<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>379741_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels kostendelersnorm Participatiewet 2015 Optimisd </dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">ISD Optimisd</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-10-21</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels kostendelersnorm Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0035333">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:issued>2014-12-10</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier=""></dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-10-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Kostendelersnorm Participatiewet 2015 Optimisd</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Betreffende de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)</al><al></al><al>Het dagelijks bestuur van de ISD Optimisd;</al><al>gelet op de gemeenschappelijke regeling Intergemeentelijke Sociale Dienst
                        Bernheze, Schijndel, Sint-Michielsgestel, Veghel;</al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op de artikelen 22a, 27 en 28 van de Participatiewet en de artikelen
                        4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al></al><al>beslui t:</al><al>vast te stellen de volgende Beleidsregels Kostendelersnorm Participatiewet
                        2015</al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader
                        worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bestuur: het dagelijks bestuur van ISD Optimisd;</al></li><li nr="b."><al>uitkering: de door het bestuur verleende bijstand in het
                                        kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader
                                        van de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>Participatiewet: de Participatiewet met inbegrip van het
                                        Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz).</al><al></al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Commerciële relatie en commerciële prijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Commerciële relatie en commerciële prijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Commerciële relatie: voor de toepassing van deze beleidsregel wordt
                                aangesloten bij de definitie van de CRvB, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>De cliënt kan de zakelijke relatie aantonen met een
                                        zakelijke overeenkomst, waarbij de wederzijdse rechten en
                                        plichten geregeld zijn en nauwkeurig zijn afgebakend.</al></li><li nr="-"><al>De cliënt kan betalingen aantonen (bankafschriften/ bewijs
                                        kasstortingen afgelopen 3 maanden)</al></li><li nr="-"><al>Het bestuur mag een schriftelijk contract verlangen </al></li><li nr="-"><al>Uit het contract moeten de periodieke prijsverhogingen
                                        blijken.</al></li></lijst></li></lijst><al>Tevens dient de verhuurder/ onderhuurder of kostgever een commerciële
                        huurprijs of commerciële prijs kostgangerschap te ontvangen, zie hiervoor
                        tweede en derde lid. </al><lijst><li nr="2."><al>Commerciële huurprijs: het bedrag van de basishuur als bedoeld in de
                                Wet op de huurtoeslag. Dat is het bedrag dat voor de vaststelling
                                van het recht op huurtoeslag bij een inkomen op bijstandsniveau voor
                                eigen rekening blijft.</al></li><li nr="3."><al>Indien het om een overeengekomen huurbedrag gaat, waarin water- en
                                energielasten zijn inbegrepen, wordt onder commerciële huurprijs
                                verstaan 60% van dat huurbedrag.</al></li><li nr="4."><al>Commerciële prijs bij kostgangers: bij de basishuur als bedoeld in
                                het derde lid wordt een bedrag opgeteld voor voeding van € 285,- per
                                maand.</al></li><li nr="5."><al>Het bedrag genoemd in het vorige lid is afgeleid van de
                                Recofa-richtlijn voor maaltijden en wordt jaarlijks bijgesteld, met
                                een afronding naar beneden op € 5,-.</al><al></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Inkomstenkorting bij ontvangst huur of kostgeld</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inkomsten huur en kostgeld</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De inkomsten uit verhuur, zoals bedoeld in artikel 33 lid 4
                                Participatiewet, worden op de uitkering in mindering gebracht onder
                                aftrek van € 60,00 per maand.</al></li><li nr="2."><al>De inkomsten van een kostganger, zoals bedoeld in artikel 33 lid 4
                                Participatiewet, worden op de uitkering in mindering gebracht onder
                                aftrek van € 350,00 per maand.</al></li><li nr="3."><al>Het vrijlatingsbedrag als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt
                                jaarlijks bijgesteld op basis van de regels in hoofdstuk 4.9 van de
