<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>397443_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Reest en Wieden 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Reest en Wieden</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-02-25</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Reest en Wieden 2012</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:license><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-20</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:isFormatOf><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=113">Waterschapswet, art. 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0025458&amp;artikel=hoofdstuk 7">Waterwet, hoofdstuk 7</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>WM/MBZ/DS/6187</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening verontreinigingsheffing waterschap
          Reest en Wieden 2011.</al><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van het waterschap Reest en Wieden;</al><al>gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur van 8 november 2011;</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet en hoofdstuk 7 van de
            Waterwet;</al><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al>vast te stellen de Verordening verontreinigingsheffing waterschap Reest en Wieden
            2012.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening Verontreinigingsheffing 2012</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="•"><al>a. oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak
                  voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem
                  en oevers, flora en fauna ten aanzien waarvan het waterschap ingevolge artikel 3.2
                  van de Waterwet is aangewezen als beheerder, met uitzondering van de gronden die
                  ingevolge artikel 3.1 of 3.2 van de Waterwet zijn aangewezen als drogere
                  oevergebieden; </al></li><li nr="•"><al>b. stoffen: de stoffen genoemd in artikel 9 van deze verordening; </al></li><li nr="•"><al>c. lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij
                  het waterschap; </al></li><li nr="•"><al>d. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een
                  afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de
                  inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden
                  gegeven; </al></li><li nr="•"><al>e. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk
                  geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een
                  zuiveringtechnisch werk of een openbaar vuilwaterriool; </al></li><li nr="•"><al>f. openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en het transport
                  van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door
                  een gemeente met het beheer is belast; </al></li><li nr="•"><al>g. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater,
                  in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel een rechtspersoon die door
                  het bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is
                  belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende werk voor het transport van
                  stedelijk afvalwater; </al></li><li nr="•"><al>h. stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met
                  bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater; </al></li><li nr="•"><al>i. de ambtenaar belast met de heffing: de door het Dagelijks Bestuur van
                  Lococensus aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a,
                  van de Waterschapswet; </al></li><li nr="•"><al>j. watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de
                  Waterschapswet; </al></li><li nr="•"><al>k. drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                  Drinkwaterwet; </al></li><li nr="•"><al>l. ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, warm tapwater, onttrokken
                  grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater; </al></li><li nr="•"><al>m. drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                  van de Drinkwaterwet; </al></li><li nr="•"><al>n. warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                  Drinkwaterwet; </al></li><li nr="•"><al>o. Lococensus: het openbaar lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor
                  Lococenus-Tricijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Bijlagen</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="•"><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening; </al></li><li nr="•"><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in artikel 122k, derde
                  lid, van de Waterschapswet. </al></li></lijst><al><vet></vet></al><al><vet></vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Belastbaar feit en heffingsplicht </titel></kop><al>1. Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting geheven ter
              zake van lozen.</al><al>2. Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="•"><al>a. ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene
                  die het gebruik heeft van die ruimte; </al></li><li nr="•"><al>b. ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van een
                  zuiveringtechnischwerk: degene bij wie die riolering of dat zuiveringtechnisch
                  werk in beheer is; </al></li><li nr="•"><al>c. ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b: degene die loost.
                </al></li></lijst><al>3. Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al><lijst><li nr="•"><al>a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt als
                  gebruik door het door de ambtenaar belast met de heffing aangewezen lid van dat
                  huishouden; </al></li><li nr="•"><al>b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is
                  gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die het deel in gebruik heeft gegeven;
                  degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig te
                  verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; </al></li><li nr="•"><al>c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor
                  volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die ruimte ter beschikking
                  heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                  heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is
                  gesteld. </al></li></lijst><al>4. De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de bekostiging van
              het beheer van het watersysteem door het waterschap.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Vrijstellingen</titel></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><lijst><li nr="•"><al>a. het lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool; </al></li><li nr="•"><al>b. het lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk door het waterschap zelf; </al></li><li nr="•"><al>c. het lozen van stoffen afkomstig vanuit een zuiveringstechnisch werk anders
                  dan door het waterschap zelf, mits de hoeveelheid stoffen niet is toegenomen.
                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                tijdsevenredigheid</titel></kop><al>1. De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld in artikel
              18 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de
              aanvang van de heffingsplicht.</al><al>2. Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid
              in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel
              driehonderd vijfenzestigste gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als
              er in dat jaar, na de aanvang van de heffingsplicht, nog volle etmalen resteren.</al><al>3. Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het eerste lid in de
              loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel
              driehonderd vijfenzestigste gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als
              er in dat jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog volle etmalen resteren. De
              heffingsplichtige kan, indien de situatie in de vorige volzin zich voordoet, een
              aanvraag tot ontheffing bij de ambtenaar belast met de heffing indienen.</al><al>4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de heffingsplichtige in
              de loop van het heffingsjaar het gebruik van een woonruimte beëindigt en direct
              aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte die eveneens in het gebied van
              waterschap Reest en Wieden ligt en er vanuit de nieuwe woonruimte eveneens wordt
              geloosd als bedoeld in artikel 1 onder c.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Aangifte</titel></kop><al>1. Met betrekking tot de verontreinigingsheffing, geheven van gebruikers van
              bedrijfsruimten wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan door:</al><lijst><li nr="•"><al>a. het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet; </al></li><li nr="•"><al>b. het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt verzocht om
                  aangifte tedoen op de wijze als bedoeld in dit artikel, in het hierna vermelde
                  derde lid, onderdeel b. </al></li></lijst><al> 2. Op verzoek van degene die op de wijze, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
              is uitgenodigd tot het doen van aangifte wordt door de ambtenaar belast met de heffing
              een aangiftebiljet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, toegezonden of
              uitgereikt.</al><al>3. Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="•"><al>a. het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de
                  eventueel </al><al>daarbij gevraagde bescheiden; </al></li><li nr="•"><al>b. het op elektronische wijze toezenden van de door de programmatuur
                  gevraagdegegevens. </al></li></lijst><al>4. Indien het derde lid, onder b toepassing vindt, worden de eventueel gevraagde
              bescheiden afzonderlijk ingeleverd of toegezonden. De via de programmatuur, bedoeld in
              laatstgenoemd onderdeel b, toe te zenden dan wel in te leveren gegevens zijn
              inhoudelijk gelijk aan die welke toegezonden dan wel ingeleverd hadden moeten worden
              als voor de aangifte als bedoeld in het derde lid, onder a. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Heffingsjaar</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><al>1. Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid en de
              hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. </al><al>2. Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen
              die in een kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in
              vervuilingseenheden. </al><al>3. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt
              bepaald op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik
              door omzetting van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I. Eén
              vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een
              verbruik in het heffingsjaar van 54,8 kilogram zuurstof. </al><al>4. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom, koper, lood,
              nikkel, zink, arseen, kwik en cadmium wordt bepaald op basis van de afgevoerde
              gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in Bijlage I. Eén vervuilingseenheid
              vertegenwoordigt een in het heffingsjaar afgevoerde gewichtshoeveelheid van: </al><lijst><li nr="•"><al>a. 1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink; </al></li><li nr="•"><al>b. 0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik; </al></li></lijst><al>5. De stoffen chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de heffing
              onderworpen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. Meting, bemonstering en analyse </titel></kop><al>1. Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen wordt
              berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De
              meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in achtneming van de in
              Bijlage I van de verordening opgenomen voorschriften. </al><al>2. De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden ieder
              etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 11. </al><al>3. De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat: </al><lijst><li nr="•"><al>a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke
                  hoeveelheid afvalwater;</al></li><li nr="•"><al>b. het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid stoffen
                  die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel
                  wordt geloosd.</al></li></lijst><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een beschrijving
              van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor aanvang van het heffingsjaar ter kennis
              van de ambtenaar belast met de heffing. Indien het gebruik van de apparatuur in de
              loop van het heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of
              de wijziging ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing gebracht. </al><al>5. De ambtenaar belast met de heffing: </al><lijst><li nr="•"><al>a. kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van
                  één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien deze
                  aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het
                  derde lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="•"><al>b. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en bemonstering
                  kunnen geschieden in afwijking van een of meer van de in Bijlage I, onderdeel A,
                  opgenomen voorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                  wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="•"><al>c. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden afgeweken van de
                  in Bijlage I, onderdeel B van de ze verordening, opgenomen analysevoorschriften,
                  indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de
                  uitkomsten van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li><li nr="•"><al>d. kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c nadere
                  voorschriften geven.</al></li></lijst><al>6. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde
              lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking
              bevat in elk geval: </al><lijst><li nr="•"><al>a. de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt afgeweken;
                </al></li><li nr="•"><al>b. de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c; </al></li><li nr="•"><al>c. de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d; </al></li><li nr="•"><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                  beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst><al>7. De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het vijfde
              lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde
              bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen. </al><al>8. De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten
              veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde, respectievelijk de te
              lozen stoffen, de desbetreffende beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve
              wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde lid.
