<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xml:lang="nl-NL" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">61506_1</dcterms:identifier><dcterms:title xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">verordening tot wijziging van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders </dcterms:title><dcterms:language xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Nijefurd</dcterms:creator><dcterms:modified xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2010-12-08</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">verordening tot wijziging van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:r:BWBR0002691" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers </dcterms:source><dcterms:subject xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">bestuur en recht</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">1996-06-25</dcterms:issued><dcterms:rights xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1996-06-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nijefurd;</al><al> </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 juni 1996</al><al>gelet op de circulaire van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten CvA 94126, d.d. 18 oktober 1994, ARZ/407654;</al><al>gelet op de betreffende bepalingen van de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers (APPA);</al><al> </al><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al> </al><al>Vast te stellen de volgende verordening tot wijziging van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel></titel></kop><al>In artikel 3 vervallen het tweede en derde lid. Het vierde Iid wordt vernummerd tot tweede lid. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 4, eerste lid komt te luiden:</al><lijst><li nr="1."><al>De uitkering bedoeld in artikel 2 bedraagt gedurende het eerste jaar  80% en vervol­gens 70% van de laatstelijk als wethouder genoten wedde,  vermeerderd met het percentage van de vakantie-uitkering.</al></li></lijst><al>In het tweede lid wordt het getal 60 vervangen door: 70.</al><al>Het derde, vierde en vijfde lid vervallen. Het zesde en zevende lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel></titel></kop><al>Ingevoegd worden vijf nieuwe artikelen, luidende: Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit.</al><al> </al><al>Na artikel 4 worden ingevoerd de artikelen 4a, 4b, 4c, 4d, en 4e, luidende:</al><al>Artikel 4a</al><lijst><li nr="1."><al> Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering  eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met  inachtneming van artikel 7 de uitkering voor de duur van de invaliditeit  voortgezet op de voet van artikel 4b.</al></li><li nr="2."><al>Algemeen  invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze verordening is hij  die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van  ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met  arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soort-gelijke opleiding  en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft  verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.  Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde  arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat  is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid in een  dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening.</al></li><li nr="3."><al>Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten  beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan  een voor hem ge-wenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan  het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de  vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitge­gaan dat de  opleiding of scholing is afgerond.</al></li></lijst><al> </al><al>Artikel 4b</al><lijst><li nr="1."><al>De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het  tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en vijfde  lid van dit artikel.</al></li><li nr="2."><al>De  uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid  70 procent van de laatstelijk als wethouder genoten wedde, vermeerderd  met het percentage van de vakantie-uitkering, bij een algemene  invaliditeit van 80 procent of meer; 60 procent van die wedde  vermeerderd met het percentage van de vakantie-uitkering bij een  algemene invaliditeit van 55 tot 80 procent, en 40 procent van die wedde  vermeerderd met het percentage van de vakantie-uitkering bij een  algemene invaliditeit van 25 tot 55 procent.</al></li><li nr="3."><al>De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste <cursief>voor </cursief>de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:</al><al>58 jaar of ouder is: zes jaar;</al><al>53 jaar of ouder is: drie jaar;</al><al>48 jaar of ouder is: twee jaar;</al><al>43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;</al><al>38 jaar of ouder is: een jaar;</al><al>33 jaar of ouder is; een half jaar, en</al><al>jonger is dan 33 jaar: nihil.</al></li><li nr="4."