<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR100263_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maak kennis met Haarlemmerliede en Spaarnwoude, 09-02-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-01-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RUI 11/002</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Monumentenverordening 2004.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude; </al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 december 2010; </al><al/><al>gehoord de Monumentencommissie; </al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 15 van de Monumentenwet
                        1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) </al><al/><al>besluit: </al><al/><al>- in te trekken de “Monumentenverordening 2004” met toelichting </al><al>- vast te stellen de “Monumentenverordening 2011” met toelichting. </al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 januari 2011 </al><al/><al>De griffier, De voorzitter,</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al></li><li nr="2."><al>monument:</al><al> a)zaak van algemeen belang wegens zijn schoonheid, betekenis
                                    voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al><al> b) terrein van algemeen belang wegens een daar aanwezige zaak
                                    als bedoeld onder a;</al></li><li nr="3."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    (Wabo);</al></li><li nr="4."><al>gemeentelijk archeologisch monument:</al><al> monument, bedoeld in lid 2 sub b;</al></li><li nr="5."><al>beschermd gemeentelijk monument:</al><al> monument, dat in overeenstemming met de bepalingen van deze
                                    verordening als beschermd gemeentelijk monument is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="6."><al>gemeentelijke monumentenlijst:</al><al> de lijst waarop de in overeenstemming met deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaken zijn
                                    geregistreerd;</al></li><li nr="7."><al>beschermd rijksmonument:</al><al> monument, dat is ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet
                                    1988 vastgestelde registers;</al></li><li nr="8."><al>beschermd provinciaal monument:</al><al> monument, dat op de lijst van monumenten op grond van de
                                    monumentenverordening van de provincie Noord-Holland is
                                    geplaatst;</al></li><li nr="9."><al>kerkelijk monument:</al><al> monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke
                                    gemeente, parochie of van een kerkelijke instelling en dat
                                    uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de
                                    uitoefening van de eredienst;</al></li><li nr="10."><al>de raad:</al><al> de gemeenteraad van Haarlemmerliede en Spaarnwoude;</al></li><li nr="11."><al>monumentencommissie:</al><al> een door de raad op basis van artikel 6 van deze verordening
                                    ingestelde commissie als bedoeld in artikel 15 van de Monumenten
                                    1988 met als taak burgemeester en wethouders op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, deze verordening en andere zaken aangaande
                                    monumenten;</al></li><li nr="12."><al>bouwhistorisch onderzoek:</al><al> in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de
                                    bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een
                                    monument;</al></li><li nr="13."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wabo;</al></li><li nr="14."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wabo.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Monumentencommissie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Taken en bevoegdheden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders vragen de monumentencommissie advies
                            over:</al><lijst><li nr="1."><al>het te voeren of gevoerde monumentenbeleid;</al></li><li nr="2."><al>hun voornemen tot aanwijzing, wijziging of intrekking van de
                                    aanwijzing van monumenten tot beschermd gemeentelijk
                                    monument;</al></li><li nr="3."><al>een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 16 en de
                                    intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 21 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="4."><al>het subsidiebeleid voor monumenten;</al></li><li nr="5."><al>de wijze van voorlichting over het monumentenbeleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel/></kop><al>De monumentencommissie kan burgemeester en wethouders uit eigen beweging
                            adviseren over aangelegenheden die zij in het belang van haar taakgebied
                            nuttig oordeelt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>De monumentencommissie laat zich bij het uitbrengen van adviezen
                            uitsluitend leiden door overwegingen van geschiedkundig,
                            architectonisch, archeologisch, cultuur- of sociaal-historisch
                            belang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie dient te bestaan uit minimaal vier en
                                maximaal zeven leden en is als volgt samengesteld<vet>:</vet></al><lijst><li nr="a)"><al> een voorzitter</al></li><li nr="b)"><al> twee leden die op grond van hun belangstelling voor
                                        monumentenzorg en/of hun deskundigheid op het gebied van
                                        architectuur, archeologie, stedenbouw, geografie of historie
                                        voor benoeming in aanmerking komen;</al></li><li nr="c)"><al>overige leden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De benoeming van de leden geschiedt door de raad op voorstel van
                                burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie kiest uit haar midden een voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De monumentencommissie wordt bijgestaan door een door burgemeester
                                en</al><al> wethouders aan te wijzen secretaris.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De benoeming van de leden geschiedt telkens voor een periode van zes
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Aftredende leden zijn terstond herbenoembaar; zij blijven hun
                                functie waarnemen totdat een nieuwe benoeming heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De leden kunnen te allen tijde hun ontslag nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Werkwijze</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de vergadering van de monumentencommissie zijn alle leden
                                stemgerechtigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Beslissingen worden met absolute meerderheid van stemmen
                                genomen.</al><al>De minderheid kan vorderen dat van haar mening in het advies aan