                                Recofa-richtlijn, met een afronding naar boven met € 5,-.</al><al></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Verlaging bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging norm wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel
                                27 Participatiewet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm van
                                artikel 21 onderdeel b Participatiewet, indien een woning wordt
                                bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn
                                verbonden.</al></li><li nr="2."><al>Woonkosten:</al><lijst><li nr="a)"><al>bij een huurwoning, rekenhuur als bedoeld in de Wet op de
                        huurtoeslag;</al></li><li nr="b)"><al>bij een eigen woning, de verschuldigde hypotheekrente, de als eigenaar te
                        betalen zakelijke lasten en een vast bedrag voor onderhoud.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Onder woonsituatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de
                        situatie waarbij:</al><lijst><li nr="a)"><al>een woning wordt bewoond waaraan geen woonkosten zijn verbonden
                        (krakers); </al></li><li nr="b)"><al>een woning wordt bewoond waarvan de woonkosten door derden worden
                        voldaan; </al></li><li nr="c)"><al>geen woning wordt bewoond (daklozen).</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Dit artikel geldt niet voor IOAW en IOAZ.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Aanvulling bijzondere bijstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Bijzondere bijstand bij noodzakelijk uitwoning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De jongere tot 21 jaar die door omstandigheden als bedoeld in
                                artikel 12 Participatiewet, niet kan terugvallen op de
                                onderhoudsplicht van de ouders, komt in aanmerking voor aanvullende
                                bijzondere bijstand voor de algemene bestaanskosten.</al></li><li nr="2."><al>De in het vorige lid bedoelde aanvulling bedraagt het verschil
                                tussen de toepasselijke norm voor belanghebbenden van 21 jaar of
                                ouder als bedoeld in artikel 21 Participatiewet en de toepasselijke
                                jongerennorm als bedoeld in artikel 20 Participatiewet.</al></li><li nr="3."><al>Bij bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt rekening
                                gehouden met de woonsituatie overeenkomstig de regels van de
                                kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet.</al></li><li nr="4."><al>Dit artikel geldt niet voor IOAW en IOAZ.</al><al></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien</titel></kop><al>Inzake de onderwerpen die vallen onder de discretionaire bevoegdheid van het
                        bestuur, waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het bestuur.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al> 1. Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na die van
                        bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2015, behoudens situaties
                        waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de belanghebbende.</al><al>2.Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels
                        Kostendelersnorm Participatiewet 2015”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in zijn vergadering van 10 december 2014.</al><al>Het Dagelijks bestuur van de ISD Optimisd,</al><al>De directeur, De voorzitter,</al><al>Drs. R.C.H. van den Tillaar De heer R.E.S. van Moorselaar </al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Beleidsregels Kostendelersnorm 2015</titel></kop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat de begripsbepalingen die op deze beleidsregels van toepassing
                    zijn.</al><al></al><tussenkop>Artikel 2. Commerciële relatie en commerciële prijs </tussenkop><al>De twee begrippen worden in dit artikel uitgebreid beschreven. Dat is nodig in
                    relatie tot de uitvoering van de kostendelersnorm. Die speciale rekenregels
                    gelden namelijk niet voor personen die op een commerciële basis in dezelfde
                    woning wonen.</al><al></al><tussenkop>Wanneer is er sprake van een commerciële relatie?</tussenkop><al>Met dit artikel sluiten we aan bij een uitspraak van de CRvB waarin een
                    definitie wordt gegeven van wanneer er sprake is van een commerciële relatie.
                    Dit artikel behoeft geen nadere uitleg en spreekt voor zich.</al><al></al><tussenkop>Wanneer is er sprake van een commerciële huurprijs?</tussenkop><al>Het bedrag van de commerciële ‘kale’ huurprijs is het bedrag van de basishuur,
                    zoals omschreven in de wet op de Huurtoeslag. In deze huur zijn begrepen de
                    elementen die voor het bepalen van het recht op huurtoeslag meetellen. De
                    normhuur, die deel uitmaakt van de basishuur, behoort bij het
                    minimum-inkomensijkpunt van lid 1 van artikel 17 van de Wet op de huurtoeslag.