><al>De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde  periode een percenta­ge, volgens het tweede Iid, van een bedrag gelijk  aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen  de laatstelijk als wethouder genoten wedde vermeerderd met het  percentage van de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 4, en het  minimumloon.</al></li><li nr="5."><al>Voor de  berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een  percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15de jaar  en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de  uitkering.</al></li><li nr="6."><al>Het  minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag  herleidde minimum-loon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid,  onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien  het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag  herleidde voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in  artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de genoemde wet,  beide vermeerderd met de daar-over berekende vakantietoeslag, bedoeld in  artikel 15 van die wet. </al></li><li nr="7."><al>De belanghebbende  heeft recht op aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder  bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de  laatstelijk als wethou­der genoten wedde vermeerderd met het percentage  van de vakantie-uitkering.</al></li><li nr="8."><al>De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te  verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de  laatstelijk als wethouder genoten wedde vermeerderd met het percentage  van de vakantie-uitkering.</al></li><li nr="9."><al>In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag  dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid  aangegeven percentage van de laatstelijk als wethouder genoten wedde  vermeerderd met het percentage van de vakantie-uitkering, indien de  belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de  inhouding ingevolge artikel 59, eerste lid.</al></li><li nr="10."><al>Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene  invaliditeit van 80 procent of meer 65 procent, bij een algemene  invaliditeit van 55 tot 80 procent: 56 procent en bij een algemene  invaliditeit van 25 tot 55 procent: 37 procent.</al></li><li nr="11"><al>Burgemeester en wethouders stellen regels met betrekking tot de wijze  en het tijdstip waarop de wethouder of de gewezen wethouder de in het  negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.</al></li><li nr="12"><al>Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering tezamen  met inkomsten, bedoeld in artikel 5, minder bedraagt dan het minimumloon  wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt  niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan  deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.</al></li></lijst><al> </al><al>Artikel 4c.</al><lijst><li nr="1."><al> De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 4a, geschiedt op  aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan  drie jaar, onverminderd het in deze verordening bepaalde over herziening  of intrekking van de uitkering.</al></li><li nr="2."><al> Burgemeester en wethouders stellen de belanghebbende uiterlijk vier  maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn  schriftelijk in kennis van de mogelijk­heid tot het doen van een  aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.</al></li><li nr="3."><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt door de belanghebbende  uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid  bedoelde termijn gedaan.</al></li><li nr="4."><al> Indien burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen op een tijdig  ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering  voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.</al></li><li nr="5."><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt geacht tijdig te zijn  ingediend indien burgemeester en wethouders de kennisgeving bedoeld in  het tweede lid niet hebben gedaan dan wel indien bij een latere  kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend  binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.</al></li><li nr="6."><al> Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn  wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van  toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.</al></li><li nr="7."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde groepen  algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt  dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid  genoemde termijn van drie jaar.</al></li></lijst><al> </al><al>Artikel 4d.</al><lijst><li nr="1."><al> Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal  met toepassing van artikel 4a is voortgezet, doen burgemeester en  wethouders een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als  gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene  invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de  uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders  kunnen ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat  geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in  het eerste lid genoemde termijn.