Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Spijkenisse

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2010

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Spijkenisse
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2010
CiteertitelVerordening parkeerbelastingen 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

1. Deze regeling volgt op de Verordening parkeerbelastingen 2009

2. Deze regeling wordt ingetrokken door de Verordening parkeerbelastingen 2011, maar blijft van toepassing op belastbare feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van 01-01-2010 tot en met 31-12-2010

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 216
  2. Gemeentewet, art. 225

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Aanwijzingsbesluit Betaald Parkeren, nr. 23

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

23-11-201001-01-2011toevoeging van art. 13a

10-11-2010

DIT! is Spijkenisse, 22-11-2010

SWVV/2010/109
23-12-200923-11-2010nieuwe regeling

15-12-2009

Weekblad Spijkenisse, 22-12-2009

IWPBZ/2009/113C

Tekst van de regeling

De raad der gemeente Spijkenisse;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 december 2009;

besluit:

de navolgende Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2010 vast te stellen.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder

  • 1.

    parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

  • 2.

    houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven;

  • 3.

    parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven:

  • a.

    een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

  • b.

    een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 3 Vrijstelling

De belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van huisartsen en verloskundigen bij de uitoefening van hun beroep.

Artikel 4 Belastingplicht

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

  • 2. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

    • a.

      degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;

    • b.

      zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat

      • 1e.

        indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overlegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;

      • 2e.

        indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.

  • 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

  • 4. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

Artikel 5 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 6 Wijze van heffing

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door of vanwege het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.

  • 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

  • 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 8 Termijnen van betaling

  • 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

  • 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

  • 3. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Artikel 9 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

  • 1. De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.

  • 2. Een besluit, zoals bedoeld in het eerste lid, dat op het moment van het in werking treden van de onderhavige verordening reeds rechtskracht heeft, wordt geacht op die verordening te berusten.

Artikel 10 Kosten

De kosten van de naheffingsaanslag terzake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 51,00.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelastingen.

Artikel 13 Teruggave parkeergeld

  • 1. Indien een parkeervergunning wordt ingetrokken of vervalt, wordt teruggave van parkeergeld verleend over de nog niet aangevangen maanden van het heffingstijdvak, gerekend vanaf de datum van inlevering van de vergunning.

  • 2. Teruggave vindt niet plaats indien het te restitueren bedrag minder dan € 12,00 bedraagt.

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De Verordening parkeerbelastingen 2009 van 16 december 2008, wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    In afwijking in zoverre van het in de voorgaande leden bepaalde, blijft, indien de datum van inwerkingtreding ligt na de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, de ingetrokken verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voorzover de heffing van de parkeerbelastingen in die periode plaatsvindt.

  • 4.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2010.

  • 5.

    Deze verordening kan worden aangehaald als de ‘Verordening parkeerbelastingen 2010’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Spijkenisse d.d. 15 december 2009

de griffier,
mr. H.C. Landheer
de voorzitter,
M. Salet

Bijlagen behorende bij de Verordening Parkeerbelastingen 2010

Bijlage I Tarieventabel

 

  • 1.

    Voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onder­deel a, bedraagt het tarief:

    • a.

      in het gebied A: € 0,30 per 9 minuten of een gedeelte daarvan, met een maximum van één uur per keer.

    • b.

      in het gebied B: € 0,20 per 9 minuten of een gedeelte daar­van, met een maximum van twee uur per keer.

    • c.

      in het gebied D: € 0,50 per 27 minuten of een gedeelte daar­van, met een maximum van drie uur per keer .

    • d.

      in het gebied E: € 0,20 per 9 minuten met een maximum van € 3,30 per dag.

    • e.

      in het gebied F: € 0,50 per uur met een maximum van € 2,50 per dag.

    • f.

      in gebieden bedoeld om te parkeren met een dagkaart € 4,40 per dag of een gedeelte daarvan.

  • Voor de gebiedsaanduiding zie bijlage II.

  • 2.

    2.       Voor een vergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, bedraagt het tarief:

    • a.

      voor een vergunning geldend in een beperkt gedeelte van het vergun­ninggebied gedurende een dag € 1,10.

    • b.

      voor een vergunning geldend in het gehele vergunninggebied € 36,66 per maand of een gedeelte daarvan.

Bijlage II

Gebiedsaanduiding [Klik hier om het document te downloaden]