<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR100768_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re- integratieverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Deurne</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Deurne</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad voor Deurne, 21-4-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re- integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ Deurne 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147 eerste lid,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikelen 7,8,10 tweede lid en 10a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAW, artikelen 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAZ artikelen 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">EG- verordening nr. 800/2008 en de EG- Verordening 1998/2006</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-02-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-04-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-07-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2011, nr. 014b</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>sociale voorziening en maatschappelijke dienstverlening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>n.v.t.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re- integratieverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad der gemeente Deurne</vet></al><al>Gehoord de stuurgroep Werkplein d.d. 20-1-2011;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 februari 2011,
                        nr. 14;</al><al>gehoord de commissie Samenleving d.d. 2 maart 2011; </al><al>gelet op de adviezen van de Ondernemingsraad en de Cliëntenraad; </al><al>Gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet; de artikelen 7, 8,
                        10, tweede lid, en 10a van de Wet werk en bijstand (WWB); de artikelen
                        34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werknemers (IOAW); de artikelen 34, 35 en 36 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen werknemers (IOAZ)</al><al>Gelet op de EG-verordening nr. 800/2008 van 6 augustus 2008 en de
                        EG-verordening 1998/2006 van 15 december 2006 betreffende de toepassing
                        van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun.</al><al>BESLUIT</al><al>Vast te stellen de navolgende <vet>Re-integratieverordening Wet werk en
                        bijstand.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>1. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>Raad: de gemeenteraad van Deurne</al></li><li nr="c."><al>College: het college van Burgemeester en Wethouders van
                                    Deurne;</al></li><li nr="d."><al>Uitkeringsgerechtigden:personen met een uitkering ingevolge de
                                    Wet Werk en Bijstand (WWB), de IOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>Anw-ers: personen met een nabestaanden- of halfwezen-</al></li></lijst><al> uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet die ingeschreven
                            zijn bij het UWV WERKbedrijf;</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="f."><al>Nuggers: niet-uitkeringsgerechtigden als bedoeld in
                                            artikel 6, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="g."><al>Doelgroep: personen, die hun woonplaats hebben in
                                            Deurne, en aan wie op grond van artikel 7, eerste lid,
                                            onderdeel a, van de wet, of op grond van artikel 34 van
                                            de IOAW, of op grond van artikel 34 van de IOAZ, door
                                            het college ondersteuning kan worden geboden;</al></li><li nr="h."><al>Voorliggende </al><al> voorziening: elke voorziening buiten de wet waarop de
                                            belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel
                                            een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter
                                            bekostiging van specifieke uitgaven;</al></li><li nr="i."><al>Voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 7,
                                            eerste lid, onderdeel a van de wet, waaronder begrepen
                                            wordt elke vorm van ondersteuning die het college voor
                                            een belanghebbende in kan zetten ten behoeve van de
                                            arbeidsinpassing van de onder zijn verantwoordelijkheid
                                            vallende doelgroep;</al></li><li nr="j."><al>Ondersteuning: ondersteuning bedoeld in artikel 7,
                                            eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="k."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werknemers;</al></li><li nr="l."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk</al><al> arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="m."><al>WW: Werkloosheidswet;</al></li><li nr="n."><al>Wia: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;</al></li><li nr="o."><al>Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
                                            jonggehandicapten;</al></li><li nr="p."><al>UWV: Uitvoerder van de WW, WAO, WIA, Ziektewet,
                                            Wajong</al><al> en Waz;</al></li><li nr="q."><al>Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                            besluit is </al><al> betrokken;</al></li><li nr="r."><al>Werknemers in</al><al> gesubsidieerde arbeid: personen als bedoeld in artikel
                                            10, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="s."><al>Subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door
                                            een</al><al> bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde</al><al> activiteiten van de aanvrager anders dan als betaling
                                            voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of
                                            diensten;</al></li><li nr="t."><al>Premie: financiële beloning ter bevordering van
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="u."><al>Bijstandsnorm: de norm bedoeld in artikel 5 onderdeel c
                                            van de wet;</al></li><li nr="v."><al>Algemeen </al><al> geaccepteerde arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid van de WWB.</al></li><li nr="w."><al>Startkwalificatie: een diploma van een opleiding als
                                            bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot
                                            en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een
                                            diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of
                                            voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in
                                            artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="x."><al>Participatieplaats: betreffen tijdelijke, onbeloonde en
