<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>355516_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Franekeradeel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Franekeradeel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-22</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">overheid.nl, 22-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening 2015 gemeente Franekeradeel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikelen 8a, 1e lid, aanhef en onder a, c, d en e, en 2e lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikelen 10a, 6e lid en 10b, 4e lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvvorziening oudere en gedeeltelijkarbeidsongeschikte werknemers, artikelen 34, 1e lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a, 36, 1e lid</dcterms:source><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers, artikelen 34, 1e lid, onderdeel a, 35 aanhef en onder a, 36, 1e lid</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Franekeradeel;</al><al></al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28
                        oktober 2014;</al><al></al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, 10a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en de
                        artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste
                        lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werknemers en de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en </al><al>onder a en 36, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers</al><al></al><al>besluit vast te stellen de </al><al></al><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</vet></al><al><vet>gemeente Franekeradeel;</vet></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), en de Algemene
                                    wet bestuursrecht (Awb).</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Dienst
                                            Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienst: de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                            Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="c."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk </al><al> arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk </al><al> arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al></li><li nr="e."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste
                                            lid, onder a, van deParticipatiewet alsmede de personen
                                            zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a van
                                            de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van
                                            een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                            hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving,
                                            waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                                            sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten
                                            voor elkaar overstijgt.</al></li><li nr="g."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                            jaar;</al></li><li nr="h."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                            jaar.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze
                                    verordening opgenomen voorzieningen rekening met de
                                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De
                                    omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van
                                    die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                                    werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al></li><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en</al></li><li nr="b."><al>noodzakelijk te verrichten mantelzorg.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur zal bij het bepalen van het aanbod van
                                    voorzieningen prioriteiten stellen in verband met zijn
                                    financiële mogelijkheden en met de maatschappelijke,economische
                                    en conjuncturele ontwikkelingen.</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een
                                    verslag over dedoeltreffendheid van het beleid. Dit verslag
                                    wordt vormgegeven conform het verslag als bedoeld in artikel 77
                                    van de Participatiewet wet. Het verslag bevat in ieder geval het
                                    oordeel van de Cliëntenraad.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze
                                    verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke
                                    voorzieningen, waaronder ondersteunendevoorwaarden die daarbij
                                    gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere
                                    bepalingen zijn opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                            verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                            Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de
                                            artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            behoort tot dedoelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                            geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik
                                            wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde
                                            voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als
                                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het dagelijks bestuur de
                                            voorziening onvoldoendebijdraagt aan een snelle
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het dagelijks
                                            bestuur niet meer geschikt is voor de persoon die
                                            gebruik maakt van de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                            behoren gebruik maakt van de aangeboden
                                            voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening
                                            worden gesteld om in aanmerking te komen voor die
                                            voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Wanneer een voorziening is beëindigd en niet het beoogde doel
                                    heeft gehad, kan het dagelijks bestuur besluiten geen nieuwe
                                    voorziening aan de belanghebbende aan te bieden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Eigen bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een eigen bijdrage wordt in rekening gebracht voor de
                                    niet-uitkeringsgerechtigde ofingeval de
                                    niet-uitkeringsgerechtigde deel uitmaakt van een gezamenlijke
                                    huishouding, als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet,
                                    met een gezamenlijk inkomen hoger dan 150% van het van
                                    toepassing zijnde wettelijk minimum loon.</al></li><li nr="2."><al>De eigen bijdrage die in rekening wordt gebracht is gelijk aan
                                    de gemaakte kosten van het door het dagelijks bestuur aangeboden
                                    voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan besluiten tot het instellen van één of
                                meer budgetplafonds voor de verschillende voorzieningen en/of
                                doelgroepen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een door het dagelijks bestuur in het eerste lid genoemde
                                budgetplatform vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de
                                    doelgroep een scholingstraject aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                    eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>zonder inzet van de scholing is het verwerven of
                                            behouden van arbeid naar het oordeel van het dagelijks
                                            bestuur niet haalbaar;</al></li><li nr="b."><al>de scholing moet aansluiten bij de krachten of
                                            bekwaamheden van de persoon; en</al></li><li nr="c."><al>de scholing die ingezet wordt beslaat maximaal een
                                            periode van twee jaar.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid,onderdeel a, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon van 27 jaar of ouder met
                                    recht op algemenebijstand overeenkomstig artikel 10a van de
