<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dc="http://purl.org/dc/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:sch="http://www.ascc.net/xml/schematron" xmlns:xopus="http://www.xopus.com/xmlns/xsd" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta>
    <owmskern>
      <dcterms:identifier>369103_1</dcterms:identifier>
      <dcterms:title>Reglement van Orde Gemeente het Bildt 2007</dcterms:title>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type>
      <dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">het Bildt</dcterms:creator>
      <dcterms:modified>2015-06-09T13:26:16Z</dcterms:modified>
      <dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Het Bildt</dcterms:spatial>
    </owmskern>
    <owmsmantel>
      <dcterms:alternative>Reglement van Orde voor de raad</dcterms:alternative>
      <dcterms:subject>personeel en organisatie</dcterms:subject>
      <dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 16</dcterms:source>
      <dcterms:issued>2007-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Bildtse Post 5-12-07</dcterms:isFormatOf>
      <dcterms:publisher scheme="overheid:Gemeente">Het Bildt</dcterms:publisher>
      <overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy>
    </owmsmantel>
    <cvdripm>
      <overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-12-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum>
      <overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum>
      <overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft>
      <overheidrg:kenmerk>29-11-07</overheidrg:kenmerk>
      <overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving>
        <al>Geen</al>
      </overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving>
      <overheidrg:redactioneleToevoeging>
        <al>Geen</al>
      </overheidrg:redactioneleToevoeging>
    </cvdripm>
  </meta>
  <body>
    <intitule/>
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>No. 071115-1 St. Annaparochie, 29 november 2007</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>De raad van de gemeente het Bildt;</al>
          <al>overwegende;</al>
          <al>dat het wenselijk is het reglement van orde voor de vergaderingen van de
                        raad van de gemeente het Bildt, vastgesteld bij raadsbesluit van 14 maart
                        2002, no.020303, te herzien;</al>
          <al>dat deze herziening op een aantal punten noodzakelijk is i.v.m. de
                        ervaringen, die landelijk de afgelopen jaren zijn opgedaan met het model
                        Reglement van Orde van de VNG alsmede aanpassingen als gevolg van interne
                        wijzigingen in werkwijze van de raad en taken van het presidium; </al>
          <al>gezien het advies van het presidium, bijeen in vergadering op 20 september
                        2007;</al>
          <al>gelet op artikel 16 van de Gemeentewet;</al>
          <al>besluit vast te stellen de volgende regeling:</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>Reglement van orde voor de raad der gemeente het Bildt</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al>
            <al>a. voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;</al>
            <al>b. amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of
                            ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden
                            opgenomen;</al>
            <al>c. subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement,
                            naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement,
                            waarop het betrekking heeft;</al>
            <al>d. motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor
                            een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;</al>
            <al>e. voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de
                            vergadering;</al>
            <al>f. initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander
                            voorstel.</al>
            <al>g. interpellatie: het recht van een raadslid om aan het college of de
                            burgemeester mondelinge vragen of schriftelijke te stellen, ook over een
                            niet geagendeerd onderwerp*). </al>
            <al/>
            <al/>
            <al>Toelichting: Onder ‘aanhangig’ wordt verstaan aan de orde / in
                            behandeling zijnd. De omschrijving van de termen amendement en
                            initiatiefvoorstel luiden hetzelfde als in de artikelen 147a en 147b van
                            de Gemeentewet.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>De voorzitter</titel>
            </kop>
            <al>De voorzitter is belast met:</al>
            <al>a. het leiden van de vergadering;</al>
            <al>b. het handhaven van de orde;</al>
            <al>c. het doen naleven van het reglement van orde;</al>
            <al>d. hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.</al>
            <al/>
            <al>* ) zie de uitwerking bij artikel 38 en 39 van dit reglement.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125,
                            derde lid, van de Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit
                            dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het
                            langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij
                            verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Het model van de VNG
                            gaat uit van het criterium ‘anciënniteit’ als waarnemer van het
                            voorzitterschap van de raad. De raad op het Bildt heeft al eerder
                            gekozen voor een waarnemer op basis van ‘kwaliteit’ hoewel het een het
                            ander niet uitsluit. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de
                            oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast
                            heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere
                            waarnemer. </al>
            <al>De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de
                            Gemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als
                            voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de
                            vergadering.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>De griffier</titel>
            </kop>
            <al>1. De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al>
            <al>2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een
                            door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend griffier.</al>
            <al>3. De griffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan
                            de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen. </al>
            <al/>
            <al>Toelichting: De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100
                            Gemeentewet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor
                            de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de
                            raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de
                            griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is
                            daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 Gemeentewet
                            (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met
                            betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.
                            Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging, woonplaats etc. zijn
                            niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan worden
                            in de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de
                            instructie voor de griffier zijn de taken van de griffier
                            uitgewerkt.</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>De secretaris</titel>
            </kop>
            <al>De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering
                            aanwezig te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als
                            bedoeld in dit reglement.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de
                            ondersteuning van het college en het leiden van de ambtelijke
                            organisatie. In het kader van die twee taken kan het tevens wenselijk
                            zijn dat de secretaris deelneemt aan de beraadslagingen van de raad. De
                            secretaris wordt echter benoemd en ontslagen door het college. Dit houdt
                            in dat de raad de secretaris niet kan dwingen om in de raad aanwezig te
                            zijn. De raad zal het college moeten verzoeken of het college de
                            secretaris opdraagt in de vergadering aanwezig te zijn om aan de
                            beraadslagingen deel te nemen. Op deze wijze kan de raad onder meer een
                            beroep doen op kennis en informatie, die de secretaris bezit of kan de
                            secretaris bijvoorbeeld deelnemen aan een discussie over het
                            functioneren van de ambtelijke organisatie.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Het presidium</titel>
            </kop>
            <al>1. De raad heeft een presidium. </al>
            <al>2. Het presidium bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters. De
                            griffier is in elke vergadering van het presidium aanwezig.</al>
            <al>3. De voorzitter kan voorstellen de secretaris uit te nodigen voor het
                            presidium.</al>
            <al>4. Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan, dat hem bij
                            zijn afwezigheid in het presidium vervangt.</al>
            <al>5. Elke fractievoorzitter heeft één stem in het presidium.</al>
            <al>6. Het presidium heeft, naast de taken opgenomen in de artikelen 9, 11,
                            12, 16, 20, 40, 42 en 43 van deze verordening, als taak het zijn van
                            agendacommissie en het doen van aanbevelingen aan de raad inzake de
                            organisatie van de werkzaamheden van de raad en van zijn commissies en
                            het vervullen van de rol van het vroegere seniorenconvent (zie de
                            onderstaande toelichting). </al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Uit een screening van modelreglementen van diverse
                            gemeenten is gebleken dat verreweg de meeste gemeenten de term
                            ‘seniorenconvent’ hebben vervangen door de term ‘presidium’. Het
                            modelreglement is in 2006 conform de praktijk aangepast hetgeen inhoudt
                            dat de term ‘seniorenconvent’ is vervangen door ‘presidium’. Uiteraard
                            staat het gemeenten vrij te kiezen uit één van deze twee benamingen, zo
                            luidt de aanbeveling. </al>
            <al>In het Bildt is gekozen voor handhaving van uitsluitend het presidium
                            dat in 2003 een upgrading heeft ondergaan. De taken van het presidium
                            luiden (samengevat): agendacommissie voor de raad, de zorg voor
                            procedurele zaken, de regierol voor voortgang dualisme, het aansturen,
                            beoordelen van - en het zijn van klankbord voor de raadsgriffier. Ook
                            vervult het presidium de taak van het vroegere seniorenconvent: het zijn
                            van klankbord voor het college of de burgemeester voor situaties die op
                            korte termijn om overleg vragen of zaken, waarvoor het college of de
                            burgemeester zich door de raad gesteund wil voelen (aftasten). </al>
            <al>In artikel 5 is als aanvullende taak opgenomen het zijn van
                            agendacommissie en het doen van aanbevelingen aan de raad inzake de
                            organisatie van de werkzaamheden van de raad en zijn commissies.
                            Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het
                            reglement van orde, het instrueren van de griffier en aanbevelingen doen
                            aan de raad ter bevordering van het dualiseringsproces. </al>
            <al>Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die
                            even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties
                            in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid
                            van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. Het instellen van
                            een presidium is overigens niet verplicht, maar verdient wel
                            aanbeveling, aangezien het een waardevolle bijdrage kan leveren aan de
                            dualisering van verhoudingen tussen raad en college. Uiteraard is het
                            aan de raad om te bepalen of het opnemen van een lid dat de aanwezigheid
                            van de secretaris in het presidium mogelijk maakt, wenselijk wordt
                            geacht in gedualiseerde verhoudingen. </al>
            <al>De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig, omdat de
                            griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de
                            agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De
                            aanwezigheid van de secretaris kan gewenst zijn, omdat de secretaris
                            aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op
                            onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. </al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>De agendacommissie (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders</titel>
            </kop>
            <al>1. Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een
                            commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie
                            onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van
                            nieuw benoemde leden en het proces-verbaal van het (centraal)stembureau. </al>
            <al>2. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven
                            schriftelijk verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor
                            een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een
                            minderheidsstandpunt.</al>
            <al>3. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de
                            raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling,
                            bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of
                            verklaring en belofte af te leggen.</al>
            <al>4. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                            een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad
                            waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of
                            verklaring en belofte af te leggen.</al>
            <al>5. Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste
                            lid een commissie ingesteld welke onderzoekt of de kandidaat voldoet aan
                            de eisen van de Gemeentewet. De werkwijze van deze commissie is
                            overeenkomstig het tweede lid. </al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal
                            stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1
                            Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een
                            model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de
                            benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat
                            hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd waaruit
                            blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad
                            toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende
                            verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een
                            uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en –datum, en
                            (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de
                            vereisten van artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het
                            onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering
                            gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde
                            lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer
                            bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De
                            commissie welke de geloofsbrieven onderzoek brengt verslag uit. Dit kan
                            zowel mondeling als schriftelijk. </al>
            <al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de
                            voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde
                            geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal
                            stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het onderzoek van het proces
                            verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling
                            van de uitslag) gebeurt alleen in de eerste samenkomst van de nieuwe
                            raad na verkiezingen. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet
                            uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de
                            lijstverbindingen.</al>
            <al>Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating
                            van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de
                            samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een
                            tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de
                            eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of
                            verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen.