                                            additionele werkzaamheden in de zin van artikel 10a van
                                            de wet die met behoud van uitkering kunnen worden
                                            verricht door bijstandsgerechtigden die vooralsnog niet
                                            bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht
                                    (Awb).</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingevolge artikel 7 van de WWB biedt het college ondersteuning aan
                                leden van de doelgroep en zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod
                                van voorzieningen. Het college houdt daarbij rekening met de aard en
                                de omvang van de verschillende binnen de doelgroep te onderscheiden
                                groepen en de voorzieningen die het geschiktst zijn voor de leden
                                van die groepen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen
                                prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden dan
                                wel de maatschappelijke, economische of conjuncturele
                                ontwikkelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de verschillende vormen van
                                ondersteuning nadere regels stellen. Deze regels hebben in ieder
                                geval betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>aan wie, onder welke voorwaarden, welke vorm van
                                        ondersteuning kan worden aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden; en</al></li><li nr="c."><al>de intrekkingsgronden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarnaast kunnen de nadere regels als bedoeld in het eerste lid ook
                                zien op:</al><lijst><li nr="a."><al>de verstrekking van subsidies;</al></li><li nr="b."><al>subsidie- dan wel budgetplafonds;</al></li><li nr="c."><al>het aantal personen dat in aanmerking komt voor een
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of –
                                        vaststelling;</al></li><li nr="e."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en
                                        premies;</al></li><li nr="f."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="g."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li><li nr="h."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanspraken van de doelgroep</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Leden van de doelgroep hebben aanspraak op ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ondersteuning kan bestaan uit:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ondersteuning bij de verwerving van arbeid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ondersteuning bij het behoud van arbeid; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een voorziening als bedoeld in artikel 5 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon binnen de doelgroep een voorziening
                                aanbieden. Een voorziening wordt slechts aangeboden voor zover het
                                college deze noodzakelijk acht voor de arbeidsinschakeling van de
                                desbetreffende persoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>ondersteuning bij het verwerven en behouden van arbeid;</al></li><li nr="b."><al>ondersteuning bij het verbeteren of behouden van de positie
                                        op de arbeidsmarkt of binnen de maatschappij;</al></li><li nr="c."><al>ondersteuning bij het wegnemen van belemmeringen voor de
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>ondersteuning bij de verwerving van een dienstverband als
                                        bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet sociale
                                        werkvoorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het tweede lid kan een voorziening tevens zien op:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzakelijke kosten samenhangende met de deelname aan
                                        een voorziening;</al></li><li nr="b."><al>de kosten ter bepaling van de noodzakelijkheid en inhoud van
                                        een voorziening; en</al></li><li nr="c."><al>de noodzakelijke kosten in verband met loonvormende
                                        arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                persoon bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, e en f een
                                arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling dan wel
                                participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de duur van de
                                subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de subsidies bedoeld in dit artikel is de Algemene
                                subsidieverordening Deurne niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitbreiding doelgroep</titel></kop><al>In afwijking van artikel 4, eerste lid kan het college de aanspraak op
                            bepaalde vormen van ondersteuning ook openstellen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>personen die in de gemeente Deurne hun woonplaats hebben en aan
                                    wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een
                                    uitkering verstrekt; en</al></li><li nr="b."><al>uitkeringsgerechtigden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van
                                    de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die
                                    staan ingeschreven op een door het college aangewezen
                                    postadres.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verplichtingen van de doelgroep en premies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een uitkeringsgerechtigde is verplicht van de hem aangeboden vorm
                                van ondersteuning gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke persoon die deelneemt aan een voorziening is daarnaast gehouden
                                aan de verplichtingen die voortvloeien uit de WWB, de IOAW, de IOAZ
                                en de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen en deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op de in het tweede lid genoemde
                                verplichtingen, voor een deelnemend persoon extra verplichtingen aan
                                een voorziening verbinden. Deze persoon is dan ook aan deze
                                verplichtingen gehouden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                                niet voldoet aan de in het tweede en derde lid genoemde
                                verplichtingen, kan het college de uitkering verlagen conform
