<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR100761_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onderwijshuisvesting gemeente Roermond 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 09-02-2014, nr. 74692</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onderwijshuisvesting gemeente Roermond 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420&amp;artikel=102">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003549&amp;artikel=100">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399&amp;artikel=76m">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399&amp;artikel=217">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 217</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/070/1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>huisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2009.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening onderwijshuisvesting gemeente Roermond 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt
                        verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                                onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
                                onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of
                                gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                                grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><lijst><li nr="o"><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                        school voor basisonderwijs als bedoeld in
                                            <onderstreept>artikel 1 </onderstreept>van de Wet op het
                                        primair onderwijs; </al></li><li nr="o"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor
                                        speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet
                                        speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                        expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet
                                        speciaal onderwijs als bedoeld in <onderstreept>artikel 8
                                        </onderstreept>van de Wet op de expertisecentra en een
                                        school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                        artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; </al></li><li nr="o"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                        scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                        onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                        onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                        praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de
                                        Wet op het voortgezet onderwijs. </al></li></lijst></li><li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge
                                artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    <onderstreept>artikel 76a </onderstreept>of
                                    <onderstreept>artikel 76b </onderstreept>van de Wet op de
                                expertisecentra of <onderstreept>artikel 75 </onderstreept>van de
                                Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is
                                gebracht; </al></li><li nr="f."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld
                                in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                verordening;</al></li><li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in
                                artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding van
                                een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft
                                ingediend;</al></li><li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                                    <onderstreept>bijlage II </onderstreept>van deze verordening, 15
                                jaren of langer noodzakelijk is; </al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                                bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                noodzakelijk is;</al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en
                                de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als
                                volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp
                                en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als
                                volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in
                                    <onderstreept>artikel 95 </onderstreept>van de Wet op het
                                primair onderwijs, <onderstreept>artikel 93 </onderstreept>van de
                                Wet op de expertisecentra, <onderstreept>artikel 76f
                                </onderstreept>van de Wet op het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                maatschappelijke of recreatieve doeleinden. </al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in <onderstreept>artikel 110
                                </onderstreept>van de Wet op het primair onderwijs,
                                    <onderstreept>artikel 108 </onderstreept>van de Wet op de
                                expertisecentra, <onderstreept>artikel 76u </onderstreept>van de Wet
                                op het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                staten in een geschil als bedoeld in <onderstreept>artikel 110
                                </onderstreept>, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs,
                                    <onderstreept>artikel 108 </onderstreept>, tweede lid van de Wet
                                op de expertisecentra, <onderstreept>artikel 76u </onderstreept>,
                                tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    <onderstreept>artikel 110 </onderstreept>van de Wet op het
                                primair onderwijs, <onderstreept>artikel 108 </onderstreept>van de
                                Wet op de expertisecentra, <onderstreept>artikel 76u
                                </onderstreept>van de Wet op het voortgezet onderwijs. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de
                            huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de
                        volgende voorzieningen onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                                bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                        rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                        nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                        gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                        dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>° uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                        gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                        gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="4."><al>° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                        behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5."><al>° terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder
                                        a sub 1o tot en met 4o omschreven voorziening;</al></li><li nr="6."><al>° inrichting met onderwijsleerpakket [invullen voor vwo, avo
                                        en vbo: of met leer- en hulpmiddelen] voor zover deze nog
                                        niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                        aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="7."><al>° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                        voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                        gebracht;</al></li><li nr="8."><al>° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                        gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                        medegebruik van een gymnastiekruimte [invullen voor bepaalde
                                        soorten (v)so: en een bad voor watergewenning of
                                        bewegingstherapie]; </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                zoals onderscheiden in <onderstreept>bijlage I </onderstreept>;
                            </al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
                                meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw
                                veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                                gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                                onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                                wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                onderwijsleerpakket (voor vo: of leer- en hulpmiddelen) en meubilair
                                ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd
                                gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het
                                onderwijs in lichamelijke oefening. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten
                        aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a , sub 1 en 2 kan
                        een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding.
