<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR100592_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-05-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De
                Wassenaarse Krant, 31 mei 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikelen 155a tot en met 155f en 156</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-04-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-04-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nr. 11025</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Wassenaar,</al><al>gelet op het initiatiefvoorstel van de PvdA en GroenLinks;</al><al>gelezen het voorstel van het presidium van 15 maart 2011, nummer 11025;</al><al>gelet op de artikelen 155 a tot en met 155f en 156 van de Gemeentewet;</al><al/><al>Besluit:</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 155a, eerste lid,
                                van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>onderzoekscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 155a,
                                derde lid, van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Instellen van het onderzoek/onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op voorstel van een of meer van zijn leden kan de raad besluiten een
                            onderzoek in te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de eerstvolgende raadsvergadering na dit besluit stelt de raad een
                            onderzoekscommissie in van tenminste drie leden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad wijst een genoegzaam aantal plaatsvervangend leden aan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad nadere regels
                            vast met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de
                            raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter
                            en een plaatsvervangend voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de beraadslaging en zitting;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde
                                    regels;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie;</al></li><li nr="b."><al>een lid ophoudt lid te zijn van de raad;</al></li><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van zijn commissie te
                                    horen;</al></li><li nr="d."><al>een lid ontslag neemt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                            Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie
                            zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De artikelen 4.1, 4.2 en 4.3 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            plaatsvervangend leden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit alvorens het eerste getuigenverhoor
                            plaatsvindt of getuigen uitsluitend verhoord worden na het afleggen van
                            de eed of belofte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 155b, eerste lid, van de
                            Gemeentewet genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking
                            aan het onderzoek te verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt
                            slechts op vrijwillige basis.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het
                            uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht
                            en de uitoefening van haar taak nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                            beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als
                            zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hier geen
                            plicht tot medewerking.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan de bovengenoemde bevoegdheden uitsluitend
                            uitoefenen indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De verordening op de raadscommissies is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                            commissiegriffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissiegriffier is bij iedere zitting aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt zijn plaats ingenomen door
                            een daartoe door de raad aangewezen vervanger.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Zittingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                            en brengt die ter openbare kennis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en
                            deskundigen ten minste twee weken voor de zitting op.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en
                            deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                            voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of deskundige
                            medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de
                            onderzoekscommissie gehoord. De onderzoekscommissie kan om gewichtige
                            redenen besluiten een verhoor of een gedeelte daarvan niet in het
                            openbaar af te nemen. De leden van de commissie en de secretaris,
                            alsmede de overige aanwezige medewerkers bewaren geheimhouding over
                            hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en de pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                            de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                            verstoren van de orde is verboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van
                            de vergadering verstoren, te doen vertrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                        maken, doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn
                        aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verslaglegging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris draagt zorg voor de verslaglegging van de zitting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor
                            zover van belang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen. Van
                            minderheidsstandpunten wordt in het verslag melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die
                            aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt indien een lid dat nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Afronding onderzoek</titel></kop><al>Na afronding van het onderzoek door de onderzoekscommissie worden haar
                        bevindingen voorgelegd aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking de dag na de dag van bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op het onderzoeksrecht
                        van de raad. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Wassenaar van 11 april 2011.</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het onderzoeksrecht van de raad is uitvoerig geregeld in de artikelen 155a tot
                    en met 155f van de Gemeentewet. Deze verordening, die in nauwe samenwerking met
                    de artikelen uit de Gemeentewet dient te worden gelezen, bevat nadere regels met
                    betrekking tot dit onderzoeksrecht. Het onderzoeksrecht is een exclusief recht
                    van de raad dat ingevolge artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet niet
                    overdraagbaar is.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2 Instellen van het onderzoek</tussenkop><al>Ter verduidelijking wordt hier nogmaals aangegeven dat op voorstel van leden van
                    de raad, bij raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld naar het door het
                    college of de burgemeester gevoerde bestuur. Met betrekking tot voorstellen is
                    het bepaalde omtrent het initiatiefvoorstel in artikel 39 Reglement van orde van
                    toepassing.</al><al>Indien de raad tot een onderzoek besloten heeft, dient in de eerstvolgende
                    raadsvergadering besloten te worden omtrent het aantal leden dat in de
                    onderzoekscommissie plaats zal nemen en welke leden dat zijn. De gemeentewet
                    bepaalt hieromtrent in artikel 155a, derde en vierde lid, dat de
                    onderzoekscommissie uit ten minste drie (raads)leden bestaat en dat de raad bij
                    de samenstelling zorgdraagt voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in
                    de raad vertegenwoordigde groeperingen. Omdat het denkbaar is dat hieromtrent
                    nader overleg tussen raadsfracties nodig is, is dit besluitmoment verschoven
                    naar de eerstvolgende raadsvergadering na het besluit tot het instellen van een
                    onderzoek. Omdat de onderzoekscommissie ingevolge artikel 6 van deze verordening
                    besluit met meerderheid van stemmen, verdient het aanbeveling om een oneven
                    aantal leden te benoemen. Op deze wijze kan het staken van stemmen worden
                    voorkomen.</al><al>Het derde lid voorziet in de benoeming van plaatsvervangende leden. Het aantal
                    plaatsvervangende leden is afhankelijk van de omvang van de onderzoekscommissie.
