandighedenbesluit en in mindere mate de
                    Arbeidsomstandighedenregeling bestaan uit een stelsel van regels die op tal van
                    punten globaal van aard zijn. Een aantal van deze globale regels is nader
                    ingevuld via de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving. Deze beleidsregels
                    vormen een uitleg door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De
                    beleidsregels zijn niet bindend. Er wordt echter van uitgegaan, dat de
                    arbeidsomstandighedenwetgeving op een juiste wijze wordt nageleefd, indien de
                    beleidsregels als uitgangspunt voor de praktijk worden genomen.</al><al>De arbeidsomstandighedenwetgeving geeft dus op de meeste aspecten van de
                    arbeidsomstandig-heden concrete handvatten voor de werkgever en ambtenaren.
                    Omdat het arbeidsomstandigheden-beleid een integraal onderdeel van de
                    bedrijfsvoering behoort te zijn ligt de primaire verantwoorde-lijkheid hiervoor
                    bij elke provincie afzonderlijk. De Wet op de ondernemingsraden (WOR) legt op
                    dit terrein een belangrijke taak bij de OR. Een aantal zaken wordt echter voor
                    de sector provincies als geheel op uniforme wijze geregeld. Het gaat daarbij om
                    een aantal rechtspositionele voorzieningen, zoals de medische
                    aanstellingskeuring en de verplichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken. Een
                    recht op een arbeidsgezondheidskundig onderzoek hoeft niet meer te worden
                    geregeld omdat dit al afdoende is geregeld in de Arbeidsomstandighedenwet.</al><al>Niet alleen via de arbowetgeving maar ook met maatregelen op het terrein van de
                    sociale zekerheid heeft de overheid in de afgelopen decennia een krachtige
                    inspanning geleverd om het ziekteverzuim en het arbeidsongeschiktheidsvolume
                    terug te dringen. Belangrijke wettelijke maatregelen zijn geweest de Wet
                    terugdringing ziekteverzuim, de Wet terugdringing beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen, de Wet premiedifferentiatie en marktwerking
                    (Pemba), de gedeeltelijke afschaffing van de Ziektewet, de Wet verbetering
                    poortwachter, de Wet verlenging loondoorbetaling bij ziekte en de vervanging van
                    de WAO door de WIA. Ook is de uitvoeringsorganisatie sociale ze-kerheid, mede
                    met het oog op het terugdringen van het beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsrege-lingen, ingrijpend gewijzigd (Wet structuur
                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen).</al><al>Naast een doeltreffend preventief beleid is van belang dat provincies een
                    optimale inspanning leve-ren om zieke ambtenaren weer snel in het arbeidsproces
                    te laten terugkeren Ook daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de
                    door sociale partners geformuleerde doelstelling om het ziekteverzuim en de
                    instroom in de WIA terug te dringen. Het gaat hier om een gezamenlijke
                    ver-antwoordelijkheid en een gezamenlijke inspanning van werkgever en werknemer.
                    Daartoe is een evenwichtig stelsel van rechten en plichten voor ambtenaar en
                    werkgever ontwikkeld dat voortvloeit uit wettelijke voorschriften, zoals die
                    bijv zijn neergelegd in de Wet verbetering poortwachter, en uit nadere afspraken
                    tussen partijen in het SPA. Zo zijn in artikel E.7 de reïntegratieverplichtingen
                    van werkgever en (zieke) ambtenaar vastgelegd en is in artikel E.9 geregeld dat
                    de ambtenaar in begin-sel niet in de eerste twee jaren van verhindering wegens
                    ziekte om die reden kan worden ontslagen. Sancties voor werkgever en zieke
                    ambtenaar wegens het niet nakomen van de reïntegratieverplich-tingen zijn
                    wettelijk geregeld in de WIA en rechtspositioneel in de CAP (artikel B.9,
                    onderdeel o, juncto artikel E.16) en in een aparte sectorale
                    uitvoeringsregeling. Daarbij gaat het bij de werkgever bijvoorbeeld om een
                    verlenging van de WIA-wachttijd onder handhaving van de doorbetalingsplicht van
                    de (gehele of gedeeltelijke) bezoldiging en het ontslagverbod wegens ziekte ook
                    na genoemde 2 jaar. Sancties voor de ambtenaar zijn onder meer weigering van de
                    WIA-uitkering, stopzetting van de loondoorbetaling en ontslag ook binnen
                    genoemde periode van 2 jaar van verhindering wegens ziekte.</al><al>In hoofdstuk E worden drie aspecten geregeld t.a.v gezondheid en
                    arbeidsomstandigheden, t.w.:</al><lijst><li nr="-"><al> Preventieve zorg, waaronder begrepen de medische keuringen. De
                            desbetreffende artikelen geven een aanvulling op hetgeen reeds geregeld
                            is in en krachtens de Arbeidsomstandighe-denwet, de Wet op de medische
                            keuringen en het Protocol Aanstellingskeuringen 1995.</al></li><li nr="-"><al> Curatieve zorg, die is gericht op terugkeer van de zieke ambtenaar in
                            het arbeidsproces, met naast rechten ook verplichtingen en sancties voor
                            werkgever en werknemer. Een en ander is voor een belangrijk deel nader
                            geregeld in een afzonderlijke sectorale uitvoeringsregeling.</al></li><li nr="-"><al> Een collectieve overeenkomst met een of meer zorgverzekeraars waarin
                            premiekortingen zijn geregeld en een aanvullende tegemoetkoming in de
                            ziektekosten.</al></li></lijst><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Artikel E.1 Algemene bepalingen</vet></tussenkop><al/><al>Gedeputeerde staten moeten een overeenkomst met een arbodienst sluiten. Het gaat
                    daarbij om de wettelijk voorgeschreven taken op het gebied van de bescherming
                    bij de arbeid. Ten aanzien van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                    arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de verzuimbegeleiding, geeft dit
                    hoofdstuk geen nadere voorschriften. Dit is een aangelegenheid die gedeputeerde
                    staten met instemming van de OR nader dienen te regelen. Daaronder vallen met
                    name de verplichtingen en procedures inzake de ziek- en herstelmeldingen, maar
                    ook bijvoorbeeld de invulling van de taken van de bedrijfsarts en de eventuele
                    afspraken in het kader van de vrijwillige periodieke arbeidsgezondheidskundige
                    onderzoeken.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel E.2 Keuring bij aanstelling of functiewijziging</vet></tussenkop><al>De Wet op de medische keuringen en aanvullend het Protocol Aanstellingskeuringen
                    van de KNMG stellen regels ten aanzien van de aanstellingskeuring.</al><al>In het kort gezegd is een aanstellingskeuring alleen toegestaan voorzover deze
                    betrekking heeft op een onderzoek naar de medische geschiktheid in verband met
                    de uitoefening van de functie. Het doel van de aanstellingskeuring is om een
                    oordeel te geven over de belastbaarheid van de keurling op het moment van de
                    keuring. Bij de beoordeling zal daarnaast het voorkomen van schade voor de
                    gezondheid, de bescherming van de veiligheid van de keurling, alsmede de
                    veiligheid van derden bij de uitvoering van de betreffende arbeid worden
                    betrokken.</al><al>Een medische keuring bij aanstelling of functiewijziging vindt slechts plaats
                    voor functies, die voor-komen op de in overleg met de OR vast te stellen
                    functielijst. Het betreffen dan functies, waarbij een keuring wettelijk is
                    verplicht of waarbij gedeputeerde staten van oordeel zijn dat aan de functie
                    bij-zondere eisen van medische geschiktheid moeten worden gesteld. Als basis
                    voor het opstellen van een functielijst kan een risico-inventarisatie dienen.
                    Zodra de lijst is vastgesteld, dient een vertaling van specifieke functie-eisen
                    in medische termen te worden gemaakt, zodat de medische keuring ook
                    daadwerkelijk en gericht kan plaatsvinden. De Arbo-dienst zal de werkgever
                    daarbij behulpzaam kunnen zijn.</al><al>Overeenkomstig het Protocol Aanstellingskeuringen vindt een aanstellingskeuring
                    niet eerder plaats dan nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid
                    hebben plaatsgevonden en de werkgever op grond daarvan voornemens is de
                    sollicitant aan te stellen.</al><al>Ingevolge de Wet op de medische keuringen heeft de belanghebbende bij een
                    ongunstige uitslag recht op een herkeuring. Deze herkeuring dient hij bij
                    gedeputeerde staten aan te vragen binnen een week nadat de uitslag aan hem
                    bekend is gemaakt. Conform het Protocol Aanstellingskeuringen komen de kosten
                    van de herkeuring ten laste van de provincie.</al><tussenkop><vet>Artikel E.3 Verplichte periodieke functiegerichte arbeidsgezondheidskundige
                        onderzoeken</vet></tussenkop><al>De aanstellingskeuring heeft betrekking op een onderzoek naar de medische
                    geschiktheid in ver-band met de uitoefening van de functie. Het is niet meer dan
                    logisch - en in een aantal gevallen zelfs wettelijk verplicht - dat dit
                    onderzoek in de loop van de uitoefening van de functie met een zekere regelmaat
                    wordt herhaald. Bij dit (vervolg)onderzoek gaat het om de vraag of de gezondheid
                    van de ambtenaar door zijn arbeid ongunstig is beïnvloed of dat de ambtenaar
                    door zijn arbeid een onver-antwoord gezondheidsrisico loopt. Een negatieve
                    uitkomst van een dergelijk onderzoek betekent dat maatregelen genomen moeten
                    worden. Deze kunnen betrekking hebben op een verbetering van de
                    arbeidsomstandigheden maar bijvoorbeeld ook op het plaatsen van de ambtenaar in
                    een andere functie.</al><tussenkop><vet>Artikel E.4 Individueel gerichte arbeidsgezondheidskundige
                        onderzoeken</vet></tussenkop><al>De zieke ambtenaar is verplicht in het kader van zijn herstel en reïntegratie
                    mee te werken aan ar-beidsgezondheidskundige onderzoeken. Dit artikel geeft
                    gedeputeerde staten de mogelijkheid om de ambtenaar in een aantal situaties te
                    verplichten mee te werken aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek.</al><al>Indien gedeputeerde staten naar hun oordeel gegronde redenen hebben om te
                    twijfelen aan de goe-de gezondheidstoestand van de ambtenaar, zal dit gebaseerd
                    moeten zijn op bepaalde feiten of omstandigheden, zoals het gedrag van de
                    ambtenaar of een medische verklaring.</al><al>Indien zij gegronde twijfel hebben aan de volledige geschiktheid van de
                    ambtenaar voor het verrichten van zijn arbeid, kunnen gedeputeerde staten hem
                    aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek onderwerpen. Met name bij een
                    voornemen tot ongeschiktheidontslag anders dan wegens ziekte (artikel B.9, sub
                    h) zal, bij voldoende grond voor vermoeden van een medische oorzaak, een
                    dergelijk onderzoek moeten worden ingesteld. Als uit het onderzoek naar voren
                    komt dat er medische oorzaken zijn voor de ongeschiktheid is het in het belang
                    van de gezondheid van betrokkene om snel in goed overleg met hem zonder zware
                    procedures te zoeken naar ander werk. Daarbij is onder meer artikel E.7 van
                    toepassing.</al><tussenkop><vet>Artikel E.5 Medisch advies</vet></tussenkop><al/><al>Op grond van de artikelen E.3 en E.4 verricht de arbodienst verplichte
                    periodieke functiegerichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken en individueel
                    gerichte arbeidsgezondheidskundige onderzoeken in het kader van herstel en
                    re-integratie van de zieke ambtenaar en brengt de arbodienst op basis van het
                    onderzoek een medisch advies uit. In een drietal situaties kunnen de ambtenaar
                    en de werkgever (gezamenlijk of apart) een deskundigenoordeel van het UWV
                    vragen. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al> een oordeel over het bestaan van ongeschiktheid tot werken indien
                            werknemer en werkgever daarover een geschil hebben;</al></li><li nr="-"><al> een oordeel over de aanwezigheid van passende arbeid die de werknemer
                            voor de werkgever in staat is te verrichten;</al></li><li nr="-"><al> een oordeel over de vraag of de werkgever t.a.v. zijn zieke werknemer
                            voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft verricht.</al></li></lijst><al>De kostenverdeling voor het deskundigenoordeel is geregeld in artikel 32a Wet
                    SUWI.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel E.6 Buitendienststelling</vet></tussenkop><al>Dit artikel biedt een instrument om de ambtenaar die zich niet ziek heeft
                    gemeld, naar huis te sturen. Indien uit een medisch onderzoek, als bedoeld in de
                    artikelen E.3 en E.4 blijkt, dat de geestelijke of lichamelijke toestand waarin
                    de ambtenaar verkeert een gevaar voor zijn eigen gezondheid of veilig-heid of
                    die van derden betekent, kunnen gedeputeerde staten hem buiten dienst
                    stellen.</al><al>De ambtenaar hoeft uiteraard niet buiten dienst te worden gesteld, indien hij
                    kan worden belast met andere passende werkzaamheden. In dat geval wordt hij
                    ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn eigen werkzaamheden, maar niet om
                    tijdelijk ander passend werk te doen.</al><tussenkop><vet>Artikel E.7 Re-integratie van zieke ambtenaren</vet></tussenkop><al>In dit artikel zijn re-integratieverplichtingen overgenomen van werkgever en
                    werknemer zoals die voor de marktsector zijn neergelegd in de artikelen 7:658a
                    en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek en wat betreft de verplichtingen voor de
                    overheidswerkgever in de vierde afdeling van de Ziektewet.</al><al>De werkgever en de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar zullen zich
                    maximaal inspannen om ervoor te zorgen dat de betrokken ambtenaar meer dan 50%
                    van zijn restverdiencapaciteit benut. Getracht zal worden de bestaande
                    arbeidsplek en het werk binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid zo aan
                    te passen dat de arbeidsongeschikte ambtenaar zijn functie naar behoren kan
                    blij-ven uitoefenen. Als dat niet mogelijk is zal naar een andere passende
                    functie worden gezocht.</al><al>Omwille van een succesvol herplaatsingproces kunnen aanvullende voorzieningen
                    zoals bijscholing noodzakelijk zijn. Van geval tot geval zal worden bezien welke
                    maatregelen dienen te worden getrof-fen. Daarbij kan aansluiting worden gezocht
                    bij het instrumentarium voor flankerend beleid bij reor-ganisaties. Als
                    re-integratie ondanks alle inspanningen dreigt te mislukken zal de
                    A&amp;O-organisatie van de provincies worden gevraagd te adviseren over
                    instrumenten die kunnen leiden tot een oplos-sing.</al><al>In het vierde lid, onderdeel d, kan worden gedacht aan herbenoeming in dezelfde
                    functie voor minder uren of aan plaatsing bij een ander organisatieonderdeel in
                    dezelfde functie.</al><tussenkop><vet>Artikel E.8 Aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</vet></tussenkop><al>Dit artikel vormt de basis voor de ‘Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij
                    ziekte en arbeidsonge-schiktheid’.</al><tussenkop><vet>Artikel E.9 Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</vet></tussenkop><al>Artikel E.9 bepaalt dat een ambtenaar kan worden ontslagen op grond van
                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Ingevolge het
                    eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, kan ontslag op deze grond plaatsvinden
                    als er sprake is van een ononderbroken periode van twee jaar ziekte en herstel
                    niet binnen zes maanden na die termijn is te verwachten.</al><al>Het ontslag kan alleen worden verleend als het na zorgvuldig onderzoek niet
                    mogelijk is gebleken de ambtenaar andere passende arbeid aan te bieden dan wel
                    indien de ambtenaar heeft geweigerd die arbeid te aanvaarden (onderdeel c van
                    het eerste lid). Dat wordt in het kader van de WIA- claimbe-oordeling getoetst.
