<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR101014_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-05-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad 20 mei 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20veiligheidsregio's/article=3">Wet veiligheidsregio's, art. 3 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-05-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-05-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-05-12</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>-</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Alphen-Chaam;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 19 april 2011;</al><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop
                        (Stb 2010, 145 en 146);</al><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al><onderstreept>besluit:</onderstreept></al><al><vet>vast te stellen de “Brandbeveiligingsverordening 2011”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                            plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al> bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                            of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                            indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                            vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                            verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te
                            houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al> meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al> aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
                            nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al> aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                            lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden
                            verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                            inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden en
                            gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang waarvoor
                            de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een
                            verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen
                            buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                            gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                            vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door
                            het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik
                            bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op
                            vergunningplichtige en niet-vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            paragrafen 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig
                            gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing
                            op vergunningplichtige en</al><al>niet-vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                            onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                            voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of
                            een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede
                            lid, onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is
                            begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college
                            geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                            brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                            bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                            Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder
                            1<sup>o</sup>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Vergunningen die zijn verleend onder werking van een eerdere dan de
                            huidige brandbeveiligingsverordening en die van kracht zijn op het
                            moment van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als
                            vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                            een aanvraag om vergunning op grond van een eerdere
                            brandbeveiligingsverordening is ingediend waarop nog niet is beslist,
                            wordt daarop deze verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                            vergunning krachtens een eerdere brandbeveiligingsverordening wordt
                            beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                            2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 12 mei 2011.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 12 mei 2011.</ondertekening><ondertekening>DE GEMEENTERAAD VAN GEMEENTE ALPHEN-CHAAM</ondertekening><ondertekening>M. Luijben Drs. H.W.S.M. Nuijten</ondertekening><ondertekening>Griffier Voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel><onderstreept>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening
                                2011</onderstreept></titel></kop><al>Algemeen</al><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop
                            in artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                            brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                            bouwwerken. Deze AMvB neemt als het ware de plaats in van de
                            brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8,
                            p. 7). Tot het tijdstip van inwerkingtreding van de AMvB zal op grond
                            van de Wet veiligheidsregio’s in elke gemeente een
                            brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s, het
                            niet beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde AMvB en het ontbreken van
                            relevant overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio’s zal de raad een
                            nieuwe brandbeveiligingsverordening moeten vaststellen.</al><al>De bestaande brandbeveiligingsverordening is namelijk van rechtswege
                            vervallen bij de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.</al><al>De voorliggende regeling is, gezien het tijdelijke karakter (tot de
                            inwerkingtreding van de AMvB) terughoudend van aard.</al><al>Deze regeling is in overeenstemming met de Wet veiligheidsregio’s en de
                            Dienstenrichtlijn. Toegevoegd zijn regels voor de bestuurlijke
                            boete.</al><al>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</al><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij
                            of krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien.
                            Hierop moet bij het stellen van regels nauwlettend worden toegezien.
                            Feitelijk moet de gemeente zich telkens weer afvragen in hoeverre een
                            wettelijk voorschrift al voorziet of mede (indirect) voorziet in de
                            brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s als opdracht aan het
                            college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk voorschrift voor op
                            de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                            brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor
                            brandveiligheidvoorzieningen die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen
                            wettelijke basis voorhanden is. Voordat een gemeente op basis van de
                            brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet er onderzoek
                            plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van toepassing
                            zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de dagelijkse
                            praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaardgevallen waarbij van
                            tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</al><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij
                            regelt de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is
                            geregeld. Dit is weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald
                            onderwerp. Bij het gebruiksvergunningensysteem van de
                            brandbeveiligingsverordening gaat het namelijk om objecten die geen
                            bouwwerk zijn: ‘niet-bouwwerken’.</al><al>Het kan gaan om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend
                            hotel, een drijvende discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is
                            vooraf niet te bepalen.</al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van
                            doel, n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke
                            voorschriften) geen beperking van object. De omschrijving is van
                            toepassing op de gehele omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren
                            duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel
                            objecten lijken echter op bekende bouwwerken.</al><al>Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden gesteld, afhankelijk van de
                            specifieke situatie.</al><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in
                            elk geval het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex
                            de Woningwet van toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk
                            in de bouwverordening en de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het
                            Gebruiksbesluit is een constructie die drijft op het water meestal geen
                            bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een
                            met de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor
                            hetzelfde object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het
                            juridische kader (voor de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een
                            tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een bouwwerk zijn
                            (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een
                            kortdurende periode een</al><al>‘niet-bouwwerk’ is, waarvoor op grond van de
                            brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt