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en  wethouders wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het  bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene  invaliditeit.</al></li><li nr="4."><al>Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:</al><al>a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag  van de maand volgende op die waarin die aanvraag is ingekomen;</al><al>b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste  dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is  genomen.</al></li><li nr="5."><al>De toepassing van artikel 4a  wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij  niet voldoet aan een uitnodiging van burgemeester en wethouders zich te  onder-werpen aan een onderzoek door een of meer door hen aangewezen  geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van  algemene invaliditeit.</al></li><li nr="6."><al>Indien degene  die recht heeft op een wegens algemene invaliditeit voortgezette  uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, zijn  burgemeester en wethouders bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid  als arbeid bedoeld in artikel 4a, tweede lid kan worden aangemerkt,  niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De  toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een  aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag  waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid bedoeld in de eerste  volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn  onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband  met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin  genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt  als arbeid bedoeld in artikel 4a, tweede lid.</al></li><li nr="7."><al> Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de tweede volzin van het  zesde lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen  algemeen invaliden en met betrekking tot het zesde lid van dit artikel  nadere en voor bijzondere gevallen zo nodig afwijkende regels stellen.</al></li></lijst><al> </al><al>Onderzoek naar invaliditeit voor het aftreden</al><al> </al><al>Artikel 4e</al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van een wethouder doen burgemeester en wethouders een  onderzoek instellen door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen,  ter beantwoording van de vraag of de wethouder die het verzoek deed  algemeen invalide is als bedoeld in artikel 4a, tweede lid.</al></li><li nr="2."><al> Burgemeester en wethouders brengen de uitkomst van een onderzoek dat is  ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel></titel></kop><al>In artikel 5, negende lid wordt de zinsnede "artikel 3, tweede en vierde lid" vervangen door: artikel 3, tweede lid en artikel 4a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 7 onder d: artikel 4, lid 3 wordt vervangen door: artikel 4a, eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel></titel></kop><al>In artikel 10, eerste en tweede lid, en in artikel 15, eerste, tweede en derde lid, wordt "artikel 96 van de gemeentewet" vervangen door: artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 17 komt te luiden:</al><lijst><li nr="1."><al>Het pensioen wordt berekend over de tijd doorgebracht als wethouder,  volgens een of meer van de artikelen 18, 19 en 19a, naar de laatstelijk  als wethouder genoten wedde vermeerderd met het percentage van de  vakantie-uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Indien het pensioen  wordt berekend volgens zowel artikel 18 als 19, geldt voor de  pensioen-berekening over tijd voor 1 januari 1986 als laatstelijk  genoten wedde een bedrag gelijk aan 1001110 maal het bedrag van de  eventueel naar de regelen, vastgesteld bij de algemene maatregel van  bestuur bedoeld in artikel 57 aangepaste wedde voor de vaststelling van  de pensioengrondslag voor de pensioenberekening over tijd tussen 31  december 1985 en 1 januari 1995 met toepassing van artikel 19. De in de  eerste volzin eerstbedoelde wedde bedraagt niet minder dan het bedrag  van laatstbedoelde wedde verminderd met f 6.320. Het bedrag van f 6.320  wordt telkens aangepast bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in  artikel 57, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op 1  januari 1985 f 63.200 bedroeg.</al></li><li nr="3."><al>Indien  het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als artikel 19a,  geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1 januari 1986 als  laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan 100/110 maal het bedrag,  bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="4."