                    De WIA-claimbeoordeling start in week 87 als het UWV de ambtenaar een
                    aan-vraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt. Het UWV wijst de ambtenaar
                    dan op de mogelijkhe-den om tijdens het claimbeoordelingsproces stukken,
                    bevindingen e.d. van een eigen arts in te bren-gen en zich bij de keuring te
                    laten vertegenwoordigen of bijstaan door een derde, welke derde een door de
                    ambtenaar aan te wijzen arts kan zijn. Tussen week 87 en week 91 stellen
                    werkgever en ambtenaar gezamenlijk (in overleg met de bedrijfsarts of
                    arbodienst) het re-integratieverslag op. Het door UWV (als onderdeel van de
                    WIA-beschikking) beoordeelde re-integratieverslag is basis voor het oordeel van
                    de werkgever of hij heeft voldaan aan zijn in het eerste lid, onderdeel c,
                    voorgeschreven re-integratieverplichtingen. In week 91 stuurt de ambtenaar het
                    aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het re-integratieverslag. UWV
                    beoordeelt eerst de re-integratie-inspanningen van werkgever en ambtenaar. Als
                    die inspanningen voldoende zijn beoordeeld volgt de verdere claimbe-oordeling.
                    UWV beoordeelt in dat kader de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel
                    van UWV ter zake (als onderdeel van de WIA-beschikking) is basis voor het
                    oordeel van de werkgever of is voldaan aan de onderdelen a en b van het eerste
                    lid (ongeschiktheid voor het eigen werk en geen herstel binnen zes maanden
                    mogelijk). Met een positieve beschikking van UWV op de aanvraag WIA-uitkering is
                    voldaan aan de (drie) ontslagvoorwaarden van het eerste lid. De werkgever
                    onder-bouwt het ontslagbesluit expliciet door naar de positieve WIA-beschikking
                    te verwijzen. Als UWV de aanvraag WIA-uitkering opschort wegens onvoldoende
                    re-integratie-inspanningen van de werkgever is niet voldaan aan de voorwaarden
                    voor ontslag. De werkgever kan dan niet op grond van dit artikel ontslag
                    verlenen. Bij een negatieve beschikking van UWV op de aanvraag WIA-uitkering die
                    is gebaseerd op onvoldoende medewerking van de ambtenaar kan ontslag worden
                    verleend op grond van artikel E.16.</al><al>Ambtenaren die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard hebben geen
                    recht op een WIA-uitkering. Zij blijven in beginsel ook na die twee jaar in
                    provinciale dienst. De werkgever en de betrokken ambtenaar zullen zich maximaal
                    inspannen voor een succesvolle re-integratie. Voor zover redelijkerwijze
                    mogelijk zullen de werkzaamheden en/of de voorwaarden waaronder die
                    werkzaam-heden moeten worden verricht, op een zodanige wijze worden aangepast
                    dat er voor de betrokken ambtenaar weer sprake is van passende arbeid. Bij
                    arbeidsgeschiktheid voor minder uren zal het gaan om herplaatsing in dezelfde
                    (of andere passende) arbeid voor het mindere aantal uren. Als dat niet mogelijk
                    is zal worden gezocht naar andere passende arbeid binnen de provinciale
                    organisatie. Als re-integratie dreigt te mislukken zal de A&amp;O-organisatie
                    van de provincies worden gevraagd te adviseren over instrumenten die kunnen
                    leiden tot een oplossing. Ontslag van ambtenaren die voor minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt zijn is uitzondering en slechts mogelijk als er een
                    zwaarwegend dienstbelang aanwezig is. Het ontslag kan niet eerder worden
                    verleend dan na 1 jaar na het einde van de periode van 2 jaar ziekte. Bij
                    ontslag bestaat onder voorwaarden recht op een WW-uitkering.</al><al>De gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar die bij de provincie zijn arbeid
                    voor minder uren blijft verrichten of andere passende arbeid voor minder uren
                    gaat verrichten kan slechts ontslag op grond van artikel E.9 worden verleend
                    voor het aantal uren verschil tussen oude en nieuwe arbeidsduur.</al><al>Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese
                    Gemeenschappen is in het tweede lid bepaald dat afwezigheid van een vrouwelijke
                    ambtenaar gedurende de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het
                    einde van het bevallingsverlof wegens door de zwanger-schap of bevalling
                    veroorzaakte ziekte niet mag meetellen bij de berekening van de periode van twee
                    jaar, waarna ontslag kan volgen. Een zwangerschap en een bevalling welke zonder
                    enige complica-tie plaatsvindt, is geen ziekte. Derhalve kan afwezigheid tijdens
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof rechtens nimmer meetellen in de periode
                    van twee jaar. Ziekte, veroorzaakt door de zwanger-schap of de bevalling na het
                    einde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof mag wel meetellen bij het
                    berekenen van de periode van twee jaar, waarna ontslag kan worden verleend. Dat
                    geldt ook voor ziekte vóór aanvang van de zwangerschap en voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap of het bevallingsverlof, voor zover niet veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Bij ziekte, veroorzaakt door de zwangerschap of bevalling wordt
                    gedurende de beschermde periode in feite een lopende periode van twee jaar
                    opgeschort.</al><tussenkop><vet>Artikel E.11</vet></tussenkop><al>Per 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet ingevoerd. Deze voorziet in een
                    verplichte basisverzekering voor ziektekosten voor elke burger. De basis-
                    verzekering kent een vast pakket met een verplicht eigen risico voor iedere
                    verzekerde. De zorgverzekeraar heeft voor de basisverzekering een
                    acceptatieplicht. Een ieder is vrij in de keuze van de zorgverzekeraar. De
                    verzekerde betaalt voor de basisverzekering een nominale premie die per
                    zorgverzekeraar verschilt. Daarnaast is men wettelijk een inkomensafhankelijke
                    premie verschuldigd die de werkgever moet inhouden op het loon en afdragen aan
                    de Belastingdienst. Tegelijk moet de werkgever de bijdrage vergoeden. De
                    vergoeding van de werkgever is onderworpen aan loonheffing, maar niet aan
                    premies werknemersverzekering. Per saldo betekent dit dat het bedrag van de
                    inkomensafhankelijke bijdrage voor rekening van de werkgever komt en dat de
                    werknemer de loonheffing over dit bedrag moet betalen. Kinderen tot 18 jaar
                    betalen geen premie voor de basisverzekering.</al><al>Zorgverzekeraars bieden ook aanvullende verzekeringen aan. Anders dan de
                    basisverzekering gelden hiervoor geen verzekeringsplicht en geen
                    acceptatieplicht.</al><al>De Zorgverzekeringswet biedt in artikel 18 werkgevers de mogelijkheid om een
                    collectieve overeen-komst voor het personeel en zijn gezinsleden af te sluiten
                    met een of meer zorgverzekeraars waarin kortingen op de premie voor de
                    basisverzekering worden bedongen. In artikel E.11 is geregeld dat gedeputeerde
                    staten een dergelijke collectieve overeenkomst voor het provinciepersoneel en
                    zijn gezinsleden afsluiten. Bij gezinsleden moet worden gedacht aan degenen die
                    in de oude publiek-rechtelijke ziektekostenregeling IZR/IZA als gezinslid werden
                    aangemerkt. Ook gezinsleden met een eigen inkomen kunnen aan de collectiviteit
                    deelnemen. De collectieve overeenkomst regelt ook de kortingen op de aanvullende
                    zorgverzekeringen. De ambtenaar en gepensioneerde ambtenaar en zijn gezinsleden
                    die zich verzekeren bij de zorgverzekeraar waarmee de provincie een collectieve
                    overeenkomst heeft gesloten kunnen aldus profiteren van de afgesproken
                    premiekortingen. De collectieve overeenkomst kan ook afspraken bevatten over
                    andere zaken (zoals kwaliteit van de dienst-verlening). Voordat een besluit
                    wordt genomen over de keuze van de zorgverzekeraar(s) waarmee de provincies een
                    collectieve overeenkomst afsluiten wordt hierover overleg gevoerd met de
                    vakorganisaties in het SPA.</al><tussenkop><vet>Artikel E.12</vet></tussenkop><al>Elke provincieambtenaar heeft, ongeacht de keuze van de zorgverzekeraar en de
                    inhoud van zijn zorgverzekering, recht op een aanvullende tegemoetkoming in de
                    ziektekosten. De tegemoetkoming is voor ambtenaren in de salarisschalen 1 t/m 6
                    hoger dan voor de salarisschalen daarboven en staat los van de omvang van het
                    dienstverband (dus geen tegemoetkoming naar rato bij deeltijdarbeid). De
                    tegemoetkoming wordt maandelijks uitbetaald. Het betreft een kostenvergoeding,
                    maakt dus geen deel uit van de bezoldiging en is niet pensioengevend. De
                    tegemoetkoming is geïndexeerd: zij is gekoppeld aan de algemene
                    salarisontwikkeling van het provinciepersoneel.</al><tussenkop><vet>Artikel E.13</vet></tussenkop><al>In artikel E.13 is geregeld dat de provinciale werkgever bij dienstongevallen en
                    beroepsziekten in beginsel alle noodzakelijk geachte kosten van geneeskundige
                    behandeling of verzorging vergoedt die ten laste van de betrokken ambtenaar
                    blijven. Kosten die te zijnen laste blijven doordat betrokkene een eigen risico
                    in de basisverzekering heeft aanvaard worden in beginsel niet vergoed. In
                    artikel A.1 is aangegeven wat moet worden verstaan onder beroepsziekte en
                    dienstongeval.</al><tussenkop><vet>Artikel E.14</vet></tussenkop><al>[Vervallen.]</al><tussenkop><vet>Artikel E.15 Ontslag wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval
                        van ongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te verrichten of
                        wegens het niet aanvragen van een WIA-uitkering</vet></tussenkop><al>Artikel 7:670b van het Burgerlijk Wetboek maakt het mogelijk voor de werkgever
                    ook in de periode van twee jaar na het begin van de ziekte de
                    arbeidsovereenkomst op te zeggen indien de werknemer handelt in strijd met zijn
                    verplichting al het mogelijke te doen om hervatting in eigen of andere passende
                    arbeid te realiseren. Hiertoe behoort ook het niet meewerken aan het opstellen
                    van het plan van aanpak als bedoeld in de WAO/WIA. Het ontslagverbod wordt ook
                    doorbroken indien de werknemer zonder deugdelijke grond niet meewerkt aan
                    maatregelen en activiteiten die de werkgever dient te verrichten om te
                    bevorderen dat de werknemer wordt gere-integreerd door arbeid te gaan verrichten
                    in voor hem passende arbeid. Deze bepaling in het Burgerlijk Wetboek vindt zijn
                    vertaling in de ontslagbepaling in dit artikel. Het betreft hier niet ontslag in
                    verband met arbeidsongeschiktheid (waarvoor artikel E.9 geldt) maar ontslag
                    wegens het zonder deugdelijke grond niet meewerken van de ambtenaar aan zijn
                    re-integratie. Wie door de provincie aangeboden passende arbeid weigert kan dus
                    op grond van dit artikel worden ontslagen. Als dat niet gebeurt blijft ontslag
                    op grond van artikel E.9 mogelijk als betrokkene uit hoofde van zijn provinciale
                    dienstbetrekking recht heeft op een WIA-uitkering.</al><al>Ontslag op grond van dit artikel binnen die twee jaar moet worden gezien als een
                    ultimum remedium. In principe dienen eerst andere wegen te worden bewandeld
                    (zoals bijvoorbeeld inhouding van de bezoldiging). Alvorens het ontslagbesluit
                    te nemen wordt het UWV een deskundigenoordeel gevraagd op grond van artikel 32,
                    derde lid, onderdelen a en b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
                    en inkomen. Het gaat daarin om een oordeel van het UWV over de aanwezigheid van
                    passende arbeid die de zieke werknemer voor de werkgever in staat is te
                    verrichten en om een oordeel over de vraag of de werkgever t.a.v. zijn zieke
                    werknemer voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het
                    derde lid, biedt de mogelijkheid om na twee jaar tot ontslag over te gaan,
                    indien zonder deugdelijke grond geen WIA-uitkering is aangevraagd. In dat geval
                    kan immers geen toepassing worden gegeven aan de ontslagbepaling van artikel
                    E.9. </al><tussenkop><vet>Artikel E.16 Ontslag wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval
                        van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te verrichten
                        of wegens het niet aanvragen van een WIA-uitkering</vet></tussenkop><al>[Vervallen.]</al><tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK F</tussenkop><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Algemeen</al><al>In dit hoofdstuk is een aantal rechten en plichten van de provinciale ambtenaar,
                    dan wel de rechtspositionele grondslag daarvoor, vastgelegd, voorzover die al
                    niet bij of krachtens de wet, in andere hoofdstukken van de CAP of in of
                    krachtens andere provinciale regelingen zijn geregeld.</al><al>Integriteit</al><al>In dit hoofdstuk nemen de voorschriften inzake de integriteit van het
                    provinciaal personeel een belangrijke plaats in. Het handelen van de overheid
                    moet gekenmerkt worden door onkreukbaarheid, betrouwbaarheid en zorgvuldigheid.
