<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>397549_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing waterschap Reest en Wieden 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Reest en Wieden</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-02-26</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing waterschap Reest en Wieden 2012</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
        databankrecht</dcterms:license><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-20</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">Waterschapswet,
        art. 110</dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:isFormatOf><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=113">Waterschapswet,
        art. 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=hoofdstuk XVIIb">Waterschapswet, hoofdstuk XVIIb</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0023025&amp;artikel=hoofdstuk 6.2">Waterschapsbesluit, hoofdstuk 6.2</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>WM/MBZ/DS/6187</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening zuiveringsheffing waterschap Reest
          en Wieden 2011.</al><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van het waterschap Reest en Wieden;</al><al>gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur van 8 november 2011;</al><al>gelet op de artikelen 110, artikel 113 en hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet en
            hoofdstuk 6.2 van</al><al>het Waterschapsbesluit;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de Verordening zuiveringsheffing waterschap Reest en Wieden 2012.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening Zuiveringsheffing 2012</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. stoffen: de stoffen genoemd in artikel 7 van deze verordening;</al><al>b. riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, in
              beheer bij een gemeente;</al><al>c. zuiveringstechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het
              transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;</al><al>d. afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringstechnisch
              werk in beheer bij het waterschap;</al><al>e. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een
              afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de
              inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden
              gegeven;</al><al>f. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel
              te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringstechnisch
              werk of een riolering.</al><al>g. de ambtenaar belast met de heffing: de door het Dagelijks Bestuur van Lococensus
              aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van de
              Waterschapswet;</al><al>h. drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
              Drinkwaterwet;</al><al>i. ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, onttrokken grond- en
              oppervlaktewater en opgevangen regenwater;</al><al>j. drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
              Drinkwaterwet;</al><al>k. afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet;</al><al>l. warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
              Drinkwaterwet;</al><al>m. Lococensus: het openbaar lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor
              Lococenus-Tricijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Bijlagen</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al>- Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening;</al><al>- Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel 122k, derde
              lid, van de Waterschapswet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_3_1_"> Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de
                behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam
                zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect
                afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_3_2_"> Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_3_2_1_"> ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of
                    een bedrijfsruimte: degene die het</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_3_2_2_"> gebruik heeft van die ruimte;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H111625_0_0_3_2_3_"> ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder
                    a: degene die afvoert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_3_3_"> Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a,
                is heffingsplichtig:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_3_3_4_"> in geval van gebruik van een woonruimte door de
                    leden van een huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de heffing is
                    aangewezen;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_3_3_5_"> in geval van gebruik door degene aan wie een
                    deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                    gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik
                    heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie
                    dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H111625_0_0_3_3_6_"> in geval van het voor volgtijdig gebruik ter
                    beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte
                    ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter
                    beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op
                    degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_3_4_"> Indien stoffen met behulp van een riolering worden
                afgevoerd, is degene bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen
                die de beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_3_5_"> De opbrengst van de heffing kan tevens worden
                besteed:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_3_5_7_"> aan het verstrekken van subsidies ter
                    tegemoetkoming in de kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen
                    die verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die tot het
                    treffen van die maatregelen zijn gehouden;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_3_5_8_"> aan het verstrekken van subsidies aan
                    heffingsplichtigen tot behoud van het gebruik van zuiveringstechnische werken
                    teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te
                    voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_3_6_"> Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van
                de heffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                tijdsevenredigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_4_7_"> De heffing ter zake van woonruimten en van
                bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 16 is verschuldigd bij het begin van het
                heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_4_8_"> Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als
                bedoeld in het eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                verschuldigd voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor dat jaar
                verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de heffingsplicht,nog
                volle etmalen resteren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_4_9_"> Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht
                bedoeld in het eerste lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak
                op ontheffing voor zoveel driehonderd vijfenzestigste gedeelten van de voor dat jaar
                verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog
                volle etmalen resteren. De heffingsplichtige kan, indien de situatie in de vorige
                volzin zich voordoet een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast
                met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_4_10_"> Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing
                indien de heffingsplichtige in de loop van het heffingsjaar het gebruik van een
                woonruimte beëindigt en direct aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte die
                eveneens in het gebied van waterschap Reest en Wieden ligt en er vanuit de nieuwe
                woonruimte eveneens wordt afgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Heffingsjaar</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Aangifte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_6_11_"> Met betrekking tot de zuiveringsheffing, geheven van
                gebruikers van bedrijfsruimten wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan
                door:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_6_11_9_"> het uitreiken of toezenden van een