                                hetgeen hierover is bepaald in de verordening op basis van artikel
                                8, eerste lid, onder b van de Wet werk en bijstand dan wel het
                                Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan de in het tweede
                                en derde lid genoemde verplichtingen, kan het college de kosten van
                                de ondersteuning of voorziening geheel of gedeeltelijk van hem
                                terugvorderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Premie participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan degene die algemene bijstand ontvangt en
                                onbeloonde additionele werkzaamheden verricht conform artikel 10a,
                                zesde lid, van de wet een premie van telkens € 365,00 per zes
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de premie is afhankelijk van het gemiddeld aantal
                                gewerkte uren per week in de voorafgaande zes maanden en
                                bedraagt</al><lijst><li nr="a."><al>bij een gemiddelde uren inzet tot 16 uur per week 50% van
                                        het in het eerste lid genoemde bedrag;</al></li><li nr="b."><al>bij een gemiddelde uren inzet vanaf 16 uur per week 100% van
                                        het in het eerste lid genoemde bedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de
                                belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verbonden verplichtingen in de voorgaande zes maanden heeft
                                geschonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het eerste lid komen ook personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, van de wet voor een premie in aanmerking
                                indien zij verder aan alle voorwaarden voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Scholing of opleiding participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover de persoon als bedoeld in artikel 9 niet beschikt over
                                een startkwalificatie wordt zes maanden na aanvang van de onbeloonde
                                additionele werkzaamheden door het college bekeken in hoeverre
                                scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij deze beoordeling</al><lijst><li nr="a."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende
                                        de werkzaamheden uitvoert; en</al></li><li nr="b."><al>de scholingswens van de belanghebbende.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vrijlating van inkomsten en premies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de WWB en
                                die arbeid in deeltijd aanvaardt waarmee een inkomen wordt verworven
                                dat minder bedraagt dan de voor hem van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm, kan vrijlating van inkomsten uit arbeid plaatsvinden
                                conform artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan personen die een uitkering hebben ontvangen op
                                grond van de WWB, IOAW, IOAZ, WW, Wia of Wajong een premie toekennen
                                bij uitstroom door werkaanvaarding of door het starten in een
                                zelfstandig bedrijf of beroep. Ook kan een premie verstrekt worden
                                aan de uitkeringsgerechtigde die blijvend aangewezen is op
                                deeltijdwerk of aan de uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouder die
                                werkzaam is in een deeltijd dienstbetrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie als bedoeld in het tweede lid bedraagt maximaal het bedrag
                                als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aan een werkgever, die personen - die behoren tot de
                                doelgroep - duurzaam tewerkstelt, een premie verstrekken. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ter uitvoering van het bepaalde in
                                dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Cumulatie van premie en vrijlating van inkomsten</titel></kop><al>De uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouder met kinderen beneden 12
                            jaar die werkzaam is in een deeltijd dienstbetrekking, heeft niet
                            tegelijkertijd recht op een inkomstenvrijlating op grond van artikel 11,
                            eerste lid, en een premie zoals omschreven in artikel 11, tweede lid,
                            met uitzondering van de eenmalige premie bij uitstroom door
                            werkaanvaarding.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                            bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan leidt tot
                            onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Situaties waarin deze verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: re-integratieverordening
                            WWB, IOAW en IOAZ Deurne 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na
                                    bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De Re-integratieverordening Wet Werk en Bijstand 2004 en de
                                    hierop gebaseerde uitvoeringsregels Re-integratie Wet werk en
                                    bijstand vervallen op het moment van inwerking van deze
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 5 april 2011.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label> Toelichting</label></kop><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De op 1 januari 2004 in werking getreden Wet Werk en Bijstand (WWB)
                            regelt in artikel 7 dat het college verantwoordelijk is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het ondersteunen van personen die algemene bijstand ontvangen,
                                    personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond
                                    van de Algemene nabestaandenwet (ANW’ers) en
                                    niet-uitkeringsgerechtigden (NUG’ers) bij
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het bepalen en aanbieden van voorzieningen, waaronder begrepen
                                    sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, indien het
                                    college deze daarbij noodzakelijk acht.</al></li></lijst><al/><al>In artikel 8 van de Wet werk en bijstand wordt aan de gemeenteraad de
                            opdracht gegeven om bij verordening regels te stellen met betrekking tot
                            het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
                            voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al><al/><al>Daarbij moet er sprake zijn van een evenwichtige aandacht voor de
                            hierboven genoemde groepen en voor verschillende doelgroepen daarbinnen.