                    Integriteit van de openbare sector is dan ook van de eerste orde. De integriteit
                    van de ambtelijke organisatie staat of valt met de integriteit van haar
                    bestuurders en ambtenaren. Het vraagstuk van de integriteit staat volop in de
                    belangstelling. Naast fraude, diefstal en corruptie, vormen vooral kwesties als
                    belangenverstrengeling (nevenfuncties) en het uitlekken van informatie actuele
                    thema’ s. In artikel F.1 wordt een aantal voorschriften gegeven die de
                    integri-teit van de ambtenaar moeten waarborgen. Ook het Wetboek van Strafrecht
                    kent een aantal dergelijke bepalingen. De voorschriften in artikel F.1 vormen
                    hierop gedeeltelijk een aanvulling; voor een ander deel een herhaling. Dit
                    laatste is nodig om de werkgever instrumenten te verschaffen om zelf
                    rechtspositionele maatregelen te treffen, naast een eventuele veroordeling door
                    de strafrechter. Het vraagstuk van de integriteit behelst meer dan
                    rechtspositionele maatregelen alleen. Het gaat ook om organisatorische
                    maatregelen, gedragsregels en cultuurbeïnvloeding die het ethisch handelen
                    moeten garanderen. Daarbij moet een krachtig preventief beleid worden gevoerd.
                    Te denken valt aan de volgende maatregelen:</al><lijst><li nr="-"><al> het doorlichten van de organisatie naar kwetsbare organisatieonderdelen
                            en kwetsbare functies;</al></li><li nr="-"><al> het veiligstellen van de integriteit van de organisatie door middel van
                            functiescheiding, functie-roulatie en controle;</al></li><li nr="-"><al> het systematisch bewaken van de instroom van nieuw personeel door
                            middel van extra waar-borgen bij werving en selectie e.d.;</al></li><li nr="-"><al> het opstellen van gedragsregels voor ambtenaren en regels voor de
                            omgang met burgers;</al></li><li nr="-"><al> het levend houden van gedragsregels in jaargesprekken en regelmatige
                            agendering van integriteit in vergaderingen van het management;</al></li><li nr="-"><al> het treffen van maatregelen, zoals overplaatsing en disciplinaire
                            bestraffing in geval van ontoelaatbaar handelen;</al></li></lijst><al>Het is van belang deze - en wellicht nog andere - maatregelen in hun onderlinge
                    samenhang te be-zien. Afhankelijk van de bestaande situatie zal het nodig zijn
                    andere accenten te leggen of bestaande instrumenten aan te scherpen. De mate van
                    corruptie- en fraudegevoeligheid van werkzaamheden hangt direct samen met de
                    omgeving waarin die werkzaamheden worden uitgevoerd. Daarom is het voeren van
                    preventief beleid maatwerk.</al><al>Het bewaken van de integriteit behoort tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid
                    van bestuur, mana-gement en ambtenaren in de afzonderlijke provincies. De
                    provincies voeren hiertoe in overleg met de OR een gericht preventief
                    P&amp;O-beleid. Nadere rechtspositionele voorzieningen worden in overleg met de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg
                    getroffen.</al><al>Scholing</al><al>Een belangrijk instrument van personeelsbeleid betreft de scholing van
                    provinciale ambtenaren. Scholing is onontbeerlijk ter behoud en verbetering van
                    de kwaliteit van het ambtelijk apparaat en daarmee van de dienstverlening.
                    Scholing is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en ambtenaar.
                    Enerzijds moet de ambtenaar ruimte worden geboden via scholing aan verbetering
                    van zijn arbeidsmarktpositie te werken, anderzijds moet scholing erop gericht
                    zijn te kunnen blijven functioneren in de arbeidsorganisatie. Een effectief
                    scholingsbeleid vraagt om een planmatige aan-pak, door ontwikkeling van
                    actiegerichte opleidingsplannen waarin taakstellingen kunnen worden vastgelegd
                    voor de toekomstige scholing van de verschillende groepen ambtenaren. Het
                    rechtsposi-tionele kader is geregeld in de artikelen F.9 en F.10.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Artikel F.1 Integriteit</vet></tussenkop><al>De leden 1, 2 en 3 regelen de gedragswijze bij het verrichten van
                    nevenwerkzaamheden. Het gaat daarbij om een geclausuleerde verplichting om
                    nevenwerkzaamheden te melden, te registreren en openbaar te maken, om een verbod
                    bepaalde nevenwerkzaamheden te verrichten en om de verplichting inkomsten uit
                    q.q.-nevenfuncties in de provinciale kas te storten. De Ambtenarenwet ver-plicht
                    tot het opnemen van een aantal voorschriften hieromtrent in de
                    rechtspositieregelingen. De ambtenaar dient zich er zelf van te vergewissen of
                    de nevenwerkzaamheden de belangen van de dienst kunnen raken en, zo ja, daarvan
                    melding te doen. Bij het vervullen van de nevenfunctie hoeft het niet te gaan om
                    werkzaamheden tegen beloning. Ook is niet van belang of de werkzaamheden al dan
                    niet in diensttijd worden verricht. In beginsel kan elke nevenfunctie strijd met
                    het dienstbelang opleveren.</al><al>Openbaarmaking van nevenwerkzaamheden moet i.v.m. de privacy niet in zijn
                    algemeenheid gelden, maar moet beperkt blijven tot die gevallen waarin dat een
                    wezenlijke bijdrage levert aan een transpa-rant en deugdelijk overheidsoptreden.
                    Uit de Memorie van Toelichting en de parlementaire behandeling van het
                    wetsvoorstel waarin de verplichting is opgenomen voor overheden om een regeling
                    tot openbaarmaking van nevenwerkzaamheden vast te stellen, is duidelijk geworden
                    dat een dergelijke regeling moet worden getroffen voor topambtenaren. Dat zijn
                    de ambtenaren die dichtbij de politiek staan en regelmatig namens het openbaar
                    bestuur optreden. Voor de provincies is gekozen voor de ambtenaren in de
                    functieschalen 14 en hoger.</al><al>Gedeputeerde staten bepalen op welke wijze de opgave van nevenwerkzaamheden moet
                    worden gedaan. Niet alle gegevens die voor de interne melding en beoordeling van
                    nevenwerkzaamheden worden geregistreerd zijn bedoeld om openbaar te worden
                    gemaakt. Dat zou een te ver gaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de
                    betrokken ambtenaren (kunnen) opleveren. Voor de waarborging van de integriteit
                    van het openbaar bestuur, de geloofwaardigheid en controleerbaarheid van het
                    functioneren van de provinciale overheid op het onderhavig punt kan worden
                    volstaan met de openbaarmaking van de betiteling van de ambtenaar, diens
                    nevenwerkzaamheden en even-tueel de aan het verrichten daarvan opgelegde
                    beperkingen. Aldus wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en
                    subsidiariteit zoals die met name zijn verankerd in de artikelen 8 en 11 van de
                    Wet bescherming persoonsgegevens. Gedeputeerde staten bepalen op welke wijze de
                    gegevens over de nevenwerkzaamheden van ambtenaren openbaar worden gemaakt.
                    Daarbij zou kunnen worden aangesloten bij de wijze van openbaarmaking van de
                    nevenwerkzaamheden van de provinciale politieke ambtsdragers. Gedeputeerde
                    staten kunnen een formulier ontwerpen waarin exact is aangegeven wat er op dit
                    punt openbaar wordt gemaakt.</al><al>Lid 4 verbiedt het deelnemen aan aannemingen of leveringen ten behoeve van de
                    provincie. De gebezigde toevoeging ‘middellijk of onmiddellijk’ verruimt het
                    verbod tot aannemingen en leveringen door middel van rechtspersonen waar de
                    ambtenaar deel van uitmaakt.</al><al>Lid 5 verbiedt het verzoeken tot of aannemen van elke vorm van bevoordeling.
                    Strikt genomen valt hieronder ook de ballpoint, agenda of kalender. De
                    maatschappelijke realiteit is echter anders. In het algemeen worden dergelijke
                    niet te kostbare attenties acceptabel geacht omdat er geen sprake zal zijn van
                    een de ambtenaar beïnvloedende werking. Voorwaarde is wel dat hierover
                    volstrekte openheid wordt betracht. Te denken valt aan een meldingsplicht
                    ingeval een dergelijke attentie wordt aanvaard.</al><al>Lid 6 bevat een strikt geformuleerd verbod, waarbij men evenmin de ogen moet
                    sluiten voor de reali-teit. De ambtenaar zal ongetwijfeld wel eens een
                    privé-gesprek via de diensttelefoon voeren of een privé-brief aan de bode ter
                    bestelling bij de post meegeven. De grens tussen toelaatbaar en ontoe-laatbaar
                    handelen is hierbij echter niet goed aan te geven. Dit is immers sterk
                    afhankelijk van het gebruikelijke normpatroon ter plaatse en de concrete
                    situatie. Misbruik maken van bevoegdheden of van provinciale eigendommen is in
                    ieder geval niet toelaatbaar.</al><al>In het zevende lid wordt invulling gegeven aan de opdracht in de Ambtenarenwet
                    om voorschriften vast te stellen inzake de verplichte aflegging van de eed of
                    belofte door de ambtenaar bij zijn aanstelling. Met de eed of belofte geeft de
                    ambtenaar bij indiensttreding op officiële wijze te kennen integer te zullen
                    handelen in de uitoefening van zijn functie. Hij zweert/verklaart onder meer ook
                    dat hij niet door middel van giften of beloften en/of valse informatie in dienst
                    van de provincie is geno-men.</al><al>De Ambtenarenwet verplicht de overheden om voorschriften vast te stellen inzake
                    een geclausuleerde verplichting tot melding van financiële belangen en het bezit
                    van en transacties in effecten. Voorschriften hierover zijn te vinden in het
                    achtste en negende lid. De meldplicht betreft in de eerste plaats financiële
                    belangen en in de tweede plaats het bezit van en transacties in effecten. De
                    clausulering is gelegen in de eis dat een en ander de belangen van de dienst
                    voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kan raken. De
                    belangen van de dienst zijn met name gelegen in de risico’s voor de integriteit
                    van de dienst en zijn ambtenaren. Die risico’s betreffen enerzijds de mogelijke
                    verstrengeling van financiële belangen van de ambtenaar met de belangen van de
                    dienst die hij in zijn functie behoort te behartigen en anderzijds mogelijk
                    oneigenlijk gebruik door de ambtenaar van koersgevoelige informatie waarover hij
                    in de uitoefening van zijn functie kan beschikken. Gedeputeerde staten zullen
                    beoordelen of de hier bedoelde risico’s zich in concreto voordoen. Zij zullen op
                    basis van deze beoordeling de ambtenaren aanwijzen op wie het bepaalde in het
                    achtste lid betrekking heeft. De Memorie van Toelichting op de wijziging van de
                    Ambtenarenwet waarbij de meldplicht is ingevoerd, zegt het volgende over het
                    begrip financieel belang. “Het begrip financieel belang is zeer divers. Het kan
                    gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed, bouwgrond,
                    alsook om financiële deelnemingen in ondernemingen enz. Zelfs negatieve
                    financiële belangen, zoals schulden uit hypothecaire vorderingen, kunnen in
                    verband met mogelijke belangenverstrengeling relevant zijn.”</al><al>En: “dat vooraf niet eenduidig kan worden aangegeven welke financiële belangen
                    wel en welke niet toelaatbaar zijn in relatie tot de te vervullen functie. Of
                    een bepaald financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich brengt, is
                    afhankelijk van het type organisatie waar men werkzaam is, het concrete
                    financieel belang en de concrete inhoud van de taak van de ambtenaar.” In de
                    praktijk kan het risico van financiële belangenverstrengeling zich onder meer
                    voordoen bij ambtenaren die betrokken zijn bij of beslissingsbevoegd zijn inzake
                    bijvoorbeeld aanbestedingen, subsidieverstrekkingen, het verstrekken van
                    leningen of het verlenen van advies- en onderzoeksopdrachten. Zo’n ambtenaar zou
                    in de verleiding kunnen komen zich bij het nemen van functionele beslissingen te
                    laten leiden door persoonlijk financieel belang. Het risico van oneigenlijk
                    gebruik van koersgevoelige informatie ontstaat daar waar de ambtenaar bij het
                    verrichten van de opgedragen werkzaamheden kennis krijgt van dossiers waarin
                    deze informatie voorkomt of kan voorkomen. In de private financiële wereld is
                    reeds langer gebruikelijk om door middel van strenge regelingen (zogenoemde
                    insider- of complianceregelingen) oneigenlijk gebruik te voorkomen dan wel te
                    bemoeilijken. Zo wordt veelal aan werknemers die met koersgevoelige informatie
                    in aanraking (kunnen) komen de verplichting opgelegd om hun effecten in depot
                    onder te brengen bij de effectenafdeling van het eigen bedrijf (locatieplicht)
                    en voorts om vooraf toestemming te vragen voor een voorgenomen
                    effectentransactie (autorisatieplicht). De provinciale overheid kan hierin niet
                    achterblijven. Omdat in de relatie overheid - ambtenaar, gelet op de
                    grondwettelijke eisen t.a.v. de inbreuken op de persoonlijke levenssfeer
                    stringentere eisen van proportionaliteit en subsidiariteit gelden, is het niet
                    mogelijk en wenselijk zover te gaan als in het bedrijfsleven gebruikelijk is. Zo
                    is het niet de bedoeling en noodzakelijk om een locatieplicht op te leggen of
                    voorafgaande toestemming voor een effectentransactie te eisen. Wel is
                    transparantie geboden om gedeputeerde staten in de gelegenheid te stellen de
                    hier in het geding zijnde risico’s en belangen in te schatten en te reguleren.