                            hieronder, mede aan de hand van staande jurisprudentie, een
                            toelichting.</al><al>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                            brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag
                            voor voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande
                            bouwwerken en standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik
                            van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten
                            bevinden. De beperking die de Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit
                            in de begrippen bouwwerk, open erf en terrein.</al><al>Bouwwerk</al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG
                            houdt in de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde
                            definitie aan:</al><al>- bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                            ander</al><al>materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect
                            met de grond</al><al>verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                            bedoeld om ter</al><al>plaatse ter functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip
                            bouwwerk</al><al>1) constructie,</al><al>2) van enige omgang,</al><al>3) met de grond verbonden,</al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is
                            niet zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan
                            om tot de conclusie te komen dat een object een bouwwerk is.</al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te
                            geven. Een uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de
                            toelichting op de modelbouwverordening van de ‘Standaardregelingen in de
                            bouw’ (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al>Open erf en terrein</al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de
                            brandbeveiligingsverordening, ook sommige open erven en terreinen vallen
                            niet onder de werking van de verordening. Op grond van artikel 8, tweede
                            lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in de bouwverordening
                            voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen en
                            gebruiken van open erven en terreinen.</al><al>Hiervoor kunnen dus geen eisen worden gesteld op grond van de
                            brandbeveiligingsverordening.</al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit
                            omgevingsrecht (Bor) dat op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Die
                            omschrijving is afgeleid uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september
                            1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5).</al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel
                            als erf kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een
                            bestemmingsplan of beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde
                            verder van het hoofdgebouw af gelegen delen van een perceel niet als erf
                            aangemerkt kunnen worden. Dit zal in beginsel uitsluitend het geval
                            kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke omvang, veelal gelegen
                            buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke percelen geven
                            bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het perceel
                            onderverdeeld in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                            met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden
                            en waar een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte
                            behorende bij het hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                            perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de
                            zin van de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan
                            vier voorwaarden zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat
                            onbebouwd is, 3) dat bij een bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al>Gebruiksvergunning voor een inrichting</al><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel
                            voor die situaties die uit het oogpunt van brandveiligheid meer dan
                            gebruikelijke aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de
                            situaties is niet gekozen voor een meldingsplicht i.p.v.
                            vergunningsplicht, omdat tussen die situaties dan bij voorbaat
                            onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                            brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet
                            worden voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking
                            van de verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of
                            eisen van toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats,
                            voor zover die geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één
                            begrip: inrichting.</al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het
                            niet goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is
                            het aanvragen van een vergunning vormvrij.</al><al>Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen voor de te stellen
                            voorwaarden.</al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld kunnen dezelfde
                            brandveiligheidseisen wordt gesteld als aan een vast met de wal
                            verbonden drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening
                            en de Woningwet).</al><al>Wabo</al><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de
                            reden dat er voor gekozen is de brandbeveiligingsverordening niet aan te
                            haken aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al>Dienstenrichtlijn</al><al>De brandbeveiligingsverordening 2011 is in overeenstemming met de
                            Dienstenrichtlijn.</al><al>Toezicht op de naleving</al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust
                            krachtens artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester
                            en wethouders opgedragen ambtenaren.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst op grond
                            van artikel 65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast
                            met de opsporing van strafbare feiten.</al><al>Bestuurlijke boete</al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid
                            om, indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een
                            bestuurlijke boete wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld
                            krachtens artikel 3, tweede lid (brandbeveiligingsverordening) en derde
                            lid (algemene maatregel van bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de
                            wet. Het maximum bedrag van de boete mag niet hoger zijn dan het bedrag,
                            genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid onder
                            1<sup>o</sup>. Het bedrag dat daar is genoemd, bedroeg in 2009
                            €9.000.</al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving van de
                            uitvoering van deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb
                            rekening hoeft te houden.</al><al>Strafbepaling</al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van
                            artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met
                            hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde
                            categorie. De wetgever heeft hier een sluitende regeling beoogd, zodat
                            er geen ruimte is voor een regeling op dit gebied in de verordening
                            zelf.</al><al>Overgangsrecht</al><al>In het artikel wordt verwezen naar een eerdere
                            brandbeveiligingsverordening, omdat het nodig kan zijn dat er nog
                            vergunningen van kracht kunnen zijn die zijn genomen onder de werking
                            van een eerdere brandbeveiligingsverordening.</al><al>Intrekken regeling</al><al>De brandbeveiligingsverordening vervalt op het moment van
                            inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s van rechtswege door
                            ontbreken van de rechtsgrond: de Brandweerwet 1985.</al><al>De intrekking moet worden bekendgemaakt volgens de in artikel 144
                            Gemeentewet genoemde wijze.</al><al>Bekendmaking</al><al>De bekendmaking dient als volgt te geschieden:</al><al>a. door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te
                            geven gemeenteblad;</al><al>b. bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd
                            van twaalf weken op het gemeentekantoor of op een andere door het
                            college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een
                            plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, of via de
                            wijze van elektronische bekendmaking.</al><al>Intrekken vergunning</al><al>De brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in
                            te trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente
                            onnodig beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast.
                            De aard van de verordening brengt met zich mee dat van te voren niet
                            duidelijk is welke gronden voldoende zullen zijn. Bij een verordening
                            die geen intrekkinggrond kent is er sprake van een geïmpliceerde
                            bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te geven brengt ook de
                            bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen mits daarvoor
                            valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                            bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>