<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR100321_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Bode</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=155a">Gemeentewet, art. 155a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-03-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nvt</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Onderzoeksrecht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 155a, eerste lid,
                                van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>onderzoekscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 155a,
                                derde lid, van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Instellen van het onderzoek/onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op voorstel van een of meer van zijn leden kan de raad besluiten een
                            onderzoek in te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van een of meer van zijn leden kan de raad besluiten een
                            onderzoek in te stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad wijst een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden aan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad nadere regels
                            vast met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de
                            raad. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter
                            en een plaatsvervangend voorzitter. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de beraadslaging en zitting; </al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde; </al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde
                                    regels; </al></li><li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie; </al></li><li nr="b."><al>een lid ophoudt lid te zijn van de raad; </al></li><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van zijn commissie te
                                    horen; </al></li><li nr="d."><al>een lid ontslag neemt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                            Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie
                            zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            plaatsvervangende leden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit alvorens het eerste getuigenverhoor
                            plaats vindt of getuigen uitsluitend verhoord worden na het afleggen van
                            de eed of belofte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 155b, eerste lid, van de
                            Gemeentewet genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking
                            aan het onderzoek te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Laatstgenoemde medewerking geschiedt slechts op vrijwillige basis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het
                            uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht
                            en de uitoefening van haar taak nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                            beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als
                            zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe
                            geen plicht tot medewerking.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan de bovengenoemde bevoegdheden uitsluitend
                            uitoefenen indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De verordening op de raadscommissies is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                            commissiegriffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissiegriffier is bij iedere zitting aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt zijn plaats ingenomen door
                            een daartoe door de raad aangewezen vervanger.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Zittingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                            en brengt die ter openbare kennis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en
                            deskundigen ten minste twee weken voor de zitting op.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en
                            deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                            voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of deskundige
                            medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Toehoorders en de pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                            de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                            verstoren van de orde is verboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van
                            de vergadering verstoren, te doen vertrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                        maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn
                        aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verslaglegging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissiegriffier draagt zorg voor de verslaglegging van de
                            zitting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor
                            zover van belang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die
                            aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                            commissiegriffier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt indien een lid dat nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Afronding onderzoek</titel></kop><al>Na afronding van het onderzoek door de onderzoekscommissie worden haar
                        bevindingen voorgelegd aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de vaststelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: "Verordening op het onderzoeksrecht
                        van de raad".</al><al/></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening op het onderzoeksrecht van de raad</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het onderzoeksrecht van de raad is uitvoerig geregeld in de artikelen 155a tot
                    en met 155f van de Gemeentewet. Deze verordening, die in nauwe samenhang met de
                    artikelen uit de Gemeentewet dient te worden gelezen, bevat nadere regels m.b.t.
                    dit onderzoeksrecht. Het onderzoeksrecht is een exclusief recht van de raad dat
                    ingevolge artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet niet overdraagbaar
                    is.</al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Instellen van het onderzoek</vet></al><al>Ter verduidelijking wordt hier nogmaals aangegeven dat op voorstel van leden van
                    de raad, bij raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld naar het door het
                    college of de burgemeester gevoerde bestuur. Met betrekking tot voorstellen is
                    het bepaalde omtrent het initiatiefvoorstel in artikel 36 van het Reglement van
                    orde van de gemeenteraad van toepassing.</al><al>Indien de raad tot een onderzoek besloten heeft dient in de eerstvolgende
                    raadsvergadering besloten te worden omtrent het aantal leden dat in de
                    onderzoekscommissie plaats zal nemen en welke leden dat zijn.</al><al>De Gemeentewet bepaalt hieromtrent in artikel 155a, derde en vierde lid, dat de
                    onderzoekscommissie uit ten minste drie (raads)leden bestaat en dat de raad bij
                    de samenstelling zorgdraagt voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in
                    de raad vertegenwoordigde groeperingen. Omdat het denkbaar is dat hierover nader
                    overleg tussen raadsfracties nodig is, is dit besluitmoment verschoven naar de
                    eerstvolgende raadsvergadering na het besluit tot het instellen van een
                    onderzoek. Omdat de onderzoekscommissie ingevolge artikel 6 van de verordening
                    besluit met meerderheid van stemmen verdient het aanbeveling om een oneven
                    aantal leden te benoemen. Op deze wijze kan het staken van stemmen worden
                    voorkomen.</al><al>Het derde lid voorziet in de benoeming van plaatsvervangende leden. Het aantal
                    plaatsvervangende leden is afhankelijk van de omvang van de onderzoekscommissie.