><al>Indien het  pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 19 als artikel 19a geldt  voor de pensioenberekening over tijd tussen 31 december 1985 en 1  januari 1995 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan de  eventueel naar de regelen, bedoeld in het tweede lid aangepaste wedde  voor de vaststelling van de pensioengrondslag voor de  pensioenberekening over tijd na 31 december 1994 met toepassing van  artikel 19a, vermenigvuldigd met een debruteringsfactor. Deze factor is  de breuk, waarvan de teller honderd bedraagt en de noemer de som is van  honderd en het percentage waarmee de wedde als wethouder per 1 januari  1995 uitsluitend ter uitvoe­ring van artikel II van de wet van 19 mei  1994, houdende wijziging van de Algemene pensioenwet politieke  ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en  gelijke franchise voor de pensioenberekening) </al><al>(Stb. 418) is gewijzigd.</al></li><li nr="5."><al> Bij de berekening van een pensioen van een gewezen wethouder die voor 1  januari 1986 voor zijn bezoldiging geacht werd niet de volledige  werkweek aan het wethouderschap te besteden, wordt de laatstelijk  genoten wedde, vastgesteld volgens het tweede of derde lid,  vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel></titel></kop><al>Van artikel 18 vervallen het zesde en zevende lid.</al><al>In  lid 4 wordt "in artikel 3, lid 2" twee maal vervangen door: in artikel  4a. Be zinsnede "in artikel 3, leden 1 en 4" wordt vervangen door: in  artikel 3, leden 1 en 2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel></titel></kop><al>Het opschrift van artikel 19 komt te luiden: Berekening van het eigen pensioen over <cursief>tijd </cursief>tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:</al><lijst><li nr="1."><al>In het eerste lid wordt de zinsnede "na 31 december 1985" vervangen  door: tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.</al></li><li nr="2."><al>Het tweede lid vervalt.</al></li><li nr="3."><al>Het derde tot en met elfde lid worden vernummerd tot het tweede tot en met tiende lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel></titel></kop><al>Na artikel 19 wordt een nieuw artikel 19a ingevoerd, luidende:</al><al> </al><al>Artikel 19a Berekening van het eigen pensioen over tijd na 31 december 1994</al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over  tijd doorgebracht als wethouder na 31 december 1994.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 19, tweede lid, is van toepassing, met dien verstande dat de in dat lid bedoelde franchise het bedrag is, genoemd in artikel F7aa, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet dan wel het met toepassing van het derde lid van dat artikel gewijzigde bedrag.</al></li><li nr="3."><al>Artikel 19, derde en zevende tot en met tiende lid, zijn van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 20 komt te luiden:</al><al>Indien  het pensioen van de wethouder, die voor zijn bezoldiging geacht wordt  niet de volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden, wordt  berekend met toepassing van artikel 19 of 19a, dan wel met toepassing  van beide artikelen, is het bedrag van het pensioen gelijk aan de  uitkomst van de berekening vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel></titel></kop><al>Het opschrift van artikel 21 komt te luiden: Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel></titel></kop><al>In artikel 22, eerste lid, wordt de zinsnede "is degene aan wie een pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend" vervangen door: is degene aan wie een pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd voor 1 januari 1995.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd: Het derde lid vervalt.</al><al>Het <cursief>vierde </cursief>en vijfde lid warden vernummerd tot het derde en vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel></titel></kop><al>In artikel 29, eerste lid, wordt de zinsnede "na 31 december 1985" vervangen door: tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel></titel></kop><al>Na artikel 29 wordt een nieuw artikel 29a ingevoerd, luidende:</al><al></al><al>Artikel 29a</al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd na 31 december 1994.</al></li><li nr="2."><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en  geen recht heeft op pensioen of tijdelijke uitkering ingevolge de  Algemene Weduwen- en Wezenwet, heeft tot de eerste dag van de maand  waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de  voorgaande artikelen berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks  voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar  1,25 procent van de franchise, bedoeld in het tweede lid van artikel  19a.</al></li><li nr="3."><al>Het derde en vierde lid van artikel 29 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 57 komt te luiden:</al><al></al><al>Artikel 57</al><lijst><li nr="1."><al> De wedde, bedoeld in artikel 18, of de pensioengrondslag bedoeld in de  artikelen 19 en 19a, behorende bij een pensioen als bedoeld in artikel  16 of bij een uitzicht op een pensioen bij het bereiken van de leeftijd  van 65 jaar, worden telkens gewijzigd overeenkomstig een algemene  bezoldigingswijziging, ten einde een aan die algemene  bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van het pensioen te  bewerkstelligen.</al></li><li nr="2."