<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta>
    <owmskern>
      <dcterms:identifier>322204_1</dcterms:identifier>
      <dcterms:title>Verordening als gevolg van artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij</dcterms:title>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type>
      <dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Franekeradeel</dcterms:creator>
      <dcterms:modified>2014-02-13</dcterms:modified>
    </owmskern>
    <owmsmantel>
      <dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://Overheid.nl">GVOP</dcterms:isFormatOf>
      <dcterms:alternative>Verordening als gevolg van artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij</dcterms:alternative>
      <dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij</dcterms:source>
      <overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy>
      <dcterms:subject>milieu</dcterms:subject>
      <dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights>
      <dcterms:issued>2014-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:c:WET GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ&amp;artikel=Artikel 6&amp;g=2014-02-13"/>
    </owmsmantel>
    <cvdripm>
      <overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-02-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum>
      <overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum>
      <overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft>
      <overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk>
      <overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving>
        <al>Geen</al>
      </overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving>
      <overheidrg:redactioneleToevoeging>
        <al>Op grond van artikel 28 Wet algemene regels herindeling is deze verordening per 1 januari 2020 vervallen.</al>
      </overheidrg:redactioneleToevoeging>
    </cvdripm>
  </meta>
  <body>
    <intitule/>
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Franekeradeel:</al>
          <al/>
          <al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van;</al>
          <al/>
          <al>Gelet op de artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>besluit:</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>Vast te stellen de volgende verordening:</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Verordening als gevolg van artikel 6 Wet geurhinder en
                            veehouderij</vet>
          </al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="a.">
              <al>de wet: Wet geurhinder en veehouderij (Wgv);</al>
            </li>
            <li nr="b.">
              <al><cursief>vervallen</cursief>.</al>
            </li>
            <li nr="c.">
              <al>melding: een melding gedaan in het kader van het
                                    <cursief>Activiteitenbesluit milieubeheer</cursief></al>
            </li>
          </lijst>
          <al>Voor de overige van toepassing zijnde definities wordt aangesloten bij de
                        definities genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Voorschriften</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al><cursief>Voor gevallen waarin de afstand niet dwingend bij of krachtens
                                de wet is voorgeschreven</cursief>, geldt dat de afstand tussen de
                            veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor
                            niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en
                            een geurgevoelig object moet bedragen:</al>
            <lijst>
              <li nr="a.">
                <al>binnen de bebouwde kom tenminste 50 meter;</al>
              </li>
              <li nr="b.">
                <al>buiten de bebouwde kom tenminste 25 meter.</al>
              </li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenzijde
                            van het geurgevoelig object mag niet kleiner worden, dan op het moment
                            van het in werking treden van deze verordening vergund was op grond van
                            de Wet milieubeheer dan wel volgens de laatst gedane melding.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De afstanden worden bepaald overeenkomstig de Regeling geurhinder en
                            veehouderij.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>
              <cursief>Als de toepassing van deze verordening leidt tot een kennelijke
                                onredelijkheid voor de
                                aa</cursief>
              <cursief>n</cursief>
              <cursief>vrager, kan het college,
                                met inachtneming van alle relevante belangen, afwijken van het
                                bepaalde in lid 2, behoudens het in lid 1 gestelde.</cursief>
            </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is
