<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>355273_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Franekeradeel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Franekeradeel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-20</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">overheid.nl, 22-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie P-wet 2015 gemeente Franekeradeel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8, 1e lid, onderdeel b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="">wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, art. 34, 1e lid, onderdeel e</dcterms:source><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers, art. 34, 1e lid, onderdeel e</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Franekeradeel;</al><al></al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28
                        oktober 2014;</al><al></al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,
                        artikel 34, eerste lid onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en artikel 34, eerste lid,
                        onderdeel e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen werknemers;</al><al></al><al>besluit vast te stellen de Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW
                        en IOAZ 2015 Gemeente Franekeradeel</al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet, de Wet inkomens-voorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelf-standigen (IOAZ) en de Algemene
                                    wet bestuursrecht (Awb).</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks bestuur het dagelijks bestuur van de Dienst
                                            Sociale Zaken en </al><al> Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienst: de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                            Noardwest </al><al> Fryslân;</al></li><li nr="c."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al>e.tegenprestatie het verrichten van naar vermogen door
                                            het dagelijks bestuur opgedragen onbeloonde
                                            maatschappelijk nuttige werkzaam-heden, die worden
                                            verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en
                                            die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="f."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                            jaar;</al></li><li nr="g."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                            jaar;</al></li><li nr="h."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van
                                            een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                            hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving,
                                            waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                                            sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten
                                            voor elkaar overstijgt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur zendt periodiek, gelijktijdig met de beleidscyclus
                            aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het
                            beleid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als
                                tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze
                                verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke
                                aanvullende werkzaamheden het dagelijks bestuur in ieder geval kan
                                aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover
                                in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan een belanghebbende met een grote
                                    afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan een belanghebbende met een korte
                                    afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie
                                    opdragen indien bijzondere omstandigheden dat
                                    recht-vaardigen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid draagt het dagelijks bestuur
                                    geen tegenprestatie op aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk
                                            verricht dat naar aard enomvang minimaal vergelijkbaar
                                            is met een tegenprestatie als bedoeld in deze
                                            verordening;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende die aantoonbaar mantelzorg verricht
                                            voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het
                                            oordeel van het dagelijks bestuur redelijkerwijs
                                            noodzakelijk is.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het dagelijks
                                    bestuur rekening met devolgende factoren: </al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden
                                            verricht door een belang hebbende;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van een belanghebbende worden in aanmerking
                                            genomen;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                            belanghebbende worden in overweging genomen;</al></li><li nr="d."><al>als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten
                                            verricht, anders danbedoeld in het derde lid, wordt
                                            daarmee rekening gehouden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van maximaal
                                    twaalf maanden.</al></li><li nr="2."><al>Na de periode als genoemd in het eerste lid wordt de duur
                                    verlengd met 12 maandennadat het dagelijks bestuur heeft
                                    beoordeeld of de omstandigheden en situatie van de
                                    belanghebbende verder onveranderd zijn gebleven.</al></li><li nr="3."><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor gemiddeld acht uren per
                                    week.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur draagt geen tegenprestatie op indien geen
                                    werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als
                                    tegenprestatie. </al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan werkzaamheden als tegenprestatie
                                    opdragen die zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen verricht
                                    worden.</al></li><li nr="3."><al>Indien het dagelijks bestuur geen tegenprestatie opdraagt omdat
                                    geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het dagelijks
                                    bestuur binnen zes maanden of op dat moment wel werkzaamheden
                                    voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als
                                    tegenprestatie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie P-wet
                            2015 gemeente Franekeradeel. </al><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente op 27
                        november 2014.</al><al>De voorzitter, De griffier,</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen
                    een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct
                    samenhangt met arbeids-inschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of
                    ouder doch jonger dan de pensioen-gerechtigde leeftijd is vanaf de dag van
                    melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is
                    vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet.