                    aangiftebiljet;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_6_11_10_"> het uitreiken of toezenden van een
                    aangiftebrief waarin wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld
                    in het derde lid onderdeel b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_6_12_"> Op verzoek van degene die op de wijze, bedoeld in
                het eerste lid, onderdeel b, is uitgenodigd tot het doen van aangifte wordt door de
                ambtenaar belast met de heffing een aangiftebiljet als bedoeld in het eerste lid,
                onderdeel a, toegezonden of uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_6_13_"> Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_6_13_11_"> het inleveren of toezenden van het
                    uitgereikte aangiftebiljet met de eventueel daarbij gevraagde bescheiden;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_6_13_12_"> het op elektronische wijze toezenden van de
                    door de programmatuur gevraagde gegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_6_14_"> Indien het derde lid, onderdeel b toepassing vindt,
                worden de eventueel gevraagde bescheiden afzonderlijk ingeleverd of toegezonden. De
                via de programmatuur, bedoeld in laatstgenoemd onderdeel b, toe te zenden dan wel in
                te leveren gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan die welke toegezonden dan wel
                ingeleverd hadden moeten worden als voor de aangifte als bedoeld in het derde lid,
                onder a.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_7_15_"> Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als
                grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar
                worden afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_7_16_"> Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de
                vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De
                vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_7_17_"> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot
                zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen,
                zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het
                heffingsjaar van 54,8 kilogram zuurstof.</al><al>4. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom, koper,
                lood, nikkel, zilver, zink, arseen, kwik en cadmium wordt bepaald op basis van de
                afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                verordening. Één vervuilingseenheid vertegenwoordigt een in het heffingsjaar
                afgevoerde gewichtshoeveelheid van:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_7_17_13_"> 1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper,
                    lood, nikkel, zilver en zink;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_7_17_14_"> 0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium
                    en kwik.</al></li></lijst><al>5. De stoffen chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de heffing
                onderworpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_8_18_"> Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende
                en andere stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse
                verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in
                achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_8_19_"> De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering
                en analyse geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in
                artikel 9.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_8_20_"> De meting, bemonstering en analyse geschieden
                zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_8_20_15_"> de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer
                    dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_8_20_16_"> het verkregen monster representatief is voor
                    de totale hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het
                    bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_8_21_"> De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en
                bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor
                aanvang van het heffingsjaar, ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.
                Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar aanvangt of
                wijzigt, dan wordt dit voor de ingebruikname of de wijziging ter kennis van de
                ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_8_22_"> De ambtenaar belast met de heffing:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_8_22_17_"> kan ambtshalve bepalen dat meting en
                    bemonstering geschieden in afwijking van één of meer van de in Bijlage I,
                    onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit
                    noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a
                    en b;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_8_22_18_"> beslist op aanvraag van de heffingsplichtige,
                    dat meting en bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van de
                    in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de heffingsplichtige
                    aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid,
                    onderdelen a. en b.;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H111625_0_0_8_22_19_"> beslist op aanvraag van de heffingsplichtige,
                    dat kan worden afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                    analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                    nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor niet wordt
                    beïnvloed;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H111625_0_0_8_22_20_"> kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de
                    onderdelen a., b. en c. nadere voorschriften geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_8_23_"> De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn
                beslissing, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar
                vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_8_23_21_"> de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A
                    en B, waarvan wordt afgeweken;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_8_23_22_"> de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid,
                    onderdelen a, b en c;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H111625_0_0_8_23_23_"> de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde
                    lid, onderdeel d;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H111625_0_0_8_23_24_"> een vermelding van het heffingsjaar of de
                    heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_8_24_"> De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee
                of meer ingevolge het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op
                hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in ééngeschrift te verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_8_25_"> De ambtenaar belast met de heffing kan bij
                veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van
                de afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of intrekken in
                verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_9_26_"> Op aanvraag van de heffingsplichtige, die
                aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan
                worden volstaan met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in
                een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de
                heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in
                artikel 8, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar
                vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_9_26_25_"> een opgave van de afvalwaterstromen en de
                    stoffen welke in het onderzoek dienen te worden betrokken;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_9_26_26_"> de tijdvakken waarin meting en bemonstering
                    geschieden, hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe
                    aangewezen etmalen daarvan;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H111625_0_0_9_26_27_"> de wijze waarop de op de voet van letter b
                    verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een
                    aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H111625_0_0_9_26_28_"> een vermelding van het heffingsjaar of de
                    heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_9_27_"> De ambtenaar belast met de heffing kan bij
                veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van
                de afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende beschikking,
                bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing van
                berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal
                etmalen dan in die beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_9_28_"> De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn
                beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_9_29_"> De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd
                beschikkingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel op één geschrift samen
                te voegen met beschikkingen die hij neemt op grond van artikel 8, lid 5, mits die
                beschikkingen betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde
                bedrijfsonderdeel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. Hoedanigheidcorrectie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_10_30_"> Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van
                het chemisch zuurstofverbruik bedoeld in artikel 6 in belangrijke mate is beïnvloed
                door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de
                heffingsplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_10_31_"> De berekening van de correctie geschiedt met
                inachtneming van het voorschrift, opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_10_32_"> De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn
                beslissing als bedoeld in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_10_32_29_"> de wijze van berekening van de
                    correctie;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_10_32_30_"> de hoeveelheid en samenstelling van het
                    afvalwater waarop de correctie van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H111625_0_0_10_32_31_"> de frequentie en de wijze van onderzoek met
                    betrekking tot meting, bemonstering en</al></li><li nr="d."><al id="anker-H111625_0_0_10_32_32_"> analyse;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H111625_0_0_10_32_33_"> een vermelding van het heffingsjaar of de
                    heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_11_33_"> In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste
                lid, kan het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in
                een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld
                met behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel
                afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat
                het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                ingenomen water kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_11_34_"> Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het
                eerste lid wordt berekend volgens de formule A x B, waarbij:</al></lid><lid><lidnr>A</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_11_35_"> = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van
                de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al></lid><lid><lidnr>B</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_11_36_"> = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse
                van de in Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de
                bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is
                gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_11_37_"> Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid
                water niet kan worden vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan het
                begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar
                belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen
                wijze.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_11_38_"> De vervuilingswaarde met betrekking tot het
                zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing
                van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k tweede lid, van de
                Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_11_39_"> Indien het aantal vervuilingseenheden met
                betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of
                een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige aannemelijk
                maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in
                het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke
                wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 8, eerste lid, beslist de
                ambtenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van
                heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing
                van de tabel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12. Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_12_40_"> In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de
                vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of
                een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van
                een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof
                gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_12_41_"> De vervuilingswaarde bedraagt drie
                vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt
                geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_12_42_"> Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik
                van een in het eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een
                bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt,
                wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor
                dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_12_43_"> Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het
                onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid, van
                minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of
                minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Franchise</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_13_44_"> Voor de berekening van het aantal
                vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper,
                lood, nikkel, zilver en zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het
                aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek
                wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende
                stoffen, als berekend op grond van de artikelen 8 tot en met 11, te vermenigvuldigen
                met 0,0162.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_13_45_"> Voor de berekening van het aantal
                vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en
                kwik wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal
                vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt
                bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen,
                als berekend op grond van de artikelen 8 tot en met 11, te vermenigvuldigen met
                0,0027.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Meetverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_14_46_"> Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000
                vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 8:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_14_46_34_"> het aantal vervuilingseenheden van de groep
                    van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, tenzij
                    de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal
                    vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 13, eerste lid
                    bedoelde aftrek te boven gaat;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_14_46_35_"> het aantal vervuilingseenheden van de groep
                    van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast
                    met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                    betrekking tot deze stoffen de in artikel 13, tweede lid, bedoelde aftrek te
                    boven gaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_14_47_"> Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer
                bedraagt, wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 8:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_14_47_36_"> het aantal vervuilingseenheden van de groep
                    van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, indien
                    de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal Verordening
                    zuiveringsheffing waterschap Reest en Wieden 2012 Pagina 6 van 7
                    vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 13, eerste
                    lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_14_47_37_"> het aantal vervuilingseenheden van de groep
                    van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de
