<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta>
    <owmskern>
      <dcterms:identifier>333415_1</dcterms:identifier>
      <dcterms:title>Monumentenverordening gemeente Bellingwedde 2009</dcterms:title>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type>
      <dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bellingwedde</dcterms:creator>
      <dcterms:modified>2014-07-07</dcterms:modified>
    </owmskern>
    <owmsmantel>
      <dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Streekblad 13 november 2013</dcterms:isFormatOf>
      <dcterms:alternative>Monumentenverordening</dcterms:alternative>
      <dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:HTTP://WETTEN.OVERHEID.NL/BWBR0005416/TITELIII/HOOFDSTUKIX/ARTIKEL149/GELDIGHEIDSDATUM_07-07-2014">Artikel 149 Gemeentewet </dcterms:source>
      <overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy>
      <dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject>
      <dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights>
      <dcterms:issued>2009-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:HTTP://WETTEN.OVERHEID.NL/BWBR0004471/GELDIGHEIDSDATUM_07-07-2014#HOOFDSTUKII">Artikel 12, 14, 15, 38 Monumentenwet 1988</dcterms:source>
    </owmsmantel>
    <cvdripm>
      <overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-11-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum>
      <overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-06-25</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>
      <overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum>
      <overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft>
      <overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk>
      <overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving>
        <al>Geen</al>
      </overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving>
      <overheidrg:redactioneleToevoeging>
        <al>Geen</al>
      </overheidrg:redactioneleToevoeging>
    </cvdripm>
  </meta>
  <body>
    <intitule/>
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>MONUMENTENVERORDENING</al>
          <al>De raad van de gemeente Bellingwedde;</al>
          <al>gezien het voorstel van het college van 21 april 2009;</al>
          <al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988;</al>
          <al>besluit vast te stellen de volgende Monumentenverordening 2009 gemeente
                        Bellingwedde</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemeen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a.">
                <al>Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                            beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al>
                <lijst>
                  <li nr="-">
                    <al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                    betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al>
                  </li>
                  <li nr="-">
                    <al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                    zaak bedoeld onder 1;</al>
                  </li>
                </lijst>
              </li>
              <li nr="b.">
                <al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                            overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen
                            zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a;</al>
              </li>
              <li nr="c.">
                <al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven in
                            de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers;</al>
              </li>
              <li nr="d.">
                <al>monumentencommissie: de op basis van art.15, lid 1 Monumentenwet 1988
                            ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen
                            beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de
                            verordening en het monumentenbeleid;</al>
              </li>
              <li nr="e.">
                <al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder
                            de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan
                            beantwoorden;</al>
              </li>
              <li nr="f.">
                <al>programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld
                            en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van
                            archeologisch onderzoek.</al>
              </li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het gebruik van het monument</titel>
            </kop>
            <al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Groningen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Voorbescherming</titel>
            </kop>
            <al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 12 van
                            overeenkomstige toepassing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 2 maanden na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college beslist binnen 4 maanden na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen de in artikel
                                3:18 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde termijn.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel>
            </kop>
            <al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Intrekken van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al>
              <lijst>
                <li nr="a.">
                  <al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a,
                                sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht
                                te wijzigen;</al>
                </li>
                <li nr="b.">
                  <al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a,
                                sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een
                                dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Op de voorbereiding van een besluit om de aanvraag om vergunning als
                                bedoeld in artikel 10 is afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                                monumentencommissie voor advies.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien het college niet besluit binnen de (in artikel 3:18 Algemene
                                wet bestuursrecht) gestelde termijn, wordt de vergunning geacht te
                                zijn verleend.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Intrekken van de vergunning</titel>
            </kop>
            <al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a.">
                <al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige
                            opgave is verleend;</al>
              </li>
              <li nr="b.">
                <al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in artikel 10
                            niet naleeft;</al>
              </li>
              <li nr="c.">
                <al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig
                            hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te
                            wegen;</al>
              </li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Rijksmonumenten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                monumentencommissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Opgravingen en begeleiding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Bellingwedde onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet:</al>
              <lijst>
                <li nr="a.">
                  <al>het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld
                                in artikel 1 onder o, waarbij nadere regels worden gesteld ten
                                aanzien van het onderzoek.</al>
                </li>
                <li nr="b.">
                  <al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                aanpak als bedoel in artikel 1 onder e van deze verordening ter
                                goedkeuring aan het college te overleggen,.</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college advies
                                aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische
                                monumentenzorg.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Overige bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Schadevergoeding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of
                                zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste
                                behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar
                                billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in
                                relatie staat tot:</al>
              <lijst>
                <li nr="a.">
                  <al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld in
                                artikel 10 te verlenen;</al>
                </li>
                <li nr="b.">
                  <al>de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning
                                als bedoeld in artikel 10;</al>
                </li>
                <li nr="c.">
                  <al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                artikel 10, derde lid;</al>
                </li>
                <li nr="d.">
                  <al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 1, tweede lid, tweede
                                volzin.</al>
                </li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel
                                6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige
                                toepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>Strafbepaling</titel>
            </kop>
            <al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 10 en 14, eerste lid,
                            onder b van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de