                                burgemeester en wethouders melding wordt gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de stemmen staken, worden in het advies aan burgemeester en
                                wethouders de zienswijzen van de voor- en tegenstanders
                                meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden mogen niet tegenwoordig zijn bij de beraadslaging of
                                deelnemen aan stemming over onderwerpen die hen rechtstreeks of
                                middellijk persoonlijk aangaan of waarbij zij als vertegenwoordiger
                                zijn betrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit
                                nodig oordeelt of op verzoek van minimaal twee stemgerechtigde
                                leden, doch minimaal twee maal per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie mag niet beraadslagen of besluiten, indien
                                niet minimaal de helft van het aantal leden aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergaderingen van de monumentencommissie zijn openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De deuren worden gesloten wanneer de voorzitter dit nodig oordeelt
                                of het door twee leden wordt gevorderd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verslagen van de vergaderingen worden toegezonden aan
                                burgemeester en wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel/></kop><al>De leden ontvangen per bijgewoonde vergadering een door de raad
                            vastgestelde vacatievergoeding. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Beschermde gemeentelijke monumenten</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>De aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument en de registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op aanvraag van
                                    een belanghebbende, een monument aanwijzen als beschermd
                                    gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een
                                    besluit nemen, vragen zij advies aan de
                                    monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de aanwijzing
                                    van een monument als beschermd gemeentelijk monument bepalen dat
                                    bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voordat burgemeester en wethouders een kerkelijk monument
                                    aanwijzen, voeren zij overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is
                                    aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Noord-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum van ontvangst van een verzoek om aanwijzing
                                tot beschermd monument tot het moment dat de aanwijzing en
                                registratie als bedoeld in deze verordening plaatsvindt, dan wel
                                vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd zijn de
                                artikelen 16 tot en met 20 van overeenkomstige toepassing. Deze
                                voorbescherming wordt opgenomen in de gemeentelijke
                                beperkingenregistratie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken
                                    na ontvangst van het verzoek van burgemeester en
                                    wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen tien weken na
                                    ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in
                                    ieder geval binnen achttien weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Mededeling</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 10 eerste lid wordt medegedeeld
                                aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger
                                bekend staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers. De
                                aanwijzing wordt opgenomen in de gemeentelijke
                                beperkingenregistratie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders registreren het beschermde
                                    gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale
                                    aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het
                                    beschermde gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing ambtshalve of op
                                    aanvraag van een belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 10 tweede, derde en vierde lid, alsook artikel 11 eerste
                                    en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                    wijziging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders van ondergeschikte betekenis is blijft
                                    overeenkomstige toepassing van artikel 10 tweede, derde en
                                    vierde lid, alsook artikel 11 eerste lid achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 10 tweede lid en artikel 11 zijn van overeenkomstige
                                    toepassing op de intrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan
                                    artikel 3 van de monumentenverordening van de provincie
                                    Noord-Holland.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    aangetekend en in de gemeentelijke beperkingenregistratie
                                    aangetekend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Vergunning voor een beschermd gemeentelijke monument</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te
                                    beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag of
                                    in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a)"><al> een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te
                                            verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                                            wijzigen;</al></li><li nr="b)"><al> een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te
                                            gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze,
                                            dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht als bedoeld in het tweede lid,
                                    gelden niet Indien burgemeester en wethouders nadere regels
                                    stellen met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen
                                    te worden uitgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al>De aanvraag dient de voldoen aan de wettelijk eisen die daaraan
                                gesteld worden in artikel 4.2 en 4.3 van het Besluit
                                omgevingsrecht.</al><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. van het Besluit