                    Die transparantie wordt bereikt door het voldoen aan de meldingsplicht en de
                    plicht om desgevraagd nadere informatie en bescheiden te verstrekken. Op basis
                    hiervan kunnen gedeputeerde staten aanwijzingen geven en bijvoorbeeld via een
                    zogenoemde “restricted list” een verbod opleggen voor het handelen in bepaalde
                    fondsen. De meldplicht van nader aangeduid effectenbezit en effectentransacties
                    levert een belangrijke onderbouwing aan (beleids)regels die tot doel hebben om
                    (de schijn van) handelen met voorwetenschap te voorkomen. Het is denkbaar dat de
                    meldingen of nadien gebleken feiten en omstandigheden vragen oproepen die
                    slechts beantwoord kunnen worden door het ontvangen van nadere informatie of
                    bescheiden. In dat geval kan van de ambtenaar worden gevergd dat hij deze
                    verschaft. Dit kan onder meer betreffen informatie van de bank of van de
                    effectenbemiddelaar van de betrokken ambtenaar. Ook ten behoeve van de gewenste
                    controle van de eigen organisatie kunnen gedeputeerde staten besluiten om de
                    ontvangen meldingen steekproefsgewijs te toetsen op juistheid en volledigheid.
                    Aanleiding kan onder omstandigheden ook gevonden worden in afwijkingen van wat
                    al aan informatie beschikbaar is. Het achtste lid draagt gedeputeerde staten op
                    een registratie te voeren van de gedane meldingen. Dat is noodzakelijk voor een
                    zorgvuldige uitvoering van het toezicht op de meldplicht. Het ligt in de rede
                    een speciale functionaris aan te wijzen aan wie de betrokken ambtenaren de
                    melding doen en deze functionaris te belasten met het opzetten en het beheer van
                    de registratie. De risico’s van belangenverstrengeling enerzijds en oneigenlijk
                    gebruik van koersgevoelige informatie anderzijds zijn gelegen in de situatie dat
                    een ambtenaar financiële belangen heeft dan wel op de beurs wil handelen,
                    terwijl hij in zijn taakveld de mogelijkheid heeft om de waarde daarvan ten
                    eigen voordele te beïnvloeden dan wel koersgevoelige informatie voor privé
                    beleggingstransacties te verkrijgen. Die risico’s kunnen op twee manieren worden
                    gemitigeerd. Ofwel door aanpassing van het taakveld ofwel door het hebben van de
                    betreffende financiële belangen dan wel de effectentransacties te verbieden.
                    Indien het eerste niet mogelijk of wenselijk is, resteert slechts de tweede
                    oplossing. Met het oog daarop bevat het negende lid een - geclausuleerd –
                    verbod.</al><al>Het tiende lid biedt de mogelijkheid om nadere regels te stellen. Te denken valt
                    aan nadere regels inzake nevenwerkzaamheden en de aflegging van de eed of
                    belofte en aan de vaststelling van een gedragscode voor ambtenaren. De wijze
                    waarop de openbaarmaking van nevenwerkzaamheden wordt geregeld valt onder het
                    instemmingsrecht van de ondernemingsraad. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop
                    de gegevens over financiële belangen worden gemeld en geregistreerd. Het gaat in
                    beide gevallen om het gebruiken (verwerken) van persoonsgegevens zoals bedoeld
                    in artikel 27, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden. De Ambtenarenwet
                    verplicht tenslotte de provincies voorschriften vast te stellen betreffende een
                    procedure voor het omgaan met bij een ambtenaar levende vermoedens van
                    misstanden binnen de provinciale organisatie.</al><al>De Ambtenarenwet verplicht tenslotte de provincies voorschriften vast te stellen
                    betreffende een procedure voor het omgaan met bij een ambtenaar levende
                    vermoedens van misstanden binnen de provinciale organisatie. Het elfde lid
                    bepaalt dat Gedeputeerde Staten een procedure vaststellen voor het melden van
                    dergelijke vermoedens door personen die bij de provincie werken of gewerkt
                    hebben en dat zij regels stellen voor de bescherming van de ambtenaar die
                    vermoedens van misstanden meldt. Met de bonden in het SPA is een Regeling
                    procedure en bescherming bij melding van vermoedens van een misstand
                    afgesproken.</al><al><vet>Artikel F.3 Schadevergoeding</vet></al><al>Analoog aan de bepaling ter zake in het Burgerlijk Wetboek is in het eerste lid
                    een bepaling opgenomen over de aansprakelijkheid van de ambtenaar voor schade
                    aan de werkgever of derden. De ambtenaar is niet aansprakelijk tenzij de schade
                    een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloos-heid. De werkgever dient opzet
                    en bewuste roekeloosheid te bewijzen. Volgens de laatste volzin van het eerste
                    lid is het mogelijk dat uit de omstandigheden van het geval een andere uitkomst
                    voort-vloeit dan volgens de hoofdregel. Hierbij kunnen een rol spelen de aard
                    van de opgedragen werkzaamheden, de beloning en de aard en duur van het
                    dienstverband. Bij schade aan derden gaat het om door de ambtenaar toegebrachte
                    schade waarvoor de werkgever aansprakelijk is en regres kan plegen op de
                    ambtenaar.</al><al>De ambtenaar die buiten zijn schuld of nalatigheid ten gevolge van het
                    uitoefenen van zijn functie schade lijdt aan hem toebehorende kleding of
                    uitrusting heeft recht op schadevergoeding. Schade aan een hem toebehorende
                    auto, motor- of bromfiets is hiervan uitgezonderd. Bij vergoeding van materiële
                    schade kan het bedrag worden afgestemd op de restwaarde van het goed. De
                    ambtenaar behoeft geen ongerechtvaardigd voordeel te genieten. Een dergelijk
                    voordeel kan ontstaan wanneer als schadevergoeding de nieuwprijs van een goed
                    wordt betaald, terwijl dat goed die waarde op het tijdstip van de schade niet
                    meer bezat.</al><al>Schade aan een motorvoertuig, dat wordt ingezet voor dienstreizen wordt als
                    regel niet vergoed, omdat in de kilometervergoeding een bedrag is opgenomen voor
                    all-risk verzekering. Volgens de jurisprudentie zal bij incidenteel gebruik van
                    de eigen auto de kilometervergoeding echter niet af-doende zijn en is de
                    werkgever in dat geval gehouden eventuele schade voor zijn rekening te nemen. In
                    artikel F.3, derde lid, is de grens van incidenteel gebruik gelegd bij 10.000
                    dienstkilometers. Uitsluiting van aansprakelijkheid in die situatie is in
                    beginsel mogelijk. Dat kan evenwel alleen als dienstreizen met de eigen auto
                    niet in opdracht van de werkgever, maar slechts met diens toestemming worden
                    gemaakt. Dienstopdrachten voor het gebruik van de eigen auto zijn echter in de
                    provincie niet uitgesloten.</al><tussenkop><vet>Artikel F.4 Kostenvergoedingen</vet></tussenkop><al>In artikel F.4 is de basis voor een door gedeputeerde staten vast te stellen
                    reis- en verblijfkostenre-geling voor dienstreizen en een
                    verplaatsingskostenregeling. Ten aanzien van deze beide regelingen is bepaald
                    dat deze in overeenstemming moeten zijn met de afspraken die daarover in het SPA
                    zijn gemaakt. Ten aanzien van andere onkosten, bijvoorbeeld dienstkleding en
                    telefoonkosten, kunnen gedeputeerde staten ook nadere regels stellen.</al><tussenkop><vet>Artikel F.5 Woonplaats</vet></tussenkop><al>In hoeverre kan een ambtenaar worden verplicht om dichtbij het werk te wonen? In
                    het algemeen kan niet worden gesteld dat dit noodzakelijk is voor het goed
                    functioneren van de openbare dienst. Een noodzaak tot het opleggen van de
                    woonverplichting doet zich echter wel voor wanneer de amb-tenaar zich in verband
                    met de aard van zijn functie binnen korte tijd van zijn woning naar de plaats
                    waar hij zijn werkzaamheden dient te verrichten, moet kunnen verplaatsen.</al><al>Voorts kan van die noodzaak worden gesproken indien de ambtenaar op zodanige
                    afstand van de plaats van tewerkstelling woont, dat niet is verzekerd dat hij
                    bij dagelijks heen en weer reizen tijdig op zijn werk aanwezig is of dat het
                    dagelijks heen en weer reizen een zodanige belasting vormt, dat daardoor een
                    goede vervulling van de functie wordt belemmerd. In die gevallen kan de
                    ambtenaar worden verplicht in of nabij de standplaats te gaan of te blijven
                    wonen.</al><tussenkop><vet>Artikel F.6 Dienstwoning</vet></tussenkop><al>De ambtenaar kan worden verplicht een dienstwoning te betrekken. Wanneer zo'n
                    verplichting is opgelegd en de dienstwoning is betrokken, is de onderliggende
                    rechtsverhouding tussen de ambte-naar en de provincie ter zake van de woning
                    niet die van huurder en verhuurder. De ambtenaar vol-doet immers aan een
                    wettelijke verplichting. Van een dienstwoning is eerst sprake indien er een
                    onlosmakelijk verband bestaat tussen de functie van de ambtenaar en de bewoning;
                    met andere woorden als het voor een goede vervulling van de functie noodzakelijk
                    is dat de ambtenaar in een bepaald huis woont. Benoeming in een andere
                    provinciale functie, ontslag of overlijden betekent dat de dienstwoning moet
                    worden verlaten. Als regel wordt betrokkene (of diens nagelaten betrekkingen)
                    hiertoe ten minste drie maanden de tijd gegeven.</al><tussenkop><vet>Artikel F.7 Jaargesprekken (planning, voortgang, evaluatie en
                        beoordeling</vet>)</tussenkop><al>Dit artikel vormt de grondslag voor een systeem van jaargesprekken. Daaronder
                    wordt verstaan een cyclus van plannings-, voortgangs-, evaluatie- en
                    beoordelingsgesprekken waarvan de basis wordt gevormd door een individueel
                    werkplan dat, als afgeleide van het jaarplan van de werkeenheid, de concrete
                    afspraken vastlegt tussen leidinggevende en ambtenaar. Ter uitvoering van dit
                    artikel hebben gedeputeerde staten de Regeling jaargesprekken vastgesteld
                    waarover in het SPA afspraken zijn gemaakt.</al><tussenkop><vet>Artikel F.8 Aanzuivering tekort</vet></tussenkop><al>Ten aanzien van schadevergoeding is een bijzondere regeling getroffen voor de
                    rekenplichtige amb-tenaar. Uitgangspunt van de regeling is dat de rekenplichtige
                    ambtenaar in beginsel verplicht is een tekort aan te zuiveren. Vervolgens wordt
                    de betrokken ambtenaar van deze verplichting geheel of gedeeltelijk ontheven
                    naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft
                    genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren. Tijdens ziekte of
                    wettige afwezigheid is de rekenplichtige ambtenaar ontheven van zijn
                    verantwoordelijkheid.</al><tussenkop><vet>Artikel F.9 Verplichte opleiding</vet></tussenkop><al>Artikel F.9 biedt de grondslag om een ambtenaar te verplichten een opleiding te
                    volgen die in het belang van de dienst noodzakelijk is. Daarbij gaat het in de
                    regel om opleidingen die voor de huidige functie vereist zijn. Ook niet op de
                    huidige functie gerichte opleidingen kunnen in het belang van de dienst
                    noodzakelijk zijn en de ambtenaar worden opgedragen. Te denken valt aan een
                    opleiding die nodig is om een andere (passende) functie die de ambtenaar is
                    opgedragen in het kader van bij-voorbeeld een reorganisatie of de algemene
                    dienst, naar behoren te kunnen vervullen. De kosten komen voor rekening van de
                    provincie. Voor lessen, (deel)examens en tentamens in werktijd wordt
                    buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Als deze buiten de
                    werktijd vallen gelden de volgende faciliteiten:</al><tussenkop><vet>Artikel F.10 Opleiding en ontwikkeling</vet></tussenkop><al>Artikel F.10 bevat een rechtspositionele regeling met betrekking tot
                    (vrijwillige) scholing in het kader van de loopbaanontwikkeling. De regeling
                    sluit nauw aan bij het systeem van jaargesprekken en past bij het uitgangspunt
                    dat scholing onderdeel is van het loopbaan- en mobiliteitsbeleid. In de CAO
                    provincies 2002/2003 zijn daarover afspraken gemaakt. Op hoofdlijnen gaat het om
                    het volgende systeem.</al><lijst><li nr="-"><al> Met de OR wordt jaarlijks op basis van het algemene opleidingsbeleid
                            van de provincie een algemeen opleidingsplan voor (delen van) het
                            personeel afgesproken waarin onder meer doel-stellingen, criteria en
                            budgettaire voorwaarden zijn vastgelegd.</al></li><li nr="-"><al> In het planningsgesprek worden, in ieder geval eens per drie jaar,
                            loopbaanafspraken gemaakt die worden neergelegd in een persoonlijk
                            ontwikkelingsplan.</al></li><li nr="-"><al> Voor scholing die past binnen het algemene opleidingsplan zijn er
                            voorzieningen in tijd en geld met als uitgangspunt dat de werkgever de
                            kosten volledig vergoedt en de werknemer binnen redelijke grenzen eigen
                            tijd inzet. Ten opzichte van de oude studiefaciliteitenregeling is dat
                            een substantiële verbetering van de financiële voorzieningen in ruil
