<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>355262_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 gemeente Franekeradeel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Franekeradeel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-20</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">overheid.nl, 22-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 gemeente Franekeradeel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet , art. 8, 1e lid, aanhef en onderdeel b en 2e lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015</vet></al><al></al><al>De raad van de gemeente Franekeradeel;</al><al></al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28
                        oktober 2014;</al><al></al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                        Participatiewet;</al><al></al><al>overwegende dat het van belang wordt geacht om aan personen van 21 jaar of
                        ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een
                        laag inkomen hebben gehad, die geen in aanmerking te nemen vermogen als
                        bedoeld in artikel 34 bezitten, die geen uitzicht hebben op
                        inkomensverbetering en die tevens woonachtig zijn in de gemeente
                        Franekeradeel financieel te ondersteunen;</al><al></al><al>besluit vast te stellen de </al><al></al><al><vet>Verordening indviduele inkomenstoeslag Gemeente Franekeradeel</vet></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Dienst
                                        Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienst: de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest </al><al> Fryslân;</al></li><li nr="c."><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van
                                        de </al><al> Participatiewet, en de algemene bijstand;</al></li><li nr="d."><al>peildatum: datum waarop een persoon individuele
                                        inkomenstoeslag </al><al> aanvraagt;</al></li><li nr="e."><al>referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de
                                        peildatum.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>De aanvraag en de voorwaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
                            Participatiewet, wordt ingediend door middel van een door het dagelijks
                            bestuur vastgesteld aanvraagformulierformulier en onder overlegging van
                            de op het aanvraagformulier genoemde bescheiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                            eerste lid, van deParticipatiewet als gedurende de referteperiode het in
                            aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 105% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 237,00 voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>€ 305,00 voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>€ 339,00 voor gehuwden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                                Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd
                                overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex
                                volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden
                                naar boven afgerond op hele euro’s.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Onvoorziene gevallen</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan in die gevallen waarin deze verordening niet
                            voorziet op grond van individuele bijzondere omstandigheden afwijkend
                            beslissen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            inkomenstoeslag 2015 gemeente Franekeradeel</al><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente op 27
                        november 2014.</al><al></al><al>De voorzitter, De secretaris,</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ToelichtingAlgemeen</titel></kop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een </al><al>bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015
                    vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is
                    het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een
                    discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college i.c. het dagelijks
                    bestuur een individuele inkomenstoeslag kan </al><al>verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het dagelijks
                    bestuur kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen
                    voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben
                    op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen aan
                    wie in de referteperiode een maatregel is</al><al>opgelegd wegens een schending van een arbeidsverplichting of een
                    re-integratieverplichting of aan personen die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs volgen.</al><al></al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen hoger dan 105% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij
                    verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het
                    dagelijks bestuur kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer
                    sprake is van 'geen uitzicht op inkomens-verbetering'. Gelet op de tekst van
                    artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden
                    vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen
                    uitzicht op inkomensverbetering' moet het dagelijks bestuur rekening houden met
                    de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de
                    Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden
                    gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al><al></al></li></lijst><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder </al><al>verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet
                    voorziet in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de
                    Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet
                    Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De individuele
                    inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers toegekend
                    tegen een peildatum. Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen betekenis
                    voor het recht op een dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen vóór1 januari
                    2015 op basis van de toepasselijke verordening recht had op
                    langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de
                    voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van de
                    Participatiewet en deze verordening. Toekenning van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag op een datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend
                    mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel 36 van de Participatiewet en deze
                    verordening opgenomen voorwaarden.</al><al></al><tussenkop>Wijziging leefvorm</tussenkop><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande </al><al>moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de
                    referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in
                    aanmerking te komen. </al><al>Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden
                    voldoen.</al><al></al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet of Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al></al><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                    Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                    beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                    genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                    worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                    bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte
                    individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de
                    vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder
                    verstrekte individuele inkomens-toeslag in aanmerking te nemen als inkomen,
                    omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in
                    de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                    verstrekte </al><al>langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1 januari
                    2015.</al><al></al><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen
                    heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de
                    omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De
                    peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en
                    de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><al></al><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode
                    van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel
                    3 onder ‘Langdurig’.</al><al></al><tussenkop>Artikel 2. Indienen verzoek</tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet
                    dusdaniggewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
                    inkomenstoeslag kanindienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op
                    aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een
                    persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag
                    dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier. Een verzoek
                    wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb.
                    Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt
                    ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de
                    aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt
                    gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de
                    gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en
                    waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid,
                    van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als
                    een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet.</al><al></al><tussenkop>Artikel 3. Langdurig laag inkomen</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.</al><al></al><tussenkop>Langdurig </tussenkop><al>De door het algemeen bestuur vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peil-datum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 van deze verordening.</al><al></al><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 105% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 105% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van
                    dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen van een persoon
                    gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm
                    maandelijks met een gering bedrag te boven, dan is geen sprake meer van een
                    marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een
                    individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een
                    incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen
                    bedragen van enkele eurocenten. In nadere regelgeving wordt het begrip een
                    gering bedrag nader omschreven.</al><al></al><tussenkop>Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen eenalleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. </al><al></al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele
                    inkomenstoeslag.</al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                    partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om
                    een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                    Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in </al><al>aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                    alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede
                    lid.</al><al></al><tussenkop>Indexering</tussenkop><al>In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt
                    dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie
                    van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk
                    te communiceren.</al><al></al><tussenkop>Artikel 5. Onvoorziene gevallen</tussenkop><al>In deze verordening zijn de hoofdlijnen voor de inkomenstoeslag vastgelegd. Er
                    kunnen zich echter concrete situaties voordoen waarin deze verordening niet
                    voorziet. Dit artikel bepaalt dat het dagelijks bestuur in dergelijke situaties
                    beslist in afwijking van deze verordening. </al><al>Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de
                    geest van de wet en de verordening gehandeld te worden.</al><al></al><tussenkop>Artikel 6. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                    verordenings-opdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de
                    verordening vast te stellen over het verlenen van een individuele
                    inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 7. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>