            </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. Beperkte meting, bemonstering en analyse </titel></kop><al>1. Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
              berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke
              met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn
              verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing dat meting en bemonstering
              geschieden in afwijking van het bepaalde in artikel 10, tweede lid. Het besluit op
              aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking
              bevat in elk geval: </al><lijst><li nr="•"><al>a. een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het onderzoek
                  dienen te worden betrokken;</al></li><li nr="•"><al>b. de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder etmaal
                  van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;</al></li><li nr="•"><al>c. de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden
                  herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak,
                  onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al></li><li nr="•"><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                  beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst><al>2. De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten
              veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde, respectievelijk te
              lozen stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve
              wijzigen of intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C
              van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen. </al><al>3. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede
              lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. </al><al>4. De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd beschikkingen als bedoeld in lid 1
              van dit artikel op één geschrift samen te voegen met beschikkingen die hij neemt op
              grond van artikel 10, lid 5, mits die beschikkingen betrekking hebben op hetzelfde
              bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12. Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><al>1. Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik
              bedoeld in artikel 9 in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg
              niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst
              een correctie toegepast. </al><al>2. De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de voorschriften
              welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C. </al><al>3. De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in het
              eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval: </al><lijst><li nr="•"><al>a. de wijze van berekening van de correctie; </al></li><li nr="•"><al>b. de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de correctie van
                  toepassing is;</al></li><li nr="•"><al>c. de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting,
                  bemonstering en analyse;</al></li><li nr="•"><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                  beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Tabel afvalwatercoëfficiënten </titel></kop><al>1. In afwijking van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, kan het aantal
              vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor
              een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met behulp van de in
              Bijlage II opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
              aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
              zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de
              hand van de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald. </al><al>2. Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt berekend
              volgens de formule </al><al> A x B, waarbij:</al><al>A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het
              onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al><al>B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen
              tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het
              zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
              bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al><al>3. Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden
              vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van
              het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de heffing die
              hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen wijze. </al><al>4. De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld
              in het tweede lid wordt ingevolge artikel 7.3b, vijfde lid, van de Waterwet bepaald
              met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k,
              tweede lid, van de Waterschapswet. </al><al>5. Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in
              een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000
              bedraagt en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
              vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel
              tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de voet
              van artikel 10, eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor
              bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
              vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen </titel></kop><al>1. In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de
              stoffen die worden geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een
              bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een
              bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald
              op basis van het tweede lid. </al><al>2. De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak
              waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare
              vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden. </al><al>3. Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste lid
              bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van een deel
              daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die
              bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een evenredig gedeelte van
              het op basis van het tweede lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing
              onderworpen. </al><al>4. Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een
              bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid, van minder dan vijf
              vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één
              vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15. Franchise en drempel </titel></kop><al>1. Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de
              groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink wordt een aftrek
              toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op
              nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal
              vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de
              artikelen 10 tot en met 13, te vermenigvuldigen met 0,0162. </al><al>2. Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de
              groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien
              verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden
              gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de
              zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 10 tot en met 13, te
              vermenigvuldigen met 0,0027. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Meetverplichting </titel></kop><al>1. Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van
              een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden wordt, in afwijking
              van het bepaalde in artikel 10: </al><lijst><li nr="•"><al>a. het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood,
                  nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing
                  aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                  stoffen de in artikel 15, eerste lid bedoelde aftrek te boven gaat;</al></li><li nr="•"><al>b. het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en
                  kwik op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt
                  dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel
                  15, tweede lid, bedoelde aftrek te boven gaat.</al></li></lijst><al>2. Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van
              een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt, wordt, in afwijking van
              het bepaalde in artikel 10: </al><lijst><li nr="•"><al>a. het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood,
                  nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, indien de heffingsplichtige aannemelijk
                  maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                  artikel 15, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat;</al></li><li nr="•"><al>b. het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en
                  kwik op nihil gesteld, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het
                  aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 15,
                  tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17. Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte </titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van de aantallen
              vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 16, voor
              zover deze van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18. Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><al>1. In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de
              stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het
              zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door
              de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf
              vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de
              heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder
              bedraagt. </al><al>2. Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
              vervuilingseenheden en de heffingschuldige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde
              één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De
              heffingsschuldige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of, bij beëindiging van
              de heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de
              ambtenaar belast met de heffing. Een aanvraag als bedoeld in de vorige volzin kan
              worden ingediend: </al><lijst><li nr="•"><al>a. indien de dagtekening van de aanslag binnen het desbetreffende kalenderjaar
                  valt, binnen zes weken na het verstrijken van het desbetreffende kalenderjaar;
                </al></li><li nr="•"><al>b. indien de dagtekening van de aanslag na het desbetreffende kalenderjaar valt,
                  binnen zes weken na dagtekening van de aanslag. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Vervuilingswaarde van woonruimten </titel></kop><al>1. In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de
              stoffen die vanuit een woonruimte worden geloosd, gesteld op drie vervuilingseenheden.
              De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte
              woonruimte worden geloosd, bedraagt één vervuilingseenheid. </al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde
              woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als
              zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden
              tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een
              bedrijfsruimte. </al><al>3. Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt
              door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde
              op één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de dag waarop die situatie is
              ontstaan. </al><al>4. Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat ná de dagtekening van de
              aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe een
              aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de heffing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Schatting </titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
              kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen, indien door
              de heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="•"><al>a. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                  overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften; </al></li><li nr="•"><al>b. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                  bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel
                  13, eerste of vijfde lid, 14, eerste lid, 18, eerste lid, of 19, eerste lid, niet
                  mogelijk is; </al></li><li nr="•"><al>c. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                  bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel
                  13, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de heffingsplichtige gedurende het
                  heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is gedaan; </al></li><li nr="•"><al>d. niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in
                  artikel 10, 11 of 12 bedoelde toestemming. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Tarief </titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 59,64 per vervuilingseenheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22. Wijze van heffing en betalingstermijnen </titel></kop><al>1. De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. </al><al>2. Belastingaanslagen en beschikkingen inzake een bestuurlijke boete dienen, met in
              achtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, te worden betaald in één termijn