                            voor minder verloffaciliteiten ten laste van de werkgever.</al></li><li nr="-"><al> Er kunnen ook afspraken worden gemaakt over tempo en intensiteit van de
                            studieactiviteiten, terugbetalingsplicht e.d.</al></li></lijst><al>Opleiding en ontwikkeling zijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de
                    ambtenaar en de leidinggevende. Essentieel is daarom dat hierover in goed
                    overleg tussen hen afspraken worden ge-maakt en dat die worden ingepast in het
                    geheel van afspraken die in het jaarlijkse planningsgesprek worden gemaakt. Het
                    initiatief tot het maken van afspraken kan uitgaan van zowel de leidinggevende
                    als de ambtenaar. De regeling biedt de leidinggevende en de ambtenaar ruimte om
                    afspraken te maken die optimaal zijn toegesneden op de wensen en behoeften van
                    het individuele geval. Rechten en plichten over en weer worden zoveel mogelijk
                    in goed overleg tussen leidinggevende en ambte-naar bepaald en zijn dus niet tot
                    in detail vastgelegd in de regeling. Uiteraard moeten de afspraken liggen binnen
                    het kader van het algemene opleidingsplan dat met de OR is overeengekomen Is dat
                    het geval dan kunnen de kosten van de afgesproken opleiding volledig worden
                    vergoed. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen een voltijder en een
                    deeltijder. Er is geen sprake van een open eindregeling. Opleidingen worden
                    immers alleen vergoed als daarvoor geld beschikbaar is binnen het voor het
                    algemene opleidingsplan beschikbare budget.</al><al>De opleiding geschiedt zoveel mogelijk in eigen tijd. Van de ambtenaar mag
                    immers worden ver-wacht dat hij eigen tijd investeert in de ontwikkeling van
                    zijn loopbaan. De ambtenaar en zijn leidinggevende maken afspraken over
                    eventueel noodzakelijke aanpassing van de werktijden, inzet van vakantieverlof
                    en/of roostervrije tijd e.d. Daarmee wordt geregeld dat het volgen van de
                    opleiding niet ten koste gaat van het werk en dat de continuïteit van de
                    werkzaamheden dus geen reden is om een opleiding te weigeren. Onder
                    omstandigheden kan ook de werkgever tijd beschikbaar stellen in de vorm van
                    verlof met behoud van bezoldiging. Daartoe kan aanleiding zijn vanwege de
                    zwaarte van de opleiding of op grond van persoonlijke omstandigheden. De
                    afspraken worden vastgelegd in het persoonlijk ontwikkelingsplan. Er kunnen ook
                    afspraken worden gemaakt over andere vormen van medewerking van de werkgever,
                    bijv. over inzet in een bepaald project dat een directe relatie heeft met de
                    opleiding en beschikbaarstelling van technische hulpmiddelen.</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden vastgelegd de afspraken over de
                    concrete keuze van de opleiding, het instituut waar de opleiding zal worden
                    gevolgd, de voorwaarden waaronder de oplei-ding of andere activiteiten worden
                    uitgevoerd, wat de consequenties zijn van bijv. voortijdige beëin-diging of
                    onderbreking, verandering van functie of ontslag.</al><tussenkop><vet>Artikel F.11 Bescherming vakbondskaderleden</vet></tussenkop><al>Het betreft een bescherming analoog aan die welke in de WOR is geregeld voor
                    leden van de OR en ambtenaren die op een kandidatenlijst voor de OR staan of
                    hebben gestaan.</al><tussenkop><vet>Artikel F.12 Spaarloonregeling</vet></tussenkop><al>In dit artikel is de basis gelegd voor het vaststellen van een spaarloonregeling
                    door gedeputeerde staten. Het verdient aanbeveling de tekst van die regeling ter
                    goedkeuring voor te leggen aan de belastingdienst om er zeker van te zijn dat
                    voldaan wordt aan de fiscale normen.</al><tussenkop><vet>Artikel F.13 Tegemoetkoming kosten kinderopvang</vet></tussenkop><al>[]</al><tussenkop><vet>Artikel F.14 Individuele keuzemogelijkheden arbeidsvoorwaarden</vet></tussenkop><al>Artikel F.14 is de basisbepaling voor het systeem van individuele
                    keuzemogelijkheden op het terrein van de arbeidsvoorwaarden (IKAP) Het artikel
                    verplicht gedeputeerde staten algemeen verbindende voorschriften inzake IKAP
                    vast te stellen. Die zijn vastgelegd in de IKAP-regeling provincies. Aan IKAP
                    kunnen zowel provinciale ambtenaren als (via artikel H.7, eerste lid)
                    provinciale arbeidscontractanten deelnemen.</al><tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK G</tussenkop><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Het hoofdstuk disciplinaire maatregelen is gebaseerd op artikel 125 van de
                    Ambtenarenwet, waarin aan het bevoegde bestuursorgaan van de provincies de
                    verplichting wordt opgelegd voorschriften vast te stellen omtrent onder meer
                    disciplinaire straffen. Het disciplinaire strafrecht levert het be-stuursorgaan
                    de middelen om de normen die binnen de organisatie gelden te handhaven. Dit in
                    te-genstelling tot het commune strafrecht dat tot doel heeft algemene door de
                    overheid gestelde nor-men te handhaven. De ambtsdelicten worden genoemd in de
                    artikelen 355 e.v. en 462 e.v. van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>Bij de besluitvorming inzake het opleggen van disciplinaire straffen dient de
                    volgende procedure gevolgd te worden:</al><al>In de eerste plaats moet worden vastgesteld of er sprake is van plichtsverzuim.
                    Zijn de feiten juist en leveren de feiten ook plichtsverzuim op? Met andere
                    woorden: is de ambtenaar een hem opgelegde verplichting niet nagekomen of heeft
                    hij enig voorschrift overtreden of heeft hij zich niet als een goed werknemer
                    gedragen.</al><al>Voor het vaststellen van de feiten kan een min of meer uitvoerig onderzoek
                    noodzakelijk zijn. Als in dat onderzoek feiten aan het licht treden in
                    schriftelijke verklaringen of andere stukken, dient de be-trokkene zijn visie
                    daarop te kunnen geven alvorens die feiten al dan niet als vaststaand kunnen
                    worden aangemerkt. De gelegenheid die betrokkene op dit moment krijgt moet niet
                    worden verward met de gelegenheid die hem later wordt geboden om zich te
                    verantwoorden voor het voornemen tot strafoplegging. Ten aanzien van het bewijs
                    geldt in het ambtenarenrecht, anders dan in het strafrecht, dat niet
                    noodzakelijk is dat een feit wettig en overtuigend moet zijn bewezen, maar dat
                    het feitelijk juist moet zijn. Dat wil zeggen het feit moet voor het besluit
                    voldoende feitelijke grondslag bieden.</al><al>Voorschriften kunnen zijn vervat in instructies en reglementen. Voorschriften
                    zijn ook gegeven in hoofdstuk F Overige rechten en plichten.</al><al>Ook privé-gedragingen van de ambtenaar kunnen plichtsverzuim opleveren als
                    daardoor de dienst of het ambtenarenkorps in het algemeen in opspraak komt. In
                    de jurisprudentie zijn diverse voorbeelden te vinden van situaties waarin de
                    betrouwbaarheid van de betrokken ambtenaar in het geding is en daardoor de
                    integriteit van het ambtelijk apparaat.</al><al>In de tenlastelegging komt tot uitdrukking wat er is gebeurd en waarom dat is
                    aan te merken als plichtsverzuim.</al><al>Zoals ook in het commune strafrecht geldt in het disciplinaire strafrecht het
                    uitgangspunt dat bij afwezigheid van schuld geen straf kan worden opgelegd. Een
                    disciplinaire straf kan derhalve pas wor-den opgelegd indien het plichtsverzuim
                    de ambtenaar kan worden toegerekend, anders gezegd indien het hem verwijtbaar
                    is.</al><al>De verwijtbaarheid kan ontbreken in geval van overmacht of in het geval van het
                    opvolgen van een al dan niet onbevoegd gegeven dienstopdracht.</al><al>Verwijtbaarheid kan ook ontbreken indien het plichtsverzuim niet het gevolg is
                    van boze opzet van de ambtenaar, maar van diens onbekwaamheid of ongeschiktheid.
                    Die onbekwaamheid of ongeschiktheid kan leiden tot ongevraagd ontslag anders dan
                    bij wijze van straf.</al><al>Ook van belang is of de ambtenaar de norm, die hij heeft overtreden kende of
                    ermee op de hoogte had kunnen zijn; met andere woorden: de ambtenaar moest weten
                    of had moeten weten dat hij de norm heeft overtreden.</al><al>Als is vastgesteld dat de bevoegdheid bestaat een disciplinaire straf op te
                    leggen is de volgende vraag of ook van deze bevoegdheid gebruik mag worden
                    gemaakt. Het antwoord op die vraag kan ontkennend zijn bijvoorbeeld als de
                    betrokken ambtenaar in verband met het gebeurde in fysiek of psychisch opzicht
                    al zwaar getroffen is.</al><al>Als tenslotte van de bevoegdheid tot bestraffing in redelijkheid ook gebruik mag
                    worden gemaakt dient de zwaarte van de straf te worden bepaald; de straf dient
                    evenredig te zijn aan de ernst van het plichtsverzuim. De mogelijkheid bestaat
                    om meer dan één straf tegelijkertijd op te leggen. Het sys-teem van
                    disciplinaire maatregelen is een gesloten systeem, d.w.z. dat alleen één of
                    meerdere straffen kunnen worden opgelegd, die voorkomen in de limitatieve
                    opsomming van artikel G.4.</al><al>Het ne bis in idem beginsel is niet van toepassing op de situatie, waarin een
                    ambtenaar in een strafrechtelijk proces is veroordeeld of is vrijgesproken, ten
                    opzichte van het daarnaast opleggen van een disciplinaire straf. Ook al wordt
                    dit door de betreffende ambtenaar ervaren als tweemaal straffen, toepassing van
                    een disciplinaire straf naast een strafrechtelijke veroordeling is
                    toegestaan.</al><al>De straf mag niet worden opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is
                    gesteld zich mon-deling of schriftelijk te verantwoorden (artikel 4:8 Awb).</al><al>Daartoe moet aan betrokkene het voornemen tot strafoplegging worden medegedeeld.
                    De vraag is in dit verband of bij het kenbaar maken van het voornemen tot
                    strafoplegging ook al mededeling moet worden gedaan van de voorgenomen
                    strafmaat. Naar de opvatting van de Centrale Raad van Beroep behoeft dat niet.
                    Juist de verantwoording zal van invloed moeten zijn op de nader te bepalen
                    strafmaat.</al><al>De verantwoording vindt plaats ten overstaan van gedeputeerde staten. Door
                    mandatering kan worden gerealiseerd dat de verantwoording voor de voorgenomen
                    strafoplegging kan plaatsvinden ten overstaan van bijvoorbeeld het betrokken
                    diensthoofd. Bij de verantwoording kan betrokkene zich laten bijstaan door een
                    raadsman (artikel 2:1 Awb). Het is aan te bevelen bij de mededeling van de
                    voorgenomen strafoplegging alle relevante stukken mee te sturen.</al><al>Indien de verantwoording mondeling plaatsvindt, verdient het aanbeveling binnen
                    korte tijd een verslag te maken. Dit verslag dient kort zakelijk weer te geven
                    hetgeen door betrokkene en het bevoeg-de gezag naar voren is gebracht. Aan zowel
                    betrokkene als aan het bevoegde gezag zal worden gevraagd in te stemmen met de
                    tekst van het verslag. Door ondertekening wordt aangegeven dat de tekst van het
                    verslag een juiste weergave is van hetgeen besproken is. Als de betrokken
                    ambtenaar ondertekening weigert zal hem naar de reden daarvan gevraagd moeten
                    worden; voor zover dit voor het bevoegde gezag geen reden is de inhoud van het
                    verslag te wijzigen, is het raadzaam hiervan melding te maken in het
                    verslag.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Artikel G.1 Maatregelen van orde</vet></tussenkop><al>In het belang van de dienst kunnen ordemaatregelen worden getroffen. De
                    ambtenaar zal zich daaraan moeten houden. Het belang van de dienst kan ook
                    meebrengen dat de ambtenaar de toegang tot de werkplek of het werk c.q. het
                    verblijf aldaar wordt ontzegd. Bij weigering van toegang tot c.q. verblijf op
                    het werk of de werkplek op grond van dit artikel is geen inhouding op de
                    bezoldiging mogelijk.</al><tussenkop><vet>Artikel G.2 Schorsing</vet></tussenkop><al>In dit artikel is de schorsing als ordemaatregel geregeld. De schorsing
                    geschiedt via een schriftelijke beschikking. Naast specifieke
                    schorsingsmogelijkheden bij strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf, bij
                    voornemen tot of oplegging van onvoorwaardelijk strafontslag en bij
                    inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis (eerste lid onderdelen a, b en c)
                    bestaat er behoefte aan een meer algemene schorsingsgrond zoals de civiele
                    werkgever die ook kent. Die is opgenomen in het eerste lid, onderdeel d. Hier
                    geldt niet verwijtbaarheid als voorwaarde. Inhouding van bezoldiging tijdens de
                    schor-sing (zie het tweede lid) is hier dan ook niet geoorloofd. De
                    jurisprudentie leert dat de meer open schorsingsgrond in het dienstbelang geen
                    blanco cheque inhoudt om te schorsen. Dat vloeit voort uit de Awb en de bepaling
                    inzake goed werkgeverschap. Schorsing in het dienstbelang zal aan de orde kunnen
                    zijn bij conflictsituaties die hebben geleid tot een onwerkbare situatie.