                            Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte
                            aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het
                            betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en
                            belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap
                            moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd.</al>
            <al>De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot
                            toelating als lid van de raad is vervallen door inwerkingtreding van de
                            Wet dualisering gemeentebestuur in 2002.</al>
            <al/>
            <al>Het vijfde lid geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de
                            Kieswet vloeit het geloofsbrieven onderzoek van raadsleden voort.
                            Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is
                            hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan
                            welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk
                            moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap
                            zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het
                            raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt
                            voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor
                            het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Vandaar dat er een
                            vijfde lid aan dit artikel is toegevoegd. Dit artikel is ook van
                            toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt
                            benoemd, de incomptabiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw
                            beoordeeld te worden.</al>
            <al>Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat
                            de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2
                            Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft
                            van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen
                            en een nieuw raadslid te benoemen. De beoogde wethouder mag immers niet
                            meestemmen over zijn eigen benoeming. Het vooraf ontslag nemen als
                            raadslid is wel een risico. Het kan immers gebeuren dat deze persoon of
                            niet tot wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden
                            goedgekeurd.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Fracties</titel>
            </kop>
            <al>1. De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde
                            kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de
                            zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één
                            lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie
                            beschouwd.</al>
            <al>2. Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert
                            de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding
                            boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste
                            vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in
                            de raad wil voeren. </al>
            <al>3. De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens
                            plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de
                            voorzitter.</al>
            <al>4. Indien:</al>
            <al>a. één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan
                            optreden;</al>
            <al>twee of meer fracties als één fractie gaan optreden;</al>
            <al>één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere
                            fractie; </al>
            <al>wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de
                            voorzitter.</al>
            <al>b. Met de onder a beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden
                            met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling
                            daarvan.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een
                            regeling van wat onder een fractie moet worden verstaan. De Gemeentewet
                            kent een dergelijk begrip niet maar gaat onder andere in artikel 33,
                            tweede lid, wel uit van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde
                            groeperingen (recht op fractieondersteuning). In veel gemeenten bestaan
                            regelingen ten aanzien van vergoedingen aan fracties, faciliteiten voor
                            fracties, fractieassistentie, etc. In deze nadere regelingen kan worden
                            aangesloten bij het in dit reglement opgenomen fractiebegrip. Na het
                            vaststellen van de uitslag vindt de eerste zitting van de raad
                            plaats.</al>
            <al>Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de
                            verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als
                            één fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad
                            de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst hadden staan. Op deze
                            wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de
                            kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat
                            een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een
                            dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding
                            mee.</al>
            <al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad
                            verlaten. Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende
                            oorzaken hebben. Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict
                            met hun fractie hebben, te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo
                            zijn er nog vele redenen denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een
                            verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval
                            is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. </al>
            <al>Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar
                            uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of
                            zich aansluiten bij een bestaande fractie. </al>
            <al>Gevolg van fractieafsplitsing en ontstaan nieuwe fractie is ook dat de
                            nieuwe fractie leden dient voor te dragen voor commissies, lid wordt,
                            als fractievoorzitter van het presidium, fractieondersteuning etc.</al>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Vergaderingen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>9</nr>
                <titel>Vergaderfrequentie</titel>
              </kop>
              <al>1. De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op de
                                vierde donderdag (van de maand), vangen aan om 20.00 uur en worden
                                gehouden in (het gemeentehuis).</al>
              <al>2. De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en
                                aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie,
                                overleg in het presidium.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting”: Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de
                                raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de
                                burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van
                                het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen
                                daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de
                                voorzitter in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur
                                zoveel mogelijk overleg pleegt in het presidium. Op deze wijze houdt
                                het presidium ook bij vergaderingen, die niet op het gebruikelijke
                                tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de
                                plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van
                                gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het
                                raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde
                                functie.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>10</nr>
                <titel>Oproep</titel>
              </kop>
              <al>1. De voorzitter zendt ten minste 7 dagen voor een vergadering de
                                leden van de raad een schriftelijke oproep onder vermelding van dag,
                                tijdstip en plaats van de vergadering.</al>
              <al>2. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met
                                uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de
                                Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de
                                schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald
                                dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor
                                de vergadering. Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste
                                zeven dagen vóór een vergadering de leden een brief (de
                                schriftelijke oproep) stuurt, waarin de vergadering wordt
                                aangekondigd. Deze termijn is, bij de herziening van het reglement
                                in 2006, gewijzigd van veertien naar zeven dagen. In de praktijk
                                worden diverse termijnen gehanteerd, gekozen is om dezelfde termijn
                                te hanteren als in de verordening op de raadscommissies. De brief
                                vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het tweede
                                lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende
                                stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede
                                lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de
                                oproep aan de leden worden verzonden. De in artikel 25, eerste en
                                tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan
                                geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de
                                stukken. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst de
                                stukken en oproep niet per post maar per e-mail te versturen. </al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>11</nr>
                <titel>Agenda</titel>
              </kop>
              <al>1 Voordat de schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt het
                                presidium de</al>
              <al>voorlopige agenda van de vergadering vast. </al>
              <al>2. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van
                                de schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een
                                vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met de
                                daarbijbehorende stukken aan de leden van de raad verzonden, en
                                openbaar gemaakt.</al>
              <al>3. Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op
                                voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de
                                vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of
                                van de agenda afvoeren.</al>
              <al>4. Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare
                                beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar
                                een commissie of aan het college nadere inlichtingen of advies
                                vragen.</al>
              <al>5. Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de
                                raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Het presidium bepaalt hoe de agenda eruit komt te zien
                                (artikel 6). Het versturen van de agenda en stukken is geregeld in
                                artikel 10. Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse
                                praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om een
                                week voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht
                                heeft op de ‘waan’ van de dag. In een dergelijke situatie kan de
                                voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een
                                aanvullende agenda en stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot op
                                het laatste moment, maar tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van de
                                vergadering. </al>
              <al>Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven
                                in de opstelling van de raadsagenda. Individuele raadsleden kunnen
                                via hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de
                                agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de
                                raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe
                                te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele
                                raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de
                                vaststelling van de agenda.</al>
              <al>Het vierde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om
                                de raad van voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet
                                voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een
                                onderwerp, is het niet gewenst dat de raad zich over dit onderwerp
                                uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de mogelijkheid,
                                het onderwerp naar een commissie te verwijzen of aan het college
                                nadere inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid regelt dat
                                de raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de
                                volgorde van behandeling van de agendapunten kan wijzigen.</al>
              <al>Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn.
                                In de eerste plaats zijn dit het college en de burgemeester.
                                Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. Het
                                presidium kan voorstellen doen die te maken hebben met de
                                organisatie en de werkzaamheden van de raad (zie artikel 5, lid 6). </al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>12</nr>
                <titel>De wethouder</titel>
              </kop>
              <al>Het presidium kan een of meer wethouders uitnodigen, al dan niet op
                                zijn/hun verzoek, om in de vergadering aanwezig te zijn en aan de
                                beraadslagingen deel te nemen.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Artikel 12 is een nadere uitwerking van artikel 21,
                                tweede lid, van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de
                                mogelijkheid dat wethouders door de raad worden uitgenodigd om ter
                                vergadering aanwezig te zijn. Het gebruik van het werkwoord
                                ‘uitnodigen’ geeft aan dat een wethouder kan weigeren te verschijnen
                                in de raad. In de praktijk zal dat echter niet waarschijnlijk zijn,
                                omdat een dergelijke weigering door de raad kan worden uitgelegd als
                                een weigering inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te
                                leggen; met alle mogelijke onaangename politieke gevolgen van dien
                                voor de betrokken wethouder. Gelet op de frequentie van de
                                raadsvergadering zullen veelal zaken uit alle portefeuilles aan de
                                orde komen, zodat in de praktijk dikwijls alle wethouders zullen
                                worden uitgenodigd. Als de wethouders in de vergadering aanwezig
                                zijn, zullen ze vaak deelnemen aan de beraadslagingen. Het kan
                                echter wenselijk zijn, dat een wethouder niet bij een vergadering
                                aanwezig is als de raad een zelfstandige afweging over een onderwerp
                                of voorstel wil maken, de raad bijvoorbeeld over het eigen
                                functioneren van gedachten wil wisselen of bij de voorbereiding van
                                een besluit tot het houden van een onderzoek naar het door het
                                college gevoerde bestuur.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>13</nr>
                <titel>Ter inzage leggen van stukken</titel>
              </kop>
              <al>1. Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op
                                de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de
                                schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis ter inzage
                                gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken
                                ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de
                                leden van de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.</al>
              <al>2. Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten
                                het gemeentehuis gebracht.</al>
              <al>3. Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede
                                lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze
                                stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de
                                griffier en verleent de griffier de leden van de raad inzage.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: In dit artikel gaat het, naast om de geheime stukken,
                                om de zogenaamde ‘achterliggende’ stukken waarvan vaak in de
                                raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen,
                                toelichtende nota's, etc.). Deze liggen in de Bildtse situatie in de
                                raadskoffers en verder vindt ter inzage legging in bibliotheken
                                plaats, zoals tot nu toe gebruikelijk. Dit blijft onverminderd van
                                kracht.</al>
              <al>Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid
                                verschillende stukken, die bijvoorbeeld het voorstel tot het bouwen
                                van een nieuwe bibliotheek onderbouwen. Omdat raadsleden zich
                                bezighouden met een groot aantal verschillende onderwerpen en
                                voorstellen, is het in de meeste gevallen niet wenselijk dat
                                raadsleden alle onderliggende stukken krijgen toegezonden. Uiteraard
                                dienen alle raadsleden en andere geïnteresseerden de mogelijkheid te
                                hebben om alle stukken desgewenst in te zien. Hiervoor hebben ze wel
                                voldoende tijd nodig. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met
                                het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage gelegd.</al>
              <al>Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van
                                bestuur (WOB). Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan
                                berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.