                    In dit artikellid wordt onder het minimum-inkomensijkpunt verstaan de
                    bijstandsnorm voor een alleenstaande (inclusief de maximale toeslag) en de
                    bijstandsnorm voor gehuwden. </al><al>Uit het feit dat de normhuur in de bijstandsnorm is begrepen, zijnde de norm
                    voor dealgemene noodzakelijke bestaanskosten, valt af te leiden dat het om een
                    commerciële huur gaat.</al><al>De belastingdienst hanteert als bedrag voor commerciële huur een bedrag
                    inclusief kosten van water en energie. 60% van dit bedrag komt overeen met de
                    basishuur. 40% komt overeen met de som van de bedragen die de belastingdienst
                    hanteert voor de waarde die waterverbruik en energieverbruik voor verschillende
                    doeleinden in het economische verkeer vertegenwoordigen. Hieruit blijkt in de
                    eerste plaats eveneens dat de basishuur als ondergrens voor de commerciële huur
                    kan worden gehanteerd. In de tweede plaats blijkt dat een commerciële all-in
                    huur is af te leiden op de wijze zoals in dit artikelonderdeel is
                    aangegeven.</al><al></al><tussenkop>Wanneer is er sprake van een commerciële prijs voor
                    kostgangers?</tussenkop><al>Een kostganger is een soort huurder-plus. De prijs zou dus meer moeten bedragen
                    dan de commerciële huurprijs. Er wordt namelijk ook nog een bedrag betaalt voor
                    gebruik van de maaltijden. Bij het berekenen van de commerciële prijs voor
                    kostgangers is aangesloten bij hoofdstuk 4.9 van de Recofa-richtlijnen. Genoemde
                    richtlijnen zijn ontwikkeld en worden onderhouden door de werkgroep rekenmethode
                    ‘Vrij te laten bedrag’ van Recofa. Recofa is de werkgroep
                    rechters-commissarissen in insolventies.</al><al>Volgens genoemde richtlijnen kan € 9,45 per dag in rekening worden gebracht voor
                    het gebruik van maaltijden (2014). Dit is omgerekend een bedrag van € 287,43 per
                    maand. De commerciële prijs voor kostgangers bedraagt dan ook tenminste het
                    bedrag genoemd als in het vorige lid plus het maandelijkse bedrag voor gebruik
                    maaltijden als genoemd in de Recofa richtlijnen. Gezien deze laatsten jaarlijks
                    worden aangepast zal in de uitvoeringspraktijk jaarlijks even gecheckt moeten
                    worden welk bedrag is vastgesteld. De maand bedragen mogen om e.e.a. eenvoudig
                    te houden, worden afgerond tot op € 5,- naar beneden. Voor 2014 betekent dit dat
                    € 285,- per maand kan worden gehanteerd.</al><al></al><tussenkop>Artikel 3. Inkomsten huur en kostgeld</tussenkop><tussenkop>De middelentoets</tussenkop><al>Op grond van artikel 33, vierde lid, van de wet moeten als bijzonder inkomen
                    worden aangemerkt de lagere algemene noodzakelijke kosten als belanghebbenden de
                    woning bewoont met een of meerdere huurders, onderhuurders of kostgangers als
                    daarmee nog geen rekening is gehouden bij het vaststellen van de
                    kostendelersnorm (artikel 22a, eerste tot en met derde lid Participatiewet de
                    wet). Dit betekent dat het bestuur de werkelijk genoten inkomsten niet meer
                    volledig op basis van dat artikel kan korten indien met deze inkomsten al
