<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>349277_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Bellingwedde 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bellingwedde</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-23</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.bellingwedde.nl/actueel/gemeenteberichten-streekblad_41585/toon-nieuwsbrief/berichten-streekblad-12-november-2014_13849.html ">Gemeenteberichten Streekblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Bellingwedde 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening individuele inkomenstoeslag</vet></al><al></al><al>De raad van de gemeente Bellingwedde;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september
                        2014;</al><al></al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                        Participatiewet;</al><al>gezien het advies van de Wmo-raad;</al><al></al><al>overwegende dat aan de burger of diens partner die langdurig een laag
                        inkomen heeft, waarbij er geen zicht is op een inkomensverbetering op grond
                        van eigen kracht en bekwaamheden en die een maatschappelijke bijdrage levert
                        een individuele toeslag kan worden toegekend;</al><al></al><al><vet><onderstreept>Besluit</onderstreept></vet></al><al>vast te stellen de: <vet>“Verordening individuele
                        inkomenstoeslag gemeente
                       Bellingwedde2015”.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                            Participatiewet, en de algemene bijstand;</al></li><li nr="-"><al>peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                            aanvraagt;</al></li><li nr="-"><al>referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum;
                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid,
                            van de Participatiewet is sprake als gedurende de referteperiode het in
                            aanmerking te nemen inkomen van een persoon niet hoger is dan 110
                            procent van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorwaarden individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent een individuele inkomenstoeslag toe, indien een
                            belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>langdurig een laag inkomen heeft;</al></li><li nr="b."><al>een maatschappelijke bijdrage levert of heeft geleverd in de vorm van
                            een tegenprestatie, zoals omschreven in de Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet gemeente Bellingwedde;</al></li><li nr="c."><al>in een periode van twaalf maanden niet eerder een individuele
                            inkomenstoeslag heeft ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>in de referteperiode de bijstand niet is verlaagd wegens een
                            gedraging van de tweede of derde categorie als bedoeld in artikelen 7,
                            onder b en c, en 8, onder b en c, van de Afstemmingsverordening
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Bellingwedde 2015 of wegens
                            schending van de verplichtingen, genoemd in artikel 18, vierde lid, van
                            de Participatiewet, en</al></li><li nr="e."><al>geen uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien: </al><lijst><li nr="a."><al>Het college op grond van de artikelen 6 en 7 van de Verordening
                            tegenprestatie Participatiewet gemeente Bellingwedde geen tegenprestatie
                            opdraagt of heeft opgedragen;</al></li><li nr="b."><al>de persoon blijvend niet in staat is naar vermogen een tegenprestatie
                            te verrichten, of</al></li><li nr="c."><al>de persoon gebruik maakt van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de Re-integratieverordening
                            Participatiewet Bellingwedde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op gedragingen die
                            hebben plaatsgevonden en verlagingen die zijn opgelegd voor het tijdstip
                            van inwerkingtreding van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar 40% van het
                            nettobedrag van de voor die persoon van toepassing zijnde
                            bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                            Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                        afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van deze
                        verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De verordening Langdurigheidstoeslag 2013 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslaglegging</titel></kop><al>Het college zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de
                        doeltreffendheid van de verordening. Het verslag bevat in ieder geval het
                        oordeel van de Wmo/Wwb-raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            inkomenstoeslag gemeente Bellingwedde 2015.</al><al></al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Bellingwedde d.d. 23 oktober 2014.</al><al></al><al>De voorzitter, De griffier,</al><al></al><al>J.F. Snijder-Hazelhoff P.D. Nap <vet></vet></al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><divisie><kop><label>Toelichting</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                            bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel
                            toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig
                            op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er
                            na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen
                            uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van
                            de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag
                            in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag
                            gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een
                            bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari
                            2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                            Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer,
                            maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een
                            individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de
                            voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke
                            groepen niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in
                            welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij
                            kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen aan wie in de
                            referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een
                            arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen die
                            uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><al></al><al><cursief>Vast te leggen regels in verordening</cursief></al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten.
                            Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die
                            langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden
                            van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel
                            36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels
                            vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag
                            als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in
                            ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven
                            aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze
                            verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger
                            dan 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij
                            verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden.