                    Omdat de uitoefening van bevoegdheden van de onderzoekscommissie gekoppeld is
                    aan de aanwezigheid van tenminste drie leden kan benoeming van plaatsvervangende
                    leden bij een omvangrijke commissie achterwege blijven.</al><al>Het vierde lid bepaalt dat er bij de instelling van de onderzoekscommissie wordt
                    bepaald hoe en op welk moment deze commissie aan de raad rapporteert. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</vet></al><al>In de verordening is ervoor gekozen dat de onderzoekscommissie haar voorzitter
                    en plaatsvervangend voorzitter benoemt. Het staat de raad echter vrij om te
                    bepalen dat de raad deze "uit zijn midden" benoemt. De voorzitter maakt tevens
                    deel uit van de onderzoekscommissie en is derhalve niet slechts (technisch)
                    voorzitter.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Beëindiging van het lidmaatschap</vet></al><al>In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheden en
                    werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden geschorst door het
                    aftreden van de raad. Nu de onderzoekscommissie slechts mag bestaan uit leden
                    van de raad brengt dat met zich mee dat bij het aantreden van een nieuwe raad de
                    samenstelling van de onderzoekscommissie wel zal moeten worden aangepast. Indien
                    een individueel lid van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de raad
                    eindigt derhalve tevens zijn lidmaatschap van de commissie. Voorts eindigt een
                    lidmaatschap uiteraard bij opheffing van de onderzoekscommissie en bij het nemen
                    van ontslag. De raad kan tevens, indien dit wenselijk wordt geacht, de
                    onderzoekscommissie tussentijds opheffen.</al><al>Daarnaast eindigt het lidmaatschap indien de onderzoekscommissie besluit een van
                    haar leden te horen. Artikel 155c, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt
                    namelijk dat een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt
                    gehoord, niet tevens lid is van de onderzoekscommissie.</al><al>Het bepaalde is uiteraard tevens van toepassing op de plaatsvervangende leden. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</vet></al><al>De onderzoekscommissie heeft op basis van de bepalingen uit de Gemeentewet reeds
                    een aantal bevoegdheden. Zo bepaalt artikel 155c, vijfde lid, van de Gemeentewet
                    dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
                    verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Omdat het als gevolg hiervan
                    niet mogelijk is om de ene getuige wel en de andere niet onder ede te horen is
                    in artikel 5, eerste lid, van de verordening bepaald dat de onderzoekscommissie
                    hierover een besluit neemt alvorens de eerste getuige of deskundige gehoord
                    is.</al><al>Artikel 155b, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt de groep van personen die
                    verplicht is mee te werken aan een onderzoek en jegens wie dwangmiddelen kunnen
                    worden ingezet. Dit laat onverlet de mogelijkheid om personen buiten deze groep
                    te horen, zij het op vrijwillige basis. Deze personen zijn niet verplicht om een
                    verklaring onder ede af te leggen. Indien een onderzoekscommissie derhalve
                    bepaald heeft dat alle getuigen en deskundigen onder ede gehoord worden, zijn
                    deze personen hiervan uitgezonderd. Naast het horen op vrijwillige basis kan een
                    onderzoekscommissie ook informele (informatieve) gesprekken voeren met getuigen
                    en deskundigen, bijvoorbeeld om vast te stellen of horen ter zitting nuttig
                    is.</al><al/><al>Tenslotte bestaat de mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek aan deskundigheid,
                    opdrachten uit te besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f van de Gemeentewet
                    dient het college de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een
                    bepaald jaar op te nemen in de ontwerpbegroting. Voorstelbaar is dat hier tevens
                    een post wordt opgenomen met betrekking tot de (mogelijke) inschakeling van
                    externen. Tot het aangaan van eventuele overeenkomsten met derden ter
                    ondersteuning van de onderzoekscommissie moet het college beslissen.</al><al>De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155a, vijfde lid, van de
                    Gemeentewet, de haar bij die wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen
                    indien tenminste drie van haar leden aanwezig zijn. Met betrekking tot de
                    bevoegdheden die op basis van de verordening bestaan is gekozen voor hetzelfde
                    regime. Er kan uiteraard bepaald worden dat alle of enkele van de bevoegdheden
                    kunnen worden uitgeoefend bij de aanwezigheid van een kleiner aantal leden. Uit
                    praktische overwegingen zou er bijvoorbeeld voor gekozen kunnen worden om het
                    voeren van informatieve gesprekken ook door individuele leden mogelijk te maken.