                        bekendgemaakt in de Franeker Courant.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening als gevolg van artikel 6
                        Wet geurhinder en veehouderij”.</al>
          <al>
            <cursief>De bijlagen zijn komen te vervallen.</cursief>
          </al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Nota van toelichting ten aanzien van de verordening als gevolg van
                        artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij.</titel>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>1.Inleiding</vet>
        </al>
        <al>Vanaf 1 januari 2007 is er nieuwe wetgeving. Deze wetgeving regelt de geurhinder
                    vanuit dierverblijven. Op grond van de wet heeft de Gemeenteraad de mogelijkheid
                    een eigen geurbeleid en verordening te maken. Deze nota is bedoeld als
                    toelichting op de verordening. In deze nota wordt achtereenvolgens de
                    regelgeving, doelstelling, motivatie, gebiedsvisie en verordening behandeld. Een
                    en ander moet tot een heldere besluitvorming leiden.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.</vet>
          <vet> Regelgeving</vet>
        </al>
        <al>Per 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking
                    getreden. Deze wet biedt een toetsingskader voor de beoordeling van geurhinder
                    vanuit dierverblijven van veehouderijen. Anders dan op grond van oude regelingen
                    zoals de Richtlijn veehouderij en Hinderwet of Veehouderij en stankhinder geeft
                    de Wgv grenswaarden aan. Deze grenswaarden zijn bij dieren zonder
                    geuremissiefactor (bijvoorbeeld melkrundvee) gesteld in een minimaal aantal
                    meters en bij vee met geuremissiefactor (bijvoorbeeld pluimvee) in odeur units
                    per kubieke meter lucht. In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) zijn de
                    geuremissie-factoren per diersoort aangegeven.</al>
        <al/>
        <al>Verder is in de nieuwe wetgeving de mogelijkheid gegeven om binnen bepaalde
                    marges een eigen gemeentelijk beleid te ontwikkelen voor geurhinder vanuit
                    veehouderijen. Dat gemeentelijk beleid kan worden neergelegd in een gebiedsvisie
                    en een verordening zoals bedoeld in artikel 6 van de Wgv. Wel heeft de wetgever
                    gemeend om een afstand als absoluut minimum te moeten aangeven.</al>
        <al/>
        <al>Bij het vaststellen van andere waarden of afstanden als in de Wet geurhinder en
                    veehouderij opgenomen, dient de Gemeenteraad een aantal aspecten, genoemd in
                    artikel 8 van de Wgv te betrekken. Deze aspecten betreffen:</al>
        <lijst>
          <li nr="a.">
            <al>de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in
                            het gebied;</al>
          </li>
          <li nr="b.">
            <al>het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging;</al>
          </li>
          <li nr="c.">
            <al>de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het
                            milieu;</al>
          </li>
          <li nr="d.">
            <al>de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied, of de afwijkende
                            relatie tussen geurbelasting en geurhinder. </al>
            <al/>
          </li>
        </lijst>
        <al>Deze aspecten worden onder het kopje <vet>“gebiedsvisie”</vet> beschreven.</al>
        <al/>
        <al>De overwegingen voor een gemeentelijk geurbeleid kunnen divers zijn. In het ene
                    geval kan de reden zijn dat ruimte moet worden geboden aan de ontplooiing van
                    veehouderijen waarbij de bescherming naar de omgeving minimaal wordt aangetast.
                    In andere gevallen betreft het van oorsprong aanwezige agrarische bedrijven in
                    de nabijheid van vrij liggende bebouwing. Zonder eigen geurbeleid zijn er geen
                    mogelijkheden om die bedrijven voor langere periode in stand te houden.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>3.</vet>
          <vet> Doelstelling</vet>
        </al>
        <al>Deze verordening heeft als doelstelling het vastleggen van beleid op grond van
                    de Wgv. </al>
        <al>De Wgv geeft de Gemeenteraad de bevoegdheid tot het zelf stellen van normen voor
                    geurhinder vanuit veehouderijen (binnen zekere grenzen). De gemeente heeft
                    daarmee de mogelijkheid om geurbeleid voor de veehouderij af te stemmen op de
                    doelstellingen van haar gebiedsgerichte visie.</al>
        <al/>
        <al> Met de vaststelling van een verordening geurhinder en veehouderij, waarin
                    opgenomen een gebiedsvisie, wordt invulling gegeven aan enerzijds de bescherming