                    rekening is gehouden in het kader van de kostendelersnorm. Artikel 33 lid 4
                    Participatiewet creëert de mogelijk om, indien de werkelijk inkomsten hoger zijn
                    dan het bedrag waarmee rekening wordt gehouden bij toepassing kostendelersnorm,
                    het meerdere te korten.</al><al></al><tussenkop>Relatie met kostendelersnorm</tussenkop><al>Volledig zakelijke relaties zoals (onder)huurderschap en kostgangerschap,
                    blijven voor de kostendelersnorm buiten beschouwing. Bij deze relaties is sprake
                    van deelname aan het economisch verkeer, waarbij de verhuurder een commerciële
                    prijs vraagt voor de huur van de woning en de geleverde diensten en de huurder
                    deze commerciële prijs betaalt. In deze situaties is het uitgangspunt dat de
                    kosten niet op dezelfde wijze worden gedeeld als met woningdelers die geen
                    onderlinge zakelijke relatie met elkaar hebben.</al><al></al><tussenkop>De Recofa richtlijn als ijkpunt</tussenkop><al>Om tot een uniforme richtlijn te komen ten aanzien van het korten van uitkering
                    op grond van artikel 33, vierde lid, van de Partcipatiewet, is gekozen voor de
                    bepalingen ten aanzien van woonlasten uit de Recofa-richtlijnen. </al><al></al><tussenkop>Huurders</tussenkop><al>Onder hoofdstuk 4.9 van deze richtlijn staat het bedrag dat de belanghebbende,
                    na aftrek van een forfaitair bedrag voor kost- en/of inwoning, daadwerkelijk als
                    bijdrage in de woonlasten van de inwoner(s) ontvangt in verband met
                    meerderjarige inwoners. Het forfaitaire bedrag kan indien er alleen sprake is
                    van inwoning, worden gesteld op € 1,93 per dag voor energie, afschrijving van
                    meubilair en dergelijke. Omwille van werkbaarheid is het forfaitaire bedrag
                    omgerekend naar een maandbedrag van € 1,93 x 365 : 12 = € 58,70 en vervolgens
                    afgerond op € 60,00.</al><al>Met andere woorden: al het meerdere van € 60,00 aan inkomsten uit verhuur moet
                    op de bijstand van belanghebbende in mindering worden gebracht. </al><al></al><tussenkop>Kostgangers</tussenkop><al>Ten aanzien van de forfaitaire kosten van een kostganger is eveneens aansluiting
                    gezocht bij hoofdstuk 4.9 van de Recofa-richtlijnen. Voor een kostganger zijn de
                    kosten echter hoger. </al><al>Het forfaitaire bedrag kan indien er alleen sprake is van inwoning, worden
                    gesteld op € 1,93 per dag voor energie, afschrijving van meubilair en
                    dergelijke. Is de inwoner tevens kostganger, dan kan daarnaast voor de
                    maaltijden € 9,45 per dag worden gerekend.</al><al>Het forfaitaire bedrag omgerekend dan € 1,93 + € 9,45 = € 11,38 x 365 : 12 = €
                    346,14 en vervolgens afgerond op € 350,00.<cursief></cursief></al><al>Zijn er meerdere kostgangers, dan moet een schaalverdeling worden gemaakt. Voor
                    de tweede inwoner wordt dan 80% van het forfaitaire bedrag genomen, voor de
                    derde 70% en zo verder (deze percentages zijn berekend met behulp van de
                    uitgaven aan voeding en budgetonderzoeken van het CBS).</al><al></al><tussenkop>Jaarlijkse bijstelling</tussenkop><al>De Recofa-richtlijnen worden jaarlijks aangepast. Deze aanpassingen hebben
                    gevolgen voor het forfaitaire bedrag waardoor deze jaarlijks zal worden herzien.