              die vervalt twee maanden na de dagtekening van de aanslag. </al><al>3. Belastingaanslagen waarvan de dagtekening in het desbetreffende heffingsjaar ligt
              en waarvoor de heffingschuldige een machtiging heeft afgegeven om deze af te schrijven
              door middel van automatische incasso, dienen te worden betaald in zoveel gelijke
              maandelijkse termijnen als er na de dagtekening van de aanslag nog in het
              desbetreffende heffingsjaar volle dan algemeewel gedeeltelijke kalendermaanden
              resteren, met dien verstande dat het aantal maandelijkse termijnen niet minder dan
              twee bedraagt. Voor de overige aanslagen geldt onverkort de in lid 2 neergelegde
              hoofdregel. </al><al>4. Op het bepaalde in lid 3 van dit artikel geldt als restrictie dat het bedrag per
              betaling op het totaalbedrag van het desbetreffende aanslagbiljet niet minder dan €
              5,00 bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23. Nadere regels</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur van Lococensus kan nadere regels geven met betrekking tot de
              heffing en de invordering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24. Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de verontreinigingsheffing wordt geen kwijtschelding verleend
              met uitzondering van aanslagen voor woonruimten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25. Niet opleggen van aanslag</titel></kop><al>1. Een aanslag van minder dan € 5,00 wordt niet opgelegd. </al><al>2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één
              aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>1. De ‘Verordening verontreinigingsheffing waterschap Reest en Wieden 2011',
              vastgesteld bij besluit van 30 november 2010, wordt ingetrokken met ingang van de in
              het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing. Zij blijft van toepassing op
              de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. </al><al>2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de
              bekendmaking. </al><al>3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011. </al><al>4. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening verontreinigingsheffing
              waterschap Reest en Wieden 2012'.</al><al>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap Reest en Wieden in de
              openbare vergadering van 29 november 2011.</al><al>Algemeen Bestuur,</al><al>mr. A.K. Schuttinga, M.M. Kool,</al><al>Secretaris-directeur Dijkgraaf</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting en bijlagen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>TOELICHTING ALGEMEEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing</vet></al><al>De verontreinigingsheffing vindt haar wettelijke basis in artikel 7.2, tweede lid,
                van de Waterwet (Wet van 29 januari 2009, Stb. 107). Zij is daarmee de opvolger van
                de verontreinigingsheffing zoals die tot en met 2009 werd geheven op basis van de
                Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van 13 november 1969, Stb. 536). Die
                verontreinigingsheffing "oude stijl" diende ter financiering van alle activiteiten
                in het kader van het waterkwaliteitsbeheer. Zowel de kosten voor het actieve beheer
                (transporteren en zuiveren van afvalwater, verbranden van zuiveringsslib en baggeren
                uit waterkwaliteitsoogpunt) als voor het passieve beheer (vergunningverlening,
                toezicht en controle, handhaving, waterkwaliteitsbeheersplannen) werden hiermee
                bekostigd. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21 mei
                2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen. Met ingang van 2009 worden de kosten
                ter bestrijding van de zorg voor het zuiveren van afvalwater, waar ook het
                transporteren van afvalwater en het verbranden van zuiveringsslib toe worden
                gerekend, gedekt uit de opbrengst van de zuiveringsheffing.</al><al>Het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt
                horen sinds 2009 tot de zorg voor het watersysteem, waar ook de zorg voor de
                waterkering en de waterbeheersing toe worden gerekend. De zorg voor het watersysteem
                wordt bekostigd uit de opbrengst van de watersysteemheffing. Voor directe lozingen
                op oppervlaktewater bleef de verontreinigingsheffing wel bestaan. De opbrengst kwam
                ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem. Die praktijk vindt
                ook na 2009 toepassing, zij het dat de wettelijke basis voor de belasting zoals
                gezegd met ingang van 2010 in de Waterwet is geregeld. De essentialia van de
                belasting zijn niet veranderd en zij vertonen grote overeenkomst met de
                zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil tussen de beide belastingen is dat de
                zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van stoffen op de riolering of een
                zuiveringstechnisch werk, terwijl de verontreinigingsheffing is verschuldigd voor
                het lozen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam.</al><al>Het vaststellen van de vervuilingswaarde van de afgevoerde of geloosde stoffen
                gebeurt op dezelfde wijze als bij de zuiveringsheffing. In dat kader verklaart de
                Waterwet zelfs een aantal bepalingen ter zake van de zuiveringsheffing in de
                Waterschapswet van overeenkomstige toepassing voor de verontreinigingsheffing.
                Daarom wordt in deze toelichting ook op een aantal plaatsen verwezen naar bepalingen
                in de Waterschapswet in plaats van de Waterwet. </al><al>Bij de verontreinigingsheffing wordt de vervuilingswaarde voor woonruimten alleen
                op forfaitaire wijze vastgesteld. De keuze om dit net zoals bij de zuiveringsheffing
                als alternatief op basis van het drinkwatergebruik te doen, heeft de wetgever bij de
                verontreinigingsheffing niet gegeven.</al><al>Omdat er geen directe relatie is tussen het lozen van stoffen en de kosten van het
                beheer van het watersysteem, heeft de verontreinigingsheffing het karakter van een
                bestemmingsheffing behouden. </al><al>Een aantal artikelen in deze verordening is letterlijk uit de wet overgenomen.
                Hoewel die bepalingen vanwege het imperatieve karakter ook achterwege hadden kunnen
                blijven, zijn ze toch in de verordening opgenomen. Een belastingplichtige moet
                immers uit de belastingwet kunnen opmaken onder welke voorwaarden zijn materiële
                belastingschuld ontstaat. Omdat de belastingverordening voor het waterschap in feite
                de functie van belastingwet heeft, is er een aantal jaren geleden al voor gekozen om
                van verordeningen steeds een "aangeklede" versie maken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Considerans</vet></al><al>Bevoegdheid Algemeen Bestuur</al><al>Uitsluitend het Algemeen Bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet. Het
                Dagelijks Bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening
                (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al>Bevoegdheid instellen verontreinigingsheffing</al><al>De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te stellen,
                ligt in artikel 7.2 van de Waterwet, juncto artikel 113 van de Waterschapswet. In
                het laatstgenoemde artikel geeft de wetgever aan het waterschap de bevoegdheid om
                krachtens een bijzondere wet belasting te heffen. De Waterwet is een dergelijke
                bijzondere wet. </al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze begrippen
                een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is zo veel mogelijk aangesloten bij
                de begripsbepalingen in de artikelen 1 en 7.1 van de Waterwet.</al><al><vet>a. Oppervlaktewaterlichaam </vet></al><al>De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam. Dit is meer omvattend
                dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet verontreiniging
                oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie nader inhoud heeft
                gekregen. In artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet wordt ten aanzien van de
                verontreinigingsheffing een tweetal zaken uitgezonderd, te weten als zodanig
                aangewezen drogere oevergebieden en de exclusieve economische zone. Er is voor
                gekozen om van die uitzonderingen alleen de drogere oevergebieden als uitzondering
                op te nemen. De exclusieve economische zone is het water in de Noordzee buiten de
                territoriale wateren boven het Nederlandse deel van het continentaal plat en zal
                daarom in geen enkel geval binnen het beheersgebied van een waterschap vallen. De
                uitzondering van de exclusieve economische zone heeft dus alleen effect voor zover
                het de verontreinigingsheffing door het rijk betreft.</al><al>Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam, doet
                zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane definiëring
                van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op oppervlaktewaterlichaam. </al><al>De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel (Kamerstuk 2006-2007, 30 818, nr.
                3) geeft daarover uitsluitsel. Op pagina 88 staat: "Onder de begripsomschrijving
                vallen aldus de watereenheden waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het
                begrip oppervlaktewater uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren - dat in die
                wet overigens niet is gedefinieerd - betrekking heeft". Vervolgens wordt ook
                aangegeven dat de definitie van oppervlaktewater uit de kaderrichtlijn water niet
                geschikt is om in de Waterwet over te nemen.</al><al>Zoals bekend mag worden verondersteld, is er destijds bij de Wet verontreiniging
                oppervlaktewateren bewust voor gekozen om, vanwege de grote verscheidenheid in
                verschijningsvormen, het begrip oppervlaktewateren niet in de wet te omschrijven.
                Nadere definiëring zou moeten plaatsvinden door middel van jurisprudentie. In de
                Memorie van Toelichting is wel aangegeven welke eisen aan oppervlaktewater zouden
                kunnen worden gesteld.</al><al>Zo zou het:</al><lijst><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor drinkwater voor de mens
                    dat tegen een redelijke prijs is te distribueren; </al></li><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor vee; </al></li><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn als sproei- en gietwater in de agrarische sector; </al></li><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden; </al></li><li nr="•"><al>geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen; of </al></li><li nr="•"><al>- vormen van aquatisch leven kunnen bevatten. </al></li></lijst><al>Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip zich niet beperkt tot
                openbare wateren. </al><al>Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip oppervlaktewater de nodige
                invulling gegeven. De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in zijn arrest
                van 30 november 1982 (BNB 1983/89):</al><al>‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een - anders dan louter
                incidenteel aanwezige - aan het oppervlak en aan de open lucht grenzende watermassa
                (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet bij voortduring
                voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten behoeve van een
                specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende organismen en een
                niet-levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een ter berging van
                afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een overgangsfase water aanwezig is
                en zich nog geen normaal ecosysteem heeft ontwikkeld.'</al><al>Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad dat bij een
                zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als oppervlaktewater aangemerkt
                kunnen worden.</al><al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is gevuld en ‘s
                zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat, moet onder andere vanwege
                het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden, worden aangemerkt als
                oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na verwijzing Hof
                Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55, Belastingblad 1987, blz. 249).</al><al>Een sloot van waaruit geregeld - dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per jaar -
                gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan als
                oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89,
                Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB 1983/241, Belastingblad
                1983, blz. 465).</al><al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad 25 mei 1983,
                BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462).</al><al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse) verbinding tussen twee
                oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt, ook als de klep in de
                duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het heffingsjaar was
                gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167, Belastingblad 1985, blz. 464).</al><al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die aan weerszijden van het
                lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat en niet in
                verbinding staat met enig oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater worden
                aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123, Belastingblad 1988, blz.
