<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR10005_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmings- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gedelegeerde functionaris</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vastgesteld door het AB van de ISD Midden-Langstraat.</al><al>Datum inwerkingtreding is 1e dag na publicatie. Datum zoals hieronder aangegeven is niet correct.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmings- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>Het algemeen bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst
                            Midden-Langstraat gevestigd te Waalwijk,</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, artikel 8a
                            en artikel 18 van de Wet werk en bijstand;</al><al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke
                            Sociale Dienst Midden-Langstraat van 4 december 2006;</al><al>overwegende dat er redenen zijn de afstemmingsverordening WWB te
                            herzien</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de <vet>'</vet><vet>Afstemmings</vet><vet>- en
                                </vet><vet>handhavingsverordening</vet><vet> Wet werk en bijstand
                                2007'</vet>.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>bijstand: de bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2
                                    en 3, van de wet en de bijzondere bijstand bedoeld in artikel 12
                                    van de wet;</al></li><li nr="c."><al>trajectplan/re-integratieplan: een individueel plan, gericht op
                                    het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het
                                    arbeidsproces of deelname aan sociale activiteiten;</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende: degene die bijstand ontvangt of heeft ontvangen
                                    in de periode waarop de afstemmingswaardige gedraging betrekking
                                    heeft;</al></li><li nr="e."><al>benadelingsbedrag: het nettobedrag aan bijstand dat ten onrechte
                                    of tot een te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="f."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                    Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                dagelijks bestuur of zijn ambtenaren zeer ernstig misdragen, wordt
                                overeenkomstig deze verordening de bijstand verlaagd of de betaling
                                van de bijstand opgeschort.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot
                                        het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan afstemming
                                plaatsvinden door de bijstand bij een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het
                                bestaan te verstrekken als geldlening op basis van artikel 48 tweede
                                lid onder b van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot verlaging van de bijstand</titel></kop><al>In het besluit tot verlaging wordt in ieder geval vermeld: de reden van
                            de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te
                            wijken van een standaardverlaging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van verlaging van de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur ziet af van verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; òf</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het dagelijks bestuur heeft plaatsgevonden,
                                        tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
                                        inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                        bijstand is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd na verloop van 5 jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan afzien van verlaging indien het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het dagelijks bestuur afziet van verlaging op grond van
                                dringende redenen wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk
                                mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging gaat in met ingang van de eerste dag van de maand
                                volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging aan de
                                belanghebbende is bekend gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                                kracht worden toegepast, voor zover de bijstand nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De periode van verlaging van de bijstand wordt verdubbeld, indien de
                                belanghebbende zich binnen 24 maanden na de vorige als verwijtbaar
                                aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer er een verlaging van de uitkering plaatsvindt gedurende een
                                langere periode dan drie maanden, wordt elke drie maanden nagegaan
                                of de hoogte en duur van de maatregel op basis van de omstandigheden
                                van de uitkeringsgerechtigde dienen te worden aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid inhouden, wordt voor het bepalen van de
                            hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarvoor de
                            hoogste verlaging geldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF
                            BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet</al><al>of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet als werkzoekende (laten) inschrijven bij
                                            de Centrale organisatie werk en inkomen, dan wel de
                                            inschrijving niet of niet tijdig (laten) verlengen;</al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan het dagelijks
                                            bestuur verstrekken van het trajectplan c.q.
                                            re-integratieplan.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening
                                            en/of de periode gedurende de bijstandsverlening niet
                                            naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                            verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            het gebruik maken van een aangeboden voorziening,
                                            waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan
                                            een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing of sociale activering,
                                            voor zover deze gedraging niet heeft geleid tot het
                                            voortijdig afsluiten van het traject.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van een door het dagelijks bestuur
                                            aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet of
                                            onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
                                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of
                                            sociale activering, voor zover deze gedraging heeft
                                            geleid tot het geen doorgang vinden of het voortijdig
                                            afsluiten van het traject.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6 derde