                            Vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 34 en 35 van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). </al><al/><al>Deze verordening is een uitvloeisel van de hierboven genoemde opdracht
                            aan de gemeenteraad. </al><al/><al>Volgens de Wet werk en bijstand krijgt het college van burgemeester en
                            wethouders de opdracht voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden,
                            niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers zorg te dragen. </al><al/><al>Gekozen is voor een verordening waarin alleen wordt vastgelegd op welke
                            wijze in de gemeente het beleid bepaald wordt en hoe de verhouding
                            tussen raad en college is. Er zijn enkele algemene artikelen opgenomen
                            over de opdracht aan het college, de aanspraak op voorzieningen,
                            subsidie- en budgetplafonds, de inzet van voorzieningen en de rechten en
                            plichten van de cliënt e.d.. Al het overige wordt vastgelegd in Nadere
                            regels en in beleidsregels.</al><al/><al>In hoofdstuk 1 “Algemene bepalingen”, worden de begripsomschrijvingen
                            gegeven wat in deze verordening onder de betreffende begrippen moet
                            worden verstaan. In hoofdstuk 2 “Beleid en financiën” wordt de opdracht
                            aan het college beschreven om in Nadere regels vast te leggen op welke
                            wijze de zorg voor ondersteuning en voorzieningen aan leden van de
                            doelgroep wordt geregeld. In hoofdstuk 3 “Aanspraken van de doelgroep”
                            zijn de aanspraken op ondersteuning en voorzieningen opgenomen, alsmede
                            de mogelijkheden om de doelgroep uit te breiden met adreslozen en
                            personen die een uitkering ontvangen via het UWV. In hoofdstuk 4
                            “Verplichtingen van de doelgroep en premies” zijn de verplichtingen die
                            op de leden van doelgroep rusten opgenomen en is de mogelijkheid
                            gecreëerd om werkgevers te stimuleren een persoon uit de doelgroep
                            duurzaam in dienst te nemen met een premie. Tevens is in dit hoofdstuk
                            een bepaling opgenomen in verband met de invoering van de Wet
                            stimulering arbeidsparticipatie (Stap) per 1 april 2009. Deze wet geeft
                            regels over het inzetten van een participatieplaats (additionele,
                            onbeloonde werkzaamheden voor langer dan zes maanden). Gemeenten zijn
                            daarbij verplicht het aanbieden van scholing en het verstrekken van een
                            premie in een verordening te regelen.</al><divisie><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In lid 1 wordt bij het beschrijven van de begrippen die in de
                            verordening voorkomen zoveel als mogelijk aangesloten bij de
                            begripsbepalingen uit de Wet Werk en Bijstand (WWB). Daar waar mogelijk
                            wordt naar de betreffende artikelen in de WWB verwezen.</al><al>Lid 2 bepaalt dat de begripsomschrijvingen van de WWB van toepassing
                            zijn als deze niet in de begripsomschrijvingen in de verordening zijn
                            opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Opdracht college</titel></kop><al>Artikel 2, lid 1.</al><al>De WWB geeft aan het college de verantwoordelijkheid voor het bieden van
                            ondersteuning en een voldoende gevarieerd aanbod van voorzieningen aan
                            de doelgroep. De leden van de doelgroep moeten in Deurne woonachtig
                            zijn. Hoewel leden van de doelgroep aanspraak kunnen maken op
                            ondersteuning is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier
                            zoals belanghebbende het zich bij voorkeur zou wensen.</al><al>Artikel 2, lid 2.</al><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen
                            prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en met
                            maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– Nadere regels</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de algemene bevoegdheid om voor
                            voorzieningen nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om
                            bij subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college
                            over te laten.</al><al>De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage heeft betrekking op
                            de doelgroep nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend
