<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR100981_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Kontakt, 10 oktober 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Veiligheidsregio's, artikel 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-05-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting; een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin: </al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan
                                        10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen
                                        dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                                inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van inzichten of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de gebruiksvergunning.</al></li><li nr="4."><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de artikelen
                        1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van het
                        Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van overeenkomstige toepassing
                        op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de afdelingen
                        6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn, met
                        uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van overeenkomstige
                        toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                        inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van
                        het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) en dat met brandbare gewassen
                        is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college
                        geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                        brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                        bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                        Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder 1 °.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                                Brandbeveiligingsverordening van 26 april 2011 en die van kracht
                                zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden
                                aangemerkt als vergunning krachtens deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de
                                Brandbeveiligingsverordening van 26 april 2011 is ingediend waarop
                                nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.</al></li><li nr="3."><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                                vergunning krachtens de Brandbeveiligingsverordening van 26 april
                                2011 wordt beslist met toepassing van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                        2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld op 26 april 2011 wordt
                        ingetrokken op het moment van inwerkingtreding van deze verordening. </al><al/></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop kopopmaak="vet"><label>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2012</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop in
                        artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                        brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                        bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                        brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8,
                        p.7). Naar verwachting treedt deze amvb pas op zijn vroegst medio 2012 in
                        werking. Tot die tijd moet op grond van de Wet veiligheidsregio's in elke
                        gemeente een brandbeveiligingsverordening van kracht zijn.</al><al/><al>Als een gemeente na het in werking treden van de Wet veiligheidsregio’s (op
                        1 oktober 2010) nog geen nieuwe brandbeveiligingsverordening heeft
                        vastgesteld is zij verplicht dit alsnog te doen. De op de Brandweerwet 1985
                        gebaseerde brandbeveiligingsverordening is namelijk van rechtswege bij de
                        inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's vervallen.</al><al>De voorliggende modelregeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                        inwerkingtreding van de amvb) terughoudend van aard.</al><al>De regeling is aangepast aan de Wet veiligheidsregio's en de
                        Dienstenrichtlijn. De verordening bevat tevens regels voor de bestuurlijke
                        boete.</al><al/><al><vet>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                        krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet
                        bij het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de
                        gemeente zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al
                        voorziet of mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet
                        veiligheidsregio's als opdracht aan het college is gegeven. In zo'n geval
                        gaat dat wettelijk voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met
                        andere woorden: de brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor
                        brandveiligheidvoorzieningen die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen
                        wettelijke basis voorhanden is. Voordat een gemeente op basis van de
                        brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet er onderzoek
                        plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van toepassing
                        zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de dagelijkse
                        praktijk is er natuurlijk een aantal standaardgevallen waarbij van tevoren
                        duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><al><vet>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, restregelgeving, zij regelt
                        de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit
                        is weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                        gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                        namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn: 'niet-bouwwerken'.</al><al>Het kan gaan om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel,
                        een drijvende discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf
                        niet te bepalen.</al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking van
                        doel, n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke
                        voorschriften) geen beperking van object.</al><al>De omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren
                        duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel
                        objecten lijken echter op bekende bouwwerken.</al><al>Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden gesteld, afhankelijk van de
                        specifieke situatie.</al><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor zijn in elk
                        geval het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening ex de Woningwet van
                        toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening
                        en de toepassing ervan in het Bouwbesluit 2012 is een constructie die drijft
                        op het water meestal geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide
                        regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is de Woningwet het
                        juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is de
                        brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de brandveiligheid).
                        Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een
                        bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een
                        kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de
                        brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder,
                        mede aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting.</al><al/><al><vet>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</vet></al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                        brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                        voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                        standplaatsen en het gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook
                        het gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten
                        bevinden. De beperking die de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 opleggen,
                        als hogere regelingen, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                        terrein.</al><al/><al><vet>Bouwwerk</vet></al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt
                        in de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie
                        aan:</al><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                        materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met
                        de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
                        grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip
                        bouwwerk</al><lijst><li nr="1."><al>constructie,</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>van enige omvang,</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>met de grond verbonden,</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>bedoeld om ter plaatse te functioneren</al></li></lijst><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                        zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot
                        de conclusie te komen dat een object een bouwwerk is.</al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven.