                            lid, wordt de verlaging vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Te laat verstrekken van inlichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de
                            wet niet nakomt door informatie, die van belang is voor de verlening van
                            bijstand niet tijdig te verstrekken, kan met toepassing van artikel 54
                            van de wet het recht op bijstand worden opgeschort met ingang van de
                            eerste dag van het verzuim.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, kan,
                                onverminderd artikel 2, tweede lid, een verlaging toegepast worden
                                van 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand wordt de verlaging
                                afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging bedoeld in
                                het tweede lid op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand indien het
                                        benadelingsbedrag minder bedraagt dan € 500,-;</al></li><li nr="b."><al>25% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                        benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 500,-
                                        maar minder bedraagt dan € 2000,-;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                        benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                        2000,- maar minder bedraagt dan € 4000,-;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                        benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                        4000,-.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Onverwijld</titel></kop><al>Bij toepassing van artikel 17, eerste lid, van de wet dient onder
                            onverwijld te worden verstaan: bij het eerstvolgende
                            rechtmatigheidonderzoeksformulier of, indien dit niet van toepassing is,
                            vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit dan wel
                            de omstandigheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet zich
                            heeft voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of niet
                                volledig kan worden toegepast, wordt het restant van de verlaging
                                ten uitvoer gelegd, zodra de belanghebbende opnieuw recht op
                                uitkering heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de verlaging bedoeld in het eerste lid niet ten uitvoer is
                                gelegd binnen een termijn van twee jaar na de (fictieve)
                                ingangsdatum van de verlaging, komt deze te vervallen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond, anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel 8, wordt
                                de bijstand verlaagd met:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, indien
                                        belanghebbende verwijtbaar geen of geen volledig recht heeft
                                        op een uitkering krachtens een sociale verzekering of een
                                        daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse
                                        regeling of private verzekering, dan wel bij het verwijtbaar
                                        verliezen van een zodanig recht;</al></li><li nr="b."><al>100% van de bijstandsnorm over de periode dat belanghebbende
                                        niet op bijstand zou zijn aangewezen indien hij op
                                        verantwoorde wijze de middelen waarover hij beschikte of
                                        redelijkerwijze kon beschikken zou hebben aangewend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als toepassing van het vorige lid leidt tot onbillijkheden wordt
                                toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48 tweede lid onder b
                                van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            dagelijks bestuur of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                            rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet wordt een
                            verlaging toegepast van 100% gedurende 1 maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate
                            worden nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 20% van de
                            bijstandsnorm gedurende 1 maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4A:</nr><titel>Uitvoering door Sociale Verzekeringsbank3</titel></kop><structuurtekst><al>In afwijking van de vorige artikelen is op de uitkeringsgerechtigden die
                            op grond van de Regeling mandaatverstrekking, machtiging en
                            volmachtverlening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een uitkering
                            ingevolge de WWB ontvangen, het maatregelenbeleid van de SVB
                            (Staatscourant 2006, 121 en 2008, 98) van toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>HANDHAVINGSBELEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Handhavingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur biedt het algemeen bestuur een handhavingsplan
                                aan met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving,
                                bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet werk en
                                bijstand en de te verwachten resultaten en rapporteert hierover
                                jaarlijks in het beleidsplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het handhavingsplan worden in ieder geval de volgende onderwerpen
                                besproken:</al><lijst><li nr="a."><al>Voorlichting en communicatie</al></li><li nr="b."><al>Poortwachtersfunctie</al></li><li nr="c."><al>Controle bij aanvraag</al></li><li nr="d."><al>Controle tijdens en na beëindiging van de uitkering</al></li><li nr="e."><al>Validering van gegevens</al></li><li nr="f."><al>Afstemming van de uitkering bij schending
                                        inlichtingenverplichting</al></li><li nr="g."><al>Terug- en invordering van ten onrechte verstrekte
                                        uitkeringen</al></li><li nr="h."><al>Aangiftebeleid ten aanzien van vermeende steunfraude</al></li><li nr="i."><al>Controlemiddelen</al></li><li nr="j."><al>Risicoprofielen en -signalen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6:</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan ten behoeve van de uitvoering van deze
                            verordening nadere beleidsregels stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze afstemmings- en handhavingsverordening WWB treedt in werking met
                            ingang van de eerste dag na publicatie in de daarvoor bestemde
                            periodieken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: de Afstemmings- en
                            handhavingsverordening WWB 2007.</al><al>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 17 december 2007</al><al>Het algemeen bestuur voornoemd,</al><al>de secretaris, de voorzitter,</al><al>mevrouw A.E.W. van Limpt P.W.M. van Dongen</al><al>Aldus gewijzigd en vastgesteld in zijn openbare vergadering van 7 juli
                            2008 met als ingangsdatum 1</al><al>juli 2008-07-08.</al><al>de secretaris, de voorzitter,</al><al>mevrouw A.E.W. van Limpt R. van den Bos</al><al> Algemene Toelichting</al><al>De Wet werk en bijstand (WWB) kent de opdracht aan gemeenten om een