                        Hierbij is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding
                            voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval. </al></li><li nr="2."><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in <onderstreept>bijlage IV
                                </onderstreept>, deel A. De vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd
                                op de feitelijke kosten worden vastgesteld met inachtneming van het
                                bepaalde in bijlage IV, deel B. </al></li><li nr="3."><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a, sub 1,2,6,7 en 8 en op vergoeding van
                                de kosten van bouwbegeleiding. Deel B van bijlage IV is van
                                toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub
                                3 t/m 5 en onder b t/m f. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></li><li nr="3."><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt
                                voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het betreffende
                                programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij
                                wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt
                                het college niet in behandeling.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen
                            aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                        gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                        voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                        voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2,
                                        onder d, e en f; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                        moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft
                                        als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met
                                        4°;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt,
                                        indien het een voorziening betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke
                                                vervanging van een gebouw;</al></li><li nr="2."><al>° onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                                basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                                speciaal onderwijs, of;</al></li><li nr="3."><al>° herstel van een constructiefout.</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                        vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'.</al><lijst><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                        voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                        indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                        vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                        in artikel 27.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de
                                hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of
                                tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de gelegenheid
                                gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste
                                gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt, neemt het college de
                                aanvraag niet in behandeling. </al></li><li nr="4."><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1
                                oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan
                                zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de
                                jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op
                                de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school.
                                Indien het college het afschrift niet binnen een week na de
                                wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit
                                schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                                gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van
                                ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het
                                afschrift niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel> Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college
                        verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de ingevolge artikel
                        6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft daarbij aan welke aanvraag of
                        aanvragen niet in behandeling worden genomen. </al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling
                            programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over
                            ingediende begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te
                                lichten.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag
                                een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
                                laatste volzin van toepassing is en het college van oordeel is dat
                                de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te worden
                                aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van
                                het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf
                                2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg
                                geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde
                                bedrag. Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het
                                geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt
                                uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies
                            Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden
                                de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld
                                hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar
                                voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken
                                voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis
                                gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud
                                van het voorstel. Zij worden hierbij tevens in kennis gesteld van de
                                voorgenomen inhoud van het voorstel. </al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde
                                datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het
                                college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. </al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde
                                gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig
                                ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de
                                reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag wordt
                                toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de Onderwijsraad
                                over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het
                                programma, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid
                                van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in
                                het eerste lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van
                                de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband
                                aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de
                                vrijheid van inrichting.</al></li><li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het overleg
                                tijdens de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen
                                over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke
                                verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen
                                maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het
                                vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij
                                de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle
                                stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek,
                                waaronder het schriftelijk verslag van het overleg.</al></li><li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen
                                van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer
                                inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het
                                programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij
                                de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een
                                nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of
                                nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het
                                afschrift van het advies van de Onderwijsraad. </al></li><li nr="9."><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee
                                weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan
                                de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een
                                verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde
                                lid.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma
                            en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
                                van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan
                                worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per
                                voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31
                                december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                valt.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen
                                van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra
                                en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma.
                                Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; </al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ; </al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III. Van de voor plaatsing op het programma in
                                        aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de
                                        hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                                        uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het
                                        bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste
                                        lid, toereikend zijn. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af
                                te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage
                                V.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt,
                                voor zover van toepassing, door het college aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor
                                        de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld; </al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin; </al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                        buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. </al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het
                                bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn
                                opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen
                                wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.
                            </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling
                            bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen
                                twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het
                                college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de
                                bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de
                                besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd met
                                de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van
                        uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van
                                de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt
                                alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de
                                voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken
                                gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                        onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het
                                        voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting
                                        door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                        inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; </al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing
                                        van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in
                                        verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                        omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                        besteding van de beschikbaar te stellen middelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, dan
                                geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen. </al></li><li nr="3."><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet
                                tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast
                                in een verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het overleg
                                ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk
                                instemt met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet
                                schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud
                                van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="4."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="5."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde
                                lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het
                                verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager.