                            dat zij op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen
                            bijdrage, eventueel gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, kan dan
                            op zijn plaats zijn. Dit is ook met zoveel woorden terug te vinden in de
                            Nota naar aanleiding van het verslag van de WWB.</al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling
                            maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in de
                            Nadere regels gebeuren. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                            subsidies inhouden. Het tweede lid onder c creëert daarom tevens de
                            mogelijkheid om een plafond in te stellen voor het aantal personen dat
                            in aanmerking kan komen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het
                            maximeren van het aantal re-integratie- en participatiebanen. Een
                            subsidieplafond dient wel bekend gemaakt te worden vóór de periode
                            waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb). </al><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen geen reden kan
                            zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te
                            gaan welke alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er
                            geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per
                            voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open
                            dat er op een ander vlak aan de aanvrager wel ondersteuning kan worden
                            geboden.</al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om
                            plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van
                            de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het uitvoeringsplan
                            of in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden
                            gereserveerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>Artikel 4, lid 1. </al><al>De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                            verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf
                            geregeld. Uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen
                            een algemene bepaling over de aanspraak op te nemen in het eerste
                            lid.</al><al>Artikel 4, lid 2.</al><al>In het tweede wordt de reikwijdte van de ondersteuning aangegeven. Deze
                            kan zowel preventief (behoud van arbeid) als curatief (verwerven van
                            arbeid) van aard zijn. Dit houdt in dat het college ook ondersteuning
                            kan inzetten om (terug)val in de bijstand te voorkomen. </al><al>Ondersteuning wordt geboden door het aanbieden van een traject, waarbij
                            zo nodig voorzieningen worden ingezet of door het bieden van praktische
                            hulp, advies of doorverwijzing naar andere instanties.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Voorzieningen</titel></kop><al>Artikel 5, lid 2.</al><al>In het tweede lid wordt wederom de reikwijdte van het palet aan
                            voorzieningen aangegeven. </al><al><cursief>Onderdeel a.</cursief> spreekt zowel over het verwerven als
                            behouden van arbeid, waarmee wordt aangegeven dat ook voorzieningen
                            kunnen worden ingezet in de preventieve sfeer.</al><al><cursief>Onderdeel b.</cursief> spreekt over voorzieningen ter
                            verbetering of behouden van de positie op de arbeidsmarkt of binnen de
                            maatschappij. Gedacht kan dan onder meer worden aan leerwerktrajecten en
                            scholingen, maar ook aan een resocialisatie traject, wanneer een sociaal
                            isolement dreigt.</al><al><cursief>Onderdeel c.</cursief> meldt voorzieningen om belemmeringen weg
                            te nemen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een
                            schuldhulpverleningstraject, voor zover is vastgesteld dat de schulden
                            een belemmering binnen de verdere arbeidintegratie van betrokkene
                            vormen. <cursief>Onderdeel d.</cursief> beidt de mogelijkheid om
                            wachtlijsttrajecten voor Wsw-geïndiceerden die tot de doelgroep behoren
                            vorm te geven.</al><al>Artikel 5, lid 3.</al><al>Tenslotte wordt in het derde lid het palet aan voorzieningen nog
                            uitgebreid met voorzieningen die bepaalde met de arbeidsinschakeling
                            noodzakelijk verbandhoudende kosten kunnen dekken. </al><al><cursief>Onderdeel a.</cursief> ziet daarbij vooral op de kosten die de