                    van het leefklimaat en anderzijds ontwikkelingsmogelijkheden voor de
                    veehouderij. Deze verordening in het kader van de Wgv is tot stand gekomen om
                    bestaande knelpunten de mogelijkheid te bieden in stand te blijven dan wel in
                    specifieke situaties uit te breiden. In nieuwe situaties zal geen gebruik kunnen
                    worden gemaakt van de verordening maar zullen de afstanden welke de Wet stelt
                    gehanteerd worden.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.</vet>
          <vet> Motivatie</vet>
        </al>
        <al>Wil de gemeente Franekeradeel afwijken van de normen genoemd in de Wgv dan zal
                    de gemeente een eigen geurbeleid moeten vaststellen. In het geurbeleid zal
                    tevens de visie moeten worden gegeven op het betreffende gebied. Een en ander
                    kan worden opgenomen in een verordening, als bedoeld in artikel 6 van de Wgv,
                    welke door de Gemeenteraad moet worden vastgesteld.</al>
        <al/>
        <al>De Gemeenteraad heeft volgens de Wgv de beleidsvrijheid om voor de geurhinder
                    van veehouderijen maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en
                    milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste
                    (toekomstige) ruimtelijke inrichting.</al>
        <al/>
        <al>Een snelle doorlichting heeft duidelijk gemaakt dat het wenselijk is om voor de
                    gemeente Franekeradeel een verordening met daarin een gebiedsvisie op te
                    stellen, waarin de in artikel 8 van de Wgv vermelde aspecten in beeld worden
                    gebracht.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>5.Gebiedsvisie</vet>
        </al>
        <al>Het betreffende gebied heeft een van oorsprong agrarische bestemming waarbij
                    veehouderij (met name de melkrundveehouderij) een voorname rol speelt. De van
                    oorsprong oudere bedrijven zijn vaak nog gelegen nabij een kern of een groep van
                    woningen. In de voorgaande regelgeving (Richtlijn veehouderij en Hinderwet)
                    waren de mogelijkheden voor uitbreiding tot op relatief korte afstand van
                    woningen mogelijk. In de Wgv komen een aantal bedrijven op basis van de hierin
                    opgenomen afstanden op “slot” te staan.</al>
        <al/>
        <al>Om een leefbaar platteland te houden kan het niet de bedoeling zijn om van
                    oudsher aanwezige bedrijven nabij de enkele verspreid liggende woningen te
                    saneren. Om levensvatbaar te blijven moet ook uitbereiding mogelijk zijn. In de
                    verordening worden dan ook voor ten tijde van de vaststelling van de verordening
                    bestaande situaties, enige uitbreidingsmogelijkheden geboden.</al>
        <al/>
        <al>Wel moet een mogelijke uitbreiding de milieusituatie gunstiger maken dan voor de
                    uitbreidingen. In de verordening is opgenomen dat een eventuele uitbreiding niet
                    richting omliggende woningen mag plaatsvinden. De afstand van de stallen tot de
                    omliggende woningen mag niet kleiner worden. Door invulling te geven aan deze
                    randvoorwaarde wordt de leefkwaliteit van de omliggende woning zeker niet
                    nadelig beïnvloed maar op termijn zelfs verbeterd (aspect a).</al>
        <al>
          <cursief>Als hierdoor voor de aanvrager een kennelijk onredelijk situatie
                        ontstaat</cursief>
          <cursief>, kan het college hier van
                        afwijken</cursief>
          <cursief>. Het college kan dit doen met inachtneming van
                        alle relevante belangen</cursief>
          <cursief>.</cursief>
        </al>
        <al>In het bestemmingsplan zijn de mogelijkheden opgenomen voor uitbreiding, deze
                    uitbreiding is gelegen van de bestaande geurgevoelige objecten af waardoor een
                    grotere afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object ontstaat (aspect
                    b).</al>
        <al/>
        <al>Door bovenstaande geïntegreerde aanpak wordt de noodzaak van een even hoog
                    beschermingsniveau van de bescherming van het milieu aangetoond (aspect c).</al>
        <al>Gestreefd moet worden naar een agrarisch gebied waarbij de functie werken
                    mogelijk wordt gemaakt met de hier en daar van oorsprong bestaande bebouwing
                    (aspect d). </al>
        <al>Randvoorwaarde bij bovenstaande aspecten is de minimaal genoemde afstand in de
                    Wet geurhinder en veehouderij.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>6.</vet>
          <vet> Verordening</vet>
        </al>
        <al>In de Wgv zijn minimale afstanden genoemd tussen een veehouderij waar dieren