                    Detegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college .i.c.
                    het dagelijks bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die
                    niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al></al><tussenkop>Individuele omstandigheden </tussenkop><al>Het dagelijks bestuur bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en
                    devoorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                    de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het dagelijks bestuur de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                    nemen. Als het dagelijks bestuur een tegenprestatie vraagt van belanghebbende,
                    moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                    Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke
                        <onderstreept>tegenprestatie </onderstreept>van hem verwacht wordt (zie
                    Rechtbank Zeeland-West-Brabant </al><al>25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al></al><tussenkop>Geen tegenprestatie </tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    dagelijks bestuur in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                    plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet).</al><al></al><tussenkop>Afstemmen </tussenkop><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de afstemmingsverordening.</al><al></al><tussenkop>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </tussenkop><al>De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om een belanghebbende te verplichten
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te </al><al>behouden. Dit zijn volgens de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de
                    kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p.
                    29).</al><al></al><al><cursief>Tegenprestatie is geen
                            re-<onderstreept>integratie-instrument</onderstreept></cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te </al><al>bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn
                    aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als
                    re-integratieinstrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van
                    passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet </al><al>belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk boven uitkering.</al><al></al><tussenkop>Verordeningsplicht </tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstands-uitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordenings-opdracht is neergelegd in
                    artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de </al><al>gemeente i.c. de dienst om de duur, omvang en inhoud van de tegenprestatie te
                    regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).</al><al></al><tussenkop>Ontwikkelen beleid c.q. beleidsregels door het dagelijks bestuur </tussenkop><al>Het dagelijks bestuur heeft de opdracht beleid c.q. beleidsregels te ontwikkelen
                    ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan
                    overeenkomstig de verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste
                    lid, onderdeel c, van de Participatiewet.</al><al></al><al> Artikelsgewijze toelichting</al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al></al><tussenkop>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </tussenkop><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                    'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor
                    deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de
                    mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van
                    deze verordening.</al><al></al><tussenkop>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </tussenkop><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                    'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is
                    voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de
                    mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van
                    deze verordening.</al><al></al><tussenkop>Mantelzorg </tussenkop><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begrips-bepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige
                    zorg die niet in het kader van een hulpverlenend </al><al>beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe
                    omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie
                    en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip
                    'mantelzorg' is van belang omdat artikel 4 van deze verordening bepaalt dat het
                    dagelijks bestuur geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende
                    mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel
                    van het dagelijks bestuur redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken
                    van mantelzorg zijn: </al><lijst><li nr="·"><al> er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener; </al></li><li nr="·"><al> mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;</al></li><li nr="·"><al> het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al></li><li nr="·"><al> het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al><al></al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                    169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr.
                    C.</al><al></al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                    Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of
                    sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke
                    zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het
                    protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat Protocol als volgt
                    omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende
                    kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een
                    gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                    verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. </al><al></al><tussenkop>Artikel 2. Verslag over beleid </tussenkop><al>Het dagelijks bestuur zendt periodiek (bijvoorbeeld gelijktijdig met de
                    beleidscyclus) aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het
                    beleid inzake het opdragen van een tegenprestatie.</al><al></al><tussenkop>Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie </tussenkop><al>Het dagelijks bestuur bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en
                    de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                    de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het dagelijks </al><al>bestuur de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 3 van
                    deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de
                    tegenprestatie. Het dagelijks bestuur dient maatwerk toe te passen bij het
                    opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de
                    individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder</al><al>leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke
                    omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het
                    is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te
                    verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Als het dagelijks bestuur een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het
                    een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet
                    voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenpresatie van hem wordt
                    verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al></al><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    </cursief>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                    tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die
                    additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader
                    van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van </al><al>werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het
                    onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder
                    meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het
                    bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p.
                    30).</al><al></al><tussenkop>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </tussenkop><al>Het dagelijks bestuur kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                    additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                    werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze verordening
                    genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                    werkzaamheid: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet is bedoeld als
                                <onderstreept>re-integratie-instrument;</onderstreept></al></li><li nr="c."><al>wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                            organisatie waarin deze</al><al> worden verricht; en </al></li><li nr="d."><al>niet leidt tot verdringing.</al></li></lijst><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                    tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                    32 815, nr. 3, p. 14). </al><al>In beleidsregels kan het dagelijks bestuur vastleggen welke werkzaamheden in
                    ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede lid, van
                    deze verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid,
                    van deze verordening gestelde </al><al>voorwaarden.</al><al>Omdat de werkzaamheden additioneel zijn en niet mogen leiden tot verdringing op
                    de arbeidsmarkt, kunnen veel werkzaamheden niet als tegenprestatie worden
                    ingezet. </al><al></al><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties: </cursief>De dienst kan
                    voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden samenwerken met
                    maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor
                    te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                    is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke
                    organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan
                    een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te bepalen. </al><al></al><tussenkop>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </tussenkop><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegen-prestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als
                        re<onderstreept>-integratie-instrument</onderstreept>. Het betreffen
                    werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en
                    die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere
                    werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                    uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr.
