<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>349794_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet Menterwolde 2014. </dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Menterwolde</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-24</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-10786.htm">Gemeenteblad Jaargang 2015 Nr. 10786</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet Menterwolde 2014. </dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0015703">artikel 6, tweede lid en 8a, eerste lid, aanhef en onderdelen a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Menterwolde;</al><al>gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en wethouders;</al><al></al><al>gelet op de artikelen artikel 6, tweede lid en 8a, eerste lid, aanhef en
                        onderdelen a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de
                        Participatiewet; </al><al></al><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient vast te stellen
                        over:</al><lijst><li nr="1."><al>het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
                                voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid, onderdeel a en 10, eerste lid, Participatiewet;</al></li><li nr="2."><al>de scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid,
                                Participatiewet (participatieplaatsen);</al></li><li nr="3."><al>de (stimulerings)premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid,
                                Participatiewet (participatieplaatsen);</al></li><li nr="4."><al>het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld
                                in artikel 10b Participatiewet.</al></li></lijst><al></al><al></al><al>B E S L U I T :</al><al></al><al>vast te stellen de :</al><al></al><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet Gemeente Menterwolde
                            2014</vet></al><al></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="b."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="c."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="d."><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de IOAW en de IOAZ.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>BELEID EN FINANCIËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 6, aanbieden aan
                                personen die behoren tot de doelgroep met een
                                    <cursief>korte</cursief> afstand tot de arbeidsmarkt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 8,
                                aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een
                                    <cursief>grote</cursief> afstand tot de arbeidsmarkt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="a)"><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en:</al></li><li nr="b)"><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college laat zich in de keuze om de mogelijkheden van de
                                ondersteuning en het aanbieden van een voorziening leiden door:</al><lijst><li nr="a)"><al>de kortste weg naar werk;</al></li><li nr="b)"><al>de doelmatigheid; </al></li><li nr="c)"><al>de beschikbare middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                                voorzieningen of doelgroepen. Een door het college vastgesteld
                                subsidie- of budgetplafond is een weigeringsgrond bij aanspraak op
                                een voorziening of ondersteuning. Het college kan een maximum
                                verbinden aan aantal personen en/of kosten per persoon. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening nadere
                                regels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder
                                ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan
                                aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover
                                in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a)"><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als
                                bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37
                                van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van
                                de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen niet nakomt; </al></li><li nr="b)"><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot
                                de doelgroep;</al></li><li nr="c)"><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                                van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het
                                betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
                                a, onder 2°, van de wet; </al></li><li nr="d)"><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="e)"><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; </al></li><li nr="f)"><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li><li nr="g)"><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan
                                de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                aanmerking te komen voor die voorziening. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                    arbeidsinschakeling aanbieden als deze: </al><lijst><li nr="a)"><al>behoort tot de doelgroep, en: </al></li><li nr="b)"><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot
                                    de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                    leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></li><li nr="3."><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></li><li nr="4."><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                    vastgelegd: </al><lijst><li nr="a)"><al>het doel van de werkstage, en:</al></li><li nr="b)"><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt;</al></li><li nr="c)"><al>de hoogte van een eventuele inleenvergoeding. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid niet bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, met inachtneming van hetgeen daarover in het
                                beleidsplan is bepaald, nadere regels opstellen met betrekking tot
                                het vragen van een inleenvergoeding. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
                            </al><lijst><li nr="a)"><al>het gaat de krachten en bekwaamheden van de persoon niet te boven,
                                en </al></li><li nr="b)"><al>het draagt bij aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces van de persoon. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                300,- per zes maanden , mits in die maanden tenminste 20 uur per
                                week werkzaamheden zijn verricht en mits er voldoende is meegewerkt
                                aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien belanghebbende additionele werkzaamheden verricht als bedoeld
                                in dit artikel kan het college bij degene in opdracht waarvan
                                belanghebbende deze werkzaamheden uitvoert, een bijdrage
                                (inleenvergoeding) in rekening brengen. Deze vergoeding is maximaal
                                de kosten van de bruto uitkering vermeerderd met de uitvoerings- en
                                begeleidingskosten in verband met deze additionele
                                werkzaamheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met Werk &amp;
                                Inkomen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Beschut werk vindt bij voorkeur plaats in samenwerking met de WMO en
                                andere participanten binnen het sociaal domein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of </al></li><li nr="b."><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. Persoonlijke ondersteuning wordt in
                            ieder geval aangeboden als de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet ontvangt of als
