<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>355394_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet 2015 gemeente Franekeradeel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Franekeradeel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-21</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">overheid.nl, 22-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet 2015 gemeente Franekeradeel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 8, 1e lid, onderdeel d</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 60b</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Franekeradeel;</al><al></al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28
                        oktober 2014;</al><al></al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d en artikel 60b van de
                        Participatiewet;</al><al></al><al>besluit vast te stellen de <vet>Verordening verrrekening bestuurlijke boete
                            bij recidive Participatiewet 2015 gemeente Franekeradeel</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalinge</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Dienst
                                        Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienst: de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                        Noardwest</al><al> Fryslân;</al></li><li nr="c."><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de
                                        artikelen475c tot en met 475<sup>e</sup> van het Wetboek van
                                        Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="d."><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel
                                        18a, vijfde lid, van de</al><al> Participatiewet;</al></li><li nr="e."><al>bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                        diens</al><al> gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met
                                        uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf
                                        gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de
                                        Participatie wet;</al></li><li nr="f."><al>verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde
                                        lid, van de</al><al> Participatiewet</al></li><li nr="g."><al>bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als
                                        bedoeld in artikel 5 onderdeel c Participatiewet.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekeningwegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende tenminste driemaal de
                                toepasselijke bijstands norm bedraagt, verrekent het dagelijks
                                bestuur de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije
                                voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende desgevraagd geen gegevens verstrekt over
                                zijn bezit, verrekent het dagelijks bestuur de recidiveboete zonder
                                inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het bezitvan een belanghebbende niet tenminste driemaal
                                    de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het dagelijks
                                    bestuur de recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming
                                    van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het
                                    moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                                    opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid,
                                    verrekent het dagelijks bestuurde recidiveboete in de daarop
                                    volgende twee maanden op een dusdanige wijze datbelanghebbende
                                    blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de
                                    toepasselijke bijstandsnorm.</al></li><li nr="3."><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                    gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n, r
                                    en z van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het dagelijks bestuur de
                            recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Participatiewet, indien en voor zover deze boete nog niet is
                            betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6. Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive 2015 gemeente Franekeradeel,</al><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al> Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente
                        Franekeradeel 27 november 2014. </al><al></al><al>De voorzitter, De griffier, </al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op 1 januari 2013 is in werking getreden de "Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid SZW-wetgeving". Voor de Wet werk en bijstand (WWB) introduceert
                    deze wet de bestuurlijke boete bij schending van de inlichtingenplicht. Het
                    college i.c. het dagelijks bestuur is verplicht de bestuurlijke boete met de
                    lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening de
                    bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is echter sprake van
                    een bestuurlijke boete wegens recidive, dan heeft het college i.c. het dagelijks
                    bestuur de bevoegdheid gedurende maximaal drie maanden met de beslagvrije voet
                    te verrekenen. </al><al></al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                    ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Deze
                    bevoegdheid kan op verschillende manieren worden ingevuld.</al><al></al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten i.c. de Dienst SoZaWe Nw.
                    Fryslân te maken krijgen met verzoeken van andere gemeenten/sociale diensten om
                    een door hen </al><al>opgelegde recidiveboete te verrekenen. Het college of dagelijks bestuur dat de
                    boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in hoeverre het de beslagvrije
                    voet in acht wil nemen(volgens de regels van zijn eigen verordening). </al><al>De gemeente/sociale dienst die de uitkering verstrekt, moet in beginsel gehoor
                    geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan
                    kan de belanghebbende het college of het college van burgemeester en wethouders
                    waarvan hij uitkering ontvangt, </al><al>verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid,
                    van de WWB en thans artikel 60b, tweede lid, van de Participatiewet is geregeld
                    dat het college i.c. het dagelijks bestuur die de uitkering verstrekt, de
                    bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt
                    voor de hand dat het college/dagelijks bestuur bij de beslissing op dat verzoek
                    handelt analoog aan de regels die in de eigen verordening zijn vastgelegd.</al><al></al><al></al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. Deze behoeven geen
                    nadere toelichting.</al><al></al><tussenkop>Bezit</tussenkop><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de
                    waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden
                    beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan
                    uit geld als op geld waardeerbare goederen.</al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
                    Eventueel aanwezige schulden spelen geen rol en worden dus ook niet op het bezit
                    in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de
                    Participatiewet zijn hier niet van toepassing. Een belang-hebbende die vanwege
                    de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te
                    zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan
                    beschikken, volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te kunnen </al><al>voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin
                    bewoonde (eigen) woning.</al><al></al><tussenkop>Verrekenen</tussenkop><al>De Participatiewet en diens voorganger, de WWB, kent een ruimer begrip van
                    verrekenen dan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de
                    duidelijkheid is daarom een apartebegripsbepaling opgenomen in deze
                    verordening.</al><al></al><tussenkop>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</tussenkop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><al></al><tussenkop>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</tussenkop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het dagelijks bestuur slechts één maand zonder inachtneming van de
                    beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met
                    de beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken
                    over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, </al><al>eerste lid, van de Invorderingswet 1990.</al><al></al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten i.c.
                    de Dienst. Het volledig buiten </al><al>werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke
                    maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, omdat de
                    regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al></al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n, r of z, van de Participatiewet worden vrijgelaten voor
                    de algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                    bijstandsnorm, tellen deze inkomsten </al><al>echter gewoon mee. Het dagelijks bestuur laat deze inkomsten niet buiten
                    beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over
                    voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in het derde lid.</al><al></al><tussenkop>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt </al><al>geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4. Het gaat daarbij altijd om
                    individuele omstandigheden waaraan het dagelijks bestuur zal moeten
                    toetsen.</al><al></al><al>In onderdeel a is geregeld dat het dagelijks bestuur kan besluiten in afwijking
                    van de artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer
                    volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende
                    en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een </al><al>belanghebbende door de volledige verrekening op straat komt te staan, nu dit de
                    problematiek alleen maar verergert, met alle maatschappelijke kosten van
                    dien.</al><al></al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dusdanige
                    dringende reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt
                    uit het woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere
                    dringende redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het dagelijks bestuur
                    rekening houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende
                    redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts omincidentele gevallen, waarbij de
                    behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren
                    op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het
                    belanghebbende door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te
                    voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van
                    dringende redenen.</al><al></al><tussenkop>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</tussenkop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het dagelijks
                    bestuur die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel
                    5 dat de bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn. </al><al></al><al>Artikel 6. Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al></al><al> Artikel 7. Citeertitel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>