                            verordening vast te stellen</al><al>voor de verlaging van de uitkering bij het niet nakomen van
                            verplichtingen. In de</al><al>afstemmingsverordening wordt vastgelegd op welke wijze de uitkering
                            wordt verlaagd wegens</al><al>onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid of het niet nakomen
                            van verplichtingen. Deze</al><al>verordening bevat een normering met betrekking tot de verlaging van de
                            uitkering in het kader van de</al><al>WWB.</al><al>Ook geldt er de verplichting om in het kader van het financiële beheer
                            bij verordening regels te stellen</al><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede
                            van misbruik en oneigenlijk</al><al>gebruik van de wet.</al><al>De gemeentebesturen van de gemeenten Heusden, Loon op Zand en Waalwijk
                            hebben de uitvoering</al><al>van de WWB opgedragen aan de Intergemeentelijke Sociale Dienst
                            Midden-Langstraat. In het kader</al><al>van deze verordening treedt bij de bepalingen van de WWB het 'algemeen
                            bestuur' in plaats van 'de</al><al>raad' en het 'dageljiks bestuur' in plaats van het 'college'.</al><al>In het door de gezamenlijke raden vastgestelde beleidsplan wordt aan de
                            Intergemeentelijke Sociale</al><al>Dienst Midden - Langstraat de opdracht gegeven op een geheel eigen
                            manier de uitvoering van de</al><al>WWB ter hand te nemen op basis van een eensluidend en gemeenschappelijk
                            beleid.</al><al>Enkele belangrijke uitgangspunten daarbij zijn:</al><al>o stringente participatieplicht</al><al>o de eigen verantwoordelijkheid van de klant staat voorop</al><al>o invoering Workfirst model</al><al>o resultaatgerichte uitvoering WWB met als doel beheersing van het
                            uitkeringsvolume</al><al>Om deze uitgangspunten te kunnen waarmaken is het van belang om een
                            stringente uitvoering te</al><al>geven aan de uitvoering van deze verordening in combinatie met de
                            Re-integratieverordening.</al><al>De uitgangspunten van deze verordening dienen middels een goede
                            voorlichting aan de</al><al>belanghebbenden gecommuniceerd te worden.</al><al>Wanneer wordt geconstateerd dat de belanghebbende zich niet houdt aan de
                            uit de wet</al><al>voortvloeiende verplichtingen (inclusief de verplichtingen die de
                            belanghebbende middels een</al><al>beschikking zijn opgelegd) of anderszins onvoldoende besef van
                            verantwoordelijkheid toont, kan de</al><al>bijstand tijdelijk worden verlaagd. Dit houdt ook in dat als de
                            belanghebbende geen juiste informatie</al><al>verstrekt de uitkering lager kan worden vastgesteld.</al><al>Het niet voldoen aan een bepaalde verplichting weegt niet in alle
                            gevallen even zwaar. Bij het</al><al>vaststellen van de verlaging dient rekening te worden gehouden met de
                            persoonlijke omstandigheden</al><al>en de individueel vastgestelde verplichtingen. Dit kan inhouden dat
                            bijvoorbeeld op grond van</al><al>dringende redenen gemotiveerd geheel of gedeeltelijk wordt afgezien van
                            verlagen van de uitkering.</al><al>Benadrukt wordt dat in ieder geval van een verlaging van de uitkering
                            wordt afgezien indien elke vorm</al><al>van verwijtbaarheid ontbreekt. Te denken valt daarbij aan situaties
                            waarbij de belanghebbende door</al><al>overmacht niet in staat is geweest een of meer afspraken volledig na te
                            komen.</al><al>De eigen verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening
                            houdt in dat aan het</al><al>verkrijgen van een uitkering verplichtingen zijn verbonden. Deze
                            verplichtingen gelden vanaf de</al><al>melding, dus al voordat het recht op bijstand is vastgesteld. Als
                            bijvoorbeeld bij aanvang van de</al><al>uitkering blijkt dat de belanghebbende door eigen toedoen zijn baan
                            heeft verloren en als gevolg</al><al>daarvan een beroep moet doen op bijstand, is hij daardoor niet de
                            verplichting nagekomen om waar</al><al>mogelijk in het eigen bestaan te voorzien. Dit geldt ook in situaties
                            waarin belanghebbende door zijn</al><al>handelen of nalaten het recht verspeelt op een voorliggende voorziening,
                            bijvoorbeeld een uitkering</al><al>op grond van de Werkloosheidswet, of wanneer hij zijn vermogen te snel
                            heeft ingeteerd. Verder kan</al><al>het gaan om situaties waarin de belanghebbende te weinig zijn best heeft
                            gedaan om aan het werk te</al><al>komen, bijvoorbeeld door te weinig te solliciteren of door het weigeren
                            van aangeboden arbeid.</al><al>Het dagelijks bestuur kan de verlaging voor een bepaalde periode
                            opleggen of totdat de</al><al>belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld. Het dagelijks bestuur
                            beoordeelt drie maanden na</al><al>de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van de
                            belanghebbende</al><al>aanleiding geven de beslissing te herzien.</al><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>8</al><al>Bij het besluit tot het verlagen van de bijstand én bij de heroverweging
                            vormen de algemene</al><al>beginselen van behoorlijk bestuur centrale uitgangspunten.</al><al>De normering van de verlagingen bestaat uit een categorisering van
                            gedragingen die betrekking</al><al>hebben op het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden
                            verplichtingen. Naargelang de ernst</al><al>van het verwijtbaar handelen worden verschillende gestandaardiseerde
                            verlagingen van de uitkering</al><al>voorgeschreven. De categorisering van de gedragingen corresponderend met
                            de aan de uitkering</al><al>verbonden verplichtingen, brengt in samenhang met de genormeerde
                            afstemming van de uitkering tot</al><al>uitdrukking welk gewicht aan het niet voldoen van een bepaalde
                            verplichting wordt toegekend.</al><al>Daarnaast wordt bij uitkeringsfraude een verlaging toegepast die is
                            afgestemd op de hoogte van de</al><al>ten onrechte ontvangen bijstand.</al><al>Aan de indeling in categorieën ligt het criterium ten grondslag dat de
                            ernst van het feit toeneemt,</al><al>naarmate het niet nakomen van een verplichting concretere gevolgen heeft
                            voor het verkrijgen van</al><al>betaalde arbeid. Bij de beoordeling van de ernst van het feit is
                            derhalve onder meer van belang of er</al><al>sprake is van onvoldoende eigen initiatief en de kansen op
                            arbeidsinschakeling door eigen toedoen</al><al>worden verminderd of zelfs teniet worden gedaan.</al><al>Door de normering van de afstemming in deze verordening wordt beoogd
                            rechtsgelijkheid en</al><al>rechtszekerheid te bevorderen, zonder dat hierbij afbreuk wordt gedaan
                            aan de mogelijkheid tot</al><al>individualisering, door altijd te kijken of de situatie van de