><al>Onder een algemene  bezoldigingswijziging als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een  zodanige wijziging, vastgesteld met toepassing van artikel A8, tweede  lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet.</al></li><li nr="3."><al>Indien met toepassing van artikel A8, zesde lid, van de Algemene  burgerlijke pensioenwet aan pensioengerechtigden een eenmalige uitkering  wordt toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een pensioen  ingevolge deze verordening overeenkomstig een eenmalige uitkering  toegekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 59 komt te luiden:</al><al></al><al>Artikel 59 Inhoudingen</al><lijst><li nr="1."><al>Op de wedde van de wethouder worden volgens bij of krachtens algemene  maatregel van bestuur te stellen regelen bedragen ingehouden  overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene  die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspra­ken bij  werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.</al></li><li nr="2."><al>Op de uitkering van de gewezen wethouder warden volgens bij of  krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen bedragen  ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van  aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of  arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel  getroffen regeling.</al></li><li nr="3."><al>Geen inhouding van  bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats  voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen  bedoeld in artikel 4a, alsmede in de gevallen bedoeld in de laatste  volzin van artikel 18, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 65</al><al>In het vierde lid onder b  dient na de zinsnede "in artikel 214 of 215" te worden toegevoegd: van  boek 1. Hetzelfde geldt voor de zinsnede "artikel 227".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 72</al><al>Het vierde lid vervalt. Het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>De artikelen 91 en 92 worden vernummerd tot 100 en 101. Toegevoegd wouden de volgende artikelen:</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel></titel></kop><al>Artikel 91 (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</al><lijst><li nr="1."><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden het inkomen van de wethouder als  zodanig en de laatstelijk genoten wedde dan wel de berekeningsgrondslag,  waarvan is afgeleid een uitkering ter zake van ontslag of aftreden als  wethouder, en een wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering,  aangepast overeenkomstig de aanpassing van de salarissen ingevolge  artikel 34 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde aanpassing is geen algemene bezoldigingswijziging als bedoeld in artikel 57.</al></li></lijst><al></al><al>Artikel 92 overgangsbepaling ten aanzien van artikel 57 (overgangsbepaling bij de achtste wij­ziging)</al><al></al><al>Artikel 57, zoals dat luidde op 31 december 1994, blijft van toepassing ten aanzien van een wijziging in de <cursief>bezoldiging van </cursief>het rijkspersoneel voor 1 januari 1995.</al><al></al><al>Artikel 93 overgangsbepaling ten aanzien van fictieve diensttijd (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</al><al></al><al>Ten  aanzien van degenen die ingevolge deze verordening recht op  nabestaanden- of wezenpensi­oen hebben verkregen voor 1 januari 1995,  wordt de tijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend  en die niet daadwerkelijk als wethouder is doorgebracht, voor zover  nodig medebegrepen onder tijd gelegen voor die datum.</al><al></al><al>Artikel 94 (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</al><lijst><li nr="1."><al>De artikelen lX tot en met XV van de Wet terugdringing beroep op de  arbeidsongeschikt­heidsregelingen en de krachtens artikel XV van die wet  gestelde regels zijn van overeenkom­stige toepassing op degene op wie  artikel 95, eerste of derde lid, van deze verordening van toepassing is  en die op 31 januari 1992 en sinds 1 januari 1990 recht heeft op  uitkering als bedoeld in dat artikel.</al></li><li nr="2."><al>Als  het orgaan bedoeld in artikel Xl van de in het eerste lid genoemde wet  wordt voor de in het eerste lid bedoelde overeenkomstige toepassing het  college voor burgemeester en wethouders beschouwd.</al></li><li nr="3."><al>De op grond van dit artikel toegekende uitkeringen komen ten laste van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>De artikelen 71, 72 en 73 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al> </al><al>Artikel 95 (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</al><lijst><li nr="1."><al> De bij de achtste wijziging in de verordening ingevoerde artikelen 4a,  tweede lid, 4c en 4d, telkens het eerste en het tweede lid, vinden geen  toepassing ten aanzien van degene die op 31 december 1994 recht heeft op  een wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering en op de dag  van inwerkingtreding van deze wijziging vijftig jaar of ouder is.</al></li><li nr="2."