                223).</al><al><vet>b. Stoffen</vet></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen' is verwezen naar de stoffen genoemd in artikel
                9. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in de heffing
                worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen.</al><al><vet>c. Lozen</vet></al><al>Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het
                waterschap. Welke oppervlaktewaterlichamen dat zijn, valt op te maken uit de
                gebiedsomschrijving zoals die is opgenomen in het reglement voor het waterschap. </al><al><vet>d. Woonruimte</vet></al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke
                bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt geacht te
                zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Of dit
                het geval is moet blijken uit de inrichting van de ruimte. In deze definitie wordt
                tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een ruimte die zelfstandig bruikbaar
                is en daardoor niet meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw
                aanwezige voorzieningen die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn.
                Hierbij moet worden gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van
                faciliteiten als kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt
                vaak in onder meer studentenhuizen en pensions voor. </al><al>In een dergelijke situatie kan niet worden gesproken van een woonruimte in de zin
                van deze verordening. Zie hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli
                1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92,
                Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz.
                168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als woonruimte
                werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al><vet>e. Bedrijfsruimte</vet></al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles wat
                geen woonruimte, een openbaar vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk is moet
                als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo wordt bijvoorbeeld ook een stuk
                landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s-Gravenhage 17 maart 1993,
                Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders.
                Hierbij ging het om een kavel los land -deels akkerbouw, deels weiland- dat niet als
                bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden namelijk geen opstallen op en voor
                de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die elders, in de schuur
                achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij meer dan bijkomstig
                afhankelijk van elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie wezenlijke,
                voorzieningen (Hof 's-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad 1997, blz. 729). </al><al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het lozen van met slib
                verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22 augustus 1997,
                Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van één of van twee
                bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de Hoge Raad van 14 juni
                1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee verschillende
                personen in gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte werd aangemerkt.
                Daarbij speelde onder andere een rol het feit dat de stortplaats maar één ingang
                heeft, om de gehele stortplaats een hek staat en er geen deugdelijke afscheiding is
                tussen beide delen van de stortplaats.</al><al><vet>f. Openbaar vuilwaterriool</vet></al><al>Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk
                rioolstelsel. Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het
                zuiveringstechnisch werk van het waterschap begint. Dit begrip betekent een
                verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet
                verontreiniging oppervlaktewateren. Nu wordt ook rekening gehouden met de
                omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente zelf
                berust. </al><al><vet>g. Zuiveringstechnisch werk</vet></al><al>De definitie van een zuiveringtechnisch werk komt in belangrijke mate overeen met
                de omschrijving van artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Het
                gebruik van de term stedelijk afvalwater betekent wel een bekorting van de oude
                omschrijving. Ook is de term beheer vervangen door exploitatie, omdat in het kader
                van de Waterwet het begrip beheer betrekking heeft op watersystemen. Dit doet
                overigens niet af aan het vereiste in artikel 3.4 van de Waterwet dat het moet gaan
                om een installatie onder de zorg van een waterschap of eventueel een gemeente. Naast
                afvalwaterzuiveringsinstallaties vallen ook gemalen, persleidingen,
                vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van het
                afvalwater nog altijd onder de definitie. Hiermee wordt aansluiting gezocht op de
                jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande. De gemeentelijke riolering wordt hier
                niet onder begrepen (zie onderdeel f, waar het begrip openbaar vuilwaterriool is
                gedefinieerd).</al><al><vet>h. De stedelijk afvalwater</vet></al><al>De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1.1, eerste lid, van
                de Wet milieubeheer.</al><al><vet>i. De ambtenaar belast met de heffing</vet></al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van aanslagen
                en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In artikel 123
                van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
                toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door waterschappen. Dit artikel
                bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur toekomen aan de daartoe
                aangewezen ambtenaar van het waterschap. </al><al>Die aanwijzing geschiedt bij een door het Dagelijks Bestuur te nemen
                aanwijzingsbesluit. Ingeval op het gebied van belastingheffing wordt samengewerkt
                met een of meer andere waterschappen of binnen een gemeenschappelijke regeling, dan
                zijn eveneens de bepalingen in artikel 124 van de Waterschapswet van
                toepassing.</al><al>Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften
                komt krachtens deze verordening aan deze functionaris ook de bevoegdheid tot het
                afgeven van meetbeschikkingen toe (artikel 10 en verder).</al><al>Waterschap Reest en Wieden is deelnemer in het belastingkantoor Lococensus.
                Lococensus is een openbaar lichaam. Het bestuur van Lococensus heeft een ambtenaar
                belast met de heffing aangewezen. In de definitie van onderdeel i wordt
                verduidelijkt voor de heffing van de verontreinigingsheffing van waterschap Reest en
                Wieden de bevoegdheden van de heffingsambtenaar bezit. </al><al><vet>j. Watersysteem</vet></al><al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft, moet onder het
                watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering, de waterbeheersing en het
                passieve waterkwaliteitsbeheer. Hoewel hiervoor in de vorm van de
                watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het leven is geroepen, is voor
                directe lozingen op een oppervlaktewaterlichaam de verontreinigingsheffing blijven
                bestaan. De opbrengst van die belasting komt ten goede aan de bekostiging van het
                beheer van het watersysteem (artikel 7.2, vijfde lid, van de Waterwet). </al><al><vet>k. Drinkwater</vet></al><al>De Drinkwaterwet geeft een begripsomschrijving van het begrip drinkwater. Deze
                begripsomschrijving wordt in deze verordening gevolgd. Warm tapwater valt echter
                niet onder deze begripsomschrijving, terwijl het uitdrukkelijk wél de bedoeling is
                om warm tapwater, dat immers ook schoon wordt ingenomen en vervuild wordt geloosd,
                in de zuiveringsheffing te betrekken. Daarom is warm tapwater wél begrepen in de
                begripsomschrijving van het begrip ingenomen water (zie onderdeel l hieronder).</al><al><vet>l. ingenomen water</vet></al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water ingenomen. Zo wordt op
                steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater opgevangen.
                Ook wordt er bijvoorbeeld grondwater opgepompt en warm tapwater ingenomen. Al dit
                soort water wordt gebruikt en wordt vervolgens (in meerdere of mindere mate
                vervuild) geloosd, zodat het in de berekening van de vervuilingswaarde dient te
                worden betrokken.</al><al><vet>m. drinkwaterbedrijf </vet></al><al>Een Drinkwaterbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in artikel 1,
                eerste lid, de Drinkwaterwet, niet uitsluitend te voorzien in het leveren van water.
                Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken van een ruimer aanbod van producten,
                bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of aardgas.</al><al><vet>o. Lococensus</vet></al><al>In deze bepaling is uitgelegd wie Lococensus precies is. Lococensus is sinds 1
                januari 2011 onderdeel van het openbaar lichaam (in het kader van de Wet
                gemeenschappelijke regelingen) Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus -
                Tricijn te Zwolle. Dit gemeenschappelijk belastingkantoor is ontstaan uit een fusie
                tussen Gemeenschappelijk Belastingkantoor Rijn Midden (h.o.d.n. Tricijn belastingen)
                dat gevestigd was te Harderwijk en Gemeenschappelijk belastingkantoor Oost-Nederland
                (h.o.d.n. Lococensus) dat gevestigd was te Zwolle. Deze beide openbare lichamen
                waren bij de fusie per 1 januari 2011 nog slechts enkele jaren actief. Om de
                belastingplichtigen niet lastig te vallen met herhaaldelijke naamswijzigingen is
                besloten om de (handels)namen ‘Tricijn belastingen' en ‘Lococensus' vooralsnog te
                handhaven in de respectievelijke waterschapbeheergebieden waar deze voormalige
                openbare lichamen actief waren. Het deel van Lococensus - Tricijn dat onder de naam
                Lococensus handelt, blijft vooralsnog werkzaam in het kantoorgebouw te Zwolle
                (Assendorperdijk 5).</al><al><vet>Artikel 2. Bijlagen</vet></al><al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en
                de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als heffingsmaatstaf geldt de
                vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd, uitgedrukt
                in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 7.5, eerste lid, van de Waterwet is
                de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt vastgesteld met behulp van
                door middel van meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens overeenkomstig
                bij belastingverordening te stellen regels. Die regels zijn opgenomen in Bijlage I.