                            belanghebbende aanleiding kan geven om</al><al>af te wijken van de standaard verlaging.</al><al>De verlaging van de uitkering zal naar rato op de samengestelde
                            bijstandsuitkering (algemene norm</al><al>en gemeentelijke toeslag) worden toegepast. In het geval van een
                            jongmeerderjarige, die naast de</al><al>algemene bijstand bijzondere bijstand ontvangt voor de algemeen
                            noodzakelijke kosten van het</al><al>bestaan, zal de verlaging op de algemene bijstand en de bijzondere
                            bijstand worden toegepast.</al><al>Hierdoor worden de consequenties van verwijtbaar gedrag over de hele
                            toegekende bijstand</al><al>geëffectueerd.</al><al>Deze verordening is overeenkomstig van toepassing op verwijtbare
                            gedragingen die hebben</al><al>plaatsgevonden in het kader van de Wet inburgering nieuwkomers (artikel
                            18, vijfde lid, van de WIN).</al><al>Een boete blijft bij de WIN achterwege indien voor dezelfde gedraging in
                            het kader van de WWB een</al><al>verlaging is toegepast.</al><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>9</al><al> ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Hoofdstuk 1: ALGEMENE BEPALINGEN</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de</al><al>omschrijving in de WWB.</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip
                            wordt in artikel 1:2 van de</al><al>Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als ‘degene wiens belang
                            rechtstreeks bij een besluit</al><al>is betrokken’.</al><al>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</al><al>1.De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al><al>. Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het</al><al>bestaan (artikel 18, tweede lid).</al><al>. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten</al><al>verplichtingen:</al><al>o de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en deze te</al><al>aanvaarden; en</al><al>o de plicht gebruik te maken van een door het dagelijks bestuur
                            aangeboden</al><al>voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.</al><al>Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                            verplichtingen</al><al>die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                            bijstandsgerechtigde. De reintegratieverordening</al><al>vormt de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke</al><al>verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot het
                            verlenen van bijstand</al><al>moeten worden neergelegd.</al><al>. De inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de</al><al>verplichting aan het dagelijks bestuur op verzoek of onverwijld uit
                            eigen beweging</al><al>mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                            redelijkerwijs</al><al>duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                            arbeidsinschakeling of het recht</al><al>op bijstand.</al><al>. De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden</al><al>om desgevraagd het dagelijks bestuur de medewerking te verlenen die
                            redelijkerwijs</al><al>nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit
                            allerlei concrete</al><al>verplichtingen bestaan, zoals:</al><al>o het toestaan van huisbezoek;</al><al>o het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de</al><al>medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het dagelijks bestuur of
                            zijn ambtenaren zeer</al><al>ernstig misdragen’.</al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                            betreft de verplichting om</al><al>alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale organisatie
                            werk en inkomen te</al><al>verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het dagelijks bestuur
                            (artikel 28, tweede lid Wet</al><al>SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                            alle feiten en</al><al>omstandigheden mee te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen,
                            waarvan hem</al><al>redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
                            het recht op bijstand, het geldend</al><al>maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand
                            (artikel 29, eerste lid Wet SUWI).</al><al>2.In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een</al><al>verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van
                            een vaste (procentuele)</al><al>verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het dagelijks bestuur
                            dient een verlaging af te stemmen</al><al>op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van
                            verwijtbaarheid. Deze</al><al>bepaling brengt met zich mee dat het dagelijks bestuur bij elke
                            verlaging zal moeten nagaan of gelet</al><al>op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde
                            afwijking van de hoogte en</al><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>10</al><al>de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking
                            van de standaardverlaging</al><al>kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het dagelijks bestuur bij het beoordelen of een
                            verlaging moet worden toegepast, en</al><al>zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de bijstand</al><al>wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                            verwijtbaarheid wordt verwezen naar de</al><al>toelichting bij artikel 5.</al><al>Matiging van de verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan
                            bijvoorbeeld in de volgende</al><al>gevallen aan de orde zijn:</al><al>o bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende</al><al>o sociale omstandigheden.</al><al>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</al><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                            toegepast op de</al><al>bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                            inclusief gemeentelijke</al><al>toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.</al><al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid geopend de bijzondere bijstand
                            te verlagen. Dit geldt zowel</al><al>voor de bijzondere bijstand die bestemd is voor de kosten van
                            levensonderhoud van 18- tot 21-jarigen</al><al>als aanvulling op de lage jongerennorm, maar ook voor de overige
                            gevallen waarin bijzondere bijstand</al><al>aan de orde komt. In dit geval moet er een oorzakelijk verband zijn
                            tussen de verwijtbare gedraging en</al><al>het recht op bijstand.</al><al>In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen de bijstandsverlening te
                            baseren op een geldlening als</al><al>er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
                            de voorziening in de kosten</al><al>van het bestaan.</al><al>Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de bijstand</al><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet voldoen aan een of
                            meerdere op grond van de WWB</al><al>opgelegde verplichtingen, vindt plaats door middel van een besluit.