                            de persoon die op een detacheringsbaan werkzaam is, behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie in de zin van artikel 6, eerste lid,
                            onderdeel e, van de wet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:
                                </al><lijst><li nr="a)"><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                    arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; </al></li><li nr="b)"><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort
                                    tot de doelgroep; </al></li><li nr="c)"><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                    heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                    ontvangt; </al></li><li nr="d)"><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en:</al></li><li nr="e)"><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="a)"><al>het loon van de werknemer tot 100% van het minimumloon
                                    inclusief een vakantietoeslag van 8%, en: </al></li><li nr="b)"><al>15% boven de dekking voor extra werkgeverslasten. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, heeft de
                                    gemeente een verzekering afgesloten bij Centraal Beheer Achmea en treedt op
                                    als verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever. </al></li><li nr="4."><al>Het college verstrekt de no-riskpolis eerst tot een periode van
                                    twaalf maanden na indiensttreding van de werknemer bij de werkgever en
                                    daaropvolgend voor de periode zolang de dienstbetrekking in stand blijft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers
                                die met een kwetsbare of gehandicapte werknemer een
                                arbeidsovereenkomst sluiten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie bedraagt ten hoogste 70% van de loonkosten
                                gedurende een periode van maximaal twaalf maanden. Deze periode kan
                                wederom en telkens weer aansluitend verlengd worden tot maximaal
                                twaalf maanden ten behoeve van de kwetsbare werknemer. Hierbij wordt
                                de verlengingsduur telkens afhankelijk gemaakt van de loonwaarde.
                                Bij verlenging met twaalf maanden wordt de loonwaarde opnieuw
                                bepaald. Voor de gehandicapte werknemer bedraagt deze ten hoogste
                                70% van de loonkosten gedurende de gehele arbeidsperiode. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: </al><lijst><li nr="a)"><al>voorafgaand aan de indienstneming gedurende twaalf maanden geen
                                reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; </al></li><li nr="b)"><al>geen startkwalificatie bezit; </al></li><li nr="c)"><al>ouder is dan 27 jaar , of:</al></li><li nr="d)"><al>alleenstaande ouder is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen
                                verdringing plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond
                                van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Loonkostensubsidie voor personen met een arbeidsbeperking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a)"><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in
                                artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b)"><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk
                                minimumloon te verdienen, en:</al></li><li nr="c)"><al>die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het<vet></vet>Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het
                                college met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie. Zij neemt daarbij de in het tweede lid
                                neergelegde criteria in acht<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gebruikt de omschreven methode zoals vastgesteld in de
                                verordening loonkostensubsidie Participatiewet Menterwolde om de
                                loonwaarde van een persoon vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Werk &amp; Inkomen adviseert het college met betrekking tot de
                                vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Zij neemt daarbij de
                                omschreven methode in acht zoals vastgesteld in de verordening
                                loonkostensubsidie Participatiewet Menterwolde.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt
                                afwijken van het bepaalde bij of krachtens deze verordening indien
                                toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                                aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Reïntegratieverordening WWB Menterwolde 7a/1 van 19-01-2006 wordt
                                ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand, die moet
                                worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit deze
                                verordening voor de duur: </al><lijst><li nr="a."><al>van zes maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                verordening, </al><al> of:</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als bedoeld
                                in het eerste lid, onderdeel a. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt voortgezet.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand blijft van
                                toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld
                                in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                Participatiewet </al><al></al><al></al><al></al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Menterwolde 2014. </al><al> Muntendam, 30 oktober 2014</al><al> De raad voornoemd,</al><al> De voorzitter, De griffier</al><al> (E.A. van Zuijlen) (F.A.P. Grit)</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden. </al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening: </al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet); </al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet); </al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en </al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). </al><al></al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld. </al><al></al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al></al><al><cursief>Doelgroep </cursief>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals
                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft: </al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen; </al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b, 35,vierde lid,
                            onderdeel b, en 36,derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen
                            naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit
                            arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                            minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die
                            twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                            verleend; </al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;
                        </al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); </al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW);
                        </al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ);
                        </al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering; en, die voor de arbeidsinschakeling zijn
                            aangewezen op een door het college aangeboden voorziening. </al><al></al></li></lijst><tussenkop>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </tussenkop><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt.