                            tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Toezichthouders</titel>
            </kop>
            <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn de bij besluit van het college dan wel de burgemeester
                            aan te wijzen personen belast.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Intrekken oude regeling</titel>
            </kop>
            <al>De monumentenverordening, gemeente Bellingwedde, 16 juni 1994 wordt
                            ingetrokken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De op grond van de onder artikel 18 ingetrokken
                                monumentenverordening aangewezen en geregistreerde gemeentelijke
                                monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn
                                overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 18 ingetrokken verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21.</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als Monumentenverordening 2009
                            Gemeente Bellingwedde. </al>
            <al/>
            <al/>
            <al/>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 juni 2009.</al>
          <al>De voorzitter,</al>
          <al>De griffier,</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>
            <vet/>
          </al>
        </slotformulering>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <al>
          <vet>Artikelsgewijze toelichting</vet>
        </al>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemeen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>Sub a</al>
          <al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                            uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de
                            omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De
                            cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan
                            een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat
                            is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                            van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                            omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                            een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al>
          <al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim
                            te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar
                            archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan
                            het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of
                            meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig
                            monument voorkomt teneinde over een gemeentelijk monument te kunnen
                            spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al>
          <al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                            monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                            monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst
                            omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te
                            plaatsen.</al>
          <al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                            onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de
                            bescherming vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal
                            eenvoudig kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de
                            gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden
                            gebracht. Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel,
                            kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van de redengevende
                            omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het echter aan
                            gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                            wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van
                            aanvullende regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die
                            als gemeentelijk monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen
                            verdwijnen. Controle en handhaving van deze regelgeving zijn echter
                            nauwelijks mogelijk.</al>
          <al>Sub b</al>
          <al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                            aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst
                            heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve
                            handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing
                            tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker
                            om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie
                            ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 7.</al>
          <al>Sub c</al>
          <al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd
                            rijksmonument' in de gemeentelijke monumentenverordening op te nemen.
                            Deze verordening is namelijk een voorwaarde voor het verkrijgen door het
                            college van de bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop
                            van rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor
                            rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en met 21 van de
                            Monumentenwet 1988 van toepassing.</al>
          <al>Sub d</al>
          <al>Sinds de komst van de Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in
                            de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                            instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het
                            college. Normaal gesproken zou het dan ook het college zelf zijn, die
                            deze commissie instelt op grond van artikel 84 Gemeentewet. In de
                            monumentenverordening wordt echter door de raad bepaald dat een
                            monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het college. Dit vloeit
                            voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de
                            gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet
                            regelen die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen
                            als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De wetgever geeft hier
                            dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten
                            aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de
                            monumentencommissie door het college moet middels een apart
                            collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een
                            (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het college bij
                            het besluit tot instellen van een monumentencommissie gebruik te maken
                            van de VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is te
                            downloaden via de databank van de Sdu Uitgevers,
                            www.modelverordeningen.nl.</al>
          <al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                            monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de
                            monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren
                            over de toepassing van de Monumentenwet 1988 te adviseren aan het
                            college, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1, van
                            de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid
                            beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens
                            kan de monumentencommissie worden gecombineerd met een
                            welstandscommissie.</al>
          <al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven,
                            zodat deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere
                            toelichting behoeft zijn een tweetal begripsbepalingen die ten opzichte
                            van de voorgaande versie van de model monumentenverordening zijn
                            geschrapt. Het gaat om de volgende begrippen:</al>
          <al>het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer
                            deel uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat
                            het college ten behoeve van de aanwijzing tot monument een
                            bouwhistorisch onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing tot
                            monument kan de eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een
                            dergelijk onderzoek te verrichten, met name vanwege de kosten. Daarnaast
                            is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van de mogelijkheid om
                            binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk onderzoek
                            gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen is
                            binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De strenge eisen die
                            hieraan verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor slechts een
                            bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt
                            binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt binnengetreden
                            in het kader van toezicht op de naleving van de verordening. Het
                            ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij de
                            aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een woning is