                                Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen
                                gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende
                                stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals
                                agenda’s, notulen, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de
                                status van document in de zin van de WOB.</al>
              <al>Het kan niet de bedoeling zijn, dat een lid van de raad of een ander
                                het originele stuk mee naar huis neemt. Dit zou betekenen dat andere
                                raadsleden en geïnteresseerden niet meer de mogelijkheid hebben om
                                het document in te zien. Een raadslid of een andere geïnteresseerde
                                mag echter wel een kopie van een ter inzage gelegd stuk maken.</al>
              <al>De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad.
                                Het ligt dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de
                                agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim
                                moeten blijven bij hem ter inzage worden gelegd. Op verzoek van de
                                leden van de raad kan de griffier inzage aan hen verlenen.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>14</nr>
                <titel>Openbare kennisgeving</titel>
              </kop>
              <al>1. De vergadering wordt door aankondiging in de gemeentelijke
                                rubriek van de Bildtse Post, op de voor afkondigingen in de gemeente
                                gebruikelijke wijze (publicatiekast gemeentehuis naast de
                                hoofdingang) en door plaatsing op de internetsite van de gemeente
                                ter openbare kennis gebracht.</al>
              <al>2. De openbare kennisgeving vermeldt:</al>
              <al>a. de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda
                                van de vergadering;</al>
              <al>b. de wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de vergadering
                                behorende stukken kan inzien;</al>
              <al>3. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden,
                                indien digitaal beschikbaar, op de website van de gemeente
                                geplaatst.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het
                                voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat
                                betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van
                                de Algemene wet bestuursrecht. Bij de herziening van het reglement
                                is tevens de verplichting opgenomen de agenda en stukken ook op het
                                internet te plaatsen. </al>
              <al/>
              <al/>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Orde der vergadering</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>15</nr>
                <titel>Presentielijst</titel>
              </kop>
              <al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad
                                onmiddellijk de presentielijst. Aan het einde van elke vergadering
                                wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening
                                vastgesteld.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>16</nr>
                <titel>Zitplaatsen</titel>
              </kop>
              <al>1. De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een
                                vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg in het presidium bij
                                aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad
                                aangewezen.</al>
              <al>2. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                herzien na overleg in het presidium.</al>
              <al>3. De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders,
                                secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn
                                uitgenodigd.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: De griffier is overeenkomstig artikel 3a in elke
                                vergadering aanwezig en heeft daarom een eigen zitplaats. De
                                voorzitter kan na overleg in het presidium de indeling herzien,
                                indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond van artikel 8a kunnen
                                wethouders worden uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn.
                                Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering
                                aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een
                                zitplaats voor hen te zorgen.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>17</nr>
                <titel>Opening vergadering; quorum</titel>
              </kop>
              <al>1. De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur,
                                indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad
                                blijkens de presentielijst aanwezig is.</al>
              <al>2. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het
                                vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na
                                voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de
                                volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de
                                Gemeentewet.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft
                                van het aantal zitting hebbende raadsleden aanwezig is en de
                                presentielijst heeft getekend. Artikel 20 van de Gemeentewet
                                voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien het
                                vereiste aantal leden niet op komt dagen.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>17a.</nr>
                <titel>Spreekrecht burgers</titel>
              </kop>
              <al>1. Na de opening van de vergadering kunnen aanwezige burgers
                                gezamenlijk gedurende maximaal dertig minuten het woord voeren over
                                geagendeerde onderwerpen.</al>
              <al>2. Het woord kan niet gevoerd worden:</al>
              <al>a. over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of
                                beroep op de rechter openstaat of heeft opengestaan;</al>
              <al>b. over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
                                personen;</al>
              <al>c. indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet
                                bestuursrecht kan of kon worden ingediend.</al>
              <al>d. onderwerpen waarover al in een commissievergadering door dezelfde
                                persoon of maatschappelijke instantie het woord gevoerd is.</al>
              <al>3. Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit vóór
                                12.00 uur op de dag van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt
                                daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover
                                hij het woord wil voeren.</al>
              <al>4. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De
                                voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is
                                van de orde van de vergadering.</al>
              <al>5. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De
                                voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er
                                meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere
                                gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.</al>
              <al>6. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft
                                verleend. De voorzitter of een lid van de raad doet een voorstel
                                voor de behandeling van de inbreng van de burger.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: de raad heeft besloten het spreekrecht in beide gremia
                                (raad en raadscommissie) te handhaven. Wel is aanvullend bepaald dat
                                wanneer een persoon reeds in de commissie heeft ingesproken dit niet
                                nog eens in de raad kan. Mutatis mutandis geldt dit voor
                                maatschappelijke instanties. Voorts is uitgesproken dat aankondiging
                                van gebruikmaking van het spreekrecht in zowel raad als commissie
                                nog kan op de dag van de raads- of commissievergadering vóór 12.00
                                uur. </al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>18</nr>
                <titel>Primus bij hoofdelijke stemming</titel>
              </kop>
              <al>Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt
                                de voorzitter mede, bij welk lid van de raad, de hoofdelijke
                                stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van
                                de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de
                                hoofdelijke stemming.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde
                                van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze
                                volgorde geldt dan voor de gehele vergadering, ook na een eventuele
                                schorsing. Uiteraard is ook hier afwijking mogelijk, bijvoorbeeld
                                door te bepalen dat pas op het moment van stemming de primus wordt
                                bepaald. Zie ook artikel 28, vierde lid.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>19</nr>
                <titel>Uitgebreid samenvattend verslag en besluitenlijst.</titel>
              </kop>
              <al>1. De griffier draagt zorg voor het bijhouden van een
                                presentielijst, een uitgebreid samenvattend verslag en de
                                besluitenlijst van de vergadering.</al>
              <al>2. Het uitgebreid samenvattend verslag van de voorgaande vergadering
                                wordt, zo mogelijk, aan de leden van de raad toegezonden
                                gelijktijdig met de schriftelijke oproep. Het concept wordt
                                gelijktijdig aan de overige personen die het woord gevoerd hebben,
                                toegezonden.</al>
              <al/>
              <al>3. De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de
                                secretaris hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de
                                raad te doen, indien het conceptverslag onjuistheden bevat of niet
                                duidelijk weergeeft hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot
                                verandering dient vóór of tijdens de vergadering bij de griffier te
                                worden ingediend.</al>
              <al>4. Het uitgebreid samenvattend verslag bevat ten minste:</al>
              <al>a. de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris, de
                                wethouders en de ter vergadering aanwezige leden, alsmede van de
                                leden die afwezig waren en overige personen die het woord gevoerd
                                hebben;</al>
              <al>b. een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;</al>
              <al>c. een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding van
                                de namen van de aanwezigen die het woord voerden;</al>
              <al>d. een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding
                                bij hoofdelijke stemming van de namen van de leden die voor of tegen
                                stemden, onder aantekening van de namen van de leden die zich
                                overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich
                                bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;</al>
              <al>e. de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen,
                                voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen;</al>
              <al>f. bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van
                                die personen aan wie het op grond van het bepaalde in artikel 25
                                door de raad is toegestaan deel te nemen aan de
                                beraadslagingen.</al>
              <al>5. Het uitgebreid samenvattend verslag wordt in de eerstvolgende
                                vergadering vastgesteld, waarna dit door de voorzitter en de
                                griffier wordt ondertekend.</al>
              <al>6. Aan de hand van het uitgebreid samenvattend verslag wordt een
                                besluitenlijst opgesteld. Voor zover de aard en de inhoud van de
                                besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst
                                zo spoedig mogelijk na de vergadering openbaar gemaakt door
                                plaatsing in de Bildtse Post, op de voor afkondigingen in de
                                gemeente gebruikelijke wijze en door plaatsing op de gemeentelijke
                                website.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de
                                griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken
                                van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen
                                gesproken over de verplichting op een besluitenlijst openbaar te
                                maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet). Bij de herziening van
                                het reglement in 2006 is dit artikel gewijzigd. Dit betreft de
                                bepaling over de besluitenlijst en het gebruik van de term verslag.