                        Een uitgebreide opsomming van jurisprudentie staat in de toelichting op de
                        modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers
                        bv, Den Haag).</al><al/><al><vet>Open erf en terrein</vet></al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening,
                        ook sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de
                        verordening. Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin. Hiervoor kunnen dus geen
                        eisen worden gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening.</al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                        (Bor) dat op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is
                        afgeleid uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB
                        1998, 5).</al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als
                        erf kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan
                        of beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het
                        hoofdgebouw afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen
                        worden. Dit zal in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen
                        van een aanzienlijke omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij
                        dergelijke omvangrijke percelen geven bestemmingsplannen of
                        beheersverordeningen soms regels die het perceel onderverdeelt in een
                        bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw met bijbehorende aan- en
                        uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar een verdere
                        inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                        hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                        perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin
                        van de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier
                        voorwaarden zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is,
                        3) dat bij een bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al/><al><vet>Gebruiksvergunning voor een inrichting</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor
                        die situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                        aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet
                        gekozen voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningplicht, omdat tussen die
                        situaties dan bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan
                        in de brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet
                        worden voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van
                        de verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen
                        van toepassing zijn, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor
                        zover die geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip:
                        inrichting.</al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het
                        niet goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het
                        aanvragen van een vergunning vormvrij.</al><al>Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden.</al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld (niet-bouwwerk)
                        kunt u dezelfde brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal
                        verbonden drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en
                        de Woningwet).</al><al/><al><vet>Wabo</vet></al><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden
                        dat er voor gekozen is de modelbrandbeveiligingsverordening niet aan te
                        haken aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><vet>Dienstenrichtlijn</vet></al><al>De modelbrandbeveiligingsverordening is aangepast aan de
                        Dienstenrichtiijn.</al><al/><al><vet>Toezicht op de naleving</vet></al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust
                        krachtens artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en
                        wethouders opgedragen ambtenaren.</al><al>De minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van artikel 65 van de
                        Wet veiligheidsregio's de ambtenaren aan belast met de opsporing van
                        strafbare feiten.</al><al/><al><vet>Bestuurlijke boete</vet></al><al>De Wet veiligheidsregio's geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                        indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke
                        boete wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel
                        3, tweede lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene
                        maatregel van bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum
                        bedrag van de boete mag niet hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de
                        Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid onder 1 °. Het bedrag dat
                        daar is genoemd, bedraagt in 2011 € 9.000.</al><al>De Wet veiligheidsregio's geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering
                        van deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te
                        houden.</al><al>Een alternatief artikel is aan het model van de verordening toegevoegd.</al><al/><al><vet>Strafbepaling</vet></al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                        eerste lid van de Wet veiligheidsregio's gestraft met hechtenis van ten
                        hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier
                        een sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op
                        dit gebied in de verordening zelf.</al><al/><al><vet>Overgangsrecht</vet></al><al>In het artikel is twee keer de brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat
                        het nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de
                        brandbeveiligingsverordening van voor 2008 en die van 2010 nog van kracht
                        moeten zijn.</al><al/><al><vet>Intrekken, vervallen regeling</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening die nog gebaseerd is op de Brandweerwet
                        1985, is van rechtswege vervallen op het moment van inwerkingtreding van de
                        Wet veiligheidsregio's (1 oktober 2010).</al><al>De intrekking moet worden bekendgemaakt op de in artikel 144 Gemeentewet
                        genoemde wijze.</al><al/><al><vet>Bekendmaking</vet></al><al>De bekendmaking van deze wijzigingsverordening dient op een zodanig tijdstip
                        plaats te vinden dat de verordening op het moment van inwerkingtreding van
                        het Bouwbesluit 2012 in werking kan treden. Dit kan:</al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te
                                geven gemeenteblad;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd
                                van twaalf weken op de gemeentesecretarie of op een andere door het
                                college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in
                                een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.
                                Voor de wijze van elektronische bekendmaking zie:
                                http://www.vng.nl/smartsite.dws?id=68223&amp;it=2#tocBK_37 </al></li></lijst><al/><al><vet>I</vet><vet>ntrekken vergunning</vet></al><al>De modelbrandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in
                        te trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingsbepaling de gemeente
                        onnodig beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De
                        aard van de verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk
                        is welke gronden voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen
                        intrekkingsgrond kent is er sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de
                        bevoegdheid om de beschikking te geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze
                        weer in te trekken of te wijzigen mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit
                        hangt af van de omstandigheden. Denk bijvoorbeeld aan onjuistheid van de
                        beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>