                                omgevingsrecht moet in viervoud worden ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Advies van de monumentencommissie en beslissing op de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                    gemeentelijk monument aan de monumentencommissie voor
                                    advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie weken na de adviesaanvraag brengt de
                                    monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd
                                    gezag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag beslist binnen de wettelijke termijnen zoals
                                    gesteld in de paragrafen 3.2 en 3.3 van de Wabo.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders geven met betrekking tot een beschermd
                                kerkelijk monument geen beschikking ingevolge de bepalingen van
                                artikel 16 tweede lid dan in overeenstemming met de eigenaar, indien
                                en voor zover het een beschikking betreft, waarbij wezenlijke
                                belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                                zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                onder b, van de Wabo wordt geweigerd indien de monumentale waarden
                                van het beschermd monument op ontoelaatbare wijze worden
                                geschaad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken</al><al> indien:</al><lijst><li nr="a)"><al> blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste
                                            of onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b)"><al> blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als
                                            bedoeld in artikel 16, tweede lid, niet naleeft;</al></li><li nr="c)"><al> de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
                                            zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het
                                            monument zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d)"><al> niet binnen 1 jaar van de vergunning gebruik wordt
                                            gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beschikking tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                    monumentencommissie.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Vergunning voor een beschermd provinciaal monument</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Vergunning voor een beschermd provinciaal monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                    provinciaal monument aan Gedeputeerde Staten en aan de
                                    monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>Lid 2 en lid 3 van artikel 18 zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Vergunning voor een beschermd rijksmonument</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Vergunning voor een beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                rijksmonument aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met artikel 16 van deze verordening, wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van
                            ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Opsporingsbevoegdheid</titel></kop><al>De opsporing van de in artikel 24 strafbaar gestelde feiten is, naast de
                            in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
                            opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en
                            wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn
                            belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn
                            vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening wordt bekendgemaakt op……… en treedt in werking op
                                …….</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Monumentenverordening 2004, vastgesteld bij besluit van de
                                gemeenteraad van 27 april 2004, wordt gelijktijdig ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning en tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                                monument die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze
                                verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in lid 2
                                ingetrokken verordening voor zover niet strijdig met de bepalingen
                                van de Wabo.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De op grond van de onder lid 2 ingetrokken Monumentenverordening
                                2004 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden
                                geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                                bepalingen van deze verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald als “Monumentenverordening
                            2011”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING MONUMENTENVERORDENING 2011</titel></kop><al><vet>A Algemene toelichting</vet></al><al>De huidige wijziging van de Monumentenverordening 2004 houdt verband met de
                    inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de
                    Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet Wabo), het
                    besluit omgevingsrecht (Bor) en de Regeling omgevingsrecht (Mor). </al><al/><al>De monumentenvergunning uit de Monumentenverordening integreert volledig in de
                    omgevingsvergunning. </al><al>Nieuw is ook dat de omgevingsvergunning voor beschermde provinciale monumenten
                    door burgemeester en wethouders wordt verleend. Daarbij is het verplicht om
                    advies aan Gedeputeerde Staten te vragen. </al><al/><al>De bepalingen zijn waar nodig aangepast aan de Wet kenbaarheid
                    publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. </al><al/><al>Ook in deze nieuwe verordening zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en
                    de daarin gekozen systematiek als uitgangspunt genomen. </al><al/><al><vet>B Artikelsgewijs toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Lid 2 </al><al>In dit artikel wordt gesproken van monumenten zonder de aanduiding roerend of
                    onroerend. In tegenstelling tot de Monumentenwet 1988 -waarin alleen sprake is
                    van onroerende monumenten- kunnen ook roerende zaken onder de werking van deze
                    verordening vallen. </al><al>Achterliggende gedachte daarbij is dat gelet op de historie van de gemeente met
                    name historische schepen een beschermde status moeten kunnen krijgen. </al><al/><al>Lid 2 a </al><al>Bij de omschrijving van het begrip monument is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de Monumentenwet 1988. </al><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    waarde. </al><al>De onder b bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel
                    met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een