                Zie in dit verband ook de artikelen 10, 11, 12, 15 en 16.</al><al>Artikel 7.2, vijfde lid, van de Waterwet verklaart een aantal bepalingen met
                betrekking tot de zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige
                toepassing voor de verontreinigingsheffing. Daardoor is er een aantal uitzonderingen
                op deze hoofdregel van toepassing. Deze uitzonderingen, in casu voor woonruimten,
                kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een vervuilingswaarde
                van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in deze verordening
                opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van het
                aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van
                Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop deze
                tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 13.</al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al>Voor woonruimten en glastuinbouwbedrijven gelden afzonderlijke forfaitaire
                regelingen.</al><al><vet>Artikel 3. Belastbaar feit en heffingsplicht</vet></al><al>Eerste lid</al><al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een
                oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking
                gebracht in het eerste lid van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt uit het
                vierde lid, ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem. De
                verontreinigingsheffing is dus primair een bestemmingsheffing die overigens wel een
                regulerende nevenwerking kan hebben. </al><al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het direct brengen
                van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij het waterschap. De
                vraag of het afgevoerde water van slechtere kwaliteit is dan dat in het
                oppervlaktewaterlichaam waar op wordt geloosd, is niet van belang. Dit bleek uit een
                arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd gebruikt als
                koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB 1991/15, Belastingblad 1990, blz. 771).
                Dit ligt overigens anders als het gaat om ingenomen oppervlaktewater dat wordt
                gebruikt als koelwater en dat vervolgens weer wordt geloosd op oppervlaktewater. In
                dat geval wordt voor de berekening van de vervuilingswaarde uitsluitend de
                toegevoegde vervuiling in aanmerking genomen (zie Bijlage I bij de verordening). Uit
                het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1996 (BNB 1996/205, Belastingblad 1996,
                blz. 335) blijkt overigens dat er geen wettelijke verplichting bestaat voor een
                dergelijke begunstigende regeling (zie ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 33 186,
                Belastingblad 1998, blz. 386).</al><al>Ook wordt de verontreinigingsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat is
                noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige heffing
                in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al>Tweede lid</al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen in een oppervlaktewaterlichaam lozen.
                Dergelijke lozingen kunnen op verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de
                omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het
                object van waaruit wordt geloosd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de
                gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de
                ambtenaar belast met de heffing of het Dagelijks Bestuur beleidsregels opstelt op
                grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden aangewezen.
                Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn voor de
                heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van dergelijke beleidsregels kan de
                keuze van het waterschap voor één van de gebruikers als willekeurig en onredelijk
                worden aangemerkt, wat tot vernietiging van de aanslag kan leiden. Zie voor nadere
                informatie over dit onderwerp en mogelijkheden voor de inhoud van de beleidsregels
                de brief van de Unie van Waterschappen aan de leden-waterschappen van 23 maart 1995,
                nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz. 326).</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan is
                de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een
                woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één van
                de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de verontreinigingsheffing,
                worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke overeenkomsten doen niet af aan de
                heffingsplicht: de gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze kan op grond van de
                huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag terugvorderen bij de
                verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan bestaan
                dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden aangemerkt als
                bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3, derde lid, onderdeel
                c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad 23 juli 1984, BNB
                1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari 1995, BNB
                1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene die
                zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de bedrijfsruimte kan
                bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de landeigenaar op een stuk
                grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken voor de bollenteelt, niet als
                gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188, Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                belastingplichtig.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een zuiveringstechnisch
                werk, dan is de beheerder van die riolering of van dat zuiveringstechnisch werk
                heffingsplichtig. Door het gebruik van het begrip riolering vallen alle soorten
                lozingen, dus ook die via een niet openbare voorziening voor de inzameling en het
                transport van afvalwater, onder het regime van de heffing.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder één van
                de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties, dan is degene die feitelijk
                loost aan de heffing onderworpen. Hierdoor zijn alle denkbare wijzen van lozen
                anders dan vanuit een woonruimte, een bedrijfsruimte, een riolering of een
                zuiveringstechnisch werk aan de heffing onderworpen.</al><al>Derde lid</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven aan
                een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel toe te
                rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die het in gebruik heeft. Hierbij
                kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere perioden
                aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld, kan de
                heffingsplichtige de verontreinigingsheffing verhalen op degenen aan wie hij de
                ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al>Vierde lid</al><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt op grond van artikel 7.2, vijfde
                lid, van de Waterwet ten goede aan de financiering van de kosten van het
                watersysteem.</al><al><vet>Artikel 4. Vrijstellingen</vet></al><al>De vrijstellingen zijn ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet. </al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>In de oorspronkelijke tekst van de Waterwet werden lozingen vanuit een openbaar
                vuilwaterriool vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Hierbij werd, blijkens de
                aan deze vrijstelling ten grondslag liggende motie (Tweede Kamer, vergaderjaar
                2007-2008, 30 818, nr. 33) gedoeld op overstorten vanuit het gemeentelijk
                rioleringsstelsel. Bij de behandeling van de Invoeringswet Waterwet is het aantal
                vrijstellingen naar aanleiding van een amendement (Tweede Kamer, vergaderjaar
                2008-2009, 31 858, nr. 16) uitgebreid en is het artikel opnieuw geredigeerd. Daarbij
                is de toevoeging "openbaar" uit de tekst verdwenen zonder dat daar in het amendement
                op wordt ingegaan. Wij gaan er daarom vanuit dat met deze vrijstellingsbepaling nog
                altijd wordt gedoeld op overstorten vanuit het gemeentelijk rioleringsstelsel.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Een lozing vanuit een zuiveringstechnisch werk door het waterschap zelf op een
                "eigen" oppervlaktewaterlichaam is vrijgesteld van de heffing. </al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is onder
                omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen. Het is daarom
                denkbaar dat (een deel van) het effluent niet wordt geloosd, maar door een bedrijf
                wordt ingenomen. Indien dat bedrijf het gebruikte water weer loost en daar zelf geen
                stoffen aan heeft toegevoegd, dan is die lozing door het bedrijf vrijgesteld van de
                verontreinigingsheffing. Het is daarbij, anders dan bij onderdeel b, geen voorwaarde
                dat het oppervlaktewaterlichaam bij hetzelfde waterschap in beheer is. Achtergrond
                van deze vrijstelling is dat de regionale zoetwatervoorziening daardoor niet wordt
                belast. </al><al><vet>Artikel 5. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                  tijdsevenredigheid</vet></al><al>Eerste lid</al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten
                en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in het
                eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft als voordeel dat al in
                het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd (formalisering van de
                belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar voorbij
                is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder meer mogelijk om een
                definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de
                belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een
                aantal uitspraken van de belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november
                1994 inzake precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof
                Amsterdam 15 december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331)
                en Hof Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                verontreinigingsheffing. </al><al>Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al in het
                heffingsjaar zelf op te leggen, de heffingsverordening in een aantal zaken moet
                voorzien. Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin
                    van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, eerste lid); </al></li><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld
                    in artikel 5, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten voorziet
                    artikel 18, tweede lid, daar in); </al></li><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de
                    heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor woonruimten is
                    dit geregeld in artikel 16, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten
                    in artikel 18, tweede lid). </al></li></lijst><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een
                waterschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de
                Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al>Tweede lid</al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                (artikel 19, eerste lid). De verontreinigingsheffing is echter een tijdvakbelasting.
                Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende het gehele
                heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte van de
                verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet bepaalt dat
                wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt of eindigt, de
                heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte van
                het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn aangegeven
                op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld. Waterschap Reest en Wieden
                heeft ervoor gekozen de heffing op de dag nauwkeurig (365e delen) te berekenen.