                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                    betrekking tot deze stoffen de in artikel 13, tweede lid, bedoelde aftrek niet
                    te boven gaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15. Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al id="anker-H111625_0_0_15_48_">De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt
                bepaald op de som van de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig
                de artikelen 8 tot en met 14, voor zover deze van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_16_49_"> In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de
                vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                zuiveringstechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd gesteld
                op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt
                dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die
                één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_16_50_"> Indien de aanslag in het heffingsjaar al is
                opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op
                vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of,
                bij beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar een aanvraag
                indienen bij de ambtenaar belast met de heffing. Een aanvraag als bedoeld in de
                vorige volzin kan worden ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H111625_0_0_16_50_38_"> indien de dagtekening van de aanslag binnen
                    desbetreffende kalenderjaar valt, binnen zes weken na het verstrijken van het
                    desbetreffende kalenderjaar;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H111625_0_0_16_50_39_"> indien de dagtekening van de aanslag na het
                    desbetreffende kalenderjaar valt, binnen zes weken na dagtekening van de
                    aanslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17. Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_17_51_"> In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de
                vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld
                op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door
                één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één
                vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_17_52_"> Het eerste lid is niet van toepassing op de voor
                recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor
                verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de
                vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte
                dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_17_53_"> Indien in de loop van het heffingsjaar de situatie
                ontstaat dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon wordt de
                vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld met ingang van de dag waarop die
                situatie is ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_17_54_"> Indien de in het derde lid bedoelde situatie
                ontstaat ná de dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De
                heffingsplichtige moet daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                heffing. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18. Schatting</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
                kalenderjaar geheel of</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen, indien door de
                heffingsplichtige:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_18_55_"> meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel
                zijn geschied in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_18_56_"> het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met
                behulp van meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op
                basis van artikel 11, eerste of vijfde lid, 12, eerste lid, 16, eerste lid, of 17,
                eerste lid, niet mogelijk is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_18_57_"> het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met
                behulp van meting, bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde op
                basis van artikel 11, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de heffingsplichtige
                gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is gedaan;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_18_58_"> niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden,
                verbonden aan de in artikel 8, 9 of 10 bedoelde toestemming.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Tarief</titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 59,64 per vervuilingseenheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Wijze van heffing en betalingstermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_20_59_"> De belasting wordt geheven bij wege van
                aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_20_60_"> Belastingaanslagen en beschikkingen inzake een
                bestuurlijke boete dienen, met in achtneming van het overigens in dit artikel
                bepaalde, te worden betaald in één termijn die vervalt twee maanden na de
                dagtekening van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_20_61_"> Belastingaanslagen waarvan de dagtekening in het
                desbetreffende heffingsjaar ligt en waarvoor de heffingschuldige een machtiging
                heeft afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische incasso, dienen
                te worden betaald in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er na de dagtekening
                van de aanslag nog in het desbetreffende heffingsjaar volle dan wel gedeeltelijke
                kalendermaanden resteren, met dien verstande dat het aantal maandelijkse termijnen
                niet minder dan twee bedraagt. Voor de overige aanslagen geldt onverkort de in lid 2
                neergelegde hoofdregel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_20_62_"> Op het bepaalde in lid 3 van dit artikel geldt als
                restrictie dat het bedrag per betaling op het totaalbedrag van het desbetreffende
                aanslagbiljet niet minder dan € 5,00 bedraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Nadere regels</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur van Lococensus kan nadere regels geven met betrekking tot de
              heffing en de invordering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22. Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de zuiveringsheffing wordt geen kwijtschelding verleend met
              uitzondering van aanslagen voor woonruimten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23. Niet opleggen van aanslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_23_63_"> Een aanslag van minder dan € 5,00 wordt niet
                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_23_64_"> Voor de toepassing van het eerste lid wordt het
                totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag
                aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_24_65_"> De "Verordening zuiveringsheffing waterschap Reest
                en Wieden 2011" vastgesteld bij besluit van 30 november 2010 wordt ingetrokken met
                ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing. Zij blijft
                van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_24_66_"> Deze verordening treedt in werking met ingang van
                de achtste dag na die van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_24_67_"> De datum van ingang van de heffing is 1 januari
                2012.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H111625_0_0_24_68_"> Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening
                zuiveringsheffing waterschap Reest en Wieden 2012".</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap Reest en Wieden in
                de openbare</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>vergadering 29 november 2011.</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>Algemeen Bestuur,</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>mr. A.K. Schuttinga, Secretaris-directeur</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>M.M. Kool, Dijkgraaf</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><plaatje><illustratie naam="Bijlage: Toelichting verordening zuiveringsheffing 2012" id="i188836" formaat="pdf" type="tekst"></illustratie></plaatje></bijlage><bijlage><plaatje><illustratie naam="Bijlage 1: Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening" id="i188837" formaat="pdf" type="tekst"></illustratie></plaatje></bijlage><bijlage><plaatje><illustratie naam="Bijlage 2: Tabel afvalwatercoëfficiënten" id="i188838" formaat="pdf" type="tekst"></illustratie></plaatje></bijlage></regeling></body></cvdr>