                                Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de
                                voorziening geen aanvang zal nemen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip
                            aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en
                            nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offerte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid, is
                                bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient
                                de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de
                                bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het
                                tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                instemming in bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting
                                en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt. Het college
                                kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn
                                verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is
                                besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de
                                bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door
                                de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de beslissing
                                over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee weken na de
                                datum van de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college
                                eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school
                                verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van
                                de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn
                                gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende
                                wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog
                                niet voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4."><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de
                                toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde
                                voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en
                                omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat naar het oordeel
                                van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling
                                aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 15.</al></li><li nr="5."><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. De
                                beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan
                                uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de
                                genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
                            </al></li><li nr="6."><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld
                                in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt
                                de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als
                                bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de
                                aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de
                                voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van
                                de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld
                                voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee
                                weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de
                        beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid of artikel 16, zesde lid,
                        over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de
                        beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De
                        beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig
                        tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen
                        voortkomend uit de realisering van de op het programma geplaatste
                        voorziening. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op
                            bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de
                                aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend, dan
                                wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een
                                afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college
                                is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is
                                onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de
                                termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het
                                werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde
                                overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede
                                de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum
                                van aankoop. </al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door
                                bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk
                                gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in
                                het eerste lid, bij het college heeft ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging
                                van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het
                                besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het
                                eerste lid wordt verlengd.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend
                        karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot
                        bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang
                        van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het
                        college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                        aanvraagformulier. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de
                                volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                        voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon
                                        worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen
                                        programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met 8o en artikel 2
                                        onder d, e en f;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien
                                        het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde
                                        lid, laatste volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na
                                datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de
                                aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de
                                ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag
                                niet te behandelen.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering
                            besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag
                                of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of
                                hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de
                                beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld
                                door het college.</al></li><li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden gegeven,
                                stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij
                                een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
                                worden gezien.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de
                                voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de
                                in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet
                                op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe
                                met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in <onderstreept>bijlage
                                            I </onderstreept>; </al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in <onderstreept>bijlage II
                                        </onderstreept>; </al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            <onderstreept>bijlage III </onderstreept>. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                omvatten. </al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde
                                in <onderstreept>bijlage IV </onderstreept>, deel A voor de
                                toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het
                                geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het
                                college vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend,
                                dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                                en voor welke datum een afschrift daarvan aan hen moet zijn
                                toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door
                                het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-,
                                huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid,
                        waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk
                        in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering. Het bepaalde in de
                        artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien
                        verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid,
                        eerste volzin, een termijn van drie weken geldt. Hiervoor moet worden
                        gelezen drie weken. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak
                        bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen
                                een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is
                                gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten
                                aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die
                                niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk
                                vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk
                                gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging
                                van de termijn.</al></li><li nr="3."><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op
                                totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het
                                verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum waarop de
                                aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
                                afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                                vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening. </al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten;</al></li><li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                        vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                        vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage wordt
                                        gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde
                                        formulier 'Bouwkundige opname';</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                        een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg
                        aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige lid, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></li><li nr="4."><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                        aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin
                        de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de bouwvoorbereiding
                        en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft verstrekt aan het
                        college waaruit dit blijkt. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of
                            educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan
                        overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein, bestemd
                        voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en
                                het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel
                                6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
                                huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de
                                behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                                beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of
                                instelling gangbare berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van legstand in een lesgebouw :</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                        basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                        indien uit de vergelijking van het aantal vierkante meters
                                        bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis van
                                            <onderstreept>bijlage III</onderstreept>, deel B en de
                                        capaciteit van het gebouw in vierkante meters
                                        bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van
                                        bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal
                                        vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de
                                        in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is
                                        voor de daar gevestigde school of scholen; </al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                        voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                        ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel
                                        B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis
                                        van bijlage III, deel A blijkt dat er een overschot is aan
                                        vierkante meters bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd
                                        gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                        lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen
                                        het overschot aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                        geen sprake is van onderbenutting van de
                                        onderwijsruimten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een
                                        of meer scholen voor basisonder-wijs of voor (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs, indien de som van het aantal klokuren
                                        gebruik dat door het college wordt vergoed minder is dan 40
                                        klokuren; </al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                        voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van
                                        bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw
                                        lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis
                                        van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                        eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een
                                        of meer scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som
                                        van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
                                        klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van
                        vorderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik
                                indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het
                                beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven
                                aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan
                                die school of scholen. </al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan
                                die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit.