                    Daarbij weegt mee de bijdrage van betrokkene aan het ontstaan van die onwerkbare
                    situatie. Ook zal schorsing in het dienstbelang aan de orde kunnen zijn in een
                    situatie waarin het vermoeden is gerezen van ernstig plichtsverzuim. Schorsing
                    op grond van het eerste lid, onderdeel b, is op dat moment nog niet
                    mogelijk.</al><al>Is in de gevallen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, bezoldiging
                    ingehouden dan kan deze later eventueel alsnog worden uitbetaald. Dat zal spelen
                    als er geen strafrechtelijke veroordeling of onvoorwaardelijk strafontslag
                    volgt.</al><tussenkop><vet>Artikel G.4 Disciplinaire straffen</vet></tussenkop><al>De in dit artikel genoemde straffen betreffen een limitatieve opsomming en lopen
                    op in zwaarte:</al><lijst><li nr="-"><al> schriftelijke berisping </al><al/><al> Deze straf, de lichtste, zal vaak bedoeld zijn als een waarschuwing dat
                            tegen een volgend plichtsverzuim van dezelfde aard met een zwaardere
                            straf zal worden opgetreden. Is later in het gedrag van de ambtenaar
                            toch aanleiding gevonden hem een zwaardere straf op te leggen dan zal
                            het bij de evenredigheidstoetsing een rol spelen dat hij terzake reeds
                            een waarschuwing in de vorm van een berisping had gekregen.</al></li><li nr="-"><al> geldboete tot ten hoogste 10% van het bedrag van het salaris per jaar </al><al/><al> Deze financiële straf ligt voor de hand als de openbare dienst door het
                            plichtsverzuim op geld waardeerbare schade heeft geleden.</al></li><li nr="-"><al> strafverplaatsing </al><al/><al> Deze straf houdt in de benoeming in een andere functie, waarbij niet
                            dezelfde waarborgen gelden als bij benoeming in een andere passende
                            functie in het belang van de dienst, zoals geregeld in artikel B.6.</al></li><li nr="-"><al> ontslag </al><al/><al> In dit geval is sprake van verwijtbare werkloosheid als gevolg waarvan
                            geen recht op WW of bovenwettelijke werkloosheidsuitkering bestaat.</al></li></lijst><al>Bij het opleggen van de straf moet sprake zijn van evenredigheid tussen de
                    opgelegde straf en het plichtsverzuim; daarbij zijn onder meer de volgende
                    factoren van belang:</al><lijst><li nr="-"><al> de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al> de omstandigheden waaronder de misdraging plaatsvond of die daarmee in
                            verband staan;</al></li><li nr="-"><al> het gedrag of de houding van de superieuren van de ambtenaar;</al></li><li nr="-"><al> het gedrag van de ambtenaar bij het voorafgaande onderzoek of tijdens
                            de verantwoording;</al></li><li nr="-"><al> de persoon van de ambtenaar en de met hem verband houdende
                            omstandigheden;</al></li><li nr="-"><al> de leeftijd van de ambtenaar;</al></li><li nr="-"><al> de duur van het dienstverband;</al></li><li nr="-"><al> de functie die de ambtenaar uitoefent;</al></li><li nr="-"><al> eventueel eerder gegeven waarschuwingen;</al></li><li nr="-"><al> de huiselijke omstandigheden van de ambtenaar;</al></li><li nr="-"><al> de verplichtingen die de ambtenaar mogen worden opgelegd;</al></li><li nr="-"><al> de mate waarin de ambtenaar van zijn verantwoordelijkheidsgevoel blijk
                            geeft;</al></li><li nr="-"><al> eventueel aanwezige ziekelijke storing van de geestvermogens van de
                            ambtenaar;</al></li><li nr="-"><al> het al dan niet eerder opgelegd zijn van disciplinaire straffen;</al></li><li nr="-"><al> de gevolgen van de genomen strafmaatregel voor de ambtenaar.</al></li></lijst><al>De strafoplegging geschiedt via een schriftelijke beschikking.</al><tussenkop><vet>Artikel G.5 Tenuitvoerlegging</vet></tussenkop><al>De opgelegde straffen kunnen onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd, tenzij
                    wordt aangegeven dat de bereidheid bestaat de behandeling van eventueel bezwaar
                    of, nog verdergaand, beroep af te wachten. Bezwaar en beroep hebben op basis van
                    de Awb geen opschortende werking.</al><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>In dit hoofdstuk is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden
                    indienstneming van personen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan
                    plaatsvinden. De regeling in dit hoofdstuk vloeit voort uit artikel 134 van de
                    Ambtenarenwet dat voorschrijft dat bestuursorganen van overheden (zoals
                    provincies) hieromtrent bepalingen moeten vaststellen.</al><al>De regeling van hoofdstuk H voorziet slechts in een beperkt aantal gevallen in
                    de mogelijkheid om met personen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht te
                    sluiten. De eenzijdige publiekrechtelijke aanstelling als ambtenaar is namelijk
                    de regel, de arbeidsovereenkomst de uitzondering. De bijzondere positie van de
                    ambtenaar is overigens in de loop van de jaren sterk afgenomen doordat steeds
                    meer wettelijke voorzieningen voor zowel werknemers in de marktsector als voor
                    ambtenaren zijn gaan gelden. Te noemen zijn hier onder andere de WOR, de
                    Arbeidstijdenwet, de Arbeidsom-standighedenwet, de pensioenwetgeving, de
                    wettelijke werknemersverzekeringen en, sinds 2006, de Zorgverzekeringswet.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Artikel H.1 Definities</vet></tussenkop><al>Artikel H.1 bevat, in aanvulling op die in artikel A.1, een beperkt aantal
                    alleen voor hoofdstuk H rele-vante definities. In het tweede lid worden
                    gedeputeerde staten aangewezen als de werkgever in de zin van dit hoofdstuk en
                    van het Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop><vet>Artikel H.2 Gronden voor indienstneming op arbeidsovereenkomst</vet></tussenkop><al>Hierop is hierboven al uitvoerig ingegaan. Dit artikel bevat een beperkt,
                    limitatief opgesomd, aantal gronden voor een dienstverband op
                    arbeidsovereenkomst. Buiten de hier genoemde gevallen kan indienstneming slechts
                    op basis van een ambtelijke aanstelling plaatsvinden.</al><tussenkop><vet>Artikel H.4 Duur arbeidsovereenkomst</vet></tussenkop><al>De duur van de arbeidsovereenkomst vanwege tijdelijke aanpassing van het
                    personeelsbestand aan een wisselende behoefte (artikel H.2, onderdeel a) is
                    beperkt tot ten hoogste 6 maanden. De leer/arbeidsovereenkomst (artikel H.2,
                    onderdeel b) kan worden aangegaan voor de afgesproken duur van de leer/
                    werkervaring bij de provincie. De duur van de arbeidsovereenkomst van degene die
                    in het kader van een werkgelegenheidsproject in dienst wordt genomen (artikel
                    H.2, onderdeel c) moet uiteraard gekoppeld zijn aan de periode waarop de
                    werkgelegenheidsmaatregel voor betrokkene geldt. Eventuele voortzetting van het
                    dienstverband nadien zal in een reguliere (ambtelijke) betrekking moeten
                    geschieden. Oproep-krachten (artikel H.2, onderdeel d) kunnen wel voor
                    onbepaalde tijd in dienst genomen worden.</al><tussenkop><vet>Artikel H.5 Loon</vet></tussenkop><al>Niet in alle gevallen zal op de werknemer de bezoldigingsregeling (integraal)
                    van toepassing zijn. Zo zal er doorgaans voor werknemers die in het kader van
                    een werkgelegenheidsproject in dienst genomen zijn een bijzondere loonregeling
                    zijn getroffen. Ook voor oproepkrachten kunnen er bijzonde-re loonafspraken zijn
                    gemaakt. Het loon kan ook zijn afgestemd op de specifieke (eenmalige) dienst
                    waarvoor iemand in dienst is genomen.</al><tussenkop><vet>Artikelen H.6, H.8 en H.10 Toepasselijkheid BW, einde arbeidsovereenkomst
                        vreemdelin-gen en doorwerking wijzigingen</vet></tussenkop><al>Hoofdregel is dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek integraal van
                    toepassing zijn (artikel H.6). Artikel H.8 bevat een t.o.v. het Burgerlijk
                    Wetboek bijzondere bepaling welke het mogelijk maakt de arbeidsovereenkomst van
                    de vreemdeling bij verlies van een geldige verblijfstitel zonder opzegtermijn te
                    beëindigen. Artikel H.10 bevat een bijzondere bepaling t.o.v. die inzake het
                    eenzijdi-ge wijzigingsbeding in artikel 7:613 van het Burgerlijk Wetboek.
                    Wijzigingen in de arbeidsvoorwaar-den, geregeld in of krachtens de CAP werken
                    zonder meer rechtstreeks door in de individuele ar-beidsverhouding. Als op dit
                    punt niets zou zijn geregeld zou elke werknemer formeel met deze wijzi-gingen in
                    de (tweezijdige) arbeidsovereenkomst moeten instemmen.</al><tussenkop><vet>Artikel H.7 Toepasselijkheid CAP en uitvoeringsregelingen</vet></tussenkop><al/><al>In het eerste lid van artikel H.7 is een groot aantal bepalingen van de CAP en
                    zijn uitvoeringsregelingen die voor ambtenaren gelden zoveel mogelijk van
                    toepassing verklaard op de werknemer op arbeidsovereenkomst. Dat betreffen:</al><lijst><li nr="-"><al> de bijzondere voorziening (algemene hardheidsclausule) van artikel
                            A.4;</al></li><li nr="-"><al> de bekendmaking van regelingen inzake de rechtspositie (artikel
                            A.6);</al></li><li nr="-"><al> de eisen van geschiktheid en bekwaamheid bij indiensttreding (artikel
                            B.3);</al></li><li nr="-"><al> de verplichting in het dienstbelang een andere functie of andere
                            werkzaamheden te vervullen (artikel B.6, derde t/m zesde lid en B.7),
                            waarbij wordt opgemerkt dat de bepalingen m.b.t. de algemene dienst
                            (artikelen B.5 en B.6, eerste en tweede lid) niet gelden omdat zij zich
                            niet voor toepassing lenen vanwege de beperkte duur van de
                            arbeidsovereenkomst of het specifieke karakter van het dienstverband
                            (oproepkrachten);</al></li><li nr="-"><al> de overlijdensuitkering, in aanvulling op de wettelijke regeling
                            (artikel B.14);</al></li><li nr="-"><al> de bepalingen inzake arbeidsduur en werktijden (artikelen D.1 t/m
                            D.3);</al></li><li nr="-"><al> de bepalingen inzake vakantieverlof en buitengewoon verlof (artikelen
                            D.5 t/m D.17);</al></li><li nr="-"><al> de bepalingen inzake gezondheid en arbeidsomstandigheden bij of
                            krachtens de artikelen E.1 t/m E.10 en E.15, met dien verstande dat de
                            ontslagbepaling wegens arbeidsongeschiktheid (artikel E.9) op grond van
                            het tweede lid van artikel H.7 alleen geldt voor ABP-deelnemers;</al></li><li nr="-"><al> de bepalingen over de (aanvullende) tegemoetkoming in de ziektekosten
                            (artikelen E.11 en E.12) en over inhouding van ziektekostenpremies
                            (artikel E.13);</al></li><li nr="-"><al> de overige rechten en plichten zoals geregeld in hoofdstuk F, met
                            uitzondering van de bepaling inzake schadeplichtigheid van werkgever en
                            werknemer (artikel F.3, eerste en tweede lid) waarvoor specifieke
                            regelingen gelden in het Burgerlijk Wetboek, t.w. artikel 7:658
                            (zorgverplichting en aansprakelijkheid werkgever) en artikel 7:661
                            (aansprakelijkheid werknemer voor schade aan werkgever of derden); wel
                            is de voor ambtenaren getroffen specifieke schadevergoedingsregeling bij
                            dienstgebruik van de eigen auto (artikel F.3, derde lid) van toepassing
                            verklaard;</al></li><li nr="-"><al> de bepalingen inzake orde- en strafmaatregelen (hoofdstuk G)</al></li></lijst><al>In het tweede lid van artikel H.7 is de op grond van artikel B.13 getroffen
                    bovenwettelijke werkloosheidsregeling (Uitvoeringsregeling aanvullende
                    voorzieningen bij werkloosheid) van toepassing verklaard op arbeidscontractanten
                    die ABP-deelnemer zijn.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel H.9 Oproepkrachten</vet></tussenkop><al>Dit artikel stelt nadere eisen aan de arbeidsovereenkomst met de oproepkracht.
                    Het gaat hier in de eerste plaats om de verplichting van de werkgever de
                    oproepkracht ook daadwerkelijk op te roepen als zich werkzaamheden voordoen die
                    een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen en als keerzijde de
                    verplichting voor de oproepkracht in beginsel de werkzaamheden te verrichten
                    waarvoor hij is opgeroepen. Het derde lid regelt tot wanneer een oproep door de
                    werkgever zonder verplichting tot loondoorbetaling kan worden afgezegd c.q. door
                    de werknemer kan worden gewei-gerd. Voor de oproepkracht zijn de volgende
                    bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in het bijzonder van belang:</al><lijst><li nr="-"><al> het rechtsvermoeden inzake de aard van de arbeidsrelatie in artikel
                            7:610a BW: hij die t.b.v. de provincie tegen beloning gedurende drie
                            opeenvolgende maanden wekelijks dan wel gedurende ten minste 20 uren per
                            maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens
                            arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="-"><al> het rechtsvermoeden inzake de omvang van de arbeidsovereenkomst in
                            artikel 7:610b BW: indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie
                            maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed
                            een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per
                            maand in de drie voorafgaande maanden;</al></li><li nr="-"><al> de minimumaanspraak op loon per oproep in artikel 7:628a BW : loon over
                            ten minste drie uur per oproep, hetzij bij een overeengekomen
                            arbeidsomvang van minder dan 15 uur per week als de tijdstippen waarop
                            de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd, hetzij ingeval de
                            om-vang van de arbeid niet (eenduidig) is vastgelegd.</al></li></lijst><tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK I</tussenkop><al><vet>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</vet></al><al>Het proces van de normalisering van de arbeidsvoorwaarden bij de overheid is
                    gestart in 1989. In dat normaliseringproces is reeds een aantal stappen gezet op
                    het terrein van het overleg over de ar-beidsvoorwaarden, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al> het introduceren van het overeenstemmingsvereiste in het overleg over
                            de arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="-"><al> de invoering van het sectorenmodel in het arbeidsvoorwaardenoverleg in
                            1993;</al></li><li nr="-"><al> het van toepassing verklaren op de overheid van de WOR in 1995.</al></li></lijst><al>Hiermee is het overlegrecht in een geheel nieuw perspectief geplaatst. Was het
                    overleg over de arbeidsvoorwaarden bij de provincies tot aan de start van het
                    normaliseringproces vrijwel een exclu-sieve aangelegenheid voor de lokale
                    commissie voor georganiseerd overleg, daarna hebben zowel het georganiseerd
                    overleg op sectorniveau (SPA) als het overleg met de OR op plaatselijk niveau
                    elk hun rol opgeëist. Dit heeft zowel door vaststelling van het
                    SPA-overlegprotocol als door toepassing van artikel 27 van de WOR
                    (instemmingsrecht OR bij vaststelling of wijziging van bepaalde
                    arbeids-voorwaarden) geleid tot een bescheidener rol van het plaatselijk
                    georganiseerd overleg.</al><al>In artikel 125, lid 1, onderdeel m, juncto lid 2, van de Ambtenarenwet is
                    geregeld dat het bevoegde bestuursorgaan van de provincies voorschriften
                    vaststelt met betrekking tot de “wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking
                    komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over
                    aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren”.