                    Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening. </al><al></al><tussenkop>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </tussenkop><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening. </al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                    artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven. </al><al></al><tussenkop>Grote afstand tot arbeidsmarkt </tussenkop><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4 (voorzieningen
                    werkstages), 5 (sociale activering) en 8 (participatieplaats) aan personen aan
                    die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De
                    doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. </al><al></al><tussenkop>Korte afstand tot arbeidsmarkt </tussenkop><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 6 (detacheringsbaan)
                    aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                    arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. </al><tussenkop>Overige voorzieningen </tussenkop><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing (artikel 7),
                    beschut werk (artikel 9), ondersteuning bij leer-werktrajecten (artikel 10),
                    persoonlijke ondersteuning (artikel 11), no-riskpolis (artikel 12),
                    loonkostensubsidie (artikelen 13 en 15), uitstroompremies (artikel 14) en
                    loonwaarde (artikel 16). </al><al></al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen </tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, derde
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden. </al><al></al><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen </tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).
                    Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt. </al><al></al><tussenkop>Beëindigingsgronden </tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen. </al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid,
                    onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het
                    inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                    minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                    geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend. </al><al>Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
                    dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                    bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is
                    verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.1
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. </al><al></al><tussenkop>Artikel 4. Werkstage </tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst. </al><al></al><tussenkop>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring</tussenkop><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                    verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan
                    wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van
                    een vergoeding van gemaakte kosten. </al><al></al><tussenkop>Doelgroep aanbieden werkstage</tussenkop><al> Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage
                    aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is
                    vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een
                    afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 4,eerste
                    lid, onderdeel b, van deze verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake
                    als een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen
                    geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand
                    tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een
                    persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden
                    aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het
                    college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. </al><al></al><tussenkop>Doel van de werkstage </tussenkop><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. </al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. </al><al></al><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst </tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden
                    opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                    overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat
                    om een reguliere arbeidsverhouding. </al><al></al><tussenkop>Geen verdringing </tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen: </al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer; </al></li><li nr="-"><al>handicap; </al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen; </al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of </al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al><al></al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5. Sociale activering </tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. </al><al></al><tussenkop>Sociale activering </tussenkop><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt</al><al></al><tussenkop>Doelgroep sociale activering </tussenkop><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten
                    aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat
                    dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen
                    gebruik wordt gemaakt van een voorziening (artikel 5, eerste lid). </al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering .</al><al></al><tussenkop>College stemt duur activiteiten af op de persoon </tussenkop><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn. </al><al></al><tussenkop>Geen verdringing </tussenkop><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4. </al><al></al><tussenkop>Artikel 6. Detacheringsbaan </tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. Voor derde lid wordt
                    verwezen naar de toelichting bij het artikel over werkstages.</al><al></al><tussenkop>Artikel 7. Scholing </tussenkop><al></al><tussenkop>Startkwalificatie </tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een Havo of Vwo-diploma of een diploma
                    van het Middelbaar beroepsonderwijs (Mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><al></al><tussenkop>Jongeren </tussenkop><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a,
                    van de Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde
                    lid.</al><al></al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats
                    </cursief><cursief></cursief>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een
                    participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college
                    aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes
                    maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of
                    opleiding moet gericht zijn op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het
                    college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden
                    als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of
                    bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of
                    opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                    arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de
                    Participatiewet. Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening
                    participatieplaatsen. </al><al></al><tussenkop>Artikel 8. Participatieplaats </tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet en het eerste lid van artikel 8 van deze verordening. </al><al>Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. </al><al></al><tussenkop>Additionele werkzaamheden </tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a lid
                    9 van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of
                    de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel
                    10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de
                    participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de
                    participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt
                    voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de
                    participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk
                    bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar
                    verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te
                    worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt
                    opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de
                    Participatiewet). </al><al></al><tussenkop>Premie </tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is
                    gekozen voor een premie van telkens <cursief>€ 300,-</cursief> per zes maanden. </al><al></al><tussenkop>Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk </tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid). </al><al></al><tussenkop>Stap 1: voorselectie </tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de