                    3, p. 14).</al><al></al><tussenkop>Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie </tussenkop><al>Het dagelijks bestuur heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                    Het dagelijks bestuur bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie
                    wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan
                    bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). </al><al>In artikel 4, eerste en tweede lid, van deze verordening is neergelegd dat het
                    dagelijks bestuur in beginsel uitsluitend aan personen met een lange afstand tot
                    de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdraagt. Aan personen met een korte afstand
                    tot de arbeidsmarkt kan uitsluitend een tegenprestatie worden opgedragen indien
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Personen met een korte afstand tot
                    de arbeidsmarkt dienen zich immers volledig te richten op re-integratie. Het is
                    denkbaar dat het wenselijk is dat ook aan personen met een korte afstand tot de
                    arbeidsmarkt een tegenprestatie op te dragen. </al><al></al><tussenkop>Tegenprestatie opdragen aan personen met lange afstand tot arbeidsmarkt </tussenkop><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het dagelijks
                    bestuur een tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een
                    belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit impliceert
                    dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben geen
                    tegenprestatie wordt opgedragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
                    Zie artikel 1 van deze verordening voor de begrippen korte en grote afstand tot
                    de arbeidsmarkt. </al><al>De gemeenteraad heeft hiervoor gekozen opdat personen met een korte zich
                    volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het
                    naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met een
                    korte afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat hun
                    inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. </al><al>Daarom wordt in beginsel aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    geentegenprestatie opgedragen. De tegenprestatie mag immers het accepteren van
                    passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren aangezien werk
                    boven uitkering als uitgangspunt geldt. Aan personen met een lange afstand tot
                    de arbeidsmarkt kan het dagelijks bestuur wel een tegenprestatie opdragen. </al><al></al><tussenkop>Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt </tussenkop><al>Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het dagelijks bestuur
                    een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie
                    kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen
                    re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het verrichten
                    van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden
                    verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie op te leggen.</al><al></al><tussenkop>Geen tegenprestatie </tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    dagelijks bestuur in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                    plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). </al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing
                    op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld
                    in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet) De </al><al>verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande
                    ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste
                    lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de
                    Participatiewet).</al><al>In het derde lid is bepaald dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een
                    belang-hebbende vrijwilligerswerk of mantelzorg verricht en het dagelijks
                    bestuur het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering
                    heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met
                    betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of
                    sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip
                    mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een
                    belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten
                    van mantelzorg volgens het dagelijks bestuur redelijkerwijs noodzakelijk, dan
                    draagt het dagelijks bestuur een belanghebbende geen tegenprestatie op.</al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het dagelijks bestuur
                    kan ook besluiten vrijwilligerswerk aan te merken als tegenprestatie. Hierbij
                    moet wel rekening worden gehouden met de minimale en maximale duur van de
                    tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 5 van deze verordening. De aard van
                    het vrijwilligerswerk speelt hierbij een rol. </al><al>Onder vrijwilligerswerk wordt in het algemeen verstaan: werk dat in enig verband
                    onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving
                    (vergelijk TK 2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2). </al><al></al><tussenkop>Weigering tegenprestatie </tussenkop><al>Het dagelijks bestuur dient bij weigering van belanghebbende om de
                    tegenprestatie te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de
                    duur van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p.
                    29).</al><al></al><tussenkop>Factoren opdragen tegenprestatie </tussenkop><al>In artikel 4, vierde lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren
                    het dagelijks bestuur rekening moet houden bij het opdragen van een
                    tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht.</al><al><cursief><onderstreept>‘tegenprestatie 'naar
                    vermogen'</onderstreept></cursief>De werkzaamheden die als tegenprestatie
                    ingezet worden, moeten naar vermogen door een belanghebbende verricht kunnen
                    worden. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover
                    een belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet
                    alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen
                    aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al><cursief>‘<onderstreept>persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                            belanghebbende’</onderstreept></cursief>Bij het opdragen van de
                    tegenprestatie houdt het dagelijks bestuur rekening met de persoonlijke situatie
                    en individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder leeftijd,
                    opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr.