                            </al></li><li nr="3."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                        gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                        tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                        leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                        biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een
                                        school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                        dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                        behoeve waarvan de vordering plaatsvindt. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in
                                het derde lid opgenomen volgorde afwijken. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van
                                leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college
                                daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand
                                gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is
                                bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld
                                in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze
                                mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg
                                te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. </al></li><li nr="3."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in
                                het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het
                                college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag
                                waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                huisvesting is bestemd. </al></li><li nr="4."><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet
                                het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd
                                gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden
                                afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="5."><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                        waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
                                        gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in
                                        lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd
                                        wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                        gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van
                                        het medegebruik. </al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg, met
                        inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding voor het
                        medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt
                        het bepaalde in <onderstreept>bijlage IV </onderstreept>, deel C. </al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele,
                            maatschappelijke of recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan
                        overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte
                                zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school
                                voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school
                                of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met
                                het bevoegd gezag. </al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                        voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                        school hinder van het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
                                        redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang
                                        kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                overlegheeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot overeenstemming
                                heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over
                                deze punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft
                                geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke
                                mededeling als hier bedoeld worden afgezien. </al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                toestemming voor de verhuur aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een
                                aanduiding van de huurder, en de bestemming van de te verhuren
                                ruimte. </al></li><li nr="3."><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                        bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs,
                                        Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs
                                        of;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                        school.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van
                            onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte. </al></li><li nr="2."><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt. </al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag. </al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt. </al></li><li nr="5."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                            (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare
                            capaciteit; inroostering gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                                april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de
                                voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst; </al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is. </al></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte. </al></li><li nr="4."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht: </al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B; </al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eige-naar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte; </al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte; </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het on-derwijsgebruik plaatsvindt; </al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt; </al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet)
                                        speciaal onderwijsvoor bekostiging door de
                                        gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren
                                        voor rekening komen van het bevoegd gezag van de school. Het
                                        college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid
                                        onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor
                                        zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening
                                        is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. </al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde
                                gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het
                                voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending
                                van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                voorstel tot inroostering. </al></li><li nr="7."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.
                            </al></li><li nr="8."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de
                            verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze
                        verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                        college. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de
                        in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de
                        vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in <onderstreept>bijlage IV
                        </onderstreept>, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van
                        prijsbijstelling. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Afwijkende data voor indienen en behandelen
                            aanvragen voor het jaar 2009.</titel></kop><al> Voor het jaar 2009 worden de data genoemd in de volgende artikelen als
                        volgt gewijzigd:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 6, 1<sup>e</sup> en 2<sup>e</sup> lid : 15 februari </al></li><li nr="-"><al>artikel 7, 3<sup>e</sup> lid : 1 maart respectievelijk 1 april</al></li><li nr="-"><al>artikel 25, 2<sup>e</sup> lid : 15 februari </al></li><li nr="-"><al>artikel 25, 4<sup>e</sup> lid : 1 maart respectievelijk 1 april</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Citeertitel;
                        inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: “Verordening
                                onderwijshuisvesting gemeente Roermond 2009”;</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2009.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Roermond in zijn
                        openbare vergadering van 18 december 2008</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>J.Vervuurt</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>H.M.J.M. van Beers</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>