                Indien de aanslag in dit geval toch op drie v.e. of, in geval van een alleenwonende
                belastingplichtige op één v.e. is vastgesteld kan de belastingplichtige een aanvraag
                indienen voor tijdsevenredige ontheffing. Het waterschap kan deze aanvraagprocedure
                in de verordening opnemen op grond van artikel 132 van de Waterschapswet.</al><al>Derde lid</al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor een evenredig
                deel verschuldigd. Ook in dat geval wordt de heffing op de dag nauwkeurig (365e
                delen) berekend en ook in dit geval kan de belastingplichtige wanneer de aanslag op
                drie v.e. of, in geval van een alleenwonende belastingplichtige op één v.e. is
                vastgesteld, een aanvraag indienen voor tijdsevenredige ontheffing. Het waterschap
                kan deze aanvraagprocedure in de verordening opnemen op grond van artikel 132 van de
                Waterschapswet.</al><al>Vierde lid</al><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist (van en) naar een woonruimte in het gebied
                van Waterschap Reest en Wieden van waaruit eveneens wordt geloosd, zijn zowel het
                tweede als het derde lid van toepassing. Er kan immers worden gesteld dat sprake is
                van het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de
                heffingsplicht. Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde, en
                mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor
                de nieuwe woning. Om pragmatische redenen is nu bepaald dat in een dergelijk geval
                het tweede en het derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dan als
                het ware mee naar de nieuwe woning. Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de
                nieuwe woning op het riool of een zuiveringstechnisch werk van het waterschap wordt
                afgevoerd, want dan is voor die woning zuiveringsheffing verschuldigd.</al><al><vet>Artikel 6. Aangifte</vet></al><al>In artikel 127 van de Waterschapswet is de procedure voor het uitnodigen tot het
                doen van aangifte geregeld. In het eerste lid van dat artikel is geregeld dat de
                uitnodiging wordt gedaan door het uitreiken van een aangiftebiljet en in het tweede
                lid is geregeld dat het doen van aangifte geschiedt door het in leveren of het
                toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden. Op
                grond van artikel 127, vijfde lid, van de Waterschapswet kan bij de
                belastingverordening van de hiervoor beschreven procedure worden afgeweken.</al><al>In artikel 6 is geregeld dat een belastingplichtige kan kiezen om de aangifte
                digitaal dan wel op papier te doen. </al><al><vet>Artikel 8. Heffingsjaar</vet></al><al>In artikel 8 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. </al><al><vet>Artikel 9. Grondslag en heffingsmaatstaf</vet></al><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                in een kalenderjaar worden geloosd. In het tweede lid is gekozen voor één uniforme
                heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                kalenderjaar worden geloosd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de
                zuurstofbindende als de overige stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen
                ten aanzien waarvan het lozen is belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per
                heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de stoffen die worden
                genoemd in het vierde lid, gelden verschillende gewichtshoeveelheden per
                heffingsjaar. In het vierde lid zijn alle andere stoffen opgenomen die in de heffing
                worden betrokken. Het waterschap heeft de keuze om die stoffen niet in de heffing te
                betrekken. Daartoe dient op grond van artikel 122f, derde lid, onderdeel a, van de
                Waterschapswet een afzonderlijke bepaling in de belastingverordening te worden
                opgenomen. Het vijfde lid van artikel 9 voorziet in een dergelijk besluit.</al><al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende stoffen
                en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde
                uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de
                hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt
                bepaald op de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door
                omzetting van stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de
                zuurstofbehoefte die ontstaat door de gemiddelde lozing van huishoudelijk afvalwater
                van één persoon per jaar. </al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één
                persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment
                geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar
                beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens. Als
                gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per etmaal,
                of wel 54,8 kilogram per jaar.</al><al>Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de vervuilingswaarde om de
                hoeveelheid van die stoffen die in een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
                Daarbij is één vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid van in het heffingsjaar
                geloosde stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel en zink is één geloosde kilogram
                één vervuilingseenheid. Vanwege de grotere schadelijkheid is bij arseen, cadmium en
                kwik een geloosde hoeveelheid van 100 gram al één vervuilingseenheid. </al><al><vet>Artikel 10. Meting, bemonstering en analyse</vet></al><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de verontreinigingsheffing de
                vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet alleen ter
                zake van het lozen vanuit woonruimten of vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake
                van het lozen vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al>Eerste lid</al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het aantal
                vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en analyse van het
                afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal geschiedt of gedurende een
                beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="•"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling; </al></li><li nr="•"><al>analysevoorschriften; </al></li><li nr="•"><al>berekeningsvoorschriften. </al></li></lijst><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                heffingsplichtige.</al><al>Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage oordeelde
                op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de verschuldigde heffing
                moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is sprake wanneer de kosten
                niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde heffing.</al><al>Tweede lid</al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder omstandigheden
                worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 11.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn een
                waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de voorschriften van
                Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder omstandigheden worden
                afgeweken.</al><al>Vierde lid</al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan ambtenaar belast met de heffing.</al><al>Vijfde lid</al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><lijst><li nr="•"><al>ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te voldoen
                    aan de voorwaarden in het derde lid; </al></li><li nr="•"><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat ook
                    dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid; </al></li><li nr="•"><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat de
                    nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed. </al></li></lijst><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking genomen.
                Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep open. Een
                belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de heffingsplichtige zich niet
                kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt van de hem ter beschikking staande
                rechtsmiddelen, de voorschriften in die beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit
                om te voorkomen dat wanneer de heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de
                beschikking onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de
                vereiste aangifte te kunnen doen. </al><al>De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag immers geheel of
                gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de heffingsplichtige kan
                vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende of geen tegenbewijs
                leveren. </al><al>Zesde lid</al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient te
                bevatten.</al><al>Zevende lid</al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één geschrift
                combineren.</al><al>Achtste lid</al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve wijzigen
                of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige nodig. </al><al><vet>Artikel 11. Beperkte meting, bemonstering en analyse</vet></al><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie kan
                worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar belast met
                de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt beslist bij voor
                bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale rechtsgang open staat.
                Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden nageleefd indien de
                heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en zolang deze nog niet
                onherroepelijk vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al><al>In dit kader zijn tevens van belang de model-meetbeschikking (brief van de Unie
                van Waterschappen aan de leden-waterschappen van 28 oktober 1994, kenmerk 942196
                AJBZ/EK, Belastingblad 1994, blz. 802) en de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling
                meetfrequentie ter vaststelling van de vervuilingswaarde van afvalwater' van de
                Commissie Integraal Waterbeheer van augustus 1998.</al><al>Vierde lid</al><al>De beschikkingen op grond van artikel 10, lid 5 hangen zo nauw samen met de
                beschikkingen die op grond van dit artikel worden genomen, dat het voor alle
                partijen efficiënter en logischer is wanneer deze beschikkingen in één geschrift
                worden samengevoegd. </al><al><vet>Artikel 12. Hoedanigheidscorrectie</vet></al><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu niet
                of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt "nagenoeg niet"
                overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het gevonden
                zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch zuurstofverbruik in
                belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV gecorrigeerd. In de
                jurisprudentie staat "in belangrijke mate" voor ten minste 25%. De correctie die dan
                plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie geduid.</al><al>Artikel 12 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende de
                T-correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook Bijlage I,
                onderdeel C). </al><al>Lococensus heeft voorschriften inzake de toepassing van de T-correctie in aparte
                beleidsregels vastgelegd.</al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                de T-correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang. Hiermee
                is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de heffingsplichtige
                met voldoende waarborgen omkleed.</al><al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                bevatten.</al><al><vet>Artikel 13. Tabel afvalwatercoëfficiënten </vet></al><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het aantal
                vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de tabel
                afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan artikel 122k, derde lid, van de
                Waterschapswet. Zij is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien klassen met elk een
                afvalwatercoëfficiënt.</al><al>Eerste lid</al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><lijst><li nr="•"><al>1. de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet
                    leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en </al></li><li nr="•"><al>2. er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                    vervuilingswaarde van de geloosde stoffen. </al></li></lijst><al>Tweede lid</al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend door
                het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te vermenigvuldigen
                met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><al>Derde lid </al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf afrekent
                niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een andere
                tariefstructuur door het ontbreken van een watermeter. In dergelijke gevallen worden
                de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar. De wijze
                waarop dit gebeurt, liggen vast in beleidsregels van het waterschap.</al><al>Vierde lid</al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2 van
                het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water </al><al>2009 (Besluit van 12 december 2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als van de ambtenaar
                belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in een
                andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in artikel 4 van
                het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009. </al><al>Vijfde lid</al><al> De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op basis
                van meting, bemonstering en analyse.</al><al><vet>Artikel 14. Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</vet></al><al>Op basis van artikel 14 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen
                relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de vervuilingswaarde
                op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de relatief hoge
                perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is voor
                tuinbouwkassen een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet opgenomen
                (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 14 minder dan vijf
                vervuilingseenheden bedraagt, is de regeling voor kleine bedrijfsruimten van artikel
                18 van toepassing.</al><al><vet>Artikel 15.</vet><vet>Franchise en drempel</vet></al><al>Artikel 15 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde ten aanzien van
                de niet-zuurstofbindende stoffen een heffingsvrije grens (franchise) in acht wordt
                genomen. De hoogte van deze franchise is bepaald op de gemiddelde vervuilingswaarde
                van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende
                gedachte hierbij is dat woonruimten uitsluitend worden aangeslagen voor de lozing
                van zuurstofbindende stoffen en niet voor de lozing van andere stoffen. Uit
                onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij het zeer
                geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze blijven bij woonruimten echter
                onbelast. Om te voorkomen dat een ongelijkheid ontstaat, is in artikel 15 een aftrek
                opgenomen gelijk aan de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater
                met betrekking tot genoemde stoffen.</al><al><vet>Artikel 16.</vet><vet>Meetverplichting</vet></al><al>Artikel 16 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek dienen te
                verrichten naar de samenstelling van de lozing van niet-zuurstofbindende stoffen. In
                de artikelen 9 en 10 staat dat de vervuilingswaarde wordt vastgesteld door middel
                van (al dan niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit voorschrift geldt
                zowel voor de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen.</al><al>Volgens artikel 16 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van de
                andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor de
                vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen minder dan 1.000
                vervuilingseenheden bedraagt. Indien de ambtenaar belast met de heffing echter
                aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere stoffen hoger is dan de
                heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 15, dienen meting, bemonstering en
                analyse plaats te vinden. Dit is geregeld in het eerste lid van artikel 16.</al><al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, geldt het
                omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het bedrijf aannemelijk maakt dat
                de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije grens als bedoeld
                in artikel 15. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 16.</al><al>Ter verduidelijking van de artikelen 15 en 16 volgt hierna een voorbeeld:</al><al>Een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende stoffen van 900
                vervuilingseenheden. Ingevolge artikel 16 wordt het aantal vervuilingseenheden van
                de overige stoffen in dit geval (minder dan 1.000 vervuilingseenheden) in beginsel
                op nihil gesteld en behoeft het bedrijf voor die overige stoffen dus niet te bemeten
                en te bemonsteren. De voor het bedrijf geldende franchise bedraagt in elk geval 900
                x 0,0162 = 14,58 vervuilingseenheden.</al><al>Het waterschap heeft echter aannemelijk gemaakt dat het bedrijf aan zware metalen
                meer loost dan de berekende 14,58 vervuilingseenheden. Het bedrijf zal dus moeten
                gaan meten en bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood maar in beginsel
                ook de andere stoffen van dezelfde gewichtsgroep). </al><al>Stel dat daaruit blijkt dat een hoeveelheid van 25 kilogram lood wordt geloosd.
                Dat komt overeen met een vervuilingswaarde van 25 vervuilingseenheden. Voor de
                berekening van de aanslag is daar als gevolg van artikel 15 een aftrek van 14,58
                vervuilingseenheden op van toepassing.</al><al>De vervuilingswaarde aan zware metalen is dan 25 - 14,58 = 10,52
                vervuilingseenheden.</al><al>In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink (vier
                vervuilingseenheden) en 300 gram arseen (drie vervuilingseenheden) wordt afgevoerd,
                geldt het volgende. In dat geval geldt een aftrek van 14,58 voor de stoffen lood en
                zink samen (per groep) en een aftrek van 2,43 voor arseen (900 x 0,0027). De totale
                vervuilingswaarde aan zware metalen is dan (29 - 14,58) + (3 - 2,43) = 15,09
                vervuilingseenheden.</al><al>Indien er gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een drempelwaarde in te
                stellen en die op 10 is gesteld, dan wordt in dit voorbeeld de aanslag berekend over
                900 + 15,09 = 915,09 vervuilingseenheden. Indien de drempelwaarde hoger ligt, dan
                worden de zware metalen niet in de heffing betrokken.</al><al><vet>Artikel 17. Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</vet></al><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 10 tot en met 16
                berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien binnen
                één bedrijfsruimte:</al><lijst><li nr="•"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke meting,
                    bemonstering en analyse plaatsvindt; </al></li><li nr="•"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                    afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn; </al></li><li nr="•"><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                    geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                    afvalwatercoëfficiënt van toepassing is; </al></li><li nr="•"><al>naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet-zuurstofbindende stoffen worden
                    geloosd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije grens
                    van niet-zuurstofbindende stoffen). </al></li></lijst><al> De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld, moet
                worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke totale
                vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                afrondingsregels. Er dient te worden "gekapt", oftewel naar beneden te worden
                afgerond.</al><al><vet>Artikel 18. Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</vet></al><al>Eerste lid</al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i,
                eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de vervuilingswaarde
                op drie vervuilingseenheden gesteld en op één vervuilingseenheid indien die één of
                minder bedraagt.</al><al>Tweede lid</al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met
                een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen al
                aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie vervuilingseenheden
                opgelegd. Dit is mogelijk op grond van de bepaling in artikel 5, eerste lid. Na
                afloop van het heffingsjaar of, indien dit eerder is bij beëindiging van de
                heffingsplicht, kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder dan één
                vervuilingseenheid bedraagt. </al><al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                ontheffing of vermindering. Indien de heffingschuldige aannemelijk maakt dat het
                aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het betreft
                hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de Waterschapswet. In
                het tweede lid is gespecificeerd binnen welke termijn een aanvraag moet worden
                ingediend om ontvankelijk te zijn. De ontheffing of vermindering kan door de
                ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><al><vet>Artikel 19. Vervuilingswaarde van woonruimten</vet></al><al>Eerste lid</al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, Waterschapswet wordt de
                vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden, met
                dien verstande dat die één vervuilingseenheid bedraagt wanneer de woonruimte door
                één persoon wordt bewoond.</al><al>Anders dan bij de zuiveringsheffing is het niet mogelijk om bij woonruimten van
                deze regel af te wijken en de vervuilingswaarde geheel of gedeeltelijk op de
                geleverde hoeveelheid drinkwater te baseren. De betreffende bepalingen in de
                Waterschapswet zijn niet van toepassing verklaard op de
                verontreinigingsheffing.</al><al>Tweede lid</al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor recreatiedoeleinden
                bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd (artikel 122h, vijfde lid,
                Waterschapswet). Samen met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één
                bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de
                heffingsplichtige.</al><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het voor dat
                recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij particulieren. Die
                kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar houden, of de woning via de
                exploitant verhuren aan wisselende gebruikers gedurende de weken dat zij er zelf
                niet zijn.</al><al>In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan dat dit
                onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel deze procedure
                betrekking had op het gebruikersdeel van de onroerende-zaakbelastingen, is zij ook
                van betekenis voor de verontreinigingsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de
                heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het
                vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte buiten
                beschouwing worden gelaten. </al><al>Wordt de woonruimte echter ook via de exploitant aan anderen verhuurd, dan is de
                heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het exploitatierisico drukt. Krijgt