                            Wanneer de verlaging op een</al><al>lopende uitkering wordt toegepast, wordt een besluit tot vaststelling
                            van de algemene bijstand op</al><al>grond van artikel 45 WWB genomen.</al><al>Wordt een verlaging met terugwerkende kracht toegepast, dan moet een
                            besluit tot herziening van de</al><al>bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid WWB). Tegen beide
                            besluiten kan door de</al><al>belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                            worden vermeld. Deze eisen</al><al>vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                            dan met name het</al><al>motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat
                            een besluit kenbaar is en van</al><al>een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al><al>Artikel 5 Afzien van verlaging van de bijstand</al><al>1.Het afzien van een verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’
                            ontbreekt, is geregeld in</al><al>artikel 18, tweede lid, WWB.</al><al>Een andere reden om af te zien van een verlaging is dat de gedraging te
                            lang geleden heeft</al><al>plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’)
                            is het nodig dat een verlaging</al><al>spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze
                            reden wordt onder b.</al><al>geregeld dat het dagelijks bestuur geen verlagingen toepast bij
                            gedragingen die langer dan één jaar</al><al>geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de inlichtingenplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten</al><al>onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is
                            verleend, geldt een</al><al>verjaringstermijn van vijf jaar.</al><al>2.Hierin wordt geregeld dat het dagelijks bestuur kan afzien van een
                            verlaging indien het</al><al>daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is
                            afhankelijk van de</al><al>concrete situatie.</al><al>Men kan daarbij o.a. denken aan persoonlijke omstandigheden, zoals:</al><al>??bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende</al><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>11</al><al>??sociale omstandigheden</al><al>3.Het doen van een schriftelijke mededeling dat het dagelijks bestuur
                            afziet van een verlaging</al><al>wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele
                            recidive.</al><al>Artikel 6 Ingangsdatum, tijdvak en recidive7</al><al>1.In dit lid is geregeld dat, behalve indien in de verordening anders
                            staat vermeld, een verlaging naar</al><al>de toekomst toe wordt toegepast. Dit wil zeggen dat de verlaging na
                            constatering direct geëffectueerd</al><al>wordt zonder herziening van het recht.</al><al>2.Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het</al><al>praktisch zijn om de verlaging te verrekenen met het bedrag dat nog moet
                            worden uitbetaald. In dat</al><al>geval moet de bijstand wel worden herzien.</al><al>3.Indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging opnieuw
                            sprake is van een verwijtbare</al><al>gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking
                            gebracht in een verdubbeling van</al><al>de duur van de verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de
                            eerste gedraging verstaan die</al><al>aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens
                            dringende redenen niet is</al><al>geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 24
                            maanden, geldt het tijdstip</al><al>waarop het besluit over de verlaging is medegedeeld, bekend is
                            gemaakt.</al><al>In het geval dat ten aanzien van de vorige maatregel individualisering
                            is toegepast, dient, afhankelijk</al><al>van de categorie, bij een herhaald verwijtbaar gedrag eerst de bij die
                            categorie voorgeschreven</al><al>maatregel te worden gehanteerd en wordt de standaardperiode van een
                            maand verdubbeld.</al><al>Vervolgens is op die maatregel individualisering van toepassing. Er
                            vindt dus geen verdubbeling</al><al>plaats van de geïndividualiseerde periode van de vorige maatregel.</al><al>Het kan ook voorkomen dat een belanghebbende in de periode van verlaging
                            opnieuw niet voldoet</al><al>aan de verplichtingen. Is er sprake van een (andere) verwijtbare
                            gedraging dan wordt de uitkering</al><al>afgestemd met een nieuwe maatregel, gebaseerd op de betreffende
                            grondslag. Een combinatie van</al><al>maatregelen is dus mogelijk. Dit laat echter onverlet dat steeds
                            rekening gehouden moet worden met</al><al>de omstandigheden waarin een persoon verkeert.</al><al>4.Wanneer een belanghebbende volhardt in zijn verwijtbare gedragingen
                            kan een verlaging, voor</al><al>langer dan 3 maanden opgelegd worden. Er zal dan telkens binnen 3
                            maanden een heroverweging</al><al>van de verlaging plaats dienen te vinden. Bij deze heroverweging hoeft
                            niet opnieuw een besluit te</al><al>worden genomen en alle feiten en omstandigheden hoeven niet opnieuw
                            beoordeeld te worden. Een</al><al>marginale beoordeling volstaat. Er dient slechts beoordeeld te worden of
                            het redelijk is om de</al><al>vastgestelde verlaging te continueren. Hierbij dient allereerst gekeken
                            te worden of de</al><al>uitkeringsgerechtigde thans wel aan zijn verplichtingen voldoet. Wanneer
                            dit het geval is kan besloten</al><al>worden om af te zien van continuering van de verlaging van de uitkering.