                            aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente omtrent de
                            afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de
                            monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden
                            voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de
                            cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van de
                            aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De gemeente
                            bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                            noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te
                            komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de
                            omvang van de wijziging van het monument in relatie tot de omvang van
                            het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb
                            maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een
                            bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te
                            worden.</al>
          <al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                            dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels,
                            maakt het gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar
                            instrument. Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel 10
                            vragen om een vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een
                            monument (het draait hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing
                            heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel
                            noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een
                            bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer verplicht
                            stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                            bouwhistorisch onderzoek.</al>
          <al>Ook het kerkelijk monument keert niet terug in de modelverordening. Dit
                            op grond van het feit dat de wijze van aanwijzing niet wezenlijk anders
                            is dan voor reguliere (niet-kerkelijke) monumenten. De insteek van deze
                            modelverordening is namelijk dat gemeenten overleg voeren met de
                            eigenaar/gebruiker van het aan te wijzen object. Het bestaande (en
                            wellicht ook toekomstige) gebruik van het object moet daarbij worden
                            meegenomen, zodat op dit punt ook het wezenlijke belang van de
                            godsdienstuitoefening kan worden geborgd. Een speciale regeling voor
                            kerkelijke monumenten is daarmee niet noodzakelijk.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Het gebruik van een monument</titel>
          </kop>
          <al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de
                            eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze
                            gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het
                            object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf. In
                            toelichting bij artikel 1 is al kort aangegeven dat het gemeentelijk
                            kerkelijke monument niet als ‘specialis’ in deze model
                            erfgoedverordening is opgenomen. Het specifieke gebruik in het geval van
                            kerkgenootschappen, namelijk de erediensten, kan daarmee op grond van
                            deze bepaling worden gewaarborgd, zodat ook in die zin geen
                            afzonderlijke regeling voor gemeentelijke kerkelijke monumenten
                            noodzakelijk is.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel>
          </kop>
          <al>Lid 1</al>
          <al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                            monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De
                            aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                            gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve
                            handeling.</al>
          <al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing
                            worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                            opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk
                            gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De
                            aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert
                            immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het
                            monument.</al>
          <al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat
                            betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de
                            monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie
                            art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art.
                            10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale
                            onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen bouwvergunning is
                            vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te
                            perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving
                            zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot
                            monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk
                            deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan
                            zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere
                            onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor
                            wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                            monumentenvergunning is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                            bouwvergunning.</al>
          <al>Lid 2</al>
          <al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als
                            bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan
                            bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                            werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen
                            plaats.</al>
          <al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college
                            over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere
                            belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de
                            artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al>
          <al>Lid 3</al>
          <al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie
                            reeds op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing
                            als gemeentelijk monument in aanmerking.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Voorbescherming</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                            monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in
                            de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een
                            monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het
                            daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                            artikelen 10 tot en met 12 van deze verordening van toepassing zijn. Dat
                            betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure
                            tot beschermd gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken,
                            gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een gemeentelijke
                            monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde
                            wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan
                            motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                            consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming
                            dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al>
          <al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                            publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van
                            artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet
                            kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is
                            ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de
                            aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een
                            gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                            voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6 van deze
                            verordening.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de
                            monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing
                            moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden,
                            weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. In het kader van de
                            vermindering van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden
                            over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van de
                            termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                            minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al>
          <al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                            monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze
                            kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te