                    De afronding vindt plaats op € 5,00 naar boven.</al><al></al><tussenkop>Een paar voorbeelden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij inkomsten uit verhuur van € 300,00 per maand wordt een bedrag van €
                            300,00 - € 60,00 (forfaitaire bedrag) = € 240,00 per maand op de
                            uitkering in mindering gebracht .</al></li><li nr="2."><al>Een kostganger betaald een bedrag van € 500,00 per maand voor het
                            gebruik van de woning, maaltijden en bewassing. De korting op de
                            uitkering is dan € 500,00 minus € 350,00 (forfaitaire bedrag) = € 150,00
                            per maand.</al></li><li nr="3."><al>Kostganger 1 en 2 betalen beiden een bedrag van € 500,00 per maand per
                            persoon voor het gebruik van de woning, maaltijden en bewassing.</al></li></lijst><al>Het forfaitaire bedrag voor kostganger 1 is € 350,00 en het forfaitaire bedrag
                    voor kostganger 2 is</al><al>€ 350,00 x 80% = € 280,00.</al><al>De korting op de uitkering is dan van 2 x € 500,00 = € 1.000,00 minus € 350,00
                    (forfaitaire bedrag kostganger 1) minus € 280,00 (forfaitaire bedrag kostganger
                    2) = € 370,00 per maand.</al><al></al><tussenkop>Artikel 4.</tussenkop><tussenkop> Verlaging norm wegens ontbreken woonkosten</tussenkop><al>Naast het toepassen van de kostendelersnorm kan bij het bepalen van de uitkering
                    nog op een andere manier rekening worden gehouden met de specifieke
                    woonsituatie. Het is mogelijk de norm te verlagen. De wettelijke grondslag
                    daarvoor is artikel 27 Participatiewet. Centraal daarin staat het begrip
                    woonkosten.</al><al></al><tussenkop>Ontbreken woonkosten</tussenkop><al>Er zijn 3 mogelijke ‘oorzaken’ van ontbreken woonkosten. Namelijk</al><lijst><li nr="1)"><al>Bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden,
                            bijvoorbeeld krakers.</al></li><li nr="2)"><al>Als een derde, bijvoorbeeld de onderhoudsplichtige, de woonlasten van de
                            woning betaalt.</al></li><li nr="3)"><al>Het niet aanhouden van een woning (daklozen)</al></li></lijst><al>In de praktijk zal in deze gevallen een verlaging worden toegepast van 20%. </al><al></al><tussenkop>Betaling woonkosten door derde: Jurisprudentie</tussenkop><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                    belanghebbendebewoonde woning draagt, heeft het bestuur de keuze om het aldus
                    verkregen woongenot aan temerken als inkomen in natura of de norm of toeslag te
                    verlagen op grond van artikel 27</al><al>Participatiewet (zie ook TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 54-55).</al><al></al><tussenkop>Algemeen principe: individualiseringsbeginsel</tussenkop><al>Overigens kan het bestuur, indien noch in het kader van artikel 27
                    Participatiewet noch in het kader</al><al>van artikel 33 lid 1 Participatiewet rekening wordt gehouden met de situatie
                    waarin eenander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in
                    voorkomende gevallen lager of anders vaststellen op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 Participatiewet.<cursief></cursief></al><al>Bijvoorbeeld indien een dakloze expliciet aangeeft wel woonkosten te hebben
                    (bijvoorbeeld betalen voor opvang) is het aan de aanvrager om dit aan het
                    bestuur aan te tonen via bewijsstukken. Op grond hiervan kan het bestuur
                    besluiten de verlaging lager vast te stellen.</al><al></al><tussenkop>Artikel 5. Bijzondere bijstand bij noodzakelijk uitwoning</tussenkop><al>De kostendelersnorm geldt niet voor jongeren onder 21 jaar. In deze doelgroep
                    zitten ook jongeren die door bijzondere omstandigheden niet bij hun ouders
                    kunnen wonen. Zij krijgen dan een aanvulling op de algemene bijstand via de
                    bijzondere bijstand. </al><al>Het bestuur is –ook onder de Participatiewet- vrij om de hoogte van de
                    aanvulling te bepalen. </al><al>Voorkomen moet worden dat kwetsbare jongeren in een schuldenpositie terecht
                    komen. Dat is een slechte start met risico’s op vele terreinen. Daarom wordt
                    aansluiting gezocht bij de normen voor personen vanaf 21 jaar, zoals dat ook het
                    geval was voor 1 januari 2015. Nadeel kan zijn dat de uitkering zelf een
                    belemmering is voor uitstroom. Werken loont immer niet (veel) gezien lage
                    minimumloon voor deze leeftijd. Aan de andere kant zet de gemeente echter zwaar
                    in op re-integratie van jongeren. Een jongere zal altijd een intensief traject
                    doorlopen, inclusief een strakke regie. </al><al>Overigens zal de aanvulling voor alleenstaande ouders onder 21 jaar door de
                    herziening kind regelingen beperkt blijven tot het niveau voor een alleenstaande
                    van 21 jaar. </al><al></al><tussenkop>Artikel 6. Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien</tussenkop><al>In de slotbepalingen is bepaald dat het bestuur besluit in gevallen waarin deze
                    beleidsregels niet voorzien. </al><al></al><tussenkop>Artikel 7. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>