                    worden gehouden, waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor
                    is vastgesteld, en een geurgevoelig object van:</al>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="-">
            <al>binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter;</al>
          </li>
          <li nr="-">
            <al>buiten de bebouwde kom tenminste 50 meter.</al>
            <al/>
          </li>
        </lijst>
        <al>In deze verordening wordt vastgesteld dat de minimale afstanden genoemd tussen
                    een veehouderij waar dieren worden gehouden, waarvoor niet bij ministeriële
                    regeling een geuremissie-factor is vastgesteld, en de buitenzijde van een
                    geurgevoelig object worden vastgesteld op:</al>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="-">
            <al>binnen de bebouwde kom tenminste 50 meter;</al>
          </li>
          <li nr="-">
            <al>buiten de bebouwde kom tenminste 25 meter.</al>
            <al/>
          </li>
        </lijst>
        <al>Voor bovenstaande zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:</al>
        <lijst>
          <li nr="1.">
            <al>De feitelijk bestaande situatie is bepalend voor het al dan niet
                                <cursief>van toepassing zijn van </cursief> de verordening;</al>
          </li>
          <li nr="2.">
            <al>Voor de afstand tot het geurgevoelig object is de laatst vergunde
                            (vergunning Wet milieubeheer) dan wel gemelde situatie
                                (<cursief>Activiteitenbesluit milieubeheer</cursief>) bepalend.</al>
            <al/>
          </li>
        </lijst>
        <al>Indien er binnen het bedrijf waar binnen de genoemde afstand een veebezetting
                    aanwezig is en geen uitbreiding van de veebezetting plaatsvindt, is er sprake
                    van een “stand still beginsel” ofwel; de situatie wordt geaccepteerd zoals deze
                    is.</al>
        <al/>
        <al>Bij uitbreiding van de veestapel moet de minimale afstand tussen de veehouderij
                    waar dieren worden gehouden, waarvoor niet bij ministeriële regeling een
                    geuremissiefactor is vastgesteld, en de buitenzijde van een geurgevoelig object
                    minimaal de in de verordening genoemde afstand bedragen. Dit houdt in dat bij
                    uitbreiding van de veebezetting er binnen de minimale afstanden geen dieren
                    mogen worden gehouden. </al>
        <al>In deze verordening is geen aandacht geschonken aan de intensieve veehouderij.
                    Mocht in de toekomst blijken dat ook voor dit deel van de agrarische sector
                    eigen beleid moet worden geformuleerd dan zal hiervoor een nieuwe verordening
                    tot stand moeten komen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>7.</vet>
          <vet> Uitvoering</vet>
        </al>
        <al>In situaties waarin niet voldaan wordt aan de vaste afstanden genoemd in de Wet
                    geurhinder en veehouderij, geeft deze verordening mogelijkheden tot uitbreiding,
                    mits wordt voldaan aan de afstanden en uitgangspunten van de verordening.</al>
        <al>Binnen de grensafstanden van de verordening is geen uitbreiding mogelijk. Als er
                    binnen deze afstanden een veebezetting aanwezig is dan moet bij een uitbreiding
                    van de veebezetting de complete veebezetting buiten de grensafstand worden
                    gehuisvest.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>8.</vet>
          <vet> Overige overwegingen</vet>
        </al>
        <al>De gemeentelijke beslissing om een bepaald gebied een alternatief
                    beschermingsniveau te geven, kan effecten hebben op de uitbreidingsmogelijkheden
                    voor veehouderijen in nabijgelegen gemeenten. Een relatief hoog
                    beschermingsniveau voor geurgevoelige objecten in een grensgebied vermindert
                    immers de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen direct buiten de
                    gemeentegrens.</al>
        <al>Om die reden is overleg voorgeschreven met de nabijgelegen gemeenten,
                    voorafgaande aan besluitvorming over de andere waarde of de andere afstand
                    (artikel 9 van de Wgv). Om deze reden is samengewerkt met naburige gemeenten. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>9. </vet>
          <vet> Samenvatting Raadsbehandeling</vet>
        </al>
        <al>Het raadsvoorstel tot vaststelling van nota van toelichting en verordening is,
                    na afloop van de inspraaktermijn met de inspraakresultaten, ter vaststelling
                    voorgelegd aan de Raad d.d. 2 september 2010. <cursief>De wijziging van de
                        verordening is ter vaststelling voorgelegd aan de Raad d.d.