                                Op het Bildt is gekozen voor een zgn. uitgebreid samenvattend
                                verslag.</al>
              <al>Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep
                                verstuurd aan de leden en overige personen die het woord gevoerd
                                hebben. Omdat wethouders (artikel 8a), de burgemeester, de griffier
                                en de secretaris ook het woord kunnen voeren in de vergadering,
                                kunnen zij tevens een voorstel tot verandering van het verslag aan
                                de raad doen. Een voorstel tot verandering dient voorafgaand aan de
                                vergadering schriftelijk te worden ingediend. Het is ook mogelijk om
                                te bepalen dat dit kan plaatsvinden tot het moment dat het verslag
                                wordt vastgesteld. Er is hier gekozen om het voor de griffier zo
                                praktisch mogelijk te regelen.</al>
              <al>De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom
                                is de griffier aangewezen om voorstellen tot wijzigingen van het
                                verslag in ontvangst te nemen, het verslag op te stellen en deze,
                                tezamen met de voorzitter, te ondertekenen Het is aan de raad om te
                                beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd
                                wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor
                                beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State). Als de
                                secretaris aanwezig is, dient zijn naam, omdat het een belangrijke
                                functionaris blijft, vermeld te worden in het verslag. Hetzelfde
                                geldt voor wethouders.</al>
              <al/>
              <al>Verder dient het verslag niet alleen een zakelijke samenvatting van
                                hetgeen de leden hebben gezegd te bevatten. Ook hetgeen de overige
                                aanwezigen zoals bijvoorbeeld de aanwezige wethouders of de
                                gemeentesecretaris of burgers zeggen moet zakelijk samengevat
                                worden. Dit betekent dat die sprekers ook in het verslag genoemd
                                moeten worden.</al>
              <al>In het kader van de betrokkenheid van burgers bij de lokale politiek
                                kunnen gemeenten het indienen van burgerinitiatiefvoorstellen
                                mogelijk maken (zie de handreiking Burgerinitiatief van de
                                Vernieuwingsimpuls). Als een gemeente burgers die mogelijkheid
                                geeft, moet het verslag ook de tekst van die voorstellen inhouden. </al>
              <al>Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een
                                geluidsopname van de raadsvergadering op CD, met een overzicht van
                                de sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een
                                besluitenlijst.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>20</nr>
                <titel>Ingekomen stukken</titel>
              </kop>
              <al>1. Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke
                                mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst
                                geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad toegezonden en
                                ter inzage gelegd.</al>
              <al>2. Na de vaststelling van het uitgebreid samenvattend verslag stelt
                                de raad, op voorstel van het presidium, de wijze van afdoening van
                                de ingekomen stukken vast.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken
                                worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van
                                procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen,
                                in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen
                                naar het college etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de
                                voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk
                                leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de
                                gebruikelijke wijze te worden voorbereid.</al>
              <al>De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in
                                principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een
                                ingekomen stuk. Verder bewaakt de voorzitter de orde van de
                                vergadering. De raad stelt op voorstel van het presidium de wijze
                                van afdoening van de ingekomen stukken vast. In eerdere versies van
                                het reglement was deze taak bij de voorzitter gelegd. Het is
                                logischer, nu er een presidium is, deze taak hier neer te
                                leggen.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>21</nr>
                <titel>Aantal spreektermijnen</titel>
              </kop>
              <al>1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten
                                hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.</al>
              <al>2. Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al>
              <al>3. Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord
                                voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al>
              <al>4. Het derde lid is niet van toepassing op:</al>
              <al>a. de rapporteur van een commissie;</al>
              <al>b. het lid dat een (sub)amendement, een motie of een
                                initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat amendement,
                                die motie of dat voorstel.</al>
              <al>5. Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of
                                voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken
                                over een voorstel van orde.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn
                                verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk
                                besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke
                                spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan
                                de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van
                                de raadsleden in de eerste en tweede termijn. </al>
              <al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te
                                worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn
                                om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te
                                honoreren. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in
                                afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over
                                het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp.</al>
              <al/>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>22</nr>
                <titel>Spreektijd</titel>
              </kop>
              <al>Een lid van de raad kan een voorstel doen over de spreektijd van de
                                leden en de overige aanwezigen.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Het artikel strekt ertoe te benadrukken dat de raad ook
                                uit eigen initiatief regels kan stellen over de spreektijd van de
                                leden. De voorzitter hoeft dit niet voor te stellen. De voorzitter
                                kan in het kader van zijn taak tot het handhaven van de orde tijdens
                                de vergadering wel wijzigingen voorstellen in de omvang van de
                                spreektijd.</al>
              <al/>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>23</nr>
                <titel>Handhaving orde; schorsing</titel>
              </kop>
              <al>1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij</al>
              <al>a. de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit
                                reglement te herinneren;</al>
              <al>b. een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de
                                spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.</al>
              <al>2. Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke
                                uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde
                                onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel
                                anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de
                                orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg
                                geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks
                                plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord
                                ontzeggen.</al>
              <al>3. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor
                                een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening
                                de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk
                                kunnen spreken. Wel zijn interrupties toegestaan voor zover de
                                voorzitter bij een overvloed aan interrupties of in het belang van
                                de voortgang van de beraadslagingen niet bepaalt dat een spreker
                                zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te bevorderen
                                dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te
                                uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte
                                te vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn
                                getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of
                                schriftelijk overleggen. </al>
              <al>Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook
                                betrekking op de wethouders, de secretaris, de griffier of andere
                                personen, die het woord voeren. De voorzitter kan hen tot de orde
                                roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord
                                worden ontzegd.</al>
              <al>De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven
                                om een spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen,
                                gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van
                                de Gemeentewet biedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingen de
                                geregelde gang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te
                                ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft
                                echter onverlet. Artikel 25 is slechts een aanvulling op de
                                Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te
                                ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing met een
                                intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.
                                (JB 9 (2002) 138).</al>
              <al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van
                                tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als
                                verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde
                                op de publieke tribune wordt verwezen naar de artikel 51 van dit
                                reglement.</al>
              <al/>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>24</nr>
                <titel>Beraadslaging</titel>
              </kop>
              <al>1. De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad
                                beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel
                                afzonderlijk te beraadslagen.</al>
              <al>2. Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de
                                voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door hem
                                te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden de
                                gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen
                                worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen
                                wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld,
                                in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een
                                uitzonderingsmogelijkheid opgenomen.</al>
              <al>Door de toevoeging ‘of een lid van de raad’ wordt ook raadsleden het
                                recht toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te
                                behandelen. Dit brengt tot uitdrukking dat de raad zijn eigen
                                werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder individueel raadslid
                                toegekend. Dit past in het streven naar dualisering, aangezien
                                dualisering versterking van de vertegenwoordigende en daarmee
                                agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook
                                individuele raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten
                                te beschikken.</al>
              <al>Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van
                                de tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee
                                mogelijkheden: er wordt direct tot stemming overgegaan of aan de
                                beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd (zie artikel
                                21).</al>
              <al>In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de
                                mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het
                                geval indien het college bij de bespreking van het betreffende
                                onderwerp vertegenwoordigd is.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>25</nr>
                <titel>Deelname aan de beraadslaging door anderen</titel>
              </kop>
              <al>1. De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering
                                aanwezige leden van de raad, de wethouder, de secretaris, de
                                griffier en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.</al>
              <al>2. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één
                                der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging ten
                                aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt
                                genomen.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>26</nr>
                <titel>Stemverklaring</titel>
              </kop>
              <al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                                overgaat, heeft ieder lid het recht zijn stemgedrag te motiveren. </al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet
                                het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op
                                de vorige spreker. De stemverklaringen worden alle gegeven vóór de
                                hoofdelijke oproep van de leden tot de stemming begint.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>27</nr>
                <titel>Beslissing</titel>
              </kop>
              <al>1. Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel
                                voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de raad
                                anders beslist.</al>
              <al>2. Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over
                                eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals
                                het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt
                                gevraagd.</al>
              <al>3. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt,
                                formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen
                                eindbeslissing.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij
                                vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad
                                anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen
                                eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel
                                aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de
                                Gemeentewet.</al>
              <al/>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Procedures bij stemmingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>28</nr>
                <titel>Algemene bepalingen over stemming</titel>
              </kop>
              <al>1. De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen
                                stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt,
                                stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke
                                stemming is aangenomen.</al>
              <al>2. In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het
                                uitgebreid samenvattend verslag vragen, dat zij geacht willen worden
                                te hebben tegengestemd of zich op grond van artikel 28 Gemeentewet
                                van stemming te hebben onthouden.</al>
              <al>3. Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de
                                voorzitter daarvan mededeling.</al>
              <al>4. De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij
                                naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid dat
                                daarvoor overeenkomstig artikel 18 is aangewezen. Vervolgens
                                geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.</al>
              <al>5. Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid
                                dat zich niet van deelneming aan de stemming op grond van artikel 28
                                Gemeentewet moet onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.</al>
              <al>6. De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’
                                uit te spreken, zonder enige toevoeging.</al>
              <al>7. Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan
                                kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid
                                gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan
                                hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft
                                gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de
                                uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.</al>
              <al>8. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede,
                                met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen.
                                Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming
                                te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de
                                bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet
                                af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht
                                te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog
                                verwezen naar artikel 209, tweede lid Gemeentewet, welke een
                                hoofdelijke stemming verplicht.</al>
              <al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing
                                krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en
                                slechts enkele leden zouden tegenstemmen. De volgorde van stemming
                                wordt bepaald door de voorzitter. Een raadslid kan zich alleen
                                onthouden van stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet. In alle
                                andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te
                                stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een
                                volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol.
                                Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk
                                hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is
                                geregeld in artikel 16.</al>
              <al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de
                                Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is,
                                wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet
                                voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende
                                vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het
                                voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>29</nr>
                <titel>Stemming over amendementen en moties</titel>
              </kop>
              <al>1. Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend,
                                wordt eerst over dat amendement gestemd.</al>
              <al>2. Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt
                                eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het
                                amendement.</al>
              <al>3. Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een
                                aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde
                                waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het
                                meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in
                                stemming wordt gebracht.</al>
              <al>4. Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend,
                                wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de
                                motie.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Voor meer informatie over een amendement of een motie
                                (betekenis, indiening e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 33
                                en 34 van dit reglement. Voor alle duidelijkheid wordt hier een
                                verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement.