                    Omdat de uitoefening van bevoegdheden van de onderzoekscommissie gekoppeld is
                    aan de aanwezigheid van tenminste drie leden kan benoeming van plaatsvervangende
                    leden bij een omvangrijke commissie achterwege blijven.</al><al>Het vierde lid bepaalt dat er bij de instelling van de onderzoekscommissie wordt
                    bepaald hoe en op welk moment deze commissie aan de raad rapporteert. </al><tussenkop>Artikel 3 Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de onderzoekscommissie haar voorzitter en
                    plaatsvervangend voorzitter benoemt. De voorzitter maakt derhalve deel uit van
                    de onderzoekscommissie.</al><tussenkop>Artikel 4 Beëindiging van het lidmaatschap</tussenkop><al>In artikel 155a, zesde lid van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheden en
                    werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden geschorst door het
                    aftreden van de raad. Nu de onderzoekscommissie slechts mag bestaan uit leden
                    van de raad brengt dat met zich mee dat bij het aantreden van een nieuwe raad de
                    samenstelling van de onderzoekscommissie zal moeten worden aangepast. Indien een
                    individueel lid van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de raad
                    eindigt derhalve tevens zijn lidmaatschap van eerder genoemde commissie.</al><al>Voorts eindigt een lidmaatschap uiteraard bij opheffing van de
                    onderzoekscommissie en bij het nemen van ontslag. De raad kan tevens de
                    onderzoekscommissie tussentijds opheffen.</al><al>Daarnaast eindigt het lidmaatschap indien de onderzoekscommissie besluit één van
                    haar leden te horen. Artikel 155c, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt
                    namelijk dat een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt
                    gehoord, niet tevens lid is van de onderzoekscommissie.</al><tussenkop>Artikel 5 Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</tussenkop><al>De onderzoekscommissie heeft op basis van de bepalingen uit de Gemeentewet reeds
                    een aantal bevoegdheden. Zo bepaalt artikel 155c, vijfde lid, van de Gemeente
                    dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden gehoord
                    na het afleggen van een eed of belofte. Omdat het tengevolge hiervan niet
                    mogelijk is om de ene getuige wel en de andere niet onder ede te horen, is in
                    artikel 5, eerste lid, van deze verordening bepaald dat de onderzoekscommissie
                    hieromtrent een besluit neemt alvorens de eerste getuige of deskundige gehoord
                    is.</al><al>Artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet bepaalt de groep van personen die
                    verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek en jegens wie dwangmiddelen
                    kunnen worden ingezet. Dit laat onverlet de mogelijkheid om personen buiten deze
                    groep te horen, zij het op vrijwillige basis. Deze personen zijn niet verplicht
                    om een verklaring onder ede af te leggen. Indien een onderzoekscommissie
                    derhalve bepaald heeft dat alle getuigen en deskundigen onder ede gehoord
                    worden, zijn deze personen hiervan uitgezonderd.</al><al>Naast het horen op vrijwillige basis kan een onderzoekscommissie ook informele
                    (informatieve) gesprekken voeren met getuigen en deskundigen, bijvoorbeeld om
                    vast te stellen of horen ter zitting nuttig is.</al><al>Tenslotte bestaat de mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek aan deskundigheid,
                    opdrachten uit te besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f,Gemeentewet dient
                    het college de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald
                    jaar op te nemen in de ontwerpbegroting.</al><al>Voorstelbaar is dat hier tevens een post wordt opgenomen met betrekking tot deze
                    (mogelijke) inschakeling van externen. Tot het aangaan van eventuele
                    overeenkomsten met derden ter ondersteuning van de onderzoekscommissie moet het
                    college beslissen.</al><al>De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155a, vijfde lid, Gemeentewet, de
                    haar bij die wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien tenminste
                    drie van haar leden aanwezig zijn. </al><al>De verordening op de raadscommissies is hier buiten toepassing verklaard omdat
                    hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij het onderzoek niet
                    toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te denken aan zaken als
                    spreekrecht voor burgers enz.</al><tussenkop>Artikel 6 Ambtelijke bijstand</tussenkop><al>Artikel 155a, achtste lid, Gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens tot een
                    onderzoek besloten wordt, bij verordening nadere regels stelt met betrekking tot
                    deze onderzoeken. Hierin dienen in ieder geval regels opgenomen te worden over
                    de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de
                    onderzoekscommissie.</al><al>Artikel 6 voorziet in de benoeming van een secretaris. Het ligt voor de hand dat
                    de commissiegriffier een medewerker van de griffie is.</al><tussenkop>Artikel 7 Zitting</tussenkop><al>Artikel 155d, eerste lid, Gemeentewet voorziet in de schriftelijke oproeping van
                    getuigen en deskundigen die ter zitting dienen te verschijnen. Deze zitting
                    dient te worden onderscheiden van de beraadslagingen van de onderzoekscommissie,
                    die ingevolge artikel 11 van de verordening achter gesloten deuren plaatsheeft.