                            Wanneer de</al><al>uitkeringsgerechtigde nog steeds niet voldoet aan zijn verplichtingen
                            dan zal alsnog gekeken dienen</al><al>te worden naar de omstandigheden waarin de uitkeringsgerechtigde
                            verkeert. In een dergelijke</al><al>situatie kan ook overwogen worden om het percentage waarmee de uitkering
                            verlaagd wordt te</al><al>verhogen, omdat de reeds toegepaste verlaging kennelijk niet het
                            gewenste effect heeft.</al><al>Artikel 7 Samenloop van gedragingen</al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van</al><al>een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                            plaatsvinden.</al><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen met als gevolg daarvan
                            meerdere schendingen van de</al><al>verplichtingen, dient voor het toepassen van de verlaging te worden
                            uitgegaan van de gedraging</al><al>waarop de hoogste verlaging van toepassing is.</al><al>Hoofdstuk 2: GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET
                            VERKRIJGEN</al><al>OF BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID.</al><al>7 De toelichting op artikel 6, derde lid is met de laatste 2 alinea’s
                            uitgebreid bij besluit van het Algemeen Bestuur van 17</al><al>december 2007.</al><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>12</al><al>Artikel 8 Categorieën</al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende
                            medewerking verlenen aan het</al><al>verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in drie
                            categorieën</al><al>onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidend
                            criterium. Een gedraging</al><al>wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
                            voor het niet verkrijgen of</al><al>behouden van betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met het
                            gedachtegoed achter de WWB: een klant</al><al>dient zelf alles in het werk te stellen om aan het werk te komen dan wel
                            te blijven..</al><al>De eerste categorie, onderdeel 1 betreft een aantal formele
                            verplichtingen.</al><al>De tweede categorie, onderdeel a betreft de verplichting tot een actieve
                            opstelling op de arbeidsmarkt</al><al>waaronder de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om
                            bijvoorbeeld voldoende te</al><al>solliciteren.</al><al>De tweede categorie, onderdeel b. Bij toekenning van de bijstand of in
                            een later stadium kan aan de</al><al>belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
                            levensonderhoud te voorzien, de</al><al>verplichting worden opgelegd om:</al><al>o mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de
                            benodigde</al><al>voorzieningen zoals vastgelegd in de Re-integratieverordening Wet werk
                            en bijstand;</al><al>o deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk
                            moet leiden tot</al><al>uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie.</al><al>De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende
                            deze verplichting niet of</al><al>onvoldoende nakomt, hetgeen gevolgen kan hebben voor de duur van de
                            aanspraak op bijstand. Het</al><al>niet of onvoldoende verlenen van medewerking aan een traject zal immers
                            leiden tot vertraging van</al><al>dat traject. De gedragingen bedoeld in deze subcategorie hebben echter
                            niet tot gevolg dat het traject</al><al>(definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van
                            onvoldoende medewerking is in ieder</al><al>geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij het
                            reïntegratiebedrijf verschijnt,</al><al>opdrachten in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert of
                            zich niet coöperatief opstelt ten</al><al>aanzien van een diagnostisch onderzoek.</al><al>De te late terugkeer van verblijf in het buitenland kan eveneens het
                            nakomem van de plicht tot</al><al>arbeidsinschakeling belemmeren. Onder deze plicht valt ook het gebruik
                            maken van een door het</al><al>college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering,
                            gericht op</al><al>arbeidsinschakeling en ook het meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot</al><al>arbeidsinschakeling.</al><al>De derde categorie, onderdeel a, betreft het niet aanvaarden van
                            algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan: gesubsidieerd of
                            regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of</al><al>voor onbepaalde duur.</al><al>De derde categorie, onderdeel b, betreft het door eigen toedoen
                            (verwijtbaar) voorafgaand aan de</al><al>aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de
                            bijstand deeltijdarbeid</al><al>niet behouden. Hieronder wordt ook verstaan het niet correct uitoefenen
                            van het beroep als</al><al>zelfstandige.</al><al>Bij de derde categorie, onderdeel c, gaat het om dezelfde soort
                            gedragingen als bedoeld in de tweede</al><al>categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging
                            heeft geleid tot het (definitief)</al><al>geen doorgang vinden of afbreken van een traject. In de praktijk zal
                            beëindiging van een traject veelal</al><al>pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk
                            heeft laten blijken niet mee</al><al>te willen werken aan voorzieningen gericht op een zo spoedig mogelijke
                            inschakeling in het</al><al>arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld
                            diefstal tijdens een proefplaatsing,</al><al>tot beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft het
                            gedragingen die de kans op uitstroom</al><al>voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder traject is
                            inschakeling in de arbeid voor de</al><al>desbetreffende belanghebbende immers niet mogelijk.</al><al>Sociale activering – Work First</al><al>In het kader van sociale activering kunnen uitkeringsgerechtigden
                            verplicht worden om</al><al>vrijwilligersactiviteiten c.q. maatschappelijke zinvolle activiteiten te