                                Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over
                                het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van
                                een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit
                                genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is
                                afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit
                                uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>30</nr>
                <titel>Stemming over personen</titel>
              </kop>
              <al>1. Wanneer een stemming over personen voor het doen van een
                                voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet
                                plaatshebben, benoemt de 3 leden tot stembureau.</al>
              <al>2. Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de
                                Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje
                                in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.</al>
              <al>3. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel
                                van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden
                                samengevat op één briefje.</al>
              <al>4. Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes
                                gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid
                                verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen
                                niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te
                                openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.</al>
              <al>5. Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in
                                artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben
                                uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben
                                ingeleverd.</al>
              <al>6. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt
                                verstaan:</al>
              <al>a) een blanco ingevuld stembriefje;</al>
              <al>b) een ondertekend stembriefje;</al>
              <al>c) een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de
                                stemming verschillende vacatures betreft;</al>
              <al>d) een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht
                                betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;</al>
              <al>e) een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan
                                die waartoe de stemming is beperkt.</al>
              <al>7. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist
                                de raad, op voorstel van de voorzitter.</al>
              <al>8. Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk
                                na vaststelling van de uitslag vernietigd.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: Eind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het
                                stemmen over personen. Voorheen was in artikel 31, eerste lid
                                bepaald dat, indien er wordt gestemd over de benoeming, voordracht
                                of aanbeveling van personen, dit schriftelijk dient te geschieden
                                door middel van gesloten en ongetekende stembriefjes. Op deze wijze
                                zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting om dit bij
                                stembriefjes te doen is nu vervallen. Gemeenten kunnen dus ook
                                middels een elektronisch stemsysteem stemmen over personen, mits de
                                geheimhouding gewaarborgd is.</al>
              <al>Het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming
                                doormiddel van een behoorlijk ingevuld stembriefjes. Een blanco
                                stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld
                                stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van een
                                schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met
                                blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje
                                telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een
                                stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk
                                ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet
                                geregeld maar verwezen kan worden naar het bepaalde in het zesde
                                lid.</al>
              <al>Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een
                                bepaald ambt (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam
                                van de te benoemen persoon (of personen in geval van meerdere
                                vacatures) met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’ vermeld. Het
                                gaat hier overigens niet over de benoeming tot raadslid, dit is een
                                heel ander soort benoeming dat in artikel 4 van dit reglement wordt
                                toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat
                                voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is
                                voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van de
                                voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de
                                opties ‘voor’ en ‘tegen’. Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om
                                bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad mag
                                van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije
                                stemming (zie ook toelichting bij artikel 28). Op de stembiljetten
                                kunnen de namen van de aanbevolen personen te worden vermeld met
                                daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’ én een vrije ruimte waar een
                                kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld.</al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>31</nr>
                <titel>Herstemming over personen</titel>
              </kop>
              <al>1. Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid
                                heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.</al>
              <al>2. Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte
                                meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen
                                twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich
                                hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over
                                meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming
                                uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal
                                plaatshebben.</al>
              <al>3. Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen
                                staken, beslist terstond het lot.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: De wijziging van het tweede lid strekt ertoe verwarring
                                over de term ‘herstemming’ in artikel 31, tweede lid, van de
                                Gemeentewet te voorkomen</al>
              <al/>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>32</nr>
                <titel>Beslissing door het lot</titel>
              </kop>
              <al>1. Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen
                                wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op
                                afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.</al>
              <al>2. Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn
                                gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal
                                gedeponeerd en omgeschud.</al>
              <al>3. Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de
                                stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is
                                gekozen.</al>
              <al/>
              <al>Toelichting: In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van
                                hetgeen in artikel 31, derde lid van de Gemeentewet is
                                voorgeschreven.</al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Rechten van leden</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>33</nr>
              <titel>Amendementen</titel>
            </kop>
            <al>1. Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen
                            amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om een
                            geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover
                            afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen beraadslaagd kan
                            worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de raad, die
                            de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig
                            zijn.</al>
            <al>2. Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het
                            amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te stellen
                            (subamendement).</al>
            <al>3. Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te
                            kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de
                            voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde
                            -oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.</al>
            <al>4. Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk,
                            totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van
                            de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen.
                            Deze nadere regels staan in het tweede tot en met het vierde lid. Op
                            basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een
                            amendement te behandelen.</al>
            <al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het
                            college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde
                            amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een
                            ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging
                            voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend
                            worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging
                            over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen.
                            Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere
                            beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde
                            termijn (artikel 21).</al>
            <al>Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar
                            artikel 29. Voorstel tot splitsing van een voorgestelde beslissing kan,
                            indien aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en
                            een ander niet wordt aanvaard.</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>34</nr>
              <titel>Moties</titel>
            </kop>
            <al>1. Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.</al>
            <al>2. Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                            schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al>
            <al>3. De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel
                            vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel
                            plaats.</al>
            <al>4. De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                            onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen
                            zijn behandeld.</al>
            <al>5. Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de
                            besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van
                            het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een
                            uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van
                            inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van
                            instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen
                            van een verzoek Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op
                            rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een
                            politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet
                            aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het
                            naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een
                            vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan
                            zijn consequentie trekken.</al>
            <al>Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt
                            opgemerkt, dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de
                            beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat
                            deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met
                            de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft.
                            Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen
                            onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke
                            moties benaderen de in artikel 36 geregelde initiatiefvoorstellen. </al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>35</nr>
              <titel>Voorstellen van orde</titel>
            </kop>
            <al>1. De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering
                            mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden
                            toegelicht.</al>
            <al>2. Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                            betreffen.</al>
            <al>3. Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er
                            inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van
                            orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij
                            staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, lid 4
                            Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde
                            betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze.
                            Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van
                            een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 36).</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>36</nr>
              <titel>Initiatiefvoorstel</titel>
            </kop>
            <al>1. Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen
                            worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al>
            <al>2. De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende
                            vergadering, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is.
                            In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van de
                            daaropvolgende vergadering geplaatst. Bij vaststelling van de agenda
                            wordt het initiatiefvoorstel in stemming gebracht.</al>
            <al>3. De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda
                            voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad
                            oordeelt dat:</al>
            <al>a. het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met
                            een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld; </al>
            <al>b. het voorstel eerst dient te worden behandeld in een
                            raadscommissie;</al>
            <al>c. het voorstel voor advies naar het college dient te worden gezonden.
                            In dit geval bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw
                            geagendeerd wordt.</al>
            <al>4. De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van
                            een voorstel, niet zijnde een voorstel voor een verordening.</al>
            <al>5. Op een spoedeisend initiatiefvoorstel, inhoudende het ontslag van een
                            wethouder, zijn de bepalingen in dit artikel niet van toepassing. Een
                            dergelijk voorstel kan na instemming van de raad terstond aan de agenda
                            toegevoegd worden.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Het is de taak van het college aan de raad de nodige
                            voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor
                            een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad
                            indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.</al>
            <al>In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het
                            tweede lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een
                            initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld.
                            Het eerste tot en met het derde lid van artikel 36 voorzien hierin.
                            Artikel 147a, derde lid, bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a,
                            tweede lid, dat voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte
                            behandeling voorgeschreven is. Dit betekent dat de raad (aanvullende)
                            voorwaarden kan stellen aan het in behandeling nemen van een ander
                            initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft hiervoor – in aanvulling op de
                            eerste drie leden -voorschriften.</al>
            <al>Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo
                            spoedig mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het
                            voorstel echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is.
                            Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op
                            grond van artikel 7, derde lid, het initiatiefvoorstel toch aan de
                            agenda toe te voegen. Aangezien het voor de hand ligt om de raad tevens
                            de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel tezamen met een ander
                            geagendeerd voorstel of onderwerp te behandelen, is dit in het derde lid
                            opgenomen. Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het college,
                            maar in geval het voorstel personele (en financiële) consequenties heeft
                            kan het raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te
                            leggen voor advies. </al>
            <al>Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een
                            initiatiefvoorstel, niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen
                            deze op basis van het vierde lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht
                            worden aan strijd met het algemeen belang, het belang van de gemeente of
                            het gemeentelijk beleid. De raad bepaalt of een voorstel in strijd is
                            met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke ordening), het
                            algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van de
                            gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private
                            samenwerking die gericht is op het renoveren van achtergestelde
                            woonwijken) of het gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergarage
                            in het centrum als enkele maanden geleden de binnenstad autoluw is
                            gemaakt).</al>
            <al>Het vijfde lid is toegevoegd omdat de gedualiseerde Gemeentewet de
                            mogelijkheid geeft een wethouder na een motie van wantrouwen te ontslaan
                            (artikel 49 Gemeentewet). In de oude Gemeentewet was een
                            afkoelingstermijn van 30 dagen opgenomen. Zonder de bepaling in het
                            vijfde lid is deze ontslagmogelijkheid niet mogelijk door de procedure
                            regels van het reglement van orde.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>37</nr>
              <titel>Collegevoorstel</titel>
            </kop>
            <al>1. Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de
                            agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder
                            toestemming van de raad.</al>
            <al>2. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het
                            eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden,
                            bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd
                            wordt.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de
                            raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een
                            ander voorstel kan agenderen, dan het college heeft voorbereid. Als het
                            college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college
                            het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van
                            oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is.
                            De raad moet hier toestemming voor geven.</al>
            <al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of
                            een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het
                            voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het
                            tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het
                            college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of
                            ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het
                            voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college
                            verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in
                            dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het
                            presidium overlaten.</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>38</nr>
              <titel>Interpellatie</titel>
            </kop>
            <al>1. Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in
                            naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48
                            uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de voorzitter
                            ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het
                            onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen
                            vragen.</al>
            <al>2. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                            ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de
                            vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening
                            van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De raad bepaalt
                            op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden
                            gehouden.</al>
            <al>3. De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige
                            leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan
                            eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de
                            Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het
                            mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een
                            volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet
                            geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te
                            vragen. Daarvoor is verlof van de raad voor nodig. </al>
            <al>In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad.
                            Toch is het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie
                            ook op de hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de
                            toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor gezorgd. </al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>39</nr>
              <titel>Schriftelijke vragen</titel>
            </kop>
            <al>1. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen
                            kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt
                            aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd.