                    beleidsregels moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom
                    is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in
                    een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit
                    criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen <cursief>c.q. het
                        Participatiebedrijf</cursief> advies inwinnen voor de beoordeling of de
                    geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al></al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al></al><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente </tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort ( artikel
                    9, tweede lid, van de Participatiewet). Alleen als sprake is van een
                    onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te
                    volgen.</al><al></al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk' </tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    aan het werk.</al><al></al><tussenkop>Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning </tussenkop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.10</al><al></al><tussenkop>Artikel 12. No-riskpolis </tussenkop><tussenkop>Gemeenten sluiten gezamenlijke een polis af voor werkgevers (Is een
                    keuze)</tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis. </al><al></al><tussenkop>Voorwaarden </tussenkop><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 maanden duurt
                    . </al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente. </al><al></al><tussenkop>Hoogte vergoeding </tussenkop><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot honderd procent van het minimumloon; </al></li><li nr="-"><al>vijftien procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten. </al><al></al></li></lijst><tussenkop>Contract met verzekeraar </tussenkop><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering afsluiten met Centraal Beheer Achmea. De gemeente treedt op als
                    verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde (derde lid). </al><al></al><tussenkop>Duur no-riskpolis </tussenkop><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot in eerste instantie 12 maanden na
                    indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. Daarna kan de inzet van de
                    polis worden verlengd zolang het dienstverband voortduurt. </al><al></al><tussenkop>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk </tussenkop><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn. </al><al></al><tussenkop>Artikel 13. Loonkostensubsidie </tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al></al><tussenkop>Compensatie </tussenkop><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit
                    dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald,
                    terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het
                    college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het
                    verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de </al><al>re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. In het eerste lid
                    is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen
                    loonkostensubsidie opgenomen. Een nadere uitwerking van de doelgroep is
                    opgenomen in het derde en vierde lid. </al><al></al><tussenkop>Geen verdringing </tussenkop><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4. De in artikel 13 van deze
                    verordening geregelde loonkostensubsidie moet worden onderscheiden van de
                    loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de
                    Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de
                    Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld
                    voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel 13 opgenomen
                    loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een
                    arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar
                    zijn. </al><al>Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan
                    personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                    staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel
                    e, van de Participatiewet en artikel 15 van deze verordening).</al><al></al><tussenkop>Artikel 14. Loonkostensubsidie voor personen met een
                    arbeidsbeperking</tussenkop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van
                            de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                            vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                            onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om
                    vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
                    Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke
                    wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of
                    loonkostensubsidie voor hen wordt. </al><al>In artikel 1, tweede lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen
                    worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid,
                    onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep
                    loonkostensubsidie vastgelegd.</al><al>Bij de vaststelling op iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie laat
                    het college zich adviseren door het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen. Het college draagt personen voor die zouden kunnen
                    behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie, het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen adviseert en neemt daarbij eveneens de in het tweede lid
                    neergelegde criteria in acht. Op basis van het advies beslist het college of
                    iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Alleen als sprake is van een
                    onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan besloten worden het advies niet
                    te volgen.</al><al></al><tussenkop>Artikel 15. Vaststelling loonwaarde</tussenkop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                    van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. Het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon (artikel 2,
                    tweede lid, van deze verordening). De vastgestelde loonwaarde legt het college
                    vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens
                    (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al>In artikel 2 wordt de methode die het college gebruikt om de loonwaarde van die
                    persoon te bepalen omschreven. </al><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college loonkostensubsidie
                    aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet.</al><al></al><tussenkop>Artikel 16. Intrekken oude verordening en overgangsrecht </tussenkop><al>In artikel 17 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de ‘oude’ re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor
                    een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 17,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    re-integratieverordening Wet werk en bijstand. Wordt niet meer aan die
                    voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als
                    een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment
                    van inwerkingtreding van deze verordening. </al><al></al><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen </tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de re-integratieverordening Wet werk en
                    bijstand worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van
                    deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een
                    voorziening wordt voortgezet (artikel 15, derde lid). Hierbij kan het college
                    rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening
                    ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een
                    dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van
                    de voorziening. Lopende </al><al>re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze
                    verordening worden afgerond conform de overeenkomst. </al><al></al><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk </tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de re-integratieverordening Wet
                    werk en bijstand of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12
                    maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers
                    niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de re-integratieverordening Wet werk en
                    bijstand van toepassing (artikel 15, vierde lid, van deze verordening).</al><al></al><tussenkop>Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel </tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>