                            laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun
                            overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op
                            grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel
                            6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                            administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                            staan.</al>
          <al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit,
                            omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel>
          </kop>
          <al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een
                            afschrift van de inschrijving)van het college is voor alle aan het
                            monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel
                            belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook
                            te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b,
                            sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
                            zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op
                            een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                            verordening.</al>
          <al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                            bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al
                            bepaalt (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen
                            van geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op
                            grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te
                            ontvangen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel>
          </kop>
          <al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en
                            geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om
                            een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument
                            zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste
                            aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                            (aanwijzing).</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8.</nr>
            <titel>Wijziging van de aanwijzing</titel>
          </kop>
          <al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                            gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                            voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                            wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                            aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                            4).</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9.</nr>
            <titel>Intrekken van de aanwijzing</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is
                            het advies van de monumentencommissie nodig, tenzij sprake is van
                            spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke
                            monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn
                            gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college
                            van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt lid 3 dat
                            monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het
                            geval dat het object ook als rijksmonument is aangewezen en
                            geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en
                            registratie als monument.</al>
          <al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                            intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te
                            eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag
                            dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de
                            lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10.</nr>
            <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
          </kop>
          <al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis
                            met artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De artikelen 11 tot en
                            met 21 van de Wet juncto artikel 13 van deze verordening regelen de
                            vergunningverlening voor de wijziging van rijksmonumenten door het
                            college. In dit artikel gaat het derhalve alleen over gemeentelijke
                            monumenten. Het is verstandig de vergunningverlening voor rijks- en
                            gemeentelijke monumenten procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op
                            elkaar af te stemmen. Het is voor de aanvrager, maar ook voor de
                            behandelende gemeentelijke diensten en voor het college van praktische
                            betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs dezelfde weg worden
                            afgehandeld. </al>
          <al> Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is
                            van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens
                            geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een
                            aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke
                            gegevens zijn vereist. In dat kader kan (zoals reeds eerder is in de
                            algemene toelichting bij het geschrapte onderdeel van het bouwhistorisch
                            onderzoek) ook het overleggen van een rapportage met betrekking tot een
                            bouwhistorisch onderzoek als vereiste bij de vergunningaanvraag worden
                            opgenomen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de
                            omvang van de wijziging van het monument in relatie tot de omvang van
                            het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb
                            maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een
                            bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te
                            worden.</al>
          <al>In het kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers
                            dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt
                            mogelijk gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen
                            worden beperkt tot 1 exemplaar en kunnen bouw- en monumentenvergunning
                            ook op dit punt (indieningsvereisten) worden gecombineerd. Omdat een
                            monumentenvergunning verleend moet zijn voordat een bouwvergunning kan
                            worden afgegeven, is tijdwinst te behalen door, gelijktijdig met het
                            noodzakelijke adviseringstraject van de monumentencommissie en RACM, ook
                            het overleg over de bouwvergunning met de aanvrager te starten.</al>
          <al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college
                            om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van
                            het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid.
                            Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke
                            monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Met name het reguliere
                            onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers
                            niet voor relatief eenvoudige wijzigen (bijvoorbeeld met betrekking tot
                            kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden
                            geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen
                            dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen
                            vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het
                            toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een
                            monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden
                            opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                            geconfronteerd.</al>
          <al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen)
                            kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het
                            kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de
                            bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te
                            staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg staat centraal bij dit
                            artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een
                            medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met
                            de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de
                            hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object
                            niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11.</nr>
            <titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel>
          </kop>
          <al>De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is niet alleen van
                            toepassing op de verlening van de monumentenvergunning voor
                            rijksmonumenten op grond van de Aanpassingswet uniforme openbare
                            voorbereidingsprocedure Awb (UOV), Stb. 2005, 282. Complicerend is dat
                            voor bouwvergunningen de UOV niet is voorgeschreven. In deze verordening
                            is ervoor gekozen om deze procedure ook van toepassing te verklaren voor
                            de verlening van een monumentenvergunning voor gemeentelijke monumenten.