                            Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer
                            sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst
                            van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium
                            niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het
                            criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college
                            rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36,
                            tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden
                            in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                                    inkomensverbetering te komen.</al></li></lijst><al></al><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                            langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening
                            overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                            langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet
                            voorziet in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in
                            de Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de
                            Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari
                            2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                            langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken
                            die na de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een
                            dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op
                            basis van de toepasselijke verordening recht had op
                            langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet
                            aan de voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van
                            de Participatiewet en deze verordening. Toekenning van het recht op
                            individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen op of ná 1 januari
                            2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel 36 van
                            de Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al><al></al><al><cursief>Wijziging leefvorm</cursief></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een
                            persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het
                            geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij
                            over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden
                            aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode
                            aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in
                            aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als
                            afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier
                            behandeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al> Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                        gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing
                        op deze verordening.</al><al></al><al><cursief>Inkomen</cursief></al><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                        Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                        beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                        genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                        worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van
                        bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een
                        eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden
                        gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht
                        een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als
                        inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen
                        recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen
                        heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat
                        voor een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook
                        voor een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals
                        die luidde vóór 1 januari 2015.</al><al></al><al><cursief>Peildatum</cursief></al><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                        aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                        persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen
                        vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op
                        de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering
                        heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum
                        kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld
                        om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van
                        bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de
                        Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de
                        Participatiewet.</al><al></al><al><cursief>Referteperiode</cursief></al><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een
                        periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. </al><al>Het tweede lid schrijft voor wat onder ‘langdurig en laag inkomen’ wordt
                        verstaan. </al><al></al><al><cursief>Langdurig</cursief></al><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                        peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is
                        vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. </al><al></al><al><cursief>Laag inkomen</cursief></al><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 110% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet
                        dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
                        inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen
                        op aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een
                        persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een
                        aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1
                        Awb).</al><al></al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                        ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet
                        worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een
                        verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1
                        van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de
                        Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het
                        adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de
                        beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De
                        aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op
                        de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                        krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan
                        hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele
                        inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorwaarden individuele inkomenstoeslag</titel></kop><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet
                        hoger is dan het langdurig lage inkomen van 110% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale
                        overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen
                        van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke
                        bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5,00 of meer te boven, dan is geen
                        sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet
                        aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is
                        immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de
                        bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.</al><al></al><al><cursief>Maatschappelijke bijdrage in de vorm van een
                            tegenprestatie</cursief></al><al>Om voor de individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen, moet men aan
                        het college aantonen dat er een maatschappelijke bijdrage is verricht in de
                        vorm van een tegenprestatie voor de uitkering. Hierin is een link naar de
                        verordening Tegenprestatie Participatiewet. Het college beoordeelt of
                        voldoende aan de tegenprestatie is voldaan.</al><al></al><al><cursief>Overige voorwaarden</cursief></al><al>De individuele inkomenstoeslag kan slechts 1 keer per jaar worden
                        aangevraagd. Verder is deze toeslag aan te merken als een soort 'beloning'
                        voor goed gedrag; het leveren van een maatschappelijke bijdrage door het
                        verrichten van een tegenprestatie wordt beloond. Ook is het van belang dat
                        degene die in aanmerking wil komen voor de individuele inkomenstoeslag geen
                        verwijtbaar gedrag heeft getoond waardoor in de referteperiode de bijstand
                        is verlaagd -een maatregel is opgelegd- wegens zwaardere verwijtbare
                        gedragingen. Het betreft schending van de geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen, genoemd in artikel 18, vierde lid, van de
                        Participatiewet en gedragingen van de tweede en derde categorie als bedoeld
                        in artikelen 7, onder b en c, en 8, onder b en c, van de
                        Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ. </al><al></al><al>Het legaliteitsbeginsel brengt mee dat gedragingen die zijn begaan of
                        maatregelen die zijn opgelegd voor de inwerkingtreding van deze verordening
                        geen gevolgen kunnen hebben voor het recht op individuele inkomenstoeslag na
                        inwerkingtreding van de verordening (1 januari 2015). Daarom is in het derde
                        lid bepaald dat het eerste lid, onderdeel d, op voornoemde situaties niet
                        van toepassing is. </al><al></al><al>Het tweede lid schrijft voor dat het verrichten van een tegenprestatie geen
                        voorwaarde is voor de individuele inkomenstoeslag in de volgende
                        gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt of heeft
                                opgedragen, omdat de persoon mantelzorg verricht of geen
                                werkzaamheden voorhanden zijn, bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de
                                Verordening tegenprestatie Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>De persoon is blijvend niet in staat naar vermogen een
                                tegenprestatie te verrichten, of</al></li><li nr="-"><al>Een tegenprestatie is niet aan de orde, omdat de persoon al
                                gebruik maakt van een re-integratievoorziening. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><al>De hoogte is gebaseerd op de norm die geldt op het moment van aanvraag. De
                        norm is het bedrag dat iemand in een maand netto aan bijstand heeft
                        ontvangen (exclusief vakantietoeslag). Rekenvoorbeeld: norm excl. vt = €
                        900,-. Toeslag: 40% van 900 = € 360,-.</al><al></al><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                        tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. </al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Gehuwden</cursief></al><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                        inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de
                        peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de
                        voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één
                        van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op
                        individuele inkomenstoeslag.</al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                        inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                        artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                        partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat
                        hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van
                        de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als
                        slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze
                        rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag
                        naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou
                        gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>