                            betrokkene moet maken om deel te kunnen nemen aan de voorziening. Denk
                            daarbij aan reiskosten, kosten voor kinderopvang of zelfs - indien
                            noodzakelijk – verhuiskosten.</al><al><cursief>Onderdeel b.</cursief> ziet op de kosten die noodzakelijkerwijs
                            moeten worden gemaakt om de aard en omvang van de eventueel in te zetten
                            voorziening te bepalen. Denk hierbij onder meer aan een assessment.</al><al><cursief>Onderdeel c.</cursief> ziet tenslotte op kosten in verband met
                            de loonvormende arbeid. Gedacht moet dan worden aan de werkgeverskosten
                            die rechtstreeks verband hebben met de arbeidsinschakeling activiteiten
                            van een persoon uit de doelgroep. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Loonkostensubsidies</titel></kop><al>Voor het verstrekken van subsidies is een wettelijke basis in een
                            verordening vereist. Dit artikel biedt hiervoor de basis.</al><al>Doel van subsidiering van arbeidsplaatsen is om uitkeringsgerechtigden
                            die door de grotere afstand van de arbeidsmarkt minder productief zijn,
                            of waarvoor werkgevers door een gebrek aan werkervaring huiverig zijn
                            deze in dienst te nemen vanwege de extra financiële risico’s die daaraan
                            verbonden zijn, sneller en makkelijker aan werk te helpen. Door deze
                            subsidiering worden die financiële risico’s tijdelijk gecompenseerd.
                            Uitgangspunt is dat belanghebbende gedurende de periode dat de
                            loonkostensubsidie wordt verstrekt, aanvullende vaardigheden en
                            werkervaring kan opdoen, zodat de afstand tot de arbeidsmarkt aan het
                            einde van de subsidieperiode is verdwenen.</al><al>In de WWB zijn t.a.v. gesubsidieerde arbeid verder geen specifieke eisen
                            opgenomen. Ondanks het vervallen van de landelijke regelgeving op dit
                            punt blijft de Europese regelgeving gelden. Op grond van de
                            EU-regelgeving worden overheidssubsidies onder bepaalde omstandigheden
                            aangemerkt als staatssteun. In de in de aanhef van de verordening
                            aangehaalde Europese regelgeving is ondermeer aangegeven in welke
                            situaties loonkostensubsidie buiten de Europese regelgeving vallen. Dit
                            is vooral bedoeld om de administratieve last te beperken. Door deze
                            Europese regelgeving in de verordening op deze wijze te incorporeren en
                            te voldoen aan de daarin gestelde voorwaarden en in de verordening
                            expliciet naar deze regelgeving te verwijzen, hoeft de subsidieregeling
                            niet ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de Europese Commissie en
                            hoeft er geen samenvatting van de regeling aan de Commissie te worden
                            toegestuurd. De in het eerste lid van dit artikel genoemde subsidie is
                            in overeenstemming met deze regelgeving en wordt derhalve niet
                            aangemerkt als staatssteun.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Uitbreiding doelgroep</titel></kop><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om de doelgroep voor een aantal
                            specifiek te benoemen voorzieningen uit te breiden met:</al><lijst><li nr="a."><al>personen die een uitkering ontvangen van het UWV; en</al></li><li nr="b."><al>adreslozen.</al></li></lijst><al>Voor de groep onder a. biedt artikel 7, derde lid van de WWB het college
                            de mogelijkheid afspraken te maken met het UWV. Effectuering van die
                            afspraken verlangt echter wel uitbreiding van de doelgroep. Voor de
                            groep onder b. heeft de gemeente wettelijk gezien een re-integratietaak,
                            omdat de doelgroep van de verordening echter op dit moment is omschreven
                            als personen die hun woonplaats hebben in Deurne is een specifieke
                            uitbreiding met adreslozen wel noodzakelijk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Verplichtingen</titel></kop><al>Voor nuggers, Anw-ers en personen in gesubsidieerde arbeid kan de
                            gemeente de uitkering niet verlagen als maatregel. Daarom is in het
                            vijfde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de gemeente
                            (een deel van) de kosten bij de betrokken persoon in rekening kan
                            brengen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Premie participatieplaats / Artikel 10 - Scholing of opleiding