                            verrichten. Voor zover deze</al><al>activering gericht is op arbeidsinschakeling kan bij het niet nakomen
                            van de verplichting de uitkering</al><al>hierop worden afgestemd. Als arbeidsinschakeling niet aan de orde is,
                            heeft de verordening geen</al><al>werkingskracht.</al><al>Artikel 9 De hoogte en duur van de verlaging</al><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>13</al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van
                            gedragingen die verband</al><al>houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het
                            verkrijgen of behouden van</al><al>algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>Hoofdstuk 3: INLICHTINGENPLICHT</al><al>Artikel 10 Te laat verstrekken van inlichtingen</al><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                            gegevens of gevorderde</al><al>bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het dagelijks bestuur het
                            recht op bijstand voor de duur van</al><al>ten hoogste 8 weken opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het
                            dagelijks bestuur doet mededeling</al><al>van de opschorting aan de belanghebbende en geeft daarbij belanghebbende
                            een termijn waarbinnen</al><al>hij zijn verzuim kan herstellen (artikel 54, tweede lid, WWB). Artikel
                            54 betreft een bevoegdheid voor</al><al>het dagelijks bestuur. Mede daardoor en vanuit
                            doelmatigheidsoverwegingen wordt in het midden</al><al>gelaten op welk moment de belanghebbende van de opschorting in kennis
                            wordt gesteld.</al><al>Wordt de gevraagde informatie vervolgens niet binnen de gestelde termijn
                            aan de gemeente verstrekt,</al><al>dan kan het dagelijks bestuur de bijstand stopzetten (het intrekken van
                            het besluit tot toekenning van</al><al>de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn
                            verstrekt, dan wordt de</al><al>bijstand ongewijzigd voortgezet.</al><al>Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen</al><al>0.In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het
                            verstrekken van onjuiste of</al><al>onvolledige inlichtingen of het niet tijdig verstrekken van
                            inlichtingen, zonder dat deze</al><al>gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Bijvoorbeeld
                            het niet opgeven</al><al>van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. De 'kan'-bepaling
                            biedt de</al><al>mogelijkheid een daadwerkelijke verlaging achterwege te laten en te
                            volstaan met een</al><al>waarschuwing. Dit kan gerechtvaardigd zijn bij een kennelijke vergissing
                            van niet</al><al>zwaarwegende aard. De waarschuwing moet wel in een beschikking aan
                            de</al><al>belanghebbende kenbaar gemaakt worden. Daarbij moet deze geattendeerd
                            worden op</al><al>de mogelijke gevolgen van het nogmaals vertonen van dit gedrag.</al><al>0.De verlaging wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht bedoeld</al><al>in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
                            bedrag aan</al><al>bijstand dat als gevolg van de schending van die verplichting ten
                            onrechte of te veel aan</al><al>de belanghebbende is betaald.</al><al>0.In dit lid wordt de hoogte van de verlaging geregeld.</al><al>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</al><al>Onder het boeteregime van de Algemene Bijstandswet bestond de +
                            verplichting voor gemeenten om</al><al>proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar
                            Ministerie indien er sprake is van</al><al>fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan € 6.000,- (de
                            aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is</al><al>de bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft
                            bestaan, ook al kent de WWB</al><al>de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het
                            niet nakomen van de</al><al>inlichtingenplicht) een verlaging moeten toepassen.</al><al>In gevallen waarin de hoogte van het fraudebedrag daartoe aanleiding
                            geeft, doet het dagelijks</al><al>bestuur aangifte bij het Openbaar Ministerie. Richtlijnen hiervoor zijn
                            opgenomen in de 'Aanwijzing</al><al>sociale zekerheidsfraude'. Uitgangspunt is dat bestuursrechtelijke
                            afdoening plaats vindt in de</al><al>categorie I-situaties (bruto fraudebedrag lager dan € 6.000). Bij het
                            doen van aangifte wordt afgezien</al><al>van een verlaging wegens de inlichtingenfraude. Anders is er sprake van
                            een dubbele bestraffing, wat</al><al>in strijd is met het beginsel van 'ne bis in idem'. Van een dubbele
                            bestraffing is echter geen sprake,</al><al>indien belanghebbende voor een ander rechtsfeit wordt vervolgd dan voor
                            inlichtingenfraude. Indien</al><al>een belanghebbende inkomsten uit de handel in softdrugs heeft verzwegen
                            en hij wordt strafrechtelijk</al><al>vervolgd voor deze overtreding van de Opiumwet, staat het beginsel van
                            'ne bis in idem' niet in de weg</al><al>aan het toepassen van een verlaging.</al><al>Artikel 12 Onverwijld</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>14</al><al>Artikel 13 Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</al><al>Indien de verlaging als gevolg van beëindiging van de uitkering niet of
                            niet volledig geëffectueerd kan</al><al>worden is het mogelijk de verlaging over een toekomstig recht op te
                            leggen. Indien belanghebbende</al><al>op een later tijdstip wederom een uitkering aanvraagt, kan de maatregel
                            alsnog worden uitgevoerd.</al><al>Belanghebbende dient bij het besluit van de beëindiging van de uitkering
                            en/of de terugvordering van</al><al>de ten onrechte genoten uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er
                            een maatregel opgelegd kan</al><al>worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand.</al><al>Hoofdstuk 4: OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</al><al>Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al>1.De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in</al><al>het bestaan geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd.