                    Daarnaast zegt het zesde lid dat de onderzoekscommissie beslist met een
                    meerderheid van stemmen. Om deze reden wordt ook aanbevolen een oneven aantal
                    leden te benoemen.</al><al>De verordening op de raadscommissies is hier buiten toepassing verklaard omdat
                    hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij het onderzoek niet
                    toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te denken aan zaken als
                    spreekrecht voor burgers enz.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Ambtelijke bijstand</vet></al><al>Artikel 155a, achtste lid, van de Gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens tot
                    een onderzoek besloten wordt, bij verordening nadere regels stelt met betrekking
                    tot deze onderzoeken. Hierin dienen in ieder geval regels opgenomen te worden
                    over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de
                    onderzoekscommissie.</al><al>Artikel 6 van de verordening voorziet in de benoeming van een commissiegriffier,
                    waarmee aangesloten wordt bij de verordening ambtelijke bijstand. Voor een
                    nadere toelichting bij dit artikel wordt naar deze verordening en bijgaande
                    toelichting verwezen.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Zitting</vet></al><al>Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet voorziet in de schriftelijke
                    oproeping van getuigen en deskundigen die ter zitting dienen te verschijnen.
                    Deze zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de
                    onderzoekscommissie, die ingevolge artikel 11 van de verordening achter gesloten
                    deuren plaatsheeft. Op de zitting vinden de verhoren van getuigen en deskundigen
                    plaats ex artikel 155c, zesde lid, van de Gemeentewet. Deze zijn in beginsel
                    openbaar. De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155c, zevende lid, van de
                    Gemeentewet om gewichtige redenen echter besluiten dat een verhoor of een
                    gedeelte ervan niet in het openbaar plaatsvindt. De leden bewaren geheimhouding
                    over hetgeen hen tijdens een besloten zitting ter kennis komt. De redenen om
                    besloten te vergaderen zijn hierbij anders dan die genoemd in artikel 86, eerste
                    lid, van de Gemeentewet. In artikel 86, eerste lid, wordt immers gesproken over
                    belangen als bedoeld in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur. Dat is
                    bij besloten vergaderingen in het kader van het onderzoeksrecht niet van belang.
                    Slechts van belang is of er naar het oordeel van de onderzoekscommissie sprake
                    is van 'gewichtige redenen'. Het bepaalde in artikel 86, eerste lid, is derhalve
                    op de onderzoekscommissie niet van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Toehoorders en de pers</vet></al><al>Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat de voorzitter
                    van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij
                    volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor de
                    onderzoekscommissie ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet, het
                    derde lid voorziet hierin.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Geluid- en beeldregistraties</vet></al><al>Aangezien de zittingen van een onderzoekscommissie in principe openbaar zijn,
                    kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is
                    uiteraard niet het geval als het een besloten zitting betreft. De voorzitter kan
                    aanwijzingen geven met betrekking tot bijvoorbeeld plaats en opstelling.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Verslaglegging zitting</vet></al><al>Het verdient aanbeveling om tijdens de verhoren een geluidsband mee te laten
                    draaien of op andere wijze het gezegde exact vast te leggen. Op deze wijze
                    ontstaat achteraf nooit discussie over hetgeen wel of niet gezegd is.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Beraadslaging</vet></al><al>Beraadslaging vindt plaats achter gesloten deuren omdat de inhoud van een
                    beraadslaging zich mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het is namelijk zeer
                    wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt omtrent ondervragingsmethoden, tactieken
                    en dergelijke, welke in het belang van het onderzoek niet naar buiten mogen
                    worden gebracht. Daarnaast moet er vrij gesproken kunnen worden over personen en
                    hetgeen door hen naar voren is gebracht.</al><al>De raad kan op basis van artikel 2, derde lid, van deze verordening, nadere
                    regels stellen omtrent deze beraadslagingen in verband met de rapportage naar de
                    raad.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Afronding onderzoek</vet></al><al>Indien de onderzoekscommissie haar werkzaamheden heeft afgerond legt zij haar
                    bevindingen voor aan de raad. De vorm waarin dit geschiedt wordt hier niet nader
                    bepaald en is aan de raad in het kader van de nadere regels als genoemd in
                    artikel 2, derde lid, van de verordening. Hierbij zijn verschillende vormen
                    mogelijk, variërend van een rapport tot een voorstel aan de raad. De vraag luidt
                    hierbij wat de raad onder bevindingen wenst te verstaan. Is dit slechts een
                    feitenrelaas van de onderzoekscommissie waarover de raad zich een oordeel vormt
                    of dient er door de commissie ook zelf een oordeel gevormd te worden alvorens de
                    raad zich erover buigt.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding</vet></al><al>De onderliggende verordening bevat geen algemeen verbindende voorschriften. De
                    verplichting voor bepaalde categorieën personen om medewerking te verlenen aan
                    een door de raad in te stellen onderzoek vloeit immers niet voort uit de
                    verordening, maar rechtstreeks uit de wet. De verordening kan derhalve op een
                    door de raad te bepalen datum in werking treden en is niet referendabel
                    ingevolge de Tijdelijke referendumwet.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: "Verordening op het onderzoeksrecht
                    van de raad".</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>