                    bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken. Een
                    zaak is immers een veel ruimer begrip. </al><al/><al>De vijftig-jaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke
                    monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                    monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn,
                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. </al><al/><al>Lid 3 </al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit
                    de Wabo van toepassing. </al><al/><al>Lid 4 </al><al>De term gemeentelijk archeologisch monument wordt apart gedefinieerd in verband
                    met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument inneemt ten
                    aanzien van de vergunningverlening. Ten eerste is er verschil in behandeling
                    tussen een rijks- of gemeentelijk beschermd archeologisch monument bij een
                    vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor het verstoren of in enig opzicht
                    wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van
                    burgemeester en wethouders. Als er echter sprake is van een beschermd
                    archeologisch rijksmonument beslist de minister op de vergunningaanvraag. </al><al>Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving alleen
                    plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in
                    zijn algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of
                    er sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen
                    is vergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder
                    bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan de rijksdienst, een instelling
                    voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente. Vanwege deze twee aspecten
                    wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt tussen een normaal en een
                    (gemeentelijk) archeologisch monument. </al><al/><al>Lid 6 </al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. </al><al/><al>Lid 7 </al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een beschermd rijksmonument in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door burgemeester en wethouders van de
                    bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop van beschermde
                    rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor beschermde
                    rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet
                    1988 van toepassing. </al><al/><al>Lid 9 </al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd gemeentelijk
                    monument is overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 10, lid 4).
                    Is er sprake van een vergunning voor het gemeentelijke of rijksbeschermde
                    kerkelijke monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en
                    vergunningverlener nodig zijn (zie artikel 19). Overleg en overeenstemming
                    betreffen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke
                    monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie, een catechisatieruimte of verblijven
                    van kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de
                    regel dan ook niet. </al><al>Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere monumenten gelden. </al><al/><al>Lid 10 </al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd
                    gezag. In de verordening wordt door de raad bepaald dat een monumentencommissie
                    advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de
                    Monumentenwet 1988. </al><al>In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                    inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag
                    over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in
                    artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat
                    het college in dit geval geen keuzevrijheid</al><al>heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. </al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening, de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de
                    monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de
                    toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het
                    vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988 </al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. </al><al>Dit artikel is van belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van
                    monumenten en bij de vergunningverlening. </al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Een aantal taken vloeit voort uit de verplichtingen die in deze verordening aan
                    burgemeester en wethouders worden opgelegd. Daarnaast zijn burgemeester en
                    wethouders verplicht over het monumentenbeleid en alles wat daarmee samenhangt
                    advies te vragen. Achterliggende gedachte is dat gerichte advisering over
                    vergunningen en aanwijzingen pas mogelijk is wanneer er sprake is van een zich
                    medeverantwoordelijk weten van de commissie voor het monumentenbeleid in zijn
                    geheel. </al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al><cursief>Dit artikel geeft de commissie de bevoegdheid ook ongevraagd advies te
                        geven. Niet </cursief><cursief>ondenkbeeldig is dat leden van de commissie
                        vanuit hun eigen achtergrond op de </cursief><cursief>hoogte zijn van zaken
                        die van belang zijn voor het gemeentelijk monumentenbeleid.</cursief></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. paragraaf 1 De aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument
                        en de </vet><vet>registratie op de gemeentelijke
                        monumentenlijstmonument</vet></al><al/><al>De Wabo is niet van toepassing op deze paragraaf. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten. </al><al/><al><vet>Artikel 10 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument</vet></al><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het pand onder de werking van de
                    verordening geplaatst. Andere zaken zoals het interieur of zaken die zich op het
                    perceel van het beschermde monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting
                    en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de werking van de
                    verordening vallen. Voor elke wijziging van het beschermde monument is dus een
                    vergunning nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale
                    vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht. </al><al/><al>Lid 1 </al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. </al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De</al><al>aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers
                    over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het monument. Een
                    aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een </al><al>monumentaal object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts
                    met een vergunning (zie art. 16, tweede lid) of slechts op grond van de nadere
                    regels (zie art. 16, derde lid) worden gewijzigd. </al><al>Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer
                    ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar
                    toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de
                    redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van
                    het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en
                    voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging
                    kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen
                    tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de
                    achterkant en het interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor
                    monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen. </al><al/><al>Lid 2 </al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub 11. In de verordening is geen bepaling opgenomen dat
                    voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere
                    belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8
                    en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><al/><al>Lid 3 </al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis. Er is een tweetal momenten te onderscheiden wanneer een gemeente
                    bouwhistorisch onderzoek kan vragen. </al><al>Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument. De informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan van
                    invloed zijn op de beslissing van burgemeester en wethouders om het pand al dan
                    niet als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het
                    pand in de registers wordt ingeschreven. </al><al>Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd
                    gemeentelijk monument. De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of
                    andere wijziging aangetast wordt is van invloed op de beslissing van
                    burgemeester en wethouders. </al><al/><al>Aanwijzing tot beschermd monument </al><al>De aanvraag tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is in veel
                    gevallen niet afkomstig van de eigenaar van het pand. Veelal dient een
                    belangenvereniging voor monumenten een aanvraag tot aanwijzing in. In die
                    gevallen dat een ander dan de eigenaar van een pand een aanvraag tot aanwijzing
                    indient, dan wel de gemeente ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan de
                    gemeente de eigenaar moeilijk verplichten bouwhistorisch onderzoek uit te
                    voeren. Indien de eigenaar of gebruiker een aanvraag voor vergunning tot
                    wijziging van het gebouw indient, kan de gemeente hieraan de voorwaarde
                    verbinden dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht. In dat geval zullen (een
                    deel van) de kosten van het bouwhistorisch onderzoek ten laste van de eigenaar
                    kunnen worden gebracht, gezien het belang dat deze bij de vergunningverlening
                    heeft (zie verder bij Vergunning tot wijziging van een beschermd monument). </al><al/><al>Om het bouwhistorisch onderzoek uit te voeren moet men het gebouw betreden. Voor
                    het binnentreden is toestemming van de eigenaar nodig. Deze toestemming vormt
                    naast de kosten van het onderzoek het tweede mogelijke knelpunt voor het
                    bouwhistorisch onderzoek. Bij het binnentreden moet onderscheid worden gemaakt
                    tussen woningen en gebouwen anders dan woningen. Het binnentreden van woningen
                    is in verband met het huisvrederecht aan strengere voorwaarden gebonden dan het
                    binnentreden van andere gebouwen. </al><al>Op grond van de Gemeentewet kan de gemeente zich niet de toegang tot een woning
                    verschaffen ten behoeve van het verrichten van bouwhistorisch onderzoek. Het
                    binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoners is slechts
                    toegestaan in die gevallen dat het binnentreden tot doel heeft het handhaven van
                    de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                    personen. Bouwhistorisch onderzoek heeft dit niet tot doel. Bij woningen is de
                    gemeente dus afhankelijk van de bereidheid van de woningeigenaar om
                    bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. Argumenten die de gemeente kan
                    gebruiken zijn het verkrijgen van zicht op de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw en het feit dat mogelijk anders bij een wijzigingsvergunning
                    bouwhistorisch onderzoek als voorwaarde kan worden gesteld. </al><al/><al>Vergunning tot wijziging van een beschermd monument </al><al>De gemeente kan voordat zij een besluit neemt over de vergunningverlening tot
                    wijziging van een beschermd monument bepalen dat informatie over de
                    bouwhistorische waarde van het gebouw nodig is. Het is niet noodzakelijk om het
                    vragen van bouwhistorisch onderzoek in de verordening vast te leggen. De
                    voorwaarden die de gemeente omtrent de afhandeling van aanvragen om een
                    beschikking op grond van de Awb (artikel 4:5) kan stellen bieden voldoende
                    houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de </al><al>cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot
                    wijziging van een monument van belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de
                    uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort
                    om tot een beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn
                    van evenredigheid. </al><al>De gemeente kan de aanvrager bijvoorbeeld niet verplichten om voor het gehele
                    pand bouwhistorisch onderzoek uit te voeren als slechts voor een deel van het
                    pand een wijzigingsvergunning wordt aangevraagd. Daarnaast moet de gemeente bij
                    het stellen van voorwaarden rekening houden met de kosten die met het
                    bouwhistorisch onderzoek zijn gemoeid. Deze kosten moeten in redelijke
                    verhouding tot de kosten van de verbouwing staan. </al><al/><al>Het feit dat het binnentreden van een woning niet afgedwongen kan worden is bij
                    een aanvraag tot vergunningverlening geen probleem. Indien de eigenaar weigert
                    om de personen die het bouwhistorisch onderzoek moeten verrichten binnen te
                    laten dan kan hij niet aan de verplichting van de vereiste bescheiden voldoen.