                    Op de zitting vinden de verhoren van getuigen en deskundigen plaats die ex
                    artikel 155c, zesde lid van de Gemeentewet en zijn in beginsel openbaar. De
                    onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155c, zevende lid van de Gemeentewet
                    om gewichtige redenen echter besluiten dat een verhoor of een gedeelte ervan
                    niet in het openbaar plaatsvindt. de leden, alsmede de ambtelijke medewerkers,
                    bewaren geheimhouding over hetgeen tijdens een besloten zitting ter kennis komt. </al><tussenkop>Artikel 8 Toehoorders en pers</tussenkop><al>Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelen dat de voorzitter
                    van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij
                    volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor de
                    onderzoekscommissie ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet; het
                    derde lid voorziet hierin.</al><tussenkop>Artikel 9 Geluid- en beeldregistraties</tussenkop><al>Aangezien de zittingen van een onderzoekscommissie in principe openbaar zijn,
                    kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is
                    uiteraard niet het geval als het een besloten zitting betreft. </al><tussenkop>Artikel 10 Verslaglegging zitting</tussenkop><al>De verhoren worden opgenomen op een geluidsband. Het verslag kan dan beperkt
                    blijven tot een zakelijke weergave van hetgeen besproken is. Door
                    minderheidsstandpunten op te nemen, wordt zichtbaar gemaakt dat de
                    onderzoekscommissie niet in alle opzichten tot een eensluidend oordeel heeft
                    kunnen komen. Hiermee wordt bereikt dat alle leden van de onderzoekscommissie
                    het verslag ondertekenen.</al><tussenkop>Artikel 11 Beraadslaging</tussenkop><al>Beraadslaging vindt plaats achter gesloten deuren omdat de inhoud van een
                    beraadslaging zich mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het is namelijk zeer
                    wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt omtrent ondervragingsmethoden, tactieken
                    en dergelijke, welke in het belang van het onderzoek niet naar buiten mogen
                    worden gebracht. Daarnaast moet er vrij gesproken kunnen worden over personen en
                    hetgeen door hen naar voren is gebracht. </al><al>De raad kan op basis van artikel 2, derde lid, van deze verordening, nadere
                    regels stellen omtrent deze beraadslagingen in verband met de rapportage naar de
                    raad.</al><tussenkop>Artikel 12 Afronding onderzoek</tussenkop><al>Indien de onderzoekscommissie haar werkzaamheden heeft afgerond legt zij haar
                    bevindingen voor aan de raad. De vorm waarin dit geschiedt, wordt hier niet
                    nader bepaald en is aan de raad in het kader van de nadere regels als genoemd in
                    artikel 2, derde lid, van deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 13 Inwerkingtreding</tussenkop><al>De verordening bevat geen algemeen verbindende voorschriften. De verplichting
                    voor bepaalde categorieën personen om medewerking te verlenen aan een door de
                    raad in te stellen onderzoek vloeit immers niet voort uit de verordening, maar
                    rechtstreeks uit de wet. De verordening kan derhalve op een door de raad te
                    bepalen datum in werking treden.</al><tussenkop>Artikel 14 Citeertitel</tussenkop><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening op het onderzoeksrecht van
                    de raad.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>