                            Vragen die niet voldoen aan het hiervoor gestelde worden per omgaande
                            aan de indiener teruggestuurd.</al>
            <al>2. De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor
                            dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de
                            raad en het college of de burgemeester worden gebracht.</al>
            <al>3. Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                            ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen.
                            Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende
                            raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan
                            plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de
                            burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de
                            termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit
                            bericht wordt behandeld als een antwoord.</al>
            <al>4 De antwoorden van het college of de burgemeester worden door
                            tussenkomst van de griffier aan de leden van de raad toegezonden.</al>
            <al>5 De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de
                            eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in
                            dezelfde raadsvergadering, na de behandeling van de op de agenda
                            voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door de
                            burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders
                            beslist.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht
                            informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het
                            college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is
                            primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een
                            raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de
                            burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De
                            verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd
                            in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde
                            termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het
                            verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het
                            antwoord. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een
                            collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om die
                            reden is in het vijfde lid ingevoegd dat de raad anders kan
                            beslissen.</al>
            <al>In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid
                            gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die
                            het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat
                            de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden,
                            kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om
                            het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>40</nr>
              <titel>Vragenuur</titel>
            </kop>
            <al>1. Op de dag van de vergadering van de raad om 20.00 uur is er een
                            vragenuur, tenzij er bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. In
                            bijzondere gevallen kan het presidium bepalen dat het vragenuur op een
                            ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip
                            het vragenuur eindigt.</al>
            <al>2. Het lid van de raad dat tijdens het vragenuur vragen wil stellen,
                            meldt dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste 24 uur voor
                            aanvang van het vragenuur bij de voorzitter. De voorzitter kan na
                            overleg met het presidium weigeren een onderwerp tijdens het vragenuur
                            aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende
                            nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de
                            raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt.</al>
            <al>3. De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen
                            tijdens het vragenuur aan de orde worden gesteld.</al>
            <al>4. De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de
                            vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de overige
                            leden van de raad.</al>
            <al>5. Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of
                            meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een
                            toelichting daarop te geven.</al>
            <al>6. Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de
                            vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te
                            stellen.</al>
            <al>7. Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord
                            verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de
                            burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.</al>
            <al>8. Tijdens het vragenuur kunnen geen moties worden ingediend en worden
                            geen interrupties toegelaten.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld
                            artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het
                            vragenrecht. Het is een facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te
                            bepalen of de instelling van een vragenuur en daarmee het opnemen van
                            een dergelijke bepaling in het reglement van orde wenselijk is. Wel kan
                            het vragenuur bijdragen aan een vergroting van de betrokkenheid van
                            burgers bij het bestuur: één van de doelstellingen van dualisering.</al>
            <al>Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenuur.
                            Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid
                            tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter
                            niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is.
                            Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak
                            van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid
                            gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de
                            media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het
                            vragenuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte
                            onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen.</al>
            <al>Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van
                            interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een
                            zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college
                            inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat
                            niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. </al>
            <al>Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden
                            voor het door hen gevoerde bestuur. Het vragenuur kan bijvoorbeeld
                            voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wel is het voor de
                            herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenuur op een vast
                            tijdstip te houden.</al>
            <al>In het tweede lid is een aanmeldingstermijn van 24 uur voor vragen
                            opgenomen vanwege het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om
                            antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden. Vanwege het minder
                            zware karakter van het vragenuur vergeleken met de interpellatie is
                            gekozen voor een aanmeldingstermijn van 24 uur (terwijl voor de
                            interpellatie 48 uur geldt).</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>41</nr>
              <titel>Inlichtingen</titel>
            </kop>
            <al>1. Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als
                            bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de
                            Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe, door tussenkomst van de
                            griffier schriftelijk ingediend bij het college of de burgemeester.</al>
            <al>2. De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een
                            afschrift van dit verzoek krijgen. </al>
            <al>3. De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de
                            eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.</al>
            <al>4. De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de
                            vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van
                            de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten
                            opzichte van de raad.</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Begroting en rekening</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>42</nr>
              <titel>Procedure begroting</titel>
            </kop>
            <al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding,
                            het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting
                            volgens een procedure die de raad, op voorstel van het presidium,
                            vaststelt.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en
                            jaarrekening vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in
                            zijn algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de
                            Handreiking voor de financiële verordeningen en controleverordeningen
                            (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet) (uitgave Vernieuwingsimpuls) wordt
                            de inhoudelijke kant uitgewerkt. In de Bildtse situatie betekent dit dat
                            de raadscommissie de begroting zowel functioneel als integraal
                            behandelt.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>43</nr>
              <titel>Procedure jaarrekening</titel>
            </kop>
            <al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding
                            en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de
                            vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel
                            indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad, op voorstel van
                            het presidium, vaststelt.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en
                            jaarrekening vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in
                            zijn algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de
                            Handreiking voor de financiële verordeningen en controleverordeningen
                            (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet) (uitgave Vernieuwingsimpuls) wordt
                            de inhoudelijke kant uitgewerkt. In de situatie na maart 2006 voert de
                            raadscommissie in de gemeente deze taak uit.</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Lidmaatschap van andere organisaties</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>44</nr>
              <titel>Verslag en verantwoording</titel>
            </kop>
            <al>1. Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de secretaris,
                            die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur
                            van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan,
                            ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het
                            recht (om in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen
                            stukken òf voor het sluiten van de vergadering) verslag te doen over
                            zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Door de
                            raad gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen
                            naar de raadscommissie.</al>
            <al>2. Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste
                            lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van
                            schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 37, zijn van
                            overeenkomstige toepassing.</al>
            <al>3. Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid
                            ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als
                            zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De regels voor het
                            vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 38, zijn van
                            overeenkomstige toepassing.</al>
            <al>4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties
                            of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft benoemd.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de
                            burgemeester, een wethouder of de gemeentesecretaris), die lid zijn van
                            een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, verrichten
                            aldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger
                            van en in naam van de gemeente. Voor de wijze, waarop zij in het bestuur
                            van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn zij verantwoording
                            verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de
                            gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en
                            over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten.</al>
            <al>In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor
                            mondelinge verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden
                            gekozen). En wordt aangegeven dat bespreking in een commissie kan
                            plaatsvinden. Indien de gemeente geen commissies heeft kan hier een
                            ander daarvoor geëigend overlegorgaan worden opgenomen.</al>
            <al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van
                            schriftelijke vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor
                            gesteld in artikel 37.</al>
            <al>Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die
                            aansluit bij de regels voor inlichtingen.</al>
            <al>Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te
                            verklaren op andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn
                            leden heeft benoemd. Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke
                            rechtspersonen en vennootschappen, zoals een (raad van commissarissen
                            van) een NV. Hierin voorziet het vierde lid.</al>
            <al/>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Besloten vergadering</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>45</nr>
              <titel>Algemeen</titel>
            </kop>
            <al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van
                            overeenkomstige toepassing voorzover deze bepalingen niet strijdig zijn
                            met het besloten karakter van de vergadering.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: </al>
            <al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van
                            overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten
                            deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent
                            het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht
                            van motie, het maken van het verslag. </al>
            <al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing,
                            voorzover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten
                            karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en
                            geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten
                            aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering
                            en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als
                            bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd
                            dan wel opgeheven.</al>
            <al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen
                            voor ‘het sluiten van de deuren’, de wijze waarop een vergadering een
                            besloten vergadering wordt.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>46</nr>
              <titel>Uitgebreid samenvattend verslag</titel>
            </kop>
            <al>1. Het uitgebreid samenvattend verslag van een besloten vergadering
                            wordt niet rondgedeeld, maar ligt uitsluitend voor de leden ter
                            inzage.</al>
            <al>2. Dit verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter
                            vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een
                            besluit over het al dan niet openbaar maken van dit verslag. Het
                            vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de griffier
                            ondertekend.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>47</nr>
              <titel>Geheimhouding</titel>
            </kop>
            <al>Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad
                            overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de
                            inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De
                            raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt
                            niet van rechtswege onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is
                            toepassing van de procedure volgens artikel 25 jo artikel 55 van de
                            Gemeentewet noodzakelijk.</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>48</nr>
              <titel>Opheffing geheimhouding</titel>
            </kop>
            <al>Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55,
                            tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de
                            Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien
                            daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd,
                            in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg
                            gevoerd.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de
                            mogelijkheid geboden de geheimhouding van stukken op te heffen; stukken
                            die niet per sé aan hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie
                            bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de
                            situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien
                            van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd. De
                            raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te
                            heffen (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het
                            onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting opgenomen
                            waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.</al>