                    In die gevallen zullen burgemeester en wethouders de aanvraag, na herhaald
                    verzoek de verlangde gegevens te leveren, niet ontvankelijk verklaren. </al><al>Bij de verlening van de vergunning kan de gemeente in de vergunningvoorwaarden
                    het doen van onderzoek en het verstrekken van documentatie tijdens de
                    bouwwerkzaamheden regelen, net als het veilig stellen van de afkomende
                    bouwhistorische elementen. </al><al/><al>Lid 4 </al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen. </al><al/><al><vet>Artikel 10a Voorbescherming</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    ontvangst van een verzoek tot aanwijzing tot een beschermd monument tot het
                    moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in deze verordening
                    plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, de
                    artikelen 16 tot en met 20 van deze verordening van toepassing zijn. Dat
                    betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot
                    gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.)
                    zonder een </al><al>omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere regels
                    opgestelde wijze. </al><al>Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een
                    motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                    consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen
                    bouwactiviteiten te worden opgeschort. </al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. </al><al>Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van
                    de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 12 van deze
                    verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Termijn advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger. </al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan. </al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6). </al><al/><al><vet>Artikel 12 Mededeling</vet></al><al>De ontvangst van de mededeling van het college is voor alle aan het monumentale
                    object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. </al><al>De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot
                    artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet
                    kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                    voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als
                    bedoeld in artikel 6 van deze verordening. </al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen. </al><al/><al><vet>Artikel 13 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 10, eerste lid (aanwijzing). </al><al/><al><vet>Artikel 16 Vergunning voor een beschermd gemeentelijk monument</vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste en tweede lid van artikel 16 vertoont
                    gelijkenis met artikel 2.1 eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om
                    de beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                    alleen over gemeentelijke monumenten. </al><al>Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is
                    van </al><al/><al>belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de
                    Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). </al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. </al><al>In lid 3 van artikel 16 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. </al><al>Deze bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het
                    college blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen
                    gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard
                    zijn. In deze nadere regels kunnen expliciet die situaties worden benoemd waarin
                    de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. In de nadere regels
                    (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de uitgangspunten,
                    functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden
                    opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit
                    (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. </al><al/><al><vet>Artikel 18 Advies van de monumentencommissie en beslissing op de
                        aanvraag</vet></al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. </al><al>Echter indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd
                    en voor één van de andere activiteiten de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet worden dan wordt voor
                    het hele project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd.
                    Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er
                    sprake is van een samenloop van procedure geldt de zwaarste procedure (de
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). </al><al/><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging van het indienen
                    van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag
                    heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke
                    procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare
                    rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het
                    bevoegd gezag tevens dat een beslissing van</al><al>rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de
                    verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de
                    aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag
                    binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van
                    de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag,
                    nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd
                    gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de
                    aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele
                    belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8
                    Awb). </al><al/><al>Gebruik is gemaakt van de op grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo geboden
                    mogelijkheid om ‘andere instanties’, in casu de gemeentelijke
                    monumentencommissie aan te wijzen, die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. </al><al>De adviestermijn is gesteld op drie weken. Van belang is dat de commissie in de
                    gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is echter aan de
                    commissie om te bepalen of die van deze gelegenheid gebruik wil maken. </al><al/><al>Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de weg.