                    12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het
                    fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen van de
                    tegenprestatie dient het dagelijks bestuur maatwerk te leveren. Voorts wordt bij
                    opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden
                    zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al
                    maatschappelijke activiteiten verricht. </al><al><onderstreept>‘</onderstreept><cursief><onderstreept>persoonlijke wensen en
                            kwaliteiten belanghebbende’</onderstreept></cursief>Bij het opdragen van
                    de verplichting tot tegenprestatie houdt het dagelijks bestuur rekening met de
                    persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De regering vindt het
                    immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de keuze van de
                    activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). </al><al>Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te
                    verrichten werkzaamheden. Het dagelijks bestuur kan in beleidsregels bepalen
                    wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk
                    nuttige activiteit kenbaar maakt aan het dagelijks bestuur. Het dagelijks
                    bestuur beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan
                    besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden
                    in te zetten als tegenprestatie. </al><al>Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens
                    artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het
                    dagelijks bestuur is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een
                    belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt
                    belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het </al><al>dagelijks bestuur belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende
                    geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het dagelijks
                    bestuur een werkzaamheid op. Het is immers aan het dagelijks bestuur, en niet
                    aan een belang-hebbende, een tegenprestatie op te dragen aan
                    belanghebbende.</al><al><cursief><onderstreept>‘maatschappelijke activiteiten door
                            belanghebbende’</onderstreept></cursief>Het dagelijks bestuur houdt er
                    bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het eventuele
                    gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33
                    801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit
                    verricht, kan het dagelijks bestuur in bepaalde gevallen besluiten deze
                    maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de
                    omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe
                    leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de
                    tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                    voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een
                    gehandicapt kind. Het dagelijks bestuur beoordeelt de maatschappelijke
                    activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang. </al><al></al><tussenkop>Artikel 5. Duur en omvang van een tegenprestatie</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en
                    de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                    de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het dagelijks </al><al>bestuur de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 5 van
                    deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de
                    tegenprestatie.</al><al></al><tussenkop>Individuele omstandigheden </tussenkop><al>Het dagelijks bestuur beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van
                    een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                    betekent dat steeds een afweging wordt gemaakt op basis van de situatie in welke
                    mate een tegenprestatie </al><al>verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30). </al><al></al><tussenkop>Maximale duur tegenprestatie in dagen </tussenkop><al>Artikel 5, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximale duur van twaalf maanden. Uit het onderzoeksrapport "Voor wat hoort wat"
                    blijkt dat bij ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie
                    uitvoeren de gemiddelde duur korter is dan een half jaar en bij iets minder dan
                    de helft is de gemiddelde duur meer dan een half jaar. Het is van belang dat de
                    duur beperkt is. Het opdragen van de tegenprestatie tot aan het einde van de
                    uitkering is in ieder geval niet beperkt in duur en in omvang. </al><al>Het tweede lid, regelt dat de duur van het opdragen van een tegenprestatie na
                    een periode van twaalf maanden nogmaals met een periode van twaalf maanden
                    verlengd kan worden.</al><al></al><tussenkop>Maximale duur tegenprestatie in uren </tussenkop><al>Artikel 5, derde lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximaal aantal uren van gemiddeld 8 uren per week. </al><al></al><tussenkop>Artikel 6. Geen werkzaamheden voorhanden </tussenkop><al>De Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een
                    tegenprestatie te laten verrichten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51).
                    Desondanks kan het voorkomen dat werkzaamheden, die als een tegenprestatie
                    kunnen worden voorgedragen, zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen
                    voorhanden zijn.</al><al>Indien het dagelijks bestuur geen tegenprestatie oplegt omdat er zowel binnen
                    als buiten de eigen gemeentegrenzen geen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen zes maanden een heronderzoek
                    uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. Dit is geregeld
                    in artikel 6, tweede lid, van deze verordening. </al><al>Ter uitvoering hiervan dient te worden samengewerkt met omliggende gemeenten. </al><al></al><tussenkop>Artikel 7. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.</al><al></al><tussenkop>Artikel 8. Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>