                                participatieplaats</titel></kop><al>Artikel 8, eerste lid, onderdelen e en f, van de WWB verlangt van de
                            gemeenteraad dat zij regels stelt met betrekking tot de hoogte van de
                            premie, alsmede de eventuele inzet van scholing of opleiding, zo sprake
                            is van een persoon die algemene bijstand ontvangt en die in het kader
                            van een door het college aangeboden voorziening onbeloonde additionele
                            arbeid verricht. Daarbij vraagt artikel 8, tweede lid van de WWB
                            specifiek om regels te stellen met betrekking tot de hoogte van de
                            premie in relatie tot de armoedeval. Daarnaast geeft de Memorie van
                            Toelichting aan dat deze regels tevens kunnen zien op de hoogte van de
                            premie in relatie tot de inspanningen van de betrokkene.</al><al>Bij de vaststelling van de hoogte van de premie moet overwogen worden
                            dat de premie van dien aard moet zijn dat deze geen risico vormt met
                            betrekking tot de armoedeval. Bij de parlementaire behandeling heeft de
                            staatssecretaris SZW in dezen een bedrag genoemd van € 600,00 per jaar
                            (Tweede Kamer, Handelingen 2008 – 2009, 31577, nr.21, p. 1700).</al><al>De premie is in dit artikel vastgesteld op een bedrag van € 365,00 per 6
                            maanden, zijnde een premie ter hoogte van de helft van het maximum
                            bedrag op jaarbasis zoals genoemd in artikel 7 onderdeel h van de
                            Regeling WWB, de zgn. lage vrijwilligersvergoeding, zoals deze gold tot
                            1 januari 2006.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>– Vrijlating inkomsten en premies</titel></kop><al>Met betrekking tot de inkomstenvrijlating wordt in dit artikel geregeld
                            dat hiervoor gebruik gemaakt kan worden van de mogelijkheid als bedoeld
                            in artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de wet.</al><al>Voor het verstrekken van premies is een wettelijke basis in een
                            verordening vereist. Dit artikel biedt hiervoor de basis.</al><al>Dit artikel biedt de ruimte om in de Nadere regels vast te leggen in
                            welke situaties premies verstrekt kunnen worden. </al><al>Met dit artikel wordt gebruik gemaakt van de in de wet (artikel 31,
                            tweede lid, onderdeel j) bepaalde mogelijkheid om een premie te
                            verstrekken. De premie is onbelast en telt dus ook niet mee bij de
                            toepassing van inkomensafhankelijke regelingen. Dit is alleen het geval
                            als in datzelfde jaar geen onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk is
                            verstrekt.</al><al>Tevens is in dit artikel de mogelijkheid opgenomen om aan werkgevers een
                            premie te verstrekken.</al><al>Voor al deze voorzieningen geldt dat nadere uitwerking (zoals bijv.
                            voorwaarden e.d.) plaatsvindt in de Nadere regels.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>– Cumulatie van premie en vrijlating van inkomsten</titel></kop><al>Voor de doelgroep alleenstaande ouders met kinderen beneden 12 jaar
                            wordt een cumulatie van premie (met uitzondering van de eenmalige
                            uitstroompremie) en vrijlating van inkomsten niet wenselijk geacht omdat
                            voor deze doelgroep naast deze financiële voordelen ook op
                            belastinggebied stimuleringsvoorzieningen bestaan zoals
                            heffingskortingen. Door een cumulatie van deze voordelen wordt duurzame
                            uitstroom bemoeilijkt omdat er sprake kan zijn van armoedeval. Hierdoor
                            kan niet meer gesproken worden van een stimuleringsvoorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als
                            strikte toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt. Bij het
                            afwijken van de bepalingen kunnen de rechten van belanghebbenden op
                            basis van deze verordening niet worden aangetast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Situaties waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>Mocht zich een situatie voordoen waarin deze verordening niet voorziet,
                            dan beslist het college met inachtneming van het doel en de overwegingen
                            die aan deze verordening ten grondslag liggen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>– Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>