            <al>Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, kan geheimhouding worden
                            opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten
                            aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad
                            overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad
                            overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn
                            eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de
                            helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt
                            bekrachtigd.</al>
            <al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen,
                            kan het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten
                            vergadering met de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kan
                            dan gaan om de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen.</al>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Toehoorders en pers</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>49</nr>
              <titel>Toehoorders en pers</titel>
            </kop>
            <al>1. De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                            op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.</al>
            <al>2. Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                            verstoren van de orde is verboden.</al>
            <al/>
            <al>Toelichting: De hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de
                            in artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet gegeven
                            bevoegdheid aan de voorzitter van de raad om toehoorders die de orde
                            verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de
                            toezegging kan ontzeggen. </al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>50</nr>
              <titel>Geluid- en beeldregistraties (Vervallen)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>51</nr>
              <titel>V erbodgebruik mobiele telefoons (Vervallen)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>52</nr>
              <titel>Uitleg reglement</titel>
            </kop>
            <al>In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent
                            de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de
                            voorzitter.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>53</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>1. Dit reglement treedt in werking op 6 december 2007 </al>
            <al>2. Op dat tijdstip vervalt het reglement van orde voor de vergaderingen
                            van de raad van de gemeente het Bildt, vastgesteld bij raadsbesluit van
                            14 maart 2002. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <bijlage>
        <al>3. Bijlage: Relevante artikelen van</al>
        <al>de Gemeentewet</al>
        <al/>
        <al>Artikel 7. De raad vertegenwoordigt de gehele bevolking van de gemeente.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 8. 1 De raad bestaat uit:</al>
        <al>9 leden in een gemeente beneden de 3 001 inwoners;</al>
        <al>11 leden in een gemeente van 3 001- 6 000 inwoners;</al>
        <al>13 leden in een gemeente van 6 001- 10 000 inwoners;</al>
        <al>15 leden in een gemeente van 10 001- 15 000 inwoners;</al>
        <al>17 leden in een gemeente van 15 001- 20 000 inwoners;</al>
        <al>19 leden in een gemeente van 20 001- 25 000 inwoners;</al>
        <al>21 leden in een gemeente van 25 001- 30 000 inwoners;</al>
        <al>23 leden in een gemeente van 30 001-35 000 inwoners;</al>
        <al>25 leden in een gemeente van 35 001- 40 000 inwoners;</al>
        <al>27 leden in een gemeente van 40 001- 45 000 inwoners;</al>
        <al>29 leden in een gemeente van 45 001- 50 000 inwoners;</al>
        <al>31 leden in een gemeente van 50 001- 60 000 inwoners;</al>
        <al>33 leden in een gemeente van 60 001- 70 000 inwoners;</al>
        <al>35 leden in een gemeente van 70 001- 80 000 inwoners;</al>
        <al>37 leden in een gemeente van 80 001-100 000 inwoners;</al>
        <al>39 leden in een gemeente van 100 001-200 000 inwoners;</al>
        <al>45 leden in een gemeente boven de 200 000 inwoners.</al>
        <al>2 Vermeerdering of vermindering van het aantal leden van de raad,
                    voortvloeiende</al>
        <al>uit wijziging van het aantal inwoners van de gemeente, treedt eerst in bij</al>
        <al>de eerstvolgende periodieke verkiezing van de raad.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 9. De burgemeester is voorzitter van de raad.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 10. </al>
        <al>1 Voor het lidmaatschap van de raad is vereist dat men ingezetene</al>
        <al>van de gemeente is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is
                    uitgesloten</al>
        <al>van het kiesrecht.</al>
        <al>2 Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen</al>
        <al>tevens te voldoen aan de vereisten dat:</al>
        <al>a zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b,
                    d,</al>
        <al>e of l, van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een overeenkomst</al>
        <al>tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de</al>
        <al>zetel van deze organisatie in Nederland, en</al>
        <al>b zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop de gemeenteraad beslist</al>
        <al>over de toelating als lid tot de gemeenteraad gedurende een onafgebroken</al>
        <al>periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en</al>
        <al>beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel rechtmatig
                    in</al>
        <al>Nederland verbleven op grond van artikel 8, onder c, van de</al>
        <al>Vreemdelingenwet 2000.</al>
        <al>3 Geen lid van de raad kunnen zijn zij die geen Nederlander zijn, en als
                    door</al>
        <al>andere staten uitgezonden leden van diplomatieke of consulaire
                    vertegenwoordigingen,</al>
        <al>in Nederland werkzaam zijn, alsmede hun niet-Nederlandse</al>
        <al>echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen en kinderen, voor</al>
        <al>zover dezen met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 11. </al>
        <al>Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet benoembaar tot
                    lid van de raad hij die na de laatstgehouden periodieke verkiezing van de leden
                    van de raad wegens handelen in strijd met artikel 15 van het lidmaatschap van de
                    raad is vervallen verklaard.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 12. </al>
        <al>1 De leden van de raad maken openbaar welke andere functies dan het lidmaatschap
                    van de raad zij vervullen.</al>
        <al>2 Openbaarmaking geschiedt door ter inzage legging van een opgave van de in het
                    eerste lid bedoelde functies op het gemeentehuis.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 13. </al>
        <al>1 Een lid van de raad is niet tevens:</al>
        <al>a minister;</al>
        <al>b staatssecretaris;</al>
        <al>c lid van de Raad van State;</al>
        <al>d lid van de Algemene Rekenkamer;</al>
        <al>e Nationale ombudsman;</al>
        <al>f substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet</al>
        <al>Nationale ombudsman;</al>
        <al>g commissaris van de Koning;</al>
        <al>h lid van gedeputeerde staten;</al>
        <al>i griffier der Staten;</al>
        <al>j burgemeester;</al>
        <al>k wethouder;</al>
        <al>l lid van de rekenkamer;</al>
        <al>m lid van een deelraad;</al>
        <al>n lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente;</al>
        <al>o ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan</al>
        <al>ondergeschikt.</al>
        <al>2 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder k, kan een lid van de raad
                    tevens wethouder zijn van de gemeente waar hij lid van de raad is gedurende het
                    tijdvak dat:</al>
        <al>a aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad
                    en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge artikel 42, eerste
                    lid, aftreden, of</al>
        <al>b aanvangt op de dag van zijn benoeming tot wethouder en eindigt op de dag
                    waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de raad
                    onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat
                    geen opvolger kan worden benoemd. Hij wordt geacht ontslag te nemen als lid van
                    de raad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot wethouder
                    aanvaardt. Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.</al>
        <al>3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder o, kan een lid van de raad
                    tevens zijn:</al>
        <al>a ambtenaar van de burgerlijke stand;</al>
        <al>b vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting
                    niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht;</al>
        <al>c ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 14. </al>
        <al>Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van de</al>
        <al>raad in de vergadering, in handen van de voorzitter, de volgende eed
                    (verklaring</al>
        <al>en belofte) af:</al>
        <al>"Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de raad benoemd te worden,
                    rechtstreeks</al>
        <al>noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift</al>
        <al>of gunst heb gegeven of beloofd.</al>
        <al>Ik zweer (verklaar en beloof ) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te
                    laten,</al>
        <al>rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen
                    of</al>
        <al>zal aannemen.</al>
        <al>Ik zweer (beloof ) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten
                    zal</al>
        <al>nakomen en dat ik mijn plichten als lid van het gemeentebestuur naar eer en</al>
        <al>geweten zal vervullen.</al>
        <al>Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!"</al>
        <al>(Dat verklaar en beloof ik!")</al>
        <al>2.Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in de
                    Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte)
                    als volgt:</al>
        <al>«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta lid fan 'e rie beneamd te wurden,
                    streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker jefte of
                    geunst dan ek jûn of ûnthjitten haw.</al>
        <al>Ik swar (ferklearje en ûnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of te litten,
                    streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ûnthjit dan ek oannommen haw
                    of oannimme sil.</al>
        <al>Ik swar (ûnthjit) dat ik trou wêze sil oan 'e Grûnwet, dat ik de wetten neikomme
                    sil en dat ik myn plichten as lid fan 'e rie yn alle oprjochtens ferfolje
                    sil.</al>
        <al>Sa wier helpe my God Almachtich!»</al>
        <al>(«Dat ferklearje en ûnthjit ik!»).</al>
        <al/>
        <al>Artikel 15. </al>
        <al>1 Een lid van de raad mag niet:</al>
        <al>a als advocaat, procureur of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten
                    behoeve</al>
        <al>van de gemeente of het gemeentebestuur dan wel ten behoeve van de
                    wederpartij</al>
        <al>van de gemeente of het gemeentebestuur;</al>
        <al>b als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de
                    wederpartij</al>
        <al>van de gemeente of het gemeentebestuur;</al>
        <al>c als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden
                    tot</al>
        <al>het met de gemeente aangaan van:</al>
        <al>1e overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;</al>
        <al>2e overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan de gemeente;</al>
        <al>d rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende:</al>
        <al>1e het aannemen van werk ten behoeve van de gemeente;</al>
        <al>2e het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden</al>
        <al>ten behoeve van de gemeente;</al>
        <al>3e het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan de gemeente;</al>
        <al>4e het verhuren van roerende zaken aan de gemeente;</al>
        <al>5e het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de gemeente;</al>
        <al>6e het van de gemeente onderhands verwerven van onroerende zaken of</al>
        <al>beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen;</al>
        <al>7e het onderhands huren of pachten van de gemeente.</al>
        <al>2 Van het eerste lid, aanhef en onder d, kunnen gedeputeerde staten
                    ontheffing</al>
        <al>verlenen.</al>
        <al>3 De raad stelt voor zijn leden een gedragscode vast.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 16. </al>
        <al>De raad stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en</al>
        <al>andere werkzaamheden vast.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 17. </al>
        <al>1 De raad vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten.</al>
        <al>2 Voorts vergadert de raad indien de burgemeester het nodig oordeelt of</al>
        <al>indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit de raad bestaat</al>
        <al>schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>Artikel 18. </al>
        <al>De raad vergadert na de periodieke verkiezing van zijn leden voor de eerste maal
                    in nieuwe samenstelling op de dag met ingang waarvan de leden van de raad in
                    oude samenstelling aftreden.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 19. </al>
        <al>1 De burgemeester roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.</al>
        <al>2 Tegelijkertijd met de oproeping brengt de burgemeester dag, tijdstip en plaats
                    van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende
                    voorstellen met uitzondering van de in artikel 25, tweede lid, bedoelde stukken
                    worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving
                    aan te geven wijze ter inzage gelegd.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 20. </al>
        <al>1 De vergadering van de raad wordt niet geopend voordat blijkens de
                    presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden
                    tegenwoordig is.</al>
        <al>2 Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt
                    de burgemeester, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering
                    tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de
                    oproeping is gelegen.</al>
        <al>3 Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van
                    toepassing. De raad kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de
                    ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen
                    beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft
                    van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 21. </al>
        <al>1 De burgemeester heeft het recht in de vergadering aan de beraadslaging deel te
                    nemen.</al>
        <al>2 Een wethouder kan al dan niet op zijn verzoek door de raad worden uitgenodigd
                    om in de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslaging deel te
                    nemen.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 22. </al>
        <al>De leden van het gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de
                    beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel
                    worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 191, eerste lid,
                    van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de
                    vergadering van de raad hebben gezegd of aan de raad schriftelijk hebben
                    overgelegd.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 23. </al>
        <al>1 De vergadering van de raad wordt in het openbaar gehouden.</al>
        <al>2 De deuren worden gesloten, wanneer ten minste een vijfde van het aantal</al>
        <al>leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter</al>
        <al>het nodig oordeelt.</al>
        <al>3 De raad beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.</al>
        <al>4 Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag</al>
        <al>opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de raad anders beslist.</al>
        <al>5.De raad maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente
                    gebruikelijke wijze openbaar. De raad laat de openbaarmaking achterwege voor
                    zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 25
                    geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met
                    het openbaar belang.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 24. </al>
        <al>In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:</al>
        <al>a de toelating van nieuw benoemde leden;</al>
        <al>b de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de
                    jaarrekening;</al>
        <al>c de invoering, wijziging en afschaffing van gemeentelijke belastingen, en</al>
        <al>d de benoeming en het ontslag van wethouders.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 25. </al>
        <al>1 De raad kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
                    openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703), omtrent het in een besloten
                    vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de raad
                    worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een
                    besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De
                    geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die
                    van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de raad
                    haar opheft.</al>
        <al>2 Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                    bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de
                    burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad
                    overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.</al>
        <al>3 De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met
                    betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de oplegging niet
                    door de raad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst
                    door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt
                    bekrachtigd.</al>
        <al>4 De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met
                    betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken wordt in acht genomen
                    totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk
                    waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de raad is voorgelegd, totdat de raad
                    haar opheft. De raad kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die
                    blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting
                    hebbende leden is bezocht.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 26. </al>
        <al>1 De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is
                    bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord,
                    deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.</al>
        <al>2 Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering
                    verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te
                    ontzeggen.</al>
        <al>3 Hij kan de raad voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde
                    gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen.