                            Dit betekent dat wanneer</al><al>iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een
                            tekortschietend besef van</al><al>verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt
                            over de middelen om in de</al><al>kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een
                            bijstandsuitkering aanvraagt, de</al><al>gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan
                            houden.</al><al>Bij de vaststelling van de duur van de verlaging dient beoordeeld te
                            worden hoe lang betrokkene</al><al>onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende
                            besef van verantwoordelijkheid</al><al>had betoond.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals:</al><al>o een onverantwoorde besteding van vermogen;</al><al>o geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al><al>o het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                            alimentatievordering.</al><al>Het is niet mogelijk om een limitatieve opsomming te geven van alle
                            gedragingen die leiden tot een</al><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</al><al>2.Het tweede lid regelt de hoogte van de verlaging bij tekortschietend
                            besef van</al><al>verantwoordelijkheid.</al><al>3.Bij het onverantwoord interen van vermogen is er voor gekozen om het
                            benadelingsbedrag,</al><al>zijnde het bedrag dat belanghebbende onverantwoord ingeteerd heeft
                            waardoor hij eerder een beroep</al><al>dient te doen op de bijstand, als basis te laten dienen voor de
                            verlaging.</al><al>In de gevallen dat betrokkene bij het indienen van de aanvraag om
                            uitkering niet kan beschikken over</al><al>middelen dient met toepassing van artikel 2, lid 2 maatwerk geleverd te
                            worden.</al><al>Matiging van de verlaging kan plaatsvinden wegens persoonlijke
                            omstandigheden en sluit aan bij de</al><al>feitelijke situatie van de belanghebbende. Voor zover een verlaging van
                            100% onwenselijk is door het</al><al>ontbreken van liquide middelen kan op grond van het 2de lid van artikel
                            48 WWB bijstand in de vorm</al><al>van een geldlening worden verstrekt.</al><al>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen</al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij</al><al>het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het
                            normale menselijke verkeer in</al><al>alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige</al><al>misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het
                            vaststellen van het recht op een</al><al>uitkering.</al><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het
                            college (lees:dagelijks bestuur)</al><al>zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                            tegenover leden van het</al><al>dagelijks bestuur en hun ambtenaren aanleiding kan zijn voor een
                            verlaging. Een verlaging is dus niet</al><al>mogelijk als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een
                            medewerker van een andere</al><al>organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                            reïntegratiebedrijf). Het is in</al><al>dat geval wellicht wel mogelijk om een verlaging toe te passen wegens
                            het niet of onvoldoende</al><al>gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (zie
                            artikel 8 van deze</al><al>verordening).</al><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>15</al><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de verlaging in de situatie dat
                            een uitkeringsgerechtigde zich</al><al>ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de
                            gedraging, de mate van</al><al>verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                            betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen van agressief</al><al>gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                            onderscheiden:</al><al>o verbaal geweld (schelden);</al><al>o discriminatie;</al><al>o intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al><al>o zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al><al>o mensgericht fysiek geweld;</al><al>o combinatie van agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de</al><al>omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaats gehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                            instrumenteel geweld en</al><al>frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                            toepassen van geweld bewust</al><al>gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen
                            van een uitkering). Agressie die</al><al>ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan
                            worden aangeduid met</al><al>frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in</al><al>beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het</al><al>dagelijks bestuur past een verlaging toe, terwijl de organisatie tegen
                            wie de agressie zich richtte</al><al>aangifte kan doen bij de politie.</al><al>Artikel 16 Nadere verplichtingen</al><al>In artikel 55 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om naast de in
                            Hoofdstuk 2 van de wet</al><al>opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde andere
                            verplichtingen op te leggen die</al><al>strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van
                            de bijstand. De verplichting</al><al>om zich onder medische behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in
                            het artikel. Een ander</al><al>voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven
                            indien er woonkostentoeslag</al><al>wordt verstrekt voor een te hoge huur.</al><al>Hoofdstuk 5: HANDHAVINGSBELEID</al><al>Artikel 17 Handhavingsplan</al><al>Artikel 8a WWB bepaalt dat de gemeenteraad in het kader van het
                            financiële beheer bij verordening</al><al>regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van
                            bijstand alsmede van misbruik en</al><al>oneigenlijk gebruik van de wet. Het doel van dit artikel is de
                            handhaving van de WWB en het</al><al>fraudebeleid op de agenda van de gemeenteraden te zetten. Afgezien van
                            de korte bepaling van</al><al>artikel 8a van de WWB zijn er geen nadere aanduidingen over wat nu
                            precies in de bedoelde</al><al>verordening moet worden geregeld.</al><al>De ISD heeft een bevoegdheid om haar eigen regels te bepalen omtrent
                            handhaving. Gezien de</al><al>relatie tussen het handhavings- en het afstemmingsbeleid is er voor
                            gekozen om de al bestaande</al><al>afstemmingsverordening aan te passen en om te bouwen naar een
                            afstemmings- en</al><al>handhavingsverordening WWB.</al><al>De feitelijke invulling van het handhavingsbeleid op hoofdlijnen door
                            het algemeen bestuur krijgt op</al><al>basis van artikel 17 invulling door de vaststelling van een
                            handhavingsplan, gebaseerd op de</al><al>uitgangspunten van hoogwaardige handhaving.</al><al>In het 2de lid van artikel 17 is aangegeven welke onderdelen in ieder
                            geval in het handhavingsplan aan</al><al>bod zullen komen. Vervolgens zal jaarlijks in het beleidsplan worden
                            stil gestaan bij de uitgangspunten</al><al>en de effecten van het handhavingsbeleid.</al><al>Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007</al><al>16</al><al>Hoofdstuk 5: SLOTBEPALINGEN</al><al>Artikel 18 Beleid</al><al>In deze verordening is het beleid in hoofdlijnen vastgelegd. Om in de
                            toekomst flexibel te kunnen</al><al>optreden is in dit artikel opgenomen dat het dagelijks bestuur bevoegd
                            is om nadere beleidsregels op</al><al>te stellen.</al><al>Hier kan men denken aan de uitwerking van 'de verwijtbaarheid', door
                            bijvoorbeeld aan te geven</al><al>welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke
                            gedragingen in beginsel</al><al>nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd in welke gevallen
                            sprake is of kan zijn van</al><al>verzachtende omstandigheden.</al><al>Artikel 19 Inwerkingtreding</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 20 Citeerartikel</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>