                        </cursief><cursief>23</cursief><cursief> januari</cursief><cursief>
                        201</cursief><cursief>4</cursief><cursief>.</cursief></al>
        <al/>
        <al>
          <vet>10.</vet>
          <vet> Risico’s</vet>
        </al>
        <al>Tegen vaststelling van gebiedsvisie en verordening staat geen bezwaar of beroep
                    open.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>11.</vet>
          <vet> Juridische aspecten</vet>
        </al>
        <al>Een gebiedsvisie heeft op zichzelf geen juridische status. De normen die volgen
                    uit de gebiedsvisie worden daarom vastgelegd in een gemeentelijke verordening.
                    Uit de verordening moet in ieder geval duidelijk blijken wat de grenzen zijn van
                    de onderscheiden (deel)gebieden en wat de maximale geurbelasting en de
                    minimumafstanden zijn in een gebied voor zover daarbij wordt afgeweken van de
                    normstelling en afstanden uit de Wgv.</al>
        <al/>
        <al>Toepassing van de afwijkende normen vindt wel plaats op basis van besluiten
                    waartegen beroep en bezwaar kan worden aangetekend, namelijk in besluiten op
                    vergunningaanvragen. Wanneer tegen dergelijke besluiten beroep wordt
                    aangetekend, kan de rechter de totstandkoming van de andere normen op
                    hoofdlijnen beoordelen (motiveringsbeginsel).</al>
        <al>Als de verordening eenmaal van kracht is, gelden bij milieuvergunningverlening
                    de daarin opgenomen normen. Deze gelden per geurgevoelig object. Ook de
                    provincie en buurgemeenten zijn bij milieuvergunningverlening gebonden aan de in
                    de verordening vastgelegde normen.</al>
        <al/>
        <al>De Wgv stelt geen specifieke eisen aan de procedure voor de verordening.
                    Inspraak is geregeld in de gemeentelijke Inspraakverordening. Voor zover een
                    wettelijke regeling geen inspraak voorschrijft bepaalt het bestuursorgaan of en
                    bij afwijking van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene
                    wet bestuursrecht op welke wijze inspraak wordt verleend. </al>
        <al/>
        <al>Op grond van artikel 4 van de Inspraakverordening Franekeradeel heeft de
                    gemeenteraad de mogelijkheid om een van de uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure afwijkende inspraakprocedure vast te stellen. </al>
        <al>
          <cursief>De wijziging van de verordening zal, omdat het gaat om een aantal
                        kleine wijzigingen, die geen grote veranderingen van de oorspronkelijk
                        verordening tot gevolg hebben, rechtstreeks door de raad worden
                        vastgesteld.</cursief>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>12. </vet>
          <vet> Communicatie en draagvlak</vet>
        </al>
        <al>Over het te voeren beleid op het vlak van geurhinder vanuit veehouderijen heeft
                    overleg plaats gevonden met het LTO Noord en de naburige gemeenten. Uit het
                    overleg met LTO Noord is gekomen dat gestreefd moet worden naar het voorkomen
                    van nieuwe knelpunten. Dit kan o.a. voorkomen worden door bij die bedrijven waar
                    momenteel geen sprake is van de overschrijding van de afstanden genoemd in de
                    Wet deze afstanden ook te handhaven. Verder heeft LTO Noord verzocht om de
                    ruimte die mogelijk is door het maken van een verordening te gebruiken. Vanuit
                    de gemeente Franekeradeel is aangegeven dat men hecht aan een goed leefklimaat. </al>
        <al>De betreffende bedrijven zijn middels een brief op de hoogte gesteld van de
                    wijzigingen door de Wet geurhinder en veehouderij. Vanwege de afwijking van de
                    normen van de Wet geurhinder en veehouderij door middel van specifiek