                                    Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten
                                    verrichten.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat de te verrichten
                                    additionele werkzaamhedenworden vastgelegd in een schriftelijke
                                    overeenkomst die wordt ondertekend door het dagelijks bestuur,
                                    de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat
                                    verrichten.</al></li><li nr="."><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet
                                    bedraagt € 100,00 per zes maanden, mits in die zes maanden
                                    voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op
                                    inschakeling in het arbeidsproces.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden
                                    aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking eenzodanige mate van
                                    begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. </al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                    voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij
                                    uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandighedenmogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                    dagelijks bestuur selecteert voor deze beoordeling uitsluitend
                                    personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet,
                                    bedoelde werkzaamhedenmogelijk te maken zet het dagelijks
                                    bestuur de volgende ondersteunende voorzieningen in: </al></li><li nr="-"><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving,</al></li><li nr="-"><al>uitsplitsing van taken of</al></li><li nr="-"><al>aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                    arbeidsduur.</al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut
                                    werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk beschikbaar
                                    worden gesteld. In verband hiermee overlegt het dagelijks
                                    bestuur met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
                                    aan de gemeente of dienst gelieerde bedrijven en andere
                                    reguliere werkgevers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                            arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; </al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                            behoort tot de doelgroep; </al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere
                                            beperking heeft of de werkgever ten behoeve van de
                                            werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
                                            10d van de wet ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is,
                                            en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de
                                            gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De no-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                                            minimumloon, en</al></li><li nr="b."><al>15 procent boven de dekking voor extra
                                            werkgeverslasten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                    dienst eenverzekering af met de verzekeraar en treedt op als
                                    verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever. </al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur verstrekt de no-riskpolis tot en met 12
                                    maanden na indiensttreding van de werknemer bij de
                                    werkgever.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van deVerordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ Dienst
                                    SoZaWe Nw. Fryslân, vastgesteld door het Algemeen bestuur van de
                                    Dienst SoZaWe op 29 mei 2013, die moet worden beëindigd op grond
                                    van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt
                                    voldaan aan de voorwaarden uit de Verordening Re-integratie WWB,
                                    IOAW en IOAZ Dienst SoZaWe NW. Fryslân, voor de duur:</al></li><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                    verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                    bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al><al></al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan na afloop van de in het eerste lid,
                                    onderdeel a, bedoeldeperiode, besluiten of een voorziening wordt
                                    voortgezet.</al><al></al></li><li nr="3."><al>De Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ Dienst SoZaWe Nw.
                                    Fryslân blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette
                                    voorziening als bedoeld in het tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening 2015
                            gemeente Franekeradeel.</al><al></al><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente op 27
                        november 2014.</al><al></al><al>De voorzitter, De griffier,</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het dagelijks bestuur de bevoegdheid gegeven om op een aantal
                    punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college i.c. het dagelijks bestuur
                    noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                    re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de
                    voorzieningen vast te leggen die het dagelijks bestuur in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al></al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al><al></al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al><vet></vet>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al></al><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al> Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet
                    de gemeenteraad in de verordening ten aanzien van de aangeboden voorzieningen
                    vastleggen hoe rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening
                    houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een
                    handicap. Dit is in</al><al>overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                    handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en
                    waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                    mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen
                    van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                    voorgaande uitvoering gegeven.</al><al>Het is aan het dagelijks bestuur om te zorgen voor een voldoende en passend
                    aanbod van voorzieningen. Het dagelijks bestuur heeft daarbij te maken met
                    beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een
                    veelheid aan sociaal economische factoren. Dat maakt dat het dagelijks bestuur
                    bepaalt voor welke inwoners die tot de doelgroep van de Participatiewet behoren,
                    zij bepaalde voorzieningen gaan inzetten.</al><al></al><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    i.c. het dagelijks bestuur aan moet bieden. Het enige criterium is dat de
                    voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan
                    het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar
                    gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening
                    gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een
                    isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het
                    leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld
                    via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat in een individuele situatie een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking wordt gesteld.</al><al></al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan
                    beëindigen en in welke gevallen dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                    verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij eendetacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de </al><al>toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                    rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                    opgenomen in artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt
                    bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt.