                de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de werkelijke verhuurde periode(s), dan
                wordt de woonruimte als onderdeel van de bedrijfsruimte beschouwd en is de
                exploitant van het recreatieterrein heffingsplichtig. Is de vergoeding die de
                eigenaar krijgt wel afhankelijk van de werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het
                exploitatierisico bij hem en is hij als heffingsplichtige het gewone
                woonruimteforfait verschuldigd.</al><al>Derde lid</al><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één. Dit
                heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. Hier is er voor gekozen om de aanslag tot
                op de dag nauwkeurig aan te passen.</al><al>Vierde lid</al><al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het heffingsjaar
                wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling waardoor aanspraak op
                vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel van een aanvraag in de zin
                van artikel 132, eerste lid, Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes
                weken nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de
                ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend. </al><al>Het is ook mogelijk om een peildatum te hanteren en voor het vaststellen van het
                aantal vervuilingseenheden uit te gaan van het aantal bewoners bij aanvang van de
                heffingsplicht. Met een afname van het aantal gebruikers van de woonruimte in de
                loop van het heffingsjaar wordt geen rekening gehouden. Een verhoging van de aanslag
                bij een toename van het aantal gebruikers is evenmin mogelijk. In de
                wetsgeschiedenis van de wijziging van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren per
                1 januari 1989 is expliciet aangegeven dat het hanteren van een dergelijke peildatum
                is toegestaan (wetsontwerp 20 435, Memorie van antwoord, blz. 9). Wij hebben echter
                niet voor het toepassen van een peildatum gekozen.</al><al><vet>Artikel 20. Schatting</vet></al><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is geregeld dat onder bepaalde, in de
                onderdelen a tot en met d nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde kan
                worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet
                voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering en analyse of indien het
                bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming is met de in de verordening
                of meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen vanuit objecten waarvoor
                in de verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor de
                hoofdregel van artikel 10 (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden
                toegepast.</al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen zijn
                op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al><al><vet>Artikel 21. Tarief</vet></al><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al><vet>Artikel 22. </vet><vet>Wijze van heffing en termijnen van betaling</vet></al><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                wijze. Hier is gekozen voor heffing bij wege van aanslag. Uit
                doelmatigheidsoverwegingen worden aanslagen van minder dan € 5,00 niet
                opgelegd.</al><al>Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. Het hangt van de aard en
                de ingewikkeldheid van de desbetreffende belasting af, welke van deze drie
                heffingstechnieken het meest doelmatig is. Voorts kunnen overwegingen uit een
                oogpunt van perceptiekosten of op grond van het beginsel dat de belastingheffing
                voor de belastingplichtige met de minste pijn moet plaatsvinden, bepalend zijn voor
                de keuze van de te hanteren heffingstechniek. In dit artikellid is bepaald dat de
                heffing bij wege van aanslag wordt geheven. Dit brengt mee dat iedere aanslag
                verontreinigingsheffing die Lococensus oplegt, aan de heffingsplichtige wordt
                bekendgemaakt door middel van een aanslagbiljet. </al><al>In het 2e tot en met het 5e lid zijn de betalingstermijnen geregeld. Hierover valt
                het volgende te melden. Op 1 juli 2009 is de 4e tranche van de AWB in werking
                getreden. Hierin is bepaald dat betalingstermijnen (in beginsel) worden vastgesteld
                op zes weken. Waterschappen mogen echter in wettelijke bepalingen (lees: in hun
                verordeningen) van die termijn afwijken. In verband met (on)mogelijkheden van het
                geautomatiseerde systeem waarmee Lococensus de aanslagen heft en int is ervoor
                gekozen om van die algemene regel af te wijken. In lid 2 is als hoofdregel opgenomen
                dat de aanslag moet worden betaald in één termijn die vervalt twee maanden na de
                dagtekening van de aanslag. In lid 3 is bepaald dat aanslagen die in het
                desbetreffende heffingsjaar zijn opgelegd en waarvoor een machtiging is afgegeven om
                die bij wijze van automatische incasso af te schrijven, gespreid mogen worden
                betaald. Het aantal termijnen is dan gelijk aan het aantal in dat jaar nog
                resterende volle dan wel gedeeltelijke kalendermaanden met een minimum van twee
                maandelijkse termijnen. In het 4e lid is daarop de restrictie opgenomen dat
                termijnbetalingen via automatische incasso ten minste € 5,00 moeten bedragen. Dit
                laatste heeft als reden dat er aan deze afschrijvingen kosten zijn verbonden en die
                kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot het te innen bedrag. In lid 5 is
                nog een regeling getroffen voor bestuurlijke boetes die gelijktijdig en in verband
                met de vaststelling van een belastingaanslag is opgelegd.</al><al><vet>Artikel 23. Nadere regels</vet></al><al>Artikel 23 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige
                kenbaar te maken dat ook het Dagelijks Bestuur regels kan stellen met betrekking tot
                de heffing en de invordering van de verontreinigingsheffing. Op grond van de
                gemeenschappelijke regeling waarmee het belastingkantoor Lococensus is ingesteld,
                komt deze bevoegdheid toe aan het bestuur van Lococensus.</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving (Stb.
                1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 aan de minister van Financiën zijn
                toebedeeld, vanaf 1 januari 1998 toe aan het Dagelijks Bestuur van het waterschap
                (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum
                kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het Algemeen Bestuur van het
                waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten aanzien van de volgende
                bevoegdheden:</al><lijst><li nr="•"><al>de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet; </al></li><li nr="•"><al>de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen; </al></li><li nr="•"><al>het berekenen van invorderingsrente. </al></li></lijst><al>Daarenboven heeft het Dagelijks Bestuur op grond van artikel 4:81 van de Algemene
                wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen. Artikel 10:22
                geeft het Dagelijks Bestuur verder de bevoegdheid om per geval of in het algemeen
                instructies te geven ter zake van de uitoefening van de toegedeelde bevoegdheid. Ook
                deze bevoegdheid komt om grond van de gemeenschappelijke regeling toe aan het
                Dagelijks Bestuur van Lococensus.</al><al><vet>Artikel 24. Kwijtschelding</vet></al><al>Op grond van de Invorderingswet 1990 wordt onder omstandigheden kwijtschelding
                verleend van waterschapsbelastingen. Het Algemeen Bestuur heeft in de
                Kwijtscheldingsregeling waterschap Reest en Wieden 2011 bepaald dat geen
                kwijtschelding wordt verleend voor de verontreinigingsheffing, met uitzondering van
                aanslagen voor woonruimten.</al><al><vet>Artikel 25. Niet opleggen van aanslag</vet></al><al>Artikel 25 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a van de
                Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een aanslag
                die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven gaat, niet wordt
                opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling voorkomt
                dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden opgelegd. De kosten
                van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting in deze gevallen immers
                al snel kunnen overstijgen. Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden
                samengevoegd, zoals bijvoorbeeld een aanslag verontreinigingsheffing en een aanslag
                watersysteemheffing ingezetenen, geldt het voorgaande voor het totaalbedrag van het
                aanslagbiljet. Het waterschap heeft besloten om aanslagen niet op te leggen wanneer
                het totaalbedrag van het aanslagbiljet lager is dan € 5,00.</al><al><vet>Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>Eerste lid</al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de
                datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter gelden voor de
                belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die feiten kunnen
                dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de oude verordening. De eerbiedigende
                werking geldt niet voor de invorderingsbepalingen uit de oude verordening. Vanaf
                1-1-2011 geschiedt de invordering van de aanslagen op grond van de
                invorderingsbepalingen van de nieuwe verordening.</al><al>Tweede lid</al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van het
                waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden dan
                wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt daarom ook voor belastingverordeningen.
                Zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 73 geschiedt bekendmaking door plaatsing
                in een vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen
                verkrijgbaar gestelde publicatie en door het doen van mededeling daarvan in een
                plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad. De bekendgemaakte besluiten treden
                conform artikel 74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na
                die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de heffing op
                de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts mogelijk
                wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt genoemd. Zie
                voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het vierde lid van artikel 24.</al><al>Derde lid</al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die in
                de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de heffing.
                Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding, maar dit is niet
                beslist noodzakelijk. In de toelichting op het tweede lid is uiteengezet dat het
                niet nodig is dat het tijdstip van inwerkingtreding in de verordening wordt vermeld,
                omdat bij gebreke daarvan die verordening automatisch in werking treedt acht dagen
                na haar bekendmaking.</al><al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee duidelijk
                wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan de burgers worden
                opgelegd, een aanvang nemen.</al><al>Vierde lid</al><al>Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige artikel 26 wordt de verordening
                voorzien van een citeertitel.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><plaatje><illustratie naam="Bijlage: Toelichting verordening verontreinigingsheffing 2012" id="i188833" formaat="pdf" type="tekst"></illustratie></plaatje></bijlage><bijlage><plaatje><illustratie naam="Bijlage 1: Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening" id="i188834" formaat="pdf" type="tekst"></illustratie></plaatje></bijlage><bijlage><plaatje><illustratie naam="Bijlage 2: Tabel afvalwatercoëfficiënten" id="i188835" formaat="pdf" type="tekst"></illustratie></plaatje></bijlage></regeling></body></cvdr>