                            Dit houdt in dat de aanvraag niet meer ter inzage wordt gelegd, maar een
                            ontwerpbesluit (de vergunning in concept) eerst verzonden wordt naar de
                            aanvrager (Awb artikel 3:13), vervolgens gepubliceerd wordt (een aantal
                            zaken moet in de publicatie vermeld worden, zie Awb art 3:12), en ten
                            slotte zes weken ter inzage gelegd wordt (Awb artikel 3:11 en 3:16). </al>
          <al> Als er zienswijzen binnenkomen, dan wordt de aanvrager zo nodig in de
                            gelegenheid gesteld te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen
                            (Awb artikel 3:15, derde lid). De verwerking van de zienswijzen in het
                            definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van de
                            vergunningaanvraag plaatsvinden. Als er geen zienswijzen zijn
                            binnengekomen, dan moet dit zo snel mogelijk na het verstrijken van de
                            termijn voor de ter inzagelegging gepubliceerd worden en neemt het
                            dagelijks bestuur het definitieve besluit binnen vier weken na het einde
                            van deze termijn (Awb artikel 3:18, vierde lid).</al>
          <al>Van de mogelijkheid om de besluitvorming te verdagen met een redelijke
                            termijn kan alleen in de eerste acht weken van de proceduretermijn
                            gebruik gemaakt worden, als de aanvraag een zeer ingewikkeld of
                            omstreden onderwerp betreft én de aanvrager in de gelegenheid gesteld is
                            hierover zijn zienswijze kenbaar te maken (Awb artikel 3:18, tweede
                            lid).</al>
          <al>De beoordelingstermijn is krap. Het verdient dan ook aanbeveling op
                            basis van een schetsplan overleg te plegen voordat de vergunningaanvraag
                            wordt ingediend.</al>
          <al>De terzagelegging van de aanvraag en de mogelijkheid van bezwaar tegen
                            het definitieve besluit zijn gecombineerd in het ter inzage leggen van
                            een ontwerpbesluit, waarop zienswijzen kunnen worden ingebracht. Omdat
                            de mogelijkheid is opgenomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te
                            dienen, is tegen het definitieve besluit alleen nog maar beroep
                            mogelijk. Een volgende beperking is dat alleen de aanvrager en
                            belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht
                            (Awb 3:41 en 3:43) of belanghebbenden die een goede reden hebben geen
                            zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13) beroep kunnen
                            instellen.</al>
          <al>De totale termijn van zes maanden spoort niet met die voor de
                            bouwvergunning. Het vereist (en het niet verleend) zijn van een
                            gemeentelijke monumentenvergunning is een grond voor de weigering van de
                            bouwvergunning (art 44 sub e Woningwet). Wanneer een
                            monumentenvergunning is aangevraagd en daarop niet is beslist (of deze
                            is geweigerd), zal de bouwvergunning dus tijdig geweigerd moeten worden.
                            Nadrukkelijk moet erop worden gewezen dat in de Woningwet alleen een
                            aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten is opgenomen
                            (artikel 54 Woningwet). Om niet gedurende de lopende monumentenprocedure
                            de bouwvergunning te moeten weigeren kan de aanvrager van de monumenten-
                            en bouwvergunning het beste de aanvraag bouwvergunning pas later
                            indienen. Laat het college de termijn voor de verlening van de
                            bouwvergunning verlopen, dan is de bouwvergunning van rechtswege
                            verleend, omdat de Woningwet boven de monumentenverordening gaat. Er mag
                            echter pas gebruik gemaakt worden van de bouwvergunning als ook de
                            monumentenvergunning is verleend.</al>
          <al>In het vierde lid wordt bij niet tijdige besluitvorming door het college
                            de vergunning geacht te zijn verleend. Indien het behoud van monumenten
                            een van de meest wezenlijke speerpunten van een gemeente is en men dus
                            niet van rechtswege vergunningen wil verlenen, kan in het artikel
                            ‘verleend’ worden vervangen door ‘geweigerd’. Let wel, indien voor deze
                            benadering wordt gekozen, wordt het belang van het behoud van het
                            monument duidelijk geplaatst boven het belang van de burger om het
                            object te wijzigen. Dit geeft het college meer lucht bij de
                            besluitvorming, maar is voor de aanvrager erg frustrerend en verhoogd de
                            administratieve lasten.</al>
          <al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd
                            en opengesteld voor beroep. De werking van de vergunning wordt
                            opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of als er beroep is
                            ingesteld, op het beroep is beslist. Titel 8.3 van de Awb is van
                            overeenkomstige toepassing.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12.</nr>
            <titel>Intrekken van de vergunning</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te
                            trekken. De bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de
                            omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument
                            wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                            belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                            behoren voor te gaan. In dat geval moet het college mogelijkheden hebben
                            om de vergunning in te trekken.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Rijksmonumenten</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13.</nr>
            <titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel>
          </kop>
          <al>Lid 1</al>
          <al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                            rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet
                            1988 en afdeling 3.4 van de Awb. De Rijksdienst voor Archeologie
                            Cultuurhistorisch landschap en Monumenten (hierna: RACM) en, buiten de
                            bebouwde kom, ook Gedeputeerde Staten (hierna: GS) moeten binnen twee
                            maanden na verzending van de adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet
                            1988, artikel 16.2). Het definitieve besluit moet binnen vier maanden na
                            ontvangst van het laatste van de adviezen van RDMZ en GS plaatsvinden
                            (Monumentenwet 1988, artikel 16.3). Op het definitieve besluit kan nog
                            slechts door een beperkt groep van belanghebbende beroep worden
                            ingesteld (zie de toelichting bij artikel 11).</al>
          <al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende
                            wijzen invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de
                            rijksdienst zal ingaande 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn.