                    Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid
                    de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij
                    herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de
                    toegang tot de vergadering worden ontzegd.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 27. </al>
        <al>De leden van de raad stemmen zonder last.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 28. </al>
        <al>1 Een lid van de raad neemt niet deel aan de stemming over:</al>
        <al>a een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat</al>
        <al>of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;</al>
        <al>b de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij</al>
        <al>rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.</al>
        <al>2 Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming</al>
        <al>verstaan het inleveren van een stembriefje.</al>
        <al>3 Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de</al>
        <al>personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is</al>
        <al>beperkt.</al>
        <al>4 Het eerste lid is niet van toepassing bij de beslissing betreffende de
                    geloofsbrieven</al>
        <al>van de na periodieke verkiezing benoemde leden.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 29. </al>
        <al>1 Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden
                    dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden,
                    daaraan heeft deelgenomen.</al>
        <al>2 Het eerste lid is niet van toepassing:</al>
        <al>a ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming,
                    voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een
                    vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;</al>
        <al>b in een vergadering als bedoeld in artikel 20, tweede lid, voor zover het
                    betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 20, eerste
                    lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 30. </al>
        <al>1 Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte
                    meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.</al>
        <al>2 Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem
                    verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 31. </al>
        <al>1 De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of
                    anbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes.</al>
        <al>2 Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of
                    bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming
                    gehouden.</al>
        <al>3 Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het
                    lot.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 32. </al>
        <al>1 De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de
                    voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij
                    mondeling.</al>
        <al>2 Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet
                    van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen
                    uit te brengen.</al>
        <al>3 Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen.</al>
        <al>4 Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen
                    van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de
                    beraadslagingen kunnen worden heropend.</al>
        <al>5 Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het
                    vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen.</al>
        <al>6 Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle
                    leden waaruit de raad bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de
                    stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>Artikel 32a</al>
        <al>De stukken die van de raad uitgaan, worden door de burgemeester ondertekend en
                    door de griffier medondertekend. Bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester worden de stukken die van de raad uitgaan ondertekend door degene
                    die krachtens artikel 77 de burgemeester als voorzitter van de raad
                    vervangt.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 33. </al>
        <al>1 De raad en elk van zijn leden hebben recht op ambtelijke bijstand.</al>
        <al>2 De in de raad vertegenwoordigde groeperingen hebben recht op
                    ondersteuning.</al>
        <al>3 De raad stelt met betrekking tot de ambtelijke bijstand en de ondersteuning
                    van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen een verordening vast.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 55 </al>
        <al>1 Het college kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
                    Openbaarheid van bestuur, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en
                    omtrent de inhoud van de stukken die aan het college worden overgelegd,
                    geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering
                    behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door
                    hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de
                    stukken kennis dragen, in acht genomen totdat het college haar opheft.</al>
        <al>2 Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet Openbaarheid van
                    bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de burgemeester of
                    een commissie, ten aanzien van de stukken die zij aan het college overleggen.
                    Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht
                    genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel de raad
                    haar opheft.</al>
        <al>3 Indien het college zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting
                    tot geheimhouding geldt tot de raad heeft gericht, wordt de geheimhouding in
                    acht genomen totdat de raad haar opheft.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 60 </al>
        <al>1. De raad kan regelen van welke besluiten van het college aan de leden van de
                    raad kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan de raad de gevallen bepalen waarin
                    met terinzagelegging kan worden volstaan.</al>
        <al>2 Het college laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover
                    deze in strijd is met het openbaar belang.</al>
        <al>3.Het college maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de
                    gemeente gebruikelijke wijze openbaar. Het college laat de openbaarmaking
                    achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond
                    van artikel 55 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking
                    in strijd is met het openbaar belang.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 74 </al>
        <al>1 Alle aan de raad of aan het college gerichte stukken worden door of namens de
                    burgemeester geopend.</al>
        <al>2 Van de ontvangst van aan de raad gerichte stukken die niet terstond in de
                    vergadering van de raad aan de orde worden gesteld, doet hij in de eerstvolgende
                    vergadering van de raad mededeling.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 81 </al>
        <al>1 De raad kan regelen van welke besluiten van de burgemeester aan de leden van
                    de raad kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan de raad de gevallen bepalen
                    waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.</al>
        <al>2 De burgemeester laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover
                    deze in strijd is met het openbaar belang.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 107a </al>
        <al>1 De griffier staat de raad en de door de raad ingestelde commissies bij de
                    uitoefening van hun taak terzijde.</al>
        <al>2 De raad stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden
                    van de griffier.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 107b</al>
        <al>De griffier is in de vergadering van de raad aanwezig.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 107c</al>
        <al>De stukken die van de raad uitgaan, worden door de griffier mede
                    ondertekend.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 147a </al>
        <al>1 Een lid van de raad kan een voorstel voor een verordening of een ander
                    voorstel ter behandeling in de raad indienen.</al>
        <al>2 De raad regelt op welke wijze een voorstel voor een verordening wordt
                    ingediend en behandeld.</al>
        <al>3 De raad regelt op welke wijze en onder welke voorwaarden een ander voorstel
                    wordt ingediend en behandeld.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 147b </al>
        <al>1 Een lid van de raad kan een voorstel tot wijziging van een voor de vergadering
                    van de raad geagendeerde ontwerpverordening of ontwerpbeslissing indienen.</al>
        <al>2 Het tweede lid van artikel 147a is van overeenkomstige toepassing.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 155 </al>
        <al>1 Een lid van de raad kan het college of de burgemeester mondeling of
                    schriftelijk vragen stellen.</al>
        <al>2 Een lid van de raad kan de raad verlof vragen tot het houden van een
                    interpellatie over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda, bedoeld in
                    artikel 19, tweede lid, om het college of de burgemeester hierover inlichtingen
                    te vragen. De raad stelt hierover nadere regels.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 169 </al>
        <al>1 Het college en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de raad verantwoording
                    schuldig over het door het college gevoerde bestuur.</al>
        <al>2 Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn
                    taak nodig heeft.</al>
        <al>3 Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden
                    gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het
                    openbaar belang.</al>
        <al>4 Zij geven de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden,
                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de raad daarom
                    verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad
                    zijn wensen en bedenkingen ter zake ter kennis van het college heeft kunnen
                    brengen.</al>
        <al>5.Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 160, eerste lid,
                    onder f, geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van het vierde lid de
                    raad zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid
                    en het terzake genomen besluit.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 180 </al>
        <al>1 De burgemeester is aan de raad verantwoording schuldig over het door hem
                    gevoerde bestuur.</al>
        <al>2 Hij geeft de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn
                    taak nodig heeft.</al>
        <al>3 Hij geeft de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden
                    gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het
                    openbaar belang.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 190 </al>
        <al>1 Het college biedt jaarlijks, tijdig voor de in artikel 191, eerste lid,
                    bedoelde vaststelling, de raad een ontwerp aan voor de begroting met toelichting
                    van de gemeente en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op
                    het begrotingsjaar volgende jaren.</al>
        <al>2 De ontwerpbegroting en de overige in het eerste lid bedoelde stukken liggen,
                    zodra zij aan de raad zijn aangeboden, voor een ieder ter inzage en zijn
                    algemeen verkrijgbaar. Van de ter inzage legging en de verkrijgbaarstelling
                    wordt openbaar kennis gegeven.</al>
        <al>3 De raad beraadslaagt over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee weken na de
                    openbare kennisgeving.</al>
        <al>Artikel 197 </al>
        <al>1. Het college legt aan de raad over elk begrotingsjaar verantwoording af over
                    het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het
                    jaarverslag.</al>
        <al>2. Het college voegt daarbij de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213,
                    derde lid, het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, vierde lid, en
                    de verslagen, bedoeld in artikel 213a, tweede lid.</al>
        <al>De in het eerste en tweede lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan de raad
                    zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de
                    ter inzage legging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. De
                    raad beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee
                    weken na de openbare kennisgeving</al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>