                    gemeentelijk beleid is iedereen de mogelijkheid tot inspraak verleend.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>13. </vet>
          <vet> Inspraakresultaten</vet>
        </al>
        <al>Van 4 maart 2010 heeft de ontwerp beschikking gedurende 6 weken ter inzage
                    gelegen.</al>
        <al>Er zijn de volgende 5 personen of instanties die op de volgende wijze hebben
                    gereageerd;</al>
        <al>
          <onderstreept>1.</onderstreept>
          <onderstreept> Stal Aristocraat (de heer en
                        mevrouw Hoekstra) Kie 3 te Franeker:</onderstreept>
        </al>
        <al>Betrokkenen geven schriftelijk aan dat het een bedrijf betreft waar sedert 2004
                    een trainingsstal voor paarden is gevestigd. Het bedrijf heeft geen melkrundvee,
                    schapen of anderszins. Verder wordt gewezen op het gebruik van een oudere
                    situatietekening waarbij de geplaatste afstandsbepaling door de woning van
                    betrokkenen loopt.</al>
        <al>
          <onderstreept>2.</onderstreept>
          <onderstreept> V.d. Pol Kie 7 te
                        Franeker:</onderstreept>
        </al>
        <al>Betrokkenen hebben via een telefonische reactie aangegeven geen bedrijf meer uit
                    te oefenen.</al>
        <al>
          <onderstreept>3.</onderstreept>
          <onderstreept> V. Althuis Zweinserweg 1 te
                        Peins;</onderstreept>
        </al>
        <al>Betrokkenen hebben via een telefonische reactie aangegeven uitsluitend schapen
                    te houden.</al>
        <al>
          <onderstreept>4.</onderstreept>
          <onderstreept> Tjalma / Postma, Dorpsstraat 1 te
                        Schalsum;</onderstreept>
        </al>
        <al>Betrokkenen hebben via een telefonische reactie de vraag gesteld of hier sprake
                    was van bebouwde kom;</al>
        <al/>
        <al>Ad 1. </al>
        <al>De betreffende locatie is opgenomen omdat in principe het houden van andere
                    dieren mogelijk is. Voor paarden gelden eveneens vaste afstanden en doet het
                    feit zich voor dat de trainingsstal op 40 meter van een geurgevoelig object is
                    gelegen. Daarmee is de verordening in deze situatie wel van toepassing. Een
                    uitbreiding van de stal is namelijk niet mogelijk doordat niet wordt voldaan aan
                    de generieke afstand voor het buitengebied van 50 meter tussen stal en
                    geurgevoelig object.</al>
        <al/>
        <al>Ad 2. Betrokkenen oefenen geen bedrijfsactiviteiten uit. Omdat in de verordening
                    uitgegaan wordt van de feitelijke situatie zoals deze is op het moment van
                    vaststellen van de verordening is deze locatie ten onrechte opgenomen in de
                    bijlage welke bij de verordening hoort. De locatie zal uit de bijlage worden
                    verwijderd. Daarmee is de verordening niet op deze situatie van toepassing.</al>
        <al/>
        <al>Ad 3. Betrokkenen hebben te kennen gegeven uitsluitend schapen te houden. </al>
        <al>Opgemerkt dient te worden dat de huidige bedrijfsvoering waarin schapen worden
                    gehouden geen vaste afstanden kent maar moet worden berekend via het programma
                    V-stacks. Omdat in de verordening uitgegaan wordt van de feitelijke situatie
                    zoals deze is op het moment van vaststellen van de verordening is deze locatie
                    ten onrechte opgenomen in de bijlage welke bij de verordening hoort. De locatie
                    zal uit de bijlage worden verwijderd.</al>
        <al/>
        <al>Ad 4. Het bedrijf van betrokkenen is volgens de in de verordening opgenomen
                    definitie ingedeeld in buiten de bebouwde kom. Er is volgens de verordening in
                    dit geval geen sprake van bebouwde kom.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>