                            Daarom wordt de verplichte advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van
                            de Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de
                            ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning’ los
                            gelaten. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en
                            herbestemming van een rijksmonument zal de adviesplicht van toepassing
                            blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het advies van de
                            rijksdienst zullen alle gemeenten ingaande 2009 een monumentencommissie
                            moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is. Het
                            overgangsartikel 64 in de monumentenwet, waarin de rijksdienst bij
                            afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, wordt
                            ingetrokken. Indien het monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                            college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te
                            zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht
                            invullen en al dan niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee
                            maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS reeds op voorhand kenbaar
                            maakt in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst
                            ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al>
          <al>Leden 2 en 3</al>
          <al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                            aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te
                            voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies
                            van de monumentencommissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de
                            vergunning, is in lid 3 bepaald dat de monumentencommissie geacht wordt
                            te hebben geadviseerd na het verstrijken van de in lid 2 gestelde
                            adviestermijn.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14.</nr>
            <titel>Opgravingen en begeleiding</titel>
          </kop>
          <al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                            functioneren indien een gemeente hierover actief de archeologische
                            onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in
                            haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide
                            regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk
                            grondgebied. Indien een dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst,
                            dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog
                            steeds voldoende bescherming bij opgravingen aangezien al in de
                            Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat
                            een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een
                            rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn
                            terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en is ook de
                            eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend
                            geregeld.</al>
          <al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                            programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor
                            het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder
                            a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van
                            aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven
                            in het programma van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op
                            grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld
                            met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en
                            de beoordeling van het plan van aanpak.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Overige bepalingen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15.</nr>
            <titel>Schadevergoeding</titel>
          </kop>
          <al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                            monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig
                            is (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient
                            echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                            schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                            rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer
                            van toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de
                            memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg
                            is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding
                            voorop en geldt voor alle in het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m
                            e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of
                            ‘buitenproportioneel’ is. In deze modelverordening is gekozen voor een
                            gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen
                            zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een
                            schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16.</nr>
            <titel>Strafbepaling</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de
                            raad om op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen andere
                            of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van
                            de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de
                            geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare
                            feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in de
                            tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente
                            niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                            categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel
                            11 (het verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te
                            breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie € 74.000,-
                            (januari 2008).</al>
          <al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte
                            van de strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve
                            werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie
                            of een hechtenis van drie maanden voor de hand liggend.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17.</nr>
            <titel>Toezichthouders</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                            modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                            De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5,
                            waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                            handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                            voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als
                            zijnde personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn
                            met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van
                            toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening kan
                            plaatsvinden.</al>
          <al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                            inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen
                            voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
                            noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde
                            gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                            toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten
                            worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
                            noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de
                            naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al>
          <al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats
                            te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                            bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen
                            erven en andere terreinen, maar ook gebouwen
                            (niet-woningen).Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond
                            van artikel 18 niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in
                            artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                            doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt
                            dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid
                            toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een
                            opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18.</nr>
            <titel>Intrekken oude regeling</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening,
                            zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp
                            regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet
                            achterwege worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een
                            vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>19.</nr>
            <titel>Overgangsrecht</titel>
          </kop>
          <al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                            bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd
                            duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling
                            gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging
                            van bestaande rechten is daarom in deze verordening een
                            overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval
                            de aanwijzing tot monument (artikel 3) en de vergunning verlening
                            (artikel 10).</al>
          <al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                            gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                            aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In
                            het tweede lid is geregeld dat aanvragen om vergunning voor
                            gemeentelijke monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden
                            van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude
                            verordening.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>20.</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening
                            is allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (lid 1) en daarna
                            voor rijksmonumenten (lid 2). Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139
                            van de Gemeentewet. Hierin wordt de bekendmaking van verordeningen
                            geregeld.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>21.</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al>
          <al>‘Monumentenverordening gemeente Bellingwedde 2009’.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>