><al>De bij de achtste wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3,  tweede lid (definitie begrip algemeen invalide) blijft van toepassing op  degene bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>De bij de achtste wijziging ingevoegde artikelen 4a, tweede lid, en 4e  worden met ingang van een latere datum dan 1 januari 1995 van toepassing  op degene die op 31 december 1994 recht had op een wegens algemene  invaliditeit voortgezette uitkering en op 1 januari 1995 jonger is dan  vijftig jaar. Tot die datum blijft de bij deze wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3, tweede lid, op hem van toepassing.</al></li><li nr="4."><al> De in het derde lid bedoelde latere datum wordt vastgesteld  overeenkomstig de ministeriële regeling bedoeld in artikel 111, vierde  lid, van Staatsblad 417.</al></li><li nr="5."><al>Voor de toepassing van artikel 4c geldt ais datum waarop de uitkering  van degene bedoeld in het derde lid van dit artikel wegens algemene  invaliditeit is voortgezet de dag waarop de artikelen 4a, tweede lid, en  4e op hem van toepassing worden.</al></li><li nr="6."><al>Artikel 4d, eerste lid, vindt geen toepassing ten aanzien van degene  wiens uitkering wegens algemene invaliditeit is voortgezet met ingang  van een dag gelegen voor 1 januari 1995.</al></li></lijst><al> </al><al>Artikel 96 (overgangsbepalingen bij de achtste wijziging).</al><lijst><li nr="1."><al> De bij de achtste wijziging vervallen eerste volzin van artikel 3,  tweede lid, en artikel 4, derde lid, blijven van toepassing op degene  die:</al><al>a. op 31 december 1994 recht had op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitke­ring, of</al><al>b. op 25 januari 1993 ziekten of gebreken had en wiens uitkering uiterlijk  een jaar na die datum in verband met die ziekten of gebreken wegens  algemene invaliditeit wordt voortgezet, dan wel wiens uitkering  ingevolge artikel 18, vierde lid binnen een jaar na de genoemde datum in  verband met die ziekten of gebreken wordt aangemerkt als een wegens  algemene invaliditeit voortgezette uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid van artikel 4a en artikel 4b zijn niet van toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst><al> </al><al>Artikel 97 (overgangsbepaling bij de achtste wijziging).</al><lijst><li nr="1."><al> De periode van toekenning van een wegens algemene invaliditeit  voortgezette uitkering bedoeld in artikel 4e wordt in afwijking van dat  artikel tot een nader te bepalen tijdstip vastgesteld op vijf jaar.</al></li><li nr="2."><al> Wijziging van de termijn bedoeld in het eerste lid brengt geen  wijziging in de termijnen zoals die gelden ter zake van wegens algemene  invaliditeit voortgezette uitkeringen die zijn toegekend voor het  tijdstip van wijziging van de termijn.</al></li></lijst><al> </al><al>Artikel 98 (overgangsbepaling bij de achtste wijziging).</al><lijst><li nr="1."><al> Indien vanaf 1 januari 1995 artikel 4d, zesde lid, wordt toegepast ten  aanzien van degene bedoeld in artikel 95, wordt ten aanzien van degene  onder de in artikel 4a, tweede lid bedoelde arbeid, verstaan de arbeid  bedoeld in de per 1 januari 1995 vervallen tweede volzin van artikel 3,  tweede lid. </al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid geldt voor degene bedoeld in artikel 95, derde lid, tot aan het daar bedoelde tijdstip.</al></li></lijst><al></al><al>Artikel 99 (Inwerkingtreding achtste wijziging).</al><lijst><li nr="1."><al>Het tweede lid van artikel 19 zoals dat luidde voor de achtste  wijziging, vervalt met terug-werkende kracht tot 1 mei 1994. De  invoering van het opschrift en de vernummering van de leden 3 tot en met  11 tot 2 tot en met 10 werken terug tot diezelfde datum.</al></li><li nr="2."><al> Artikel 4, eerste en tweede lid, en artikel 4b, tweede en tiende lid,  zoals die luiden na de achtste wijziging treden in werking met  terugwerkende kracht tot 1 juli 1994.</al></li><li nr="3."><al>De  artikel 4a, 4b, eerste en derde tot en met negende en elfde en twaalfde  lid, en de artikelen 4c en 4d treden in werking per 1 januari 1995.  Artikel 4e treedt in werking op de datum dat de achtste wijziging in  werking treedt.</al></li><li nr="4."><al>De artikelen 17, 18,  19, eerste lid, 19a, 20, 21 (opschrift), 22, eerste lid, 29, eerste lid,  29a, 57 en 59 zoals bedoelde bepalingen na de achtste wijziging zijn  ingevoerd of gewijzigd, treden in werking met ingang van 1 januari 1995.</al></li><li nr="5."><al>Per 1 januari 1995:</al><al>vervalt van artikel 3 het tweede en derde lid en wordt het vierde lid vernummerd;</al><al>vervallen van artikel 4 het derde, vierde en vijfde lid en worden de leden zes en zeven van artikel 4 vernummerd;</al><al>worden artikel 5, lid 9 en artikel 7 onder d gewijzigd en vervalt het vierde lid van artikel 72 onder vernummering van lid 5.</al></li><li nr="6."><al> Artikel 28, derde lid vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei 1994.  De vernummering van de leden vier en vijf werkt terug tot dezelfde  datum.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>