                    Het overleg in het SPA is geregeld in het SPA-overlegprotocol. Het lokaal
                    overleg met de vakorganisaties is geregeld in hoofdstuk I. Daarbij is rekening
                    gehouden met de hierboven geschetste verschuiving van taken.</al><al>De taakverdeling tussen SPA, lokaal overleg met de vakorganisaties en de OR is
                    als volgt:</al><al><vet>Het overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het SPA</vet></al><al>Het zwaartepunt van het arbeidsvoorwaardenoverleg ligt bij het SPA (sectoraal,
                    tenzij). Het overleg strekt zich uit tot de vaststelling en wijziging van de CAP
                    en van een groot aantal arbeidsvoorwaar-denregelingen ter uitvoering van de CAP
                    (zie artikel A.2, tweede lid, en de specifieke hoofdstukken van de CAP). In het
                    SPA wordt - met inachtneming van de wettelijke regeling van taken en
                    bevoegd-heden van de OR in de WOR - ook bepaald op welke overlegtafel (SPA,
                    lokaal georganiseerd over-leg of OR) welk onderwerp van arbeidsvoorwaarden en
                    sociaal beleid aan de orde kan worden ge-steld. De regie ligt hier met andere
                    woorden bij de sociale partners in het SPA.</al><al><vet>Het overleg op plaatselijk niveau met de vakorganisaties van
                        overheidspersoneel</vet></al><al>Niet alle arbeidsvoorwaarden worden voor alle provincies gemeenschappelijk
                    geregeld in het SPA. De CAP laat de regeling van een aantal rechtspositionele
                    zaken over aan sociale partners op lokaal niveau (zie artikel A.2, tweede lid,
                    en de specifieke hoofdstukken van de CAP). Artikel I.2, eerste lid, noemt
                    daarnaast de volgende onderwerpen voor het lokaal overleg met de vakorganisaties
                    van overheidspersoneel:</al><lijst><li nr="-"><al> de nadere uitwerking van in het SPA gemaakte afspraken;</al></li><li nr="-"><al> werkgelegenheid;</al></li><li nr="-"><al> spelregels bij en personele gevolgen van reorganisaties.</al></li></lijst><al>Tenslotte biedt artikel I.2, eerste lid, de mogelijkheid om zaken op lokaal
                    niveau met de vakorganisa-ties van overheidspersoneel te regelen welke niet
                    geregeld worden in het SPA. Daarbij gaat het om onderwerpen die uitsluitend of
                    hoofdzakelijk betrekking hebben op de rechtspositie van de ambte-naar.
                    Voorwaarde is dat het SPA hierover vooraf een (positieve) uitspraak heeft
                    gedaan.</al><al><vet>Het overleg op plaatselijk niveau met de OR</vet></al><al>In de CAP is ook een aantal taken op het terrein van het sociaal beleid aan de
                    OR toebedeeld (zie artikel A.2, tweede lid, en de specifieke hoofdstukken van de
                    CAP). Het betreffen onderwerpen waarop ingevolge artikel 27 van de WOR het
                    instemmingsrecht van de OR van toepassing is. Zij raken de lokale
                    bedrijfsvoering. Verder heeft de OR o.a. een adviesrol bij reorganisaties
                    overeen-komstig artikel 25 van de WOR.</al><al>Met de hierboven geschetste verdeling van verantwoordelijkheden en de regierol
                    van het SPA hierbij wordt voorkomen dat overleg over een zelfde onderwerp op
                    meer dan één overlegtafel wordt ge-voerd. Dat houdt in dat zaken waarover
                    bijvoorbeeld in het SPA geen overeenstemming kan worden bereikt niet zonder
                    afspraak in het SPA kunnen worden doorgeschoven naar hetzij het lokale overleg
                    met de vakorganisaties hetzij de OR of dat op lokaal niveau sectorale afspraken
                    kunnen worden opgeplust of afgeroomd.</al><al><vet>De regierol van het SPA</vet></al><al>Hierboven is stilgestaan bij de regierol van het SPA. Die houdt, zoals gezegd,
                    in dat in het SPA wordt bepaald welke onderwerpen op welke overlegtafel aan de
                    orde komen. Deze regierol is vastgelegd in de door partijen in het SPA
                    overeengekomen CAP. In de CAP is immers een groot aantal zaken geregeld die in
                    het SPA zijn overeengekomen en is voor het overige bepaald welke regelingen ter
                    uitwerking van de CAP moeten (c.q. kunnen) worden getroffen in het SPA, in het
                    lokaal overleg met de vakorganisaties dan wel in overleg met de OR.</al><al>De taakverdeling tussen SPA, lokaal overleg met de vakorganisaties en OR zoals
                    hierboven ge-schetst zal op het moment van invoering van de CAP nog niet
                    helemaal zijn gerealiseerd. Een aantal arbeidsvoorwaardenregelingen zal eerst
                    nadien worden geharmoniseerd. Tot die tijd blijven het loka-le regelingen
                    waarover het overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel op lokaal
                    niveau wordt gevoerd. Dat is vastgelegd in artikel 5 van het
                    SPA-overlegprotocol. Daarin is ook vastgelegd dat sociale partners op lokaal
                    niveau terughoudend zullen zijn met afspraken over nog te harmonise-ren
                    arbeidsvoorwaardenregelingen. In het SPA-akkoord per 1 januari 2000 zijn
                    afspraken vastgelegd over de nog te harmoniseren
                    arbeidsvoorwaardenregelingen.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><tussenkop><vet>Artikel I.1 Overleg met vakorganisaties van overheidspersoneel</vet></tussenkop><al>In dit artikel is geregeld dat overleg wordt gevoerd met vakorganisaties van
                    overheidspersoneel die voor de provincie als representatief zijn aan te merken.
                    Daarbij wordt uitgegaan van de richtlijnen inzake representativiteit van de
                    SER.</al><al>Over toelating van nieuwe vakorganisaties van overheidspersoneel tot het overleg
                    zal de werkgever vooraf overleg voeren met de vakorganisaties die al in het
                    overleg zijn vertegenwoordigd.</al><al>De invoering van de CAP en in bijzonder van dit hoofdstuk van de CAP brengt geen
                    wijziging in de samenstelling van het overleg aan werknemerszijde. Dezelfde
                    vakorganisaties van overheidspersoneel als voorheen maken deel uit van het
                    overleg.</al><al>Elk van de partijen in het overleg is vrij in de samenstelling van zijn
                    delegatie. Uitgangspunt is wel dat bij bestuurlijk overleg ook aan beide kanten
                    bestuurders aanwezig zijn.</al><tussenkop><vet>Artikel I.2 Onderwerpen van overleg</vet></tussenkop><al>In dit artikel zijn de onderwerpen van overleg geregeld. Verwezen wordt
                    kortheidshalve naar de in de algemene toelichting omschreven taakverdeling
                    tussen SPA, lokaal overleg met de vakorganisaties en het overleg met de OR. Op
                    grond van het tweede lid hoeft geen overleg te worden gevoerd bij kleine
                    reorganisaties. De grens wordt gelegd bij reorganisaties waarbij minder dan 10
                    personen zijn betrokken. Bij elk voornemen tot reorganisatie geldt wel een
                    meldingsplicht aan de vakorganisaties van overheidspersoneel en aan de OR. Als
                    er na de melding van het voornemen van een kleine reorganisatie toch behoefte
                    aan overleg bestaat kan dat uiteraard op grond van artikel I.3, derde lid.</al><tussenkop><vet>Artikel I.3 Wijze van overleg</vet></tussenkop><al>De wijze van overleg is in dit hoofdstuk summier geregeld en sluit aan bij de
                    afspraken die gelden voor het overleg in het SPA. De overlegpartijen kunnen
                    desgewenst nadere afspraken maken over de wijze van overleg.</al><tussenkop><vet>Artikel I.4 Overeenstemmingsvereiste</vet></tussenkop><al>In dit artikel komt de gelijkwaardigheid van de overlegpartijen tot uitdrukking
                    in de vorm van het overeenstemmingsvereiste. Zij sluit aan bij de regeling van
                    het overeenstemmingsvereiste in het overlegprotocol voor het SPA.</al><tussenkop>Artikel I.5 Advies en arbitrage bij geschillen</tussenkop><al>Wanneer de werkgevers- en de werknemersvertegenwoordiging geen overeenstemming
                    bereiken, is het mogelijk om het advies in te winnen van de Lokale Advies- en
                    Arbitrage Commissie (LAAC) van de VNG. Ook kan de LAAC om arbitrage worden
                    gevraagd. Deze onafhankelijke commissie heeft tot taak om, afhankelijk van het
                    verzoek van partijen, hen te adviseren hoe het overleg verder kan worden gevoerd
                    dan wel door middel van arbitrage vast te stellen met welk eindresultaat het
                    overleg moet worden afgerond. Arbitrage is namelijk bindend.</al><al>Voor het vragen van advies hoeft geen overeenstemming te bestaan. Wel ligt het
                    voor de hand dat de wederpartij wordt geïnformeerd over het feit dat advies aan
                    de LAAC zal worden gevraagd. De LAAC kan de wederpartij ook horen. De
                    plaatselijke overlegpartijen moeten het wel eens zijn over de vraag of arbitrage
                    zal worden gevraagd. Ook moet er overeenstemming bestaan over het onderwerp en
                    de omschrijving van het geschil. De geschillenprocedure is aan termijnen
                    gebonden.</al><al>Over aansluiting van de provincies bij de LAAC zijn afspraken gemaakt door
                    partijen in het SPA.</al><tussenkop>TOELICHTING OP HET OVERGANGSRECHT INVOERING CAP</tussenkop><tussenkop><vet>Artikel II Vervallen van rechtspositieregelingen (lokale regeling)</vet></tussenkop><al>In elke provincie afzonderlijk in te vullen.</al><tussenkop><vet>Artikel III Wijziging van rechtspositieregelingen (lokale regeling)</vet></tussenkop><al>In elke provincie afzonderlijk in te vullen.</al><tussenkop><vet>Artikel IV Juridische grondslag voor regelingen die (nog) niet vervallen
                        (lokale regeling)</vet></tussenkop><al>In elke provincie afzonderlijk in te vullen.</al><tussenkop><vet>Artikel V Individueel overgangsrecht</vet></tussenkop><al>In artikel V is het individueel overgangsrecht geregeld dat in het SPA is
                    afgesproken en dat in alle provincies gelijkelijk geldt.</al><al>Eerste lid Het eerste lid houdt verband met de overstap naar de terminologie van
                    het Burgerlijk Wetboek voor wat betreft de aard van het dienstverband. De vaste
                    aanstelling en de tijdelijke aanstelling voor on-bepaalde tijd wordt voortaan
                    aangeduid als aanstelling voor onbepaalde tijd. De tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd wordt de aanstelling voor bepaalde tijd. Een aantal rechten en
                    plichten zijn gerelateerd aan de aard van het dienstverband. Zeker gesteld is
                    dat die rechten en plichten niet als gevolg van de nieuwe terminologie (in
                    negatieve zin) veranderen.</al><al>Tweede lid Het tweede lid houdt verband met de overstap naar een meer
                    marktconform en open stelsel van indienstneming, waarbij ook de beperkingen zijn
                    overgenomen die de Wet flexibiliteit en zekerheid heeft aangebracht in de
                    mogelijkheden elkaar opvolgende tijdelijke dienstverbanden aan te gaan.
                    Tijdelijke aanstellingen voor bepaalde tijd vóór de invoering van de CAP blijven
                    nadien tot de verstrijking van de duur waarvoor zij zijn aangegaan op de oude
                    voet doorlopen. Aanstellingen voor be-paalde tijd tellen na de invoering van de
                    CAP mee voor de beperking van de mogelijkheden elkaar opvolgende dienstverbanden
                    aan te gaan.</al><al>Derde lid In het derde lid wordt veilig gesteld dat kleine deeltijders, voor wie
                    op het moment van invoering van de CAP een regeling tegemoetkoming in de kosten
                    van een (particuliere) ziektekostenregeling geldt, in die regeling mogen
                    blijven, ook al kunnen zij op vrijwillige basis aan de IZR deelnemen. Artikel
                    E.13, tweede lid, van de CAP, die dat uitsluit, is op hen niet van
                    toepassing.</al><al>Vierde lid Het vierde lid tenslotte is van toepassing ingeval een werknemer op
                    een andere dan de in de CAP genoemde gronden op arbeidsovereenkomst in dienst
                    genomen is of voor een langere duur dan in de CAP bepaald. Zij zetten hun
                    arbeidsovereenkomst na invoering van de CAP op de oude voet voort.</al><tussenkop><vet>Artikel VI Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>De CAP treedt in werking op 1 oktober 2000 (eerste lid). In het SPA-akkoord is
                    afgesproken dat de bepaling inzake de aanwijzing van collectieve roostervrije
                    dagen gelijktijdig met de invoering van de nieuwe verlofregeling in werking
                    treedt, te weten per 1 januari 2001 (tweede lid).</al><al>De Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid (de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling) treedt in werking op de datum van invoering van de WW bij
                    de overheid, te weten op 1 januari 2001 (vierde lid, juncto tweede lid). De
                    basisbepaling ter zake in de CAP (artikel B.16 ) treedt ook pas op 1 januari
                    2001 in werking (tweede lid). De bestaande (integrale) wachtgeld- en
                    uitkeringsregeling bij werkloosheid blijven echter formeel tot 1 januari 2003
                    van kracht, gezien het Kabinetsbesluit om de bestaande gevallen niet per 1
                    januari 2001 maar eerst per 1 januari 2003 onder de werking van de WW te
                    brengen. De toegang tot de wachtgeld- en uitkeringsregeling bij werkloosheid is
                    vanaf 1 januari 2001 echter gesloten voor nieuwe gevallen. Een en ander is
                    geregeld in de op grond van artikel B.16 door gedeputeerde staten vastgestelde
                    Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid (vierde lid).</al><al>In het derde lid is de invoering van de algemene dienst geregeld. Daarover zijn
                    afspraken gemaakt in het SPA-akkoord 2000/2001, in samenhang met de
                    totstandkoming van een scholings-, loopbaan- en mobiliteitsbeleid en een
                    aanvullend rechtspositioneel kader (bijlage 5b van dit akkoord). Die af-spraken
                    zullen in achtgenomen worden. Gedeputeerde staten bepalen (in overeenstemming
                    met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg) de
                    concrete datum van in-voering van de algemene dienst ook voor zittend personeel.