                    Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het bevoegd
                    gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8
                    weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken
                    worden verlengd. Het bevoegde gezag </al><al>dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van
                    de aanvraag. </al><al/><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. </al><al/><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. </al><al/><al>Men spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit
                    paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van
                    artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt
                    in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien
                    bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. </al><al/><al>Indien de aanvraag een verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument
                    betreft kan de gemeente bij het afgeven van een vergunning bepalen dat de
                    belangen waardoor het terrein is aangewezen voldoende moeten zijn beschermd. Dit
                    kan zij regelen door in de vergunningvoorwaarden op te nemen dat de
                    rechthebbende op het terrein toestemming moet verlenen aan door burgemeester en
                    wethouders aan te wijzen personen om het terrein te betreden en om graafwerk of
                    documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten verrichten. </al><al>Een en ander kan ook nodig zijn in verband met het verkrijgen van voldoende
                    gegevens om op de vergunningaanvraag te kunnen beschikken. </al><al/><al><vet>Artikel 19 Kerkelijk monument</vet></al><al>Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen
                    de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen
                    de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument.
                    Dat betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze
                    bepaling dan ook niet geldt. </al><al><cursief>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het
                        geding, dan is overeenstemming niet </cursief><cursief>vereist. Zie de
                        toelichting op artikel 1, lid 9.</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 21 Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op de taak van de monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                    omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd
                    adviseren. </al><al>De in kennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen omkleed moeten
                    zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat artikel 3:41 Awb dit regelt. </al><al/><al><vet>Artikel 22 Vergunning voor een beschermd provinciaal monument</vet></al><al>Op grond van de Wabo zijn burgemeester en wethouders het gevoegde gezag geworden
                    bij de behandeling van een omgevingsvergunning voor een beschermd provinciaal
                    monument. Hierbij geldt de reguliere voorbereidingsprocedure (8 weken). </al><al>In deze gevallen moet de aanvraag om advies aan Gedeputeerde Staten en aan de
                    monumentencommissie worden voorgelegd. </al><al>De procedure voor de vergunningaanvraag voor gemeentelijk beschermde monumenten
                    is van toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 23 Vergunning voor een beschermd rijksmonument</vet></al><al>Lid 1 </al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde rijksmonumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4
                    van de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. </al><al>Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde rijksmonumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke en provinciale monumenten. Voor een
                    vergunning als bedoeld in artikel 16 en in artikel 22 dient namelijk de
                    reguliere procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo
                    vindt er geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de
                    omgevingsvergunning voor beschermde monumenten plaats. Door dit onderscheid in
                    procedures is de beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit
                    heeft tot gevolg dat de adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer is.
                    Door de komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende
                    de termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                    konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde </al><al>Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na verzending van de
                    adviesaanvraag adviseren. </al><al/><al>Het definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag
                    worden genomen. Op het definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden
                    beroep worden ingesteld. </al><al/><al>De beperkte adviesplicht van de rijksdienst sinds 2009 zal van invloed op de
                    procedure zijn. </al><al>De verplichte advisering is met de ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in
                    verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er
                    sprake is van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument
                    is de adviesplicht van toepassing. </al><al/><al>Naar verwachting zal per 1 juli 2011 de reguliere procedure (8 weken met
                    maximaal 6 weken verlenging) ook gaan gelden voor een aantal lichtere ingrepen
                    aan rijksmonumenten waarover de minister van OCW nu ook al niet adviseert. </al><al/><al>Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college van
                    B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen
                    de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot
                    advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. </al><al/><al>Lid 2 </al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde rijksmonumenten wordt ingeschakeld. </al><al/><al><vet>Artikel 24 Strafbepaling</vet></al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere regels die het college kan stellen op grond van artikel 16, derde lid. </al><al>De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict. </al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. </al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend. </al><al/><al><vet>Artikel 26 Inwerkingtreding</vet></al><al>Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande rechten is in deze
                    verordening een overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in
                    dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 10) en de vergunning verlening
                    (artikel 16). </al><al>Voor een bepaalde overgangsperiode zullen er twee procedures kunnen gelden.
                </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>