                    Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van
                    de Participatiewet wordt op dit punt een </al><al>uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a,
                    vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde
                    lid,onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het dagelijks
                    bestuur ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee
                    aaneengesloten jaren, het inkomen ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                    behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is
                    verstrekt.</al><al></al><tussenkop>Artikel 4. Eigen bijdrage</tussenkop><al>Niet-uitkeringsgerechtigden behoren tot de doelgroep die een voorziening moet
                    worden aangeboden. Zij kunnen niet worden uitgesloten op basis van hun inkomen.
                    Om die reden wordt de niet-uitkeringsgerechtigde een eigen bijdrage in rekening
                    gebracht.</al><al></al><tussenkop>Artikel 5. Budgetplafonds</tussenkop><al>In het verlengde van artikel 2, tweede lid, kan het dagelijks bestuur
                    budgetplafonds instellen. Met het instellen van dergelijke plafonds wordt
                    voorkomen dat bepaalde groepen onevenredig veel aanspraak maken op voorzieningen
                    en daaraan gekoppelde middelen.</al><al></al><tussenkop>Artikel 6. Scholing</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat het dagelijks bestuur een scholingstraject kan aanbieden
                    aan een persoon die behoort tot de doelgroep.</al><al>Bij de inzet van scholing wordt gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie en de
                    duur ervan. Het dagelijks bestuur hoeft aan een persoon geen scholing aan te
                    bieden als dergelijke scholing naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van
                    de persoon te boven gaan. Gekozen wordt voor die scholing die het snelst leidt
                    tot het beoogde doel. In beginsel zal er geen </al><al>scholing ingezet worden die langer dan 24 maanden in beslag neemt.</al><al></al><tussenkop>Jongeren</tussenkop><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a,
                    van de Participatiewet).</al><al></al><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Jongeren worden geacht minimaal te beschikken over een startkwalificatie.
                    Hierdoor beschikken zij over een betere startpositie op de arbeidsmarkt.</al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo- of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. </al><al>Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                    startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing
                    noodzakelijk zijn voor dere-integratie. </al><al></al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient het dagelijks bestuur aan deze persoon
                    scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van
                    de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het dagelijks bestuur
                    hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als
                    dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden
                    van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</al><al></al><tussenkop>Artikel 7. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Het dagelijks bestuur kan daarom ook enkel aan personen van 27
                    jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats
                    aanbieden.</al><al></al><al>Additionele werkzaamheden</al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het dagelijks
                    bestuur of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot
                    (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). </al><al>Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na
                    aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de
                    participatieplaats wordt voorgezet. Als de dienst concludeert dat voortzetting
                    van de participatieplaats met het oog op in de persoon </al><al>gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                    participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een
                    andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de
                    Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats
                    (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><al></al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het
                    dagelijks bestuur voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen
                    op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd
                    worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). </al><al>De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j,
                    van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd
                    door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het
                    bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden
                    betrokken. Er is gekozen voor een premie van telkens € 100,- per zes
                    maanden.</al><al></al><tussenkop>Artikel 8. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                    uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                    beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek
                    nodig heeft dat niet van een </al><al>reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in
                    dienst neemt.</al><al></al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de dienst een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het dagelijks bestuur welke
                    mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de
                    verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom
                    is in het tweede lid bepaald dat het dagelijks </al><al>bestuur uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is gekozen
                    omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend
                    in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de
                    personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat
                    daartoe personen behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen
                    werken. </al><al>Het dagelijks bestuur kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in
                    een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het dagelijks bestuur maakt
                    uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het dagelijks bestuur moet
                    bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de
                    beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte </al><al>omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    hebben. </al><al></al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het dagelijks bestuur
                    met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk
                    behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van
                    landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                    Participatiewet). </al><al></al><tussenkop>Stap 3: besluit dagelijks bestuur</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist het dagelijks bestuur of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort.