                    De uiterste datum waarop de algemene dienst integraal in alle provincies ook
                    voor zittend personeel zal zijn ingevoerd is 1 januari 2002.</al><al>In het vierde lid is tenslotte vastgelegd dat op 1 oktober 2000, gelijktijdig
                    met de invoering van de CAP, in werking zullen treden:</al><lijst><li nr="-"><al> de FPU-plusregeling provincies (krachtens artikel B.14, derde lid, van
                            de CAP);</al></li><li nr="-"><al> de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en
                            arbeidsongeschiktheid (krachtens artikel E.8, eerste lid, van de
                            CAP);</al></li><li nr="-"><al> de Suppletieregeling bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (krachtens
                            artikel E.8, tweede lid, van de CAP).</al></li></lijst><tussenkop>TOELICHTING OP HET OVERGANGSRECHT INVOERING SECTORALE VERLOFREGELING
                    CAP</tussenkop><tussenkop><vet>Artikel II (sectoraal overgangsrecht)</vet></tussenkop><al>Bij de harmonisatie van de provinciale verlofregelingen is in het SPA-akkoord
                    2000/2001 een garan-tieregeling afgesproken. Die geldt voor personeel dat vóór 1
                    april 2000 in dienst is en als gevolg van de harmonisatieafspraken er per saldo
                    op achteruit gaat. Ook is geregeld dat ambtenaren die op 31 december 2000
                    ouderschapsverlof genieten eenmalig kunnen kiezen tussen de oude en nieuwe
                    regeling van betaald ouderschapsverlof.</al><tussenkop><vet>Artikel II (sectoraal overgangsrecht)</vet></tussenkop><al>In de CAO provincies 2002/2003 zijn afspraken gemaakt over de salarisinpassing
                    op de datum van invoering van het nieuwe beloningssysteem. Daarvoor gelden de
                    volgende regels:</al><lijst><li nr="-"><al> Inpassing in de nieuwe salarisschaal die bij de functie hoort
                            (functieschaal). Daarbij maakt het niet uit of men voordien in een
                            hogere schaal zat (bijv. uitloopschaal). Indien men in de aanloop-schaal
                            zat is inpassing in de (voorliggende) aanloopschaal alleen mogelijk als
                            men aan de nieu-we criteria voor plaatsing in de aanloopschaal voldoet.
                            Anders komt men direct in de functie-schaal.</al></li><li nr="-"><al> Horizontale inpassing op het salaris waarop bij invoering van het
                            nieuwe systeem op grond van de oude regels aanspraak bestaat. Dus bijv.
                            rekening houden met de periodiek waarop krachtens bestaande regels op de
                            invoeringsdatum aanspraak bestaat zodat geen anciënniteit verloren gaat.
                            Een hogere functiewaardering of indeling in een salarisschaal met een
                            hoger maximum leidt niet tot een hoger salaris.</al></li><li nr="-"><al> Als het salaris waarop op grond van oude regels aanspraak bestaat ligt
                            binnen de bandbreedte van de nieuwe salarisschaal zijn er geen
                            problemen. Er zijn geen vaste salarisbedragen in de nieuwe
                            salarisschalen zodat betrokkene op exact hetzelfde bedrag kan worden
                            ingeschaald.</al></li><li nr="-"><al> In alle gevallen waarin het salarisbedrag waarop op grond van de oude
                            regels op de invoerings-datum aanspraak bestaat, ligt boven het maximum
                            van de nieuwe salarisschaal, wordt betrokke-ne ingepast op het maximum
                            van de nieuwe schaal en ontvangt hij daarbovenop een garantie-toelage
                            ter grootte van het verschil. Voor de toepassing van de regels (bijv.
                            voor de eindejaars-uitkering) wordt de garantietoelage als salaris
                            aangemerkt (en is daarmee onderdeel van het bredere begrip
                            bezoldiging).</al></li><li nr="-"><al> Als het salarisbedrag waarop op grond van de oude regels op de
                            invoeringsdatum aanspraak bestaat, ligt onder het minimum van de nieuwe
                            salarisschaal, wordt betrokkene ingepast op het minimum van de nieuwe
                            schaal. Dat kan spelen ingeval de functiewaardering hoger uitkomt en
                            betrokkene nog onder in de lagere schaal was ingepast. Het kan ook aan
                            de orde zijn als betrok-kene was ingepast op één van de jeugdsalarissen
                            die komen te vervallen.</al></li><li nr="-"><al> Voor hen die nog zitten in de wachttijd van de diensttijduitloop
                            (schalen 1 tot en met 5) geldt het volgende. Men hoeft vanaf de
                            invoeringsdatum nooit langer dan één jaar te wachten op de
                            diensttijduitloop. Als dus van de wachttijd op de invoeringsdatum meer
                            dan één jaar is verstreken, vindt inpassing per die datum direct plaats
                            op het salaris van de diensttijduitloop, als aan de criteria daarvoor is
                            voldaan. Voor zolang die wachttijd van één jaar niet is verstreken,
                            wordt in-gepast op het oude salaris.</al></li></lijst><al>Deze inpassingsregels zijn opgenomen in artikel II, eerste t/m vierde lid.
                    Leidend beginsel is daarbij dat het oude salaris wordt gegarandeerd. Er zijn in
                    de CAO provincies 2002/2003 ook afspraken gemaakt over garanties van
                    perspectieven in de oude salarisschaal en over garanties van perspec-tieven op
                    de uitloop als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze garanties zijn terug
                    te vinden in het vijfde en zesde lid van artikel II. Ter verduidelijking nog het
                    volgende. Als het nieuwe maxi-mumsalaris lager is dan het oude kan het oude
                    maximum volgens de nieuwe regels in stappen van 3% worden bereikt. Dat zou ertoe
                    kunnen leiden dat het oude maximumsalaris later wordt bereikt dan op grond van
                    de oude regeling. In het vijfde lid is daarom geregeld dat het oude maximum bij
                    normaal functioneren nooit later wordt bereikt dan onder de oude regeling. Voor
                    de toepassing van deze garantie wordt het oude maximumsalaris geïndexeerd.</al><al>Er is geen sectoraal overgangsrecht in verband met de in de paragrafen 4, 5 en 6
                    van hoofdstuk C van de CAP geregelde harmonisatie van de toelagen, uitkeringen
                    en vergoedingen. In het SPA is wel overeengekomen dat er in de afzonderlijke
                    provincies met de bonden in het Georganiseerd Overleg afspraken kunnen worden
                    gemaakt over lokaal overgangsrecht in verband met de harmonisatie van de toelage
                    onregelmatige dienst en de afbouw toelage onregelmatige dienst. Verder geldt in
                    verband met de harmonisatie van de toelagen, uitkeringen en vergoedingen nog het
                    volgende:</al><lijst><li nr="-"><al> Bestaande (gunstiger of ongunstiger) individuele afspraken blijven
                            overeind. Dat geldt bijvoor-beeld voor de waarnemingstoelage, de
                            arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie.</al></li><li nr="-"><al> Wat betreft de overwerkvergoeding kan, als de harmonisatie leidt tot
                            kennelijk onredelijke uit-komsten, een beroep worden gedaan op de
                            bestaande hardheidsclausule van artikel A.4 van de CAP.</al></li></lijst><al><vet>Artikel III (lokaal overgangsrecht)</vet></al><al>P.M. Hier een toelichting op het lokaal getroffen overgangsrecht, daaronder
                    begrepen het eventueel overgangsrecht in verband met de harmonisatie van de
                    toelage onregelmatige dienst en de afbouw toelage onregelmatige dienst.</al><al><vet>Artikel IV (inwerkingtreding)</vet></al><al>De wijzigingen in de CAP en het sectoraal overgangsrecht (artikel II) treden in
                    werking op 1 januari 2005, ongeacht of er dan al overeenstemming met de bonden
                    in het Georganiseerd Overleg is be-reikt over het in artikel III te regelen
                    lokaal overgangsrecht. Ook het lokale overgangsrecht treedt op 1 januari 2005 in
                    werking. Hier ligt dus een verplichting voor lokale sociale partners om tijdig
                    afspraken te maken over het lokaal overgangsrecht dat in verband met de
                    harmonisatie nodig is.</al><lijst><li nr="-"><al> ingevoerd op 1 oktober 2000: zie CAO provincies 2000/2001</al></li><li nr="-"><al> 1e wijziging : invoering basisbepaling jaargesprekken (zie brief d.d.
                            17 oktober 2000, IWV 90631/00)</al></li><li nr="-"><al> 2e wijziging : invoering toelichting op basisbepaling jaargesprekken
                            (zie brief d.d. 19 oktober 2000, IWV 90646/00)</al></li><li nr="-"><al> 3e wijziging : harmonisatie verlofregeling (zie brief d.d. 6 november
                            2000, IWV 90682/00)</al></li><li nr="-"><al> 4e wijziging : aanpassing bepaling zwangerschaps- en bevallingsverlof
                            i.v.m. de Wet arbeid en zorg (zie CAO provincies 2002/2003, bijlage 2,
                            deel 7) en invoering basisbepaling procedure melding misstand provincies
                            (zie CAO provincies 2002/2003, bijlage 2, deel 7)</al></li><li nr="-"><al> 5e wijziging : invoering 1%-regeling ziektekosten (zie brief 15 mei
                            2002, IWV 90142/02)</al></li><li nr="-"><al> 6e wijziging : invoering basisbepaling 5 mei, kinderopvang en
                            (individuele) uitbreiding arbeids-duur tot 40 uur per week (zie brief
                            d.d. 10 juni 2002, IWV 90219/02)</al></li><li nr="-"><al> 7e wijziging : aanpassingen i.v.m. de Wet Suwi en de Wet verbetering
                            poortwachter (zie brief d.d. 8 augustus 2002, IWV 90267/02)</al></li><li nr="-"><al> 8e wijziging : aanpassingen i.v.m. de Wet arbeid en zorg (zie brief
                            d.d. 26 september 2002, IWV 90297/02)</al></li><li nr="-"><al> 9e wijziging : aanpassing i.v.m. de nieuwe Vreemdelingenwet en i.v.m.
                            de naamsverandering CFO in CNV Publieke Zaak (zie brief d.d. 18 december
                            2002, IWV 90369/02)</al></li><li nr="-"><al> 10e wijziging : aanpassingen i.v.m. de Wet dualisering provinciebestuur
                            (zie brief d.d. 21 februari 2003, IWV 90049/03)</al></li><li nr="-"><al> 11e wijziging: aanpassing bepaling vakantieopbouw tijdens ziekte en
                            bepaling (individuele) uit-breiding arbeidsduur tot 40 uur per week (zie
                            brief d.d. 10 maart 2003, IWV 90080/03)</al></li><li nr="-"><al> 12e wijziging: invoering regeling opleiding en ontwikkeling (zie brief
                            d.d. 22 mei 2003, IWV 90223/03)</al></li><li nr="-"><al> 13e wijziging: invoering basisbepaling IKAP en redactionele
                            aanpassingen in verband hiermee (zie brief d.d. 26 november 2003, IWV
                            90337/03)</al></li><li nr="-"><al> 14 e wijziging: wijziging artikel A.1 en toelichting CAP i.v.m. de
                            omvorming van het IPO tot een vereniging (zie brief d.d.12 januari 2004,
                            kenmerk IWV 90006/04)</al></li><li nr="-"><al> 15e wijziging: redactionele aanpassing artikelen B.3 en F.8 (zie brief
                            d.d. 5 augustus 2004, IWV 90183/04)</al></li><li nr="-"><al> 16e wijziging: redactionele aanpassing toelichting hoofdstukken D, F en
                            H (zie brief d.d. 6 okto-ber 2004, IWV 90217/04).</al></li><li nr="-"><al> 17e wijziging: invoering hoofdstuk C inzake bezoldiging en redactionele
                            aanpassingen CAP in verband hiermee (zie brief d.d. 13 april 2004, IWV
                            90076/04)</al></li><li nr="-"><al> 18e wijziging: aanpassing basisbepaling IKAP i.v.m. introductie van de
                            vakbondscontributie (zie brief d.d. 3 september 2004, IWV 90353/04)</al></li><li nr="-"><al> 19e wijziging: aanpassing basisbepaling IKAP i.v.m. schrapping PC als
                            doel en wijziging toelich-ting op hoofdstukken D, F en H i.v.m.
                            IKAP-regeling (zie brief d.d. 6 oktober 2004, IWV 90217/04)</al></li><li nr="-"><al> 20e wijziging: aanpassing basisbepaling kinderopvang i.v.m. Wet
                            kinderopvang (zie brief d.d. 10 november 2004, IWV 90233/04)</al></li><li nr="-"><al> 21e wijziging: redactionele aanpassing CAP en toelichting i.v.m. de
                            overgang van IZR naar IZA (zie brief d.d. 9 december 2004, IWV
                            90249/04)</al></li><li nr="-"><al> 22e wijziging: aanpassing bepaling inzake zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof (artikel D.11 van de CAP) aan de Wet arbeid en zorg
                            (zie brief d.d. 25 april 2005, IWV 90085/05)</al></li><li nr="-"><al> 23e wijziging: aanpassing artikel E.9 (zie brief d.d. 09 mei 2005, IWV
                            90093/05)</al></li></lijst><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>