                    Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen, kan het dagelijks bestuur
                    besluiten het advies niet te volgen.</al><al></al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    het dagelijks bestuur ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                    beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten i.c. de dienst. Een dienstbetrekking kan
                    bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of
                    stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij
                    reguliere werkgevers werken.</al><al></al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze het dagelijks bestuur de omvang van het
                    aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. De Dienst
                    kan het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente of dienst
                    gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere
                    reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.</al><al></al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                    hoeveel plekken voor beschut werk de dienst beschikbaar stelt. Het aanbod is
                    mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij
                    werkgevers. Daarom moet het dagelijks bestuur overleg voeren met partners om de
                    omvang van het aanbod te kunnen bepalen</al><al>(vierde lid).</al><al></al><tussenkop>Artikel 9. No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet).</al><al></al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever in aanmerking komt voor
                    de no-riskpolis bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of
                    andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een
                    loonkostensubsidie ontvangt.</al><al></al><tussenkop>Voorwaarden</tussenkop><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 maanden
                    duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente.</al><al></al><tussenkop>Hoogte vergoeding</tussenkop><al>De no-riskpolis vergoedt het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                    minimumloon en 15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al><al></al><tussenkop>Contract met verzekeraar</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis
                    eenverzekering afsluiten met de verzekeraar. Het dagelijks bestuur treedt op als
                    verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde (derde lid).</al><al></al><tussenkop>Duur no-riskpolis</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur vergoedt de kosten van de no-riskpolis tot 12 maanden na
                    indiensttreding van de werknemer bij de werkgever.</al><al></al><tussenkop>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</tussenkop><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen en kan artikel 29b van de
                    Ziektewet van toepassing zijn.</al><al></al><tussenkop>Artikel 10. Overgangsrecht</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op
                    grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                    voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie
                    waarin de oude re-integratie-verordening voorzieningen bevat die na
                    inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het
                    denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel in
                    aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3,
                    tweede lid, van deze verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is
                    dit artikel geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een </al><al>bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van twaalf maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is
                    verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de oude
                    re-integratieverordening. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet
                    de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen
                    aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van
                    periode van twaalf maanden begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding
                    van deze verordening.</al><al></al><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen</tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de oude re-integratieverordening worden in
                    beginsel behouden tot twaalf maanden na inwerkingtreding van deze verordening.
                    Na afloop van die periode kan het dagelijks bestuur besluiten of een voorziening
                    wordt voortgezet (derde lid). Hierbij kan het dagelijks bestuur rekening houden
                    met al gesloten overeenkomsten. </al><al>Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het
                    dagelijks bestuur is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te
                    voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende
                    re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze
                    verordening worden afgerond conform de overeenkomst.</al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de oude re-integratieverordening van
                    toepassing (derde lid).</al><al></al><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk</tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na twaalf maanden is niet mogelijk
                    als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen
                    aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de <vet>oude
                        re-integratieverordening</vet> of als de voorziening is toegekend voor een
                    kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een
                    voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de
                    oorspronkelijke toekenning.</al><al></al><tussenkop>Artikel 11. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al></al><tussenkop>Artikel 12. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>